CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijl. 4 BP_10274 Toetsing Wnb Kassencomplex Tienhoven 10042020.pdf

Commissie Fysiek Domein 6 december 2022, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: 7. 20:45: Bestemmingsplan Westbroekse Binnenweg 86-88 in Tienhoven.12.888 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan flora en fauna Westbroekse Binnenweg tussen 86d en 88 te Tienhoven

Opdrachtgever: T.a.v. de heer A. van Eck Langsstraat 7 4023 AE Rijswijk

Opdrachtnemer: Eelerwoude Onze vestigingen 088-1471100 info@eelerwoude.nl www.eelerwoude.nl

Projectgegevens: Projectnummer: Datum: Projectleider: Opgesteld: Gecontroleerd: Status: Versie:

10274 10-04-2020 Jessica Loeffen Ilona van Dijk Jessica Loeffen/ Maaike Leenen Concept 3

© 2020 Eelerwoude Dit rapport is enkelzijdig opgemaakt.

Inhoudsopgave 1 1.1 2

Inleiding ................................................................................................................................ 5 Aanleiding ........................................................................................................................ 5 Huidige situatie en ontwikkeling........................................................................................... 6

2.1

Huidige situatie ............................................................................................................... 6

2.2

Voorgenomen ontwikkeling ............................................................................................ 9

3

Natuurwetgeving en -beleid ............................................................................................... 10

3.1

Inleiding ......................................................................................................................... 10

3.2

Bescherming van soorten .............................................................................................. 10

3.3

Bescherming van gebieden ........................................................................................... 10

3.4

Bescherming van houtopstanden ................................................................................. 12

3.5

Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................ 13

4

Methode ............................................................................................................................. 14

4.1

Bureauonderzoek .......................................................................................................... 14

4.2

Terreinbezoek................................................................................................................ 14

5

Beschermde soorten ........................................................................................................... 15

5.1

Planten .......................................................................................................................... 15

5.2

Zoogdieren .................................................................................................................... 15

5.2.1

Vleermuizen .......................................................................................................... 15

5.2.2

Grondgebonden zoogdieren ................................................................................. 18

5.3

Vogels ............................................................................................................................ 19

5.4

Reptielen ....................................................................................................................... 20

5.5

Amfibieën ...................................................................................................................... 21

5.6

Vissen ............................................................................................................................ 23

5.7

Ongewervelden ............................................................................................................. 23

6

Beschermde gebieden – Natura 2000 ................................................................................ 24

6.1

Instandhoudingsdoelen Oostelijke Vechtplassen ......................................................... 25

6.2

Habitats en habitatsoorten ........................................................................................... 25

6.2.1

Habitattypen ......................................................................................................... 25

6.2.2

Habitatsoorten...................................................................................................... 26

6.2.3

Broedvogels .......................................................................................................... 28

6.2.4

Niet-broedvogels .................................................................................................. 29

Westbroekse Binnenweg tussen 86d en 88 te Tienhoven Concept

3

6.3 7 7.1

Cumulatieve effecten en externe werking .................................................................... 33 Conclusie ............................................................................................................................. 34 Beschermde soorten ..................................................................................................... 34

7.1.1

Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt ............................................. 34

7.1.2

Nader onderzoek naar heikikker nodig ................................................................ 34

7.1.3

Rekening houden met vogels ............................................................................... 34

7.1.4

Aanbeveling ten behoeve van vleermuizen.......................................................... 34

7.1.5

Aanbeveling ten behoeve van rugstreeppad ........................................................ 34

7.1.6

Algemene zorgplicht ............................................................................................. 34

7.2

Bescherming gebieden .................................................................................................. 35

7.2.1

Habitattypen ......................................................................................................... 35

7.2.2

Habitatsoorten...................................................................................................... 35

7.2.3

Broedvogels .......................................................................................................... 35

7.2.4

Niet-broedvogels .................................................................................................. 35

7.3

Bescherming houtopstanden ........................................................................................ 35

7.4

Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................ 36

7.5

Geldigheid rapportage .................................................................................................. 36

Bijlage 1 Situatieschets voorgenomen ontwikkeling ...................................................................... 38 Bijlage 2 Wettelijk kader natuurwetgeving..................................................................................... 39 Bijlage 3 Overzicht van de instandhoudingsdoelstellingen ............................................................ 45

Westbroekse Binnenweg tussen 86d en 88 te Tienhoven Concept

4

1 Inleiding 1.1 Aanleiding In het kader ruimte voor ruimte mag het kassencomplex aan de Westbroekse Binnenweg, tussen huisnummers 86d en 88 in Tienhoven worden verwijderd en mogen hier voor in de plaats vier woningen, met elk een vrijstaande zorgwoning, worden gerealiseerd. In verband met deze voorgenomen ontwikkeling is een toetsing van de plannen aan de natuurwetgeving en het natuurbeleid noodzakelijk. Met deze toetsing moet duidelijk worden hoe de ontwikkeling gerealiseerd kan worden binnen de kaders van de natuurbescherming. Eerste stap in deze toetsing is het uitvoeren van een verkennend onderzoek. Op basis van een bureauonderzoek en een veldbezoek wordt aan de hand van aanwezige terreintypen en toevallige waarnemingen van soorten zo goed mogelijk ingeschat welke beschermde gebieden en plant- en diersoorten aanwezig (kunnen) zijn. Op basis daarvan worden uitspraken gedaan over de (mogelijke) effecten van de voorgenomen ontwikkeling en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen. Voorliggende rapportage gaat hier verder op in.

Westbroekse Binnenweg tussen 86d en 88 te Tienhoven Concept

5

2 Huidige situatie en ontwikkeling 2.1 Huidige situatie Het plangebied is gelegen aan de Westbroekse Binnenweg tussen huisnummers 86d en 88 te Tienhoven in Gemeente Stichtse Vecht Provincie Utrecht (Figuur 1). Ten westen van het plangebied ligt op circa 300 meter afstand de Molenpolder met de waterplas Maarsseveense Plassen. Ten oosten van het plangebied ligt op circa 750 meter afstand de Gagelpolder. Het plangebied is circa 4 hectare groot en kan worden verdeeld in twee gedeeltes; een gedeelte met verruigd weiland en een gedeelte met een kassencomplex en waterbassin. (Figuur 2). Vanaf de openbare weg tot aan het kassencomplex bestaat het eerste gedeelte van het plangebied uit verruigd weiland. Het verruigde weiland bestaat enkel uit lage vegetatie met verschillende grassen en kruiden; zijn geen bomen of bosschages aanwezig. Vanaf de openbare weg loopt, door het verruigde weiland, naar het kassencomplex toe een grevelpad met aan de westzijde van het pad een afrastering. (Figuur 3) Het kassencomplex beslaat de gehele breedte van het plangebied. Aan de noordoostkant van het kassencomplex staat een silo. In het kassencomplex zelf staan nog drie andere silo’s. Verder is het kassencomplex, op enkele meubelstukken na, geheel leeg. Achter het kassencomplex is opnieuw verruigd weiland aanwezig met aan het einde van het plangebied, aan de zuidkant, een waterbassin.

