CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Toelichting.pdf

Raad 5 maart 2024, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: 11.: Vaststelling bestemmingsplan Haarrijnweg 5 Maarssenbroek16.283 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Tevens is gebleken dat zowel in de huidige als in de toekomstige situatie de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet wordt overschreden en het groepsrisico niet toeneemt. Beperkte verantwoording groepsrisico Ingevolge artikel 7 en 8 kan een volledige verantwoording van het groepsrisico achterwege blijven als de verandering van de dichtheid van personen met niet meer dan 10% toeneemt en de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. Wel is het wenselijk het groepsrisico van de in de 10-8/j plaatsgebonden risicocontour liggende bebouwing zoveel mogelijk te minimaliseren. Beheersbaarheid / bestrijdbaarheid De Veiligheidsregio Utrecht adviseert om bij de verdere uitwerking van het plan contact met hen op te nemen om te bepalen of de bereikbaarheid voldoende is. Wel is het van belang dat zich in het plangebied voldoende bluswatervoorzieningen bevinden. De VRU concludeert dat de dichtstbijzijnde bluswatervoorziening op circa 125 meter afstand ligt. Het open water in de directe omgeving is niet geschikt om te dienen als eerste bluswatervoorziening. De VRU concludeert dat er een extra bluswatervoorziening gerealiseerd dient te worden in samenspraak met de VRU. Er dient contact te worden opgenomen met de afdeling Team Operationele Voorbereiding.

32

Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen en/of er een explosie plaatsvindt, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde toxische incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. Immers, schuilen binnen de afgesloten bebouwing zal in beginsel de beste manier zijn om de calamiteit te overleven. Schuilen binnen de locatie is mogelijk binnen de nieuwbouw, zeker gezien het feit dat de bebouwing als gevolg van de hedendaagse energieprestatie-eisen goed geïsoleerd is en derhalve voldoet aan de nodige veiligheidseisen. Dit advies is ook van toepassing op het brandbare scenario. Mocht vluchten noodzakelijk zijn, dan is het plangebied naar meerdere zijden te ontvluchten.

Bestaande (vlucht)wegen van de risicobron af, in dit geval richting westen naar omliggende percelen en buurten, behoren tot de mogelijkheden om de zelfredzaamheid te vergroten. Voor de aanwezige personen is in het geval van een dreigende explosie of een plasbrand hun gebied te ontvluchten. Zij kunnen dit van de risicobron af doen door te vluchten via de weg lang de vaart en het fietspad naar de Zwanenkamp. In dit plan zijn woningen opgenomen met mogelijk een zorgfunctie (op afstand). De bewoners kunnen in redelijke mate zelfstandig wonen en hebben dan ook kennis over vluchtroutes. Het bedrijfsnoodplan dient de beschreven ongeval scenario’s te bevatten evenals de benodigde bouwkundige, installatietechnische en organisatorische maatregelen. Advies veiligheidsregio Ten tijde van het opvragen van het advies van de veiligheidsregio, maakten MOBWunits onderdeel uit van het plan. De veiligheidsregio heeft geadviseerd om te kijken naar de zelfredzaamheid van de kwetsbare groep die in deze units gaat wonen. De toekomstige bewoners behoeven geen 24-uurs aanwezigheid van een zorgverlener. Daarmee is dit deel van het advies van de veiligheidsregio niet meer van toepassing op voorliggend plan. De reactie van de Veiligheidsregio is verwerkt in het onderzoek externe veiligheid en bovenstaande tekst.

Tevens worden de overige aanbevelingen meegenomen bij de verdere uitwerking van het plan en getoetst bij de aanvraag van de omgevingsvergunning. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

33

4.7

Water Algemeen In het kader van het Nationaal Bestuursakkoord Water moet bij ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de waterhuishouding niet negatief wordt beïnvloed door de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Dit is vastgelegd in het procesinstrument ‘de Watertoets’. Europese kaderrichtlijn water (2000) De Kaderrichtlijn Water biedt het instrumentarium om oppervlaktewater en grondwater in zowel kwalitatief als kwantitatief opzicht te beschermen en te verbeteren. Ook het bevorderen van een duurzaam watergebruik, op basis van bescherming van de beschikbare waterbronnen en de afzwakking van de gevolgen van overstromingen en perioden van droogte vormen belangrijke doelstellingen. Om deze doelen te realiseren, reikt de richtlijn diverse instrumenten aan, zoals maatregelenprogramma's, stroomgebiedbeheersplannen, monitoringverplichtingen en economische analyses van het watergebruik inclusief de kostenterugwinning van waterdiensten. Rijksbeleid - Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen.

In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 wordt allereerst de nationale belangen opgesomd: − waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); − waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; − waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; − in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; − realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; − Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; − Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities: 1 Een veilige en klimaatbestendige delta: Naast bescherming tegen overstromingen is de ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht is. In het Deltaprogramma is afgesproken dat overheden stresstesten uitvoeren om de risico’s in kaart te brengen en een adaptatiestrategie met een uitvoeringsprogramma opstellen 2 Een concurrerende, duurzame en circulaire delta: een goede zoetwatervoorziening is van groot belang voor de economie.

