Bijl. 4 BP_10274 Toetsing Wnb Kassencomplex Tienhoven 10042020.pdf
Tekst van het document
Westbroekse Binnenweg tussen 86d en 88 te Tienhoven Concept
27
geplande woningen zal er wederom sprake zijn van geluid, echter vindt er geen bedrijfsvoering meer plaats. Het geluid zal met name zijn van verkeer en aanwezigheid van de bewoners. Verlichting van het kassencomplex is reeds afwezig. De woningen zullen verlichting uitstralen en verwacht wordt dat rond de woningen verlichting zal worden geplaatst. Door de aanwezige weg met straatverlichting, bungalowpark, bosrand en aanwezige huizen, worden geluid-, licht en optische verstoringen opgevangen door de omgeving. Hierdoor is er geen sprake van negatieve (en zeker geen significante negatieve) effecten van de geplande ontwikkeling in de gebruiksfase (bewoning van de woningen) voor instandhouding van de gekwalificeerde habitatsoorten.
6.2.3 Broedvogels Met betrekking tot de broedvogels zijn aan de Oostelijke Vechtplassen 9 broedvogelsoorten aangewezen: ▪ Roerdomp ▪ IJsvogel ▪ Woudaapje ▪ Snor ▪ Purperreiger ▪ Rietzanger ▪ Porseleinhoen ▪ Grote karekiet ▪ Zwarte stern Zie Bijlage 3 voor nadere informatie van de staat van instandhouding en doelstellingen. Het plangebied ligt op circa 300 meter van Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen. Het tussenliggende gebied bestaat uit weilanden met sloten, woningen met erven, een bungalowpark en openbare wegen met straatverlichting. Voor alle broedvogels geldt dat zij in meer en mindere mate gevoelig zijn voor verstoringen als oppervlakte verlies, versnippering, chemische effecten, optische verstoring en/of verstoring door geluid, licht en/of mechanische effecten. Geen van de broedvogels is gevoelig voor verstoring in de vorm van trilling. Effecten aanlegfase De geplande ontwikkeling vindt plaats binnen de grenzen van het plangebied. Doordat de afstand tot het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen 300 meter is, is er geen sprake van verlies aan oppervlakte, sprake van versnippering of door mechanische effecten als betreding van het natuurgebied. Er worden beperkt werkzaamheden aan de oevers en watergangen rondom het plangebied uitgevoerd; slechts de buitenzijde van de zoneweiden worden vergraven tot natuurvriendelijke oevers.
Er is geen sprake van verstoring door chemische effecten via water. Ook wordt geschikt leefgebied van de soorten niet aangetast maar juist verbeterd. De nieuwe woningen worden op palen gefundeerd, wat trillingen veroorzaakt. De mate van trilling is afhankelijk van de keuze de fundatie door middel van heien of bijvoorbeeld door schroefdraaien uit te voeren; heien veroorzaakt meer trilling dan schroefdraaien. Geen van de kwantificeerde broedvogels zijn gevoelig voor verstoring in de vorm van trilling. Met de aanlegfase zijn daarom negatieve effecten in de vorm van trilling op de instandhoudingsdoelstellingen van de broedvogels uit te sluiten.
Westbroekse Binnenweg tussen 86d en 88 te Tienhoven Concept
28
Bij het bouwen van de woningen worden machines ingezet. In de huidige situatie is er geen sprake van verkeer in het plangebied. Voorheen, toen het kassencomplex in gebruik was, was er sprake van geluid en licht in het gebied en verkeersbewegingen van en naar het gebied. Daardoor was er sprake van geluid, licht en verstoring door verkeer rondom het natuurgebied. In de aanlegfase kan dit toenemen. Echter door de aanwezige weg met straatverlichting, bungalowpark, bosrand en aanwezige huizen, de afstand tot het Natura 2000-gebied en de tijdelijke aard van de werkzaamheden, worden de geluid-, licht en optische verstoringen opgevangen door de omgeving. Hierdoor is er geen sprake van negatieve (significante) effecten van de geplande ontwikkeling tijdens de aanlegfase (bouw van de woningen) voor instandhouding van de gekwalificeerde broedvogelsoorten. Effecten gebruiksfase De geplande ontwikkeling vindt plaats binnen de grenzen van het plangebied. Doordat de afstand tot het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen 300 meter is, is er geen sprake van verlies aan oppervlakte, sprake van versnippering of door mechanische effecten als betreding van het natuurgebied. Ook wordt geschikt leefgebied van de soorten niet aangetast. In de huidige situatie is reeds sprake van optische verstoring door het bestaande kassencomplex.
