CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen bestemmingsplan Griendweg 1.pdf

Raad 26 september 2023, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: 9.: Bestemmingsplan Griendweg 1 in Tienhoven19.726 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

16

van de sloot worden geen beschermde ongewervelden verwond of gedood en wordt geen geschikt functioneel leefgebied beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen. Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het onderzoeksgebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten.

17

5.4 Toetsingskader Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Verder is het verboden om plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor sommige in de Wet natuurbescherming genoemde soorten geldt een ontheffing voor het opzettelijk doden en vangen en de vaste voortplantings- en rustplaatsen van deze soorten opzettelijk beschadigen of vernielen, als gevolg van werkzaamheden die uitgevoerd worden in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. In voorliggend geval is de vrijstellingsregeling van de Provincie Utrecht van kracht. Ook gelden er bepaalde vrijstellingen voor het verbod op verwonden en doden mits er gewerkt wordt volgens een door de Minister goedgekeurde Gedragscode. Op het moment van schrijven van dit rapport is er geen goedgekeurde gedragscode van kracht voor de voorgenoemde activiteiten. Voorgenomen activiteit wordt gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’.

In afwijking van de verboden in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming is het toegestaan om sommige soorten opzettelijk te doden en te vangen en de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat.

18

5.5 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep Vogels Door het bouwrijp maken van het plangebied (verwijderen beplanting) kunnen vogelnesten beschadigd en vernield worden. Van de in het plangebied nestelende soorten zijn uitsluitend de bezette nesten beschermd, niet de oude nesten of de nestplaats. Voor het beschadigen/vernielen van bezette nesten en het verwonden/doden van vogels kan geen ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd wettelijk belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om deze werkzaamheden uit te voeren is augustus-februari. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Beplanting rooien en plangebied bouwrijp maken buiten de broedtijd van vogels. Vleermuizen Verblijfplaatsen Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden geen vleermuizen verwond of gedood en worden geen verblijfplaatsen beschadigd of vernield. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van dit aspect van het functionele leefgebied van vleermuizen.

Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties: - Geen Foerageergebied Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op foerageergebied van vleermuizen. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten leidt daarom niet tot wettelijke consequenties in het kader van dit aspect van het functionele leefgebied van vleermuizen. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen. Vliegroute Het onderzoeksgebied heeft geen betekenis als vliegroute voor vleermuizen. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van dit aspect van het functionele leefgebied van vleermuizen. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen.

Grondgebonden zoogdieren Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk grondgebonden zoogdieren verwond en gedood en worden mogelijk rust- en voortplantingslocaties beschadigd en vernield. Voor de grondgebonden zoogdiersoorten die een rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wnb, of ze zijn niet beschermd (bruine rat). Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek 19

uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen, wel zorgplicht. Amfibieën Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk amfibieën verwond en gedood, worden mogelijk (winter)rustplaatsen beschadigd en vernield en worden mogelijk eiklompen beschadigd en vernield. Voor de in het plangebied voorkomende amfibieënsoorten geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘beschadigen en doden’ van dieren en eiklompen en het ‘beschadigen en vernielen van verblijfplaatsen’ als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. De voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden. In het kader van de zorgplicht dient voorkomen te worden dat amfibieën en eiklompen onnodig beschadigd en gedood worden. Geadviseerd wordt om de sloot te dempen buiten de voortplantingsperiode en winterrustperiode en het terrein bouwrijp te maken buiten de winterrustperiode. De meest geschikte periode om voorgenoemde werkzaamheden uit te voeren is april-half mei en half augustus-september.

Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen, wel zorgplicht. Reptielen Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten worden geen reptielen verwond of gedood en worden geen winterrust- of voortplantingsplaatsen beschadigd of vernield. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb.

Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen. Vissen Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten worden geen beschermde vissen verwond of gedood en worden geen winterrust- of voortplantingsplaatsen beschadigd of vernield. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. In het kader van de zorgplicht wordt geadviseerd om de sloot vanuit één zijde te dempen, zodat de aanwezige vissen kunnen ontkomen en niet verwond of gedood worden. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen, wel zorgplicht. Libellen en andere ongewervelden Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten worden geen beschermde libellen of andere ongewervelden verwond of gedood en wordt geen functioneel leefgebied beschadigd of vernield. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb.

20

Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen Overige soorten Het onderzoeksgebied behoort niet tot functioneel leefgebied van andere beschermde flora- of faunasoorten. Vanwege de lokale invloedsfeer heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op andere beschermde soorten. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk.

21

In onderstaande tabel worden de wettelijke consequenties samengevat weergegeven. Soortgroep

Beschermde soorten planlocatie

Verbodsbepalingen*

aandachtspunt

Grondgebonden zoogdieren; foerageergebied Grondgebonden zoogdieren; rust- en voortplantingslocaties

Diverse soorten

Geen

Vogels; foerageergebied

Diverse soorten

Vogels; bezette nesten (niet jaarrond beschermd) Vogels: beschermde rust- en nestplaatsen

Diverse soorten

Niet van toepassing, functie is niet beschermd Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling (of niet beschermd: bruine rat) Niet van toepassing, functie is niet beschermd Art. 3.1 lid 1 & lid 2

Vleermuizen; verblijfplaatsen en vliegroute Vleermuizen; foerageergebied Amfibieën; foerageergebied, voortplantingslocatie en (winter)rustplaatsen Reptielen; foerageergebied Reptielen; winterrust- en voorplantingslocatie Vissen; alle functies Libellen Ongewervelden Overige soorten

Diverse soorten

Zorgplicht

Geen Beplanting rooien buiten de broedtijd Geen

Niet aanwezig; wel steenuil buiten plangebied Niet aanwezig

Niet van toepassing; nestplaats en foerageergebied wordt niet aangetast Niet van toepassing.

Geen

Diverse soorten

Niet van toepassing , functie wordt niet aangetast Niet van toepassing; ; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling.

Geen

Mogelijk incidenteel ringslang als dwaalgast Niet aanwezig

Niet van toepassing.

Geen

Niet van toepassing.

Geen

Diverse soorten Niet aanwezig Niet aanwezig Niet aanwezig

Soorten zijn niet beschermd Niet van toepassing. Niet van toepassing. Niet van toepassing.

Zorgplicht Geen Geen Geen

Diverse soorten

Zorgplicht

Samenvatting van de wettelijke consequenties.

5.6 Historische gegevens en overige bronnen Er zijn geen historische gegevens bekend over de betekenis van het plangebied voor beschermde floraen faunawaarden. 5.7 Volledigheid van het onderzoek Het onderzoek is volledig uitgevoerd met geschikte weersomstandigheden.

