CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Notitie werken aan Omgevingsprogramma's.pdf

Raad 2 juli 2024, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: 22: Vaststellen Notitie werken aan Omgevingsprogramma10.864 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Notitie: Werken aan Omgevingsprogramma’s

1 – Notitie: Werken aan Omgevingsprogramma’s behorend bij collegevoorstel d.d. 9 april 2024.

Inhoud Samenvatting ........................................................................................................................................... 3 Hoofdstuk 1 Inleiding .............................................................................................................................. 4 1.1 Aanleiding .................................................................................................................... 4 1.2 Omgevingsvisie en het Omgevingsprogramma ............................................................ 4 1.3 Wettelijke grondslag ..................................................................................................... 5 1.4 Waarom een gebiedsgericht Omgevingsprogramma? .................................................. 6

Hoofdstuk 2 Positie van de gemeenteraad ............................................................................................ 7 2.1 Inhoudelijke keuzevrijheid voor Omgevingsprogramma’s ............................................. 7 2.2 De positie van de gemeenteraad.................................................................................. 7 2.3 Uitgangspunten inhoudelijke keuzevrijheid en de positie van de raad .......................... 8

Hoofdstuk 3

Participatie ................................................................................................................... 9

3.1. Participatietrechter ...................................................................................................... 9 3.2. Motiveringsplicht participatie en rol kiezen .................................................................. 9 3.3. Monitoring en informeren .......................................................................................... 10 3.4 Uitgangspunten participatie ........................................................................................ 10

Hoofdstuk 4

Opzet Omgevingsprogramma en Startnotitie ............................................................ 11

4.1. Wettelijke bepalingen opzet een Omgevingsprogramma ........................................... 11 4.3 Uitgangspunten opzet van een Omgevingsprogramma en startnotitie voor een Omgevingsprogramma 12

Hoofdstuk 5

Gebiedskeuze bij gebiedsgerichte Omgevingsprogramma’s. ................................... 13

5.1. Gebiedsgericht na themagericht................................................................................ 13 5.2 Kunnen we tot gebiedskeuze komen? ........................................................................ 13 5.2.1 Gebiedskeuze via de Omgevingsvisie ..................................................................... 13 5.2.2 Is een Omgevingsprogramma altijd nodig? ............................................................. 14 5.2.3 Capaciteit binnen organisatie .................................................................................. 14 5.2.4 Randvoorwaarden om te komen tot een volgorde voor het opstarten van gebiedsgerichte Omgevingsprogramma’s ........................................................................................................................................ 14 5.3 Randvoorwaarden vertaald naar Stichtse Vecht ......................................................... 15 5.4. Resultaat weging gebiedskeuze en volgorde. ........................................................... 21 5.4.1 Veenweide West en Veenweide Oost / Plassengebied. .......................................... 21 5.4.2 De drie grote kernen en Snelle Vecht ...................................................................... 21 5.4.3 Langzame Vecht en overige kernen ........................................................................

22 5.4.4 Starten met gebiedsgerichte Omgevingsprogramma’s. ........................................... 22 5.4.5 Globale planning Omgevingsprogramma ................................................................ 23 5.5 Uitgangspunten voor gebiedskeuze voor een gebiedsgericht Omgevingsprogramma 23

Bijlage 1: Omgevingsvisie en Omgevingsprogramma........................................................................... 24 Bijlage 2: Format Startnotitie. ................................................................................................................ 25 Bijlage 3: Omgevingsvisie en Omgevingsprogramma........................................................................... 27

2 – Notitie: Werken aan Omgevingsprogramma’s behorend bij collegevoorstel d.d. 9 april 2024.

Samenvatting Om nieuw beleid vast te stellen, uit te werken en te evalueren zal vanaf 2024 de systematiek en het instrumentarium van de Omgevingswet aangehouden worden. De Omgevingswet kent een aantal kerninstrumenten. Daarbinnen nemen de Omgevingsvisie en het Omgevingsprogramma een belangrijke rol in. Deze notitie richt zich op het kerninstrument Omgevingsprogramma. De komst van het Omgevingsprogramma betekent naast een nieuw beleidsinstrument, ook een andere werkwijze in de organisatie en een (deels) nieuwe samenwerking tussen de gemeenteraad en het college. In de voorliggende notitie wordt het kerninstrument Omgevingsprogramma’s geïntroduceerd. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen thematische en gebiedsgerichte Omgevingsprogramma’s. In de notitie wordt uitgelegd dat de Omgevingswet niet bepaalt hoe een Omgevingsprogramma er uit moet zien. In de Omgevingswet is wel opgenomen dat een Omgevingsprogramma moet voldoen aan minimale eisen. Hoewel veel beleid in onze gemeente al is of wordt opgesteld in de vorm van een programma beschikken wij op dit moment nog niet over een Omgevingsprogramma zoals bedoeld onder de Omgevingswet. In Nederland heeft op dit moment nog geen gemeente een Omgevingsprogramma vastgesteld. In april 2024 hebben wij wel een format voor het opstellen van Omgevingsprogramma’s gereed.

Er wordt afgesproken dat er voorafgaand aan het opstellen van een Omgevingsprogramma een startnotitie wordt vastgesteld. Deze wordt vastgesteld door het college. Afhankelijk van het type Omgevingsprogramma heeft de gemeenteraad hierbij een duidelijke rol. In deze notitie is hiervoor een passende werkwijze opgesteld. Wij behandelen ook het gebiedsgerichte Omgevingsprogramma. Dit type Omgevingsprogramma is niet zozeer gericht op één thema maar op een integrale afweging van verschillende opgaven binnen één gebied. In de Omgevingsvisie vastgesteld door de gemeenteraad is al een gebiedsindeling opgenomen. Binnen elk deelgebied worden opgaven voor Omgevingsprogramma’s genoemd. In deze notitie wordt aan de hand van een aantal randvoorwaarden tot een logische volgorde voor het starten met werken aan Omgevingsprogramma’s gekomen.

3 – Notitie: Werken aan Omgevingsprogramma’s behorend bij collegevoorstel d.d. 9 april 2024.

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding De Omgevingswet is op 1 januari 2024 in werking getreden en daarmee wordt een aantal nieuwe beleidsinstrumenten geïntroduceerd. Om nieuw beleid vast te stellen, uit te werken en te evalueren zal vanaf nu de systematiek en het instrumentarium van de Omgevingswet aangehouden moeten worden. Daarbinnen nemen de Omgevingsvisie en het Omgevingsprogramma een belangrijke rol in. Deze notitie richt zich op het Omgevingsprogramma, waaronder het gebiedsgericht Omgevingsprogramma. Het Omgevingsprogramma is een nieuw beleidsinstrument dat ook vraagt om een andere werkwijze. In deze notitie worden de uitgangspunten voor de nieuwe werkwijze vastgelegd. Daarbij zijn met betrekking tot het werken aan Omgevingsprogramma’s ook uitgangspunten geformuleerd die betrekking hebben op de rol van de gemeenteraad en het organiseren van participatie. Met betrekking tot gebiedsgerichte Omgevingsprogramma’s worden in deze notitie tevens specifieke uitgangspunten geformuleerd ten aanzien van de gebiedskeuze. “De systematiek van de Omgevingswet is gestoeld op de zogenaamde beleidscyclus. Waar de omgevingsvisie het startpunt is van de beleidscyclus, is de bedoeling van het werken met programma’s om een verdere invulling te geven aan het rondmaken van de cyclus.

In het programma maakt een overheid duidelijk hoe het te werk gaat om de gestelde doelen uit de Omgevingsvisie te bereiken. Bij de inhoud van een programma moet worden gedacht aan maatregelen, beleidsregels of de inzet van financiële instrumenten. In het Omgevingsplan legt de overheid regels en kaders voor de fysieke leefomgeving vast. (Bron: Antea)”.