Toen het kassencomplex nog in gebruik was, was er in het plangebied sprake van geluid door dagelijkse werkzaamheden, verkeersbewegingen en licht vanuit het kassencomplex. Met de geplande woningen zal er wederom sprake zijn van geluid, echter vindt er geen bedrijfsvoering meer plaats. Het geluid zal met name zijn van verkeer en aanwezigheid van de bewoners. Verlichting van het kassencomplex is reeds afwezig. De woningen zullen verlichting uitstralen en verwacht wordt dat rond de woningen verlichting zal worden geplaatst. Door de aanwezige weg met straatverlichting, bungalowpark, bosrand en aanwezige huizen, worden geluid-, licht en optische verstoringen opgevangen door de omgeving. Hierdoor is er geen sprake van negatieve (en zeker geen significante negatieve) effecten van de geplande ontwikkeling in de gebruiksfase (bewoning van de woningen) voor instandhouding van de gekwalificeerde habitatsoorten
6.2.4 Niet-broedvogels Met betrekking tot de niet-broedvogels zijn aan de Oostelijke Vechtplassen 8 nietbroedvogelsoorten aangewezen: ▪ Aalscholver ▪ Slobeend ▪ Kolgans ▪ Tafeleend ▪ Grauwe gans ▪ Nonnetje ▪ Smient ▪ Krakeend Zie Bijlage 3 voor nadere informatie van de staat van instandhouding en doelstellingen.
Westbroekse Binnenweg tussen 86d en 88 te Tienhoven Concept
29
Het plangebied ligt op circa 300 meter van Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen. Het tussenliggende gebied bestaat uit weilanden met sloten, woningen met erven, een bungalowpark en openbare wegen met straatverlichting. Niet-broedvogels hebben ook leefgebied (met name foerageergebied) buiten Natura-2000 gebieden, zoals de graslanden met sloten in de directe omgeving van het plangebied. Voor alle niet- broedvogels geldt dat zij tot op zekere hoogte gevoelig zijn voor verstoringen als oppervlakte verlies, versnippering, chemische effecten, optische verstoring en/of verstoring door geluid, licht en/of mechanische effecten. Geen van de niet-broedvogels is gevoelig voor verstoring in de vorm van trilling of geluid. Effecten aanlegfase De geplande ontwikkeling vindt plaats binnen de grenzen van het plangebied en op afstand van het Natura 2000-gebied de Oostelijke Vechtplassen. Niet-broedvogels hebben ook leefgebied buiten Natura-2000 gebieden, zoals de graslanden met sloten in de directe omgeving van het plangebied. Het plangebied bestaat uit zeer verruigd terrein, waar niet-broedvogels geen gebruik van maken. Met de werkzaamheden worden de aangrenzende oevers en watergangen langs het plangebied aan de buiten zijde aangepast; de buitenzijde van de zoneweiden worden vergraven tot natuurvriendelijke oevers.
