Bijlage 1 BP Oostwaard 9 Maarssen incl. bijlagen.pdf
Tekst van het document
Het kaartnoorden is onder..........................................................................................................43 Figuur 20: Situatie eind 17e eeuw (Specht 1696). Het kaartnoorden is links......44 Figuur 21: Gravure van Oostwaard (Rademaker 1718)......................................44 Figuur 22: Gravure van Oostwaard uit de 18e eeuw (Serrurier 1703).................45 Figuur 23: Buitenplaatsen en kastelen langs de Vecht in 1719 (Stoppendael 1719)......................................................................................................... 46 Figuur 24: Kaart van den nieuwe lande van Utrecht uit 1743 (Bernard de Roy 1743)......................................................................................................... 47 Figuur 25: Kadastrale minuut 1811-1832. Boven in detail; onder overzicht van omliggende percelen met groen = weiland en geel is bouwland (Koornstra 2010).........................................................................................................
48 Figuur 26: Bonnekaart 1868................................................................................49 Figuur 27: Bonnekaart 1908................................................................................50 Figuur 28: Bonnekaart 1910................................................................................51 Figuur 29: Bonnekaart 1926................................................................................52 Figuur 30: Topografische kaart 1948...................................................................53 Figuur 31: Topografische kaart 1970, met daarop de historische hoogtegegevens uit 1969 geprojecteerd (Meetkundige Dienst RWS 1983). Hoogtewaarden in meters ten opzichte van NAP.....................................................................54 Figuur 32: Topografische kaart 1981...................................................................55 Bureau voor Archeologie Rapport 327
Maarssen Oostwaard 9
6 Figuur 33: Topografische kaart 1995...................................................................56 Figuur 34: Recente topografische kaart, situatie zoals op luchtfoto in fig. 7........57 Figuur 35: Archeologische terreinen (rood), waarnemingen (geel) en onderzoeken (blauw) uit ARCHIS (ARCHIS - Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 2015)............................................................................................58 Figuur 36: Detail van de Archis kaart in fig. 35....................................................59 Figuur 37: Advieskaart........................................................................................60
Lijst met Tabellen Tabel 1: Aardkundige waarden............................................................................13 Tabel 2: Bekende waarden tot ca. 500 m van het plangebied.............................19
Bureau voor Archeologie Rapport 327
Maarssen Oostwaard 9
7
Samenvatting Bureau voor Archeologie heeft een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor de realisatie van een landschapsplan op percelen bij het adres Oostwaard 9 te Maarssen. Het onderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de richtlijnen van de KNA, protocollen 4002. In het kader van het onderzoek zijn kaarten, databases en literatuur geraadpleegd om tot een gespecificeerde archeologische verwachting van het gebied te komen. De bodemingrepen zijn reeds uitgevoerd en omvatten het herstel van twee sloten, de aanleg van een poel aan de noordoostzijde, de aanleg van een poel in centrale deel bij de bocht in een sloot en realisatie van groen (voedselbos) langs de randen van het perceel, en het opnieuw uitgegraven van twee gedempte sloten. Voor het landschapsplan zal tot slot een moestuin met heg worden gerealiseerd. Het plangebied ligt in de ArcheoRegio het 'Utrechts-Gelders rivierengebied'. In de ondergrond liggen oever- en beddingafzettingen van de Vecht. Deze afzettingen zijn gevormd in de Late Bronstijd. Oorspronkelijk ligt de top van de oeverafzettingen naar schatting op ongeveer 0,5 m NAP. In de Nieuwe tijd is ongeveer 0,5 m (netto) afgegraven in een groot deel van het plangebied door de baksteenindustrie Eén deel van het plangebied, het grasland ten zuidwesten van de boerderij is vermoedelijk niet vergraven gezien de hoge ligging.
