CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Toelichting.pdf

Raad 5 maart 2024, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: 11.: Vaststelling bestemmingsplan Haarrijnweg 5 Maarssenbroek16.283 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Haarrijnweg 5, Maarssen

Inhoudsopgave

Toelichting

2

3

Bestemmingsplan Haarrijnweg 5, Maarssen

Toelichting

Bestemmingsplan Haarrijnweg 5, Maarssen

3

Bestemmingsplan | Toelichting

Haarrijnweg 5, Maarssen

Gemeente Stichtse Vecht

Datum: 12 december 2023 Projectnummer: 200470.01 ID: NL.IMRO.1904.BPHaarrijnweg5MRS-VG01

INHOUD TOELICHTING

1

INLEIDING

3

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

Aanleiding Ligging plangebied Onderdelen van dit bestemmingsplan Vigerend bestemmingsplan Leeswijzer

3 3 4 5 7

2

HUIDIGE SITUATIE EN TOEKOMSTIG PLAN

8

2.1 2.2

Huidige situatie Planbeschrijving

8 11

3

BELEIDSKADER

14

3.1 3.2 3.3

Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid

14 17 20

4

MILIEU EN OMGEVINGSASPECTEN

22

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13

Milieueffectrapportage Bodem Geluid Luchtkwaliteit Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid Water Natuur Archeologie Cultuurhistorie Verkeer en parkeren Trillingshinder Kabels, leidingen en telecommunicatie-installaties

22 24 26 27 29 31 34 42 44 45 45 46 48

5

JURIDISCHE TOELICHTING

49

5.1 5.2

Algemeen Dit bestemmingsplan

49 50

6

UITVOERBAARHEID

53

6.1 6.2

Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

53 53

Bijlagen Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3: Bijlage 4: Bijlage 5: Bijlage 6: Bijlage 7: Bijlage 8: Bijlage 9: Bijlage 10: Bijlage 11: Bijlage 12: Bijlage 13: Bijlage 14: Bijlage 15:

Toets Ladder voor duurzame verstedelijking Vormvrije m.e.r.-beoordeling Gewijzigd plan van aanpak bodemsanering Akoestisch onderzoek weg- en railverkeerlawaai Quick scan bedrijven en milieuzonering Onderzoek externe veiligheid Digitale watertoets Klimaat adaptief bouwen Haarrijnweg Quick scan flora en fauna Onderzoek stikstofdepositie Nader soortgericht onderzoek natuur Trillingsonderzoek Beeldkwaliteitsplan Haarrijnweg 5 Nota vooroverleg Haarrijnweg 5 Nota zienswijzen, Bestemmingsplan Haarrijnweg 5

1

INLEIDING

1.1

Aanleiding Aan de noordzijde van Maarssenbroek, gemeente Stichtse Vecht, bevindt zich aan de Haarrijnweg 5 een perceel met een boerderij. Voorheen was hier een dierenpension gelegen, momenteel wordt het gebruikt als woning. Het voornemen bestaat om op dit perceel een boerencluster met 17 woningen te realiseren. De cluster bestaat uit een 6 rug-aan-rug-woningen j (refererend aan de bestaande boerderij), met hierachter een gegroepeerd ensemble van woningen (‘schuren bij de boerderij’). Deze ontwikkeling is niet mogelijk op basis van het geldende bestemmingsplan. Dit voorliggende bestemmingsplan voorziet in een planologisch-juridisch kader, waarin de gewenste ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt.

1.2

Ligging plangebied Zoals gesteld bevindt het plangebied zich aan de Haarrijnweg 5, aan de noordkant van Maarssenbroek, tegen de wijk Zwanenkamp. Het perceel wordt aan de noordoostzijde begrenst door de Haarrijnweg en de spoorlijn tussen Maarssen en Breukelen. Aan de noordwest kant grenst het perceel aan de Haarrijn (water) en het gemaal Haarrijn. Ten zuiden van het perceel ligt het woongebied Zwanenkamp. In onderstaande afbeeldingen zijn de globale ligging en begrenzing van het plangebied weergeven. Voor de exacte begrenzing wordt verwezen naar de verbeelding, behorende bij dit bestemmingsplan.

3

Topografische kaart met aanduiding plangebied: blauwe ster (Bron PDOK Viewer).

Globale grenzen plangebied: rood gearceerd (Bron: PDOK Viewer).

1.3

Onderdelen van dit bestemmingsplan Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en wordt vergezeld door een toelichting. De verbeelding en regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan en moeten samen ‘gelezen’ worden. Op de verbeelding staan de bestemmingen van de gronden van het plangebied. Aan deze bestemmingen zijn regels en bepalingen gekoppeld die de uitgangspunten van het plan verzekeren. In de regels is het gebruik van de binnen het plangebied aangegeven gronden en bouwwerken juridisch geregeld.

4

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt wel een belangrijk onderdeel van het bestemmingsplan. Hierin wordt aangegeven wat de beweegredenen en achtergronden zijn die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook wordt het plan getoetst aan relevant ruimtelijk beleid en de verschillende milieu- en omgevingsaspecten. Tot slot is de toelichting van belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.

1.4

Vigerend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan “Maarssenbroek Woongebied”. Dit plan is op 31 oktober 2012 onherroepelijk vastgesteld. Het bestemmingsplan voorziet ter plaatse in de enkelbestemming ‘Maatschappelijk – Dierenpension’. Voor een deel van het perceel is een wijzigingsplan met de naam “Haarrijnweg 5” op 22 januari 2016 onherroepelijk vastgesteld. In het noordelijke deel van het gebied ligt, naast de functieaanduiding, een bouwvlak. Voor het bouwvlak geldt een maatvoering met een bouwhoogte van maximaal 9 meter en een maximale goothoogte van 4,5 meter. Met uitzondering van een gedeelte aan de zuidkant, ligt bijna over het volledige plangebied de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering.

Vigerend bestemmingsplan met plangebied: rood gearceerd (Bron: ruimtelijkeplannen.nl).

De enkelbestemming ‘Maatschappelijk – Dierenpension’ staat ter plaatse een dierenpension toe. Tevens zijn diverse daarbij behorende voorzieningen volgens de regels van het bestemmingsplan toegestaan. Op het aangegeven bouwvlak mogen bedrijfsgebouwen worden gebouwd, volgens de eerdergenoemde maximale bouw- en goothoogte.

5

De gronden met de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ zijn mede bestemd voor een waterkering en de waterhuishouding. Tevens geldt voor het gebied een maximale bouwhoogte van 3 meter. Het bevoegd gezag kan hier onder bepaalde voorwaarden van afwijken.

