CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Ruimtelijke onderbouwing Mijndensedijk 49-51 te Nieuwersluis.pdf

Raad 1 oktober 2024, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: 18: Vaststellen Bestemmingsplan Nieuwersluis25.261 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

30

houten boerderij landzicht op nr. 57. Bij nr. 45 staat een gemaal uit 1926 op een vaste brug over de molenvliet. op nr. 49 staat de fraaie boerderij Werklust, waarschijnlijk uit de eerste helft van de 19e eeuw. Met onderhavig plan wordt de overtollige agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt, maar blijft de karakteristieke bebouwing behouden, daarnaast blijven twee bijgebouwen bij de woningen behouden. Door de sloop wordt de openheid van het landschap vergroot. De nieuwe woning sluit aan op de bestaande erfstructuur en wordt ontsloten op de te verplaatsen in-/uitrit van de Mijndensedijk 51. De inrit van Mijndensedijk 51 verplaatst namelijk van de westzijde naar de oostzijde van de woning. De inrit van Mijndensedijk 49 blijft gehandhaafd. De bestaande cultuurhistorische waarden worden zodoende niet aangetast. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig initiatief.

3.3

Milieueffecten

3.3.1

Milieueffectrapportage Algemeen Voor plannen en activiteiten, die mogelijk belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, kan het noodzakelijk zijn dat een milieueffectrapport wordt opgesteld. In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage is dit geregeld. Er is een m.e.r.-plicht voor plannen (planMER) en een m.e.r.-plicht voor besluiten. Een plan is plan-m.e.r.-plichtig als het plan kaders stelt voor m.e.r.-plichtige activiteiten. Toetsing Jurisprudentie wijst uit dat met name de aard en omvang van een project bepalen of gesproken moet worden van een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in categorie D.11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Het initiatief betreft de functieverandering van een agrarisch bedrijf naar één woning, het omzetten van de bedrijfswoningen in burgerwoningen. Deze ontwikkeling is daarmee kleinschalig te noemen en het ruimtebeslag van de toekomstige ontwikkeling is beperkt. Gelet op de aard en omvang van deze ontwikkeling is er daarom geen sprake van een activiteit zoals genoemd in het Besluit m.e.r. Conclusie Het aspect milieueffectrapportage vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig initiatief.

3.3.2

Bodem Algemeen In het kader van de bestemmingsplanprocedure moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Hiertoe is het uitvoeren van een verkennend milieukundig bodem- en grondwateronderzoek noodzakelijk.

31

Toetsing Op de locatie mijndensedijk 49-51 te Nieuwersluis is een bodem- en asbestonderzoek3 uitgevoerd conform de NEN 5740 en NEN 5707 en/of 5897. De aanleiding tot het bodemonderzoek wordt gevormd door de voorgenomen bestemmingsplanprocedure. Doel van het bodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de locatie en nagaan of er mogelijke gebruiksbeperkingen bestaan in relatie tot het beoogde gebruik. Uit de resultaten blijkt dat over het gehele terrein licht verhoogde gehalten zware metalen en PAK worden aangetroffen. Enkel in het mengmonster van de ondergrond MMOG03 worden geen verontreinigingen aangetroffen. In de koolhoudende grond is een matig verhoogd gehalte nikkel en een sterk verhoogd gehalte barium aangetroffen. In het grondwater zijn licht verhoogde gehalten barium en naftaleen aangetroffen. Gezien de matig en sterk verhoogde gehalten nikkel en barium in de bodem ter plaatse van boring 14 wordt een nader onderzoek geadviseerd om de omvang van deze verontreiniging in beeld te brengen. Ter plaatse van de gaten G21 t/m G25 zijn sterk verhoogde gehalten asbest aangetroffen. In de overige gaten is een of slechts een licht verhoogd gehalte asbest aangetroffen. Hier wordt geadviseerd om een nader onderzoek uit te voeren naar de omvang van de asbestverontreiniging rondom de schuur.

Verder zijn op de locatie enkel licht verhoogde gehalten aangetroffen. Deze behoeven geen nader onderzoek en vormen geen belemmering voor het toekomstige gebruik. Nader onderzoek Naar aanleiding van het verkennend bodem onderzoek is vervolgens een nader asbestonderzoek, een nader grond- en grondwateronderzoek en een aanvullend verkennend grondonderzoek4 uitgevoerd. In dit onderzoek is eveneens de bodem rondom de woning aan de Mijndensedijk 47 onderzocht. Dit adres maakt echter geen onderdeel uit van onderhavig plan en de conclusies welke betrekking hebben op dit adres zijn zodoende niet in deze paragraaf weergegeven. Uit de resultaten kan het volgende geconcludeerd worden: • Ter plaatse van de sterk koolhoudende grond onder de klinkers is in de laag onder de kooldeeltjes slechts een licht verhoogd gehalte nikkel aangetroffen. Hiermee is de verontreiniging met barium en nikkel in de bovengrond afgeperkt, deze beperkt zich tot boring 14 uit het verkennend onderzoek (circa 7 m³, bij een laagdikte van 0,5 meter). In de ondergrond, onder de 2e kooldeeltjeshoudende laag ter plaatse van boring N03 (0,7-1,0 m-mv), is ook een sterk verhoogd gehalte barium aangetoond. De omvang van deze verontreiniging met barium in de ondergrond (zand) is nog niet voldoende in beeld gebracht. De verontreiniging met barium bevind zich onder een aaneengesloten verharding.

Hierdoor zijn er in de huidige situatie geen contactmogelijk heden met de verontreiniging.

3

De Klinker. Verkennend Bodemonderzoek en Asbestonderzoek, Mijndensedijk 49-51 Nieuwersluis. K2220200, 12 september 2022

4

De Klinker. Nader onderzoek asbest, aanvullend verkennend onderzoek en nader grond- en grondwateronderzoek, Mijndensedijk 47-51 Nieuwersluis. K2220323-V2, 20 april 2023 32

•

•

•

•

•

Ter plaatse van de druppelzone’s 1 en 2 is in de bovengrond een licht verhoogd gehalte PCB aangetroffen. In de bemonsterde laag bij druppelzone 3 is geen PCB aangetoond boven de achtergrondwaarde. In het mengmonster van de bodem ten oosten van de betonplaat (MMB3) is een licht verhoogd gehalte OCB aangetroffen. In de overige mengmonsters ter plaatse van de voormalige boomgaard zijn geen verhoogde concentraties OCB aangetoond. In de bodem onder de gekeurde puinverharding is een licht verhoogd gehalte lood en nikkel aangetroffen. Deze concentraties zijn vergelijkbaar met de aangetroffen concentraties zware metalen op het overig terrein en houden geen duidelijk verband met de aanwezig puinverharding. Ter plaatse van de druppelzone’s 1 en 3 bleek een verharding onder de druppelzone aanwezig te zijn. Deze was sterk begroeid met mos. In het materiaal op de verharding onder de druppelzone 1 is een licht verhoogde concentratie asbest aangetroffen. Op een afstand van circa 1 meter vanaf de druppelzone is geen asbest aangetoond. In het materiaal op de verharding onder de druppelzone 3 zijn uitsluitend vezels asbest in de fractie < 0,5 mm aangetroffen. In de bodem ter plaatse van druppelzone 2 is een sterk verhoogd gehalte asbest aangetoond. In de ondergrond (vanaf 0,3 m-mv) is geen asbest aangetroffen.