Dit terrein ligt, evenals het erf van Oostwaard 9 ongeveer op 1,5 m NAP en is ca. 1 meter opgehoogd. De ophooglaag houdt waarschijnlijk verband met de aanwezigheid van het versterkte huis Oostwaard uit de Late Middeleeuwen. Waarschijnlijk zijn door de huidige grondwerkzaamheden geen archeologische waarden verstoord aangezien de graafwerkzaamheden plaatsvonden in de afgevlette weilanden. Het voedselbos is deels aangelegd op een (nieuwe) aarden wal, eveneens grotendeels in het gebied dat reeds is afgegraven. Het voedselbos is ook aangelegd in het gebied waar mogelijk wel archeologische resten aanwezig zijn. De kleine boomstekken zijn met een handboor geplaatst, waardoor verstoring van eventuele archeologische waarden gering is. Wel kan door wortelgroei in de toekomst schade optreden. Over de relatie tussen wortelgroei en onherstelbare schade aan archeologie zijn echter geen gegevens bekend. Er zijn vermoedelijk geen archeologische waarden verstoord. Bureau voor Archeologie adviseert geen nader archeologisch onderzoek uit te voeren. Dit onderzoek is met grote zorgvuldigheid uitgevoerd. Eventuele archeologische resten is men verplicht te melden bij de Minister van OCW in overeenstemming met artikel 53 van de Monumentenwet uit 1988. In dit geval wordt aangeraden om contact op te nemen met de gemeente Stichtse Vecht.
Bureau voor Archeologie Rapport 327
Maarssen Oostwaard 9
8
1
Inleiding Bureau voor Archeologie heeft een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor de realisatie van een landschapsplan op de percelen bij het adres Oostwaard 9 te Maarssen. In het plangebied heeft een ontwikkeling plaatsgevonden waarvoor een omgevingsvergunning moeten worden aangevraagd. In het gebied geldt een vastgesteld archeologisch beleid.1 Op de archeologische beleidskaart ligt het plangebied grotendeels in een zone met een hoge archeologische verwachting en deels in een AMK terrein, niet beschermd (fig. 2). Voor zones met hoge verwachting geldt dat voor bodemingrepen over een oppervlak groter dan 500 m2 en dieper dan 30 cm archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Voor zones in AMK terreinen geldt dat voor alle bodemingrepen archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Het plangebied is het gebied waarin bodemingrepen zijn gerealiseerd. De oude en nieuwe situatie staan weergegeven in fig. 4. De bodemingrepen hebben plaatsgevonden ten noorden en westen van het erf aan de Oostwaard 9 te Maarssen. Het plangebied heeft een oppervlak van ca. 67.730 m2, zie fig. 3. De beoogde ontwikkeling heeft geleid tot een bodemverstoring tot maximaal 1,5 m. Hiermee overschrijdt het plan de vrijstellingscriteria en geldt de verplichting om een onderzoek op de locatie uit te voeren. Het onderzoeksgebied is een zone met straal van circa 500 m om de ontwikkeling heen.
Het onderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA versie 3.3).
1.1
Doelstelling en vraagstelling Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting zodat een beslissing genomen kan worden over hoe met eventuele archeologische waarden rekening moet worden gehouden bij de voorgenomen werkzaamheden. De volgende onderzoeksvragen zijn in dit onderzoek gebruikt: • Waaruit bestaan de bodemingrepen? • Wat is de landschappelijke ligging van het plangebied in termen van geomorfologie, geologie en bodemkunde? • Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring? • Zijn er (aanwijzingen voor) archeologische waarden in het plangebied aanwezig, en zo ja, wat is naar verwachting de omvang, ligging, aard en datering hiervan? • Indien er (mogelijk) archeologische waarden aanwezig zijn:
1 (De Boer e.a. 2010) Bureau voor Archeologie Rapport 327
Maarssen Oostwaard 9
9 • Zijn deze archeologische waarden verstoord door de uitgevoerde bodemingrepen? Zo ja, op welke wijze? • Indien mogelijk archeologische waarden zijn verstoord: Welke vorm van archeologisch onderzoek kan worden uitgevoerd om de archeologische waarden in kaart te brengen?