22

6 Samenvatting en conclusies De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke beschermde faunasoorten3 geldt in de provincie Utrecht een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden, verwonden en het opzettelijk vernielen en weghalen van rust- en voortplantingslocaties’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verwonden en doden of om opzettelijk rust- en voortplantingslocaties te mogen beschadigen en te vernielen. Het plangebied behoort vermoedelijk tot het functionele leefgebied van sommige beschermde grondgebonden zoogdier-, vleermuis-, amfibieën- en vogelsoorten. De sloot vormt vermoedelijk het functionele leefgebied voor sommige niet beschermde faunasoorten, waaronder vissen. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten sommige zoogdier-, amfibieën- en vogelsoorten er rust- en/of voortplantingslocaties. Het is niet uitgesloten dat incidenteel een ringslang opduikt in het plangebied, maar deze wordt als een ‘zwerver’ beschouwd en bezet er geen winterrustplaats of voortplantingslocatie. Het plangebied behoort niet tot het ‘normale’ foerageergebied va deze soort.

Van de vogelsoorten die in het plangebied nestelen zijn uitsluitend de bezette nesten beschermd, niet de oude nesten of de nestplaats. Werkzaamheden die leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De functie van het plangebied als foerageergebied voor vogels is niet beschermd. Voor de grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten die een (winter)rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden en verwonden’ en het ‘beschadigen en vernielen van (winter)rust- en voortplantingslocaties’. De functie van het plangebied als foerageergebied, is voor deze soorten niet beschermd. Vleermuizen bezetten geen verblijfplaats in het plangebied en de functie van het plangebied als foerageergebied wordt niet aangetast. In het kader van de zorgplicht dient voorkomen te worden dat dieren onnodig verwond en gedood worden en dat rust- en voortplantingsplaatsen onnodig verstoord en vernield worden. Daarom dient bij de uitvoering van de voorgenomen activiteiten rekening gehouden te worden met de ecologie van amfibieën, en grondgebonden zoogdieren dient de sloot gedempt te worden op een dusdanige wijze, dat vissen weg kunnen komen. Het onderzoeksgebied ligt volledig binnen het Natuurnetwerk Nederland en het Natura2000-gebied Oostelijke Vechtplassen.

De voorgenomen activiteiten leiden tot een beperkt areaalverlies van het NNN, maar hebben geen negatief effect op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. Vanwege de lokale invloedsfeer hebben de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op de instandhoudingsdoelen van het Natura2000-gebied. Conclusie: Mits bezette vogelnesten beschermd worden, dan leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soort- en gebiedsbescherming. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing of vergunning in het kader van soort- of gebiedsbescherming aangevraagd te worden. In het kader van de zorgplicht dienen de werkzaamheden afgestemd te worden op de ecologie van amfibieën, en grondgebonden zoogdieren. Door uitvoering van de quickscan natuurwaardenonderzoek heeft initiatiefnemer voldaan aan de zorgplicht zoals vermeld in Art. 1.11 van de Wnb.

3

Zie bijlage 2 van dit rapport 23

Bijlagen: Bijlage 1. De natuurkalender Bijlage 2. Toelichting Wet natuurbescherming Bijlage 3. Fotobijlage Bijlage 4. Geraadpleegde bronnen:

24

Bijlage Toelichting Wet Natuurbescherming

2

Drie beschermingsregimes De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Alle vogels (ruim 700 soorten), zijn beschermd. Daarnaast worden ongeveer 230 overige Europese en nationale soorten beschermd. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: -

-

Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is. Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort.

Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Soortenbescherming en het ‘nee, tenzij principe’ De verbodsbepalingen voor vogels en Habitatrichtlijnsoorten in de Wet natuurbescherming sluiten vrijwel één op één aan bij de bepalingen uit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De verbodsbepalingen zijn gericht op de bescherming van individuen van soorten. Ook voor de andere soorten, die niet op grond van de Vogel- of Habitatrichtlijn maar vanuit nationaal oogpunt beschermd worden, geldt dat de verbodsbepalingen zien op het individu, maar of ontheffing verleend kan worden, wordt afgewogen tegen het effect van de ingreep op het populatieniveau van de soort. Zorgplicht voor dieren en planten Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten. De Memorie van Toelichting zegt het zo: “De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving.

Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Vrijstelling regelgeving Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. In (veel) gevallen kunt u gebruik maken van een vrijstelling. Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod, die wordt vastgesteld voor een van te voren bepaalde categorie van gevallen. Er zijn verschillende vrijstellingen van de verboden voor beschermde soorten mogelijk. Een bekende en reeds in de praktijk toegepaste vorm van vrijstelling is die van de gedragscode. In de Wet natuurbescherming zijn voor beschermde soorten ook andere vormen van vrijstelling geïntroduceerd, zoals door middel van een Programmatische Aanpak of via een provinciale verordening. Overigens is ook een vrijstelling in de vorm van een ministeriële regeling mogelijk.

25

Provinciale staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Dit moet worden geregeld in een provinciale verordening. Gedragscodes die zijn opgesteld onder de Flora- en faunawet kunnen worden uitgebreid ten aanzien van soorten die op grond van de Wet natuurbescherming beschermd worden maar dat op grond van de Floraen faunawet nog niet waren. Goedkeuring van een gedragscode op grond van de Flora- en faunawet blijft ook onder de Wet natuurbescherming geldig, voor de duur van de goedkeuring. Daarna dient de gedragscode voor goedkeuring getoetst te worden aan de Wet natuurbescherming.

Welke soorten zijn beschermd? De Wet natuurbescherming kent drie categorieën beschermde soorten: 1. Ten eerste worden alle van nature in Nederland in het wild levende vogels beschermd volgens het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn. 2. Ten tweede worden soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. 3. Tenslotte is er een beschermingsregime voor ‘andere soorten’ waaronder soorten vallen die vanuit nationaal oogpunt bescherming behoeven.

Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming

Vrijgestelde soorten In afwijking van de verboden in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet is het toegestaan de onderstaande soorten opzettelijk te doden, en te vangen en de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat. De vrijstelling is van kracht wanneer de handeling verband houdt met de volgende activiteiten: 26

-

de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; het bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer.

