Bijlagen bestemmingsplan Griendweg 1.pdf
Tekst van het document
Slotopmerking ................................................................................................................16
2
1 Algemeen 1.1
Naam en adres initiatiefnemer
VOF de Bethune Griendweg 1 3612 AS Tienhoven Contactpersoon: Dhr. W.B. van der Linden 1.2
Soort activiteit en beschrijving
De activiteit aan de Griendweg 1 te Tienhoven is een biologische melkveehouderij met circa 240 melkkoeien en bijbehorend jongvee. Het bedrijf exploiteert circa 350 ha grasland. Circa 2/3 deel van de gronden betreft natuurgronden met diverse natuurdoelstellingen variërend van kruiden- en faunarijk grasland tot moeras en rietvegetaties. Het geteelde gras is in hoofdzaak bestemd voor ruwvoerwinning.
1.3
Plaats van de activiteit
Adres bedrijfslocatie: Griendweg 1, Tienhoven 1.4
Tijdspad
De aanlegfase is gepland voor 2020. Het moment van starten en eindigen is mede afhankelijk van het doorlopen van diverse bestuursrechtelijke procedures. De gebruiksfase start direct na het beëindigen van de aanlegfase en heeft een onbepaalde gebruiksduur.
3
2 Motivering van de activiteit 2.1
De aanleiding
Dhr. van de Linden heeft een biologisch melkveebedrijf. De belangrijkste wijzigingen ten opzichte van eerdere milieutoestemming zijn: (1) verschuiving van dieren over de bestaande stallen, (2) opslag van ruwvoer en (3) mestopslag (1) Houden van vee Er is een natuurvergunning verleend voor het houden van 245 melkkoeien, 150 jongvee en 2 fokstieren. Het aantal dieren wordt niet uitgebreid ten opzichte van de verleende natuurvergunning. (2) Ruwvoeropslag Het bedrijf heeft grasland met ruwvoederwinnning. Dit ruwvoer is bestemd voor de runderen en wordt opgeslagen aan de achterzijde van het perceel. (3) Mestopslag Het melkvee en jongvee wordt gehuisvest in ligboxenstal en potstal met dichtevloeren. De mest in de stal wordt samen met het strooisel naar de achterzijde van de stal schoven. Hier wordt de dunne fractie (drijfmest) en dikke fractie (vaste mest) geschieden. De vaste mest wordt eerst op plaat (J) geschoven en daarna verplaatst naar de vaste mestopslag (M). De drijfmest wordt eerst opgevangen in de kelder achterin de stal en daarna overgepompt naar de mestsilo. In de huidige situatie is er te weinig opslag voor drijfmest, tenminste wanneer ook het benodigde percolaat moet worden opgevangen. Voor een goede benutting van meststoffen wil het bedrijf graag zoveel mogelijk meststoffen in het voorjaar op het land rijden.