Bureau voor Archeologie Rapport 327
Maarssen Oostwaard 9
10
2
Bureauonderzoek
2.1
Methode Het bureauonderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de richtlijnen van de KNA 3.3, protocol 4002.2 In het kader van het onderzoek zijn kaarten, databases en literatuur geraadpleegd om tot een gespecificeerde archeologische verwachting van het gebied te komen. Eerst wordt het plan- en onderzoeksgebied vastgesteld en het onderzoek gemeld bij ARCHIS. Daarna wordt achtereenvolgens de aardkundige, archeologische en historische context van het te onderzoeken gebied bestudeerd. Deze gegevens leiden tot het opstellen van een gespecificeerde verwachting. In de gespecificeerde verwachting worden de mogelijk aanwezige archeologische waarden beschreven in termen van onder meer de diepteligging, omvang, ouderdom en conservering. Genoemde stappen leidden tot onderhavig rapport en het openbaar maken van de resultaten bij Archis en het e-Depot voor de Nederlandse Archeologie.3 In de hierna volgende hoofdstukken worden de belangrijkste onderzoeksgegevens gepresenteerd. Van alle afgebeelde kaarten is het noorden boven, tenzij anders aangegeven.
2.2
Huidige situatie en beoogde ingreep Het plangebied ligt in de gemeente Stichtse Vecht, in de plaats Maarssen, aan het adres Oostwaard 9. Het adres ligt op de rechteroever van de Vecht, ten oosten van sportvelden van Hockey Club Maarssen en ten zuiden van de Zuilense Ring (N230), onderdeel van de Ring Noord van Utrecht. Het plangebied beslaat de percelen grasland rondom het boerenerf op het adres (fig. 3) en is 67.730 m2 groot. Voor de percelen is een landschapsinrichtingsplan opgesteld dat grotendeels is uitgevoerd. De gerealiseerde ingrepen zijn de volgende (fig. 4, met daarin nummers met werkzaamheden): •
1: Aanleg van een poel aan de noordoostzijde. Deze poel is ongeveer 850 m2 groot en heeft een schuine oever die tot 1,5 m diep doorloopt.
•
2: Aanleg van een poel in centrale deel bij de bocht in een sloot. Deze poel is ongeveer 100 m2 en heeft een schuine oever die tot 0,5 m diep doorloopt.
•
3: Realisatie van groen (voedselbos) langs de randen van het perceel. Dit groen beslaat een oppervlak van ongeveer 18.000 m2. Het zijn kleine boomstekken die met een gatenboor zijn geplant, grotendeels op een recent opgeworpen aarden wal (zie verder), zie fig. 5.
Behalve deze ingrepen zijn ook herstelwerkzaamheden uitgevoerd m.b.t. enkele sloten: dit betreft 2 (CCvD 2013) 3 (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en Data Archiving and Networking Services) Bureau voor Archeologie Rapport 327
Maarssen Oostwaard 9
11 •
4: De sloot aan de noordzijde van de percelen, haaks op de Zuilense Ring. De sloot, aanwezig in 2010, zie fig. 6 is na de reconstructie van de nabijgelegen afslag aan de Ruilense Ring gedempt (fig. 7). Een jaar geleden is dezelfde sloot weer uitgegraven (fig. 8). Met de grond van de uitgegraven sloot is een aarden wal gemaakt tussen de graslanden en de Zuilense Ring (fig. 8). Op hoogte-reliëfkaarten van het AHN2 uit 2008 en AHN3 uit 2014 zijn de verschillen goed zichtbaar (fig. 9 en 10).
•
5: De sloot achter (ten noorden van) de boerderij is tussen 2008 en 2014 weer uitgegraven. Deze was dicht gezakt en volgestort met landbouwafval. De verschillen en oude en nieuwe situatie worden ook inzichtelijk uit het verschil tussen de twee hoogte-reliëfkaarten in fig. 9 en 10.
Tot slot is de realisatie van een moestuin met heg voorzien (nr. 6). De wijze waarop deze wordt aangelegd is afhankelijk van de resultaten van dit bureauonderzoek.