1.2 Omgevingsvisie en het Omgevingsprogramma Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet in 2024 heeft onze gemeenteraad in 2021 een Omgevingsvisie vastgesteld. In de Omgevingsvisie zijn de (ruimtelijke) opgaven opgenomen waar de gemeente de komende jaren aan wil werken. Het is een visie voor de lange termijn. De uitwerking van een Omgevingsvisie vindt o.a. plaats in Omgevingsprogramma’s. Zo’n programma is zelfbindend en uitvoeringsgericht. Dit betekent dat, dat het bestuur en onze eigen organisatie zelf bindt. Om tot resultaten te komen zullen we zelf tot handelingen moeten overgaan. Daarvoor hebben wij onze inwoners en ondernemers nodig. In bijlage 1 bij deze notitie zijn de verschillen tussen een Omgevingsvisie en een Omgevingsprogramma naast elkaar gezet. Voor het vervolg van deze notitie is het belangrijk te onthouden dat een Omgevingsprogramma vooral gericht is op het (tijdig) uitvoeren van maatregelen en min minder mate gericht is op het stellen van nieuwe kader.

Schematische weergave Omgevingsprogramma binnen de beleidscyclus (bron Antea)

4 – Notitie: Werken aan Omgevingsprogramma’s behorend bij collegevoorstel d.d. 9 april 2024.

In tegenstelling tot de Omgevingsvisie is het Omgevingsprogramma gericht op een kortere termijn. In het algemeen wordt een doorlooptijd van 4 jaar passend geacht. Binnen deze termijn moeten we voor wat betreft de voorgenomen maatregelen tot concrete resultaten komen. Dat betekent overigens niet dat ontwikkelingen waar een Omgevingsprogramma betrekking op heeft geen langere doorlooptijd kan hebben. Een Omgevingsprogramma helpt de gemeente om sneller resultaten te bereiken en focus aan te brengen in de uit te voeren werkzaamheden. En de planning hiervan. Door de resultaten tijdig te evalueren kunnen visie en beleid tijdig bijgesteld worden. Daarnaast hebben vastgestelde Omgevingsprogramma’s ook effect op andere op te stellen programma’s.

1.3 Wettelijke grondslag De wettelijke grondslag voor het opstellen van Omgevingsprogramma’s is opgenomen in Afdeling 3.2 Programma’s van de Omgevingswet. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd om Omgevingsprogramma’s vast te stellen. Een gemeente moet daarbij rekening houden met andere bestuursorganen en hun beleid. De Omgevingswet maakt onderscheid tussen verplichte en onverplichte Omgevingsprogramma’s. Verplichte Omgevingsprogramma’s hebben betrekking op het uitwerken van Europese richtlijnen of op situaties waarbij omgevingswaarden dreigen te worden overschreden. Bij een omgevingswaarden kun je denken aan geluidsoverlast of luchtkwaliteit. Wij moeten in ieder geval aan de slag met verplichte Omgevingsprogramma’s. Een voorbeeld voor onze gemeente is bijvoorbeeld de “Actieplan Geluid”. De Omgevingswet acht verplichte Omgevingsprogramma’s minimaal noodzakelijk voor een goede fysieke leefomgeving. Met onverplichte Omgevingsprogramma’s kan de gemeente verder uitwerking geven aan visie en beleid. Onverplichte Omgevingsprogramma’s hebben betrekking op één thema terwijl gebiedsgerichte Omgevingsprogramma’s gericht zijn op één gebied. Met uitzondering van de verplichte Omgevingsprogramma’s bepalen wij zelf of er gestart wordt met een Omgevingsprogramma.

In artikel 3.16 en 3.17 van de Omgevingswet is opgenomen wat er minimaal in een Omgevingsprogramma moet worden opgenomen. Omgevingsprogramma’s kennen een uitvoeringsplicht. Deze is opgenomen in artikel 3.18 Omgevingswet. Om te kunnen controleren of voldaan kan worden aan de uitvoeringsplicht (monitoren) is het belangrijk dat een Omgevingsprogramma voldoende concrete maatregelen bevat. Maatregelen zijn vaak uiteenlopend van aard. Ze kunnen betrekking hebben op communicatie, financiën of het maken van afspraken met betrokken organisaties. Maar maatregelen hebben ook vaak betrekking op het realiseren van een ruimtelijke ontwikkeling of de herinrichting van een bepaald gebied. De maatregelen die in zo’n programma kunnen worden opgenomen zijn dus heel divers. In een Omgevingsprogramma moet vastgelegd worden hoe de voortgang en resultaten van deze maatregelen worden behaald en gemonitord. Dit vraagt vaak ook om het vaststellen van financiële dekking voor de beoogde maatregelen in het Omgevingsprogramma. Het Omgevingsprogramma is ook een manier om deze maatregelen aan te kondigen. Maatregelen kunnen ook betrekking hebben op het wijzigingen van juridische regels. Hoewel een Omgevingsprogramma vooral zelfbindend is, kan deze namelijk ook leiden tot aanpassingen van (juridische) regels die ook voor anderen bindend zijn. Denk aan het aanpassingen in het Omgevingsplan.

De gemeenteraad is beslissingsbevoegd voor het Omgevingsplan. In onze gemeente zijn of worden al beleidsdocumenten vastgesteld die qua inhoud min of meer te kwalificeren zijn als Omgevingsprogramma’s. Denk hierbij aan (thematisch) beleid zoals het woonbeleid en het mobiliteitsbeleid. Om in de toekomst ook daadwerkelijk te kunnen voldoen aan de eisen die de Omgevingswet stelt, zal er echter nog wel een slag gemaakt moeten worden. In deze notitie wordt ook ingegaan op deze vereisten. Daarbij moet vooral rekening gehouden worden met de minimale inhoud van een Omgevingsprogramma, het uitwerken en evalueren van concrete maatregelen en de doorwerking hiervan in andere kerninstrumenten van de Omgevingswet zoals het Omgevingsplan). Een grote uitdaging bij het opstellen van een Omgevingsprogramma zit waarschijnlijk ook in het bewaken van de scheidslijn tussen een visie en een programma. Op dit moment bevatten veel beleidsdocumenten weinig concrete maatregelen en is er vaak geen aandacht voor de planning van de werkzaamheden en het monitoren van de resultaten.

5 – Notitie: Werken aan Omgevingsprogramma’s behorend bij collegevoorstel d.d. 9 april 2024.

1.4 Waarom een gebiedsgericht Omgevingsprogramma? Bij Omgevingsprogramma’s wordt onderscheid gemaakt in gebiedsgerichte Omgevingsprogramma’s en thematische Omgevingsprogramma’s. Het verschil tussen een gebiedsgericht Omgevingsprogramma en een thematisch Omgevingsprogramma ligt in de manier waarop ze de fysieke leefomgeving aanpakken. Een thematisch programma richt zich op specifieke beleidsthema’s zoals bijvoorbeeld mobiliteit, duurzaamheid of cultuurhistorie. Zo’n programma is gericht op het bereiken van concrete doelstellingen voor één thema, zoals het verbeteren van de verkeersveiligheid. Maatregelen hoeven zich niet te richten op één gebied maar kunnen voor de gehele gemeente gelden. Een gebiedsgericht Omgevingsprogramma richt zich daarentegen op een specifiek geografisch gebied, bijvoorbeeld een kern, het landelijk gebied of een bedrijventerrein. Het gebiedsgerichte Omgevingsprogramma heeft als doel om de kwaliteit van de leefomgeving in zijn geheel in één afgebakend gebied te verbeteren, zonder zich daarbij te richten op één thema. Het gebiedsgericht Omgevingsprogramma ziet toe op een integrale aanpak van vraagstukken die specifiek zijn voor het betreffende gebied, waarbij verschillende beleidsvelden (thema’s) worden geïntegreerd.

Hiervoor is het wel noodzakelijk dat de thematische Omgevingsprogramma’s voldoende zijn uitgewerkt voor dat gestart kan worden met een gebiedsgericht Omgevingsprogramma. Thematische Omgevingsprogramma’s vormen dus de bouwstenen voor een gebiedsgericht Omgevingsprogramma. Zonder thematische Omgevingsprogramma is wordt het heel lastig om een integrale afweging te maken in een gebiedsgericht Omgevingsprogramma. Onder de Omgevingswet zullen we veel gaan werken met “omgevingswaarden”. Deze helpen ons bij het bepalen van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Omgevingswaarden moeten objectief en meetbaar zijn. Een gebiedsgericht Omgevingsprogramma is vooral van meerwaarde als binnen het beoogde gebied meerdere thema’s, opgaven en maatregelen, gelijktijdig en integraal opgepakt moeten worden. In hoofdstuk 5 gaan wij in op de gebiedskeuze voor een gebiedsgericht Omgevingsprogramma. Onderstaand is de relatie tussen thematische en gebiedsgerichte Omgevingsprogramma’s weergegeven.