Het plangebied wordt aan alle zijdes (noord, oost, zuid en west) begrensd door watergangen. Aan de noordzijde sluit het plangebied met twee dammen aan op de openbare weg. In het plangebied is geen verlichting aanwezig. In het verleden werd het kassencomplex van binnen verlicht, dag en nacht. Door het glaswerk straalde dit licht ook naar buiten. Sinds het kassencomplex leeg staat, wordt deze van binnen uit niet meer verlicht. In de huidige situatie is het in het plangebied donker.

Westbroekse Binnenweg tussen 86d en 88 te Tienhoven Concept

6

Figuur 1. Ligging van het plangebied (in rood omkaderd). Bron: Maps Google, 2018.

Figuur 2. Begrenzing van het plangebied (in rood omkaderd). Bron: Maps Google, 2018.

Westbroekse Binnenweg tussen 86d en 88 te Tienhoven Concept

7

Figuur 3. Impressie van het plangebied op 31 oktober 2018. Van links boven naar rechts onder: Foto 1: Overzicht plangebied met op de voorgrond het verruigde weiland met erachter het kassencomplex met silo. Foto 2: De silo naast het kassencomplex. Foto 3: voorgevel kassencomplex. Foto 4: Voorste gedeelte van het kassencomplex binnen. Foto 5: Achterste gedeelte van het kassencomplex binnen. Foto 6 en foto 7: Verruigd weiland tussen kassencomplex en waterbassin. Foto 8: Waterbassin.

Westbroekse Binnenweg tussen 86d en 88 te Tienhoven Concept

8

2.2 Voorgenomen ontwikkeling Met de ontwikkeling worden het kassencomplex gesloopt en het waterbassin en het aanwezige groen verwijderd. Hiervoor zullen in de plaats : vier nieuwbouwwoningen met elk een zorgwoning (beiden te realiseren in 1 volume), een fruitboomgaard en twee velden met zonnepanelen worden gerealiseerd. Enkele oorspronkelijke watergangen worden weer opnieuw uitgegraven. De aanwezige oevers en watergangen blijven grotendeels ongewijzigd; alleen aan de buitenzijde van de zonneweiden worden natuurvriendelijke oevers aangelegd. Verwacht wordt dat bij de nieuwe woningen tuinen worden aangelegd en er (tuin)verlichting in en rond de nieuwe woningen zal komen. Een schets van de nieuwe situatie is weergegeven in Bijlage 1. Er is nog geen exacte planning bekend van de sloop van het kassencomplex, de silo en waterbassin en het bouwen van de nieuwe woningen.

Westbroekse Binnenweg tussen 86d en 88 te Tienhoven Concept

9

3 Natuurwetgeving en -beleid 3.1 Inleiding De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door het Natuurnetwerk Nederland, dat een samenhangend netwerk vormt van natuurgebieden. De provincies zijn het bevoegd gezag. Alleen in een aantal situaties, zoals bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het Rijk het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de relevante wetgeving en het natuurbeleid voor het plangebied.

3.2 Bescherming van soorten Het uitgangspunt bij het onderdeel soortenbescherming is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en beschermingsregime “andere soorten”. Elk beschermingsregime heeft zijn eigen verbodsbepalingen. Voor ieder ruimtelijk plan of ruimtelijke ontwikkeling is het verplicht om te toetsen of deze leidt tot overtreding van de betreffende verbodsbepalingen. Wanneer er sprake is van een overtreding dient er onderzocht te worden of er een vrijstelling geldt. Indien er geen vrijstelling geldt, kan het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk zijn. Bijlage 2 gaat verder in op het wettelijk kader bij toetsing aan de Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming. Gevolgen plangebied De Wet natuurbescherming is een nationale wet. Indien negatieve effecten worden verwacht door activiteiten of ontwikkelingen is een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. In hoofdstuk 5 wordt verder ingegaan op de aanwezigheid van beschermde soorten en welke effecten de voorgenomen ontwikkeling heeft op deze soorten.

3.3 Bescherming van gebieden Met het onderdeel gebiedenbescherming worden binnen de Wet natuurbescherming de Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Voor alle gebieden gelden instandhoudingsdoelstellingen. De kern van de bescherming is dat deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar mogen worden gebracht.

Westbroekse Binnenweg tussen 86d en 88 te Tienhoven Concept

10

Activiteiten mogen geen negatieve effecten hebben op de waarden waarvoor het gebied is aangewezen. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Hierdoor is in Nederland een zorgvuldige afweging gegarandeerd bij projecten die gevolgen kunnen hebben voor natuurgebieden. Gevolgen plangebied In de directe omgeving van het plangebied liggen diverse Natura 2000-gebieden. Op ongeveer 280 meter afstand ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen. De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maakt dat er effecten mogelijk zijn en er kans is op een belemmering van de kernopgaven van het Natura 2000-gebied; zij het door een rechtstreekste invloed, cumulatieve invloed of externe werking. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming is daarom noodzakelijk. In Hoofdstuk 6 wordt hier verder op ingegaan. Stikstof-gerelateerde effecten Het slopen van het kassencomplex en het bouwen van woningen betreft een kleinschalige ontwikkeling. Toen het kassencomplex in gebruik was, was reeds sprake van stikstofdepositie. Met het realiseren van de 4 woningen zal deze directe depositie afnemen. Hoewel er meerdere objecten tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied aanwezig zijn en de directe stikstofdepositie zal afnemen, wordt geadviseerd de verwachte stikstofafname te kwantificeren.

Een nadere toets en berekening wat betreft negatieve stikstof-gerelateerde effecten wordt op basis daarvan wel noodzakelijk geacht.

Figuur 4. Ligging van het plangebied ten opzicht van het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen. Bron: Provincie Utrecht, 2018.

Westbroekse Binnenweg tussen 86d en 88 te Tienhoven Concept

11

3.4 Bescherming van houtopstanden Het omhakken of rooien van bossen is gelet op de Wet natuurbescherming niet zomaar toegestaan. Dit geldt ook bij het rooien of het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben. Hieronder valt ook beschadiging door vee. Onder bos wordt verstaan: • alleen bossen die buiten de ‘bebouwde kom Boswet’ liggen; • alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are (1.000 m2); • bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. De gemeente stelt de grenzen van de ‘bebouwde kom Boswet’ bij besluit vast. Deze grenzen kunnen afwijken van de ‘bebouwde kom Verkeerswet’. Het besluit wordt door de provincie goedgekeurd. De grenzen zijn bij de gemeente na te vragen. De bescherming van houtopstanden kent twee belangrijke instrumenten: meldingsplicht en herplantplicht. Een kapmelding is verplicht bij de kap van bomen buiten de bebouwde kom indien kap plaatsvindt in een houtopstand. Veelal geldt een 1 op 1 herplantplicht. Provincies bepalen welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. Voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel is er geen herplantplicht.