2.3
Aardkunde De aardkundige gegevens staan samengevat in tabel 1. Het plangebied ligt in de NOaA regio Utrechts-Gelders rivierengebied.4 Het pleistocene oppervlak ligt op ongeveer -3 m NAP.5 De pleistocene afzettingen bestaan uit dikke pakketten zand en grind die de voorgangers van de Rijn aan het begin en in het midden van het Pleistoceen hebben achtergelaten. Aan het einde van het Pleistoceen zijn deze bedekt geraakt met windafzettingen (dekzand). Vanaf het begin van het Holoceen, ongeveer 10.000 v. Chr. verandert het klimaat: het wordt warmer en vochtiger. Sindsdien vormt zich een grote delta waarin rivieren zich door een laag en nat gebied een weg banen naar zee. Door de ondiepe ligging van het dekzand nabij Utrecht kunnen zich hier zeer brede beddinggordels vormen.6 Het plangebied ligt op bedding- en oeverafzettingen van het Angstel-Vecht systeem (fig. 11, 12 en 13). Het AngstelVecht systeem ontstaat ongeveer 1100 v. Chr. (2857 BP) door een avulsie uit de Oude Rijn en stroomt in noordelijke richting tot aan circa 100 n. Chr. (1877 BP). De eerste fase wordt de Oud-Aa beddinggordel genoemd.7 Vanaf de Romeinse tijd concentreert de afwatering zich in de geul van de Vecht (beddinggordel 168), die ook nu nog bestaat. Bij de vorming van de beddinggordel is het onderliggende dekzand geërodeerd.
In 1122 wordt de Kromme Rijn – waaruit de Vecht haar rivierwater ontvangt – bij Wijk bij Duurstede afgedamd. Sindsdien doet ook de Vecht vrijwel alleen nog dienst voor regenwater afvoer. In de rivierafzettingen hebben zich kalkhoudende poldervaaggronden ontwikkeld, een gebruikelijk bodemtype in dit soort landschappelijke eenheden (fig. 14). De terreinvorm staat als rivier-inversierug (3K26) én als storthoop, opgehoogd of opgespoten terrein (4F12) gekarteerd (fig. 15). De laatste legenda eenheid is vermoedelijk een karteringsfout. Ten zuiden van het plangebied is wel een zuiveringsinstallatie gevestigd (geweest). Daar lag een wel storthoop, maar deze is waarschijnlijk ten onrechte in noordelijke richting 'vergroot' op de geomorfologische kaart. 4 5 6 7
(Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) (Rijks Geologische Dienst 1988) (Berendsen 1982) (Cohen e.a. 2012)
Bureau voor Archeologie Rapport 327
Maarssen Oostwaard 9
12 Op de Limeskaart van Van Dinter ligt het plangebied in de zone 'Natural levels', 'high' en 'moderately high' (fig. 17). Het maaiveld in de weilanden ten noordwesten van het boerenerf ligt grotendeels tussen 0 en 0,2 m NAP (fig. 16). Op de hoogte-reliëfkaart zijn twee langgerekte hoogtes zichtbaar (0,6 tot 0,7 m NAP). De meest oostelijke langgerekte hoogte is kaarsrecht en vermoedelijk van antropogene oorsprong. De andere langgerekte hoogte is gekromd en mogelijk veroorzaakt door wisselingen in de natuurlijke bodemgesteldheid. In en bij het plangebied zijn twee archeologische onderzoeken verricht waaruit voor het plangebied relevante bodemgegevens kunnen worden herleid: Bij een archeologische begeleiding op het erf van Oostwaard 9 zijn profielwanden gedocumenteerd en zijn aan de zuidkant van de boerderij enkele boringen geplaatst.8 Vanaf het maaiveld is daar een recent opgebrachte laag aanwezig (gazon/tuin) bestaande uit een donkerbruingrijze sterk zandige, humeuze klei. In twee boorprofielen zijn onder deze lagen (ophogings)lagen aanwezig die mogelijk behoren tot een oudere fase van bewoning. Onder deze antropogene lagen zijn in alle boorprofielen de natuurlijke, fluviatiele afzettingen van de Vecht aangetroffen. Deze bestaan direct onder de ophogingslagen uit een lichtbruingrijze, uiterst siltige klei, geïnterpreteerd als oeverafzettingen van de Vecht stroomgordel.
