CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

8. Ontwerpbeschikking college d.d. 14 juli 2020.pdf

Raad 1 februari 2022, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: 10.: Verklaring van geen bedenkingen, legalisatieaanvraag paardenstal Slootdijk 1 in Loenen aan de Vecht.20.879 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De Wet geurhinder en veehouderij verzet zich derhalve niet tegen de legalisering van de betreffende stal en het meest dichtbij gelegen geurgevoelig object. In redelijkheid kan worden gesteld dat het woon- en leefklimaat voor omliggende woningen niet wordt aangetast. Ook is vermeldingswaardig dat in dit geval geen sprake is van de realisering van gevoelige locaties waardoor omliggende (agrarische) bedrijven in hun bedrijfsvoering belemmerd zouden kunnen worden. Conclusie Uit de geurberekening blijkt dat de normen uit de Wet geurhinder en veehouderij niet worden overschreden. Voorts liggen de dichtst bijzijnde woningen op meer dan 100 m afstand van de stal aan Slootdijk 1, waarmee aan de richtafstanden van de VNG wordt voldaan. Geconcludeerd kan worden dat het woon- en leefklimaat voor omliggende woningen niet wordt aangetast.

20

NL.IMRO.1904.000000-0001

Slootdijk 1, Loenen(concept)

4.5

Ecologie

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wet natuurbescherming vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet. Soortenbescherming Onderdeel van de Wnb is soortenbescherming van planten en dieren. Dit betreffen: alle van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels die vallen onder de Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1-3.4) dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (Wnb art. 3.5-3.9); nationaal beschermde dier- en plantensoorten genoemd in de bijlage van de wet (Wnb art. 3.10-3.11). Gebiedsbescherming Voor onderhavig plangebied is de volgende wet- en regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming relevant: de Wnb en de provinciale structuurvisie en verordening. Van deze laatst genoemde groep beschermde soorten mogen provincies een zogenaamde 'lijst met vrijstellingen' opstellen (Wnb art. 3.11). Voor de soorten op deze lijst geldt een vrijstelling van de verboden genoemd in art. 3.10 eerste lid van de Wnb. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voormalig EHS) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.

De begrenzing en ruimtelijke bescherming van het NNN is uitgewerkt in de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013 - 2028 en de Provinciale Ruimtelijk Verordening, Provincie Utrecht 2013. In het NNN staat natuur voorop en ontwikkelingen zijn daarom alleen onder strikte voorwaarden toegestaan. Naast het NNN wijst de provincie Utrecht ook landbouwgronden aan als Groene Contour. Gronden die zijn aangewezen als Groene Contour wil de provincie Utrecht omvormen tot natuurgebied om daarmee het NNN te versterken. Na realisatie wordt de nieuwe natuur opgenomen als NNN. Bij elk ruimtelijk plan dient, met het oog op de natuurbescherming, rekening te worden gehouden met de Wnb. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Een ruimtelijk plan mag namelijk geen significante gevolgen hebben voor een te beschermen gebied en/of soort. Afweging Het plangebied ligt op circa 1.700 meter afstand van Vogel- en Habitatgebied 'Oostelijke Vechtplassen'. Voorliggende ontwikkeling betreft het agrarisch gebruik van een reeds bestaande stal. Het plan voorziet niet in nieuwe bouwactiviteiten of nieuw gebruik. Ook worden anwezige sloten ongemoeid gelaten. Negatieve effecten op de Oostelijke Vechtplassen en de aanwezige flora- en fauna ten gevolge van deze ontwikkeling kunnen met zekerheid worden uitgesloten.

Daarnaast dient te worden vermeld dat het plangebied niet in de nabijheid van Natuurnetwerk Nederland is gelegen. Tot slot zijn in het plangebied geen beschermingswaardige, te mitigeren of te compenseren natuurwaarden aanwezig, waardoor een ecologisch onderzoek achterwege is gelaten. Conclusie Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het aspect ecologie geen belemmering vormt voor de vaststelling van het wijzigingsplan.