6 – Notitie: Werken aan Omgevingsprogramma’s behorend bij collegevoorstel d.d. 9 april 2024.

Hoofdstuk 2 Positie van de gemeenteraad 2.1 Inhoudelijke keuzevrijheid voor Omgevingsprogramma’s Een Omgevingsprogramma is een uitwerking van de opgaven uit de door de gemeenteraad vastgestelde Omgevingsvisie. Met de vaststelling van de Omgevingsvisie wordt dus al richting gegeven aan de op te stellen Omgevingsprogramma’s. Het op- en vaststellen van een Omgevingsprogramma is een (beslissings)bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders. Daarbij heeft het college de vrijheid om gelet op bestuurlijke ambities voorrang te geven aan, niet-verplichte, specifieke opgaven. Bijvoorbeeld uit het coalitieakkoord. Zoals uitgelegd is, dient een gemeente altijd uitwerking te geven aan de door de Omgevingswet verplichte Omgevingsprogramma’s.

2.2 De positie van de gemeenteraad De Omgevingswet heeft de gemeenteraad, binnen de in hoofdstuk 1 genoemde beleidscyclus, een belangrijke positie toegekend bij de vaststelling van de Omgevingsvisie en het Omgevingsplan. Door middel van de vaststelling van de Omgevingsvisie geeft de gemeenteraad het college kaders en doelstellingen mee die uitgewerkt moeten worden in Omgevingsprogramma’s. Vervolgens kunnen in het Omgevingsplan de (instructieregels) vastgesteld worden die nodig zijn om de maatregelen uit de Omgevingsprogramma’s uit te kunnen voeren. De gemeenteraad kan dus richting geven en kaders stellen bij de visievorming en bijsturen of op de rem trappen bij het uiteindelijk vaststellen van de juridische regels. Het Omgevingsprogramma ligt bij het college. Binnen de beleidscyclus van de Omgevingswet wordt dit gezien als een onderdeel gericht op “uitvoering”. Dat is belangrijk omdat Omgevingsprogramma’s gericht zijn op het op kortere termijn bereiken van concrete resultaten. Op deze manier kan slagvaardig gewerkt worden binnen de beleidscyclus. Het college vindt het van belang om de gemeenteraad in de komende periode te betrekken bij het ontdekken van een nieuw instrumentarium onder de Omgevingswet. Het college wil dit doen door de gemeenteraad voorafgaand aan het opstellen van een Omgevingsprogramma door middel van het peilen van de startnotitie.

We gaan later verder in op de startnotitie. Via een startnotitie wordt gepeild of naar inzicht van de gemeenteraad, voldoende rekening gehouden wordt met de doelstellingen van vastgesteld beleid en uit de vastgestelde Omgevingsvisie. Door de gemeenteraad regelmatig op de hoogte te houden, houdt zij zicht op de voortgang van de Omgevingsprogramma’s en het effect van de maatregelen die genomen worden. In een Omgevingsprogramma kunnen beleidsregels worden opgenomen. Deze krijgen direct een functie als afwegingskader. De beleidsregels moeten daardoor ook in het Omgevingsplan opgenomen en uitgewerkt worden. In een Omgevingsplan heten deze juridische regels vaak instructieregels. Het vaststellen van een Omgevingsplan is echter een beslissingsbevoegdheid van de gemeenteraad. In een Omgevingsprogramma moet daarom ook inzichtelijk gemaakt worden welke regels aangepast of toegevoegd moeten worden in het Omgevingsplan. Voor vaststelling van het Omgevingsprogramma moet hier wel afstemming over plaatsvinden met de gemeenteraad. Het is noodzakelijk om dit op een goede manier af te stemmen. Zoals is gezegd, is het Omgevingsprogramma gericht op het uitwerken van concrete maatregelen. Om de maatregelen te kunnen uitvoeren zijn middelen nodig. De gemeenteraad besluit in veel gevallen of, voor hoe lang en wanneer deze middelen beschikbaar worden gesteld.

Hier heeft de gemeenteraad dus ook een belangrijke positie. Gebiedsgerichte Omgevingsprogramma’s zijn vaak complexer dan themagerichte Omgevingsprogramma’s omdat gelijktijdig wordt gewerkt aan verschillende thema’s met een grote verscheidenheid aan maatregelen tot gevolg. De impact is vaak groot. Maatregelen voortkomend uit een gebiedsgericht Omgevingsprogramma zullen veelal leiden tot een groot aantal, ingrijpende, aanpassingen van het Omgevingsplan. Daarnaast moeten financiële middelen beschikbaar gesteld worden om maatregelen uit te kunnen voeren. Ook hier vindt het college het van belang om dit nieuwe instrumentarium samen met de gemeenteraad te ontdekken. Het college stelt daarom voor om bij de start van een gebiedsgericht Omgevingsprogramma, de startnotitie niet te peilen bij de gemeenteraad, maar deze vast te laten stellen door de gemeenteraad. Het college stelt voor deze werkwijze de komende 2 jaar aan te houden en vervolgens te evalueren. Op deze manier kan een maximale betrokkenheid georganiseerd worden bij de start van het werken aan gebiedsgerichte Omgevingsprogramma’s.

7 – Notitie: Werken aan Omgevingsprogramma’s behorend bij collegevoorstel d.d. 9 april 2024.

2.3 Uitgangspunten inhoudelijke keuzevrijheid en de positie van de raad Met betrekking tot de bestuurlijke keuzevrijheid en de positie van de raad worden de volgende uitgangspunten vastgesteld: 1. Omgevingsprogramma’s geven uitwerking aan de door de gemeenteraad vastgestelde Omgevingsvisie. Het college stelt prioriteiten aan de volgorde waarin (onverplichte) Omgevingsprogramma’s worden opgesteld. 2. Voorafgaand aan het opstellen van een thematisch Omgevingsprogramma wordt een startnotitie opgesteld, welke wordt gepeild bij de gemeenteraad. De startnotities van gebiedsgerichte Omgevingsprogramma’s worden de komende twee jaar door de gemeenteraad vastgesteld; 3. In een Omgevingsprogramma moet inzichtelijk gemaakt worden of en welke aanpassingen in het Omgevingsplan nodig zijn. Bij vaststelling van het Omgevingsprogramma moet hierover afstemming hebben plaatsgevonden met de gemeenteraad. 4. Om de maatregelen te kunnen uitvoeren zijn wellicht financiële middelen nodig. Bij de vaststelling van een Omgevingsprogramma dient hierover, indien nodig, afstemming te hebben plaatsgevonden met de gemeenteraad.

8 – Notitie: Werken aan Omgevingsprogramma’s behorend bij collegevoorstel d.d. 9 april 2024.

Hoofdstuk 3

Participatie

3.1. Participatietrechter Bij de keuze voor een participatievorm moeten wij ons goed realiseren dat het Omgevingsprogramma onderdeel uitmaakt van een (beleids)cyclus. Er wordt gewerkt op verschillende schaalniveaus. Het gaat van het schaalniveau dat betrekking heeft op de totale gemeente (Omgevingsvisie) naar één thema of gebied (Omgevingsprogramma) en vervolgens naar een wijk, buurt of straat en zelfs woning (Omgevingsplan en Omgevingsvergunning). Met elke stap worden de gevolgen steeds concreter en gedetailleerder. Het is nadrukkelijk de bedoeling dat de participatie het schaalniveau en het doel van het beleidsinstrument volgt. Het is bijvoorbeeld niet de bedoeling om bij de participatie voor het opstellen van een Omgevingsprogramma, opnieuw de opgaven en de doelstellingen uit de Omgevingsvisie ter discussie te stellen. Een beleidscyclus vraagt niet om herhaling maar vervolgstappen. Daarbij dient wel steeds te worden gecontroleerd of resultaten van eerdere participatie nog voldoende actueel zijn. Naarmate de uitwerking concreter wordt, wordt het aantal belanghebbenden waarschijnlijk kleiner en hun belang specifieker. Vooraf geldt dat bij participatie ten behoeve van een Omgevingsprogramma een duidelijk kader en verwachtingspatroon moet worden meegegeven.

