CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan - Toelichting - De Veenkluit te Tienhoven.pdf

Commissie Fysiek Domein 7 september 2021, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: 3. 19:35: Bestemmingsplan De Veenkluit in Tienhoven.14.149 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

30

zoals inundatiegebieden en verdedigingswerken. Gesteld wordt dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de samenhang tussen de elementen van de linies.

Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart provincie Utrecht (Bron: Provincie Utrecht).

Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig plan. 4.8.2

Archeologie Beleidskader Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Onderzoek Raadpleging van de archeologische beleidskaart van de gemeente Stichtse Vecht wijst uit dat het plangebied een hoge archeologische verwachtingswaarde kent, namelijk een historisch ontginningslint dat (gedeeltelijk) deel uitmaakt van een archeologisch monumenten terrein (AMK-terrein). Omdat het gaat om een terrein met een archeologische waarde, is een dubbelbestemming in de planregels opgenomen, om archeologische waarden in voldoende mate te beschermen. Hoewel door het opnemen van een dubbelbestemming archeologische waarden planologisch in voldoende mate worden veiliggesteld is het wenselijk om al in het planstadium archeologisch

31

(voor)onderzoek uit te laten voeren. De resultaten van het archeologisch onderzoek worden te zijner tijd toegevoegd aan deze paragraaf.

Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Stichtse Vecht, met daarop het plangebied met een pijl aangewezen (Bron: gemeente Stichtse Vecht). Conclusie Rekening houdend met voorgaande vormt het aspect bodem geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig plan.

4.9

Natuur Beleidskader Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebie-

32

den en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. Onderzoek 5 Tauw heeft een toetsing aan de Wet natuurbescherming opgesteld . Navolgend worden kort de conclusies van het onderzoek uiteengezet. Toetsing aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is niet aan de orde. Er is namelijk geen sprake van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN als gevolg van fysiek ruimtebeslag. Onder de Wnb zijn sommige houtopstanden en solitaire bomen ook beschermd. Dat geldt niet voor de bomen in het plangebied. Een toetsing aan het onderdeel houtopstanden als bedoelt onder de Wnb is dan ook niet noodzakelijk. In hoeverre is de beoogde ontwikkeling (mogelijk) strijdig met de Wnb? Voor de geplande herinrichting dient rekening te worden gehouden met de onderdelen gebieden-en soortenbescherming van de Wnb. Gebiedsbescherming (Natura 2000) Op circa 100 meter afstand van onderhavig plangebied bevindt zich het Natura 2000gebied Oostelijke Vechtplassen. Gezien de nabijheid van dit beschermde natuurgebied dient ten behoeve van de realisatie en het gebruik van het plan de stikstofuitstoot 6 inzichtelijk gemaakt te worden.

SAB heeft daarom een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd. Navolgend worden de resultaten kort besproken. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat zowel voor de aanlegfase als voor de gebruiksfase de gehanteerde grenswaarde van de stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/j wordt overschreden. De stikstofdepositie ten behoeve van de aanlegfase is 0,07 mol/ha/jaar en voor de gebruiksfase is deze 0,06 mol/ha/jaar. 7 Uit uitgevoerde verschilberekeningen , waarbij interne saldering is toegepast, blijkt dat zowel voor de aanlegfase als voor de gebruiksfase de gehanteerde grenswaarde van de stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/j niet wordt overschreden. In het kader van een voortoets kunnen significant negatieve effecten derhalve worden uitgesloten. Wel is er een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming nodig. Soortbescherming Ten aanzien van beschermde soorten dient rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen en nestlocaties van huismussen. Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen en nestlocaties van huismussen is nodig. 5

Tauw (2019). Tienhoven - Natuurtoets en Voortoets. Ds. Ulferslaan 25-29 te Tienhoven. Pro-

6

SAB (2020). Onderzoek stikstofdepositie. Tienhoven, De Veenkluit. Projectnummer: 200144.