De voorgenomen kap van een houtopstand hoeft niet gemeld te worden als het gaat om: • houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom: • houtopstanden op erven of in tuinen; • fruitbomen en windschermen om boomgaarden; • naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; • kweekgoed; • uit populieren of wilgen bestaande: o wegbeplantingen; o beplantingen langs waterwegen, en o eenrijige beplantingen langs landbouwgronden. • het dunnen van een houtopstand; • uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: o ten minste eens per tien jaar worden geoogst; o bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en o zijn aangelegd na 1 januari 2013. • het vellen van houtopstanden ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel; • het vellen van houtopstanden voor de aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen; • het vellen van houtopstanden en herbeplanten op een wijze die is beschreven in een goedgekeurde gedragscode.

Westbroekse Binnenweg tussen 86d en 88 te Tienhoven Concept

12

De provincie kan een kapverbod opleggen. Mag er wel worden gekapt, dan moeten er meestal ook nieuwe bomen worden aangeplant. De provincie kan een ontheffing of vrijstelling verlenen. Dit hangt ervan af of er hiervoor een provinciale verordening is opgesteld. Mogelijk is ook een omgevingsvergunning nodig. Het aanvragen van deze vergunning en het indienen van een kapmelding moet apart van elkaar uitgevoerd worden. Gevolgen plangebied In het plangebied is één boom1 (schietwilg) aanwezig, bij de dam nabij de openbare weg. Vanwege het graven van een nieuwe watergang zal deze worden verwijderd. Desondanks is de boom solitair en is geen onderdeel van een rijbeplanting of bosschage van minimaal 10 are. Een nadere toetsing van houtopstanden is daarom niet noodzakelijk.

3.5 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Provincies hebben hiervoor soms een andere benaming. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Wanneer bij een ontwikkeling mogelijke effecten op het NNN denkbaar zijn, is het noodzakelijk een NNN-toetsing uit te voeren. Gevolgen plangebied Het plangebied en de directe omgeving maken geen onderdeel uit van het NNN. Het plangebied ligt op ongeveer 300 meter van begrensd NNN-gebied. Met de voorgenomen werkzaamheden worden geen negatieve effecten verwacht op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. Van afname van areaal is geen sprake, tevens worden geen effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN significant aantasten. Een toetsing aan het NNN-beleid wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

1 Definitie boom: een houtig opgaand gewas, zowel vitaal als afgestorven met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 10 cm gemeten op 1,30 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam. De aangetroffen jonge scheuten vlierbes, kornoelje en geoorde wilg in het plangebied vallen, vanwege de grootte niet onder de definitie van een boom en worden in voorliggend rapport daarom beschouwd als struik. Bron Gemeente Stichtse Vecht, 2015.

Westbroekse Binnenweg tussen 86d en 88 te Tienhoven Concept

13

4 Methode 4.1 Bureauonderzoek Voor het bureauonderzoek is indien beschikbaar gebruikgemaakt van landelijke, provinciale en regionale verspreidingsinformatie; • NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna). • De landelijke verspreidingsinformatie uit atlassen, die deels gedateerd is, is gebruikt om na te gaan of nabij het plangebied in het verleden beschermde soorten zijn aangetroffen. Exacte locaties of data van de waarnemingen waren daarbij veelal niet bekend. Deze gegevens hebben vaak betrekking op atlasblokken (5x5 kilometer) en kunnen daardoor betrekking hebben op waarnemingen buiten het plangebied. • De flora- en faunadatabase van Eelerwoude is eveneens geraadpleegd. Eelerwoude heeft meerder onderzoeken in de nabije omgeving uitgevoerd. De data van deze onderzoeken zijn opgeslagen in deze database.

4.2 Terreinbezoek Op basis van een eenmalig veldbezoek is de geschiktheid van het onderzoeksgebied voor de verwachte soorten en/of soortgroepen beoordeeld. Het veldbezoek is overdag door I. van Dijk uitgevoerd, ecologisch adviseur bij Eelerwoude (zie kader). Het veldbezoek is uitgevoerd op 31 oktober 2018 bij 6ºC, half bewolkt weer en windkracht 3 Bft. Het gaat hier om een deskundigenoordeel op basis van de fysieke gesteldheid van het terrein (biotopenonderzoek). Daarnaast zijn de aangetroffen belangwekkende soorten ook genoteerd. Kader – Ecologisch deskundige De veldmedewerkers van Eelerwoude beschikken over een uitgebreide ervaring met de betreffende soortgroepen en voldoen aan de criteria van ‘ecologisch deskundige’. Met een ecologisch deskundige wordt bedoeld een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige:

-

op HBO- dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of

-

op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of

-

als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of

-

zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied; en/of

-

zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming.

Westbroekse Binnenweg tussen 86d en 88 te Tienhoven Concept

14

5 Beschermde soorten Dit hoofdstuk beschrijft de tijdens het veldbezoek waargenomen soorten, al dan niet aangevuld met gegevens uit de literatuur en andere informatiebronnen. Vervolgens worden eventuele effecten beschreven als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.

5.1 Planten Voorkomen en functie Buiten het kassencomplex en het waterbassin om, bestaat het plangebied alleen uit verruigd weiland met soorten als grote brandnetel, ridderzuring, grote klit, grote kaardebol, bramenstruiken en verschillende soorten grassen. Er staat een schietwilg aan de noordkant van het plangebied, in de oeverkant. Tussen de silo en het kassencomplex staan enkele jonge scheuten vlierbes, rode kornoelje en geoorde wilg en is heermoes aangetroffen. In het kassencomplex om drie andere silo’s staan varensoorten. Verder komen, verspreid over de vloer in het kassencomplex, verschillende mossen en zwarte nachtschade. Er zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde plantensoorten, zoals groenknolorchis, aangetroffen. Derhalve is een deskundigenbeoordeling van de potentiële aanwezigheid van beschermde planten in het plangebied uitgevoerd op basis van een biotoopanalyse. Gelet op de aanwezige terreintypen (verruigd weiland) en de functie van het plangebied als weide en kassencomplex is het niet waarschijnlijk dat binnen het plangebied beschermde plantensoorten voorkomen. Effecten en ontheffing In het plangebied zijn geen beschermde plant- en mossoorten als groenknolorchis aangetroffen. Er worden dan ook geen effecten op beschermde plant- en mossoorten verwacht. Een ontheffing Wet natuurbescherming is niet aan de orde.

Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is voor beschermde flora niet noodzakelijk.