Soortgroep Amfibiëen Amfibiëen Amfibiëen Amfibiëen Amfibiëen Zoogdieren-landzoogdieren Zoogdieren-landzoogdieren Zoogdieren-landzoogdieren Zoogdieren-landzoogdieren Zoogdieren-landzoogdieren Zoogdieren-landzoogdieren Zoogdieren-landzoogdieren Zoogdieren-landzoogdieren Zoogdieren-landzoogdieren Zoogdieren-landzoogdieren Zoogdieren-landzoogdieren Zoogdieren-landzoogdieren Zoogdieren-landzoogdieren Zoogdieren-landzoogdieren Zoogdieren-landzoogdieren Zoogdieren-landzoogdieren Zoogdieren-landzoogdieren Zoogdieren-landzoogdieren Zoogdieren-landzoogdieren

Nederlandse naam bruine kikker gewone pad kleine watersalamander meerkikker middelste groene kikker/bastaard kikker aardmuis bosmuis bunzing dwergmuis dwergspitsmuis egel gewone bosspitsmuis haas hermelijn huisspitsmuis konijn ondergrondse woelmuis ree rosse woelmuis tweekleurige bosspitsmuis veldmuis vos wezel woelrat

Wetenschappelijke naam Rana temporaria Bufo bufo Lissotriton vulgaris Pelophylax ridibundus Pelophylax kl. esculentus Microtus agrestis Apodemus sylvaticus Mustela putorius Micromys minutus Sorex minutus Erinaceus europeus Sorex araneus Lepus europeus Mustela erminea Crocidura russula Oryctolagus cuniculus Pitymys subterraneus Capreolus capreolus Clethrionomys glareolus Sorex coronatus Microtus arvalis Vulpes vulpes Mustela nivalis Arvicola terrestris

Lijst met soorten waarvoor een vrijstelling van de verbodsbepalingen geldt in de Provincie Utrecht als gevolg van handelingen die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd.

27

Bijlage 3. Fotobijlage. Impressie van het plangebied en de directe omgeving.

28

Bijlage 4. Geraadpleegde bronnen: Internet: https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ https://www.regelink.net/kenniscentrum/beschermde-soorten-wet-natuurbescherming/ http://www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/vleermuisprotocol (vleermuisprotocol) https://calculator.aerius.nl http://www.ruimtelijkeplannen.nl

29

Toetsing Natura 2000 bouwblokvergroting Griendweg 1 Tienhoven Toetsing van mogelijke effecten op Natura 2000-gebieden in het kader van de Wet natuurbescherming

Datum: 01-06-2023 Auteur: A. Tuitert Opdrachtgever: Dhr. Van der Linden Rapportnummer: AT/2023/01.06 Versie: D2

1

Inleiding

1.1 Aanleiding Er zijn concrete plannen om de begrenzing van het agrarisch bouwblok voor een agrarisch bedrijf aan de Griendweg 1 te Tienhoven te wijzigen met als doel om een aantal sleufsilo’s voor de opslag van kuilvoer en een bestaande en nog nieuw te bouwen mestsilo planologisch te legaliseren. Hiervoor is een bestemmingswijziging nodig. Het bedrijf is deels gelegen binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen. Op grond van de Wet natuurbescherming is het bij het wijzigen van een bestemmingsplan noodzakelijk om de mogelijke effecten van het voorgenomen plan te toetsen op mogelijke significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Voorliggend rapport betreft een toetsing van de mogelijke effecten van het voorgenomen plan op Natura 2000gebieden in het kader van de Wet natuurbescherming. Overigens betreft het een veehouderij die grotendeels gericht is op het beheer van het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen, waarin het bedrijf is gelegen. Er wordt bijna 400 hectare grond gebruikt, waarvan ruim 80% een natuurbestemming heeft. De hele bedrijfsvoering is gericht op de natuurbeheer. Rond het bedrijf is vooral de bestemming riet/moeras en botanisch, waaronder habitats zoals schraalgrasland en vochtig hooiland.

Het maaibeheer voor deze habitats wordt door dit bedrijf uitgevoerd en het maaisel wordt afgevoerd en gebruikt op het bedrijf, als hooi voor de koeien, als strooisel in de boxen of als compost. In die zin kan worden gesteld dat het bedrijf activiteiten verricht die direct verband hebben met en noodzakelijk zijn voor het beheer van het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen. Voor dergelijke activiteiten geldt vanaf 1 januari 2020 (door het wijziging van de Wet natuurbescherming vanwege de Spoedwet stikstof) dat geen plantoets hoeft te worden doorlopen op grond van artikel 2.7, eerste lid, Wet natuurbescherming en geldt geen vergunningplicht meer op grond van artikel 2.7, tweede lid, Wet natuurbescherming. 1.2 Doel Doel van voorliggende toetsing is om te bepalen of het voorgenomen plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Indien dit het geval is, dan kan de wijziging van het bestemmingsplan niet zondermeer worden vastgesteld door het bevoegd gezag. Wanneer uit de voortoets blijkt dat significante gevolgen op voorhand met zekerheid zijn uitgesloten, dan kan de voorgenomen wijziging van het bestemmingsplan door het bevoegd gezag worden vastgesteld en kan het bouwblok worden vergroot.

2

2

Planvoornemen

2.1 Beschrijving plangebied Het plangebied vormt een deel van een bestaand agrarisch bedrijf (melkveebedrijf) en bestaat voor een klein deel uit agrarisch cultuurland. Het plangebied bestaat uit bebouwing (werktuigenberging en mestsilo) erfverharding (vier sleufsilo’s en erfverharding), opgaande beplanting (wilg en meidoorn) en open water (sloot) met slootoever. De beplanting in het plangebied bestaat uit wilgenopslag, enkele jonge knotwilgen en meidoornstruweel van enkele jaren oud. Het agrarisch cultuurland bestaat uit een monocultuur van raaigras. Het agrarisch cultuurland wordt biologisch beheerd waarbij deze jaarlijks wordt gemaaid en het maaisel wordt afgevoerd. 2.2 Voorgenomen plan Het concrete voornemen bestaat om de begrenzing en het oppervlak van het agrarisch bouwblok te wijzigen in het bestemmingsplan, zodat de inmiddels reeds buiten het bouwblok gelegen bebouwing voor de opslag van kuilvoer en een mestsilo waarvoor in 2013 een Omgevingsvergunning bouwen is verleend planologisch in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie. In de noordwesthoek van het terrein zal nog een nieuwe mestsilo worden gebouwd voor het scheiden van mest en perculaatwater. Het erf wordt nadien landschappelijk ingepast.

Op onderstaande afbeeldingen wordt het planvoornemen weergegeven (links) en een uitsnede van de bestemmingsplankaart met daarop het erf en het huidige bouwblok (rechts).

Figuur 2.2: Verbeelding van het planvoornemen, inclusief wenselijke begrenzing van het agrarisch bouwblok (links). Rechts de huidige begrenzing van het agrarisch bouwblok (bron: AR Bedrijfsontwikkeling/ruimtelijkeplannen.nl).