3.2. Motiveringsplicht participatie en rol kiezen Participatie kan uiteenlopen van het werken met een klankbordgroep of het ter inzage leggen van een ontwerp tot een volledig gebiedsproces. Net als bij andere instrumenten onder de Omgevingswet geldt ook voor een Omgevingsprogramma een motiveringsplicht met betrekking tot participatie. In artikel 10.8 van het Omgevingsbesluit zijn de randvoorwaarden voor deze motivering opgenomen. Bij het vaststellen van een Omgevingsprogramma moet worden aangegeven op welke wijze is geparticipeerd en wat de resultaten daarvan zijn. De vorm en wijze waarop deze participatie wordt ingericht is niet wettelijk geregeld. De gemeente Stichtse Vecht heeft hiervoor al wel een leidraad opgesteld. Een Omgevingsprogramma dient ook formeel ter inzage gelegd te worden op grond van de AMvB. Tegen een Omgevingsprogramma kunnen zienswijzen ingediend worden, er is echter geen mogelijkheid om in beroep te gaan bij de Raad van State. De manier van participeren hangt af van de opgaven en thema’s die binnen een beoogd Omgevingsprogramma worden behandeld. Bij de keuze voor participatie dienen dan ook de volgende vragen gesteld te worden: 1. Keuze voor belanghebbenden: Welke belanghebbenden worden betrokken, gelet op de doelen en het karakter van het Omgevingsprogramma en de maatregelen die hieruit voortkomen? 2.

Eerdere participatie: Heeft er eerder participatie plaatsgevonden en zijn de resultaten nog voldoende actueel en bruikbaar? 3. Gelijktijdige participatie: Kan participatie ten behoeve van een Omgevingsprogramma gecombineerd worden met andere participatietrajecten. 4. Wat en wie: Wat moet participatie opleveren en wie organiseert het proces? 5. Resultaten: Hoe wordt de opbrengst van participatie verwerkt en hoe maken we dat zichtbaar? Op basis van artikel 10.8 van het Omgevingsbesluit dient participatie in beeld gebracht te worden in de op te stellen startnotitie voorafgaand aan een Omgevingsprogramma, zie hoofdstuk 4. De bovenstaande hulpvragen kunnen daarbij gebruikt worden. Bij het organiseren van participeren geven wij uitvoering aan onze Participatieleidraad Stichtse Vecht 2021 (voor beleid). Bij het organiseren van participatie is het belangrijk om ons te blijven realiseren dat we door middel van een Omgevingsprogramma slagvaardig moeten handelen en uiteindelijk tot concrete maatregelen moeten komen. Het uitgangspunt zal daarom zijn dat participatie vooral gericht is op het toetsen van deze maatregelen en het ophalen lokale kennis. Participatie bij Omgevingsprogramma’s zal zich daarom richten op de vraag wie we, op welke manier, bij de uitwerking kunnen betrekken. Participatie is daarmee ook grotendeels uitvoeringsgericht.

Dat moet ook wel want een Omgevingsprogramma is zelfbindend voor de gemeente en in feite een “handelingsperspectief”. Dit bereiken we alleen in de praktijk en samen met onze inwoners en ondernemers. 9 – Notitie: Werken aan Omgevingsprogramma’s behorend bij collegevoorstel d.d. 9 april 2024.

Bij participatie dient ook te worden nagedacht over de interbestuurlijke afstemming. Soms raakt het Omgevingsprogramma taken, bevoegdheden of doelen van andere bestuursorganen. In sommige gevallen kan het zelfs handig zijn om delen van een Omgevingsprogramma gezamenlijk op te stellen. Bijvoorbeeld met de provincie Utrecht. Mogelijk kunnen we aanhaken bij anderen. In die gevallen is het raadzaam om voorafgaand aan het opstellen van een Omgevingsprogramma afstemming te zoeken.

3.3. Monitoring en informeren Uit de monitoring moet blijken in hoeverre de doelen van het Omgevingsprogramma bereikt worden. Bij Omgevingsprogramma’s kan de monitoring toezien op de voortgang, uitvoering en het doelbereik van het Omgevingsprogramma. Ook voor wat betreft de monitoring voorziet de Omgevingswet in gevallen in regels over het informeren van het publiek over de monitoring. Er wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds het ter beschikking stellen van gegevens en anderzijds het actief verstrekken van informatie. Het ter beschikking stellen van gegevens ziet toe op de monitoringsresultaten die zijn verzameld. Het actief verstrekken van informatie betreft ook de informatie waaruit blijkt dat niet wordt voldaan of dreigt te worden voldaan aan de beoogde doelen. Het college moet ook door derden kunnen worden aangesproken op het al dan niet realiseren van doelen en projecten en op de uitvoering van beleid dat is vastgelegd in programma's. Monitoring en de beschikbaarstelling is van wezenlijk belang.

3.4 Uitgangspunten participatie Met betrekking tot participatie worden de volgende uitgangspunten: 1. In de startnotitie voorafgaand aan het Omgevingsprogramma wordt vastgelegd, hoe wordt voldaan aan de wettelijke motiveringsplicht van artikel 10.8 van het Omgevingsbesluit. Wij bepalen aan de hand van onze Participatieleidraad Stichtse Vecht 2021 (voor beleid) de participatievorm en onze rol bij participatie en spreken een verwachting uit over het resultaat; 2. Participatie volgt het schaalniveau, we gaan uit van vervolgstappen en niet van herhaling. Bij het gebruik van eerdere participatie wordt gecontroleerd of deze nog voldoende actueel is; 3. Wij nemen in het Omgevingsprogramma een participatieverslag op en een beschrijving van de wijze waarop betrokkenen worden geïnformeerd over de resultaten tijdens de monitoring.

10 – Notitie: Werken aan Omgevingsprogramma’s behorend bij collegevoorstel d.d. 9 april 2024.

Hoofdstuk 4

Opzet Omgevingsprogramma en Startnotitie

4.1. Wettelijke bepalingen opzet een Omgevingsprogramma Op dit moment is er nog geen gemeente die een Omgevingsprogramma heeft vastgesteld. Wij kunnen op dit moment dan ook geen voorbeeld of referentie tonen. Bij het opstellen van het Omgevingsprogramma kunnen wij ons op dit moment vooral vasthouden aan de minimale wettelijke eisen zoals opgenomen in de artikelen 3.16, lid 1 en 3.17 van de Omgevingswet. De gemeente kan zelf invulling geven aan de vormgeving en opbouw. Wel dient een Omgevingsprogramma raadpleegbaar te zijn via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Dat betekent dat een Omgevingsprogramma, net als het Omgevingsplan, straks te vinden moet zijn op de voorziening van regels op de kaart. Momenteel wordt gewerkt aan één format voor alle Omgevingsprogramma’s in onze organisatie. Dit format wordt zodanig opgesteld dat deze direct geschikt is voor publicatie via het DSO. Het is de bedoeling dat dit format in april 2024 voor alle (beleids)medewerkers van onze gemeente te gebruiken is. Gelet op het doel van de Omgevingswet (slagvaardig en resultaatgericht) heeft het de voorkeur om een Omgevingsprogramma zo compact en concreet mogelijk te houden. Het hoeft dus niet in alle gevallen een groot document te zijn. Onderstaande onderdelen dienen als vaste onderdelen volgens artikel 3.16 lid 1 en 3.17 van de Omgevingswet terug te komen in een Omgevingsprogramma: 1.

welke ruimte er, gelet op de omgevingswaarde of de andere doelstelling, beschikbaar is voor activiteiten; 2. het gebied waarvoor het programma geldt. Bijvoorbeeld voor een deel van de provincie of gemeente. Of alleen voor bepaalde natuurgebieden; 3. de periode van het programma; 4. de omgevingswaarde of de andere doelstelling waarvoor het programma is vastgesteld; 5. de toestand van het onderdeel van de fysieke leefomgeving waarvoor het programma is vastgesteld; 6. de verwachte ontwikkelingen in het gebied die waarschijnlijk gevolgen hebben voor de doelstellingen; 7. de verwachte activiteiten in het gebied tijdens de duur van het programma. Het gaat dan om activiteiten die waarschijnlijk effect hebben op de doelstellingen. Of over de manier waarop de overheid de beschikbare ruimte voor deze activiteiten bepaalt en verdeelt; 8. de gevolgen van de verwachte ontwikkelingen in het gebied. En dan voor het onderdeel van de fysieke leefomgeving waarvoor de provincie het programma heeft opgesteld; 9. de maatregelen die bijdragen aan het voldoen aan de omgevingswaarde. Of het bereiken van een andere doelstelling; 10. de verwachte gevolgen van die maatregelen; 11. de termijn waarbinnen de overheid deze maatregelen uitvoert. Wij dienen aanvullend stil te staan bij een viertal vervolgvragen.