Dat is het meest gunstig ter voorkoming van uitspoeling van nitraat naar grond water. Om in de winter voldoende ruimte in de opslag te hebben, moet er nu in de nazomer mest worden uitgereden. Dit bedrijfsonderdeel kan dus beter als er meer mestopslag is. Daardoor zijn er uiteindelijk ook minder transportbewegingen nodig. Daarnaast kan de bestaande silo volledig worden ingezet voor overig afvalwater zoals het opvangen van percolaat van mest (en een beetje van kuilvoer), waarmee het groen van beheersgronden kan worden gecomposteerd. Deze compost kan nu worden hergebruikt om de gronden. Indien het groen van de beheersgronden niet wordt gecomposteerd, dan leidt dat tot afvoer naar elders. 2.2
De voorgenomen activiteit
2.2.1
Motivatie van de activiteit
De gewijzigde situatie zorgt voor een economische en duurzame productiewijze op allerlei fronten: - Biologische productiewijze - Graslanden met natuurbeheer - Productie op efficiente wijze met aandacht voor goede ruwvoeropslag, voerefficientie, mineralenbenutting
4
-
Bovenstaande duurzaamheidsaspecten worden combinatie met een gezonde economische bedrijfsvoering
De voorgenomen activiteit is in overeenstemming met de vergunning Wet natuurbeheer. 2.2.2
Afweging alternatieven
De wet vraagt om het onderzoeken van de 'redelijkerwijs' te beschouwen alternatieven. Daaronder wordt niet verstaan: een totaal andere bedrijfsopzet of dieraantallen, evenals stoppen of bedrijfsverplaatsing maar een andere uitvoering. Wel is het goed om te kijken naar alternatieven die ook daadwerkelijk kunnen worden gerealiseerd, zoals bijvoorbeeld: a. Gewijzigde dieraantallen of stalsystemen. De melkkoeien worden gehouden in een bestaande stal, welke zowel technisch als economisch niet is afgeschreven, is het niet reeel om naar deze alternatieven te kijken. b. Niet of gewijzigd bouwen van mestopslag: I. Door het niet bouwen van de mestopslag zal het aantal transportbewegingen hoog blijven (bouwen leidt tot afname) II. Een te krappe mestopslag leidt ook tot noodzakelijk gebruik van dierlijke mest op het moment dat de opslag vol zit. Dat leidt tot minder efficient mineralengebruik en zowel voor milieu en rendement nadelig III. Het niet bouwen beperkt het bedrijf bij het composteren en hergebruiken van gewonnen maar niet bruikbaar gras. Door ze te composteren met gebruik van dunne fractie kan het gras worden omgezet naar een bruikbaar compost als meststof en voedingsbodem. IV. Het bouwen van de mestopslag aan de straatzijde is in theorie wel een optie, maar praktisch niet of nauwelijks uitvoerbaar en verkwanselt het nette aanzicht van het bedrijf. c.
Opslag van ruwvoeders wijzigen I. Voerefficientie is belangrijk voor economie en milieu. Voorwaarde is een kwalitatief goede opslagcapaciteit. Als de kwaliteit van het ruwvoer goed is, ligt er een basis voor voerefficientie II. De omvang van de opslag moet toereikend zijn om alle dieren te kunnen voeren. Aankoop of aanvoer van elders is circulair, economische en milieutechnisch niet haalbaar. III. Het verplaatsen naar de voorzijde van het erf biedt geen oplossing. De ruimte daarvoor is niet toerreikend en voor de beperkte ruimte die het wel geeft zou het leiden tot verkwanseling van het huidige nette aanzicht. Alternatieven zijn er dus altijd, maar het zijn geen echt serieuze alternatieven. De opslag van voer en mest past nou eenmaal niet binnen het huidige bouwvlak. 2.2.3
Toekomstige ontwikkelingen
Na het realiseren van de aangevraagde situatie, worden geen verdere ontwikkelingen voorzien op de korte of middellange termijn.