De omvang van de verontreiniging is globaal afgeperkt en omvat een lengte van circa 10 m (van hekje tot stoep) en een breedte van 0,3 m (strook tussen muur en verharding). De omvang van de asbestverontreiniging kan hiermee geschat worden op 1 m³. Op basis van de aangetroffen concentraties is sprake van een urgent geval van bodemverontreiniging.

Sanering Voorafgaand aan grondwerkzaamheden welke betrekking hebben op de verontreinigde grond bij in ieder geval druppelzone 2 zal een BUS-melding of saneringsplan worden opgesteld dat ter goedkeuring bij de ODA wordt ingediend. Er is een kostenindicatie opgemaakt waarbij naast het saneren van druppelzone 2 ook direct druppelzones 1 en 3 zijn meegenomen. De kosten zullen rond de €10.000,- bedragen en worden door de initiatiefnemer gedekt. Conclusie Buiten de specifieke verontreiniging bij druppelzone 2 om vormt het aspect bodem geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. De kosten voor deze sanering worden door de initiatiefnemer gedekt. 3.3.3

Geluid Algemeen De mate waarin het geluid onder andere het gevoelige functies mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het bestemmingsplan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Wegen met een maximale snelheid van 30 km/uur zijn formeel uitgesloten van akoestisch onderzoek.

33

Toetsing Het initiatief ziet op het toevoegen van een nieuwe geluidsgevoelige functie (woning). Om te onderzoeken of er sprake is van een aanvaardbare geluidbelasting ter plaatse van het toekomstige bouwvlak, is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai 5 uitgevoerd. Hierin wordt het volgende geconcludeerd: vanwege de Mijndensedijk vinden er geen overschrijdingen plaats van de (gehanteerde) voorkeursgrenswaarde. De hoogste geluidbelasting bedraagt 41 dB. Voor zowel de gezoneerde Rijksstraatweg als de totale Rijksstraatweg wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. De hoogste geluidsbelasting bedraagt 38 dB. Vanwege deze weg wordt voldaan aan de Wgh. Het aspect wegverkeerslawaai vormt hiermee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 3.3.4

Luchtkwaliteit Algemeen Eisen met betrekking tot luchtkwaliteit zijn verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en vormen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM 10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De derogatiebeschikking van de EU is in 2015 verlopen. De NSL is na 2015 twee maal verlengd en betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen.

Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Doordat de derogatiebeschikking van de EU na 2015 niet is verlengd, dient Nederland overigens op dit moment te voldoen aan de Europese luchtkwaliteitsnormen. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof:

5

SAB. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, Mijndensedijk 49-51, Nieuwersluis. 220288, 30-8-2022 34

Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het plan ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden.

Toetsing Het initiatief betreft de functieverandering van een agrarisch bedrijf naar één nieuwe woning, het omzetten van de bedrijfswoningen in burgerwoningen. Er is geen sprake van een gevoelige functie zoals bedoeld in het ‘Besluit gevoelige bestemmingen’. Daarnaast is bij de realisatie van één woning sprake van een NIBM-project en het project hoeft daarom niet getoetst te worden aan de Europese grenswaarden. Met behulp van het kaartmateriaal van het Geoportaal van de Omgevingsdienst Regio Utrecht is beoordeeld of er ter hoogte van het plan sprake is van een (dreigende) overschrijding van luchtverontreinigende stoffen.

35

Stikstofdioxide 2018 (NO2), plangebied is rood omkaderd (bron: odru.nl/geoloket/)

Stikstofdioxide 2030 (NO2), plangebied is rood omkaderd (bron: odru.nl/geoloket)

Fijnstof 2018 (PM10), plangebied is rood omkaderd (bron: odru.nl/geoloket/)

36

Fijnstof 2030 (PM10), plangebied is rood omkaderd (bron: odru.nl/geoloket/)

Zeer fijn stof 2018 (PM2,5), plangebied is rood omkaderd (bron: odru.nl/geoloket/)

37

Zeer fijn stof 2030 (PM2,5), plangebied is rood omkaderd (bron: odru.nl/geoloket/)

In de volgende tabel zijn voor de jaren 2018 en 2030 voor de relevante stoffen de concentraties en de grenswaarden weergegeven. Stoffen NO2 concentratie PM10 concentratie PM2,5 concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3

2018 16 – 18 µg/m3 19 – 20 µg/m3 12 – 12,5 µg/m3

2030 10 – 12 µg/m3 17 – 18 µg/m3 9,5 – 10 µg/m3

Uit de resultaten blijkt dat er geen sprake is van een (dreigende) normoverschrijding. Voor de concentraties verontreinigende stoffen ter plekke van de te realiseren woning wordt ruim voldaan aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Ter plaatse van de locatie is hierdoor sprake van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig initiatief. 3.3.5

Bedrijven en milieuzonering Algemeen Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omge-

38

vings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel. Toetsing Het initiatief betreft de functieverandering van een agrarisch bedrijf naar één nieuwe woning en het omzetten van de bedrijfswoningen in burgerwoningen. Zodoende is er sprake van nieuwe gevoelige functies in de zin van het aspect bedrijven en milieuzonering. De locatie ligt in het buitengebied van Nieuwersluis. In de buurt zijn verschillende woningen en enkele agrarische bedrijven gelegen.

Vanwege de kenmerken van de omgeving wordt de locatie omschreven als rustig buitengebied. De dichtstbijzijnde bedrijvigheid is in de navolgende tabel opgenomen, inclusief de bijbehorende omschrijving uit de VNG-publicatie en de daaruit volgende grootste richtafstand. Bedrijfssoort

Adres

Omschrijving VNG

Melkveehouderij Melkveehouderij Bed & Breakfast

Mijndensedijk 57/57a Rijksstraatweg 47-49 Rijksstraatweg 68

Fokken en houden van rundvee Fokken en houden van rundvee Hotels en pensions met keuken

Grootste richtafstand (m) 50 (geur)

Gemeten afstand (m) ± 160

50 (geur)

± 270

10 (diverse)

± 200

Uit de voorgaande tabel blijkt dat kan worden voldaan aan de indicatieve richtafstanden. Daarmee is een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd ter plaatse van de beoogde woningen en wordt de omliggende bedrijvigheid niet belemmerd in ontwikkelingsmogelijkheden. Het aspect geur is nog nader onderbouwd in paragraaf 3.3.7. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig initiatief. 3.3.6

Externe veiligheid Algemeen Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risico-

39

volle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijk besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het ‘Besluit externe veiligheid inrichtingen’ (Bevi), het ‘Besluit externe veiligheid buisleidingen’ (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. Toetsing Ten behoeve van het plan dient te worden aangetoond dat de ontwikkeling in overeenstemming is met een ‘goede ruimtelijke ordening’ en dient deze getoetst te worden aan het aspect externe veiligheid.