Nederland moet in 2050 weerbaar zijn tegen zoetwatertekorten. Daarom werkt het Rijk in de planperiode van het NWP samen met de zoetwaterregio’s en de gebruikers aan maatregelen om ervoor te

34

zorgen dat Nederland ook in droge perioden over voldoende zoetwater beschikt voor bijvoorbeeld landbouw, natuur, historisch groen, industrie en scheepvaart. 3 Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur: Het Rijk werkt aan schoon en ecologisch gezond (grond)water voor duurzaam gebruik en een leefomgeving van hoge kwaliteit. In de planperiode van het NWP wordt gewerkt aan structurele vermindering van lozingen en verspreiding van opkomende stoffen, onder andere via het Actieprogramma PFAS in water. Het beleid voor grondwaterkwaliteit is erop gericht verontreiniging van bodem en grondwater zo veel mogelijk te voorkomen. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. Daarnaast hebben de vijf volgende thema’s een centrale rol in dit waterprogramma: 1 Klimaatadaptatie; 2 Waterveiligheid; 3 Zoetwater; 4 Grondwater; 5 Scheepvaart. Een integrale aanpak van samenhangende nationale en regionale opgaven vereist een gebiedsgerichte aanpak. Daarom zijn voor de rijkswateren in dit Nationaal Waterprogramma gebiedsgerichte uitwerkingen opgenomen. Het gaat om de Noordzee, de Zuidwestelijke Delta, de Rijn-Maasmonding, de grote rivieren, het IJsselmeergebied, de Waddenzee en Eems-Dollard en de Kanalen in het beheer van het Rijk.

Deze zijn verbonden met de diverse gebiedsgerichte programma’s en uitwerkingen onder het Nationaal Waterprogramma, zoals de Gebiedsagenda’s Grote Wateren. Voor de overige wateren van Nederland wordt in andere programma’s de gebiedsgerichte uitwerking van het waterbeleid meegenomen. In de eerste plaats in de Omgevingsagenda’s onder de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). In het coalitieakkoord van eind 2021 is aangegeven dat de komende jaren structureel meer budget wordt uitgetrokken voor instandhouding van wegen, spoor, hoofdwatersysteem en vaarwegen. Het structureel extra budget loopt op via een geleidelijk ingroeimodel. De budgettaire kaders voor instandhouding zijn daarmee verruimd. Voor het Hoofdwatersysteem en het Hoofdvaarwegennet zal I&W binnen deze budgettaire kaders nog aanvullende keuzes moeten maken om de instandhoudingsopgaven op termijn beheersbaar te houden. Provinciaal beleid - Regionaal Waterprogramma Noord-Holland 2022-2027 Het Regionaal Waterprogramma (RWP) 2022 – 2027 Provincie Noord-Holland is op 31 januari 2022 vastgesteld. In het Provinciaal Waterprogramma 2022-2027 zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Noord- Holland.

35

Het Waterplan is onderverdeeld in drie deelprogramma’s: 1 Deelprogramma oppervlaktewater: daarin zijn de rol van verschillende overheidsinstanties toegelicht met samenwerkingsverbanden. Verschillende speerpunten worden benoemd. Voorbeelden van deze opgaven zijn agrarisch waterbeheer, waterkwaliteit en circulaire economie 2 Deelprogramma grondwater: de provincie wilt zich openstellen voor grote maatschappelijke verandering zoals bodemenergie of industriële toepassingen, met respect voor drinkwatervoorzieningen. Verder bestaat het doel om geen uitputting van grondwatervoorraden te krijgen. 3 Deelprogrammaoverstromingsrisico’s: bij dit programma speelt de normering en de samenwerkingsverbanden met betrekking tot waterveiligheid een centrale rol. In het plan zijn deze programma’s verder uitgewerkt in subthema’s, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de provincie Noord-Holland In de Omgevingsverordening is onder andere regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen.

Voor bestemmingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken, Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van de waterschappen. Waterschapsbeleid – Waterbeheerprogramma 2022-2027 Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden Op 22 december 2021 is het waterbeheerprogramma (WBP) van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: − Zuiver afvalwater: Bij dit programma speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol met oog voor circulaire economie en energieneutraliteit. − Robuust en gezond watersysteem: Dit programma draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op het tegengaan van de bodemdaling, het bevorderen van biodiversiteit en een gezond (grond)water. − Waterveiligheid: Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem.

Het programma is, naast deze thema’s; in verschillende deelgebieden uitgewerkt. De aanpak en de visie per deelgebied zijn toegelicht om de opgaven op te kunnen pakken. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; verordening, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.

36

Beleidskader gemeente Stichtse Vecht Gemeenten hebben op grond van de Wet milieubeheer (Wm) een zorgplicht voor de inzameling van stedelijk afvalwater en op grond van de Waterwet een zorgplicht voor hemelwater en een zorgplicht voor grondwater. De wijze waarop een gemeente invulling geeft aan de zorgplichten wordt o.a. weergegeven in het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) en het grondwaterbeleidsplan. In het grondwaterbeleidsplan geeft de gemeente Stichtse Vecht aan hoe zij invulling geeft aan de grondwaterzorgplicht. Het rioleringsplan beschrijft hoe de gemeente haar zorgplichten voor het afvalwater, regenwater en grondwater invult. Het GRP geeft inzicht in de aanleg, tijdige vervanging, verbeteringen, beheer en onderhoud van de riolering en in de kosten van al deze facetten. Daarnaast behoren ook het voorkomen van verontreiniging van afstromend hemelwater of het stimuleren van perceeleigenaren om hemelwater op het eigen perceel te verwerken tot de taken. Een goed functionerend oppervlaktewatersysteem is van belang om afstromend hemelwater op een effectieve manier te kunnen verwerken. Het GRP is het instrument waarmee de gemeentelijke taken worden plaats geven. In het GRP is opgenomen dat de grondeigenaar zelf verantwoordelijk is voor het op eigen perceel treffen van maatregelen voor de inzameling van stedelijk afvalwater en afwatering van hemel- en grondwater.