Het leefgebied van de niet-broedvogels wordt niet aangetast doordat er geen sprake is van verlies aan oppervlakte, sprake van versnippering of door mechanische effecten als betreding aan het leefgebied voor de niet-broedvogels. Er is geen sprake van verstoring door chemische effecten via water. De nieuwe woningen worden op palen gefundeerd, wat trillingen veroorzaakt. De mate van trilling is afhankelijk van de keuze de fundatie door middel van heien of bijvoorbeeld door schroefdraaien uit te voeren; heien veroorzaakt meer trilling dan schroefdraaien. Geen van de kwantificeerde nietbroedvogels zijn gevoelig voor verstoring in de vorm van trilling. Met de aanlegfase zijn daarom effecten in de vorm van trilling op de instandhoudingsdoelstellingen van de broedvogels uit te sluiten. Bij het bouwen van de woningen worden machines ingezet. In de huidige situatie is er geen sprake van verkeer in het plangebied. Voorheen, toen het kassencomplex in gebruik was, was er sprake van geluid in het gebied en verkeersbewegingen van en naar het gebied. Daardoor was er sprake van geluid en verstoring door verkeer rondom het natuurgebied. In de aanlegfase kan dit toenemen. Niet-broedvogels hebben leefgebied (met name foerageergebied) buiten Natura-2000 gebieden, zoals de graslanden met sloten in de directe omgeving van het plangebied.
De effecten van de ontwikkeling (aanlegfase) zullen echter niet significant zijn doordat de verstoring tijdelijk is en er geschikt foerageergebied in de omgeving is om naar uit te wijken. Doordat de werkzaamheden overdag plaats vinden zal verstoring door geluid en verkeersbeweging geen effect hebben op de rust- en slaapverblijfplaatsen van de niet-broedvogels. Effecten gebruiksfase Doordat de geplande ontwikkeling plaatsvindt binnen de grenzen van het plangebied en de afstand tot het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen 300 meter is, is er geen sprake van verlies aan oppervlakte, sprake van versnippering of mechanische effecten als betreding van het natuurgebied. Ook wordt geschikt leefgebied van de soorten niet aangetast.
Westbroekse Binnenweg tussen 86d en 88 te Tienhoven | Eelerwoude | 30
In de huidige situatie is reeds sprake van optische verstoring door het bestaande kassencomplex. Toen het kassencomplex nog in gebruik was, was er in het plangebied sprake van geluid door dagelijkse werkzaamheden, verkeersbewegingen en licht vanuit het kassencomplex. Met de geplande woningen zal er wederom sprake zijn van geluid, echter vindt er geen bedrijfsvoering meer plaats. Het geluid zal met name zijn van verkeer en aanwezigheid van de bewoners. Verlichting van het kassencomplex is reeds afwezig. De woningen zullen verlichting uitstralen en verwacht wordt dat rond de woningen verlichting zal worden geplaatst. Niet-broedvogels slapen met name op open wateren en/of in natuurgebieden. Er is daarom in de gebruiksfase geen sprake van een negatief (significant) effect door verstoring door licht op het leefgebied van nietbroedvogels (zowel foerageergebied als rust- en verblijfplaatsen). Roerdomp is, als enige gekwalificeerde niet-broedvogel, gevoelig voor verstoring door geluid. De roerdomp prefereert stilstaand ondiep water met een dichte, uitgestrekte vegetatie van liefst overjarig riet, waarvan voldoende waterriet. Deze voorkeurshabitat is niet in de omgeving van het plangebied aanwezig. Er is daarom in de gebruiksfase geen sprake van een negatief (significant) effect door verstoring door geluid op het leefgebied van niet-broedvogels
Westbroekse Binnenweg tussen 86d en 88 te Tienhoven | Eelerwoude | 31
Figuur 5. Effectenindicator, overzicht van mogelijke effecten op beschermde natuurwaarden. Bron Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2018.
Westbroekse Binnenweg tussen 86d en 88 te Tienhoven | Eelerwoude | 32
6.3 Cumulatieve effecten en externe werking De activiteiten die afzonderlijk niet ernstig behoeven te zijn, maar die gezamenlijk mogelijk wel invloed hebben op het Natura 2000-gebied en de bijbehorende instandhoudingsdoelstellingen, worden de cumulatieve effecten genoemd. Activiteiten die binnen het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen worden uitgevoerd zijn niet bekend. Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied, maar ook activiteiten buiten het gebied kunnen de waarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt 'externe werking' genoemd. Er zijn op dit moment geen werkzaamheden bekend in de omgeving van de Oostelijke Vechtplassen die kunnen zorgen voor een externe werking waardoor de beschreven effecten anders kunnen uitpakken.