De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in risicovolle activiteiten die van invloed kunnen zijn op het aspect externe veiligheid. Wel worden er met dit project nieuwe kwetsbare objecten toegevoegd en dient gekeken te worden of dit eventueel van invloed is op nabijgelegen risicobronnen. In een quick scan6 wordt ingegaan op het aspect externe veiligheid met betrekking tot de voornomen ontwikkeling. Uit de quick scan blijkt dat de ontwikkellocatie niet binnen een plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6) en/of plasbrandaandachtsgebied van een risicobron ligt. Wel ligt de ontwikkellocatie binnen het invloedsgebied voor groepsrisico. Het gaat om de volgende risicobron: - Spoorlijn ‘Breukelen aansluiting – Duivendrecht’ (route 30BP) - Rijksweg A2: Vinkeveen - Breukelen - Provinciale weg N402 De ontwikkellocatie bevindt zich ten aanzien van deze risicobronnen buiten de meest relevante zone van het groepsrisico (de 200 meter zone). Conform artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) betekent dit dat het groepsrisico voor de risicobronnen beperkt dient te worden verantwoord. Er moet worden ingegaan op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. De Veiligheidsregio is in de gelegenheid gesteld om een advies hierover uit te brengen. Dit is verwerkt in de beperkte verantwoording.

Beperkte verantwoording Door het voorliggende plan zal het gemiddeld aantal aanwezigen in het projectgebied wijzigen. Vanwege de ligging van de projectlocatie in het invloedsgebied van een risicobron waarvan een toxische wolk het maatgevende scenario is, dient een beperkte

6

SAB. Quick scan Externe veiligheid Mijndensedijk 49 Nieuwersluis. 220288, 7-3-2023 40

verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. In dit kader dient advies bij de Veiligheidsregio om advies gevraagd te worden. Scenario(‘s) Het relevante scenario voor het projectgebied i.r.t. het transport van gevaarlijke stoffen is het overdrijven van een toxische wolk ten gevolge van een calamiteit aan spoorlijn ‘Breukelen aansluiting – Duivendrecht’ en de A2 ‘Vinkeveen – Breukelen’. Door bijvoorbeeld een incident tijdens de verlading of door een mechanische impact op de tank ontstaat een gat waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische stof vrijkomt en met de wind mee wordt verspreidt. De kans op een dergelijk ongeval is bijzonder klein. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof. Een ander relevant scenario voor het projectgebied i.r.t. het transport van gevaarlijke stoffen is een wolkbrand/gaswolkexplosie ten gevolge van een calamiteit aan het transport van GF3 over de N402. Een wolkbrand wordt veroorzaakt doordat na een incident de aansluiting van de propaantank afbreekt. Hierdoor ontstaat een gat waar propaan uitstroomt. Er wordt een wolk gevormd die zich over de grond verspreidt en eenvoudig kan worden ontstoken. Het ontsteken van de gaswolk leidt tot een kortdurende vlammenzee. Als de wolk bij het ontbranden niet kan expanderen ontstaat er een gaswolkexplosie.

Mogelijkheden tot bestrijdbaarheid van een calamiteit Bij het scenario toxische wolk zal de brandweer proberen de toxische wolk neer te slaan. Bij een snelle verspreiding van de toxische wolk zal dit echter beperkt effect hebben. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als matig beoordeeld. Een wolkbrand is van korte duur. Daardoor ligt bij dit scenario de nadruk op redden/evacueren, uitbreiding voorkomen en blussen van secundaire branden. De veiligheidsregio Utrecht heeft de bestrijdbaarheid daarnaast getoetst aan de hand van de volgende aspecten: Bereikbaarheid Het is van belang dat de hulpdiensten tijdens een brand, ramp of zwaar ongeval voldoende snel kunnen optreden. Een goede bereikbaarheid van het te ontwikkelen plangebied is hierbij van essentieel belang. Aangezien het plangebied reeds via meerdere zijden te bereiken is acht de VRU de bereikbaarheid voldoende. Bluswatervoorzieningen De brandweer dient snel te kunnen beschikken over voldoende bluswater om een incident adequaat te kunnen bestrijden. De VRU heeft vastgesteld dat er in de huidige situatie binnen 40 m van het pand reeds voldoende bluswatervoorzieningen aanwezig zijn. De mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote aantallen slachtoffers bij een incident te voorkomen.

De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het projectgebied.

41

Mogelijkheden zelfredzaamheid De nieuwbouw richt zich niet op personen die minder zelfredzaam zijn. De personen in het projectgebied zijn, mits tijdig gewaarschuwd, in staat zichzelf in veiligheid te brengen ten opzichte van de potentiële risicobron. Waarschuwing zal plaatsvinden via NL-Alert. Is het gebied voldoende ingericht om de zelfredzaamheid te kunnen faciliteren? Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang, dat het projectgebied: - goed te alarmeren is; - goed te schuilen is; - goed te ontvluchten is. Alarmering In geval van een calamiteit zal NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een aanvullend alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen. Schuilmogelijkheden Schuilen in de afgesloten bebouwing zal in beginsel de beste manier zijn om de calamiteit met het scenario toxische wolk te overleven. Schuilen voor een toxische wolk is mogelijk binnen de bebouwing op de projectlocatie. Ditzelfde geldt voor het brandbare scenario.

Om veilig schuilen binnen de bebouwing mogelijk te maken dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen. Als gevolg van energieprestatie-eisen zijn nieuwe woningen goed geïsoleerd en bieden daarom een goede bescherming. Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden. De VRU sluit zich bij deze conclusies aan. Vluchtmogelijkheden Mocht vluchten noodzakelijk zijn, dan is het projectgebied naar meerdere zijden te ontvluchten. Ontvluchten kan in alle gevallen van de risicobron af, via de Mijndensedijk in noordelijke dan wel zuidelijke richting afhankelijk van de risicolocatie. Conclusie Er bestaat vanuit extern veiligheidsoogpunt geen bezwaar tegen de gewenste ontwikkeling. Het advies van de VRU is reeds verwerkt in de opgestelde memo. Deze verantwoording dient gelezen te worden in combinatie met de gemeentelijke beleidsdocumenten en besluiten met betrekking tot externe veiligheid en de daarin gemaakte keuzes.