5
3 Kenmerken van het project 3.1
Aard en omvang van het project
3.1.1
De omvang
De huidige veestal I en H biedt plaatst aan 245 melkkoeien, 2 stieren en 100 st. vrouwelijk jongvee. In veestal C is het plaatst voor 50 st. vrouwelijk jongvee van 0 tot 6 maanden. De opslagcapaciteit van ruwvoer ligt nu buiten het bouwvlak, maar is nodig en passend bij de stalcapaciteit en veestapel. Achter de bestaande mestsilo wordt een nieuwe mestopslag gebouwd met een opslag capaciteit van 2500 m³ en een oppervlakte van 635 m². 3.1.2
Ruimtelijke ordening
Bestemmingsplan Het projectgebied in gelegen binnen de begrenzing van het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied Maarssen’. Om de gewenste situatie ten aanzien van voer- en mestopslag te realiseren is er een bestemmingsplanherziening aangevraagd voor het vergroten van het bouwblok. Voor deze wijziging is er een ruimtelijke onderbouwing opgesteld door BJZ. Alle gebouwen en overige bedrijfsactiviteiten zijn passend binnen het bestemmingsplan. Omgeving De inrichting ligt in de Bethunepolder van gemeente Stichtse Vecht. De omgeving kenmerkt zich hoofdzakelijk als landelijk gebied met veel natuur (o.a. Natura 2000 Vogelrichtlijngebied). Op ca. 100 meter van de inrichting ligt de dichtstbijzijnde burger woningen. De lintbebouwing van Tienhoven ligt op ca. 1300 meter van de inrichting en de bebouwde kom van Maarssen ligt op ca. 2100 meter van de inrichting. 3.1.3
Natuurvergunning
Op de locatie aan de Griendweg 1 te Tienhoven is op 27 oktober 2016 een vergunning verleend in het kader van de Natuurbeschermingswet voor het houden van onderstaande dieraantallen: VERGUND en BEOOGD Nbw besluit Aantallen dieren, diercategorie en stalsysteem Stal nr
RAV code A 1.100 A 7.100 A 3.100
Diercategorie
Omschrijving stalsyteem
melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar
overige huisvestingssystemen
fokstieren en overig rundvee ouder dan 2
overige huisvestingssystemen
vrouwelijk jongvee tot 2 jaar
overige huisvestingssystemen
NH3-emissie aantal per dier dieren 245 13 2 6,2 150 4,4
Totaal
totaal
3857,4
De RAV-code verwijst naar de Regeling Ammoniak en Veehouderij.
6
3.185,0 12,4 660,0
Fijnstof per dier 148 170 38 42300
totaal 36260 340 5700
3.2
Productieproces
3.2.1
Omschrijving productieproces
Op het bedrijf worden melkkoeien gehouden voor de melkproductie. Deze melk wordt periodiek opgehaald door de melkfabriek. Een deel van de geboren kalveren wordt verkocht en een deel wordt opgefokt om later melkkoe te worden. Ook wordt op het bedrijf mest geproduceerd welke gebruikt wordt op de landbouwgrond vruchtbaar te houden. De runderen worden op biologische wijze gehouden in stallen met voornamelijk natuurlijke ventilatie (open nok of open front). De stal voor de jongste kalveren (stal C) heeft dakventilatoren. Zowel het houden van dieren als de landbouwgrond voldoen aan de eisen van biologische productiemethoden met zorg voor dier en omgeving. Van voorjaar tot najaar worden de koeien en het jongvee geweid. Op het bedrijf wordt ruwvoer (gras en mais) in sleufsilo’s en mengvoer in voersilo’s opgeslagen. Het ruwvoer wordt gewonnen van eigen (pacht)gronden. Doormiddel een voermengwagen wordt het ruwvoer aan het melkvee en jongvee verstrekt. De mengvoeders worden geleverd in droge pelletvorm. Deze worden door middel van bulktransport aangevoerd en aan de koeien verstrekt doormiddel van de krachtvoerboxen in de ligboxenstal. De melkkoeien en jongvee beschikken naast voer ook continu over drinkwater. Het melkvee en jongvee worden gehuisvest in ligboxen en stallen met dichtevloer. In deze stal vind een scheiding plaats van dikke mest en gier.