In de top van deze natuurlijke afzettingen is in boorprofielen 1 (inpandig) en 5 (ten zuiden van de boerderij) een 10 tot 15 cm dikke donkergrijze, ontkalkte vegetatiehorizont met enkele houtskool- en puinspikkels aanwezig. De top hiervan ligt tussen 0,23 en 0,52 m NAP. De basis ligt tussen 0,03 en 0,42 m NAP. Deze laag vormt een (restant van de) oorspronkelijke top van de oeverafzettingen, waarin door langdurige ligging aan het oppervlak bodemvorming is opgetreden. In principe kunnen hierin archeologische resten vanaf de Late IJzertijd aanwezig zijn. De auteurs concluderen in hun onderzoek dat op basis van de putprofielen afgeleid kan worden dat de vegetatiehorizont oorspronkelijk dikker is geweest en de top ruim één meter hoger lag. Echter, in putprofiel 101 is de betreffende laag ongeveer 24 cm dik en in profiel 104 is de laag 20 cm dik.9 De top van de vegetatiehorizonten in de putprofielen ligt op ca. 1,5 m NAP. Dit is op of boven het maaiveld van het erf rondom de boerderij (sec), en boven de ophogingspakketten van de boorprofielen in de tuin. Daarnaast zijn de waarnemingen van de profielen en boring 1 dicht bij elkaar gedaan, nl. in dezelfde werkput, vermoedelijk binnen enkele meters.
Omdat het onwaarschijnlijk is dat dezelfde vegetatiehorizon zich manifesteert over een dergelijke korte afstand met zulke hoogteverschillen, en de absolute hoogteligging nogal onwaarschijnlijk is, wordt geconcludeerd dat de hoogtebepalingen waarschijnlijk niet correct zijn. De waarnemingen van de vegetatiehorizonten in de putprofielen wordt daarom verder niet gebruikt. Uit dit onderzoek blijkt eveneens dat bij de historische boerderij de top van de beddingafzettingen tussen 0,32 m NAP (hun boring 1) en -0,97 m NAP (hun boring 6) ligt. Uit archeologisch onderzoek ten noorden van het plangebied, dat is uitgevoerd voor de reconstructie van de afslag bij de Zuilense Ring, blijkt dat de top van de 8 (Wink en Viersen 2016) 9 (Wink en Viersen 2016) bijlage 4, pagina 63, profiel 101, spoor 1001 Bureau voor Archeologie Rapport 327
Maarssen Oostwaard 9
13 beddingafzettingen ondieper ligt naarmate de afstand naar de Vecht afneemt.10 De top ligt tussen -0,9 m NAP (200 m van de Vecht) en -0,5 m NAP (60 m van de Vecht).11 De hoogteligging op basis van het AHN, gegevens van de boringen in deze twee onderzoeken aangevuld met een boorprofiel van Dinoloket zijn samengevat in een schematische doorsnede in fig. 18. Hieruit komt het beeld naar voren dat de hoogteverschillen in het plangebied waarschijnlijk zijn veroorzaakt door een combinatie van ophogen en afgraven. Het oorspronkelijke maaiveld lag waarschijnlijk op ongeveer 0,5 m NAP; dit is de basis van het ophoogpakket op het perceel van Oostwaard 9. Het ophoogpakket is ongeveer één meter dik, zo blijkt uit de profielen. De weilanden ten noorden hiervan zijn dan maximaal 0,5 m afgegraven ten behoeve van de baksteenindustrie (zie volgende paragraaf). Vermoedelijk zijn de weilanden nog verder afgegraven en later weer opgehoogd gezien de verplichting om gronden na het afgraven weer bruikbaar te maken. De vondst van munten en pijpekoppen wijst erop dat de weilanden na 1760 zijn opgehoogd (zie par. 2.4). De vegetatiehorizont ligt volgens het booronderzoek bij boerderij Oostwaard tussen 0,03 en 0,42 m NAP; deze laag is in de weilanden dus grotendeels afgegraven.
In BISNederland staan geen bodemprofielen in het plangebied geregistreerd.12 In het bodemloket staan geen verontreinigingen, verdachte activiteiten of saneringen geregistreerd.13 Bron
Situatie plangebied, omschrijving
Geologie (fig. 11, 12 en 13)14
Geologie: D0g: geulafzettingen of oeverafzettingen op geulafzettingen. Df0g: geulafzettingen of oever- op geulafzettingen, op Hollandveen evt. met een inschakeling van afzettingen van Calais dunner dan 1 m. Beddinggordels: Oud-Aa: actief van 2857 tot 1877 BP. De top van de zandige beddingafzettingen ligt tussen -3 en -3 m NAP. Vecht (Utrechtse Vecht): actief van 2300 tot 828 BP. De top van de zandige beddingafzettingen ligt tussen 0 en -0.5 m NAP.