42

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig initiatief. 3.3.7

Geur Voor agrarische activiteiten is het agrarische bouwblok in combinatie met hun veehouderijactiviteiten bepalend voor de afstand tot milieugevoelige functies. Afhankelijk van de aard en omvang van het agrarische bedrijf wordt de afstand bepaald door een AMvB of indien voor bedrijfsvoering noodzakelijk, een milieuvergunning. In de Wet geurhinder en veehouderij zijn odeur units per m3 opgenomen voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom. Toetsing Met onderhavig plan worden twee voormalige agrarische bedrijfswoningen voorzien van een woonbestemming en een nieuwe woning wordt in samenhang met het beëindigen de veehouderij gerealiseerd. In de omgeving van het plangebied zijn veehouderijen gelegen. Naast de toetsing voor het aspect bedrijven en milieuzonering in paragraaf 3.3.5 is in deze paragraaf het aspect geur apart behandeld. Om mogelijke knelpunten op gebied van geur in kaart te brengen is daarom een quick scan geurhinder7 uitgevoerd. Uit de quick scan komt naar voren dat wordt voldaan aan de vaste afstand voor dieren zonder vastgestelde geurfactor. Diverse bedrijven hebben dieren waarvoor wel een geurfactor is vastgesteld. Uit de V-Stacks berekening blijkt dat de geurbelasting zodoende laag is dat er sprake is van een zeer goed woon- en leefklimaat.

Daarnaast zijn de veehouderijen op geruime afstand gelegen en zijn er reeds bestaande gevoelige objecten aanwezig tussen het plangebied en veehouderijen. De nieuwe ontwikkeling belemmert de omliggende veehouderijen zodoende niet in hun bedrijfsvoering. Geconcludeerd wordt dat het aspect geur, afkomstig van veehouderijen, geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling en dat de ontwikkeling de omliggende veehouderijen niet belemmert in hun bedrijfsvoering. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig initiatief.

3.3.8

Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. 7

SAB. Geuronderzoek Mijndensedijk 49-51, Nieuwersluis. 220288, 7-3-2023 43

Toetsing Vanwege de ontwikkeling op de locatie is een quick scan natuur 8 uitgevoerd. In deze quick scan is onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het besluitgebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het besluitgebied. Gebiedsbescherming Uit de quick scan blijkt dat Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen in de buurt van het besluitgebied ligt. Door de afstand tot het Natura 2000-gebied en de kleinschaligheid van de ontwikkeling zijn verstoringen echter op voorhand uitgesloten. De bescherming van Natura 2000 staat de ontwikkeling niet in de weg en aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. Verder blijkt uit de quick scan dat het besluitgebied niet in het Natuurnetwerk Nederland ligt. Wel ligt het besluitgebied in een ganzenrustgebied. Maar in de huidige situatie is het besluitgebied geen functioneel rustgebied voor ganzen omdat er geen foerageermogelijkheden zijn en er momenteel bebouwing staat. Ganzen komen dan ook niet in het besluitgebied voor. Negatieve effecten op de omliggende ganzenrustgebieden zijn daarom uitgesloten. Soortenbescherming In en rondom het besluitgebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn.

Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. In en nabij het besluitgebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat rondom het besluitgebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Essentiële elementen, zoals essentieel leefgebied of verblijfplaatsen, van andere beschermde soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, zijn niet aanwezig. De bescherming van deze categorie soorten staat de ontwikkeling niet in de weg. Op het moment is het niet waarschijnlijk dat de rugstreeppad in het plangebied voorkomt omdat zanderig terrein en ondiepe poelen ontbreken.

Als het plangebied in een later stadium echter uit braakliggend terrein zal bestaan, is het niet onmogelijk dat de soort zich in het plangebied zal vestigen. Aangeraden wordt om ondiepe poelen zo snel mogelijk te dempen en het terrein zo kort mogelijk braak te laten liggen. Hiermee kan vestiging van de rugstreeppad worden voorkomen.

8

SAB. Quick scan natuur, Nieuwersluis, Mijndensedijk 49/51. 220288, 1-8-2022 44

Bescherming houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Vervolgstappen houd rekening met de zorgplicht; houd rekening met broedende vogels; zorg tijdens de bouwfase dat het besluitgebied niet geschikt wordt voor de rugstreeppad. Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig initiatief. 3.3.9

Stikstof Algemeen Op grond van de Wet natuurbescherming worden soorten en habitattypen in Natura 2000-gebieden beschermd waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd. Hieruit volgt dat een project of plan niet mag leiden tot negatieve effecten op de instandhoudings-doelstellingen. In veel Natura 2000-gebieden is door een overbelasting van stikstof (stikstofoxiden en ammoniak) een knelpunt aanwezig bij de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. Nieuwe ontwikkelingen, die een toename van de stikstofdepositie tot gevolg hebben, kunnen hierdoor “significante negatieve effecten” hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen. Effecten van een plan of een project op de stikstofdepositie kunnen ontstaan tijdens de realisatie - en/of de gebruiksfase. Met het rekenmodel AERIUS-Calculator kan de stikstofdepositie (mol N/ha/jaar) op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten gevolge van de ontwikkeling worden berekend. Voor het berekenen van de stikstofdepositie worden in het rekenmodel de emissies van stikstof in de verschillende bronnen ingevoerd. Het rekenmodel berekent vervolgens de verspreiding van deze stikstofemissies en de stikstofdepositie binnen de Natura 2000-gebieden op stikstofgevoelige habitattypen en stikstofgevoelige leefgebieden van soorten. Toetsing Natura 2000-gebied de Oostelijke Vechtplassen ligt op circa 2000 meter afstand van de locatie.

Het is niet op voorhand uit te sluiten dat er een toename van stikstofdepositie plaats zal vinden. Dit is nader onderzocht in een onderzoek stikstofdepositie9. Voor het project is een AERIUS-berekening uitgevoerd ten aanzien van de stikstofdepositie als gevolg van het project. Deze bestaat uit een berekening voor de aanleg/gebruiksfase waarvan de conclusies navolgend gegeven zijn. Aanlegfase Met de gehanteerde parameters blijkt dat uit de uitgevoerde berekeningen van de aanlegfase er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stik-

9

SAB. Onderzoek Stikstofdepositie, Nieuwersluis, Mijndensedijk 49 en 51. 220288. 1-3-2023 45

stofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Gebruiksfase Met de gehanteerde parameters blijkt dat uit de uitgevoerde berekeningen van de gebruiksfase er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Conclusie Geconcludeerd wordt dat aan de hand van de gehanteerde parameters significant negatieve effecten derhalve worden uitgesloten. Er is geen vergunning ten behoeve van de Wet natuurbescherming benodigd. Conclusie Het aspect stikstof vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig initiatief. 3.3.10

Duurzaamheid Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met duurzaamheid door onder andere te kijken naar de energieprestatie van gebouwen/woningen en daarnaast de materiaalimpact van gebouwen op het milieu. Landelijk beleid Landelijk zijn er 2 instrumenten waarmee duurzaamheid inzichtelijk moet worden gemaakt. Dit zijn de (BijnaEnergieNeutrale Gebouwen) BENG en de MilieuPrestatie Gebouw (MPG). De BENG kijkt naar de energieprestatie waarvoor voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen sinds 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Die eisen vloeien voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese Energy Performance of Buildings Directive (EPBD). De energieprestatie bij BENG wordt bepaald aan de hand van 3 individueel te behalen eisen: • de maximale energiebehoefte in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar (kWh/m2.jr) • het maximale primair fossiel energiegebruik, eveneens in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar (kWh/m2.jr) • het minimale aandeel hernieuwbare energie in procenten (%) De 3 BENG-eisen dienen allemaal te voldoen aan de grenswaarde. De MilieuPrestatie Gebouw (MPG) een belangrijke maatstaf voor de duurzaamheid van een gebouw. De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast.