De dunne mest wordt eerst opgeslagen in de kelder achter in de stal en gaat naar de mestsilo. De vaste mest wordt meerdere keren per dag uit de stal verwijderd middels een schuif en gaat naar de mestplaat (J) en gaat daarna mestopslag (M). De vaste mest af welke ruim worden ingestrooid met strooisel (o.a. hooi van beheersgronden). De mest wordt samen met het strooisel naar de achterzijde van de stal geschoven. Hier wordt de dunne fractie (drijfmest) en dikke fractie (vaste mest) geschieden. De vaste mest wordt eerst op plaat (J) geschoven en daarna verplaatst naar de vaste mestopslag (M). De drijfmest wordt eerst opgevangen in de kelder achterin de stal en daarna overgepompt naar de mestsilo. De energiebehoefte bestaat uit energie voor electra, warm water voor reiniging melkinstallatie, CV installatie voor wonen en brandstof voor landbouwwerktuigen. 3.2.2
Grond en hulpstoffen
Jaarlijks wordt er circa 400 ton mengvoeders aangeleverd. De voeders bestaan uit droge mengvoeders en enkelvoudige voeders, welke worden geleverd door derden. De energiebehoefte bestaat uit energie voor electra, warm water voor reining melkinstallatie, CV installatie voor wonen en brandstof voor landbouwwerktuigen. Met 1100 zonnepanelen wordt enkele malen meer energie opgewekt dan wordt verbruikt. Het overschot aan energie wordt geleverd aan het net. Het bedrijf verbruikt circa 15.000 kubieke meter water (hoofdzakelijk drinkwater en reiniging melkstallen en -installatie). Dit komt hoofdzakelijk uit eigen bron. Het gasverbruik is circa 7.000 m3 aardgas, deze energie is hoofdzakelijk voor het verwarmen van water en woning.
7
3.2.3
Vrijkomende afvalstoffen
De aanlegfase bestaat uit het plaatsen van een mestsilo. Het vrijkomen van afvalstoffen is daarbij nihil Tijdens de gebruiksfase bestaan afvalstoffen uit ventilatiegassen, afvalwater en kadavers. De ventilatiegassen bestaan uit stallucht en bevatten onder andere ammoniak, geur en stof. In het hoofdstuk ‘effecten op het milieu’ wordt dit nader toegelicht. Het afvalwater, afkomstig van reiniging, wordt in mestputten verzameld en als zodanig afgevoerd. Het houden van levende have brengt met zich mee dat er kadavers ontstaan. Deze kadavers worden direct aangemeld en afgevoerd naar erkend destructiebedrijf.
8
4 Effecten op het milieu 4.1
Algemeen
De milieueffecten tijdens de aanlegfase (mestsilo) beperken zich uitsluitend tot de bouwactiviteiten en zijn nihil. Voor het overige zijn de effecten uitsluitend aanwezig tijdens de gebruiksfase. De duur van de gebruiksfase is onbepaald. 4.2
Stikstofemissie
Er zijn twee vormen van stikstofemissie: ammoniak vanuit mest en NOx vanuit verbrandingsmotoren (tractoren, transportbewegingen en verwarming met gas). Emissiereductie Op het bedrijf worden wettelijke, maar ook meerdere bovenwettelijke technieken toegepast om stikstofemissie te reduceren: - Beweiding: voor de Wnb-vergunning wordt aangehouden dat vanaf 720 uren beweiding er met 5% reductie mag worden gerekend. Het bedrijf beweidt tussen 3 à 3,5 keer zoveel. Per uur weidegang daalt de ammoniakemissie met 0,4 gram per ton melk en met 3,3 gram per koe (bron: rapport van WUR: ‘Ammoniakemissie en weidegang melkvee’ van april 2015) - Mestopslag: scheiding van urine en mest. Deze techniek is niet erkend als emissiearme techniek. Uit onderzoeken blijkt echter een gunstig effect (bron: rapport ‘Scheiding van urine en feces bij melkvee: fysiologie, gedragsherkenning en techniek’, sept 2017) - Voeding met gras van beheersgronden leidt tot lagere ammoniakemissie (streven laag ureumgetal) Uit diverse rapporten van WUR en CBS blijkt dat hierdoor extra ammoniak wordt gereduceerd ten opzichte van gangbare houderij. Besluit emissiearme huisvesting Het besluit emissiearme huisvesting is van toepassing op de diercategorie melkkoeien (niet op jongvee en fokstier). De melkveestal is opgericht in 2012 en voldoet aan de normen van het Besluit emissiearme huisvesting.