5.2 Zoogdieren 5.2.1 Vleermuizen Voorkomen en functie In het plangebied is tijdens het veldbezoek beoordeeld of de locatie geschikt is voor vleermuizen. Hierbij is onderscheid gemaakt in: verblijfplaats, vliegroute en foerageergebied. In het plangebied kunnen de volgende vleermuissoorten voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis en laatvlieger. Verblijfplaats Vleermuizen maken gedurende het jaar gebruik van een netwerk van vaste rust- en verblijfplaatsen. Deze verblijfplaatsen kunnen de volgende functies hebben:

Westbroekse Binnenweg tussen 86d en 88 te Tienhoven Concept

15

-

kraamverblijfplaats; zomerverblijfplaats; paar- en/of baltsverblijfplaats; winterverblijfplaats.

Kader - vleermuisverblijfplaatsen Onder de vleermuizen zijn gebouw bewonende en/of boom bewonende soorten aanwezig. Gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn hoofdzakelijk gebouw bewonend. Rosse vleermuis is voornamelijk boom bewonende vleermuis en ruige dwergvleermuis bewoont zowel bomen als gebouwen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Holten en spleten in bomen en ruimtes achter loszittend schors zijn voorbeelden van verblijfplaatsen in bomen. Vanuit de verschillende functies van de verblijfplaats worden weer andere eisen gesteld aan bijvoorbeeld het klimaat, de toegankelijkheid en de expositie van het verblijf ten opzichte van de zon. Als kraamverblijfplaats worden meestal gebouwen en/of bomen uitgekozen waarbinnen een constant klimaat heerst. Bij gebouwen zijn dit voornamelijk woningen met een spouwmuur of een geïsoleerd dak. Sommige vleermuizen hebben aan een opening van 1-2 cm voldoende om naar binnen te kruipen. Bij bomen gaat het meestal om dikke, oude bomen met een dikke restwand.

Binnen het plangebied zijn verschillende jonge scheuten aanwezig, volgroeide bomen ontbreken. Gezien de leeftijd en de grootte van deze jonge scheuten, bieden deze geen potentie als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Vleermuizen hebben ruwe oppervlakten nodig om zich over voort te kunnen bewegen en achter smalle wanden en spleten weg te kunnen kruipen. De wand van de silo bestaat uit damwandplaten, welke te glad zijn voor vleermuizen om tegen op te klimmen. Ook het kassencomplex, welke hoofdzakelijk uit glas bestaat, is eveneens te glad voor vleermuizen om tegen op te klimmen. Ook ontbreken dubbele wanden waar vleermuizen tussen kunnen zitten. Foerageergebied en vliegroutes Het plangebied is redelijk geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Ook de omgeving is eveneens geschikt als foerageergebied, ondermeer door de afwisseling van bomenrijen langs de openbare weg, open weilanden, verschillende erven met woningen en bos. Vleermuizen gebruiken lijnvormige elementen om zich langs te verplaatsen, zoals bomenrijen en houtsingels, welke als vliegroute kan dienen. Deze zijn binnen het plangebied niet aanwezig.

Westbroekse Binnenweg tussen 86d en 88 te Tienhoven Concept

16

Kader - Foerageergebieden en vliegroutes Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd indien bij het verdwijnen ook een verblijfplaats ongeschikt wordt. Bijvoorbeeld door het onderbreken van een vliegroute wordt een foerageergebied onbereikbaar, waardoor de vleermuizen onvoldoende voedsel kunnen vinden. Bij het verdwijnen van foerageergebieden of vliegroutes wordt derhalve onderzocht of er voldoende bereikbare alternatieven zijn. Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige landschapselementen zoals bomenrijen en singels om zich langs te verplaatsen. Een aaneengesloten kronendak heeft hierbij de voorkeur. Van vleermuizen is bekend dat onderbrekingen in de lijnstructuur maximaal 100 tot 200 meter mogen bedragen (kleinere en langzaam vliegende soorten 50 meter). Wanneer de onderbrekingen groter zijn dan deze afstand kunnen sommige soorten deze afstand niet overbruggen en zullen ze uitwijken naar alternatieve vliegroutes en foerageergebieden.

Effecten en ontheffing Alle vleermuissoorten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming met beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Het opzettelijk verstoren, vangen en doden van individuen van beschermde soorten, alsmede het beschadigen of vernielen van vaste verblijfplaatsen, inclusief de functionele leefomgeving, is verboden vanuit de Wet natuurbescherming. De functionaliteit van de verblijfplaatsen van vleermuizen dienen te allen tijde gegarandeerd te blijven. Door het ontbreken van oude grote bomen met geschikte holten en bebouwing met geschikte holten of kieren als spouwmuren en boeiboorden, biedt het plangebied geen potentie als functie voor verblijfplaatsen voor gebouw- en boombewonende vleermuizen. Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor vleermuis. Echter, doordat voldoende, geschikt alternatief foerageergebied nabij is, is het plangebied geen essentieel foerageergebied. Met het aanleggen van tuinen rondom de nieuwe woningen, blijft het gebied geschikt als foerageergebied. Negatieve effecten op vleermuizen kunnen op basis daarvan worden uitgesloten. Met de ontwikkeling zal in de nieuwe situatie de hoeveelheid licht toenemen. Van de bovengenoemde vleermuissoorten geldt dat ze voor het foerageren niet bijzonder gevoelig zijn voor verstoring door verlichting.

Om het gebied echter zo aantrekkelijk mogelijk te houden voor vleermuizen en andere nachtactieve soorten, wordt aanbevolen de hoeveelheid licht te beperken en verlichting te kiezen die niet uitstraalt naar de omgeving. Zie hiervoor het kader verlichting. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor vleermuizen niet noodzakelijk.

Westbroekse Binnenweg tussen 86d en 88 te Tienhoven Concept

17

Kader – Verlichting Een aantal nachtactieve dieren, zoals vleermuizen, uilen en marters, zijn gevoelig voor verlichting. Er zijn soorten die kunstlicht zoveel mogelijk vermijden, zoals de watervleermuis, en er zijn soorten die (in beperkte mate) rond lantaarnpalen jagen, zoals de rosse vleermuis. Bij het plaatsen van verlichting bij in- en/of uitvliegopeningen, vliegroutes en foerageergebieden kunnen barrières ontstaan waardoor de vleermuizen van de verblijfplaatsen, vliegroute en/of foerageergebied afzien.

Om lichthinder te voorkomen en het gebied aantrekkelijker te maken voor vleermuizen kunnen verschillende maatregelen getroffen worden:

-

verlichting alleen plaatsen waar het echt nodig is;

-

beperk verstrooiing het licht tot een minimum door gebruik van aangepaste armatuur;

-

geen verlichting plaatsen bij in- en/of uitvliegopeningen en vliegroutes.

verlichting alleen aan op momenten wanneer het nodig is (dynamische verlichting); verlaag de hoogte van de lichtmasten zodat boomkronen onverlicht blijven;

Hieronder staan enkele voorbeelden om lichtverstrooiing te voorkomen.