Zo is hij in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor het hemelwater wat op zijn terrein valt. Ook de gevolgen van overtollig grondwater of een lage grondwaterstand vallen onder de verantwoordelijkheid van de grondeigenaar. Pas als de particulier zich niet met redelijke inspanning van deze zorg kan ontdoen ligt er een taak voor de gemeente. Toetsing Voor de onderhavige ontwikkeling is een digitale watertoets 9 doorlopen, deze is als bijlage bij de toelichting opgenomen. Uit de digitale watertoets volgt dat het plan onder de normale procedure valt. Dit betekent dat nader overleg plaats moet vinden met Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden. Dit overleg heeft plaatsgevonden. Op basis daarvan is het plan aangepast zodat er voldoende watercompensatie in het plan aanwezig is. Beoogde situatie Het plan voorziet in de realisatie van 17 woningen op het perceel Haarrijnweg 5 in Maarssen. Het voorliggend plan voorziet in de directe compensatie van oppervlakte als gevolg van het dempen van een bestaande sloot.

9

SAB (2021) “Digitale watertoets”. 16 december 2021. 37

Watercompensatie bestaande watergang10 (Bron: SAB).

Tijdens het vooroverleg ter voorbereiding is echter gebleken dat een groter oppervlak gecompenseerd moet worden als gevolg van de verharding van het plangebied als gevolg van de planrealisatie. Daarbij is naar voren gekomen dat volgens de afspraken binnen het Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden, de inmiddels gesloopte bebouwing niet meer meegerekend mag worden. Dit leidt tot een aanzienlijk hogere compensatie dan aanvankelijk werd gedacht. Vooruitlopend op het plan is namelijk al een groot deel van de bebouwing, het voormalige, hondenpension, gesloopt. Na planrealisatie is er sprake van een toename van verharding van 2.404 m². In de geldende regels wordt uitgegaan van een compensatieplicht van 15%. Ten behoeve van deze compensatie zijn afspraken gemaakt met het Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden welke neergelegd zijn in de Memo Klimaat adaptief bouwen Haarrijnweg. Deze memo is als bijlage bijgevoegd.

10 Memo Klimaat adaptief bouwen Haarrijnweg

38

Plattegrond nieuwe situatie (Bron: Beeldkwaliteitsplan SAB)

Locatie specifieke eigenschappen Volgens het Actueel Hoogtebestand van Nederland (ahn), bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 0,65 meter - NAP. Aan de hand van grondwatertools (product van de Geologische Dienst Nederland – TNO) is de volgende tabel vastgesteld met betrekking tot het grondwater: Grondwaterpeilput

Meetperiode

B31G2366

01-08-2016 tot 07-044-2020 20-12-1994 tot 28-01-2000

B31G0259

Grondwaterstand (min./gem./max. m + NAP) -1,55 / -1,34 /-1,02

Maaiveld (in m + NAP) -0,47

Afstand gem. en max. grondwaterstand tot maaiveld 1,08 m en 0,55 m

-1,45 / -1,25 / -1,15

-0,40

1,05 m en 0,75 m

Tabel De dichtstbijzijnde omringende grondwaterpeilputten zoals te vinden op https://www.grondwatertools.nl/gwsinbeeld/. Met de minimale, gemiddelde en maximale grondwaterstand en de gemiddelde en maximale afstand tot het maaiveld.

De grondwaterstand heeft op basis van omliggende historische waarden op zijn hoogste punt een afstand van minimaal 0,55 meter tot het maaiveld en gemiddeld een afstand van minimaal 1,05 meter tot het maaiveld. Het bestemmingsgebied is in het verleden in gebruik genomen als dierenpension en was bebouwd met een boerderij en een schuur. De boerderij is nog altijd aan de noordzijde van het perceel aanwezig en wordt bewoond door de eigenaren. De schuur is inmiddels gesloopt. Het gedeelte ten westen en zuiden van de boerderij is deels

39

verhard, de rest van het perceel is onbebouwd en begroeid met bomen en struiken. Indien in de nieuwe plansituatie geen significante waterdoorlatendheid aanwezig is, dient de opvang van hemelwater op de plek van bestemming plaats te vinden. Als dit niet mogelijk is, zal gebruik moeten worden gemaakt van de gemeentelijke waterafvoer. Gescheiden riool is bij de locatie aanwezig hiervoor. Waterveiligheid Als gevolg van de klimaatverandering nemen de overstromingsrisico's toe. Binnen het plangebied liggen geen waterkeringen. Er hoeven daardoor ook geen regels opgenomen te worden ter bescherming van waterkeringen. Oppervlaktewater Uit de legger van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden blijkt dat er watergangen in (de directe omgeving van) het plangebied gelegen zijn. Hierdoor worden mogelijk waterbelangen van het Waterschap geraakt. Tevens geldt vanuit de IOPVU dat het plangebied is aangewezen als ‘overstroombaar gebied’. Voorliggend plan voorziet, met de realisatie van nieuwe woningen, in nieuwe kwetsbare functies. Met dit overstromingsrisico dient rekening gehouden te worden. Gezien meerdere belangen van het waterschap geraakt worden, is het noodzakelijk het plan en deze onderbouwing van de waterparagraaf af te stemmen met het Waterschap. Er heeft afstemming met het waterschap plaatsgevonden. Dit heeft geleid tot watercompensatie zoals hiervoor aangegeven.