Directe ammoniakschade Hiervan is geen sprake. Er zijn geen kwetsbre gewassen in de nabijheid IPPC Bedrijf is niet IPPC-plichtig Wet Ammoniak en veehouderij Het bedrijf is niet gelegen binnen een zone van 250 meter van zeer kwetsbaar gebied zoals benoemd in de Wet Ammoniak en Veehouderij (WAV). Het dichtstbij gelegen WAV-gebied ligt op 3800 meter.
9
Kaart met voor verzuring gevoelige gebieden volgens WAV (paars) t.o.v. bedrijf (rood omcirkeld)
Wet natuurbescherming Voor de stikstofemissie heeft het bedrijf een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming. Deze vergunning is verleend bij besluit van GS van Noord Holland op 27 oktober 2016 en rechtsgeldig. De vergunde veebezetting komt overeen met de gewenste situatie zoals in deze MER-beoordeling genoemd: 245 melkkoeien, 150 jongvee en 2 fokstieren. Zie ook paragraaf ‘Flora en fauna’. 4.3
Geuremissie
De Wet geurhinder en veehouderij bevat regels inzake geurhinder vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven en vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning. Voor melkvee en jongvee geldt een minimum afstand van 50 meter buiten de bebouwde kom en 100 meter binnen de bebouwde kom tot een geurgevoelig object. De afstand van de rand van de inrichting tot het dichtstbijzijnde geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is ca. 100 meter en de lintbebouwing van Tienhoven ligt op ca. 1300 meter. Het bedrijf voldoet aan de gestelde normen. 4.4
Stof
Stof ontstaat hoofdzakelijk door huidschilfers, mengvoeders en strooisel en wordt via de ventilatielucht in de omgeving gebracht. Een meer specifiekere vorm van stof is fijnstof. Fijnstof is afkomstig van natuurlijke bronnen, zoals zeezout en zand, en menselijke bronnen, zoals verkeer, industrie en landbouw. De menselijke bronnen veroorzaken de grootste uitstoot van fijnstof, tot wel zo’n 75 tot 80%, blijkt uit recent onderzoek (rapport ‘Beleidsgericht Onderzoeksprogramma fijn stof’, Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), Den Haag/Bilthoven, 2010). De emissie van fijnstof vanuit het veehouderijgedeelte neemt toe met 5.240 gram per jaar naar in totaal 42.300 gram per jaar. Indien een bedrijf op 100 meter afstand een toename heeft van 581.000 gram per jaar dan wordt in de handreiking fijnstof en veehouderij (Infomil, mei 2010) gesteld dat deze toename niet in betekende mate (NIBM) is. De bron zit in dit
10
geval op meer dan 140 meter afstand tot gevoelige objecten. Ook overige bronnen, zoals bijvoorbeeld transportbewegingen, hebben door hun geringe omvang geen invloed van betekende mate. De genoemde handreiking en zijn doorverwijzingen bevestigen dat ook.