Vragen die zowel vooraf richting geven aan de inhoud en de totstandkoming van het Omgevingsprogramma, als achteraf van belang zijn bij de uitvoering en het beheer. Dit zijn vragen die tot nu toe niet altijd vanzelfsprekend waren bij het opstellen van gemeentelijke beleidsinstrumenten. Deze worden ook onderdeel van het Stichtse Vecht format van een Omgevingsprogramma. 1. Is er voor dit programma een plan mer-(beoordelings)plicht (milieueffectrapportage)? 2. Welke (type) sturingsinstrumenten kiest de gemeente als maatregelen (economisch, financieel, juridisch, beleidsmatig, communicatief)?; 3. Hoe gaat de gemeente het programma monitoren? 4. Hoe gaat de gemeente de monitoringsgegevens beschikbaar stellen?

4.2 Opzet van de startnotitie Voorafgaand aan het opstellen van een Omgevingsprogramma wordt een startnotitie opgesteld. Het doel van een startnotitie is tweeledig. Enerzijds geeft het inzicht in het doel, de projectorganisatie en de beoogde resultaten van een Omgevingsprogramma. Dat is ook van belang voor de projectorganisatie.

11 – Notitie: Werken aan Omgevingsprogramma’s behorend bij collegevoorstel d.d. 9 april 2024.

Een startnotitie is zelfbindend. Anderzijds dient de startnotitie als peilstuk. Zo kan de gemeenteraad alsnog aanbevelingen meegeven voor het opstellen van een thematisch Omgevingsprogramma en zicht houden op de opgaven waaraan gewerkt wordt. Bij een gebiedsgericht Omgevingsprogramma zal de startnotitie worden vastgesteld door de gemeenteraad. Een zo’n volledig mogelijke startnotitie draagt bij aan een goede start van het project. Het geeft inzicht in capaciteit, planning en gaat in de op diverse verplichtingen die gesteld worden aan een Omgevingsprogramma volgens de Omgevingswet. Wij gaan werken met één format voor een startnotitie ter voorbereiding op het opstellen van een Omgevingsprogramma. In bijlage 2 is dit format opgenomen. Dit is een eerste opzet. Gaandeweg kan door nieuwe inzichten het format worden aangepast.

4.3 Uitgangspunten opzet van een Omgevingsprogramma en startnotitie voor een Omgevingsprogramma Met betrekking tot de opzet van het Omgevingsprogramma en de opzet van de startnotitie worden de volgende uitgangspunten vastgesteld: 1. Wij werken met één format voor het Omgevingsprogramma dat gebruikt wordt door de hele organisatie. Het format is in april 2024 gereed; 2. Voorafgaand aan het opstellen van de Omgevingsprogramma wordt een startnotitie vastgesteld conform het format zoals opgenomen in bijlage 2 bij deze notitie; 3. In een startnotitie voor een Omgevingsprogramma geven wij aan op welke wijze rekening wordt gehouden met de minimale eisen zoals opgenomen in artikelen 3.16, lid 1 en 3.17 van de Omgevingswet.

12 – Notitie: Werken aan Omgevingsprogramma’s behorend bij collegevoorstel d.d. 9 april 2024.

Hoofdstuk 5

Gebiedskeuze bij gebiedsgerichte Omgevingsprogramma’s.

5.1. Gebiedsgericht na themagericht. Anders dan alleen een thematisch Omgevingsprogramma richt een gebiedsgericht Omgevingsprogramma zich op meerdere thema’s binnen een gekozen gebied. Het college heeft de inzet van het gebiedsgerichte Omgevingsprogramma’s de afgelopen periode verkend. Daarnaast heeft de gemeenteraad op 23 september 2023 een motie aangenomen welke betrekking heeft op de aanpak en planning van de gebiedsgerichte Omgevingsprogramma’s. In aanvulling op de uitgangspunten voor de rol van de raad en de uitgangspunten voor participatie is het bij een gebiedsgericht Omgevingsprogramma van belang om tot een goede gebiedskeuze te komen. In dit hoofdstuk wordt hierop ingegaan.

5.2 Kunnen we tot gebiedskeuze komen? Het opstellen van gebiedsgericht Omgevingsprogramma kan een complexe en uitgebreide opgave zijn. Het opstellen van een gebiedsgericht Omgevingsprogramma vraagt namelijk veel kennis, tijd en capaciteit van onze gemeente. Dit beperkt zich niet alleen tot het opstellen van het Omgevingsprogramma. Dit heeft ook betrekking op de uitvoering en monitoring van de maatregelen en resultaten. Wij moeten onze capaciteit en kennis zo efficiënt mogelijk inzetten om de doelen die gesteld zijn in de Omgevingsvisie tot uitvoering te brengen. Daarbij wil je als gemeente ook een zo’n groot mogelijke impact realiseren op het woon- en leefklimaat in de gemeente en voor onze inwoners en ondernemers. Doelen, maatregelen, capaciteit, impact en draagvlak kunnen gezien worden als randvoorwaarden bij het bepalen van een gebiedskeuze voor een Omgevingsprogramma en een mogelijke volgorde voor het opstellen van meerdere gebiedsgerichte Omgevingsprogramma’s. Om slagvaardig met een gebiedsgericht Omgevingsprogramma aan het werk te gaan is het ook van belang dat het thematisch beleid voldoende op orde is. Binnen een gebiedsgericht Omgevingsprogramma komt dit beleid bij elkaar en vervolgens wordt daar, rekening houdend met de lokale situatie, een integrale afweging over gemaakt.

Het is niet wenselijk om in gebiedsgerichte Omgevingsprogramma’s, specifiek thematisch beleid op te stellen terwijl algemeen thematisch beleid binnen gemeente op dat onderdeel nog ontbreekt. Het is wel mogelijk dat door het werken aan gebiedsgerichte Omgevingsprogramma’s blijkt dat bestaand thematisch beleid of de Omgevingsvisie aangepast of aangevuld moeten worden.

5.2.1 Gebiedskeuze via de Omgevingsvisie Op grond van de Omgevingsvisie kan ook onderscheid gemaakt worden tussen een aantal gebieden. Een bekende verdeling is die tussen de “Langzame Vecht” en de “Snelle Vecht” maar in onze Omgevingsvisie wordt ook onderscheid gemaakt in “grote kernen” en in de delen van het landelijk gebied; Veeweide Oost en Veenweide West / Plassengebied. Het ligt voor de hand om bij de gebiedskeuze en volgorde voor gebiedsgerichte Omgevingsprogramma’s, de indeling van de Omgevingsvisie te volgen. In de Omgevingsvisie zijn namelijk ook al doelen en ambities gekoppeld aan deze indeling. Om de ambities uit de Omgevingsvisie de komende jaren verder uit te werken in Omgevingsprogramma’s zal het nodig zijn om de Omgevingsvisie op onderdelen te verdiepen. De Omgevingsvisie zal daarom regelmatig geactualiseerd en aangevuld moeten worden. In sommige gevallen zal het nodig zijn om voorafgaand aan de start van een gebiedsgericht Omgevingsprogramma een gebiedsvisie op te stellen als hoofdstuk van de Omgevingsvisie. Een gebiedsvisie kan gezien worden als verdere concretisering van de ambities zoals opgenomen in de Omgevingsvisie. Een gebiedsvisie wordt (nieuw) onderdeel van de Omgevingsvisie. Op deze manier kunnen we gezamenlijk vaststellen dat we binnen de juiste kaders, doelen en maatregelen uitwerken in de verschillende Omgevingsprogramma’s.