Westbroekse Binnenweg tussen 86d en 88 te Tienhoven | Eelerwoude | 33
7 Conclusie 7.1 Beschermde soorten 7.1.1 Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ingreep zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van enkele overige beschermde soorten. Hiervoor zijn door de provincie Utrecht vrijstellingen van de ontheffingsplicht opgesteld. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat er sprake is van een tijdelijke, en plaatselijke verstoring, er voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft. Voor deze soorten geldt dan ook een vrijstelling van ontheffingsplicht indien het een ruimtelijke ontwikkeling betreft. Nader onderzoek naar beschermde soorten of een ontheffing Wet natuurbescherming is daarom niet noodzakelijk.
7.1.2 Nader onderzoek naar heikikker nodig Hoewel de watergangen matig geschikt zijn, wordt een extra veldbezoek uitgevoerd in het vroege voorjaar om een goedbeeld te krijgen van heikikker in de directe omgeving van het plangebied.
7.1.3 Rekening houden met vogels Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. In veel situaties kan dit voorkomen worden door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Verder dient er bij de werkzaamheden rekening gehouden te worden met nesten van vogels en de algemene zorgplicht.
7.1.4 Aanbeveling ten behoeve van vleermuizen Om het plangebied aantrekkelijk en geschikt te houden voor nachtactieve soorten wordt aanbevolen rekening te houden met het plaatsen van verlichting. Bijvoorbeeld door uitstraling van verlichting te voorkomen en alleen verlichting aan te hebben wanneer nodig. Zie hiervoor het kader Verlichting (§5.2.1).
7.1.5 Aanbeveling ten behoeve van rugstreeppad Om het plangebied niet aantrekkelijk te maken voor rugstreeppad en om vestiging van de soort te voorkomen, wordt aanbevolen het plangebied vrij van bouwmateriaal en zandberging te houden, het rijden van sporen te voorkomen en het schonen van de aanliggende watergangen via de aangrenzende buurpercelen uit te voeren.
7.1.6 Algemene zorgplicht In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 een omschrijving opgenomen over de algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht neemt voor alle in het
Westbroekse Binnenweg tussen 86d en 88 te Tienhoven | Eelerwoude | 34
wild levende dieren en planten, dus ook niet-beschermde soorten, en hun directe leefomgeving. Dit is een algemene verantwoordelijkheid die voor iedereen geldt. Het betekent bijvoorbeeld dat er niet onnodig dieren en planten worden gedood, wanneer er redelijkerwijs een andere oplossing voor is, bijvoorbeeld de dieren te verplaatsen naar een ander gebied.
7.2 Bescherming gebieden Het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen is aangewezen voor 10 habitattypen, 11 habitatsoorten, 9 broedvogels en 8 niet-broedvogels. Uit uitgevoerde effectenbeoordeling wordt het volgende geconcludeerd.
7.2.1 Habitattypen Directe en indirecte effecten op aanwezige kwalificerende habitattypen zijn uit te sluiten. Dit mede doordat betreffende typen ontbreken ter plaatse van de werkzaamheden en de aanwezige effecten in de aanlegfase en in de gebruiksfase beperkt blijven tot het plan gebied en een kleine zone er om heen.
7.2.2 Habitatsoorten Negatieve effecten op de kwalificerende habitatsoorten zijn uitgesloten door het ontbreken van geschikt leefgebied ter plaatse van de werkzaamheden. Werkzaamheden worden niet uitgevoerd binnen het Natura 2000-gebied. Werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de invloedsfeer van het aanwezige leefgebied. De werkzaamheden hebben dan ook geen invloed op de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende soorten.