5.2.2 Grondgebonden zoogdieren Voorkomen en functie Op basis van het aanwezige biotoop, sporen, literatuurgegevens en expertise zijn onder andere de volgende algemeen voorkomende zoogdieren binnen het plangebied aanwezig of te verwachten: haas, konijn, egel en diverse algemene muizen. Deze soorten kunnen van het plangebied gebruik maken als (onderdeel van hun) leef- en foerageergebied. Daarnaast kunnen een aantal het plangebied gebruiken als migratieroute. Deze soorten zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming en vallen onder het beschermingsregime ‘andere soorten’. In de provincie Utrecht is voor deze soorten bij een ruimtelijke inrichting een vrijstelling van ontheffingsplicht opgesteld. Andere beschermde soorten, als steenmarter, boommarter of waterspitsmuis worden niet in het plangebied verwacht. In en rond het plangebied zijn geen verblijfplaatsen of aanwijzingen zoals sporen of latrines, van deze marterachtigen aangetroffen. Mogelijk maakt het plangebied wel onderdeel uit van het leefgebied van de betreffende soort, zoals een migratieroute. Door de aanwezigheid van voldoende geschikt alternatief leefgebied in de omgeving, is er geen sprake van

Westbroekse Binnenweg tussen 86d en 88 te Tienhoven Concept

18

een essentiële functie. Ook voor waterspitsmuis ontbreekt geschikt habitat als schoon, niet te voedselrijk water met een goed ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen van das bekend, met name ten noorden van het plangebied, nabij Tienhoven. Het plangebied is niet geschikt voor het maken van (bij) burchten en vluchtpijpen door het ontbreken van hellingen en terreinverhogingen en een vergraafbare zandbodem. Burchten of sporen als pijpen zijn dan ook niet aangetroffen. Das vindt zijn voedsel vooral op bemeste grasweiden (regenwormen) en in maïsakkers (maïskolven) van het agrarische gebied. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen, als uitwerpselen of pootafdrukken, van das aangetroffen. Mogelijk maakt het plangebied wel onderdeel uit van leefgebied, zoals migratieroute, van das al is het plangebied door de aanwezige watergangen rondom niet geschikt als route. Ook is veel verstoring aanwezig vanwege de bebouwing (kassencomplex en waterbassin) binnen het plangebied en de directe omgeving van het plangebied biedt voldoende geschikt (alternatief) leefgebied. Effecten en ontheffing De ingreep zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van de genoemde (algemeen) voorkomende zoogdieren met het beschermingsregime andere soorten.

Voor deze beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Utrecht een vrijstelling van ontheffingsplicht opgesteld. Voor de soorten met een bescherming als steenmarter, boommarter, das en waterspitsmuis geldt dat negatieve effecten zijn uit te sluiten. Verblijfplaatsen en essentieel leefgebied zijn niet aangetroffen en worden door het ontbreken van houtopstanden, bosschages, hellingen, burchten en geschikte watergangen en oevers ook uitgesloten. Mogelijk maakt het plangebied wel onderdeel uit van het leefgebied van das, steenmarter en boommarter. Dit betreft echter geen essentieel leefgebied vanwege voldoende geschikt alternatief in de omgeving. Een negatief effect op beschermde grondgebonden zoogdieren is daarom uitgesloten. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is voor grondgebonden zoogdieren niet noodzakelijk.

5.3 Vogels Voorkomen en functie Alle vogels zijn als soort beschermd in de Wet natuurbescherming. Onderscheid kan gemaakt worden tussen broedvogels en vogels met jaarrond beschermde nesten. Vogels met jaarrond beschermde nesten komen elk jaar terug bij hun nest. Dit nest mag dus ook niet buiten het broedseizoen verwijderd worden. Broedvogels De aangetroffen vogels binnen en direct rondom het plangebied vallen onder de algemene broedvogels van bossen, struwelen en parken. Onder andere de volgende vogelsoorten kunnen gebruik maken van het plangebied; ekster, houtduif, koolmees, merel, pimpelmees, roodborst en winterkoning. De watergangen zijn geschikt voor meerkoet en waterhoen.

Westbroekse Binnenweg tussen 86d en 88 te Tienhoven Concept

19

Vogels met jaarrond beschermde nesten Verblijfplaatsen van vogelsoorten, of aanwijzingen (braakballen of uitwerpselen) hiertoe, die jaarrond van vaste rust- en verblijfplaatsen gebruik maken, zoals buizerd en kerkuil, zijn niet aangetroffen binnen het plangebied en worden op basis van de aanwezige terreintypen, verruigd weiland met kassencomplex, ook niet verwacht. Het kassencomplex en de silo zijn ook niet geschikt voor huismussen en gierzwaluwen, die voor hun nestlocatie gebruik maken van bebouwing. Zo ontbreken pannen, of dakbeschot waar de soorten onder en achter kunnen kruipen. Mogelijk dat enkele soorten met jaarrond beschermde nesten, zoals buizerd, kerkuil en huismus, wel van het plangebied gebruiken als onderdeel van hun leefgebied, zoals foerageergebied. Effecten en ontheffing Broedvogels Alle vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, of nesten van vogels wegnemen. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Deze verbodsbepalingen kunnen in veel situaties worden voorkomen door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. De periode van 15 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. Voor de Wet natuurbescherming zijn echter alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en ongeacht de zeldzaamheid van de soort. Vogels met jaarrond beschermde nesten Van een aantal vogelsoorten zijn de nesten het hele jaar door beschermd, zoals buizerd en kerkuil. Ook de functionele leefomgeving is daarbij beschermd. Bij de aantasting van de nestlocatie en/of de functionele leefomgeving is een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk. Jaarrond beschermde nesten van roofvogels, uilen, huismussen en gierzwaluwen kunnen in het plangebied worden uitgesloten. Er is geen sprake van negatieve effecten op deze nesten. Mogelijk foerageren deze soorten wel in het plangebied. Echter, doordat voldoende, geschikt alternatief foerageergebied nabij is, is het plangebied geen essentieel foerageergebied. Conclusie: bij de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met (in gebruik zijnde) nesten van vogels.