Hemelwater In het bestemmingsplan worden voldoende infiltratiemogelijkheden in het plan verwezenlijkt. Zo is het ontwerp van het parkeerterrein groen en klimaat adaptief door onder andere het gebruik van decoratieve open grasbetonverharding, wat het regenwater makkelijk kan infiltreren. In totaliteit zal echter wel sprake zijn van een toename van de verharding, waardoor er waarschijnlijk minder infiltratiemogelijkheden zijn dan in de huidige situatie. Dit kan ten dele gemitigeerd worden door de beoogde beplanting op het gebouw en eventueel het zelf opvangen van regenwater. Echter zal de waterverwerking van het gebied waarschijnlijk afnemen en is het gewenst dat er gebruik wordt gemaakt van het gescheiden waterafvoersysteem van de gemeente. Om wateroverlast in de toekomst te voorkomen, is bij nieuwbouw een gemeentelijke voorkeur vanuit het GRP dat er een waterberging op eigen terrein komt die 10 mm water kan bergen per m² op de riolering aangesloten verhard oppervlak. In de beoogde situatie wordt circa 1.287 m² verhard oppervlak toegevoegd. Op eigen terrein is daarmee een berging van circa 13 m3 vereist. Grondwater Om grondwateroverlast te voorkomen wordt gestreefd naar een bepaalde minimale ontwateringsdiepte. De ontwateringsdiepte is het verschil tussen de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) en het bouwpeil en/of maaiveld.

De gemeente heeft minimaal gewenste ontwateringsdiepten vastgesteld voor gebieden met een ruime drooglegging (meer dan 1,0 meter) en voor gebieden met een geringe drooglegging (minder dan 1,0 meter). Onderhavig plangebied is gelegen in een gebied met een geringe drooglegging, waarvoor in het openbare gebied wordt gestreefd naar een

40

grondwaterpeil gelijk aan het oppervlaktewaterpeil met een maximale overschrijding van 25 cm. Waterkwaliteit Met de voorgenomen ontwikkeling worden geen functies mogelijk gemaakt die een bedreiging vormen voor de grondwaterkwaliteit. Gelet wordt op het gebruik van nietuitloogbare bouwmaterialen, om te voorkomen dat het hemelwater wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen. (Sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen mogen niet gebruikt worden op delen die met het hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen, of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Riolering Bij de nieuwbouw wordt hemelwater en afvalwater gescheiden aangeleverd. Het afvalwater zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater mogelijkerwijs wijzigen. Voor de berekening van het toekomstige aanbod en eventuele toename hierin, is voor de berekening uitgegaan van een gemiddeld verbruik van 120 liter per dag geproduceerd per persoon. Per woning wordt uitgegaan van een gemiddelde woningbezetting van 2,5 bewoners.

Dit betekent dat er dus 2,5 x 120 liter = 300 liter per dag per woning wordt geloosd. Conform het planontwerp zullen er in totaal 17 woningen worden gerealiseerd. Dit betreft een effectieve toename van 16 woningen ten opzichte van de huidige situatie. Dit zorgt voor een toename van 4,8 m³ water per dag vanwege woningbouw. De aansluiting op het riool wordt in de verdere planvorming met de gemeente afgestemd. Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud van het inzamelings- en transportstelsel van afvalwater, kortom de riolering, ligt bij de gemeente. Het Waterschap is verantwoordelijk voor de zuivering van het aangeleverde afvalwater. Het beheer en onderhoud van het gemeentelijke inzamelings- en transportstelsel ligt bij de gemeente tot aan het eindgemaal dat in beheer is van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden. Het hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor het transport vanuit het eindgemaal tot en met afvalwaterzuiveringsinstallatie en voor de zuivering. De gemeentelijke riolering moet bereikbaar zijn voor beheer en onderhoud. Klimaatadaptatie De gevolgen van de klimaatverandering zijn door het KNMI in beeld gebracht. De gemiddelde hoeveelheid neerslag per jaar is in de afgelopen jaren gestegen. De verwachting is dat niet alleen de hoeveelheid neerslag toeneemt, maar ook hoeveelheid hevige neerslag in korte tijd.

Daarnaast neemt het zomerse neerslagtekort toe, waardoor langdurigere perioden van droogte ontstaan. In aanvulling daarop zullen er zomers ook meer zeer warme dagen zijn, wat met name in steden voor hittestress zal zorgen.

41

Capaciteit voor het vasthouden van water door particulieren en bedrijven mitigeert daarmee in op zowel hevige regenbuien als periodes van droogte. Dit kan bijvoorbeeld door vergroening of het zelf organiseren van regenwateropvang. Het nemen van maatregelen op eigen terrein wordt gestimuleerd middels bijvoorbeeld een extensief groen dak, een retentie- of polderdak, een geveltuin of een waterdak. Ook kan, waar mogelijk, waterpasserende verharding worden gebruikt. In het voorliggende plan wordt bewust gekozen om door middel van vergroening mitigerende maatregelen te treffen. Concrete maatregelen zijn ook te vinden in de memo Klimaat adaptief bouwen Haarrijnweg welke als bijlage is opgenomen. Daarnaast kan schade gemitigeerd worden door een drempel of verhoogd vloerpeil en kunnen kelders waterrobuust worden ontworpen. Conclusie Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect water geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.8

Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om de locatie. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing worden verkregen. Toetsing Met een quick scan natuur11 is onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het besluitgebied. Naast beschermde natuurwaarden in het besluitgebied is ook nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op nabij gelegen beschermde gebieden. Navolgend worden kort de conclusies van de quick scan uiteengezet. Gebiedsbescherming Gelet op de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Oostelijke Vechtplassen” (circa 1,8 km) en de aard van de werkzaamheden is niet te verwachten dat de werkzaamheden negatieve effecten (verstoring door geluid, trillingen, licht et cetera) hebben op Natura 2000-gebieden. Effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van de uitstoot van stikstof zijn mogelijk wel te verwachten.