7.2.3 Broedvogels Negatieve effecten op de kwalificerende broedvogelsoorten zijn uitgesloten door het ontbreken van geschikt leefgebied ter plaatse van de werkzaamheden. Werkzaamheden worden niet uitgevoerd binnen het Natura 2000-gebied. Werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de invloedsfeer van het aanwezige leefgebied. De werkzaamheden hebben dan ook geen invloed op de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende broedvogelsoorten.
7.2.4 Niet-broedvogels Negatieve effecten op de kwalificerende niet-broedvogelsoorten zijn uitgesloten door het ontbreken van geschikt leefgebied ter plaatse van de werkzaamheden. Werkzaamheden worden niet uitgevoerd binnen het Natura 2000-gebied. Werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de invloedsfeer van het aanwezige leefgebied. De werkzaamheden hebben dan ook geen invloed op de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende niet-broedvogelsoorten.
7.3 Bescherming houtopstanden Een nadere toetsing van houtopstanden is niet noodzakelijk. Ondanks dat er één boom in het plangebied aanwezig is, is de boom solitair en geen onderdeel van een rijbeplanting of bosschage van minimaal 10 are. Een nadere toetsing van houtopstanden is daarom niet noodzakelijk.
Westbroekse Binnenweg tussen 86d en 88 te Tienhoven | Eelerwoude | 35
7.4 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied en omliggende gebied maakt geen onderdeel uit van het NNN. Met de voorgenomen werkzaamheden worden geen negatieve effecten verwacht op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. Van afname van areaal is geen sprake, tevens worden geen effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN significant aantasten. Een toetsing aan het NNN-beleid wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
7.5 Geldigheid rapportage Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 2.2. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten leiden.
Westbroekse Binnenweg tussen 86d en 88 te Tienhoven | Eelerwoude | 36
Literatuurlijst -
-
-
-
-
-
BIJ12 (2017). Kennisdocument Das Meles Meles. BIJ12, versie 1.0, Utrecht. Bij12 (2017). Kennisdocument Heikikker Rana Arvalis. Bij12, versie 1.0, Utrecht. BIJ12 (2017). Kennisdocument Rugstreeppad Bufo calamita. BIJ12, versie 1.0, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Centre & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers R.C.M. & van Delft J.J.C.W. (2009). De amfibieën en reptielen van Nederland, - Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European invertabrate Survey – Nederland, Leiden. Dietz, C., Helversen, O. van, & Nill, D. (2011). Vleermuizen: Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Utrecht, Nederland: De Fontein & Tirion Uitgevers. Gemeente Stichtse Vecht. (2015). Bomenverordening Stichtse Vecht 2015. http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/Stichtse%20Vecht/378879/3788 79_1.html Limpens, H., P. Twisk & G. Veenbaas (2004). Met vleermuizen overweg. Brochure over vleermuizen en de wijze waarop bij planning, aanleg, reconstructie en beheer van wegen praktische invullingen kan worden gegeven aan de wettelijke zorgplicht voor vleermuizen. Dienst Weg- en Waterbouwkunde, Delft / Zoogdiervereniging, Arnhem. Ministerie van Economische Zaken (2016).
Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van Economische Zaken, versie 1.3. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. (2018). Natura 2000, Oostelijke Vechtplassen. https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx?subj=n2k&groep=7&id=n2k95 &topic=introductie Provincie Utrecht. (2018a). Webkaart Natura 2000. https://webkaart.provincieutrecht.nl/viewer/app/Webkaart?bookmark=eea97a6b533a40518ba8ccf503d6e174. Vogel R.L., Bouwma I., Koese B., Kranenbarg J., La Haye M., Odé B., Sierdsema H., Sparrius L., Verburg P. & Zollinger R. (2013). Het belang van Nederland buiten de Ecologische Hoofdstructuur voor soorten van de Vogelrichtlijn en van bijlage V van de Habitatrichtlijn. Sovon-rapport 2013.015. Sovon, Nijmegen.