Hoe lager de MPG, hoe duurzamer het materiaalgebruik. De milieuprestatie van materialen van gebouwen zal een steeds belangrijkere factor worden in de totale milieubelasting van een gebouw. De MPG is een objectief

46

hulpmiddel in het ontwerpproces en het kan gebruikt worden in een Programma van Eisen om het resultaat van een ontwerpproces vast te leggen. De MPG is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning verplicht. Het gaat hierbij om nieuwe kantoorgebouwen (groter dan 100 m²) en om nieuwbouwwoningen. Per 1 januari 2018 geldt voor de MPG een maximum grenswaarde van 1,0. Op 1 juli 2021 wordt de milieuprestatie voor nieuwe woningen (niet voor kantoren) aangescherpt van 1,0 naar 0,8. Het doel is om de eis stapsgewijs scherper te stellen en uiterlijk in 2030 te halveren. Provinciaal beleid De ambitie van de provincie Utrecht is om jaarlijks 10.000 woningen te bouwen, maar wel op een duurzame, toekomstbestendige en energieneutrale manier. Dat betekent zonder uitputting van grondstoffen en zonder uitstoot van CO2 en stikstof. Daarom stelde de provincie samen met onze regionale partners op 8 april 2021 het convenant Duurzame Woningbouw op. In het convenant komen de doelstellingen samen op het gebied van klimaatadaptatie, energietransitie, circulair- en natuurinclusief bouwen, duurzame mobiliteit en een gezonde leefomgeving. Dit convenant helpt steden, provincies, Rijk, bouwbedrijven, kennisinstellingen en koepelorganisaties samen de bouw te verduurzamen. De ambitie is om de bouwsector de drijvende kracht te laten zijn voor de circulaire economie.

Gemeentelijk beleid Ambitie gemeente In het addendum op het collegewerkprogramma is de ambitie vastgelegd om in 2040 klimaatneutraal te zijn. De ambitie is als volgt ingevuld: Op het grondgebied van de gemeente Stichtse Vecht wordt in 2040 evenveel energie duurzaam opgewekt als aan energie wordt verbruikt. Woonvisie 2017-2022 • In de Woonvisie betekent duurzaamheid aandacht voor duurzaam bouwen door het verminderen van de milieubelasting van de woning (energiebesparing), zowel tijdens het bouwproces als daarna. • De gemeente Stichtse Vecht heeft de ambitie bij nieuwbouw NOM-woningen te realiseren. Dit houdt in dat over het hele jaar de opwekking van energie gelijk is aan het totale energieverbruik van een woning. • Wanneer de gemeente zelf geen eigenaar is van de grond, worden ontwikkelaars gestimuleerd duurzame (NOM) ontwikkelingen te initiëren. De gemeente laat de ambitie zwaar wegen bij haar keuze voor een projectontwikkelaar. Afspraken hierover worden vastgelegd in anterieure overeenkomsten. Opties voor verduurzaming: • Zongericht bouwen: Met zongericht bouwen kan de zon optimaal worden benut door vergrote glasgeveldelen een oriëntatie te geven tussen het zuidoosten en zuidwesten. Op deze manier kan de zon in de winter worden gebruikt voor verwarming en kunnen zonnepanelen maximaal opwekken.

Om oververhitting te voorkomen door de invloed van de zon, wordt aan geraden een vaste overstek (zonwering) toe te passen. • Extra isolatie en een uitstekende naad- en kierdichting boven de wettelijke eis. Door in de gehele woning extra isolatie en verbeterde naad- en kierdichting toe te passen, kunnen energieverliezen worden beperkt. Let hierbij vooral op dat geko-

47

•

•

•

zen wordt voor beide, aangezien het rendement van beide stijgt bij gezamenlijke toepassing. Een collectieve bodemwarmtepomp: Een warmtepomp kan als bron gebruik maken van lucht of bodem. Bodem als energiebron heeft een beter rendement. In combinatie met PV-panelen kan de benodigde energie van externe bronnen tot een minimum beperkt worden. Door een collectieve bodemwarmtepomp worden schaalvoordelen benut en kan gebruik worden gemaakt van zonnewarmte waardoor de warmtepomp alleen bij te onvoldoende zonne-energie zal functioneren. Zonnecollector: Een zonnewarmte systeem kan optimaal jaarlijks circa 50% van de warmtapwater behoefte verzorgen. Een combinatie van de zonnecollector met een warmtepomp is ideaal door de structurele verhoging van het rendement van de warmtepomp en hiermee de energiebehoefte van de warmtepomp. PV-panelen: Door elektriciteit duurzaam op de eigen woning op te wekken kan worden bespaard op inkoop en elektriciteit en de energiebelasting.

Toetsing Bij de onderhavige ontwikkeling wordt ook een vrijstaande woning gerealiseerd waarbij rekening wordt gehouden met de verschillende bestaande duurzaamheidsnormen en beleidsstukken, maar de feitelijke toets aan vindt plaats als onderdeel van de omgevingsvergunning voor het bouwen van de woning.

48

Conclusie Het initiatief betreft: − het beëindigen van een veehouderij en daarmee het vervallen van de milieuvergunning; − de sloop van alle niet karakteristieke, overtollige bedrijfsbebouwing aan de Mijndensedijk 49-51 en het behouden van twee bijgebouwen behorend bij de woningen; − het realiseren van een nieuwe woning; − het omzetten van de twee huidige bedrijfswoningen in burgerwoningen. Het initiatief zal juridisch planologisch mogelijk worden gemaakt in het bestemmingsplan ‘Nieuwersluis’. Er is beoordeeld of de ontwikkelingen passen in het beleid van het rijk, de provincie en gemeente. Voorts is gekeken of de ontwikkeling op de locatie passend is en of er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van waarden, functies en belangen in de omgeving. Uit deze afwegingen blijkt dat er geen belemmeringen zijn om het initiatief te realiseren.