3

3

Wettelijk kader

3.1 Wet natuurbescherming; Natura 2000 De bescherming van Natura 2000-gebieden (Vogel- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland is geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). Projecten of plannen die significante gevolgen kunnen voor deze beschermde gebieden, zijn in beginsel (zonder vergunning) niet toegestaan. De verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van Natura 2000-gebieden staan in artikel 2.7, eerste en tweede lid, Wet natuurbescherming: Artikel 2.7 1.

Een bestuursorgaan stelt een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied, uitsluitend vast indien is voldaan aan artikel 2.8, met uitzondering van het negende lid.

2. Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.

3.2 Referentiesituatie Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (o.a. ECLI:NL:RVS:2016:1515 en ECLI:NL:RVS:2017:298) blijkt dat ten aanzien van een plantoets op grond van artikel 2.7, eerste lid, Wet natuurbescherming de feitelijke en planologisch legale situatie ten tijde van de vaststelling van het plan heeft te gelden als referentiesituatie. Daarnaast merkt de Afdeling expliciet op dat het bij het bepalen van de referentiesituatie niet van belang is of het feitelijke, planologische legale gebruik ten tijde van de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan ook milieurechtelijk legaal is. Naar het oordeel van de Afdeling is evenmin van belang of voor dit gebruik een omgevingsvergunning bouwen is verleend. In het geval van het bedrijf aan de Griendweg 1 in Tienhoven geldt dat reeds aanwezige sleufsilo’s voor kuilvoer en een mestsilo’s momenteel weliswaar feitelijk gerealiseerd zijn op basis van een in 2013 verleende Omgevingsvergunning, maar formeel buiten het huidige bouwvlak liggen. De mogelijke effecten van het in gebruik hebben van deze sleufen mestsilo’s worden derhalve in het kader van voorliggende voortoets betrokken.

Figuur 3.2: Situatie in de referentiesituatie in 2000 (links) en de huidige situatie (rechts).

4

4

Afbakening Natura 2000-gebieden

4.1 Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt deels binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen. Een deel van het erf valt buiten de begrenzing van het Natura 2000gebied, het deel van het perceel waarvoor het bouwblok moet worden vergroot ligt binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen. Het gaat hier om een deelgebied dat alleen in het kader van de Vogelrichtlijn is aangewezen.

Figuur 4.1-1: Begrenzing Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen ten opzichte van het plangebied (rood omlijnd). Bron: Gebiedendatabase ministerie van LNV.

Andere Natura 2000-gebieden zoals het Naardermeer, Nieuwkoopse Plassen & De Haeck en Botshol liggen op grotere afstand (> 13 km) van het plangebied. Significante gevolgen voor deze Natura 2000-gebieden kunnen vanwege de grote afstand op voorhand worden uitgesloten.

Figuur 4.1-2: Ligging Natura 2000-gebieden ten opzichte van het plangebied (rode ster). Bron: Gebiedendatabase ministerie van LNV.

5

5

Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen

5.1 Gebiedsbeschrijving De Oostelijke Vechtplassen bestaat uit een reeks van laagveengebieden tussen de Vecht en de oostrand van Utrechtse heuvelrug. In het gebied bevinden zich door turfwinning ontstane meren en plassen, meest met een zandondergrond, sommige aanzienlijk verdiept door zandwinning. De combinatie van rivierinvloeden en invloeden van het watersysteem van de zandgronden heeft een rijke schakering van typen van moeras en moerasvegetaties doen ontstaan. In het gebied zijn twee belangrijke gradiënten te onderscheiden: van noord naar zuid loopt een gradiënt van meer gesloten gebied (bos) naar meer open landschap (grasland, trilveen en rietland), terwijl van west naar oost een gradiënt is te zien van toenemende kwel (in petgaten en trilvenen).Belangrijk broedgebied voor broedvogels van rietmoerassen (Roerdomp, Purperreiger) en zeer belangrijk voor broedvogels van moerassen met veel waterriet en lange oeverlijnen (Woudaap, Grote karekiet). Ook van enig belang als broedgebied voor enkele andere moeras- en watervogels (Porseleinhoen, Zwarte stern, IJsvogel). 5.2 Begrenzing en oppervlakte De begrenzing van het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen is aangegeven op onderstaande figuur 4.2. Het gebied bestaat is aangewezen in het kader van zowel de Vogelrichtlijn als de Habitatrichtlijn.

In totaal beslaat het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen een oppervlakte van ongeveer 6.480 ha. Daarvan is ongeveer 2.070 ha alleen aangewezen onder de Vogelrichtlijn.

Figuur 5.2: Begrenzing Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen en globale ligging van het plangebied (rode ster).

5.3 Instandhoudingsdoelen In onderstaande tabel zijn de instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen weergegeven.

6

Tabel 4.3: Instandhoudingsdoelstellingen Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen Habitattype Oppervlakte Kwaliteit H3140 - Kranswierwateren > > H3150 - Meren met krabbenscheer en fonteinkrui> > den H6410 - Blauwgraslanden = > H7210 - Galigaanmoerassen > > H91D0 - Hoogveenbossen = = H6430A - Ruigten en zomen = = H6430B - Ruigten en zomen = = H7140B - Overgangs- en trilvenen > > H4010B - Vochtige heiden = = H7140A - Overgangs- en trilvenen > > Habitatsoort

Populatie

Omvang leefgebied

Kwaliteit leefgebied

H1016 - Zegge-korfslak

=

=

=

H1042 - Gevlekte witsnuitlibel

>

>

>

H1082 - Gestreepte waterroofkever H1134 - Bittervoorn H1145 - Grote modderkruiper H1149 - Kleine modderkruiper H1163 - Rivierdonderpad H1318 - Meervleermuis H1340 - Noordse woelmuis H1903 - Groenknolorchis H4056 - Platte schijfhoren

> = = = = = > = =

> = = = = = > = =

> = = = = = > = =

Broedvogels

Aantal broedparen

Omvang leefgebied

Kwaliteit leefgebied

5 10 50 8 110 10 150 880 50

> > = = > = = = =

> > = = > = = = =

A021 - Roerdomp A022 - Woudaap A029 - Purperreiger A119 - Porseleinhoen A197 - Zwarte stern A229 - IJsvogel A292 - Snor A295 - Rietzanger A298 - Grote karekiet Niet-broedvogels