Vigerend wijzigingsplan voor gedeelte plangebied: met zwarte stippellijn gearceerd (Bron: ruimtelijkeplannen.nl).

De enkelbestemming ‘Wonen’ staat ter plaatse wonen toe, al dan niet in combinatie met ruimte voor de uitoefening van aan huis verbonden beroepen en/of bedrijfsmatige activiteiten aan huis. Tevens zijn daarbij behorende voorzieningen toegestaan. Ook hier gelden de eerdergenoemde maximale bouw- en goothoogte. Tot slot geldt voor het gehele plangebied de aanduiding ‘wro-zone wijzigingsgebied’. Hierdoor kan het plan gewijzigd worden ten behoeve van grondgebonden woningen, groenvoorzieningen, water, wegen en paden en parkeervoorzieningen. Aangezien in het verleden al uitvoering is gegeven aan de wijzigingsbevoegdheid voor een deel van het perceel, kan voor dat deel van het perceel de wijzigingsbevoegdheid niet nogmaals gebruikt worden. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in een herziening van het bestemmingsplan, waarbij de voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid zoveel mogelijk als uitgangspunt zijn genomen. Strijdigheid met het geldende juridisch-planologisch kader De beoogde ontwikkeling is op diverse punten in strijd met het geldende juridisch-planologisch kader. De locatie waar de nieuwe woningen zijn beoogd, hebben momenteel de bestemming ‘Maatschappelijk’. Deze bestemming staat het gebruik van de gronden voor wonen niet toe. Daarmee is het plan in functioneel opzicht strijdig met het geldende bestemmingsplan.

Ook in ruimtelijk opzicht is de beoogde ontwikkeling in strijd met het geldende plan, omdat de nieuwe bebouwing niet past binnen de

6

maatvoering uit het vigerend plan. Om de ontwikkeling alsnog mogelijk te maken dient een nieuw bestemmingsplan opgesteld te worden.

1.5

Leeswijzer Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en deze toelichting. De toelichting is opgebouwd uit 6 hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en komt de planbeschrijving aan de orde. In hoofdstuk 3 wordt de toets aan het beleidskader weergegeven, waarna in hoofdstuk 4 de haalbaarheid van het plan aangetoond wordt voor wat betreft milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische planopzet. Het laatste hoofdstuk behandelt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

7

2 2.1

HUIDIGE SITUATIE EN TOEKOMSTIG PLAN Huidige situatie Het plangebied bevindt zich aan de Haarrijnweg 5 te Maarssen in de gemeente Stichtse Vecht. Het ligt tegen de noordwestelijke grens van Maarssenbroek aan, nog net binnen de bebouwde kom. Het gebied ten noordwesten van het plangebied betreft landelijk gebied en valt onder de kern Breukelen. In navolgende afbeelding is de locatie van het plangebied weergeven, waarbij de situering ten opzichte van de bebouwde kom en landelijk gebied duidelijk zichtbaar is.

Luchtfoto plangebied (Bron: PDOK Viewer).

De locatie is in het verleden in gebruik genomen als dierenpension en was bebouwd met een boerderij en een schuur. De boerderij is nog altijd aan de noordzijde van het perceel aanwezig en wordt bewoond door de eigenaren. De schuur is inmiddels gesloopt. Het gedeelte ten westen en zuiden van de boerderij is deels verhard, de rest van het perceel is onbebouwd en begroeid met bomen en struiken. In de navolgende afbeeldingen is de boerderij weergeven vanuit drie verschillende hoeken, respectievelijk het oosten, het noorden en het westen.

8

Oost-, noord- en west aanzicht bebouwing (Bron: SAB).

9

Het perceel wordt aan de noordoost kant begrenst door de Haarrijnweg. Deze weg maakt een hoek naar links om het perceel heen (de weg die rechtdoor loopt verandert in de Parallelweg) en is doodlopend voor gemotoriseerd verkeer. Fietsers kunnen wel doorrijden. De afbeelding hieronder geeft de doodlopende weg weer, met aan de rechterkant het water van de Haarrijn zichtbaar.

Haarrijnweg, het gedeelte ten westen van het plangebied (Bron: SAB).

Water heeft een belangrijke rol in het plangebied. Naast dat het Amsterdam-Rijnkanaal en de Haarrijn in de directe omgeving liggen, is er ook op het terrein zelf veel water aanwezig. Aan drie zijden van het perceel In de navolgende afbeelding is Daarnaast wordt het plangebied bijna volledig omringt door water.

Water in het zuidoostelijk gedeelte van het plangebied (Bron: SAB).

10

2.2

Planbeschrijving Het plan voorziet in de ontwikkeling van 17 woningen op het perceel aan de Haarrijnweg 5. Op de locatie waar de huidige bebouwing staat, zal een nieuw woongebouw gebouwd worden die refereert aan de bestaande boerderij. Tevens zullen daarachter een aantal nieuwe woningen gegroepeerd gerealiseerd worden. Deze opzet refereert naar een boerencluster, wat bestaat uit een (hoofd)boerderij en een ensemble schuren. In het nieuw te bouwen woongebouw is ruimte voor zes woningen met mogelijk zorg op afstand. De overige elf woningen worden als volgt verdeeld: zeven rijwoningen in de categorie middenhuur, twee vrijstaande woningen en een tweekapper. De opzet is weergegeven in onderstaande plattegrond.

Plattegrond nieuwe situatie (Bron: Beeldkwaliteitsplan SAB).

De geplande toekomstige bebouwing is onder te verdelen aan de hand van vier deelgebieden, zoals in de hierop volgende afbeelding weergeven. In deze paragraaf worden deze deelgebieden met de daarbij behorende type woningen kort beschreven. Vervolgens worden ook twee centrale elementen uit de openbare ruimte toegelicht, te weten het groene parkeerterrein bij de entree aan de Haarrijnweg en het pleintje centraal gelegen in het plangebied.

11

Typen bebouwing (Bron: Beeldkwaliteitsplan SAB).

Woningen met mogelijk zorgfunctie De blikvanger uit het plan wordt het woongebouw, waarin ruimte is voor zes woningen met mogelijk een zorgfunctie al dan niet op afstand. De woningtoegangen liggen aan de noordwestzijde en de zuidoostzijde. Verder wordt de woning omringd door ondiepe tuinen met hagen. De boerderij krijgt door het gebruik van baksteen en hout een natuurlijke uitstraling, passend bij de rurale sfeer. Door deze materiaalcombinatie en kleurgebruik wordt de boerderij uitbundiger in architectuur dan de rest van de bebouwing in het plangebied, wat zorgt voor een contrast. Rijwoningen In het plan is ruimte voor een blok van zeven rijwoningen die door de woningcorporatie ‘Portaal’ ontwikkeld zullen worden. Deze woningen vallen in de categorie middenhuur en zijn bedoeld voor jonge gezinnen die in een rustige, landelijke en duurzame woonomgeving willen wonen. Het woningblok heeft een voortuintje en de voorkant is gericht op het centrale erf. Aan de achterzijde hebben de woningen ook een tuin die helemaal doorloopt tot aan het water langs de wijk Zwanenkamp. Aan de zuidwestzijde zijn de bergingen gesitueerd. Architectonisch onderscheidt dit woonblok zich van de boerderij door de sobere uitstraling. Twee-onder-één-kapwoning Er worden twee twee-onder-één-kapwoningen centraal gesitueerd in het plangebied, direct ten westen van de woonboerderij.