Bodemkunde (fig. 14)15
Kalkhoudende poldervaaggronden in lichte zavel (Rn15A).
Geomorfologie (fig. 15)
16
Rivier-inversierug (3K26), Storthoop, opgehoogd of opgespoten terrein (4F12).
AHN (fig. 9, 10 en 16)
Het maaiveld van het plangebied ligt tussen 0 en 0,7 m NAP in de meeste weilanden. Het weiland ten zuiden van het boerenerf ligt (net zoals het boeren erf) op ongeveer 1,5 m NAP.
Limeskaart17
Natural leveel, high and moderately high.
Tabel 1: Aardkundige waarden.
10 (Wilbers 2008) 11 (Wilbers 2008), onderzoek 31.147 12 (Alterra Wageningen UR 2012) 13 (Rijkswaterstaat Ministerie van Infrastructuur en Milieu) 14 (Rijks Geologische Dienst 1988; Cohen e.a. 2012) 15 (Stichting voor Bodemkartering 1970; Alterra Wageningen UR 2012) 16 (De Lange e.a. 1969; Alterra 2004) 17 (Van Dinter 2013) Bureau voor Archeologie Rapport 327
Maarssen Oostwaard 9
14
2.4
Bewoning en historische situatie Tot aan het ontstaan van het Angstel-Vecht systeem in de Late Bronstijd is het gebied onderdeel van een veenmoeras waarin permanente bewoning waarschijnlijk niet voorkomt. Daarna is bewoning op de oevers van de Vecht mogelijk. Dat in de IJzertijd daadwerkelijk op de oevers van de Vecht is gewoond wordt geïllustreerd door vondsten uit die tijd in bijvoorbeeld Baambrugge of Abcoude. Botanisch onderzoek laat zien dat in de Late IJzertijd granen en mogelijk hop worden verbouwd op de oeverwallen van de Angstel en de Winkel.18 In de Romeinse tijd bouwen de Romeinen castellum Trajectum in het latere Utrecht, vijf kilometer zuidelijk van het plangebied. In 1122 wordt de Vecht met het afdammen van de Kromme Rijn een rustige rivier die zelden nog overstroomt, mede doordat ook dijken worden aangelegd. De naam Oostweerd komt voor het eerst voor rond 1200. Dan schenkt Frenkinna, de weduwe van Wilhelm van Scalcwijc 113 pond aan de Stevensabdij in Oudwijk. De abdij koopt hier o.a. land in „Oostwerde‟ mee aan. In 1217 stelden bisschop Otto en Paus Honorius III het „convent van Oudwijk‟ onder hun bescherming.
Bij beide gelegenheden werd Oostwaard onder de abdijgoederen genoemd.19 Oostwaard was een klein gerecht van 112 morgen groot en werd aan drie zijden begrensd door de Vecht en aan de oostzijde door de Zogwetering.20 Mogelijk is de woonplaats een versterkte boerderij (wel moated site, of begraven hofstede) geweest.21 Begraven hofstedes zijn vooral bekend uit de 14e tot 16e eeuw. De begraven hofstede heeft elementen van verdedigbaarheid, zoals een muur en een omgrachting (vandaar de term begraven). Een hofstede is echter niet goed verdedigbaar. De bewoners van een hofstede waren voornamelijk lage edelen die met agrarische of commerciële activiteiten (zoals kleiwinning) moesten rondkomen. De oudste funderingen die zijn aangetroffen bij bouwhistorisch en archeologisch onderzoek op de locatie van boerderij Oostweerd stammen uit de 13e eeuw en zijn dus in lijn met de oudste vermeldingen van de plaats.22 Bij dit onderzoek zijn geen overtuigende aanwijzingen voor de aanwezigheid van een gracht gevonden (één boring met mogelijke gracht- of greppelvulling). Bij geofysisch en booronderzoek onderzoek uit 1990 op het erf werd vastgesteld: “Ten zuiden van de boerderij treffen we geen sporen aan, behalve mogelijk nog een stukje van een gracht vlak bij de boerderij. [..] In het westen en noorden vormt een sloot waarschijnlijk een overblijfsel van de gracht.