Populatie

A017 - Aalscholver A041 - Kolgans A043 - Grauwe gans A050 - Smient A051 - Krakeend A056 - Slobeend A059 - Tafeleend A068 - Nonnetje

behoud 920 1200 2800 40 80 120 20

Omvang leefgebied = = = = = = = =

7

Kwaliteit leefgebied = = = = = = = =

6

Effecten en toetsing

6.1 Afbakening In 2019 is door Natuurbank Overijssel een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd waarin is ingegaan op mogelijke effecten van het voorgenomen plan op o.a. het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen. In de quickscan is geconcludeerd dat het voorgenomen plan zou kunnen leiden tot beperkte effecten op leefgebieden van kwalificerende niet-broedvogels, maar dat van significante gevolgen geen sprake is. Door de provincie Utrecht is aangegeven dat de quickscan niet de vereiste zekerheid geeft dat significante gevolgen op voorhand met zekerheid zijn uitgesloten. In voorliggende voortoets wordt daarom nader ingegaan op de mogelijke effecten van het voorgenomen plan voor de habitattypen, habitatsoorten, broedvogels en niet-broedvogels waarvoor de Oostelijke Vechtplassen zich kwalificeert als Natura 2000-gebied in het kader van de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn. In paragraaf 6.6 wordt nader ingegaan op het aspect stikstofdepositie. 6.2 Habitattypen Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het deel van het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen dat is aangewezen in het kader van de Habitatrichtlijn. De voorgenomen planwijziging heeft derhalve geen directe invloed op kwalificerende habitattypen in de vorm van oppervlakteverlies. De afstand tot het dichtstbijzijnde Habitatrichtlijndeel van het Natura 2000-gebied bedraagt ca. 1,3 km.

Op een dergelijke afstand kunnen mechanische effecten zoals verontreiniging op voorhand worden uitgesloten. Voor de bouw van de nieuwe mestsilo is geen sprake van bronbemaling die zou kunnen leiden tot verdroging van kwalificerende habitattypen. Negatieve effecten op kwalificerende habitattypen kunnen op voorhand worden uitgesloten. Het bedrijf is bovendien gericht op natuurbeheer voor Staatsbosbeheer, waarbij begrazingsbeheer in habitats plaatsvindt en maaibeheer van bijvoorbeeld schraalgraslanden en vochtige hooilanden. De bedrijfsvoering heeft daarmee juist een positief effect op kwalificerende habitats waar dit natuurbeheer wordt ingezet. Significante gevolgen voor kwalificerende habitattypen kunnen op voorhand met zekerheid worden uitgesloten. 6.3 Habitatsoorten Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het deel van het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen dat is aangewezen in het kader van de Habitatrichtlijn. De voorgenomen planwijziging heeft derhalve geen directe invloed op kwalificerende habitatsoorten. De afstand tot het dichtstbijzijnde Habitatrichtlijndeel van het Natura 2000-gebied bedraagt ca. 1,3 km. Van de kwalificerende habitatsoorten zijn alleen enkele vissoorten en de meervleermuis gevoelig voor geluidverstoring. Voor vissen betreft dit met name onderwatergeluid als gevolg van trillingen, bijv. door heiwerkzaamheden (Van Opzeeland et al., 2007).

Tot op een afstand van circa 150 m werden door Van Opzeeland et al lethale effecten op vissen waargenomen door drukgolven als gevolg van heiwerkzaamheden. Er vinden er geen heiwerkzaamheden plaats die op grotere afstand voor trillingen of drukgolven onderwater zouden kunnen leiden. Nu de dichtstbijzijnde leefgebieden van kwalificerende vissoorten in het Natura 2000gebied Oostelijke Vechtplassen zich op > 1 km afstand van het plangebied bevinden, kan een significante verstoring van kwalificerende vissen op voorhand met zekerheid worden uitgesloten. Ten aanzien van de meervleermuis geldt dat de soort nachtactief is en in het Natura 2000-gebied foerageert boven plassen, kanalen en andere watergangen. De soort is dan met name gevoelig voor lichtverstoring. Gelet op de grote afstand van het plangebied van > 1 km tot het dichtstbijzijnde leefgebied van meervleermuis in het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen (Habitatrichtlijndeel), kan lichtverstoring in het leefgebied van de meervleermuis op voorhand met zekerheid worden uitgesloten.

8

6.4 Broedvogels De broedvogels waarvoor de Oostelijke Vechtplassen zich kwalificeert in het kader van de Vogelrichtlijn (roerdomp, woudaap, purperreiger, porseleinhoen, zwarte stern, ijsvogel, snor, rietzanger en grote karekiet) zijn geen soorten die broeden in het agrarisch gebied waarin het plangebied ligt. Het plangebied bevat geen geschikte broedbiotoop voor de kwalificerende broedvogels. Van een directe aantasting van broedbiotoop van kwalificerende broedvogels is derhalve geen sprake. Het plangebied ligt op ca. 600 meter afstand van de oever van de Loosdrechtse Plas. Langs de zuidoever van de plas is geen (riet)moeras aanwezig waarin kwalificerende broedvogels kunnen broeden. Geschikte broedgebieden van kwalificerende broedvogels liggen op grotere afstand (> 1 km) van het plangebied. Gelet op de grote afstand van het plangebied van > 1 km tot het dichtstbijzijnde geschikte broedgebieden van kwalificerende broedvogels kan verstoring door licht, geluid of optische verstoring op voorhand met zekerheid worden uitgesloten. Van de kwalificerende broedvogels gebruikt alleen de purperreiger agrarisch gebied om te foerageren. De soort foerageert in het agrarisch gebied in en langs watergangen vooral op vis, maar ook op amfibieën, insecten, muizen en mollen. In het plangebied is momenteel geen geschikt foerageergebied voor de purperreiger meer aanwezig.

Er zijn geen watergangen en rondom aanwezige erfbeplanting wordt door de soort vermeden i.v.m. een verhoogde kans op aanwezigheid van predatoren. Voordat de buiten het huidige bouwvlak gelegen sleuf- en mestsilo’s zijn gebouwd, ten tijde van de aanwijzing van het gebied als Vogelrichtlijngebied (2000) was er 1 watergang aanwezig in het plangebied. Aangrenzend aan deze watergang was erfbeplanting aanwezig, wat de watergang ongeschikt maakt als foerageergebied voor de purperreiger. Het instandhoudingdoel voor de purperreiger is behoud omvang en kwaliteit van het leefgebied voor in totaal 50 broedparen. Dit doelaantal wordt momenteel ruim gehaald. Uit de meest recent beschikbare telgegevens van Sovon blijkt dat de soort met respectievelijk 71 (2016), 62 (2017) en 65 (2018) broedparen ruim boven het doelaantal uit het aanwijzingsbesluit zit. Binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied is ruim voldoende geschikt leefgebied voor de purperreiger aanwezig om het in het aanwijzingsbesluit geformuleerde doelaantal te kunnen halen. Het plangebied en de directe omgeving daarvan zijn niet van wezenlijk belang voor de draagkracht van het gebied voor de purperreiger. Een significante aantasting van leefgebied van de purperreiger kan op voorhand met zekerheid worden uitgesloten.