Deze tweekapper valt binnen de categorie vrije koopsector. De twee woningen krijgen een compacte achtertuin en de naastgelegen pergola met geïntegreerde bergingen wordt mee ontworpen en grenst hier direct aan.

12

Vrijstaande woningen De twee vrijstaande woningen liggen in het zuidwesten van het plangebied en krijgen een prominente plaats aan het pleintje. Architectonisch sluiten beide woningen bij elkaar aan, alsook bij het ontwerp van de rijwoningen. Hierdoor krijgt deze bebouwing een eenvormige uitstraling, waardoor het ensemble herkenbaar wordt als erf. Groen parkeerterrein Het parkeerterrein bij de entree van het erf biedt ruimte aan 14 parkeerplaatsen. Het ontwerp is groen en klimaat adaptief door onder andere het gebruik van decoratieve open grasbetonverharding, wat het regenwater makkelijk kan infiltreren. Het pleintje Het pleintje is de centrale openbare ruimte van het plangebied. Dit gebied is bedoeld als ruimte waar kinderen kunnen spelen, alsook kan het gebruikt worden voor bestemmingsverkeer en als overloop van het groene parkeerterrein bij de entree. Op het pleintje is ruimte voor zes parkeerplaatsen. Water Door de realisatie van de vrijstaande woningen en het centrale pleintje dient, in het kader van klimaatadaptatie, water gecompenseerd te worden elders in het plangebied. Daartoe wordt de watergang aan de noordoostzijde van de kavel uitgebreid. In navolgende afbeelding is weergegeven hoe de watercompensatie vorm krijgt.

Watercompensatie (Bron: SAB).

13

3

BELEIDSKADER Onderhavig initiatief wordt in dit hoofdstuk getoetst aan het Rijks- provinciaal en gemeentelijk beleid.

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

De Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie [NOVI] biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving met ambities. In deze NOVI worden de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Er worden vier prioriteiten voor Nederland geformuleerd: − Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; − Duurzaam economisch groeipotentieel; − Sterke en gezonde steden en regio's; − Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven; 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen; 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.

Toetsing Voorgenomen plan raakt geen van de nationale belangen en is niet in strijd met het bepaalde in de NOVI.

3.1.2

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) bepaalt welke kaderstellende uitspraken van het kabinet bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Natuurnetwerk Nederland (NNN), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen.

14

Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij het NNN en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de begrenzing van het NNN is bepaald dat niet het rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen. Door de nationale belangen vooraf in juridisch-planologische procedures te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Toetsing Het voorgenomen plan raakt geen van de nationale belangen en is niet in strijd met het bepaalde in de SVIR en het Barro. 3.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking Algemeen Vanuit het rijk wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Hiervoor is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd en als procesvereiste opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Wat onder ‘stedelijke ontwikkeling’ en ‘bestaand stedelijk gebied’ wordt verstaan is in het Bro opgenomen en is verder uitgekristalliseerd in jurisprudentie.

Een stedelijke ontwikkeling is volgens het Bro ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Onder ‘bestaand stedelijk gebied’ verstaat het Bro een ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. Toetsing In het kader van voorliggend plan is de ontwikkeling getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking1. Hieronder worden de bevindingen uit de Ladder uiteengezet.

1

SAB (2023). “Toets Ladder voor duurzame verstedelijking, Haarrijnweg 5 Maarssen”. Projectnummer: 200470.01. 8 juni 2023. 15

Stedelijke ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van 17 woningen binnen de kern Maarssen. Relevant is of deze ontwikkeling is aan te merken als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bro. Bij de beantwoording van deze vraag moet volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) in onderlinge samenhang worden beoordeeld in hoeverre het plan, in vergelijking met het voorgaande plan, voorziet in een functiewijziging en welk planologisch beslag op de ruimte het voorliggende plan mogelijk maakt in vergelijking met het voorgaande plan. Daarnaast blijkt uit jurisprudentie2 dat een woningbouwplan dat voorziet in de realisatie van maximaal 11 woningen binnen een dorpskern niet hoeft te worden aangemerkt als woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Een woningbouwplan dat voorziet in de ontwikkeling van 12 woningen wordt daarentegen wel aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling3. Aangezien het beoogde woonprogramma binnen het plan bestaat uit de realisatie van 17 woningen (terwijl er in de huidige situatie één woning binnen het plangebied aanwezig is) wordt het plan gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling, meer specifiek: een woningbouwlocatie.

Kwantitatieve behoefte Gelet op de positieve prognose van de huishoudensontwikkeling binnen de regio Utrecht West en de gemeente Stichtse Vecht, het feit dat er onvoldoende harde plancapaciteit is om in de kwantitatieve woonopgave van de regio en gemeente te voorzien, er sprake is van een regionale versnellingsopgave en de gemeente Stichtse Vecht te maken heeft met een relatief hoge druk op de woningmarkt, maakt dat geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling past binnen de kwantitatieve woningbouwbehoefte van het marktgebied. Kwalitatieve behoefte Gelet op de prognose van de kwalitatieve bevolkings- en huishoudensontwikkeling in de gemeente Stichtse Vecht kan gesteld worden dat de voorgenomen ontwikkeling aansluit bij de demografische ontwikkelingen. Het programma zet in op een divers aanbod waarbinnen aandacht is voor betaalbaarheid en begeleid wonen, hetgeen aansluit bij de kwalitatieve woonbehoefte. Daarbij komt dat er een behoefte is aan de toevoeging van kleinstedelijke woonmilieus in de regio Utrecht West. Bovendien wordt met deze ontwikkeling nadrukkelijk aangesloten bij de gemeentelijke ruimtelijke en volkshuisvestelijke ambities, zoals verwoord in de woonvisie, zoals de segmentering, aandacht voor zorg en bijzondere woonconcepten. Dit tezamen maakt dat de ontwikkeling voorziet in een kwalitatieve behoefte van het marktgebied.