In het noordelijke deel liggen waarschijnlijk ook muurresten en zijn er grachtvullingen aangeboord.”23 De beschikbare documentatie maakt echter niet goed duidelijk wat precies waar is gevonden en maakt een (gedeeltelijke) reconstructie van de gracht niet mogelijk. De oudste kaart waarop het plangebied goed herkenbaar is, is een gravure van Jacob Colom uit 1651 (fig. 19). Hierop zien we de woonplaats 'Oost Weert' aan de oever van de Vecht. De bebouwing lijkt op die van een boerderij met bijgebouwen. Ten noorden van de boerderij bevindt zich een groot vrijwel 18 (Bouma 2011) 19 (Vera 2001) 20 Een morgen is een oude oppervlakte maat waarmee een stuk land wordt aangeduid dat in één morgen kon worden geploegd. 21 (Bous en Estourgie 2007) 22 (Wink en Viersen 2016) 23 (Van der Graaf, Datema, en Anderson 1990) Bureau voor Archeologie Rapport 327
Maarssen Oostwaard 9
15 onverkaveld gebied, vermoedelijk bouwland. Ten oosten van Oost Weert bevinden zich langgerekte kavels behorende tot de ontginning van Maarseveen. De kleinschaligere kaarten van “Caerte van de Vryheyd der Stadt Utrecht” uit 1696, de kaart met buitenplaatsen en kastelen langs de Vecht uit 1719 en “de Kaart van den Nieuwe lande van Utrecht” uit 1743 geven steeds hetzelfde beeld (fig. 20, 23 en 24). Uit begin 18e eeuw bestaan twee gravures (waarvan verschillende copieen in omloop zijn), waarop of een kasteel-achtig bouwwerk zichtbaar is, en een boerderij (fig. 21 en 22). Het vermoeden bestaat dat de kasteel-variant fantasie is. Vanaf de dertiende eeuw wordt langs de Vecht steen gebakken (kloostermoppen). De grondstof wordt direct langs de rivier gewonnen. De uiterwaarden bij Maarssen en Zuilen waren zeer geschikt om af te tichelen.24 In deze eerste periode vond het aftichelen vermoedelijk alleen op kleine schaal plaats. In de 17e eeuw neemt het aantal steenovens toe onder invloed van de industrialisatie.25 In 1738 richt Jan Sluys een steenoven op in Oostwaard. In 1754 bestond steenoven de IJsvogel 900 meter noordelijk van Oostwaard.26 Verondersteld wordt dat in deze tijd een groot deel van de kleiige oevers van de Vecht worden afgegraven.
In 1781 geven de gebroeders Arnoldus (70 jaar) en Dirk de Haas (67 jaar) een beschrijving van de situatie van het afgevlette land van Oostwaard. Ze beschrijven dat het land vroeger allemaal 'Hooge Bouwand' was en zonder sloten en op de Vecht afwaterde, maar dat het 'thans is afgevlet en tot weijland is gelegt, en daar in slooten zijn gegraven'.27 Deze nieuwe sloten waterden af via de Zogwetering in het oosten. Na het afgraven van de gronden was degene die dit recht gekocht had verplicht om de gronden weer op te hogen, zodat de boeren het als grasland konden gebruiken.28 De historische vereniging heeft in 1986 een Landesaufname bij Oostwaard gedaan. Hierbij zijn veel munten en pijpekoppen gevonden. Hieruit wordt de conclusie getrokken dat de ophoging van het landschap voornamelijk plaats vond rond 1760.29 Begin 19e eeuw is direct ten noorden van het erf van de boerderij een groot deel nog in gebruik – het zal dus waarschijnlijk (nog) niet zijn afgevlet (fig. 25). Echter, veel andere percelen zijn dan al in gebruik als weiland. In 1868 is het merendeel van het plangebied in gebruik als weiland (fig. 26) en in 1908 is alles weiland (fig. 27). Op de kaarten van 1910 en 1926 staat langs een sloot ten noordoosten van de boerderij, die in 1908 ook al bestond, een signatuur met korte haakse lijnen (schrapjes).