6.5 Niet-broedvogels Van de niet-broedvogels waarvoor de Oostelijke Vechtplassen zich kwalificeert in het kader van de Vogelrichtlijn (aalscholver, kolgans, grauwe gans, smient, krakeend, slobeend, tafeleend en nonnetje) kunnen de herbivore watervogels kolgans, grauwe gans en smient in het agrarisch gebied foerageren waarin het plangebied ligt. Voor andere kwalificerende niet-broedvogels ontbreekt geschikt leefgebied in het plangebied. In het plangebied is momenteel geen geschikt foerageergebied voor herbivore watervogels meer aanwezig. Er is geen eiwitrijk (nat) grasland aanwezig en rondom aanwezige erfbeplanting wordt door de soorten vermeden i.v.m. een verhoogde kans op aanwezigheid van predatoren. Voordat de buiten het huidige bouwvlak gelegen sleuf- en mestsilo’s zijn gebouwd, ten tijde van de aanwijzing van het gebied als Vogelrichtlijngebied (2000) was er wel sprake van grasland in het plangebied. Er is met de uitbreiding van het bedrijf vanaf 2000 ca. 1 ha aan grasland verloren gegaan. Aangrenzend aan dit grasland was ook in 2000 erfbeplanting aanwezig, waardoor van optimaal foerageergebied van herbivore watervogels geen sprake was. Wel verschuift door de uitbreiding de verstoringsafstand door aanwezigheid van het erf en rondom aanwezige erfbeplanting, waardoor worstcase uitgegaan moet worden van verlies aan potentieel foerageergebied van ca. 1 ha.

9

Het instandhoudingdoel voor de kolgans, grauwe gans en smient is behoud omvang en kwaliteit van het leefgebied voor respectievelijk 920 (kolgans), 1.200 (grauwe gans) en 2.800 (smient) exemplaren (seizoensgemiddelden). Deze doelaantallen worden momenteel ruim gehaald. Tabel 5.5: Doelaantal en aanwezige exemplaren in de laatste 5 telseizoenen. Bron: www.sovon.nl. Soort Instandhoudingsdoel Gemiddeld seizoensgemiddelde laatste 5 jaar Kolgans 920 1.978 Grauwe gans 1.200 1.825 Smient 2.800 3.155

Binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied is ruim voldoende geschikt foerageergebied aanwezig om de in het aanwijzingsbesluit geformuleerde doelaantallen voor kolgans, grauwe gans en smient te kunnen halen. Het plangebied en de directe omgeving daarvan zijn niet van wezenlijk belang voor de draagkracht van het gebied voor de betreffende soorten, zo valt op te maken uit het feit dat de in het aanwijzingsbesluit geformuleerde doelaantallen voor kolgans, grauwe gans en smient ruim worden gehaald ondanks het huidige gebruik van de buiten het bouwblok gelegen sleuf- en mestsilo’s. Een significante aantasting van leefgebied van kwalificerende niet-broedvogels kan op voorhand met zekerheid worden uitgesloten. 6.6 Stikstofdepositie Voor het aspect stikstofdepositie geldt dat er in 2016 een Nbwet vergunning is verleend voor de inrichting. De buiten het bouwvlak gerealiseerde sleuf- en mestsilo’s en de nieuw te bouwen mestsilo zijn bij de aanvraag op tekening aangegeven als onderdeel van de betreffende inrichting. Deze maken dus onderdeel uit van de vergunde situatie. Het voorgenomen plan leidt ten opzichte van de vergunde situatie niet tot een toename aan stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. In het kader van de plantoets op grond van artikel 2.7, eerste lid, Wet natuurbescherming is echter de feitelijke planologisch legale situatie de referentiesituatie.

Aangezien de sleuf- en mestsilo’s zich momenteel buiten het huidige bouwvlak bevinden, zijn deze momenteel niet planologisch legaal en maken geen onderdeel uit van de referentiesituatie. Derhalve wordt onderstaand beoordeeld of het gebruik van de reeds aanwezige sleufen mestsilo’s en/of de bouw en gebruik van de nieuwe mestsilo kan leiden tot significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden door een toename aan stikstofdepositie. Gebruik van sleufsilo’s voor kuilvoer De buiten het huidige bouwvlak gerealiseerde sleufsilo’s liggen allemaal naast elkaar, waardoor er efficiënter kan worden gewerkt. In de oude situatie lagen er overal voeropslagen op het erf. Het voeren vindt momenteel plaats met een grote voermengwagen, waarmee alle koeien in 1 keer kunnen worden gevoerd. Dit kost nu ongeveer een uur per dag. In de oude situatie kostte het voeren veel meer tijd en werd er dus vaker met diesel aangedreven machines heen en weer gereden om de koeien te voeren. Ten opzichte van de referentiesituatie is er in de plansituatie dus sprake van een duidelijke afname aan met diesel aangedreven tractorbewegingen in het voerproces. Het planologisch legaliseren van de sleufsilo’s leidt derhalve niet tot een toename aan stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden.

Gebruik van de mestsilo’s

10

De nieuwe mestsilo is niet bedoeld voor uitbreiding van het bedrijf, maar om de mest en perculaatwater van elkaar te scheiden. Nu komt alles bij elkaar in 1 mestopslag en daardoor is er steeds te weinig ruimte met als gevolg dat nu mest in de winter moet worden afgevoerd naar andere opslag en dit moet in de zomer weer terug komen. Door de nieuwe silo is dus sprake van minder transportbewegingen ten opzichte van de referentiesituatie. De nieuw te bouwen silo wordt straks gevuld met een elektrische mestpomp, er ligt al een leiding onder de grond inmiddels en het vullen gaat dus niet meer met door diesel aangedreven machines. Ook het mixen gaat elektrisch, waardoor dit niet meer zoals in de referentiesituatie met een door diesel aangedreven vrachtwagen gebeurd. Het planologisch legaliseren van de mestsilo’s leidt derhalve niet tot een toename aan stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. Bouw nieuwe mestsilo Bij de bouw van de nieuwe mestsilo komt tijdelijk stikstofdepositie vrij bij het storten van de betonvloer en het aanleveren en plaatsen van de betonelementen voor de mestsilo. Het bouwproces is echter zeer kortdurend. De betonvloer wordt in enkele dagen gestort en het opbouwen van de betonelementen met een kraan duurt maximaal een week.

Bij een dergelijke kortdurende inzet van een betonwagen en een kraan is met zekerheid geen sprake van een ecologisch merkbaar effect op voor stikstof gevoelige kwalificerende habitats of leefgebieden van kwalificerende soorten.