Bestaand stedelijk gebied Het plangebied maakt onderdeel uit van de bebouwde kom van Maarssen. De omgeving van het plangebied is aan de zuidzijde vrijwel volledig gevormd door woningen en andere stedelijke functies. Aan de noordzijde grenst het plangebied aan een kanaal waarachter het buitengebied van de gemeente Stichtse Vecht is gesitueerd. Dit

2

Zie hiervoor de uitspraak van de ABRvS d.d. 16 september 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2921).

3

Zie hiervoor de uitspraak van de ABRvS d.d. 25 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:953). 16

tezamen maakt dat, gelet op de huidige ruimtelijke structuren en bebouwing rondom het plangebied en de ter plaatse geldende bestemmingen, wordt geconcludeerd dat het plangebied in het bestaand stedelijk gebied ligt. Gezien de heersende functies in de omgeving van het plangebied en het karakter van de beoogde ontwikkeling, kan gesteld worden dat de voorgestelde ruimtelijke ontwikkeling op deze locatie past. Wonen is immers de dominante functie in de direct omgeving en de uitvoering in een boerencluster maakt een directe verbinding met het nabijgelegen buitengebied. Conclusie Op basis van het voorafgaande kan geconcludeerd worden dat de Ladder voor duurzame verstedelijking positief is doorlopen. Het plan voorziet in een behoefte en vindt binnen bestaand stedelijk gebied plaats. Daarmee wordt het plan als haalbaar geacht voor wat de betreft de Ladder voor duurzame verstedelijking. 3.1.4

Conclusie Voorliggend plan is niet in strijd met het rijksbeleid.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie provincie Utrecht Op 10 maart 2021 heeft Provinciale Staten de Omgevingsvisie provincie Utrecht vastgesteld. In de Omgevingsvisie legt de provincie het ruimtelijke beleid voor de periode tot 2050 vast. Het nieuwe ruimtelijke beleid heeft als hoofdvraag: 'Hoe willen wij dat onze provincie er in 2050 er uitziet?'. In de omgevingsvisie komen de volgende aspecten aan de orde: − Woningbouw in principe binnen steden en dorpen en rondom knooppunten; − De beschikbare ruimte meervoudig gebruiken; − Het vergroten van de duurzaamheid; − Specifiek in spelen op wat gebieden nodig hebben. In de Omgevingsvisie ligt de integrale lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving van de provincie Utrecht vast. Dat is inclusief sociale aspecten die fysiek neerslaan, zoals toegankelijkheid en inclusiviteit. De Omgevingsvisie vormt een samenhangend pakket met de instrumenten Programma's en Omgevingsverordening. In de omgevingsvisie worden groen, water, energie, bebouwing, infrastructuur, cultuurhistorie en landelijk gebied in onderlinge samenhang bezien. Hiermee wordt ruimte geboden voor duurzaam gebruik en ontwikkeling, voor sociale samenhang en wordt zorggedragen voor behoud of verbetering van kwaliteit in de Utrechtse leefomgeving.

In het omgevingsbeleid staan twee centrale uitgangspunten centraal: − Kiezen gebiedsgericht voor integrale, toekomstgerichte oplossingen waarmee de Utrechtse kwaliteiten per saldo behouden of versterken, zo nodig met compenserende maatregelen.

17

− Concentreren en combineren van nieuwe ontwikkelingen, om zorgvuldig om te gaan met schaarse ruimte en kwaliteiten en door ontwerp en innovatie te stimuleren. Er blijft ook ruimte beschikbaar voor lokale opgaven. Toetsing Raadpleging van de digitale versie van de Omgevingsvisie wijst uit dat in het plangebied een aantal provinciale belangen spelen. Navolgend wordt hierop ingegaan. Klimaatbestendig en waterrobbuust De provincie streeft naar een klimaatbestendige en waterveilige provincie, waarbij een duurzaam en robuust bodem- en watersysteem essentieel is. Overheden zijn samen met drinkwaterbedrijven verantwoordelijk voor de ‘zorgplicht drinkwater’, wat de openbare drinkwatervoorziening veiligstelt. Ter bescherming van de bestaande drinkwaterwinning heeft de provincie speciale beschermingszones aangewezen. Het plangebied ligt in zo een ‘beschermingszone drinkwaterwinning’. Omdat voorliggend plan voorziet in het realiseren van woningen, waarbij onverharde grond wordt omgezet in verharding, dient bekeken te worden hoe dit plan een bijdrage kan leveren aan de provinciale ambitie ten behoeve van het verbeteren van het gronden oppervlaktewater. Het plangebied wordt natuurinclusief en klimaat adaptief ontwikkeld. Zie hiervoor ook het Beeldkwaliteitsplan. Overstromingsrisicogebied Het plangebied ligt in een overstromingsrisicogebied.

In de Omgevingsvisie provincie Utrecht wordt ingezet op het beperken van de effecten van overstromingen. Uiteraard wordt ingezet op waterveiligheidsmaatregelen, maar mocht het toch mis gaan, is in de omgevingsvisie een overstroombaar gebied opgenomen. In dit gebied is extra aandacht nodig voor een goede rampenbestrijding en crisisbeheersing bij overstromingen. Een goede samenwerking tussen gemeenten, waterbeheerders en de veiligheidsregio is daarbij benodigd. Voorliggend plan voorziet in de toevoeging van kwetsbare functies, namelijk ‘wonen’, waar, in geval van overstromingen, rekening mee gehouden dient te worden. Daarom dient goedkeuring gevraagd te worden aan de beheerder van de waterkering. Ook wordt de watergang aan de noordoostzijde van de kavel uitgebreid. Zie verder ook paragraaf 4.7. Bodemdaling Het plangebied is gelegen in een aandachtsgebied bodemdaling. In dit gebied dient aandacht te worden besteed aan het tegengaan van bodemdaling. De voornaamste oorzaak van bodemdaling in ‘stedelijk gebied’ is zetting door het gewicht van wegdek, ophoogmateriaal en zwaar verkeer. De gevolgen hiervan moeten worden aangepakt met een mix aan maatregelen. Het beleid van de provincie voor bodemdaling in het stedelijk gebied is vooral gericht op het ondersteunen van gemeenten en particulieren.