Geconcludeerd kan worden dat de emissie van fijnstof beschouwd kan worden als niet in betekende mate (NIBM). 4.5
Afvalwater
Hemelwater van daken en erfverharding wordt via een hemelwaterafvoer afgevoerd naar omliggende sloten en bodem. Dit water komt niet in aanraking met bedrijfsprocessen en bevat derhalve geen vervuiling. In de omgevingsvergunning zal er een waterwetvergunning voor het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater worden aangevraagd bij het Waterschap. De perssappen van de kuilvoerplaten, composteerplaat en vaste mestopslag worden opgeslagen en gebruikt om in de zomerperiode de composthoop nat te maken. Overtollige perssappen worden als meststof afgevoerd naar de omliggende gronden. In ieder veehouderijbedrijf ontstaat condenswater. De grootste bron is de vochtproductie door de dieren via de ademhaling. Over de hoeveelheden zijn weinig gegevens bekend. Condenswater wordt overigens niet als belangrijke emissiebron beschouwd. Afvalwater veroorzaakt geen relevante milieueffecten. 4.6
Mest
De productie van mest is naar schatting 8.000 m3 drijfmest / vaste mest. Doordat de koeien en het jongvee veel worden geweid zal naar schatting bijna de helft van mest in het weiland worden geproduceerd en voor het overige in de stal, met name gedurende de wintermaanden. De mest die in de stallen wordt geproduceerd, wordt buiten de inrichting afgezet om landbouw- en natuurgrond in de omgeving vruchtbaar te houden. De afzet naar landbouw- en natuurgronden is geregeld in de Meststoffenwet en het Besluit gebruik meststoffen. 4.7
Geluid
De geluidsbelasting op de omgeving komt voort uit melken en voeren van de koeien, voederwinningen, de laad- en losactiviteiten en transportbewegingen. De omgeving van het bedrijf is aan te merken als landelijk gebied. Het Activiteitenbesluit milieu voor respectievelijk de dag, avond en nachtperiode 45, 40 en 35 dB(A). Uit de onderstaande indicatieve berekening blijkt dat het geluidsniveaus onder de waarden zoals vermeld in het Activiteitenbesluit blijft.
11
De geluidsbelasting wordt vooral veroorzaakt door activiteiten met eigen tractor, transportbewegingen van en naar de inrichting, ventilatoren op de stal en activiteiten zoals het melken van koeien De koeien worden momenteel 2-maal daags gemolken, 1-maal in de ochtend en 1-maal in de avond. De melkmachine staat in de technische ruimte, hierdoor wordt het geluid gedempt richting de omgeving. Door het toenemen van het aantal melkkoeien zal de melkmachine ca. 30 minuten per dag meer draaien. Het effect is zeer gering. Transportbewegingen betreffen transporten van vrachtwagens (of tractor) van diervoeders, melk, mest (inclusief strooisel+compost) en vee. De laad en losactiviteiten vinden normaal overdag plaats. Het aantal transportbewegingen per etmaal neem niet toe. Immers, aanvoer van diervoeders en afvoer van melk blijven in frequentie gelijk. Ook zijn er interne transportbewegingen op het erf, vooral vanwege het dagelijks voeren van de dieren. Deze zullen niet noemenswaardig wijzigen Mechanische ventilatie is beperkt geluidsbron. Het betreft één stal van 50 jongvee en het effect is daardoor te verwaarlozen. Gelet op de bovenstaande activiteiten en de afstand tot de geluidsgevoelige objecten is het waarschijnlijk dat aan de aan de richtwaarden wordt voldaan. 4.8
Flora en fauna
Het bedrijf is gelegen net boven de stad Utrecht, temidden van Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000 gebied Oostelijke Vechtplassen (Vogelrichtlijngebied). Het bestemmingsplan geeft de locatie aan als “Agrarisch met waarden (natuur en landschap). Het gebied is bestemd voor agrarsische bedrijven (grondgebonden) en tevens behoud en versterking en herstel van de aldaar voorkomende, dan wel daaraan eigen zijnde natuur-, landschaps- en cultuurhistorische waarden. Het bestemmingsplan stelt dat bij vergroting van het bouwvlak de natuurwaarden niet onevenredig mogen worden aangetast. Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied.