NL.IMRO.1904.000000-0001

21

Slootdijk 1, Loenen(concept)

4.6

Externe veiligheid

Inrichtingen met gevaarlijke stoffen Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het in oktober 2004 in werking getreden Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (REVI). Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is het wettelijke kader vastgelegd in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en de onderliggende regelgeving. Het beleid voor ondergrondse buisleidingen is vastgelegd in het op 1 januari 2011 in werking getreden Besluit Externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang: Het plaatsgebonden risico (PR) richt zich als maat voor het risico vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen vooral op de basisveiligheid voor personen in de omgeving van die activiteiten. Aan het PR is een wettelijke grenswaarde verbonden die niet mag worden overschreden. Het PR wordt "vertaald" als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijv. woningen) mogen liggen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbare aantal personen, de z.g. oriënterende waarde (OW).

Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd, kan afwijken. Deze verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR, ook als de OW niet wordt overschreden. Transport gevaarlijke stoffen door buisleidingen Op 1-1-2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden met de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). Dit besluit omvat de nieuwe regelgeving op het gebied van buisleidingen, waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In plaats van de bebouwings- en toetsingsafstanden waar in de oude circulaires van werd uitgegaan, dienen nu de belemmeringenstrook (4 of 5 m), de plaatsgebonden risicocontour (10-6) en het invloedsgebied van het groepsrisico (1%-letaliteitsgrens) in acht te worden gehouden bij ruimtelijke ontwikkelingen. Op 1 april 2015 is het Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water, weg en het spoor in werking getreden. Met de invoering van het Basisnet beoogt het Rijk een evenwicht tot stand te brengen tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimtelijke ontwikkelingen en externe veiligheid. Risicokaart Onderstaande afbeelding geeft de digitale Risicokaart van het plangebied en omgeving weer.

22

NL.IMRO.1904.000000-0001

Slootdijk 1, Loenen(concept)

Uitsnede Risicokaar t Utr echt plangebied, br on: w w w .r isicokaar t.nl

Afweging Het BEVI is uitsluitend van toepassing op (beperkt) kwetsbare objecten. De agrarische stal kan niet worden gekwalificeerd als (beperkt) kwetsbaar object. Zodoende kan het BEVI buiten toepassing worden verklaard. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid, geen beperkingen oplevert ten aanzien van de uitvoerbaarheid van het plan. Ook leidt het planvoornemen niet tot belemmeringen in de omgeving.

4.7

Luchtkw aliteit

Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het

NL.IMRO.1904.000000-0001

23

Slootdijk 1, Loenen(concept)

programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. De ministerraad heeft op voorstel van de minister van VROM ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 Rg/m3, NO2 of PM 10 ) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. Afweging De Omgevingsdienst heeft voor de gemeente Stichtse Vecht Luchtkwaliteitskaarten gemaakt, uit de monitoringsronde NSL 2016. Hierop zijn de concentraties stikstofdioxide en fijn stof berekend. In dit rekenmodel is het rekenhart STACKS geïntegreerd, welke voldoet aan de Regeling beoordeling. Uit dit onderzoek is gebleken dat de concentratie stikstofdioxide en fijn stof zich beneden de wettelijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde van 40 microgram per m³ bevinden.