In voorliggend plan worden maatregelen genomen om de gevolgen van bodemdaling te ondervangen door de grond voor te belasten. Dit geldt zowel voor het deel waar de bebouwing en bestrating komt, als voor het deel waar de tuinen komen. Vitale steden en dorpen De komende decennia blijft de provincie Utrecht volgens prognose fors groeien. Om aan de extra vraag naar woon- en werklocaties te voldoen, hanteert de provincie de

18

voorkeur voor ontwikkelingen binnen het stedelijk gebied. Dit met als doel de steden en dorpen vitaal te houden. Met voorliggend plan worden woningen toegevoegd binnen de stedelijke contouren. Hiermee sluit onderhavig plan op de ambitie van de provincie. Daarmee is de ontwikkeling is in lijn met de ambities uit de provinciale omgevingsvisie. 3.2.2

Omgevingsverordening provincie Utrecht De interim omgevingsverordening (IOVPU) is op 10 maart 2021 vastgesteld. In de verordening zijn instructieregels opgenomen die in acht genomen moeten worden bij het maken van nieuwe ruimtelijke plannen. Op deze manier kan het provinciale ruimtelijke beleid ook daadwerkelijk gerealiseerd worden. Toetsing Navolgend wordt ingegaan op de voor deze ontwikkeling relevante regels uit de IOVPU. Artikel 2.10: Overstroombaar gebied Net zoals voor vrijwel heel Utrecht-West geldt dat het plangebied is aangewezen als ‘overstroombaar gebied’. Voorliggend plan voorziet, met de realisatie van nieuwe woningen, in nieuwe kwetsbare functies. Met dit overstromingsrisico dient rekening gehouden te worden. Artikel 3.5 t/m 3.7: Beschermingszone oppervlakte waterwingebied Behoud van de kwaliteit van het drinkwater is essentieel. De duurzame veiligstelling van de drinkwatervoorziening geldt als een dwingende reden van groot openbaar belang. Voorkomen moet worden dat de risico’s op verslechtering van de bronnen toenemen (stand-still). Winningen van oppervlaktewater zijn kwetsbaar voor verontreinigingen die via het water of de lucht bij de winning kunnen komen, omdat er geen bescherming via bodempassage is. Om deze winningen te beschermen heeft RWS een beschermingszone rondom de directe innamepunten van oppervlaktewater opgenomen.

De beschermingszone is bedoeld voor beheersing van calamiteiten, beoordeling van lozingen en beoordeling van ruimtelijke plannen. Zo kan de waterwinning veilig worden gesteld. Omdat de beschermingszone van RWS geen rechtsgevolgen heeft voor derden, heeft de provincie Utrecht de zone ook opgenomen in de verordening en zo de bescherming verankerd. Artikel 9.15 Stedelijk gebied Conform het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet de ‘duurzame verstedelijkingsladder worden toegepast. Voor deze toetsing wordt verwezen naar paragraaf 3.1.3. Daarmee is de ontwikkeling is in lijn met de regels uit de provinciale omgevingsverordening.

3.2.3

Conclusie Voorliggend plan is niet in strijd met het provinciale beleid.

19

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Omgevingsvisie Stichtse Vecht: ’t beste van twee werelden De “Omgevingsvisie Stichtse Vecht: ’t beste van twee werelden” is op 12 januari 2022 vastgesteld door de gemeenteraad van Stichtse Vecht. De omgevingsvisie bevat zeven thema’s: 1 Gezondheid voor iedereen; 2 Ruimte voor verstedelijkingsopgaven; 3 Goede bereikbaarheid in een steeds vollere regio; 4 Prettig leven in de kernen; 5 Ruimte voor recreatie; 6 Toekomstbestendig vitaal platteland; 7 Werken aan klimaatverandering. De visie geeft aan dat er een enorme behoefte aan woningen is vanuit de regio en vanuit de Stichtse Vecht zelf. De gemeente ligt in de snelst groeiende regio van Europa. De ligging van Stichtse Vecht in deze hoog dynamische regio, tussen Utrecht en Amsterdam, vraagt om en rechtvaardigt een versnelde groei van woningen. De gemeente stelt, als deel van haar verstedelijkingsopgave, dat grote aantallen woningen gebouwd moeten worden voor de eigen bevolking en de regio en dat versnelde groei plaats moet vinden. Toetsing Het voorliggend initiatief sluit aan op de ambities uit de gemeentelijke omgevingsvisie. Het plangebied is gesitueerd binnen de bebouwde kom van Maarssenbroek en behoord daardoor tot het deelgebied ‘Kernen’ uit de omgevingsvisie.

De ontwikkeling voorziet in de realisatie van een woningbouwprogramma met 17 woningen, waardoor wordt ingespeeld op de vraag naar versnelde groei en de verstedelijkingsopgave. Daarmee is de ontwikkeling in lijn met de gemeentelijke omgevingsvisie.

3.3.2

Woonvisie 2017 – 2022 (actualisatie) Op 19 maart 2019 heeft een actualisatie van de ‘Woonvisie 2017 – 2022’ plaatsgevonden. In deze visie komen een aantal ambities naar voren die hieronder kort beschreven worden. Betaalbare woningen: De gemeente Stichtse Vecht wil dat het aanbod aan betaalbare woningen aansluit bij de verwachte behoefte. Hierbij zal zowel gekeken moeten worden naar enerzijds het realiseren van meer nieuwe sociale huurwoningen en anderzijds het vergroten van de doorstroming binnen de bestaande huurvoorraad. Naast nieuwbouw zet de gemeente in op de beschikbaarheid van betaalbare woningen in de bestaande woningvoorraad. Ook wil de gemeente dat er meer keuzemogelijkheden komen voor de groep middeninkomens, onder andere in de vrije sector huur.

20

Middenhuur: De gemeente wil dat er meer keuzemogelijkheden komen voor de groep middeninkomens, onder andere in de vrije sector huur. De gemeente zet daarom in op een nieuwbouwprogramma van 20% aan middenhuurwoningen en stelt hierbij aanvullende kwaliteitseisen. Welzijn en zorg: Ten aanzien van zorg wil de gemeente wil bijdragen aan een goede afstemming tussen vraag en aanbod op het terrein van ‘wonen met zorg’ en dat er een klimaat is waarin ouderen en mensen met een beperking prettig kunnen blijven wonen en leven. Dit moet bereikt worden middels een adequate afstemming tussen (zorg)geschikte woningen in een daarop afgestemde woonomgeving met bereikbare zorg- en welzijnsvoorzieningen. Verduurzaming: De gemeente Stichtse Vecht heeft de ambitie om in 2030 volledig energieneutraal te zijn. Dit kan ook door middel van compensatie via energieopwekking. Voor een belangrijk deel ligt hiervoor een opgave in de bebouwde omgeving en daarmee de woningvoorraad (nieuw en bestaand).. De aangeboden verkaveling en ontwerpen voldoen aan de BENG-eisen. Nieuwe woonconcepten: De gemeente vindt het belangrijk dat er ruimte is voor nieuwe woonvormen die inspelen op een duidelijke woonbehoefte. De gemeente is voornemens een faciliterende rol aan te nemen richting ontwikkelaars die kansrijke niches aan de woningvoorraad willen toevoegen.