11

7 Conclusie Het voorgenomen plan waarmee de reeds op basis van een in 2013 verleende Omgevingsvergunning gebouwde sleuf- en mestsilo’s binnen het bouwvlak worden gebracht en een nieuwe mestsilo wordt gebouwd is noodzakelijk voor de bedrijfsvoering van het agrarisch bedrijf aan de Griendweg 1 in Tienhoven. Dit betreft een veehouderij die grotendeels gericht is op het beheer van het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen, waarin het bedrijf (deels) is gelegen. De bedrijfsvoering is gericht op de natuurbeheer, waarbij onder andere habitats en/of leefgebieden van kwalificerende soorten van schraal grasland, vochtige hooilanden en riet/moeras worden beweid en/of gemaaid. Het maaisel wordt afgevoerd en gebruikt op het bedrijf, als hooi voor de koeien, als strooisel in de boxen of als compost. In die zin kan worden gesteld dat het bedrijf activiteiten verricht die direct verband houden met en noodzakelijk zijn voor het beheer van het Natura 2000gebied Oostelijke Vechtplassen. Voor dergelijke activiteiten geldt vanaf 1 januari 2020 (door het wijziging van de Wet natuurbescherming vanwege de Spoedwet stikstof) dat geen plantoets hoeft te worden doorlopen op grond van artikel 2.7, eerste lid, Wet natuurbescherming en geldt geen vergunningplicht meer op grond van artikel 2.7, tweede lid, Wet natuurbescherming.

Los van voorgaande zijn de mogelijke effecten van de vergroting van het bouwblok op voor Natura 2000-gebieden kwalificerende habitats en/of leefgebieden van kwalificerende soorten getoetst. Uit deze toetsing volgt dat het voorgenomen plan waarmee de middels een in 2013 verleende Omgevingsvergunning reeds gebouwde sleuf- en mestsilo’s binnen het bouwvlak worden gebracht en een nieuwe mestsilo wordt gebouwd niet leidt tot significante gevolgen voor het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen of voor andere omliggende Natura 2000-gebieden. Van een significante verstoring van kwalificerende habitatsoorten en/of vogels is geen sprake. Er gaat ten opzichte van de referentiesituatie weliswaar een zeer beperkt deel van (potentieel) leefgebied van de kwalificerende broedvogelsoort purperreiger en de kwalificerende niet-broedvogelsoorten kolgans, grauwe gans en smient verloren, maar dit heeft geen invloed op de draagkracht van het gebied in relatie tot de instandhoudingsdoelstellingen. Voor alle betreffende soorten geldt dat momenteel de in het aanwijzingsbesluit geformuleerde doelaantallen ruim worden gehaald, ondanks het huidige gebruik van de buiten het bouwvlak gelegen sleuf- en mestsilo’s. Van een significante verslechtering van het leefgebied van kwalificerende vogels is geen sprake.

Voor het aspect stikstofdepositie geldt dat er in 2016 een Nbwet vergunning is verleend voor de inrichting. De buiten het bouwvlak gerealiseerde sleuf- en mestsilo’s en de nieuw te bouwen mestsilo zijn bij de aanvraag op tekening aangegeven als onderdeel van de betreffende inrichting. Deze maken dus onderdeel uit van de vergunde situatie. Bovendien blijkt uit de toetsing dat het huidige gebruik van de sleuf- en mestsilo’s niet leidt tot een toename aan stikstofdepositie. Per saldo is juist sprake van een afname aan stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie, omdat voerwerkzaamheden nu efficiënter kunnen worden uitgevoerd waardoor er fors minder tractorbewegingen plaatsvinden. Bij de opslag van mest geldt dat dit proces nu – in tegenstelling tot in de referentiesituatie – vrijwel volledig geëlektrificeerd is, waardoor fors minder vrachtwagenbewegingen plaatsvinden. Bovendien hoeft – in tegenstelling tot de referentiesituatie – geen mest meer te worden afgevoerd in de winter en weer te worden aangevoerd in de zomer, waardoor fors minder vrachtwagenbewegingen plaatsvinden. De bouw van een nieuwe mestsilo zal niet leiden tot een merkbaar ecologisch effect op omliggende gevoelige habitats en/of leefgebieden van kwalificerende soorten omdat de bouwwerkzaamheden slechts enkele dagen tot hooguit ca. 1 week duren.

Geconcludeerd wordt dat het voorgenomen plan niet leidt tot significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Nadere toetsing in de vorm van een passende beoordeling is daarom ook niet noodzakelijk.

12

Aanvullende notitie natuur (NNN)

Locatie: Griendweg 1 Tienhoven Datum: 19 juni 2023

Beoogde situatie De biologische melkveehouderij aan de Griendweg kan alleen voortbestaan als er mogelijkheden zijn voor opslag van voer en mest. Beiden voorzieningen zijn in 2013 al vergund op basis van de omgevingsvergunning onderdeel bouwen. Deze opslag van voer en mest ligt nu al buiten het bouwvlak. Voor de mestopslag is bovendien een kleine wijziging nodig. Een andere mogelijkheid daarvoor is er niet. Relatie tot interim omgevingsverordening Het bedrijf is gelegen te midden van NNN gebied. De beoogde situatie zorgt voor een aantasting van het NNN gebied omdat het bouwvlak groter wordt ten koste NNN-gebied, ook al is het maar in zeer geringe mate. Hierop zijn de regels van de interim omgevingsverordening van toepassing. In dit geval gaat het om “Artikel 6.3 instructieregel geen aantasting natuurnetwerk Nederland” Het eerste lid onder c is van toepassing en luid “Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Natuurnetwerk Nederland bevat geen nieuwe bestemmingen en regels die ruimtelijke ontwikkelingen toestaan die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk Nederland, bedoeld in bijlage 10 Wezenlijke kenmerken en waarden van deze verordening, of die kunnen leiden tot een vermindering van de kwaliteit, de oppervlakte of de samenhang van het natuurnetwerk Nederland, tenzij sprake is van: c.

ruimtelijke ontwikkelingen in het natuurnetwerk Nederland die beperkt worden gewijzigd of worden toegevoegd, waarbij die wijziging of toevoeging noodzakelijk is voor de instandhouding van de bestaande bestemming. Het in stand houden van de huidige biologische melkveehouderij kan alleen door de gewenste mestopslag en voeropslag positief te bestemmen. Er is geen aantasting van gebiedskenmerken en instandhoudingsdoelen, maar wel een zeer marginale oppervlakte verkleining omdat de erfbestemming iets wordt vergroot. De aantasting wordt zoveel mogelijk beperkt. Er vindt compensatie plaats door de realisatie van landschappelijke maatregelen uit het inpassingsplan van Natuurbank Overijssel. Dit zijn o.a. de volgende: 1. Toevoegen gebiedseigen beplanting 2. Aanleg hakhoutsingel. 3. Aanleg struweelhaag. 4. Planten knotwilgen. 5. Ecologisch beheer beplanting Voor de volledigheid wordt verwezen naar dat inpassingsplan van Natuurbank Overijssel. Daarnaast heeft het bedrijf een bedrijfsvoering die een biologische kringloop met zijn omgeving vormt. Daarbij is er veel aandacht voor milieubeheer. Het bedrijf doet tevens actief aan natuurbeheer in de omgeving. Een toelichting daarop volgt hierna. Biologische bedrijfsvoering De melkveehouderij is volledig biologisch en heeft daarvoor een SKAL-certificaat. Biologische landbouw is veel extensiever in gebruik dan reguliere landbouw.