De uurgemiddelde grenswaarde voor stikstofdioxide van 200 microgram per m³ wordt overschreden wanneer de concentraties gemiddeld op jaarbasis boven de 60 microgram per m³ uitkomen. De concentraties in het plangebied overschrijden nergens de grens van 60 microgram per m³. Dit betekent dat voor het plangebied aan de uurgemiddelde grenswaarde wordt voldaan. Naast een jaargemiddelde grenswaarde voor fijn stof is er ook een daggemiddelde grenswaarde van 50 microgram per m³ van kracht, die per jaar 35 keer mag worden overschreden. Uit statistische vergelijkingen van TNO en het RIVM blijkt dat deze grenswaarde bij een concentratie van 31,3 microgram per m³ vaker dan 35 keer wordt overschreden. Aangezien de concentratie fijn stof in het plangebied niet boven de 31,3 microgram per m³ uitkomt, wordt aan deze daggemiddelde grenswaarde voldaan. Voorliggende ontwikkeling betreft de legalisatie van een bestaande agrarische stal die dient ter vervanging van meerdere bestaande kleine agrarische gebouwen. Het wijzigingsplan leidt niet tot een (relevante) toename van het aantal vervoersbewegingen. Het project is niet in betekenende mate van invloed op de luchtkwaliteit. Er behoeft niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit levert geen belemmering op voor het vaststellen van het wijzigingsplan.

4.8

Water

In het kader van het verkrijgen van een duurzaam watersysteem hebben Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen in 2001 de Startovereenkomst waterbeleid 21e eeuw (WB'21) ondertekend. Onderdeel van het nieuwe waterbeleid is de 'Watertoets': de check van ruimtelijke plannen aan de gevolgen voor het watersysteem. Gevolg is dat overleg moet plaatsvinden met de waterbeheerder en dat in een toelichting bij een ruimtelijke ontwikkeling een beschrijving moet worden opgenomen van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding.

24

NL.IMRO.1904.000000-0001

Slootdijk 1, Loenen(concept)

Beleid Europees beleid In 2000 is de Kaderrichtlijn water vastgesteld waarin communautaire maatregelen zijn opgenomen betreffende water. Het doel van deze richtlijn is een integrale benadering van het waterbeheer. Dit betekent dat de interne samenhang tussen oppervlaktewater en grondwater, zowel waar de kwaliteits- als kwantiteitsaspecten betreft, als uitgangspunten worden genomen. Daarnaast betekent de integrale benadering dat diverse beleidsterreinen, waaronder de ruimtelijke ordening, door de richtlijn worden bestreken. Met de bestaande Nederlandse regelgeving kan het merendeel van de richtlijnverplichtingen worden uitgevoerd. Rijksbeleid In december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP2) vastgesteld. Dit plan vervangt het Nationaal Waterplan 2009-2015 inclusief alle tussentijdse wijzigingen. Het NWP2 geeft het integrale kader voor het waterbeleid van het Rijk voor de komende zes jaar met een vooruitblik richting 2050 en geeft uitvoering aan Europese richtlijnen. Het NWP2 richt zich op het robuust en toekomstgericht inrichten van het watersysteem gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.

Provinciaal beleid De watersystemen in stedelijk gebied zijn voornamelijk afgestemd op afvoer (bij regen) en aanvoer (in droge perioden) van water. Een dergelijk systeem bezit onvoldoende veerkracht om in te kunnen spelen op de toekomstige ontwikkelingen. Aandachtspunten bij het streven naar een veerkrachtige duurzame inrichting en beheer in zowel bestaand als nieuw stedelijk gebied zijn de realisering van extra open water, de afkoppeling van schoon verhard oppervlak van de riolering, de aanleg van een verbeterd gescheiden rioleringsstelsels, het saneren van vervuilingsbronnen, de realisering van een natuurvriendelijke oeverinrichting en een duurzamer gebruik van (leiding)water (duurzame waterketen). Vanaf het begin van elke planvorming dient overleg te worden gevoerd tussen gemeente, waterbeheerders en andere betrokkenen. Doel van dit overleg is gezamenlijk de uitgangspunten en wensen vanuit duurzame watersystemen en veiligheid te vertalen naar concrete gebiedsspecifieke ruimtelijke uitgangspunten. Hierbij geldt dat afwenteling moet worden voorkomen en dat de drietrapsstrategie "vasthouden, bergen en afvoeren” moet worden gehanteerd. Waterbeheerder Het projectgebied valt binnen het beheersgebied van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). Waternet zorgt namens AGV voor schoon oppervlaktewater, veilige dijken en het waterpeil in de sloten en vaarten.