Toetsing De ontwikkeling voorziet in de realisatie van een gevarieerd woningbouwprogramma met 17 woningen. Een nieuw woonconcept biedt ruimte aan zes rug aan rug woningen, mogelijk voor mensen met een zorgbehoefte. Daarnaast is ruimte voor vrijstaande en twee-onder-één-kapwoningen in de koopsector en rijwoningen in de categorie middenhuur. Tevens is duurzaamheid een centraal thema in het plan, waarbij met name veel oog voor natuurinclusiviteit en klimaatadaptatie is. 3.3.3

Beoordeling en conclusie Voorliggend plan is niet in strijd met het gemeentelijke beleid.

21

4 4.1

MILIEU EN OMGEVINGSASPECTEN Milieueffectrapportage Algemeen De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In de bijlage van het Besluit m.e.r zijn twee onderdelen (C en D) opgenomen. In onderdeel C zijn activiteiten genoemd waarbij direct sprake is van een m.e.r.-plicht als bij besluiten de genoemde drempelwaarden worden overschreden. Voor de activiteiten die zijn genoemd in onderdeel D geldt dat als de drempelwaarden worden overschreden een m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden. Voor besluiten met een omvang onder de drempelwaarden moet een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling worden gedaan. Het bevoegd gezag (het college van burgemeester en wethouders of de gemeenteraad) moet voorafgaande aan het besluit inzake het plan formeel de beslissing nemen of, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit mogelijk voor het milieu kan hebben, een m.e.r. moet worden doorlopen. Het bevoegd gezag kan dit besluit nemen aan de hand van een ‘aanmeldingsnotitie’.

Het uiteindelijke besluit dient als bijlage bij de stukken van het ruimtelijke plan worden gevoegd. Toetsing Onderhavig plan voorziet in de sloop en nieuwbouw van woningen. Het plan kan worden gekwalificeerd als de wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen als genoemd in onderdeel D.11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r.. Bij de uitleg van de Europese m.e.r.-richtlijn wordt immers aangegeven dat 'stedelijke ontwikkelingsprojecten' breed moet worden geïnterpreteerd en een herontwikkeling wordt als wijziging in de zin van het Besluit m.e.r. beschouwd. Bij de activiteit zijn drie relevante indicatieve drempelwaarden opgenomen, namelijk: − een oppervlakte van 100 hectare of meer; − een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen; − een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Het plan blijft ver onder de indicatieve drempelwaarden en daarmee kan in eerste instantie met een vormvrije m.e.r.-beoordeling worden volstaan. In de vormvrije m.e.r.beoordeling wordt beoordeeld of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. Hierbij moet in het bijzonder worden nagegaan of er sprake is van de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de Europese Richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling. Daarbij dient te worden ingegaan op de volgende onderdelen: − de kenmerken van het project;

22

− de plaats waar de activiteit plaatsvindt; − de kenmerken van het potentiële effect. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling is uitgevoerd4. In dit onderzoek is beoordeeld of door voorliggende ontwikkeling nadelige effecten op het milieu zijn te verwachten. De tabel hieronder geeft een overzicht van de beoordeelde milieuaspecten en de daarbij behorende conclusies weer. Aspect Natuur (gebiedsbescherming)

Natuur (soortenbescherming)

Verkeer

Geluid

Lucht

4

Beoordeling milieueffecten Het uitgevoerde stikstofdonderzoek wijst uit dat significant negatieve effecten op Natura 2000 gebieden niet aan de orde zijn. Hiermee worden geen negatieve milieueffecten verwacht. De aanwezigheid van beschermde soorten is grotendeels uitgesloten middels een flora en fauna onderzoek, of er geldt een provinciale ontheffing. Met inachtneming van de broedperiode voor vogels en de zorgplicht uit de Wet Natuurbescherming zijn de negatieve effecten op zijn hoogst beperkt. Dit effect kan zeker niet als een belangrijk nadelig gevolg voor het milieu worden gekwalificeerd. De nieuwe woonontwikkeling zorgt voor een verkeersaantrekkende werking zonder te verwachten afwikkelingsproblemen op de bestaande infrastructuur. Gezien voorgaande worden wat betreft verkeer geen negatieve milieueffecten verwacht. Als gevolg van de nieuwe woonontwikeling zal er sprake zijn van een verkeersaantrekkende werking ten opzichte van de huidige situatie. Hiermee zou sprake kunnen zijn van een toename van geluidshinder op bestaande omringende woningen. De toename van het verkeer op de omliggende wegen bedraagt meer dan 40% (licht verkeer) ten opzichte van de huidige verkeersintensiteit. Nadere beschouwing wijst uit dat de geluidsbelasting op de dichtstbijliggende bestaande woningen bedraagt maximaal 44 dB. Dat is minder dan de voorkeurswaarde van 48dB uit de Wgh.

Gezien voorgaande is geen sprake van een negatief milieueffect. Er zijn geen nadelige gevolgen te verwachten. Het plan draagt Niet in Betekenende Mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit en gezien de bestaande achtergrondconcentraties en de planbijdrage is geen sprake van een wezenlijke verslechtering.

SAB (2023). “Vormvrije m.e.r.-beoordeling, Haarrijnweg 5 Maarssen”. Projectnummer: 200470.01. 8 juni 2023. 23

De uitkomst van de uitgevoerde toets is dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het plan die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.-(beoordelings-) procedure is daarom niet nodig Conclusie Het aspect vormvrije m.e.r.-beoordeling vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.2

Bodem Algemeen In het kader van een planprocedure moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Hiertoe is het uitvoeren van een verkennend milieukundig bodem- en grondwateronderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de gewenste ontwikkeling. Toetsing Ten behoeve van de ontwikkeling heeft Econsultancy een verkennend bodemonderzoek (inclusief asbest), een verkennend bodemonderzoek asbest (op een beperkt deel van de locatie) en nader bodemonderzoek asbest uitgevoerd. Aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek asbest op de locatie was het aantreffen van asbestplaatmateriaal bij een tweetal proefgaten op de locatie. Uit de resultaten van de uitgevoerde bodemonderzoeken op de locatie blijkt dat op de locatie sprake is van de volgende verontreinigingen: − Verontreiniging met minerale olie (in grond en grondwater) ter plaatse van de voormalige HBO-tank bij het woonhuis. Het betreft een niet-ernstige verontreiniging en derhalve geen geval van ernstige bodemverontreiniging; − Erfverharding (semiverharding bestaande uit sintels, beton en baksteen; geen sprake van bodemmateriaal in de zin van de Wet bodembescherming). In deze laag zijn (indicatief) matig tot sterk verhoogde gehalten aan zware metalen en PAK aangetroffen.