In het kader van de Wet Natuurbescherming is de stikstofuitstoot door de beoogde ontwikkeling inzichtelijk gemaakt middels een stikstofonderzoek12. Uit de uitgevoerde berekeningen van de 11

Tauw (2021). “Quickscan natuur Haarrijnweg 5, Maarssen”. Kenmerk: R001-1281154KHBV01-hme-NL. 14 april 2021.

12

SAB (2023). “Onderzoek stikstofdepositie Maarssen, Haarrijnweg 5”. Projectnummer: 200470.01. 30 november 2023. 42

aanlegfase en gebruiksfase blijkt dat er geen resultaten zijn voor de projectberekening en situatieberekening onder het Wnb registratieset. Daarmee kunnen significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden worden uitgesloten. Geconcludeerd wordt dat significant negatieve effecten derhalve worden uitgesloten en geen vergunning ten behoeve van de Wet natuurbescherming benodigd is. Toetsing in het kader van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is niet nodig, aangezien het plangebied geen onderdeel uitmaakt van de NNN. In provincie Utrecht is de externe werking van het NNN van toepassing. Het plangebied ligt op circa 900 meter van het NNN. De verstorende invloeden van de werkzaamheden reiken niet tot de (begrenzing van) NNN-gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden is een effect op wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN uitgesloten. Soortenbescherming De beoogde ontwikkeling is mogelijk strijdig met de Wnb vanwege het mogelijk voorkomen van beschermde soort(groep)en. Het gaat om de aanwezigheid van vleermuizen, vogels met jaarrond beschermde nesten en reptielen mogelijk in of nabij het plangebied. Aangeraden wordt om een broedvogelcontrole uit te voeren voor de start van de werkzaamheden van de beoogde ontwikkeling. Het is ook mogelijk om het plangebied buiten het reguliere broedseizoen (maart t/m augustus) ongeschikt te maken voor broedvogels.

Aangezien vogels gedurende het gehele jaar tot broeden kunnen komen, zal het ongeschikt maken van het plangebied voor broedvogels wel altijd onder ecologische begeleiding moeten gebeuren. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten is nader soortgericht onderzoek13 uitgevoerd. Uit het nader onderzoek is gebleken dat er geen verblijfplaatsen van beschermde soorten aanwezig zijn in de woonboerderij en in het groen van het plangebied. Wel zijn huismussen waargenomen in het groen in het plangebied en wordt de sloot ten zuiden van het plangebied gebruikt door gewone dwergvleermuizen. Het plangebied zelf is echter niet van essentieel belang voor een van de soortgroepen. Maatregelen ter voorkoming van een overtreding van de Wet natuurbescherming en het aanvragen van een ontheffing zijn niet nodig. Daarnaast worden in het onderzoek aanbevelingen beschreven over de gewenste vervolgstappen: − Vogels kunnen gedurende het gehele jaar tot broeden komen. Hier dient voorafgaand aan het werk rekening mee gehouden te houden. De kans op een broedgeval is het grootst in de periode maart tot en met augustus (dit wordt gezien als het reguliere broedseizoen). Het heeft de voorkeur de werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen. Vogels die buiten deze periode broeden, zijn ook geschermd. Meerkoet kan bijvoorbeeld zeer vroeg in het voorjaar tot broeden komen.

− In (en rond) het broedseizoen is een (periodieke) controle op nesten van broedvogels voorafgaand aan de werkzaamheden noodzakelijk om overtreding van de wet te voorkomen. Indien een broedgeval aanwezig is, dient een verstoringsvrije zone te worden aangehouden, waarbinnen gedurende de periode van broeden niet

13

Tauw (2021). “Nader onderzoek Haarrijnweg 5 in Maarssen: soortgericht onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming”. Kenmerk: R002-1281154JWJ-V01-efm-NL. 28 oktober 2021. 43

wordt gewerkt. De omvang van deze zone dient door een ter zake kundige te worden bepaald. − Omdat de sloot ten zuiden van het plangebied gebruikt wordt door vleermuizen, moet hiermee rekening worden gehouden tijdens de werkzaamheden. In de periode april tot oktober tussen zonsondergang en zonsopkomst dient geen (bouw)verlichting uitstralend richting de sloot gebruikt te worden. Houtopstanden Toetsing in het kader van wettelijk beschermde houtopstanden is niet nodig. Aangezien de te kappen bomen binnen de bebouwde kom houtopstanden staan. Tevens is het plangebied geen onderdeel van ‘Beschermde kleine landschapselementen’ van de Verordening Natuur en Landschap provincie Utrecht 2017. Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.9

Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet 2016, uitgewerkt in het Besluit Erfgoedwet archeologie, is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Toetsing In het bestemmingsplan ‘Maarssenbroek Woongebied’ zijn gebieden aangewezen met verschillende archeologische verwachtingswaarden. Voor gebieden met een hoge archeologische verwachtingswaarde gelden aanvullende regels met betrekking tot archeologie in relatie tot ruimtelijke ontwikkelingen. In het bestemmingsplan wordt voorliggend plangebied aangewezen als een locatie met een lage tot zeer lage archeologische verwachting. Daarnaast is het plangebied volgens de Archeologische themakaart van de provincie Utrecht vrij van zones met een archeologische waardering. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

44

4.10

Cultuurhistorie Algemeen Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Toetsing De toelichting van het vigerende bestemmingsplan ‘Maarssenbroek Woongebied’ laat zien dat er geen waardevolle structuren, geen waardevolle bebouwing of monumenten in het plangebied of de directe omgeving aanwezig zijn. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.11

Verkeer en parkeren Algemeen Bij de ontwikkeling en uitbreiding van functies moet rekening gehouden worden met de parkeer- en verkeersdruk. Toetsing Verkeer Om de verkeersgeneratie van het plan inzichtelijk te maken is gebruik gemaakt van de kerncijfers van het CROW. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan: de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het voorgenomen plan betreft de sloop van één woning, waarvoor 17 woningen in de plaats worden gebouwd. Het betreffen twee vrijstaande woningen, twee twee-ondereen-kap woningen (koop), zeven rijwoningen (middenhuur) en 6 MOBW-units. De verkeersgeneratie van de ontwikkeling wordt bepaald op basis van de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren’. Om de verkeersgeneratie te bepalen dient in eerste instantie de mate van stedelijkheid bepaald te worden. Op basis van de “Nota Parkeernormen” van de gemeente Stichtse Vecht is de kern Maarssenbroek gecategoriseerd als ‘sterk stedelijk’ en is het plangebied aangemerkt als ‘rest bebouwde kom’. In de ‘Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom 2021’ (ASVV) is geen functie benoemd die overeenkomt met een MOBW-unit. Het wonen in een MOWB-unit komt het meest overeen met het verblijven in een aanleunwoning.

Er is daarom in dit geval uitgegaan van kengetallen horende bij de categorie ‘aanleunwoning en serviceflat’. In onderstaande tabellen is de verkeersgeneratie weergeven, zowel voor de huidige als de toekomstige situatie. Huidige situatie Aantal Type Koop, huis, vrijstaand

1

kencijfer min max 7,8 8,6

45

per woning

Verkeersgeneratie (per etmaal) min max 7,8 8,6

Toekomstige situatie Aantal Type Koop, huis, twee-onder-een-kap Koop, huis, vrijstaand Huur, huis, vrije sector Aanleunwoning en serviceflat Totaal

2 2 7 6 17

kencijfer min max 7,4 8,2 7,8 8,6 6,7 7,5 2,1 2,8

per woning woning woning woning

Verkeersgeneratie (per etmaal) min max 14,8 16,4 15,6 17,2 46,9 52,5 12,6 16,8 89,9 102,9

Uit de bovenstaande tabellen blijkt dat er per saldo afgerond maximaal 95 (102,9 – 8,6 = 94,3) verkeersbewegingen extra per dag worden veroorzaakt door toedoen van onderhavige ontwikkeling. Dit extra verkeer kan worden opgenomen in het heersende verkeersbeeld ter plaatse. Parkeren Bij het bepalen van de parkeerbehoefte voor de nieuwe situatie is gekeken naar de kengetallen uit de “Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom 2021” (ASVV 2021). Voor de ontwikkeling van de 17 woningen volgt uit de parkeernormen de volgende behoefte.

2

Parkeernorm in openbare ruimte 0,3

Koop, huis, vrijstaand

2

0,3

0,6

Huur, huis, vrije sector

7

1,9

13,3

Aanleunwoning en serviceflat

6 17

0,8

Woningtype Koop, huis, twee-onder-een-kap

Totaal

Aantal

Parkeerbehoefte 0,6

4,8 19,3

De parkeerbehoefte bestaat afgerond uit 20 parkeerplaatsen in de openbare ruimte. Er zijn 28 parkeerplaatsen opgenomen in de massastudie, waarvan 20 in het openbare gebied en 8 op eigen terrein bij de vrijstaande woningen en de twee-onder-eenkapwoningen. Dit betekent dat wordt voldaan aan de parkeernorm. Conclusie Het thema verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling

4.12

Trillingshinder Algemeen Het perceel ligt op korte afstand van de spoorlijn Utrecht – Amsterdam, een lijn waarop ook veel goederenvervoer voorkomt. Hierdoor is er rekening te houden met trillingen vanaf het spoor.

46

Toetsing Om de trillingsbelasting op het perceel in beeld te brengen is een trillingsonderzoek 14 uitgevoerd, waarbij er verkennende trillingsmetingen zijn uitgevoerd. Binnen de contouren van de kavel zijn drie bodemmeetpunten aangebracht met toenemende afstand tot het spoor. Deze liggen op 22, 49 en 84 meter afstand van de spoorlijn. Het meetpunt op 22 meter bevindt zich ongeveer op de perceelsgrens en betreft de minimaal mogelijke afstand tot het spoor. Het meetpunt op 84 meter afstand reikt niet tot het einde van de kavel, maar is zo gekozen omdat op grotere afstand er geen sterke invloed van het spoor verwacht wordt. De drie meetpunten samen maken het bovendien mogelijk het verval in trillingssterkte met toenemende afstand van het spoor te bepalen, waarmee voor de gehele kavel een prognose gedaan kan worden van de te verwachten trillingssterkten. In de onderstaande afbeelding is het plangebied weergegeven, met daarop de meetpunten.