Het verzorgingsgebied van Waternet omvat de gemeente Amsterdam en een groot gebied in de provincie Utrecht en Noord Holland. Het beleid van AGV is verwoord in het Waterbeheerplan 2016-2021 en diverse beleidsnota's. In de keur van AGV (dit is de waterschapsverordening) zijn geen verboden opgenomen voor de bescherming van de functionaliteit van waterlopen en waterkeringen. Met de Keur wil AGV de waterkwaliteit verbeteren, de doorstroming in sloten veilig stellen en de dijken sterk houden. Bij de Keur horen Keurkaarten met informatie over wateren en waterkeringen.

NL.IMRO.1904.000000-0001

25

Slootdijk 1, Loenen(concept)

In de legger van het waterschap worden gegevens vastgelegd over de locatie van wateren, dijken en kunstwerken, aan welke eisen deze moeten voldoen (diepte, hoogte, sterkte etc.) en de onderhoudsverplichtingen. De legger dient als basis voor de vergunningverlening door de waterbeheerder. AGV hanteert het beleid dat bij het aanbrengen van meer dan 1000 m² verharding in stedelijk gebied of meer dan 5000 m² in landelijk gebied 10% daarvan gecompenseerd moet worden in de vorm van oppervlaktewater voor waterberging. Door compensatie wordt voorkomen dat ernstige peilstijging optreedt door afstromend regenwater met wateroverlast tot gevolg. Watertoets Voorliggend wijzigingsplan legaliseert de uitbreiding van agrarische bedrijfsbebouwing. Qua verhard oppervlak zal er geen verschil zijn tussen de huidige situatie en de toekomstige situatie. Op basis van een op 8 april 2016 verleende watervergunning heeft watercompensatie reeds plaats gevonden. In het plangebied is netto 44,5 m² water in de hoogwaterzone en 638,5 m² water in het polderpeil gegraven. Schoon water wordt rechtstreeks op het oppervlaktewater geloosd. Er wordt geen gebruik gemaakt van uitloogbare materialen. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de vaststelling van het wijzigingsplan.

26

NL.IMRO.1904.000000-0001

Slootdijk 1, Loenen(concept)

Hoofdstuk 5

Afw eging en conclusie

Dit wijzigingsplan legaliseert de bestaande agrarische stal op het perceel aan Slootdijk 1 te Loenen, in de gemeente Stichtse Vecht. De stal is deels gelegen buiten het aangegeven bouwvlak en daarmee in strijd met het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied Noord'. Voor het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van het vergroten van een bouwvlak met de bestemming 'Agrarisch met waarden' staan in het bestemmingsplan wijzigingsregels. Hieronder zijn deze opgenomen en is in cursief aangegeven of voorliggend initiatief past binnen deze regels: 1. wijziging van de begrenzing van het bouwvlak alleen toelaatbaar is, voor zover een doelmatige bedrijfsvoering dit noodzakelijk maakt; De vergroting van het bouwvlak is noodzakelijk teneinde de bestaande stal te legaliseren. De stal wordt gebruikt voor de stalling van schapen en paarden. Daarnaast wordt de stal gebruikt voor opslag en het fokken en trainen van paarden. De stal is onlosmakend verbonden aan het vleesverwerkingsbedrijf', welke een relatie heeft met het agrarisch bedrijf. Afnemers bezoeken de stal om het vleesvee te keuren. 2.