5.4 Reptielen Voorkomen en functie Beschermde reptielen als levendbarende hagedis, gladde slang en ringslang zijn gebonden aan specifieke terreinen. Voor levendbarende hagedis en gladde slang ontbreekt er in het plangebied geschikt biotoop zoals (droge) heideterreinen en zandgronden. Ringslang is een watergebonden slang. Zijn voorkeurshabitat bestaat uit zandgronden en de overgangen van zandgrond naar veenen kleigronden. Ringslang is zowel ten noorden, in de Molenpolder, als ten oosten, in de

Westbroekse Binnenweg tussen 86d en 88 te Tienhoven Concept

20

Gagelpolder, van het plangebied waargenomen. Door het ontbreken van composthopen, bladhopen en mestvaalten, kunnen verblijfplaatsen van ringslang binnen het plangebied worden uitgesloten. Wel kan ringslang het plangebied gebruiken als leefgebied, zoals foerageergebied en migratieroute. Met name langs de oevers en watergangen. Effecten en ontheffing Vanwege het ontbreken van geschikt habitat, kunnen beschermde reptielen als levendbarende hagedis en gladde slang in het plangebied worden uitgesloten. Het plangebied is voor ringslang geschikt als leefgebied, zoals foerageergebied en migratieroute, met name langs de oevers en watergang. Vaste rust- en voortplantingsplaatsen zijn afwezig. Voor het verstoren van het leefgebied van ringslang is geen ontheffing nodig. Daarbij blijven de oevers en watergang grotendeels ongewijzigd waardoor deze kunnen blijven fungeren als foerageergebied en migratieroute. In de nieuwe situatie wordt het leefgebied voor ringslang verbeterd met de aanleg van natuurvriendelijke oevers. Met de ontwikkeling kunnen negatieve effecten op ringslang worden uitgesloten. Een ontheffing Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is voor reptielen niet noodzakelijk.

5.5 Amfibieën Voorkomen en functie Een aantal soorten zoals bruine kikker, bastaardkikker, gewone pad en kleine watersalamander kunnen het plangebied gebruiken als landbiotoop. In het plangebied zelf zijn geen waterelementen aanwezig, aan de buitenzijde van de zonneweiden worden natuurvriendelijke oevers aangelegd. Deze soorten zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming en vallen onder het beschermingsregime andere soorten. In de provincie Utrecht is voor deze soorten bij een ruimtelijke inrichting een vrijstelling van ontheffingsplicht opgesteld. Heikikker Heikikker is in de Molenpolder (noordwestkant plangebied) als bij de Maarsseveensche Plassen (zuidwest kant plangebied) waargenomen. De voorkeurshabitat voor de beschermde amfibie heikikker kan in grote lijnen worden geschetst als schraal, ietwat ruig en vochtig. Het voorkeurshabitat bestaat vooral uit heide, hoogveen, laagveen en half natuurlijk grasland, maar ook bos en struweel, alles met een hoge grondwaterstand. Tijdens het veldbezoek zijn geen exemplaren van heikikker aangetroffen. Echter, is heikikker een soort die met name actief is in het vroege voorjaar. Rugstreeppad In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen van rugstreeppad bekend. Rugstreeppad heeft een voorkeur voor onbeschaduwde, laagbegroeide terreinen, goed vergraafbare (met name zanderige) bodem en snel opwarmende bodemplaatsen.

Soms wordt bouwmateriaal gebruikt om onder te schuilen. Voorkeurslocaties zijn met name braakliggende bouwterreinen, groeven en zand- en kleiafgravingen, (rivier)duinen en uiterwaarden. De voortplantingslocaties kenmerken zich over het algemeen als wateren die zich in de pionierfase bevinden: ondiepe, meestal geheel vegetatieloze, meestal tijdelijke watertjes, zoals volgelopen greppels, regenplassen en rijsporen.

Westbroekse Binnenweg tussen 86d en 88 te Tienhoven Concept

21

In graslandgebieden plant de soort zich voort in zeer recent geschoonde sloten. De watergangen rond het plangebied hebben een vrij steile oever waardoor een plasdraszone ontbreekt. De watergangen staan in verbinding met andere watergangen in de omgeving waardoor geïsoleerde, visloze delen ontbreken. Ook zijn op het terrein geen geïsoleerde waterplassen aanwezig waar rugstreeppad gebruik van kan maken voor de afzet van eieren. Tijdens het veldbezoek zijn geen exemplaren van rugstreeppad aangetroffen. Er is geen geschikt habitat aanwezig voor overige beschermde amfibieën. Effecten en ontheffing De ingreep zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van de genoemde (algemeen) voorkomende amfibieën met het beschermingsregime andere soorten. Voor deze beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Utrecht een vrijstelling van ontheffingsplicht opgesteld. Heikikker In de omgeving van het plangebied komt de heikikker voor. Extensief beheerd landgebouwgebied is geschikt habitat voor heikikkers. Het plangebied is altijd intensief beheerd en in gebruik geweest en daardoor onaantrekkelijk voor heikikkers als rust- of foerageerlocatie. In de huidige situatie zijn alleen de plekken rond het kassencomplex en het waterbassin verruigd. Open water, dat kan worden gebruikt als voortplantingswater, ontbreekt in het plangebied.

Hiermee ontbreken ook geschikte oevers voor volwassen individuen en juveniele heikikkers, die voornamelijk op en langs oevers van voortplantingswateren te vinden zijn. Hoewel de watergangen matig geschikt zijn, wordt een extra veldbezoek uitgevoerd in het vroege voorjaar om een goed beeld te krijgen van heikikker in de directe omgeving van het plangebied. Rugstreeppad In de omgeving van het plangebied komt rugstreeppad voor. Door het ontbreken van onbeschaduwde, laagbegroeide terreinen met goed vergraafbare (met name zanderige) bodem, geschoonde sloten in en direct rondom het plangebied en een begroeid grevelpad, wordt uitgesloten dat het plangebied essentieel onderdeel uitmaakt van de functionele leefomgeving van de rugstreeppad. Om het gebied niet aantrekkelijker te maken voor rugstreeppad en vestiging van de soort te voorkomen, wordt aanbevolen het gebied te onderhouden en niet verder te laten verruigen en te voorkomen dat open, ondiepe wateren ontstaan waar rugstreeppad in kan voortplanten. Zorg er ook voor dat er geen grote, open zanderige plekkenontstaan waar rugstreeppad in kan vergraven (overwinteren). Bijvoorbeeld kan het plangebied worden gemaaid. Dit dient dan wel buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd om andere soorten als broedende vogels niet te verstoren.

Andere beschermde amfibieën worden uitgesloten in het plangebied vanwege het aanwezige ongeschikte habitat voor deze soorten. Er zijn ook geen verspreidingsgegevens bekend van beschermde amfibieën rondom het plangebied. Conclusie: Er is een nader veldbezoek in het vroege voorjaar nodig om de een beeld te krijgen van heikikker in de directe omgeving van het plangebied. Nader onderzoek naar andere soorten amfibieën of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet

Westbroekse Binnenweg tussen 86d en 88 te Tienhoven Concept

22

noodzakelijk. Aanbevolen wordt open zanderige plekken en geïsoleerde waterplassen het plangebied te voorkomen om vestiging van rugstreeppad te voorkomen.