Soortinformatie:
- www.zoogdiervereniging.nl - www.ravon.nl - www.sovon.nl - www.vlindernet.nl - www.verspreidingsatlas.nl
Westbroekse Binnenweg tussen 86d en 88 te Tienhoven | Eelerwoude | 37
Bijlage 1 Situatieschets voorgenomen ontwikkeling
Westbroekse Binnenweg tussen 86d en 88 te Tienhoven | Eelerwoude | 38
Bijlage 2 Wettelijk kader natuurwetgeving Bescherming van soorten Zorgplicht De Wet natuurbescherming erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende planten- en diersoorten, of de soort nu beschermd is of niet (= zorgplicht). Deze zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wilde levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld, maar kan door toepassing van bestuursdwang wel worden gehandhaafd. Beschermingsregimes Op het onderdeel soortbescherming deelt de Wet natuurbescherming soorten in drie beschermingsregimes in: 1.
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Alle vogels cf. artikel Vogelrichtlijn 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Soorten uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd 2. 3. Beschermingsregime “andere soorten” Soorten die uit nationaal oogpunt bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes heeft zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Verbodsbepalingen De Wet natuurbescherming gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. In de wet worden ten aanzien van de beschermde soorten een aantal verbodsbepalingen genoemd (figuur 1). De verbodsbepalingen zijn gekoppeld aan het beschermingsregime van de soort (resp. Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de groep ‘Overige soorten’). Dat betekent dat deze verbodsbepalingen niet overtreden mogen worden, tenzij voor de soort(en): • Een vrijstelling geldt; • Er gewerkt wordt met een goedgekeurde Gedragscode (feitelijk een collectieve ontheffing); • Een ontheffing is verkregen.
2 De brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016 impliceert dat de
bescherming uit de Vogelrichtlijn prevaleert boven de bescherming van vogels uit de verdragen van Bonn en Bern
Westbroekse Binnenweg tussen 86d en 88 te Tienhoven | Eelerwoude | 39
Figuur 1. Overzicht verbodsbepalingen Wet Natuurbescherming (bron: brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016).
Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen (en deze toch te mogen overtreden) via een ontheffing of een vrijstelling moet aan drie criteria worden voldaan: 1. Er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling (=alternatievenafweging); 2. De afwijking is gebaseerd op een in de wet genoemd belang (b.v. openbare veiligheid of volksgezondheid); 3. De ingreep of handeling mag geen afbreuk doen aan en/of verslechtering betekenen voor de staat van instandhouding van de soort. Als aan (alle) drie deze vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk in de vorm van een provinciale verordening of een (goedgekeurde) gedragscode. Voorgaand figuur geeft een overzicht van de verbodsbepalingen per beschermingsregime. De verbodsbepalingen voor de groep van overige, ‘nationale’ soorten zijn geïnspireerd op de Habitatrichtlijn en op een aantal punten versoepeld. Zo is het opzettelijk verstoren van beschermde soorten (en hun verblijfplaatsen) uit deze groep van overige soorten niet langer verboden. Wel is het nog steeds verboden om vaste verblijfplaatsen van dieren onder dit beschermingsregime opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
Voor vogels geldt dat verstoren niet verboden is als de verstoring maar niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort (artikel 3.1, lid 4 en lid 5). Het beschadigen van in gebruik zijnde vogelnesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren dus niet meer, tenzij er sprake is van een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de specifieke soort(en). Het is aan de initiatiefnemer om zich op de hoogte te (laten) stellen, en waar nodig aan te tonen, dat de op zich verstorende activiteit geen bedreiging vormt voor de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort.