de noodzaak tot uitbreiding aangetoond dient te worden door middel van een bedrijfsplan waarbij tevens moet worden aangetoond dat sloop en herbouw van bedrijfsgebouwen niet tot de mogelijkheden behoort; Op 19 juni 2012 hebben burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een paardenstal op het betreffende perceel. De omgevingsvergunning is in 2015 ingetrokken, ten gevolge van de gestelde uitoefening van nevenfuncties in de stal. Dit wijzigingsplan staat de bestaande agrarische stal aan Slootdijk 1 te Loenen toe, door het bouwvlak met de bestemming 'Agrarisch met waarden' te vergroten. Hiervoor is in het verleden reeds afgeweken van het bestemmingsplan. De stal zal uitsluitend worden gebruikt voor agrarische activiteiten. Daarnaast is door initiatiefnemer een bedrijfsplan ingediend waarin de noodzaak tot uitbreiding is aangetoond. 3. de vergroting van het bouwvlak milieuhygiënisch inpasbaar dient te zijn; In hoofdstuk 4 is aangetoond dat wordt voldaan aan bovenstaande voorwaarde. De milieukundige aspecten zoals bodem, geluid en luchtkwaliteit staan de uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan niet in de weg. 4.

de bestaande en beoogde landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden zoals genoemd in artikel 3.1 aanhef en onder q niet onevenredig worden aangetast; In paragraaf 4.1.2 en 4.5 is aangetoond dat de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden niet onevenredig worden aangetast. Het wijzigingsplan staat het behoud, de versterking en het herstel van de aldaar voorkomende waarden niet in de weg. 5. bouwvlakken vergroot mogen worden tot ten hoogste 25% van het bouwvlak met een maximum van 1,5 hectare. Een uitbreiding tot ten hoogste 2 hectare is toegestaan voor uitbreiding van grondgebonden veehouderijen, mits hierbij tevens; a. het eventuele belang van de waterwinning niet wordt aangetast; b. de uitbreiding bijdraagt aan verbetering van het dierenwelzijn; c. de uitbreiding bijdraagt aan verbetering van de volksgezondheid; Aan bovenstaande voorwaarde wordt voldaan. De stal heeft een totale oppervlakte van 3.065 m2, waarvan 900 m2 is gelegen buiten het geldende bouwvlak. Ten behoeve van de legalisering van de bestaande stal wordt het bouwvlak vergroot tot 5.620 m2. De vergroting van het bouwvlak bestaat uit 1.066 m2. Wat 'inkorting' van het bouwvlak aan de voorzijde als hiervoor bedoeld onverlet laat.

NL.IMRO.1904.000000-0001

27

Slootdijk 1, Loenen(concept)

6. geen sprake mag zijn van een toename van de ammoniakemissie van het betreffende bedrijf dan wel aangetoond dient te worden dat geen significant negatieve gevolgen optreden voor de instandhoudingsdoelstellingen van nabijgelegen Natura 2000-gebieden; Aan bovenstaande voorwaarde wordt voldaan. Zoals eerder vermeld is in 2012 reeds een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van de stal ten behoeve van het houden van vee. Deze stal is vervolgens gebouwd. Hierdoor kan worden geconcludeerd dat de ammoniakemissie niet toeneemt. 7. het verzoek wordt onderbouwd met een ruimtelijke onderbouwing waarvan een beeldkwaliteitparagraaf en een inrichtingsplan deel van uitmaken; Aan bovenstaande voorwaarde wordt voldaan. In paragraaf 2.3 wordt de toekomstige situatie van de bestaande stal toegelicht, waarin landschappelijke inpassing de aandacht krijgt. Overigens betreft het een bestaande stal. 8. burgemeester en wethouders winnen, alvorens over de wijziging te beslissen, schriftelijk advies in bij een agrarisch deskundige met betrekking tot de vraag of aan het bepaalde onder a sub 1 en 2 wordt voldaan; PM 9. burgemeester en wethouders winnen, alvorens over de wijziging te beslissen, schriftelijk advies in bij een deskundige inzake natuur, landschap en cultuurhistorie met betrekking tot de vraag of aan het bepaalde onder a sub 4 wordt voldaan. PM

Gelet op voorgaande kan worden geconcludeerd dat de vergroting van het bouwvlak teneinde de bestaande agrarische stal te legaliseren, voldoet aan de wijzigingsregels van artikel 3.7.1.