7

SAB (2020). Onderzoek stikstofdepositie. Tienhoven, De Veenkluit. Projectnummer: 200144. 8

jectnummer: 1273786. 18 december 2019. 22 april 2020. juli 2020. 33

Daarnaast bieden de bomen en overige houtachtige beplanting in het plangebied nestgelegenheid voor vogelsoorten waarvan het nest alleen gedurende het broedseizoen beschermd is. Zijn maatregelen en of een ontheffing nodig? 8 Er heeft nader onderzoek naar de functie van het plangebied voor vleermuizen en huismussen plaatsgevonden. Hierbij zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen of huismussen in het plangebied aangetroffen. Ook zijn er geen essentiële foerageergebieden of vliegroutes aanwezig van vleermuizen in het plangebied. De aanwezigheid van deze soorten staat de planvorming dan ook niet in de weg. Er is geen ontheffingsaanvraag benodigd. Als er in het broedseizoen gewerkt wordt, is een (periodieke) controle op nesten van broedvogels voorafgaand aan de werkzaamheden noodzakelijk om overtreding van de wet te voorkomen. Indien een broedgeval aanwezig is, dient een verstoringsvrije zone te worden aangehouden, waarbinnen gedurende de periode van broeden niet wordt gewerkt. De breedte van deze zone dient door een ter zake kundige te worden bepaald. Hierdoor wordt een overtreding van de wet voorkomen en is geen ontheffing nodig. Om tijdelijke verstoring op vleermuizen te voorkomen dient overdag gewerkt te worden. Indien dit niet mogelijk is dient gewerkt te worden met gerichte verlichting, waarbij de bomenrijen en watergangen onverlicht blijven.

Kansen voor biodiversiteit? In de omgeving van het plangebied komt de huismus voor. Ooit was de huismus de meest algemene broedvogel van Nederland. De soort is de laatste decennia om onbekende reden in aantal vrij hard achteruitgegaan. Vermoedelijk is één van de oorzaken de afname van broedgelegenheid, onder andere door sloop, renovatie en isolatie van oude gebouwen, en dit in combinatie met een afgenomen voedselaanbod. De haag en omgeving rondom het plangebied is leefgebied voor de huismus. 9

Door Tauw is gekeken naar kansen die onderhavig plan kan bieden voor de huismus . De herontwikkeling biedt kansen voor de huismus indien binnen het ontwerp rekening wordt gehouden met:  Voldoende nestgelegenheid voor een kolonie huismussen op de oost- en/of noordgevel;  De inbouwvoorzieningen voldoen aan de eisen die huismus stelt aan een broedplaats;  Behoud en toename van inheems groen van stekelige of altijd groenblijvende struiken en hagen voor dekking, beschutting, voedselaanbod en slaapplek;  Droge, zandige plekken voor het nemen van een stofbad;  Behoud van water om uit te drinken en baden (sloot achter de bestaande haag). Conclusie 8

Tauw (2020). Nader onderzoek soorten. Ds. Ulferslaan 25-29 te Tienhoven. Projectnummer: 1273786. 15 oktober 2020.

9

Tauw (2020). Kansen voor de huismus. Ds. Ulferslaan 25-29 te Tienhoven. 6 april 2020. 34

Rekening houdend met voorgaande vormt het aspect natuur geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan. Wat betreft de stikstofdepostie zal een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming worden aangevraagd.

4.10

Water Beleidskader Rijksbeleid – Het Nationaal Waterplan 2016-2021 Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal:  Nederland blijft de veiligste delta in de wereld.  Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater.  Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht.  Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement.  Nederlanders leven waterbewust. Het kabinet zet de veranderingen in het waterveiligheidsbeleid voort en zal hiertoe een wetsvoorstel met nieuwe normen voor de primaire keringen voorbereiden. Nieuwe normen zijn nodig, omdat de huidige eisen aan primaire keringen grotendeels uit de jaren zestig van de vorige eeuw dateren. Sindsdien zijn het aantal mensen en de economische waarde achter de dijken toegenomen. Ook is nieuwe kennis beschikbaar gekomen over de werking van de keringen en de gevolgen van overstromingen. De doelen op het gebied van waterveiligheid zijn omgerekend naar normspecificaties voor de keringen.