49

memo aan:

Rentmeester NVR Register-Taxateur

van:

SAB

c.c.: datum:

7 maart 2023

betreft:

Geuronderzoek Mijndensedijk 49-51, Nieuwersluis

Aan de Mijndensedijk 49-51 in Nieuwersluis ligt een voormalige melkveehouderij met twee bedrijfswoningen. De eigenaren willen het bedrijf beëindigen en de functie van de gronden veranderen in een woonfunctie. De twee aanwezige bedrijfswoningen worden omgezet naar een burgerwoning. Daarnaast wordt de aanwezige overtollige bedrijfsbebouwing gesloopt en middels een ruimte voor ruimte regeling een nieuwe woning gerealiseerd. Hiervoor dient een bestemmingsplanwijziging plaats te vinden. In de omgeving van het plangebied zijn veehouderijen aanwezig. Daarom dient in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en een goede ruimtelijke ordening (Wro) onderzocht te worden of het toevoegen van een geurgevoelig object op de planlocatie mogelijk is, en of ter hoogte van het geurgevoelig object sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. In deze quick scan agrarisch geur wordt geïnventariseerd waar geurgevoelige objecten in de omgeving van het plangebied liggen, en waar mogelijke belemmeringen liggen. In navolgende afbeelding is de locatie weergegeven.

Globale begrenzing plangebied (rood kader) (bron: pdok.nl/viewer)

pagina 1 van 11

NORMEN EN AFSTANDEN In agrarisch geur zijn er twee verschillende invalshoeken die onderzocht moeten worden vanuit de wetgeving. De milieurechten en planologische rechten van de veehouderij. Hiernaast moet het woon- en leefklimaat bij het geurgevoelig object worden vastgesteld. De regelgeving voor wat betreft agrarisch geur staat omschreven in de Wet geurhinder en veehouderij. Voor een beoordeling van het woon- en leefklimaat wordt aangesloten bij de “Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij – Aanvulling: Bijlagen 6 en 7.”

WET GEURHINDER EN VEEHOUDERIJ De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor de geurhinder vanuit veehouderijen bij de beoordeling van aanvragen om vergunning in het kader van de Wet milieubeheer. De Wgv stelt normen aan de geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten en stelt minimale afstanden vast van veehouderijen tot geurgevoelige objecten. Deze normen en afstanden zijn afhankelijk van het type veehouderij, de locatie, waarbij verschillen bestaan tussen zogeheten concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden, en ook tussen binnen en buiten de bebouwde kom. Een geur gevoelig object is een gebouw dat is bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Tuinen vallen dus niet onder de noemer geur gevoelige objecten. In de Wgv wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende geurgevoelige objecten: • • •

Woningen (standaard geurnormen); Bedrijfswoning bij een andere veehouderij (enkel vaste afstanden); Voormalige bedrijfswoning die op of na 19 maart 2000 geen onderdeel meer was van een andere veehouderij (enkel vaste afstanden).

In onderhavige situatie is sprake van twee voormalige bedrijfswoningen die na 19 maart 2000, geen onderdeel meer zijn van een veehouderij. De nieuwe woning wordt een woning conform artikel 14 lid 2 van de Wgv. Voor alle woningen geldt een afstand van 50 meter tot stallen bij andere veehouderijen. Normen en vaste afstanden In de Wgv worden twee soorten dieren onderscheiden. Dieren met een geuremissiefactor en dieren zonder een geuremissiefactor. • Dieren met een geuremissiefactor noemen we Odour Unit-dieren (ou-dieren). Met behulp van de geuremissiefactor kan de geurbelasting van deze dieren op een geurgevoelig object worden berekend. Het totaal aantal dieren en het stalsysteem bepaalt de emissie. • Dieren zonder een geuremissiefactor noemen we vaste afstand dieren (va-dieren). Voor deze dieren geldt een vaste afstand vanaf het emissiepunt van een dierenverblijf tot de gevel van een geurgevoelig object. Deze vaste afstand staat los van het dierenaantal. • Voor alle dieren geldt een minimum afstand van 50 meter binnen de bebouwde kom en pagina 2 van 11

25 meter buiten de bebouwde kom vanaf de gevel van het dierenverblijf tot de gevel van een geurgevoelig object. Wettelijk gelden de onderstaande normen en afstanden. De gemeente Stichtse Vecht is niet gelegen in een concentratiegebied, zodoende zijn in navolgende tabel enkel de normen weergegeven voor ‘niet-concentratiegebieden’. Tabel 1 Normen en afstanden volgens de Wgv

Dieren Ou-dieren Va-dieren Alle dieren

Bebouwde kom Buiten Binnen Buiten Binnen Buiten Binnen

Niet-concentratiegebied 8 ouE/m3 2 ouE/m3 50 m 100m 25 m 50 m

Een gemeente mag gebruik maken van de mogelijkheid die de Wgv biedt om, binnen afgesproken bandbreedtes, af te wijken van de wettelijke normen.

WOON- EN LEEFKLIMAAT Om het woon- en leefklimaat ter plaatse van het geurgevoelig object te beschouwen dient gekeken te worden naar de voorgrond- en achtergrondbelasting. Voor de beoordeling wordt aangesloten bij de “Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij – Aanvulling: Bijlagen 6 en 7.” In deze handreiking is een relatie gegeven tussen de voor- en achtergrondbelasting en de geurhinder weergegeven voor een concentratiegebied en een niet-concentratiegebied. De relaties zijn opgenomen in onderstaande tabellen. Tabel 2 Milieukwaliteitseisen volgens Handreiking Wgv voor een niet-concentratiegebied

Milieukwaliteit Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht

Geurgehinderden [%] <5 5 - 10 10 - 15 15 - 20 20 - 25 25 - 30 30 - 35 > 35

Voorgrondbelasting [ouE/m3] <0.5 0,5 – 1,5 1,5 - 3 3 – 4,5 4,5 – 6,5 6,5 – 8,5 8,5 - 11 > 11

Achtergrondbelasting [ouE/m3] < 1,5 1,5 – 3,5 3,5 – 6,5 6,5 - 10 10 - 14 14 - 19 19 - 25 > 25

Op het gebied van woon- en leefklimaat zijn geen harde eisen. Wel kan een gemeente een minimale milieukwaliteit eisen.

pagina 3 van 11

TOELICHTING EN LOCATIE PLAN Het plangebied is gelegen aan de Mijndensedijk 49-51 te Nieuwersluis, in het buitengebied van de gemeente Stichtse Vecht. Het perceel was voorheen in gebruik als melkveehouderij met twee bedrijfswoningen maar is in de huidige situatie enkel in gebruik als woonlocatie. Bij onderhavig plan worden de bestaande bedrijfswoningen omgezet naar burgerwoningen en wordt een nieuwbouw woning gerealiseerd. In navolgende afbeelding is de inrichtingstekening weergegeven. Het nieuwe bouwvlak waar het nieuwe geurgevoelige object wordt gerealiseerd is aangegeven met nummer 9.