Wilbers (2008) interpreteert dit als 'steilrand' en stelt dat de percelen oostelijk van deze lijn vanaf die periode zijn afgegraven. De legenda van de Bonnekaart is niet eenduidig, echter de interpretatie dat het signatuur een (opgeworpen) kade is lijkt aannemelijker. De signatuur, inclusief de naastgelegen 24 http://www.regiocanons.nl/utrecht/noordwest/steenbakkerijen 25 (Blijdenstijn 2007) 26 (Ostkamp 1754) 27 (Van Sommeren 1781) 28 (Koornstra 2010) 29 (Witte 1986; Koornstra 2010) De gegevens van de veldkartering zijn niet beschikbaar – navraag bij de Historische Vereniging Maarssen heeft (nog) geen resultaat opgeleverd. Bureau voor Archeologie Rapport 327
Maarssen Oostwaard 9
16 sloot, ontbreken op de topografische kaarten van 1948 en later (fig. 30 tot en met 33). De (vermoedelijke) kade is nog wel herkenbaar op actuele hoogtereliëfkaarten (fig. 16; “langgerekte hoogte 1”). Mogelijk is de kade opgeworpen in het kader van peilbeheer, en is deze later weer overbodig geworden en (grotendeels) verwijderd. Op de topografische kaart van 1970 zijn de hoogtemetingen uit die periode geprojecteerd (historisch hoogtepunten bestand, fig. 31). Uit vergelijking met deze hoogtes en de actuele hoogtes in fig. 16 blijkt dat de hoogteligging vergelijkbaar is en dat in deze periode geen grootschalige ontgrondingen of ophogingen hebben plaatsgevonden.
2.5
Bekende archeologische en ondergrondse bouwhistorische waarden Archeologische terreinen, waarnemingen en onderzoeksmeldingen staan weergegeven in fig. 35 en 36, en staan toegelicht in tabel 2. Het plangebied ligt gedeeltelijk in een archeologisch terrein met sporen van het versterkte huis Oostwaard (monument 1.986). Op dit terrein heeft twee keer archeologisch onderzoek plaatsgevonden waarmee de oorsprong van de bebouwing op het terrein in de Late Middeleeuwen is bevestigd (alleen het recentste onderzoek is gemeld in ARCHIS: 58.819).30 De aard en omvang van de bebouwing zijn echter nog steeds onduidelijk, met name of resten van het terrein inclusief eventuele grachten doorlopen in westelijke richting, in het nu onbebouwde maar hooggelegen weiland naast de huidige boerderij. Honderd meter zuidelijk van het adres Oostwaard 9 heeft ook archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Het betreft twee booronderzoeken en een opgraving/begeleiding (waarneming 50.061 en 400.287, onderzoeken 9.456 en 9.689). Het grootste deel is alleen onderzoek door middel van boringen en is op grond van de aanwezige bodemverstoringen vrijgegeven. De zuidelijke rand van het AMK terrein is na booronderzoek onderzocht met een opgraving. Er bleek een kronkelwaardgeul en een akkerlaag aanwezig met laatmiddeleeuws vondstmateriaal.
De onderzoekers hebben aanbevolen de status van het AMK terrein van hoge waarde in het onderzochte gebied op te heffen. In 2004 zijn op de zuidelijke grens van het huidige onderzoeksgebied, tegen het onderzochte gebied aan, toch stenen funderingen aangetroffen bij een ontgronding. De funderingen dateren mogelijk in de Late Middeleeuwen (waarneming 403.040). Bron
Omschrijving
Archeologische terreinen
1.986 - Stichtse Vecht - Oostwaard; Vecht - Terrein van hoge archeologische waarde Terrein met sporen van een versterkt huis. Hoewel aan de oppervlakte niet zichtbaar zijn in de bodem resten van dit huis aanwezig. De huidige boerderij is gebouwd op oudere fundamenten. Mogelijk was het een omgrachte boerderij. Waarschijnlijk dateert het uit de 17e eeuw.
Waarnemingen
26.248 - Oud-Zuilen - Boerderij Oostweert Bij zandzuigwerkzaamheden in een vechtbocht tussen Zuilen en Maarssen (tegenover de 'kininefabriek') zijn allerlei voorwerpen gevonden, waaronder een ijzeren zwaard. Het zwaard is 90 cm lang, tweesnijdend met een inzinking aan beide kanten, die vrijwel tot het
30 (Van der Graaf, Datema, en Anderson 1990; Wink en Viersen 2016) Bureau voor Archeologie Rapport 327
Maarssen Oostwaard 9