In een mengmonster van de verhardingslaag is geen asbest aangetroffen; − Een opgebrachte laag met bijmengingen (puin, sintels, beton), die diffuus heterogeen licht tot matig verontreinigd is met zware metalen, PAK en minerale olie. Deze verontreiniging is in een eerder stadium (2003) door de provincie Utrecht beoordeeld als een niet-ernstige verontreiniging c.q. geen geval van ernstige bodemverontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming. Dit is destijds schriftelijk vastgelegd. Mogelijk is een gedeelte van de opgebrachte laag in het verleden aangebracht als een toemaakdek; − In de opgebrachte laag zijn bij het nader bodemonderzoek uitgevoerd door Econsultancy verontreinigingen met asbest aangetroffen. De verontreinigingen met asbest in grond liggen echter beneden de restconcentratienorm (100 mg/kg d.s.), waardoor er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging als gevolg van asbest;

24

− Plaatselijk is in een puinlaag (in het traject van 0,3-0,5 m -mv) een gehalte aan asbest net boven de restconcentratienorm aangetroffen (100 mg/kg d.s.). Het betreft echter geen bodemlaag, waardoor er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest. Op basis van de beschikbare onderzoeksresultaten is geconcludeerd dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging op de locatie. Hierdoor kan volstaan worden met het opstellen van een plan van aanpak. Econsultancy heeft een “Plan van aanpak bodemsanering”5 opgesteld. Doel van de bodemsanering is de locatie functiegericht en kosteneffectief te saneren om de locatie geschikt te maken voor het geplande gebruik (appartementencomplex c.q. niet grondgebonden wonen). In het kader van de herontwikkeling zal de locatie worden opgehoogd. Het plan van aanpak is opgesteld op basis van de uitgangspunten (voor zover beschikbaar) met betrekking tot de geplande nieuwbouw (appartementen), zoals actuele terreinhoogten, geplande graafwerkzaamheden, toekomstige peilen (ophoging) en eventueel benodigde bemalingen. De grondsanering ter plaatse van de minerale olie spot (bij de voormalige HBO-tank) is erop gericht om de verontreinigingsbron met minerale olie in de grond zoveel mogelijk te verwijderen.

In de toekomst is ter plaatse van de huidige minerale olie spot het parkeerterrein van het appartementencomplex gepland. Hierdoor vormt de achterblijvende restverontreiniging met minerale olie in de bodem geen enkel risico of belemmering bij het toekomstige gebruik, mede gelet op de geplande ophoging van de locatie in het kader van het bouwrijp maken. De aanwezige erfverharding met bijmenging (meer dan 50%, waardoor er geen sprake is van bodemmateriaal in de zin van de Wet bodembescherming) zal op basis van zintuiglijke waarnemingen in het veld worden ontgraven. Op de herontwikkelingslocatie bevindt zich een ondiepe watergang, waar in het kader van het verkennend onderzoek een sliblaag met een dikte van 0,1 à 0,2 m aangetroffen. Uitgangspunt is dat deze sliblaag in het Kader van het bouwrijp maken eveneens dient te worden verwijderd. Conclusie Met inachtneming van de maatregelen, zoals opgenomen in het “Plan van aanpak bodemsanering”, vormt het aspectbodem geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

5

Econsultancy (2023). “Gewijzigd plan van aanpak bodemsanering Haarrijnweg 5 te Maarssen”. Rapportnummer: 9121.007, 11 januari 2023. 25

4.3

Geluid Algemeen De mate waarin het geluid, veroorzaakt door het wegverkeer en/of door inrichtingen, onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In juridisch-planologische procedures moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Toetsing Een akoestisch onderzoek 6 naar geluidbelasting vanwege weg- en railverkeer is verricht. Navolgend worden de conclusies van het onderzoek gepresenteerd: − De geluidbelasting vanwege de spoorlijn Amsterdam - Utrecht bedraagt maximaal 68 dB. Dit is hoger dan de voorkeursgrenswaarde maar lager dan de maximaal te ontheffen geluidsbelasting. − De geluidbelasting vanwege de omringende (gezoneerde) weg is lager dan de voorkeursgrenswaarde. Vanwege deze weg wordt voldaan aan de Wgh. − Van elke individueel te onderscheiden weg is er geen sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde. Op basis van de resultaten wordt daarmee voldaan aan de Wet Geluidhinder en een goede ruimtelijke ordering.

Het aspect geluid, afkomstig van wegverkeer, vormt dus geen belemmering van de beoogde ontwikkeling. − Onderzoek naar bron- en overdrachtsmaatregelen wijst uit dat deze niet voldoende soelaas bieden, financieel niet doelmatig zijn en stedenbouwkundig onwenselijk. Er dienen derhalve maatregelen aan de ontvanger zijde te worden getroffen. − Door het treffen van maatregelen bij de ontvanger (conform het Bouwbesluit 2012), waarbij rekening wordt gehouden met de hogere geluidbelasting van het spoor, zal de binnenwaarde van 33 dB worden gewaarborgd. In een aanvullend onderzoek bij de aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen dienen de benodigde gevelmaatregelen te worden bepaald. − Voor het plan dienen hogere grenswaarden te worden aangevraagd. Deze dienen voor de vaststelling van het plan verkregen zijn. Aan te vragen hogere grenswaardes ten gevolge van de spoorlijn Amsterdam – Utrecht. Omschrijving

Kenmerk toetspunt

6

Hoogte toets-

Hoogste geluidbe-

punt (m)

lasting in dB

mh 1_B

middenhuur noordoost gevel

4,5

58

MOBW 1_B

noordoost

4,5

61

MOBW 1_C

noordoost

7,5

68

MOBW 2_B

zuidoost

4,5

57

MOBW 2_C

zuidoost

7,5

63

MOBW 3_B

zuidoost

4,5

56

SAB (2022). “Akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai Maarssen, Haarrijnweg 5”. Projectnummer: 200470.01. 16 september 2022. 26

Omschrijving

Kenmerk toetspunt

Hoogte toets-

Hoogste geluidbe-

punt (m)

lasting in dB

MOBW 3_C

zuidoost

7,5

62

MOBW 4_C

zuidwest

7,5

56

MOBW 5_B

noordwest

4,5

57

MOBW 5_C

noordwest

7,5

64

MOBW 6_B

noordwest

4,5

58

MOBW 6_C

noordwest

7,5

65

tk2.2_B

Tweekapper koop Noord-West

4,5

56

vr 1.2_D

vrijstaand noordwest gevel

10,5

56

vr1.1_C

vrijstaand Noord-Oost gevel

7,5

57

vr1.1_D

vrijstaand Noord-Oost gevel

10,5

61

vr1.4_D

vrijstaand Zuid-Oost gevel

10,5

56

vr3.1_D

vrijstaand zuidoost gevel

10,5

57

vr3.3_C

vrijstaand 3 noordwest gevel

7,5

56

vr3.3_D

vrijstaand 3 noordwest gevel

10,5

59

vr3.4_C

vrijstaand noordoost gevel

7,5

57

vr3.4_D

vrijstaand noordoost gevel

10,5

61

Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Wel dienen besluit hogere grenswaarden te worden verleend.