Deze zijn niet meer gebaseerd op dijkringen, maar op dijktrajecten. Elk dijktraject krijgt een norm-specificatie die past bij de gevolgen in dat specifieke gebied. De normspecificaties zijn ingedeeld in zes klassen, waarbij de overstromingskans varieert van 1/300 per jaar tot 1/100.000 per jaar. Het Rijk onderkent het belang van verbinden van ruimte en water. Bij het aanpakken van wateropgaven en de uitvoering van watermaatregelen vindt daarom afstemming plaats met andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied, zodat scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of, beter nog, elkaar versterken. Het kabinet streeft daarbij ook naar integrale combinaties, waarbij ruimtelijke inrichting een belangrijke rol speelt bij het oplossen van wateropgaven. Omgekeerd is het van belang om bij ruimtelijke opgaven vroegtijdig rekening te houden met wateropgaven en de veerkracht van watersystemen. De gewenste betere verbinding tussen water en ruimte geldt voor alle opgaven op het gebied van waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Provinciaal beleid - Bodem-, Water- en Milieuplan 2016-2021 Op 7 december 2015 heeft de provincie Utrecht het Bodem-, Water- en Milieuplan 2016-2021 (BWM-plan) vastgesteld. Dit plan legt het beleid op basis van de provincia-

35

le wettelijke taken voor bodem, water en milieu vast voor de periode 2016-2021. Het BWM-plan richt zich op vier belangrijke maatschappelijke opgaven: waterveiligheid en wateroverlast, schoon en voldoende oppervlaktewater, ondergrond en leefkwaliteit stedelijk gebied. Vanaf 2016 is al het bodem-, water en milieubeleid in één integraal plan opgenomen. De opgaven vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) maken onderdeel uit van dit plan. De provincie heeft in het plan de volgende doelen geformuleerd:  Wij streven naar een robuust bodem- en watersysteem. Dit houdt in dat onder normale omstandigheden alle functies goed uitgevoerd kunnen worden en dat extreme situaties goed opgevangen kunnen worden.  Wij streven naar bodem-, water- en milieukwaliteiten die passend zijn voor de functie van een gebied.  Wij streven naar een duurzaam gebruik van de fysieke leefomgeving, zodat de mogelijkheden die het natuurlijk systeem ons biedt ook in de toekomst gebruikt kunnen worden.  Wij streven naar een gezonde leefomgeving, die een positieve bijdrage levert aan de economische en maatschappelijke ontwikkelingen in de regio.

Om hierin een focus aan te brengen zijn vier prioriteiten benoemd: 1 Waterveiligheid en wateroverlast 2 Schoon en voldoende oppervlaktewater 3 Ondergrond 4 Leefkwaliteit stedelijk gebied Beleid Waterschap - Waterbeleid Waterschap Amstel, Gooi en Vecht Het beleid van Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) is vastgelegd in het waterbeheerplan. In dit plan zijn beleid en wetgeving van hogere overheden en van AGV zelf (onder andere Visie AGV) nader uitgewerkt. Hoofddoel van het plan is "het mogelijk maken van een veilig, ruim, ecologisch gezond en daardoor veerkrachtig watersysteem, dat geschikt is voor aan- en afvoer en berging van water, natuur, recreatie, wonen en bedrijvigheid. Om de watersysteemdoelen te bereiken is een optimaal beheer en een goed functioneren van de afvalwaterketen essentieel". Binnen dit hoofddoel zijn de volgende thema's van belang:  Bescherming tegen overstromingen; in Maarssen is met name de veiligheid achter de primaire waterkeringen van het Amsterdam-Rijnkanaal van belang.  Peilbeheer: zo veel mogelijk afgestemd op functie. AGV heeft geen invloed op het peil in het Amsterdam-Rijnkanaal, wat weer van invloed is op het peil van de Vecht.  Waterberging en afvoercapaciteit op orde. In stedelijke waterplannen meer aandacht geven aan kleinschalige waterberging.