Westbroekse Binnenweg tussen 86d en 88 te Tienhoven | Eelerwoude | 40
Tot slot geldt het opzettelijk doden of vangen en het verbod om vaste verblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of beschadigen, niet voor bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis in of op gebouwen of de daarbij behorende erven of roerende zaken (artikel 3.10 lid 3). Zie kader – Opzettelijkheid. Kader - Opzettelijkheid In de Wet natuurbescherming is bij meer verbodsbepalingen dan onder de Flora en faunawet het opzetvereiste toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. In de Flora en faunawet was alleen sprake van het opzetvereiste bij verontrusting (artikel 10). Hierdoor was de Flora en faunawet strenger dan de verbodsbepalingen van de Habitatrichtlijn. Niet-opzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn nu niet langer verboden. Daar is van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant….”.
Andere bevredigende oplossing(en) De initiatiefnemer moet aantonen en beargumenteren dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn waardoor overtreding van de verbodsbepaling(en) kan worden voorkomen, bijvoorbeeld door planaanpassing of het aanpassen van de uitvoeringsperiode. Het is aan het bevoegd gezag (doorgaans dus de provincie) om de alternatieve oplossingen te beoordelen en hierover te besluiten. De onderbouwing moet gebaseerd zijn op objectieve en controleerbare gegevens. Belangen Voor de soorten die beschermd zijn onder de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de in deze richtlijnen genoemde belangen. Voor de groep van overige, nationaal beschermde soorten wordt uitgegaan van de in de Habitatrichtlijn genoemde belangen, plus een aantal aanvullende belangen. In het Kader - Wettelijk Belang wordt een overzicht gegeven van deze belangen. Staat van instandhouding van de soort Tot slot moeten de effecten van de voorgenomen handeling(en) worden beoordeeld aan de staat van instandhouding (SvI) van de soort. Zie ook kader – Staat van instandhouding. De SvI varieert per soort en per handeling, en is niet vastgelegd in de wet. Een handeling op een zeldzame beschermde soort zal eerder leiden tot een negatief effect op de SvI dan bij een algemene soort.
Belangrijk is ook de trend (aantalsontwikkeling) en de ruimtelijke verspreiding van de soort. Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met cumulatieve (versterkende) effecten, bijvoorbeeld door andere handelingen of ontwikkelingen in de omgeving en met reeds verleende ontheffingen voor dezelfde populaties van deze soort(en). Bij de beoordeling mogen compenserende en mitigerende (verzachtende) maatregelen worden betrokken. Het ecologische toetsingscriterium verschilt per beschermingsregime. Om te beoordelen of aan deze criteria wordt voldaan, moeten inzicht worden gegeven in: 1. 2.
De SvI (van de populatie) van de soort (in zijn natuurlijke verspreidingsgebied). Het effect van de handeling of ontwikkeling op de soort.
Westbroekse Binnenweg tussen 86d en 88 te Tienhoven | Eelerwoude | 41
Kader - Staat van instandhouding •
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn: “De maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de betreffende soort”.
•
Beschermingsregime soort Habitatrichtlijn: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.
•
Beschermingsregime Overige soorten: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.
Voorkomen van overtreding verbodsbepalingen In sommige situaties kunnen maatregelen worden getroffen waardoor negatieve effecten en overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kunnen worden voorkomen. Bijvoorbeeld door de kap van bomen met broedende vogels uit te stellen tot na de broedtijd. Al kan de boom ook een nest bevatten van een vogelsoort waarbij het nest jaarrond beschermd is, waardoor overtreding niet kan worden voorkomen. Het plannen van werkzaamheden buiten de kwetsbare periode(n) van beschermde soorten is een veel toegepaste maatregel. Andere mogelijkheden om overtreding te voorkomen zijn wellicht het aanpassen van de werkvolgorde, gebruik te maken van andere apparatuur of de werkzaamheden te faseren in ruimte en tijd (zoals in het voorbeeld). Vrijstellingen Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen die leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen in de wet. Dit zijn bijvoorbeeld de provinciale vrijstellingen en de gedragscodes. Ook kan er sprake zijn van een vrijstelling als de handeling is opgenomen in een beheerplan voor een Natura 2000gebied of programma in het kader van een programmatische aanpak. Tot slot kan het Rijk voor handelingen en activiteiten waarvoor zij bevoegd gezag is een vrijstelling geven in de vorm van een Ministeriele Regeling.