Inrichtingsplan (bron: Son)

LOCATIE IN RELATIE TOT NORMEN EN AFSTANDEN De locatie is gelegen in het buitengebied van de gemeente Stichtse Vecht. De gemeente Stichtse Vecht heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid die de Wet geurhinder en veehouderij biedt om, binnen brandbreedtes, af te wijken van wettelijke normen. De gemeente Stichtse Vecht is niet gelegen in een concentratiegebied. Daarmee gelden de volgende normen en afstanden voor deze locatie: • 8,0 ouE/m3 voor ou-dieren; • 50 meter voor va-dieren;

pagina 4 van 11

OMLIGGENDE VEEHOUDERIJEN De omliggende veehouderijen zijn ten behoeve van onderhavige ontwikkeling op verschillende schalen bekeken: • 2.000 meter; eventueel van invloed voor de achtergrondgeurberekening (ou-dieren); • 500 meter; om te kijken naar de milieurechten en planologische rechten van veehouderijen met ou-dieren (voorgrondgeurberekening, omgekeerde werking); • 100 meter; om te kijken naar de milieurechten en planologische rechten veehouderijen met va-dieren (vaste afstand, omgekeerde werking). Op basis van de verkregen informatie van de gemeente Stichtse Vecht zijn alle veehouderijen in een straal van 2.000 meter rondom de planlocatie in kaart gebracht. Deze bedrijven zijn weergegeven in navolgende tabel. Tabel 4 Overzicht veehouderijen in een straal van 2.000 m rondom het plangebied Nr.

Adres

ou / va-dieren

OUE m3/s

Afstand tot

Mogelijk relevant

plangebied 1

Zandpad 22 Nieuwersluis

2

Zandpad 12 Breukelen

3

Zandpad 25-26 Nieuwersluis

4 5

va

-

740 m

nee

va

-

1.210 m

nee

Ou en va

498,4

850 m

ja

Zandpad 30 Breukelen

ou

522,5

1.830 m

ja

Zandpad 34 Breukelen

Ou en va

234

2.000 m

ja

6

Ter Aaseweg 5 Nieuwersluis

Ou en va

376,4

1.770 m

ja

7

Ter Aaseweg 4 Nieuwersluis

Ou en va

390

1.750 m

ja

8

Rijksstraatweg 7

Ou en va

140,4

880 m

ja

Nieuwersluis 9

Angstelkade 4 Nieuwersluis

Ou en va

156

1.480 m

ja

10

Rijksstraatweg 172 Loenen

va

-

2.000 m

nee

Ou en va

312

1.940 m

ja

Ou en va

117

610 m

ja

va

-

270 m

nee

va

-

160 m

nee

aan de Vecht 11

Rijksstraatweg 168 Loenen aan de Vecht

12

Mijndensedijk 27 Loenen aan de Vecht

13

Rijksstraatweg 47-49 Nieuwersluis

14

Mijndensedijk 57 Nieuwersluis

Omdat tot alle woningen een afstand van 50 meter geldt en de afstand tot alle omliggende veehouderijen meer is dan 100 meter, wordt geen enkele veehouderij belemmerd door onderhavige ontwikkeling. Om een goed woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen is voor de veehouderijen met een geuremissie een geurberekening om de achtergrondbelasting te bepalen uitgevoerd.

pagina 5 van 11

WOON- EN LEEFKLIMAAT In het kader van het woon- en leefklimaat worden twee verschillende aspecten onderscheiden, namelijk de voorgrondbelasting en de achtergrondbelasting. Gezien op onderhavige planlocatie meerdere veehouderijen met ou-dieren binnen 2.000 meter afstand liggen, is een berekening van de achtergrondbelasting uitgevoerd.

ACHTERGRONDBELASTING De achtergrondbelasting levert een verder inzicht in de milieukwaliteit ter hoogte van het plangebied. Hierbij wordt de geuremissie van alle veehouderijen in een straal van 2 kilometer meegenomen, en wordt de geurbelasting ter hoogte van het plangebied berekend. Navolgende figuur toont de ligging van het plangebied (oranje omkaderd) en de veehouderijen ten behoeve van de achtergrondberekening.

Plangebied oranje omkaderd en de veehouderijen met geuremissie binnen 2.000 meter vanaf de planlocatie.

Op elke hoek van de planlocatie is een toetspunt geplaatst, zodoende is er voor 18 toetspunten de geurbelasting berekend. De geurbelasting is weergegeven in navolgende tabel. De resultaten en invoergegevens zijn ook te vinden in de bijlage.

pagina 6 van 11

Tabel 5 Resultaten achtergrondbelasting

Uit de berekening volgt dat de maximale achtergrondbelasting 0,02 ou E/m3 bedraagt. Volgens tabel 3 komt dit overeen met een beoordeling van ‘zeer goed’. Hieruit kan eveneens geconcludeerd worden dat het woon- en leefklimaat vanwege de voorgrondbelasting ook goed is. Een goed woon- en leefklimaat is zodoende aangetoond.

pagina 7 van 11

CONCLUSIE In Nieuwersluis bestaat het voornemen om aan de Mijndensedijk 49-51 de voormalige bedrijfswoningen om te vormen naar burgerwoningen en een nieuwe woning te realiseren. In de omgeving van het plangebied zijn veehouderijen gelegen. Om mogelijke knelpunten op gebied van geur is daarom een quick scan geurhinder uitgevoerd. Uit de quick scan komt naar voren dat wordt voldaan aan de vaste afstand voor dieren zonder vastgestelde geurfactor. Diverse bedrijven hebben dieren waarvoor wel een geurfactor is vastgesteld. Uit de V-Stacks berekening blijkt dat de geurbelasting zodoende laag is dat er sprake is van een zeer goed woon- en leefklimaat. Daarnaast zijn de veehouderijen op geruime afstand gelegen en zijn er reeds bestaande gevoelige objecten aanwezig tussen het plangebied en veehouderijen, de nieuwe ontwikkeling belemmert de omliggende veehouderijen zodoende niet in hun bedrijfsvoering. Geconcludeerd wordt dat het aspect geur, afkomstig van veehouderijen, geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling en dat de ontwikkeling de omliggende veehouderijen niet belemmert in hun bedrijfsvoering.

pagina 8 van 11

BIJLAGE 1

pagina 9 van 11

Invoergegevens:

Receptoren:

pagina 10 van 11

Brongegevens:

Resultaten:

pagina 11 van 11

Quick scan natuur

Nieuwersluis, Mijndensedijk 49/51

Eigen Erve Rentmeesters B.V.