 Grondwater: AGV streeft op termijn naar uitvoering van de stedelijke grondwaterzorg in opdracht van gemeenten in het gehele beheergebied.  Ecologische en chemische toestand.  Bevaarbaarheid en recreatief gebruik.  Inzameling afvalwater: Bij herinrichting regenwater zo veel mogelijk afkoppelen van het rioolstelsel.  Duurzame behandeling van afvalwater.  Aanpak van emissies uit de afvalwaterketen.

36

Onderzoek Met dit bestemmingsplan wordt een herstructurering van de bestaande percelen aan de Dominee Ulferslaan 25-27 mogelijk gemaakt, waarbij het dorpshuis zal verhuizen naar het naastgelegen schoolgebouw. Het schoolgebouw wordt gesloopt en een nieuw gebouw, dat onderdak biedt aan de school en het dorpshuis, zal worden gerealiseerd. Op de locatie van het voormalige dorpshuis zullen zeven woningen worden gebouwd. Verharding Met dit bestemmingsplan nemen de bouwmogelijkheden in vergelijking met de bestaande situatie toe. Er zal meer verharding worden gerealiseerd. Bij de inrichting van het gebied zullen voorzieningen gerealiseerd worden om het regenwater ter plaatse te infiltreren of bergen. Binnen het plangebied is hiervoor voldoende ruimte. Watercompensatie In het noordoosten van het plangebied, grenzend aan het schoolplein, is een stuk land ingericht ten behoeve van de waterberging. Dit stuk land zal in stand blijven. Ter plaatse van het plangebied wordt geen oppervlaktewater gedempt. Het is derhalve niet nodig om watercompensatie door te voeren. Waterkering Onderhavig plangebied behoort tot een secundaire waterkering van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV), zoals weergegeven op onderstaande afbeelding. Deze secundaire waterkering heeft een kernzone van 25 meter en een binnenbeschermingszone van 10 meter.

De buitenbeschermingszone maakt geen onderdeel uit van het plangebied. Binnen deze zones gelden de regels uit de Keur AGV. Voor bepaalde activiteiten met mogelijk een grote invloedssfeer (zoals bij de opslag van explosiegevaarlijk materiaal of inrichting) gelden mogelijk ook buiten deze vrijwaringszone nog beperkingen. Het plangebied maakt deel uit van de beschermingszone die bij deze waterkering hoort. Gelijk aan het vigerende bestemmingsplan zijn de regels ter bescherming van deze kering in dit bestemmingsplan opgenomen. De exacte ligging van een waterkering met bijbehorende beschermingszones is in veel gevallen inzichtelijk via de onlinelegger van het hoogheemraadschap. Dit bestemmingsplan heeft voorts geen invloed op overige waterstaatkundige elementen.