4.4

Luchtkwaliteit Algemeen De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet Milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd, kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diversie regio's om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen.

Projecten die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio's waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het

27

NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof. Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 g/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is significant is ten opzichte van een etmaal. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein.

Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden. Toetsing Om aannemelijk te maken dat voorliggend plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging, is de NIBM-rekentool gebruikt. Bij het opstellen van deze NIBM-tool is uitgegaan van een worstcase situatie, door geen planvergelijking te doen en inzichtelijk te maken of de herontwikkeling op zichzelf NIBM te noemen is. Na invulling van de rekentool volgt dat dit het geval is, zoals in de afbeelding hieronder te zien.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie

2023

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemid103 delde) Aandeel vrachtverkeer 10,0% Maximale bijdrage extra verNO2 in μg/m3 0,17 keer PM10 in μg/m3 0,02 Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3 Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig NIBM-tool (Bron: Infomil/RIVM).

28

1,2

Nadat het effect van het plan middels de NIBM-tool wordt berekend, is het plan ook getoetst aan de hand van de NSL-monitoringstool. Dit gebeurt in het kader van een goede ruimtelijke ordening, waarbij ook wordt gekeken naar de concentraties fijnstof en (PM10 en PM2.5) en stikstofdioxide (NO2) in de nabijheid van het plangebied. Na raadpleging van de NSL-monitoringstool wordt geconcludeerd dat ruimschoots wordt voldaan aan de grenswaarde voor luchtkwaliteit voor het jaar 2030 op deze locatie. De blootstelling is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. Deze grenswaarden zijn op Europees niveau vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. Tevens geven de uitkomsten uit de monitoringstool aan dat de concentraties van de luchtvervuilende stoffen op ge lange termijn in het plangebied verder afnemen.

Uitsnede NSL-monitoringstool (Bron: nsl-monitoring.nl).

Conclusie Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat, zowel vanuit de Wet Milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening, luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied.

4.5

Bedrijven en milieuzonering Algemeen Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en 29

gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel. Toetsing In het kader van de beoogde ontwikkeling is door SAB een memo bedrijven en milieuzonering7 opgesteld.

Ligging hinderveroorzakende percelen en bestemmingen in de omgeving van de ontwikkellocatie (de ontwikkellocatie is in rode stippellijn weergegeven) zwarte stippellijnen zijn de bestemmingsplangrenzen (Bron: pdokviewer.nl, bewerking: SAB)

De ligging en begrenzing van het plangebied is aangegeven met een rode stippellijn. In de directe omgeving van de locatie ligging verschillende functies. Het paarse gebied (A) is een rioolgemaal, een inrichting die valt onder categorie 2 van de VNG bedrijvenlijsten. Het groene gebied (B) betreft een agrarisch bedrijf met agrarische gronden, waarbij de hoogst mogelijke milieucategorie 3.1 is. Het roze gebied (C) illustreert de gronden waar een dynamo revisiebedrijf en meerdere bedrijven zijn toegestaan, waardoor wordt uitgegaan van de milieucategorie 4.1.

7

SAB (2022). “Quick scan bedrijven en milieuzonering Woningbouwontwikkeling Haarrijnweg 5 - Maarssen”. Projectnummer: 200470.01. 19 september 2022. 30

Ten aanzien van hinder van bestaande bedrijvigheid op de beoogde ontwikkeling wordt geconcludeerd dat voor omliggende gronden voldaan wordt aan de richtafstanden uit de VNG-brochure waardoor deze gronden met bijbehorende functies niet onevenredig worden geschaad in hun ontwikkelingsmogelijkheden en ter plaatse van de ontwikkellocatie een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.6

Externe veiligheid Algemeen Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (transport gevaarlijke stoffen over bijvoorbeeld de weg en door buisleidingen). Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico biedt burgers in hun woonomgeving een minimum beschermingsniveau tegen gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde en voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Het plaatsgebonden risico (PR) mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 106). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 106 als grenswaarde. Het groepsrisico (GR) geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen.

Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Toetsing Ten behoeve van de beoogde bestemmingsplanherziening heeft SAB het plan getoetst aan het aspect externe veiligheid8. In het rapport worden de potentiële risicobronnen beschouwd voor wat betreft het aspect externe veiligheid. Uit de inventarisatie van nabije risicobronnen blijkt het volgende: − De ontwikkellocatie bevindt zich niet binnen het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen, buisleidingen, luchtvaart en windturbines;

8

SAB (2022). “Onderzoek externe veiligheid Maarssen, Haarrijnweg 5”. Projectnummer: 200470.01, 12 juni 2023. 31

− De ontwikkellocatie bevindt zich in het invloedsgebied van wegtraject A2, maar valt buiten de meest relevante zone van het groepsrisico (de 200 meter zone), derhalve kan hierbij worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico; − De ontwikkellocatie bevindt zich in het invloedsgebied van spoortraject 71 en watertraject Corridor Amsterdam – Rijn. Een nader onderzoek is derhalve vereist. Risicoberekening Personendichtheid In het rapport ‘Externe veiligheid’ is als onderdeel van de berekening van het groepsrisico inzichtelijk gemaakt op welke wijze de bepaling van de personendichtheid in de huidige en toekomstige situatie heeft plaatsgevonden. Het betreft ten opzichte van de huidige situatie een toename van circa 41 personen in de toekomstige situatie. Kwantitatieve risicoanalyse spoorlijn Als gevolg van het ontwikkelplan zal de personendichtheid in het invloedsgebied van spoortraject Utrecht – Amsterdam toenemen. Het spoortraject kent in de nabijheid van de ontwikkellocatie geen plasbrandaandachtsgebied en geen PR 10 -6/j contour. Tevens is gebleken dat zowel in de huidige als in de toekomstige situatie de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet wordt overschreden en het groepsrisico niet toeneemt. Kwantitatieve risicoanalyse water Het watertraject kent geen plasbrandaandachtsgebied en geen PR 10-6/j contour.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/2445/documents/52600