Onder elk kerninstrument binnen de Omgevingswet vallen weer enkele beleidsstukken waarmee input geleverd wordt aan de vast te stellen beleid. In Stichtse Vecht ziet dit er zoals onderstaand uit.

13 – Notitie: Werken aan Omgevingsprogramma’s behorend bij collegevoorstel d.d. 9 april 2024.

5.2.2 Is een Omgevingsprogramma altijd nodig? Elke kern en elk gebied in onze gemeente heeft zijn eigen dynamiek en karakteristiek. Dit komt terug in onze Omgevingsvisie. De aard en omvang van de opgaven en het aantal doelen kan per gebied of kern verschillen. In niet alle gebieden spelen zodanig veel (urgente) opgaven dat het voor de hand ligt om hiervoor elk apart en direct een Omgevingsprogramma op te stellen. Het opstellen van een Omgevingsprogramma is niet altijd de meest logische keuze. De Omgevingswet kent meerdere kerninstrumenten waarbij ruimtelijke ontwikkelingen verwezenlijkt kunnen worden. Specifieke opgaven kunnen daarom ook opgepakt worden via een concreet ruimtelijk plan met daaropvolgende aan aanvraag omgevingsvergunning. Het is niet verplicht om voor elk gebied een Omgevingsprogramma vast te stellen. Er zijn gebieden en kernen waar we de komende tijd weinig ontwikkelingen verwachten. Hier ligt de nadruk vooral op het beschermen en behouden van de huidige waarden en kwaliteiten. Denk bijvoorbeeld aan de Natura 2000 gebieden en de gebieden gelegen binnen het beschermingsgebied van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. In deze gebieden ligt het minder voor de hand om direct te beginnen met het opstellen van een gebiedsgericht Omgevingsprogramma.

5.2.3 Capaciteit binnen organisatie Bij de start van een Omgevingsprogramma moet ook rekening gehouden worden met de capaciteit binnen de organisatie. Gelijktijdig inzetten op een groot aantal Omgevingsprogramma’s vraagt (te) veel inzet en specifieke kennis. Deze inzet en kennis is momenteel niet beschikbaar. Het ligt voor de hand om in eerste instantie in te zetten op het afronden van thematische programma’s en daarnaast gelijktijdig te starten met de verplichte en enkele gebiedsgerichte Omgevingsprogramma’s. Deze thematische programma zijn immers ook nodig om een gebiedsgericht Omgevingsprogramma op te kunnen stellen.

5.2.4 Randvoorwaarden om te komen tot een volgorde voor het opstarten van gebiedsgerichte Omgevingsprogramma’s Bij het maken van een gebiedskeuze en de volgorde voor gebiedsgerichte Omgevingsprogramma’s zijn de opgaven leidend. Om tot een gebiedskeuze voor gebiedsgerichte Omgevingsprogramma’s te komen, kunnen wij een aantal randvoorwaarden benoemen. Als we gebieden afwegen aan de hand van deze randvoorwaarden kunnen we tot een volgorde komen. Dit is geen absolute wetenschap, maar wel een praktijkgerichte en op ervaring gebaseerde inschatting welke als hulpmiddel gebruikt kan worden om tot keuzes te komen voor gebieden en de volgorde van gebiedsgerichte Omgevingsprogramma’s. Ook in onderlinge samenhang. De randvoorwaarden zijn: 1. Doelen van Omgevingsvisie: via een Omgevingsprogramma wordt uitwerking gegeven aan de doelen en ambities uit de Omgevingsvisie. In hoofdstuk 6 van de Omgevingsvisie worden deze al per gebied geclusterd. Op deze manier heeft de gemeenteraad richting gegeven aan een mogelijke gebiedskeuze. Daarbij is in de Omgevingsvisie al per deelgebied richting gegeven aan de op te stellen programma’s. Wat daarbij opvalt is dat een (groot) aantal programma’s bij meerdere gebieden terug komt. Bij de keuze voor het gebied van een gebiedsgericht Omgevingsprogramma moet er dus een relatie zijn met de Omgevingsvisie.

Hoe 14 – Notitie: Werken aan Omgevingsprogramma’s behorend bij collegevoorstel d.d. 9 april 2024.

2.

3.

4.

5.

meer opgaven en ambities uit de Omgevingsvisie gecombineerd kunnen worden in een Omgevingsprogramma, hoe beter. De opgaven zijn immers doorslaggevend. Urgentie: Op het moment dat begonnen wordt met het opstellen van een gebiedsgericht Omgevingsprogramma dienen de opgaven in een gebied voldoende urgent te zijn. Dit kan het geval zijn wanneer in een gebied opgaven spelen die volgens de Omgevingswet verplicht zijn gesteld. De gebiedskeuze kan dus verband houden met een wettelijke taak, verantwoordelijkheid of bestuurlijke opdracht. Ligt er een wettelijke taak of opdracht op tafel, dan ligt het voor de hand hiermee te beginnen. Urgentie kan ook voortkomen uit het ontbreken van beleid of de uitwerking hiervan. Hierdoor dreigen procedures te verzanden of lopen projecten vast. In dergelijke situaties kan de gemeente mogelijk geen volwaardig gesprekpartner zijn voor inwoners en andere bestuursorganen. Schaalgrootte en het samenbrengen van thema’s en doelen: De keuze voor een juiste schaalgrootte van een gebied is van belang voor een gebiedsgericht Omgevingsprogramma. Een gebiedsgericht Omgevingsprogramma voor een te groot plangebied blijft wellicht teveel op hoofdlijnen terwijl een te klein plangebied mogelijk een integraal perspectief in de weg staat. Binnen een gebied moeten ook voldoende opgaven zijn om aan te werken.

De maatregelen die voortkomen uit een Omgevingsprogramma moeten ook uitvoerbaar, beheersbaar en te monitoren zijn voor onze organisatie. In samenhang met de schaalgrootte is het samenbrengen van thema’s en onderwerpen ook van belang. Om slagvaardig te kunnen werken aan een gebiedsgericht Omgevingsprogramma moet er voldoende, actueel, beleid aanwezig zijn om te kunnen meewegen. Stakeholders: Bij de gebiedskeuze kunnen ook het aantal, de diversiteit en de belangen van de stakeholders meegewogen worden. Met een gebiedsgericht Omgevingsprogramma willen wij zoveel mogelijk stakeholders tegelijk bedienen. Hierdoor wordt de impact van en het draagvlak voor een gebiedsgericht Omgevingsprogramma zo groot mogelijk. Kennis en capaciteit: per Omgevingsprogramma moet worden bezien of er voldoende kennis capaciteit is. Of meerdere Omgevingsprogramma’s gelijktijdig opgepakt kunnen worden is ook afhankelijk van kennis en capaciteit binnen de organisatie.

5.3 Randvoorwaarden vertaald naar Stichtse Vecht In onze Omgevingsvisie wordt onderscheid gemaakt in Veenweide West, Snelle Vecht, Langzame Vecht, Veenweide Oost / Plassengebied en De drie grote kernen. In bijlage 3 vindt u een overzicht van de gebiedsindeling uit de Omgevingsvisie zoals vastgesteld door de gemeenteraad. Aan de hand van de hiervoor genoemde randvoorwaarden kan naast een gebiedskeuze ook een keuze gemaakt worden voor de volgorde waarin gebiedsgerichte Omgevingsprogramma’s worden opgestart. In de onderstaande tabellen zijn de gebieden zoals worden onderscheiden in onze Omgevingsvisie gewogen aan de hand van de genoemde randvoorwaarden. Veenweide West Randvoorwaarden

Overweging

Omgevingsvisie

In 6.1 van de Omgevingsvisie wordt ingegaan op het deelgebied Veenweide West. Naast het landelijk gebied aan de westzijde van de A2 bevat dit deelgebied ook de kernen Kockengen en Nieuwer Ter Aa. In het gebied worden grote veranderingen verwacht als gevolg van klimaatverandering, bodemdaling en de verslechtering van de waterkwaliteit. Het gebied Veenweide West is een uniek waardevol cultuurlandschap, waar ruimte is voor agrarische bedrijfsvoering, landbouw en natuur, wonen en recreatie. In de Omgevingsvisie is de ambitie opgenomen dit verder uit te werken met inwoners, bedrijven en belangenbehartigers van het gebied. Voor Veenweide West is in de Omgevingsvisie al uit uitgesproken dat wij deze ambitie oppakken via een integraal, toekomstbestendig en gebiedsdekkend plan. Daarmee heeft de gemeenteraad al een voorschot genomen op het opstellen van een gebiedsgericht Omgevingsprogramma.