37

Legger Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (Bron: Waterschap AGV). Waterwingebied / grondwaterbescherming Op grond van de Wet milieubeheer (Wm) is de provincie verplicht een verordening ter bescherming van het milieu vast te stellen. De provincie Utrecht geeft aan deze verplichting invulling via de Provinciale Milieuverordening Utrecht 2013 (PMV). De milieuverordening heeft onder andere betrekking op de grondwaterbescherming met het oog op de waterwinning binnen aangewezen gebieden, zoals deze vermeld zijn in de PMV. Het bestemmingsplangebied ligt binnen het grondwaterbeschermingsgebied en valt binnen de Bethunepolder als waterwingebied. De 535 hectare grote Bethunepolder is een uniek drinkwaterwingebied. Nergens anders ter wereld welt zoveel grondwater op als hier, namelijk 34 miljoen m3 water per jaar, dat is ruwweg 1.000 liter per seconde. Hiervan worden door Waternet, het waterleidingbedrijf van de gemeente Amsterdam, 25 miljoen kubieke meter gebruikt voor de productie van het drinkwater voor de stad Amsterdam. De polder, bestaande uit 12 peilvakken, ligt beneden het peil van de omringende polders en de aangrenzende Maarsseveense- en Loosdrechtse Plassen. Het kwelwater wordt ondergronds aangevoerd en wordt vanuit de wijde omgeving, waaronder de Utrechtse Heuvelrug, aangevoerd. Het zuurstofarme water is gemiddeld 50 jaar oud en van uitmuntende kwaliteit.

De provincie heeft in de Provinciale Milieuverordening (PMV) 2013 regels opgesteld welke dienen ter bescherming van de waterwinning. Het betreft hier onder andere regels ten aanzien van het gebruik van bestrijdingsmiddelen, onkruidbestrijding en binnen de Bethunepolder ook ten aanzien van parkeren. In samenwerking met de externe partners heeft de provincie de ‘Handreiking gronden oppervlaktewaterbescherming van bronnen voor drinkwater bij ruimtelijke plannen’ (2015) opgesteld. In dit document is uitgewerkt hoe men in ruimtelijke plannen rekening kan houden met de bescherming van grondwater en oppervlaktewater dat voor de drinkwaterbereiding wordt gebruikt, en met de bescherming van het grondwater in het Infiltratiegebied Utrechtse Heuvelrug.

38

Met dit bestemmingsplan worden bouwactiviteiten mogelijk gemaakt binnen het waterwingebied van de Bethunepolder. Bij de uitvoering van deze activiteiten wordt rekening gehouden met de regels uit de PMV. Binnen het bestemmingsplan is met een gebiedsaanduiding aangegeven dat het plangebied deel uitmaakt van een waterwingebied. Aan deze gebiedsaanduiding zijn in het bestemmingsplan regels gekoppeld welke ter bescherming van de waterwinning dienen. De dubbelbestemmingen die reeds in het ‘moederplan’ (Landelijk Gebied Maarssen) zijn opgenomen, zijn overgenomen in onderhavig bestemmingsplan. Waterkwaliteit De beoogde nieuwbouw zal worden aangesloten op de bestaande rioolvoorziening. Het gebruik van uitlogende materialen wordt zoveel als mogelijk voorkomen. Het bestemmingsplan heeft daarmee geen nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit. Conclusie Gelet op voorgaande vormt het aspect water geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig plan. Wel wordt geadviseerd om tijdig contact op te nemen met het Waterschap AGV, zodat het waterbelang gewaarborgd is.

4.11

Verkeer en parkeren Verkeer In het kader van een bestemmingsplan moet worden onderbouwd dat de verkeersstructuur toegerust is op de functies die het bestemmingsplan mogelijk maakt. Met voorliggend bestemmingsplan worden het huidige dorpshuis en de huidige school samengevoegd in één gebouw. In vergelijking met de huidige situatie biedt de locatie in de nieuwe situatie ruimte aan 7 extra woningen. Het CROW rekent per woning 7,8 verkeersbewegingen per dag (uitgaande van een niet stedelijk gebied, rest bebouwde kom). Dit betekent een toename van 54,6 verkeersbewegingen per dag. Gesteld kan worden dat de verwachting gerechtvaardigd is dat dit aantal zonder problemen kan worden opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Parkeren De gemeente Stichtse Vecht heeft in het Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan Stichtse Vecht 2013 (GVVP) vastgelegd welke parkeernormen gelden. Woningen Het plan biedt ruimte aan maximaal 7 woningen: 5 rijwoningen en 2 halfvrijstaande woningen. Tienhoven kent volgens het GVVP de stedelijkheidsgraad ‘niet stedelijk’. Verder kan worden gesteld dat Tienhoven valt binnen de stedelijke zone ‘rest bebouwde kom’. Op grond van het GVVP gelden hier de volgende parkeernormen” − Halfvrijstaande woningen: 2,3 pp per woning = 4,6 pp − Tussen- of hoekwoning: 2,1 pp per woning = 10,5 pp Voor de woningen zijn dus in totaal 15,1 parkeerplaatsen nodig.