Datum: 01-08-2022 Projectnummer: 220288

INHOUD 1

Inleiding

3

1.1 1.2

Aanleiding Besluitgebied

3 3

2

Wettelijk kader

6

2.1 2.2 2.3

Gebiedsbescherming Soortenbescherming Bescherming houtopstanden

6 7 7

3

Onderzoeksmethode

8

3.1 3.2 3.3

Deskundigheid Definitie product Werkwijze

8 8 8

4

Aanwezigheid beschermde gebieden en soorten

10

4.1 4.2 4.3

Ligging beschermde gebieden Aanwezigheid beschermde soorten Aanwezigheid houtopstanden

10 11 18

5

Effectbeoordeling en advies vervolgtraject

19

5.1 5.2 5.3

Mogelijke effecten op beschermde gebieden Mogelijke effecten op beschermde soorten Mogelijke effecten op beschermde houtopstanden

19 19 21

6

Conclusie

22

6.1 6.2 6.3 6.4

Gebiedsbescherming Soortenbescherming Bescherming houtopstanden Vervolgstappen

22 22 23 23

Geraadpleegde bronnen Bijlage 1. Wettelijk kader

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Aan de Mijndensedijk 49-51 in Nieuwersluis ligt een voormalig melkveebedrijf met twee bedrijfswoningen. De eigenaren hebben het voornemen om het bedrijf te beëindigen en de functie van de gronden te veranderen in een woonfunctie. De twee aanwezige bedrijfswoningen worden omgezet naar een burgerwoning. Daarnaast wordt de aanwezige bedrijfsbebouwing gesloopt en middels een ruimte voor ruimte regeling een nieuwe woning gerealiseerd. Het is verboden bij een ruimtelijke ontwikkeling de natuurwet- en regelgeving te overtreden. Voorliggende rapportage zet door middel van een quick-scan natuur uiteen of met de ruimtelijke ontwikkeling mogelijk sprake kan zijn van het verstoren van beschermde natuurgebieden en beschermde soorten en of nader onderzoek hiernaar noodzakelijk is.

1.2

Besluitgebied

1.2.1

Huidige situatie Het besluitgebied bevindt zich aan de Mijndensedijk in de kern van Nieuwersluis (gemeente Stichtse Vecht, provincie Utrecht). De plaats is gelegen tussen Loenen aan de Vecht en Breukelen. In de omgeving van liggen agrarische gronden en de rivier de vecht. In de nabijheid liggen de natuurgebieden “Oostelijke Vechtplassen” en “Botshol”. De bebouwing in de directe omgeving van het besluitgebied bestaat uit een mix van vrijstaande woningen en boerderijen. Ten oosten, zuiden en westen grenst het besluitgebied aan agrarische gronden. Ten noorden grenst het besluitgebied aan de Mijndensedijk. Navolgende afbeeldingen geven de globale ligging van het besluitgebied weer.

Topografische kaart met de globale ligging van het besluitgebied (rood omcirkeld). Bron: PDOK.

3

Op onderstaande luchtfoto zijn de te slopen gebouwen genummerd om de beschrijving van het besluitgebied te verduidelijken.

1 2

3

Luchtfoto met de globale ligging van het besluitgebied (rood omkaderd). Bron: PDOK.

Op 20 juli 2022 is een veldbezoek uitgevoerd. Het besluitgebied bestaat uit een oude schuur (nummer 1), een schapenstal (nummer 2) en een oude koeienstal (nummer 3). De schuur is opgetrokken uit bakstenen en heeft een zadeldak bestaande uit golfplaten. Ook heeft de schuur metalen gevelbeplating. Het gebouw is ongeveer 8 meter hoog. Het wordt momenteel gebruikt voor opslag. Als laatste is er nog een hooizolder aanwezig. De schapenstal is opgetrokken uit groene panelen en heeft een zadeldak bestaande uit golfplaten. Het gebouw is nog in gebruik als schapenstal. De oude koeienstal is opgetrokken uit bakstenen en groene kunststof panelen. Het gebouw heeft een zadelzak met golfbeplating. Het gebouw is ongeveer 8 meter hoog. Navolgende afbeeldingen geven een impressie van het besluitgebied ten tijde van het veldbezoek.

4

Aanzicht noordzijde van de schuur (1)

Aanzicht zuidzijde van de schuur (1, links) en schapenstal (2, rechts)

Aanzicht westzijde oude koeienstal (3)

1.2.2

Aanzicht oostzijde oude koeienstal (3)

Toekomstige situatie De eigenaren hebben het voornemen om het bedrijf te beëindigen en de functie van de gronden te veranderen in een woonfunctie. De twee aanwezige bedrijfswoningen worden omgezet naar een burgerwoning. Daarnaast wordt de schuur, schapenstal en een oude koeienstal gesloopt en middels een ruimte voor ruimte regeling een nieuwe woning gerealiseerd.

5

2

Wettelijk kader Hieronder staat een samenvatting van het wettelijk kader. Een uitgebreide beschrijving staat in bijlage 1.

2.1

Gebiedsbescherming

2.1.1

Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden Op grond van de Wet natuurbescherming kunnen natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna, door de Minister worden aangewezen ter uitvoering van de Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijn, de zogeheten Natura 2000-gebieden. Ook kan de Minister op grond van deze wet in enkele specifieke gevallen bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen. Bij de aanwijzing van een Natura 2000-gebied worden voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen voor te beschermen soorten en/ of habitats vastgesteld. Het is verboden om zonder vergunning een project te realiseren dat significant negatieve gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Als een plan of project mogelijk negatieve gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, vindt eerst een globale toetsing plaats, de voortoets. Als uit de voortoets blijkt dat er zeker geen negatieve gevolgen zijn, dan kan het betreffende plan worden vastgesteld, of geldt in het geval van een project geen vergunningplicht. Als de kans op significante gevolgen niet kan worden uitgesloten dan moet, conform artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming een passende beoordeling worden gemaakt.

2.1.2

Natuurnetwerk Nederland De Wet natuurbescherming draagt Gedeputeerde Staten op, om in hun provincie te zorgen voor een landelijk ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland. Voor dit netwerk geldt, op basis van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (het Barro), een ‘nee, tenzij’-beschermingsregime. Het bestemmingsplan, of een omgevingsvergunning waarmee van het bestemmingsplan wordt afgeweken, maakt geen ontwikkelingen mogelijk die kunnen leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur, of tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden, tenzij er sprake is van groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn, negatieve effecten zoveel mogelijk worden beperkt en overblijvende negatieve effecten worden gecompenseerd. Provincies dienen deze bescherming te regelen bij provinciale verordening. Daarnaast kunnen provincies bij provinciale verordening andere gebieden met bijzondere natuurwaarden beschermen, genaamd bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. De provincie Utrecht heeft de bescherming van Natuurnetwerk Nederland opgenomen in paragraaf 6.1 van de omgevingsverordening. Naast het NNN kent de provincie Utrecht ook gebiedsbescherming van de Groene Contour, zoals beschreven in artikel 6.7 van de verordening.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/2495/documents/56009