15 – Notitie: Werken aan Omgevingsprogramma’s behorend bij collegevoorstel d.d. 9 april 2024.

Urgentie

In het gebied Veenweide West komen een groot aantal (ruimtelijke) opgaven bijeen. Opgave die voor een groot deel ook gericht zijn op een gezonde en duurzame leefomgeving. Het gebied kent een grote dynamiek terwijl de druk op het gebied verder toeneemt. Steeds vaker wordt gekeken naar Veenweide West als de plek voor woningbouw, duurzame energie, recreatie en natuurontwikkeling. Van oudsher is de agrarische sector de drager van dit gebied. Door sociaalmaatschappelijke veranderingen en nieuwe wet- en regelgeving is deze sector aan verandering onderhevig. De gemeente moet een volwaardig gesprekspartners zijn in ons landelijk gebied en voor een toekomstbestendige agrarische sector. Zowel voor onze inwoners en ondernemers als richting andere overheden en organisaties. In het gebied Veenweide West krijgen we ook te maken met een aantal door de Omgevingswet verplichte Omgevingsprogramma’s (geluid) en regionale gebiedsprogramma’s (stikstof). Verschillende thema die in het gebied Veenweide West worden in 2024 ook op regionaal of provinciaal niveau beleid opgepakt. Denk hierbij aan het aanpassen van het provinciaal ruimtelijk beleid voor wat betreft de vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing (VAB).

Schaalgrootte en samenbrengen thema’s.

Veenweide West beschikt over voldoende schaalgrootte voor een gebiedsgericht Omgevingsprogramma. Het is niet voor niets dat in de Omgevingsvisie al een voorzet wordt gedaan voor een integraal plan. In 5.6.3. van de Omgevingsvisie worden een groot aantal specifieke ambities en opgaven genoemd die uitgewerkt dienen te worden. Deze kunnen gelijktijdig en in samenhang met elkaar opgepakt worden. De opdrachten voor programma’s die in 6.1 van de Omgevingsvisie voor dit gebied genoemd zijn, zijn ook heel specifiek van toepassing op dit gebied. In het gebiedsgerichte Omgevingsprogramma voor Veenweide West kan de samenhang met de kernen Kockengen en Nieuwer Ter Aa worden meegenomen. Denk hierbij aan voorzieningen, bereikbaarheid en specifieke behoefte aan wonen. Momenteel wordt beide kernen gewerkt aan woningbouwprojecten; Kockenest en Clarenborg.

Stakeholders

In Veenweide West krijgen we te maken met een groot aantal en diverse stakeholders. Deze stakeholders hebben regelmatig zulke omvangrijke belangen en eigendommen in het gebied dat ze gezien kunnen worden als gebiedspartners. Gebiedspartners hebben we nodig om tot handelen over te kunnen gaan. De gemeente heeft de afgelopen periode al veel geïnvesteerd om met de stakeholders in gesprek te komen. Denk hierbij aan het initiatief voor de “boerentafels”.

Capaciteit

Als uitwerking van het programma “Vitaal Platteland” wordt al gewerkt aan het opstellen van een verdere uitwerking van het integrale plan zoals genoemd in de Omgevingsvisie. Het ligt voor de hand dit verder vorm te geven in een Omgevingsprogramma.

Snelle Vecht Randvoorwaarden

Overweging

Omgevingsvisie

In 6.2 van de Omgevingsvisie wordt ingegaan op het deelgebied Snelle Vecht. Naast de strook tussen de A2 en het Amsterdam Rijnkanaal bevat dit ook de kern Maarssenbroek en een deel van Breukelen (bedrijventerrein en stationsgebied). Binnen de strook worden opgaven genoemd die betrekking hebben op woningbouw en infrastructuur. Maar

16 – Notitie: Werken aan Omgevingsprogramma’s behorend bij collegevoorstel d.d. 9 april 2024.

in het bijzonder gaat het om gezondheid. In het gebied staat de gezonde leefomgeving onder druk (luchtkwaliteit, geluid, hittestress, milieuzonering, gezondheid bij nieuwbouw). Dit leidt tot de volgende opgave in de Omgevingsvisie voor de Snelle Vecht: Negatieve gezondheidseffecten van de grote infrabundel en de Zuilense Ring zoveel mogelijk beperken/oplossen. Hierbij spelen de aspecten luchtkwaliteit, geluid en externe veiligheid. Voor de Snelle Vecht worden in de Omgevingsvisie verschillende opdrachten voor programma’s genoemd. Deze gelden echter niet allemaal specifiek voor dit deelgebied maar zijn eigenlijk van belang voor (een groter deel van) de gemeente. Denk hierbij aan het programma Mobiliteit, het programma Geluid en de opdracht voor een portofolio voor streefwaarden WHO. Urgentie

In de Snelle Vecht komen een groot aantal opgaven bijeen. Deze lijken echter veelal thematisch van aard. Het thematisch Omgevingsprogramma “Geluid”, wat geldt voor de gehele gemeente, is verplicht en wordt al opgepakt. Net als het thematisch programma “Mobiliteit”. Ook dit wordt opgepakt voor de gehele gemeente. Daarmee wordt invulling gegeven aan twee belangrijke opgaven die opgenomen zijn 6.2 in de Omgevingsvisie. Een gezonde fysieke leefomgeving is van groot belang voor alle inwoners. Daarom is het goed dat een aantal voor de Snelle Vecht voorgestelde Omgevingsprogramma’s al thematisch wordt opgepakt.

Schaalgrootte en samenbrengen thema’s.

Snelle Vecht beschikt over voldoende schaalgrootte voor een gebiedsgericht Omgevingsprogramma. Hoewel het van alle deelgebieden het kleinst in oppervlakte is. De opgaven concentreren zich vooral rondom het thema; gezonde leefomgeving. Een aantal opgaven uit de Omgevingsvisie wordt al thematisch opgepakt. Veelal omdat ze ook van belang zijn voor de overige deelgebieden of omdat ze verplicht zijn. Het aantal opgaven dat specifiek geldt voor dit gebied is in vergelijking tot andere deelgebieden kleiner. Voor het uitvoeren van programma’s die in 6.2. van de Omgevingsvisie worden genoemd is het niet nodig om dit via een gebiedsgericht Omgevingsprogramma te doen. Voor verschillende opgaven wordt op projectniveau al gewerkt aan de ambities uit de Omgevingsvisie. In het project Ruimtekwartier in Maarssenbroek wordt veel aandacht besteedt aan gezondheid bij nieuwbouw, klimaatadaptief en duurzaam bouwen, het voorkomen van hittestress en het ruimte geven aan water, bomen en groen. Dit zijn allemaal opgaven genoemd bij dit deelgebied in de Omgevingsvisie. In relatie daarmee wordt via het project Ruimtekwartier ook gewerkt aan de vermindering van de negatieve gezondsheidseffecten van de Zuilense Ring (snelheidsverlaging, geluidscherm en versmalling rijbaan). Gelijktijdig wordt gekeken naar het verminderen van geluidsoverlast bij de bestaande woningen in Bloemstede.

Deze ervaringen kunnen weer meegenomen worden in gebiedsgericht Omgevingsprogramma voor Maarssenbroek. Voor het uitvoeren van de opgave gericht op de ontwikkeling van Breukelerwaard en het knooppunt Breukelen zal eerst nader onderzoek uitgevoerd moeten worden voordat hiervoor een gebiedsgericht Omgevingsprogramma kan worden opgesteld. Hiervoor ontbreekt nu nog een duidelijk richting die nodig is om in een Omgevingsprogramma tot maatregelen te komen.

17 – Notitie: Werken aan Omgevingsprogramma’s behorend bij collegevoorstel d.d. 9 april 2024.