39

De rijwoningen hebben geen parkeerplaats op eigen terrein. De halfvrijstaande woningen beschikken over een garage met lange oprit. Deze mag worden meegerekend als 1,3 parkeerplaats (2,6 parkeerplaats bij 2 woningen). De parkeereis bedraagt aldus 15,1 – 2,6 = (afgerond) 13 parkeerplaatsen. Op het plein worden parkeerplaatsen voor de rijwoningen (2 parkeerplaatsen per woning) gerealiseerd. Aan de overzijde van de straat worden nog 3 plaatsen voor langsparkeren gemaakt. Hiermee zijn in totaal 13 parkeerplaatsen voor de woningen beschikbaar. School en dorpshuis Voor een buurt- en dorpshuis geldt volgens het gemeentelijke GVVP een minimale 2 parkeernorm van 3,1 pp per 100 m . Voor een basisschool geldt een minimale parkeernorm van 0,5 pp per leslokaal. Dit komt neer op de volgende parkeervraag: − −

Basisschool: 4 lokalen = 2 parkeerplaatsen 978 m2 = 9,78 parkeerplaatsen

De parkeereis voor de school/het dorpshuis bedraagt aldus (afgerond) 12 parkeerplaatsen. De parkeervoorzieningen voor de school en de dorpshuisfuncties worden op het plein gerealiseerd. Daarnaast is er een Kiss & Ride strook voorzien met 5 parkeerplaatsen. Het plein biedt ruimte aan 24 parkeerplaatsen, waarvan er 10 bedoeld zijn voor de (rij-)woningen. Met de overgebleven 14 parkeerplaatsen wordt voldaan aan de parkeernorm. Conclusie De aspecten ‘verkeer’ en ‘parkeren’ vormen geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

4.12

Vorm vrije m.e.r.- beoordeling Beleidskader De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In de bijlage van het Besluit m.e.r zijn twee onderdelen (C en D) opgenomen. In onderdeel C zijn activiteiten genoemd waarbij direct sprake is van een m.e.r.-plicht als bij besluiten de genoemde drempelwaarden worden overschreden. Voor de activiteiten 10 die zijn genoemd in onderdeel D geldt dat als de drempelwaarden worden over-

10

een oppervlakte van 100 hectare of meer; 40

schreden een m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden. Voor besluiten met een omvang onder de drempelwaarden moet een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling worden gedaan. Onderzoek 11 Uit de opgestelde vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het project die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor de beoordeelde milieuaspecten geldt dat er geen effect optreedt. De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.-(beoordelings-) procedure is daarom niet benodigd. Conclusie Het aspect milieu vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

 een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen;  een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. 11

SAB (2020). Vormvrije m.e.r.-beoordeling. Tienhoven, De Veenkluit. Projectnummer: 200144. 16 oktober 2020. 41

5

Wijze van bestemmen

5.1

Algemeen

5.1.1

Wat is een bestemmingsplan? Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft, uit te oefenen. Dit houdt in dat:  de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en  de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van ‘werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden’ (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden ). Een bestemmingsplan regelt derhalve:  het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen); en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor:  het bebouwen van de gronden;  het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden.

Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en het Bouwbesluit zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.

5.1.2

Over bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: 1 Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen.

42

2 Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode etc. Via een aanduiding wordt in de regels ‘iets’ geregeld. Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben. 5.1.3

Hoofdstukindeling van de regels De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1 Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). 2 Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden.

Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. 3 Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een antidubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijkingsregels en overige regels. 4 Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

5.2

Dit bestemmingsplan Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het be-

43

stemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. 5.2.1

Bijzonderheden in dit bestemmingsplan De regels in dit bestemmingsplan zijn opgezet aan de hand van hetgeen hiervoor is beschreven. Er is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied Maarssen’. Dit bestemmingsplan kent de bestemmingen ‘Maatschappelijk’, ‘Tuin’, ‘Verkeer’ en ‘Wonen’. Daarnaast zijn de dubbelstemmingen ‘Waarde – Archeologie – 2’, ‘Waarde – Archeologie – 5’ en ‘Waterstaat – Waterkering’ opgenomen. Maatschappelijk Het schoolgebouw en inpandige dorpshuis kennen de bestemming ‘Maatschappelijk’. 2 De oppervlakte van het hoofdgebouw bedraagt maximaal 1.250 m en de bouwhoogte maximaal 7,5 meter. Tuin Deze gronden behoren bij de op de aangrenzende gronden gelegen gebouwen. Ook kunnen er bij een omgevingsvergunningaanvraag mogelijk erkers worden gebouwd ten dienste van de aangrenzende bestemming ‘Wonen’. Verkeer Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de openbare wegen en de parkeerplaatsen. Wonen Aan de woningen binnen het plangebied is de bestemming ‘Wonen’ toegekend. Hiervoor geldt dat hoofdgebouwen binnen de aangegeven bouwvlakken gerealiseerd moeten worden. Er geldt een maximum goot- en bouwhoogte van 4,5 meter, respectievelijk 10 meter.

Waarde – Archeologie De met deze dubbelbestemming aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), ook bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem. Waterstaat – Waterkering De met deze dubbelbestemming aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), ook bestemd voor dijken en kaden met een waterkerende functie.

5.2.2

Algemene regels Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten, algemene afwijkingen en overgangsrecht. Deze min of meer standaardregels in bestemmingsplannen worden hier verder niet toegelicht.

44

6 6.1

Uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid De procedure voor vaststelling van een bestemmingsplan is geregeld in de Wet ruimtelijke ordening. Aangegeven is dat tussen de gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd, voordat een ontwerpbestemmingsplan ter visie kan worden gelegd. Bovendien is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing (zienswijzenprocedure). Na het voorontwerp wordt het bestemmingsplan in ontwerp ter inzage gelegd. Tegen dit ontwerpplan kunnen zienswijzen worden ingediend. Hierna beoordeelt de gemeente de zienswijzen en stelt de gemeenteraad vervolgens het bestemmingsplan (al dan niet gewijzigd) vast.

6.1.1

Vooroverleg Volgens artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening moet het bestemmingsplan worden voorgelegd aan het waterschap en aan die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Navolgend worden de vooroverlegreacties samengevat en van een antwoord voorzien. Opmerking Omgevingsdienst Regio Utrecht De Omgevingsdienst Regio Utrecht (ODRU) heeft enkele opmerkingen op het voorontwerpplan: De ODRU geeft aan dat er in de paragraaf luchtkwaliteit informatie over de huidige en toekomstige luchtkwaliteit ontbreekt. Het aspect industrielawaai en de gevolgen van toevoeging van bestemming verenigingen aan bestemming maatschappelijk dienen beter in beeld gebracht te worden. Er dient aandacht besteed te worden aan mogelijke lichthinder. Te verwachte archeologische waarden worden onvoldoende beschermd.

Antwoord In een tabel in paragraaf 4.3 staan nu de concentraties fijnstof (PM10 en PM2.5) en stikstofdioxide (NO2) weergegeven voor de huidige en de toekomstige situatie, zoals opgenomen in de NSLmonitoringstool. Ook is een uitsnede van de uitgevoerde NIBM-tool weergegeven. Het akoestisch onderzoek industrielawaai is verwerkt in de toelichting.