5.6 Vissen Voorkomen en functie Aan de buitenzijde van de zonneweiden worden natuurvriendelijke oevers aangelegd. Deze worden daarmee deels vergraven; het grootste deel van de watergang blijft behouden. Binnen het plangebied is een waterbassin aanwezig. Het waterbassin vult zich door middel van regenwater en water van de kas (via het drainagesysteem in de bodem van de kas) en heeft geen verbinding met (andere) watervoerende elementen zoals de watergangen om het plangebied heen. Derhalve ontbreekt geschikt leefgebied voor vissen en zijn deze dan ook niet aanwezig. Effecten en ontheffing Doordat een zijde van de oevers wordt vergraven, blijft geschikt biotoop voor vissen aanwezig. Daarmee hebben vissen geen negatief effect van de tijdelijke werkzaamheden en hebben de natuurvriendelijke oevers juist een gunstig effect op het biotoop. Er is dan ook geen sprake van negatieve effecten op beschermde vissen. Een ontheffing Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is voor beschermde vissen niet noodzakelijk.

5.7 Ongewervelden Voorkomen en functie Van de groep ongewervelden (dagvlinders, libellen, kevers, kreeftachtigen en weekdieren) worden beschermde soorten als gevlekte witsnuitlibel en nauwe korfslak niet verwacht door het ontbreken van geschikt habitat dat onder andere bestaat uit heideterreinen, venranden en goed ontwikkelde watergangen en oevers. Hoewel er van de platte schijfhoren ten noorden van het plangebied, rondom de Maarsseveense Plassen, waarnemingen bekend zijn, worden ook deze in het plangebied uitgesloten vanwege het ontbreken van geschikt biotoop dat bestaat uit goed ontwikkelde watergangen en oevers. Effecten en ontheffing Binnen het plangebied is geen geschikt habitat aanwezig voor beschermde ongewervelden als gevlekte witsnuitlibel, nauwe korfslag en platte schijfhoren waardoor negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Met het graven van natuurvriendelijke oevers wordt juist in meer geschikt habitat voorzien. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is voor beschermde ongewervelden niet noodzakelijk.

Westbroekse Binnenweg tussen 86d en 88 te Tienhoven Concept

23

6 Beschermde gebieden – Natura 2000 Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de mogelijke effecten van de ontwikkeling op de relevante Natura 2000-gebieden. Het plangebied ligt nabij Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen. Het gebied is aangewezen als een Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijngebied vanwege de hoge natuurwaarden. Binnen het aanwijzingsbesluit van dit gebied zijn voor 10 habitattypen, 11 habitatsoorten en 9 broedvogelsoorten instandhoudingsdoelen vastgelegd. In het gebied bevinden zich door turfwinning ontstane meren en plassen, meest met een zandondergrond, sommige aanzienlijk verdiept door zandwinning. De combinatie van rivierinvloeden en invloeden van het watersysteem van de zandgronden heeft een rijke schakering van typen van moeras en moerasvegetaties doen ontstaan.

In het gebied zijn twee belangrijke gradiënten te onderscheiden: van noord naar zuid loopt een gradiënt van meer gesloten gebied (bos) naar meer open landschap (grasland, trilveen en rietland), terwijl van west naar oost een gradiënt is te zien van toenemende kwel (in petgaten en trilvenen). Belangrijk broedgebied voor broedvogels van rietmoerassen (roerdomp, purperreiger) en zeer belangrijk voor broedvogels van moerassen met veel waterriet en lange oeverlijnen (woudaap, grote karekiet). Ook van enig belang als broedgebied voor enkele andere moeras- en watervogels (porseleinhoen, zwarte stern, ijsvogel). (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2018). Algemene instandhoudingsdoelen Voor Natura 2000-gebieden is een aantal algemene instandhoudingsdoelen geformuleerd: • Behoud van de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de biologische diversiteit en aan de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie. • Behoud van de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de ecologische samenhang van het Natura 2000-netwerk, zowel binnen Nederland als binnen de Europese Unie. • Behoud en waar nodig herstel van de ruimtelijke samenhang met de omgeving ten behoeve van de duurzame instandhouding van de in Nederland voorkomende natuurlijke habitattypen en soorten.

• Behoud en waar nodig herstel van de natuurlijke kenmerken en van de samenhang van de ecologische structuur en functies van het gehele gebied voor alle habitattypen en soorten waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn geformuleerd. • Behoud of herstel van gebiedsspecifieke ecologische vereisten voor de duurzame instandhouding van de habitattypen en soorten waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn geformuleerd.

Westbroekse Binnenweg tussen 86d en 88 te Tienhoven Concept

24

6.1 Instandhoudingsdoelen Oostelijke Vechtplassen De kernopgaven bestaan uit: • Behoud en herstel van samenhang tussen slaapplaatsen en foerageergebieden in het bijzonder voor grasetende watervogels en meervleermuizen (de belangrijkste kraamkamerfunctie en slaapfunctie van de meervleermuis ligt vooral in gebouwen buiten de Natura 2000-gebieden). Voor afgesloten zeearmen en randmeren behoud van de specifieke betekenis van de verschillende onderdelen voor habitattypen en vogels. Herstel van mozaïek van verlandingsstadia van open water tot moerasbos en herstel van gradiënt watertypen (inclusief brak) met name in het deellandschappen Laagveen. • Nastreven van een meer evenwichtig systeem (waterkwaliteit, waterkwantiteit en hydromorfologie): waterplantengemeenschap (voor kranswierwateren H3140 en meren met krabbenscheer en fonteinkruiden H3150), zwarte stern A197, platte schijfhoren H101X en vissen zoals o.a. bittervoorn H1134, grote modderkruiper H1145, kleine modderkruiper H1149 en insecten, zoals gevlekte witsnuitlibel H1042 en gestreepte waterroofkever H1082.

• Alle successiestadia laagveenverlanding in ruimte en tijd vertegenwoordigd: overgangsen trilvenen (trilvenen en veenmosrietlanden) H7140_A en H7140_B met onder meer grote vuurvlinder H1060, groenknolorchis H1903 en vochtige heiden (laagveengebied) H4010_B, blauwgraslanden H6410, galigaanmoerassen *H7210 en hoogveenbossen H91D0, in samenstelling met gemeenschappen van open water. • Herstel van grote oppervlakten/brede zones overjarig riet, inclusief waterriet, door herstel van natuurlijke peildynamiek en tegengaan verdroging door rietmoerasvogels, zoals roerdomp A021, purperreiger A029, snor A292, grote karekiet A298 en voor de noordse woelmuis *H1340. • Herstel inundatie, behoud en nieuwvorming blauwgraslanden H6410, glanshaver- en vossenstaarthooilanden (grote vossenstaart) H6510_B, met name kievitsbloemhooilanden, mede als leefgebied van de kemphaan A151 en watersnip A153. (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2018).