Vrijstellingen kunnen alleen gelden voor de verbodsbepalingen en de voorwaarden zoals genoemd bij de verschillende beschermingsregimes. Provinciale verordening Provinciale Staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Zo zijn met een provinciale verordening een aantal vooral algemeen voorkomende en beschermde zoogdieren als egel en rosse woelmuis vrijgesteld van de ontheffingsplicht. Door deze mogelijkheid ontstaan echter wel verschillen in de bescherming van soorten tussen de verschillende provincies.
Westbroekse Binnenweg tussen 86d en 88 te Tienhoven | Eelerwoude | 42
Kader - Wettelijk Belang Voor vogels beschermd onder de Vogelrichtlijn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •
in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;
•
in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;
•
ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;
•
ter bescherming van flora en fauna;
•
voor onderzoek en onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt;
•
om het vangen, onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.
Voor soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •
in het belang van de bescherming van wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;
•
ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen eigendom;
•
in het belang van volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten;
•
voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van kunstmatige vermeerdering van planten, of
•
om onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen, onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.
Voor andere ‘nationaal’ beschermde soorten kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •
de belangen die gelden voor soorten van de Habitatrichtlijn zoals hierboven genoemd;
•
in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;
•
ter voorkoming van schade en overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen;
•
ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;
•
ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;
•
in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;
•
in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;
•
in het kader van bestendig beheer of onderhoud van landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied;
•
in het algemeen belang van de betreffende soort.
Westbroekse Binnenweg tussen 86d en 88 te Tienhoven | Eelerwoude | 43
Programmatische aanpak De Wet natuurbescherming biedt de mogelijkheid om een programmatische aanpak toe te passen. Een dergelijk programma kan zowel door het Rijk als door provincies worden opgesteld. Onder de Flora en faunawet is reeds ervaring opgedaan onder de ‘Generieke’ of ‘Gebiedsgerichte aanpak’. Tevens is voor een aantal grootschalige ontwikkelingen en plangebied een Generieke ontheffing verleend zoals voor de gemeente Tilburg, het Havengebied Rotterdam en Vliegveld Twente. Het biedt de mogelijkheid om door middel van een actieve leefgebiedenbenadering te streven naar een betere verbinding tussen economie en ecologie. Beheerplan Natura 2000-gebied Tot slot zijn handelingen die onderdeel uitmaken van een beheerplan voor een Natura 2000-gebied of een programmatische aanpak (zoals stikstof) vrijgesteld, mits de handelingen zijn getoetst aan de criteria voor afwijking van de soortenbeschermingsregimes.
Westbroekse Binnenweg tussen 86d en 88 te Tienhoven | Eelerwoude | 44
Bijlage 3 Overzicht van de instandhoudingsdoelstellingen
Overzicht van de instandhoudingsdoelstellingen van de kwalificerende habitattypen.
Westbroekse Binnenweg tussen 86d en 88 te Tienhoven | Eelerwoude | 45
Overzicht van de instandhoudingsdoelstellingen van de kwalificerende habitatsoorten.
Overzicht van de instandhoudingsdoelstellingen van de kwalificerende broedvogelsoorten.
Westbroekse Binnenweg tussen 86d en 88 te Tienhoven | Eelerwoude | 46
Overzicht van de instandhoudingsdoelstellingen van de kwalificerende niet-broedvogelsoorten.
Westbroekse Binnenweg tussen 86d en 88 te Tienhoven | Eelerwoude | 47
Legenda behorende bij de overzichten van de kwalificerende habitattypen en habitatsoorten.
Westbroekse Binnenweg tussen 86d en 88 te Tienhoven | Eelerwoude | 48
Legenda behorende bij de overzichten van de kwalificerende habitattypen en habitatsoorten.
Westbroekse Binnenweg tussen 86d en 88 te Tienhoven | Eelerwoude | 49
www.eelerwoude.nl