12
Griendweg 1
Natura 2000 gebied:
Natuurnetwerk Nederland:
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van het vergroten van een bouwvlak met de bestemming Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden, met dien verstande dat: • wijziging van de begrenzing van het bouwvlak alleen toelaatbaar is, voor zover een doelmatige bedrijfsvoering dit noodzakelijk maakt; • de noodzaak tot uitbreiding dient aangetoond te worden door middel van een bedrijfsplan waarbij tevens moet worden aangetoond waarom sloop en herbouw van bedrijfsgebouwen niet tot de mogelijkheden behoort; • de vergroting van het bouwvlak milieuhygiënisch inpasbaar dient te zijn; • de bestaande natuur-, landschaps- en cultuurhistorische waarden zoals genoemd in lid 5.1 onder a sub 4 niet onevenredig worden aangetast Om te bepalen of het voorgenomen pan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000gebieden is er in beginsel een quickscan gedaan door ‘Natuurbank Overijssel’ en vervolgens een zogenaamde voortoets door ‘Tuitert natuuronderzoek’. Geconcludeerd wordt dat het voorgenomen plan waarmee de reeds buiten het huidige bouwvlak gebouwde sleuf- en
13
mestsilo’s worden gelegaliseerd en een nieuwe mestsilo wordt gebouwd niet leidt tot significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden. 4.9
Bodem
Drijfmest wordt opgeslagen in de mestkelders onder de stal en een mestsilo. Deze kelders en silo moeten voldoen aan het vigerende bouwbesluit en in de handleiding bouwtechnische richtlijnen mestbassins (HBRM). Uitgangspunt bij ontwikkelingen is dat de bodemkwaliteit geschikt moet zijn voor de beoogde functie. De gewenste bedrijfsontwikkeling is voor het opstaan van ruwvoer en mest (geen gebouw). De locatie was voorheen altijd in gebruik voor agrarische doeleinden. Er zijn geen historische activiteiten geweest die aanleiding geven op vervuiling risico. Gezien het historische en toekomstige gebruik is nader onderzoek voor deze situatie niet nodig. Op het bedrijf is een dieselolietank aanwezig. Deze zal voldoen aan de regels zoals opgenomen in het activiteitenbesluit. 4.10 Energie Het bedrijf produceert circa 300.000 kW met zonnepanelen. Hiervan wordt circa 50.000 kW zelf gebruikt en circa 250.000 kW geleverd aan het energiebedrijf. Het bedrijfsverbruik is circa 100.000 kW, waarvan er circa 50.000 kW afkomstig zijn van eigen zonnepanelen en circa 50.000 kW afkomstig zijn van het energiebedrijf. Het jaarlijkse gasverbruik is circa 7.000 m³ gas. Dit gas is bestemd voor de woning en verwarming van reinigingswater.
14
4.11 Externe veilighied Op 28 mei 2004 is in het Staatsblad nummer 250 het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna te noemen Bevi) gepubliceerd. Dit besluit is op 27 oktober 2004 in werking getreden. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) heeft tot doel de risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen voor burgers in hun leefomgeving, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven. Ook kleinere bedrijven als LPG-tankstations, opslagen van bestrijdingsmiddelen, buisleidingen, transportactiviteiten en luchtverkeer zijn als potentiële gevarenbron aangemerkt. Op de locatie worden geen gevaarlijke stoffen gebruikt die een gevaar opleveren voor burgers en hun leefomgeving. In onderstaande uitsnede van de risicokaart is te zien dat in de directe omgeving van de planlocatie er een vuurwerkopslag en een LPG-installatie aanwezig zijn. Gezien de afstand van meer dan 2000 meter tot de vuurwerkopslag en LPG-installatie zal dit geen gevaar opleveren voor de locatie.
Link naar risicokaart: https://nederland.risicokaart.nl/risicokaart.html
15
5 Beschrijving ongevallenrisico Bij de voorgenomen activiteit worden geen gevaarlijke machines en/of toxische stoffen gebruikt. Bij gebruik van melk-, voermachines en dergelijke gelden specifieke voorschriften die bij de betreffende machines worden bijgeleverd. Het risico op ongevallen en/of abnormale bedrijfsomstandigheden wordt verkleind door met gekwalificeerd personeel te werken. Het risico op brand is aanwezig. Ten aanzien van brandveiligheid wordt aansluiting gezocht bij het bouwbesluit. Er worden voldoende brandblusmiddelen geïnstalleerd.
6 Slotopmerking Uit dit rapport blijkt dat de voorgenomen activiteit niet zal leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen.
16