6.2 Habitats en habitatsoorten 6.2.1 Habitattypen Aan het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen zijn 10 habitattypen toegewezen; ▪ Kranswierwateren (H3140) ▪ Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden (H3150) ▪ Vochtige heiden (laagveengebied, H4010B) ▪ Blauwgraslanden (H6410) ▪ Ruigten en zomen (moerasspirea, H6430A), ▪ Ruigten en zomen (harig wilgenroosje, H6430B) ▪ Overgangs- en trilvenen (trilvenen, H7140A) ▪ Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden, H7140B) ▪ *Galigaanmoerassen (H7210) ▪ *Hoogveenbossen (H91D0) Westbroekse Binnenweg tussen 86d en 88 te Tienhoven Concept

25

Zie Bijlage 3 voor nadere informatie van de staat van instandhouding en doelstellingen. Het plangebied ligt op circa 300 meter van Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen. Het dichtstbijzijnde aangewezen habitattype is Hoogveenbossen, op circa 600 meter afstand van het plangebied. Habitattypen kranswierwateren, meren met krabbenscheer en fonteinkruid, overgangs- en trilvenen (trilvenen en veenmosrietlanden) en galigaanmoerassen liggen binnen een straal van 1 kilometer van het plangebied. De overige aangewezen habitattypen liggen op minstens 1 kilometer van het plangebied. De verschillende habitattypen zijn allen gevoelig voor oppervlakte verlies, versnippering, chemische effecten en verstoring door mechanische effecten. Het tussenliggende gebied bestaat uit weilanden met sloten, woningen met erven, een bungalowpark en openbare wegen met straatverlichting. Effecten Directe effecten op de kwalificerende habitattypen zijn bij voorbaat al uit te sluiten. De geplande ontwikkeling vindt plaats binnen de grenzen van het plangebied. Doordat de afstand tot het dichtstbijzijnde aangewezen habitattype 600 meter is, is er geen sprake van verlies aan oppervlakte, versnippering van de habitattypen of sprake van mechanische effecten door betreding of op andere wijze.

Er worden beperkt werkzaamheden aan de oevers en watergangen rondom het plangebied uitgevoerd; slechts de buitenzijde van de zoneweiden worden vergraven tot natuurvriendelijke oevers. Er is geen sprake van verstoring door chemische effecten via water. In de huidige situatie zijn meerdere objecten en gebouwen, als woningen en het bungalow park in tussenliggend gebied aanwezig. Ook is er in het tussenliggende gebied een openbare weg met straatverlichting aanwezig. Door de aanwezige weg met straatverlichting, bungalowpark, bosrand en aanwezige huizen, worden de geluid-, licht en optische verstoringen opgevangen door de omgeving. Hierdoor is er geen sprake van negatieve (significante) effecten van de geplande ontwikkeling tijdens de aanlegfase (bouw van de woningen) en de gebruiksfase (bewoning van de woningen) voor instandhouding van de habitattypen in het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen.

6.2.2 Habitatsoorten Aan Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen zijn de volgende 11 habitatsoorten toegewezen: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

zeggekorfslak gevlekte witsnuitlibel gestreepte waterroofkever bittervoorn grote modderkruiper

▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

kleine modderkruiper rivierdonderpad meervleermuis noordse woelmuis groenknolorchis platte schijfhoren

Zie Bijlage 3 voor nadere informatie van de staat van instandhouding en doelstellingen.

Westbroekse Binnenweg tussen 86d en 88 te Tienhoven Concept

26

Het plangebied ligt op circa 300 meter van Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen. Het tussenliggende gebied bestaat uit weilanden met sloten, woningen met erven, een bungalowpark en openbare wegen met straatverlichting. Voor alle habitatsoorten geldt dat zij in meer en mindere mate gevoelig zijn voor verstoringen als oppervlakte verlies, versnippering, chemische effecten, optische verstoring, en/of verstoring door geluid, licht, trilling en/of mechanische effecten. Effecten aanlegfase De geplande ontwikkeling vindt plaats binnen de grenzen van het plangebied. Doordat de afstand tot het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen 300 meter is, is er geen sprake van verlies aan oppervlakte, sprake van versnippering of door mechanische effecten als betreding van het natuurgebied. Er worden beperkt werkzaamheden aan de oevers en watergangen rondom het plangebied uitgevoerd; slechts de buitenzijde van de zoneweiden worden vergraven tot natuurvriendelijke oevers. Er is geen sprake van verstoring door chemische effecten via water. Ook wordt geschikt leefgebied van de soorten niet aangetast maar juist verbeterd. Gekwantificeerde habitatsoorten als bittervoorn, grote modderkruiper, kleine modderkruiper, meervleermuis, rivierdonderpad en zeggekorfslag zijn gevoelig tot zeer gevoelig voor verstoring door trilling.

De nieuwe woningen worden op palen gefundeerd, wat trillingen veroorzaakt. De mate van trilling is afhankelijk van de keuze de fundatie door middel van heien of bijvoorbeeld door schroefdraaien uit te voeren; heien veroorzaakt meer trilling dan schroefdraaien. Echter, de afstand tot het Natura 2000-gebied en de bufferwerking van het tussenliggende gebied zorgen er voor dat de effecten op het natuurgebied door funderen te verwaarlozen zijn. Daarbij is funderen van tijdelijke aard (enkele dagen voor het bouwen van vier woningen). Negatieve effecten door trilling op de instandhoudingsdoelstellingen van deze habitatsoorten worden daarom niet verwacht. Bij het bouwen van de woningen worden machines ingezet. In de huidige situatie is er geen sprake van verkeer in het plangebied. Voorheen, toen het kassencomplex in gebruik was, was er sprake van geluid en licht in het gebied en verkeersbewegingen van en naar het gebied. Daardoor was er sprake van geluid, licht en verstoring door verkeer rondom het natuurgebied. In de aanlegfase kan dit toenemen. Echter door de aanwezige weg met straatverlichting, bungalowpark, bosrand en aanwezige huizen en de tijdelijke aard van de werkzaamheden, worden de geluid-, licht en optische verstoringen opgevangen door de omgeving.

Hierdoor is er geen sprake van negatieve (significante) effecten van de geplande ontwikkeling tijdens de aanlegfase (bouw van de woningen) voor instandhouding van de habitatsoorten. Effecten gebruiksfase De geplande ontwikkeling vindt plaats binnen de grenzen van het plangebied. Doordat de afstand tot het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen 300 meter is, is er geen sprake van verlies aan oppervlakte, sprake van versnippering of door mechanische effecten als betreding van het natuurgebied. Ook wordt geschikt leefgebied van de soorten niet aangetast. In de huidige situatie is reeds sprake van optische verstoring door het bestaande kassencomplex. Toen het kassencomplex nog in gebruik was, was er in het plangebied sprake van geluid door dagelijkse werkzaamheden, verkeersbewegingen en licht vanuit het kassencomplex. Met de

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/2061/documents/44633