Plangebied met meetposities (bron: trillingsonderzoek, DGMR)

Trillingsmetingen wijzen uit dat alleen goederentreinen relevant zijn qua trillingen voor de beoogde planinvulling. Reizigerstreinen leiden niet tot voelbare trillingen in de voorgenomen bebouwing. Van de goederentreinen zijn het alleen de beladen kolentreinen en kalktreinen die tot mogelijke overschrijding leiden van de streefwaarden voor trillingen. Voor de voorgenomen bebouwing betreft dit alleen de bebouwing binnen 50 meter van het spoor in het geval er gefundeerd wordt op staal en binnen 35 meter als er gefundeerd wordt op palen. Concreet betreft dit alleen het dichtst bij het spoor liggende bouwblok van zes woningen. Omdat de zware goederentreinen vooral trillingen opwekken tussen 4 en 6,3 Hz is het van belang dat woningvloeren hiervoor niet gevoelig zijn. Dit is te bereiken door vloeren stijf uit te voeren met een laagste buig-eigenfrequentie van minimaal 10 Hz (gerealiseerd), maar qua ontwerpwaarde bij voorkeur hoger dan 12 Hz. De trillingsversterking op vloerniveau is dan minimaal. In het geval van een paalfundatie is het van belang dat palen reiken tot in een draagkrachtige trillingsarme laag, maar een lengte hebben van minimaal 10 meter. Korte palen voegen weinig toe ten opzichte van een fundering op staal.

14

DGMR Bouw (2022). Trillingsonderzoek Nieuwbouwplan Haarrijnweg 5, Maarssen. Rapportnummer B.2022.0839.00.R001. 24 november 2022. 47

Met de hiervoor omschreven fundering op palen en stijve woningvloeren worden trillingssterkten in het eerste bouwblok aan spoorzijde verwacht die de streefwaarden voor de Vmax uit de SBR-B licht overschrijden. Gebaseerd op de huidige bedrijfsvoering op het spoor komt dit maar tweemaal per week voor in de maatgevende nachtperiode. Omdat alleen zware goederentreinen tot licht voelbare trillingen kunnen leiden, is de gemiddelde trillingssterkte Vper een belangrijke parameter voor het woon- en leefklimaat zeer laag. De Vper is in geen enkele beoordelingsperiode hoger dan 0,01 tegenover een streefwaarde van 0,05. Ondanks de twee verwachte overschrijdingen per week mag gesproken worden over een goed woon- en leefklimaat. Naast de aanbevolen toepassing van een paalfundatie en stijve vloeren zijn er weinig mogelijkheden om trillingen effectief te verlagen bij de bepalende zeer lage trilfrequenties. Overwogen kan worden het eerste bouwblok op grotere afstand te bouwen of een veel zwaarder appartementenblok te realiseren. Daarnaast is qua technische oplossingen, in aanvulling op de al voorgestelde maatregelen, alleen het toepassen van trillingsisolatie effectief.

Gezien de zeer lage dominante trilfrequenties vergt dit een zeer slappe verende opstelling met hoge investeringskosten die, gezien het geringe aantal overschrijdingen en de beperkte mate van overschrijding, hier als niet doelmatig kan worden beschouwd. Conclusie Met inachtneming van de genoemde maatregelen, vormt het aspect trillingshinder geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling

4.13

Kabels, leidingen en telecommunicatie-installaties Er zijn binnen de locatie geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig die mogelijk een beperking kunnen vormen bij de herontwikkeling van de locatie. Uiteraard is een melding bij het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (een zogenaamde KLIC-melding) gedaan bij de uitvoering van grondtechnisch onderzoek. In het kader van de sloop- en bouwwerkzaamheden zal dit wederom worden gedaan. Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

48

5

JURIDISCHE TOELICHTING

5.1

Algemeen

5.1.1

Wat is een bestemmingsplan? Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft, uit te oefenen. Dit houdt in dat: − de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en − de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van ‘werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden’ (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden ). Een bestemmingsplan regelt derhalve: − het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen); en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: − het bebouwen van de gronden; − het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden.

Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en het Bouwbesluit zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.

5.1.2

Over bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: 1 Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen.

49

2 Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode etc. Via een aanduiding wordt in de regels ‘iets’ geregeld. Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben. 5.1.3

Hoofdstukindeling van de regels De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1 Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). 2 Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden.

Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. 3 Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels en algemene wijzigingsregels. 4 Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

5.2

Dit bestemmingsplan Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.