De dubbelbestemmingen archeologie zijn overgenomen. De kaart van het Geoloket van de Omgevingsdienst is vervangen door de gemeentelijke archeologische beleidskaart (paragraaf 4.8.2). Geconcludeerd is dat een archeologisch onderzoek toch benodigd is. In de latere fase van het bestemmingsplan zal dit toegevoegd worden.

45

Nader onderzoek naar huismussen en vleermuizen is noodzakelijk. Vergunning vanwege stikstofdepositie is noodzakelijk. Quickscan / Natuurtoets en AERIUSberekening zijn akkoord. Indienen (vormvrije) en actualiseren m.e.r.-beoordeling. Provincie Utrecht Hoewel er geen opmerkingen zijn in het kader van het provinciaal belang, zijn er wel een aantal opmerkingen die meegegeven kunnen worden: Vanuit landschap heeft het de voorkeur om de zeven woningen ook parallel aan het lint te plaatsen, als tweede lijn achter het lint. Daarnaast ligt de locatie in het militair erfgoed, maar wordt er in de toelichting niet op ingegaan dat de NHW is genomineerd is voor de UNESCOerfgoedlijst. Het is (gezien de samenwerking met de ander provincies) nodig om de OUV’s (Outstanding Universal Values) te laten bekijken voor dit plan. Veiligheidsregio Utrecht Vanuit het oogpunt van de externe veiligheid ziet de veiligheidsregio geen belemmeringen ten aanzien van de ontwikkelingen van het plangebied. Voor wat betreft de bluswatervoorzieningen zijn er wel enige opmerkingen. De nieuwbouw van het dorpshuis ligt op meer dan 40 meter van een brandkraan als primaire bluswatervoorziening en voldoet hiermee niet aan de prestatie-eis die is gesteld in artikel 6.30 van het Bouwbesluit. Gasunie De Gasunie concludeert dat het plangebied buiten de 1% letaliteitgrens van hun dichtstbij gelegen leiding valt.

De Gasunie heeft geen opmerkingen op het plan. Waternet Waternet heeft laten weten dat de waterstaatkundige belangen correct zijn weergegeven. Waternet heeft geen

Is verwerkt. Verschilberekeningen zijn toegevoegd en aangegeven is dat er een vergunning nodig is in het kader van de Wet natuurbescherming (paragraaf 4.9).

De vormvrije m.e.r.-beoordeling is toegevoegd. Aangezien er provinciaal belang in het geding is zien we geen aanleiding het bestemming ten aanzien van de stedenbouwkundige invulling aan te passen.

Onder cultuurhistorische hoofdstructuur in paragraaf 3.2.2 en onder cultuurhistorie in paragraaf 4.8.1 is vermeld dat de Nieuwe Hollandse Waterlinie genomineerd is voor UNESCO-Werelderfgoed.

Dit aspect zal met de omgevingsvergunning aan de orde zijn en niet relevant voor het bestemmingsplan.

Geen actie / antwoord vereist

Geen actie / antwoord vereist

46

opmerkingen op het plan.

6.1.2

Ontwerp Op de procedure van het bestemmingsplan is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. In navolging hiervan moet het ontwerpbestemmingsplan voor zes weken ter inzage worden gelegd. Een ieder kan in die periode zienswijzen indienen.

6.2

Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. Het plan wordt op particulier initiatief gerealiseerd door een marktpartij. De kosten in verband met de realisatie zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten voor het volgen van de bestemmingsplanprocedure zullen via de gemeentelijke legesverordening aan de initiatiefnemer worden doorberekend. Dit is vastgelegd in de realisatie overeenkomst. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer is een realisatie overeenkomst afgesloten. Aangezien sprake is van een particulier initiatief en tussen de gemeente en de initiatiefnemer een realisatie overeenkomst is gesloten, is de economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan aangetoond.

47

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/1653/documents/35501