Het type gras is ruwer en veelzijdiger van plantensoorten. Er wordt geen gebruik gemaakt van bestrijdingsmiddelen en kunstmest. In de natuurlijke kringloop wordt uitsluitend biologische mest van de koeien gebruikt, zodat de biologische kringloop zoveel mogelijk gesloten is. Ook worden sterke rundveerassen ingezet die geschikt zijn voor deze robuustere manier van vee houden, dicht bij de natuur. Door deze biologische productiemethode wordt bijgedragen aan meer biodiversiteit in het NNN gebied. 1/2

Milieubeheer Op het bedrijf wordt met diverse managementmaatregelen gewerkt aan lage emissies van stikstof. Het gaat verder om een combinatie van maatregelen: beweiding, rantsoen, stalklimaat en ventilatie en de wijze waarop vloeren worden schoongemaakt en de mest wordt opgeslagen. Daarin worden de volgende maatregelen genomen, waardoor de stikstofemissie wordt verlaagd: - De koeien worden zeer veel beweid. Niet de gangbare 720 uren beweiden, maar circa 2500 uren per jaar. - De koeien worden gevoerd in belangrijke mate gevoerd met natuurgras. Dit voer bevat weinig eiwit, waardoor het ureumgetal continue relatief laag is (schommelt vaak tussen 15 en 19). - Het vloersysteem kenmerkt zich door een vaste vloer, licht hellend en in de midden een sleuf voor afvoer van gier. De gier wordt dus gescheiden van de mest afgevoerd. - Als de koeien op stal staan worden de stalvoeren elke 2 uur schoongemaakt met een mestschuif. Mest en gier worden zoveel mogelijk gescheiden - Om de mest en gier separaat te kunnen blijven opslaan binnen het erf is er een extra mestsilo nodig. Het is de bedoeling om die binnenkort te bouwen. - Als mest langer kan worden opgeslagen is tussentijdse afvoer niet nodig. Tussentijdse afvoer betekent extra mesttransporten en dat is niet wenselijk. - Met voldoende mestopslag kan bemesting zoveel mogelijk plaatsvinden op het moment dat de gewassen er om vragen.

Dit leidt tot beter benutting van mineralen en dus een verlaging van stikstofbodemoverschot. Overige omgevingsaspecten - Het waterschap staat positief ten opzichte van deze ontwikkeling - Er zijn geen significante effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000 gebied (Vogelrichtlijngebied Oostelijke vechtplassen) waarin het ligt. Rapportage hiervan is bijgevoegd bij het verzoek tot aanpassing bestemmingsplan - Doordat het bedrijf zich intensief inzet voor biologische veehouderij en natuurbeheer wordt een integraal voordeel bereikt. Tot slot De bedrijfsaanpassingen zijn noodzakelijk voor een (duurzame) voortzetting van de biologische melkveehouderij. De aanpassingen zijn dermate gering van aard dat dit op het geheel geen nadelig effect heeft. Het betreft vooral een reeds bestaande situatie met marginale aanpassing. De oppervlakte die het betreft (afname gebied) is een zeer gering stukje bedrijf binnen het NNN gebied. Er zijn geen significante effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000 gebieden. De gebiedskenmerken worden niet aangetast. Er vindt een compensatie plaats zoals in het bijgevoegde inpassingsplan. Het bedrijf draagt in grote mate bij aan natuurbeheer in het gebied.

Door de integrale voordelen voor het gebied, zonder afbreuk te doen aan gebiedskenmerken van NNN, is het toestaan van de beoogde bedrijfsactiviteiten een verantwoorde keuze te noemen die past binnen de provinciale beleidskaders.

2/2

Aanmeldnotitie MER-beoordeling Locatie: Griendweg 1, Tienhoven

Opdrachtgever: VOF de Bethune

Biologische melkveehouderij Opgesteld door: H. Vogels AR Bedrijfsontwikkeling BV 6 oktober 2020 Aangevuld door: G.J. Nap Van Westreenen BV. 19 juni 2023

INHOUDSOPGAVE 1

Algemeen ........................................................................................................................3 1.1 Naam en adres initiatiefnemer ..................................................................................3 1.2 Soort activiteit en beschrijving ...................................................................................3 1.3 Plaats van de activiteit ..............................................................................................3 1.4 Tijdspad....................................................................................................................3 2 Motivering van de activiteit ...............................................................................................4 2.1 De aanleiding ...........................................................................................................4 2.2 De voorgenomen activiteit ........................................................................................4 2.2.1 Motivatie van de activiteit ...................................................................................4 2.2.2 Afweging alternatieven.......................................................................................5 2.2.3 Toekomstige ontwikkelingen ..............................................................................5 3 Kenmerken van het project

..............................................................................................6 3.1 Aard en omvang van het project ...............................................................................6 3.1.1 De omvang ........................................................................................................6 3.1.2 Ruimtelijke ordening ..........................................................................................6 3.1.3 Natuurvergunning ..............................................................................................6 3.2 Productieproces ........................................................................................................7 3.2.1 Omschrijving productieproces ............................................................................7 3.2.2 Grond en hulpstoffen .........................................................................................7 Vrijkomende afvalstoffen....................................................................................8 3.2.3 4 Effecten op het milieu ......................................................................................................9 4.1 Algemeen .................................................................................................................9 4.2 Stikstofemissie

..........................................................................................................9 4.3 Geuremissie ...........................................................................................................10 4.4 Stof.........................................................................................................................10 4.5 Afvalwater...............................................................................................................11 4.6 Mest .......................................................................................................................11 4.7 Geluid .....................................................................................................................11 4.8 Flora en fauna ........................................................................................................12 4.9 Bodem ....................................................................................................................14 4.10 Energie ...................................................................................................................14 4.11 Externe veiligheid ...................................................................................................15 5 Beschrijving ongevallenrisico .........................................................................................16 6

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/2312/documents/49008