Stakeholders

In het deelgebied Snelle Vecht hebben we vooral in Maarssenbroek te maken met een groot aantal stakeholders. Inzet op het deelgebied Snelle Vecht en de opgaven genoemd in de Omgevingsvisie kunnen een aanzienlijk bijdrage leveren aan het verbeteren van de gezonde leefomgeving in Maarssenbroek.

Capaciteit

Momenteel wordt al een deel van onze capaciteit ingezet op het opstellen van Omgevingsprogramma’s die betrekking hebben op dit deelgebied en projecten in Maarssenbroek. Dit vereist in veel gevallen specifieke kennis en ondersteuning (ODRU).

Langzame Vecht Criteria

Overweging

Omgevingsvisie

In 6.3. van de Omgevingsvisie wordt ingegaan op het deelgebied Langzame Vecht. In de strook tussen het Amsterdam Rijnkanaal en (globaal) het Plassengebied liggen ook de kernen Nigtevecht, Vreeland, Loenen aan de Vecht, Nieuwersluis, Breukelen, Maarssen-Dorp en Oud-Zuilen. In 6.3 van de Omgevingsvisie worden deze kernen niet apart beschreven als afzonderlijke gebieden. In de Omgevingsvisie wordt voor wat betreft de Langzame Vecht vooral ingegaan op de “Belevingszone Vecht”. Ontwikkelingen binnen deze zone zijn alleen mogelijk wanneer de typische beleving van de Langzame Vecht wordt behouden en/of versterkt. De landschappelijke en cultuurhistorische waarden zijn sturend voor nieuwe ontwikkelingen. Binnen de Langzame Vecht gaat het vooral om de buitenplaatsen en de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Opgaven voor programma’s zijn volgens de Omgevingsvisie gericht op; recreatie, de belevingszone als sturend instrument, het voorzieningennetwerk en bouwen bij kleine kernen.

Urgentie

In het deelgebied Langzame Vecht komen een aantal heel specifieke opgaven bijeen. Het deelgebied Langzame Vecht heeft een duidelijk eigen karakteristiek, anders dan de andere deelgebieden in onze gemeente. Voor wat betreft het behoud en versterken van landschappelijke en cultuurhistorische waarden volgt de gemeente beleid dat vastgesteld is door andere overheden. Vooral het beleid van de provincie. De gemeente beschikt over veel thematisch beleid met betrekking tot deze thema’s. De komende periode zal het vooral de vraag zijn of deze nog voldoende actueel is. Daarbinnen speelt vooral de vraag hoe we de belevingswaarde van het gebied kunnen vergroten en passende economische dragers kunnen vinden voor het behoud van deze waarden. Veelal in de vorm van recreatie.

Schaalgrootte en samenbrengen thema’s

In kleinere kernen thema’s kunnen vaak opgavegericht opgepakt worden. Denk daarbij bijvoorbeeld aan (het behouden van) de supermarkt in Nigtevecht en ontwikkelingen in Vreeland. De ervaren problematiek wordt erkent maar het ligt niet meteen voor de hand voor elke kern een volledig gebiedsgericht Omgevingsprogramma op te stellen. Het is vaak efficiënter om met een opgavegericht de thema’s op te pakken. Bijvoorbeeld aan een plan voor de verbetering van een fietsroute of een woningbouw in relatie tot behoud van de leefbaarheid. In de middelgrote kernen Loenen aan de Vecht en Kockengen komen meer thema’s bij elkaar. In deze kernen komen onder andere gaat het behoud van voorzieningen, het versterken van het centrum en het opstellen van horecabeleid nadrukkelijker aan de orde. In de kleine en

18 – Notitie: Werken aan Omgevingsprogramma’s behorend bij collegevoorstel d.d. 9 april 2024.

middelgrote kernen is de invloed van onder de Omgevingswet verplichte Omgevingsprogramma’s relatief minder groot. De gezonde leefomgeving (o.a. geluid en luchtkwaliteit) staat hier minder onder druk. Wel spelen in de middelgrote en kleine kernen ook aandachtpunten op het gebied van mobiliteit, voorzieningenniveau, bereikbaarheid en vitaliteit. Dit blijkt ook uit de recent opgestelde Kernfoto’s in onze gemeente. In veel gevallen zijn de echt kleine kernen afzonderlijk te klein om een afzonderlijk gebiedsgericht Omgevingsprogramma te kunnen opstellen. De wat grotere kernen zouden wat eerder in aanmerking kunnen komen voor een gebiedsgericht Omgevingsprogramma’s. De beoordeling van de schaalgrootte hangt ook samen opgaven die spelen in de overige kernen. Stakeholders

Indien per kern een gebiedsgericht Omgevingsprogramma zou worden opgesteld bestaat de kans dat we in sommige gevallen te maken krijgen met maar een beperkt aantal stakeholders. Aangezien het Omgevingsprogramma een handelingsgericht beleidsinstrument is kan dit een nadeel betekenen in de uitvoering. Aan de andere kant zien we juist dat de betrokkenheid van de lokale bevolking in kernen juist heel groot is.

Capaciteit

De verwachting is dat wij niet voldoende capaciteit hebben om voor elke kern apart een gebiedsgericht Omgevingsprogramma op te stellen. Het grote aantal programma zal een groot beslag leggen op de beschikbare capaciteit en kennis binnen onze organisatie. Binnen de Langzame Vecht zal ook specifieke kennis gevraagd worden op het gebied van cultuurhistorie en recreatie.

Veenweide Oost / Plassengebied Randvoorwaarden

Overweging

Omgevingsvisie

In 6.4 van de Omgevingsvisie wordt ingegaan op het deelgebied Veenweide Oost / Plassengebied. Het deelgebied bestaat uit het oostelijk deel van de gemeente met onder andere de Scheendijk, de Kievitsbuurten, de Bethunepolder, de Westbroekse Binnenweg en Tienhoven. Het grootste deel van dit gebied is gelegen binnen het beschermingsgebied van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, het NatuurNetwerkNederland of de Natura-2000 gebieden. De ambities uit de Omgevingsvisie richten zich dan ook vooral op behoud en bescherming. Uitzondering hierin vormt de Scheendijk waarvoor de gemeenteraad al eerder een toekomstvisie heeft vastgesteld. Deze is gericht op ontwikkeling, vergroening, optimaliseren van recreatie en natuurontwikkeling. De programma die in 6.4 van de Omgevingsvisie genoemd zijn richten zich op landbouw, recreatie, water en groen.

Urgentie

In het deelgebied Veenweide Oost / Plassengebied komen een aantal specifieke opgaven bijeen. Sommige kennen een duidelijke relatie met de opgaven die opgenomen zijn voor het gebied Veenweide West. Voor wat betreft het behoud en versterken van de waarden natuur en cultuurhistorie volgt de gemeente beleidsregels die vastgesteld worden door andere overheden. Vooral het beleid van de provincie. De gemeente moet hier hoofdzakelijk zorgen voor een goede doorvertaling van deze beleidsregels in bijvoorbeeld het omgevingsplan. Binnen de kaders van beleid is de afwegingsruimte voor de gemeente beperkt. Uitzondering is ook hier weer de Scheendijk waar een integrale uitvoering van de eerder vastgestelde toekomstvisie gewenst is. De

19 – Notitie: Werken aan Omgevingsprogramma’s behorend bij collegevoorstel d.d. 9 april 2024.

uitvoering van de toekomstvisie Scheendijk wordt ook genoemd in 6.4 van de Omgevingsvisie. Schaalgrootte en samenbrengen thema’s.

Het gebied Veenweide Oost / Plassengebied is een redelijk groot gebied in onze gemeente maar bestaat voor een groot deel uit water of beschermde natuur. De opgaven zijn heel specifiek maar beperkt in aantal. Daarnaast is voor een groot gebied, namelijk de Bethunepolder, als een gebiedsontwikkeling in gang gezet met de ondertekening van het “Pact van Ruigenhoek”. In Tienhoven wordt momenteel gewerkt aan de realisatie van een nieuw dorpshuis met daarbij een klein aantal woningen. Daarmee wordt nu al ingezet op het behoud en versterken van de vitaliteit van deze kern.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/2487/documents/54608