50

5.2.1

Bijzonderheden in dit bestemmingsplan De regels in dit bestemmingsplan zijn opgezet aan de hand van hetgeen hiervoor is beschreven. Er is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan ‘Maarssenbroek Woongebied’. Dit bestemmingsplan kent de bestemmingen ‘Groen’, ‘Verkeer - Verblijfsgebied’, ‘Water’ en ‘Wonen’. Daarnaast is de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 5’ opgenomen. Groen Deze bestemming regelt het (openbaar) groen, met de daarbij behorende voorzieningen, zoals deze vaak voorkomen in bijvoorbeeld een plantsoen. Dit zijn onder andere speelvoorzieningen. Het parkeren van motorvoertuigen is binnen deze bestemming niet toegestaan, ook niet op eventueel aangebrachte verhardingen. Wandel- en fietspaden zijn wel toegestaan. Burgemeester en wethouders kunnen evenwel voor het afwijken van de bestemming een omgevingsvergunning verlenen voor het aanleggen van parkeerplaatsen. Verkeer - Verblijfsgebied Binnen deze bestemming zijn wegen met hoofdzakelijk een verblijfsfunctie opgenomen, evenals pleinen en standplaatsen. Onder andere parkeervoorzieningen, straatmeubilair en groen- en speelvoorzieningen zijn mogelijk binnen deze bestemming. Water De gronden binnen deze bestemming zijn bestemd voor water en de waterhuishouding. Wonen Binnen deze bestemming staat het wonen centraal. Naast wonen mag in een woning, onder voorwaarden, ook worden gewerkt.

Een woning is een complex van ruimten dat, blijkens de indeling en inrichting, bestemd is voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden. Een huishouden wordt gevormd door één persoon of een groep personen die een huishouding voert. Daaronder valt niet het bedrijfsmatige verhuren van kamers. In de bestemmingsomschrijving is aangegeven dat de gronden binnen deze bestemming mogen worden gebruikt ten behoeve van wonen. Voor de locatie van de woningen zijn bouwvlakken opgenomen. Per bouwvlak is aangegeven hoeveel woningen/wooneenheden er toegestaan zijn. Waarbij ook de maten van de goot- en nokhoogte zijn aangegeven op de verbeelding (kaart). De woningen moeten voldoen aan het beeldkwaliteitsplan, de trillingsnormen en geluidswaarden. Waarde - Archeologie 5 De bestemming 'Waarde - Archeologie 5' is opgesteld om archeologische waarden in het plangebied te beschermen en te behouden. Deze bescherming blijkt onder meer uit bouwregels. In de bouwregels is een bouwverbod voor deze gronden opgesteld bij bouwwerken van meer dan 1 ha en waarbij bodem dieper dan 0,3 m wordt geroerd.

51

Daaronder zijn bouwwerken toegestaan, zonder voorafgaand archeologisch onderzoek. Daarnaast is het alleen mogelijk om werkzaamheden uit te voeren als men beschikt over een omgevingsvergunning. 5.2.2

Algemene regels Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten, algemene afwijkingen en overgangsrecht. Deze min of meer standaardregels in bestemmingsplannen worden hier verder niet toegelicht.

52

6 6.1

UITVOERBAARHEID Economische uitvoerbaarheid Op basis van artikel 3.1.6, lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. De ontwikkelingen die concreet mogelijk worden gemaakt door de ruimtelijke procedure moeten (economisch) uitvoerbaar zijn, omdat er anders sprake is van een oneigenlijke bestemming. Het voorliggende plan wordt gerealiseerd op particulier initiatief. De kosten die gepaard gaan met de kosten voor ontwikkeling en inrichting va het plangebied zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Door middel van een anterieure overeenkomst met de gemeente is vastgelegd dat de gemeentelijke kosten die verband houden met de ruimtelijke ontwikkeling en mogelijke planschade op de initiatiefnemer worden verhaald. Door de initiatiefnemer is een planschadeverhaalovereenkomst gesloten met de gemeente. Het vaststellen van een exploitatieplan is niet noodzakelijk.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1

Overleg Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voert het college van burgemeester en wethouders, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, overleg met andere bestuursorganen van bijvoorbeeld buurgemeenten, het waterschap en de provincie. Het overleg tussen de bestuurlijke instanties dient in een redelijke verhouding te staan tot de aard en omvang van het bestemmingsplan. Het overleg dient dan ook beperkt te blijven tot die overheidsinstanties waarmee overleg werkelijk noodzakelijk is om te voorkomen dat de taak of verantwoordelijkheid van het andere overheidsorgaan ontoelaatbaar wordt beperkt, of dat het door dat orgaan te behartigen belang aantoonbaar wordt benadeeld. Het concept bestemmingsplan is van 28 maart 2023 tot en met 5 mei 2023 voorgelegd aan de vooroverlegpartners (Omgevingsdienst Regio Utrecht (ODRU), Prorail, provincie Utrecht, Regionale Uitvoeringsdienst (RUD), Veiligheidsregio Utrecht (VRU) en de HDSR). De vooroverlegreacties zijn gebundeld en samengevat in de Nota vooroverleg 15.

6.2.2

Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 29 september 2023 tot en met 9 november 2023 ter inzage gelegen. Het plan is tevens naar overlegpartners gestuurd. Eenieder kon in deze periode zienswijzen indienen. Gedurende de termijn heeft de gemeente van 5 appellanten een zienswijzen ontvangen. In de bijlage Nota zienswijzen

15

Gemeente Stichtse Vecht (2023). “Nota vooroverleg Concept bestemmingsplan Haarrijnweg 5 Maarssen”, 25 mei 2023. 53

Bestemmingsplan “Haarrijnweg 5” Maarssenbroek zijn zienswijzen samengevat en van een antwoord voorzien16. In de Nota zienswijzen is ook aangegeven welke zienswijzen tot aanpassingen van het bestemmingsplan hebben geleid en zijn tevens de doorgevoerde ambtelijke aanpassingen weergegeven.

16 Gemeente Stichtse Vecht (2023). “Nota zienswijzen, Bestemmingsplan “Haarrijnweg 5”

Maarssenbroek, december 2023 54

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/2445/documents/52600