28

NL.IMRO.1904.000000-0001

Slootdijk 1, Loenen(concept)

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Een wijzigingsplan is een wijziging van een al geldend bestemmingsplan. Dit geldende bestemmingsplan kent aan het college de bevoegdheid toe om, binnen de kaders die het plan stelt, tot wijziging over te gaan. Het wijzigingsplan regelt de wijziging van de geldende bestemming 'Agrarisch met waarden' ten behoeve van de vergroting van het bouwvlak. In het geldende bestemmingsplan 'Landelijk Gebied Noord is voor de betreffende locatie een wijzigingsbevoegdheid opgenomen (zie paragraaf 2.2). Het ontwerp van het wijzigingsplan wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd. In die periode kan een ieder een zienswijze op het plan kenbaar maken.

6.2

Economische uitvoerbaarheid

Gelet op het bepaalde in artikel 3.1 Wro moet in het kader van een wijzigingsplan onder andere inzicht worden verschaft in de economische uitvoerbaarheid van het plan. In verband daarmee is eerst onderzocht of voor het onderhavige wijzigingsplan op grond van artikel 6.12, eerste lid Wro de verplichting bestaat om één of meer exploitatieplannen vast te stellen. Het voorliggende plan wordt gerealiseerd op particulier initiatief. De kosten voor het opstellen van dit wijzigingsplan en de bijbehorende ruimtelijk-juridische procedure zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten van de ruimtelijk-juridische procedure zullen door middel van leges worden verrekend met de initiatiefnemer. De initiatiefnemer en de gemeente Stichtse Vecht zijn een anterieure overeenkomst aangegaan waarin het verplichte kostenverhaal is geregeld. Degene die meent schade te lijden door het vaststellen van het wijzigingsplan, kan een verzoek indienen om een tegemoetkoming van de schade (Artikel 6.1 Wro). Eventuele kosten voortkomend uit de planschade zijn in eerdergenoemde overeenkomst meegenomen.

NL.IMRO.1904.000000-0001

29

Slootdijk 1, Loenen(concept)

Hoofdstuk 7

Wijze van bestemmen

Het wijzigingsplan is een ruimtelijk besluit, waarin de regels voor het gebruik en het bebouwen van gronden worden vastgelegd. In een wijzigingsplan wordt door middel van bestemmingen en aanvullende aanduidingen aangegeven op welke gronden welke functies toegestaan zijn en hoe deze gronden bebouwd mogen worden. Voor het wijzigingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening voorgeschreven standaarden zoals die zijn opgenomen in onder andere de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012). Het wijzigingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het plan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen juridische binding, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting bevat een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het wijzigingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het wijzigingsplan.

Op de verbeelding is een bestemming 'Agrarisch met waarden' opgenomen overeenkomstig de verbeelding behorende bij het moederplan 'Landelijk Gebied Noord'. Ook de bouwregels zijn identiek. De verandering in dit wijzigingsplan heeft slechts betrekking op het vergroten van het bouwvlak op de verbeelding teneinde de bestaande stal te legaliseren. De regels voor de bestemming 'Agrarisch met waarden' uit het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied Noord' kunnen rechtstreeks van toepassing worden verklaard op het wijzigingsplan. In de regels is door middel van een schakelbepaling het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied Noord' van toepassing verklaard.

30

NL.IMRO.1904.000000-0001

Slootdijk 1, Loenen(concept)

Bijlagen

NL.IMRO.1904.000000-0001

31

Slootdijk 1, Loenen(concept)

Bijlage 1 Verkennend archeologisch onderzoek

32

NL.IMRO.1904.000000-0001

Gemeente Stichtse Vecht Plangebied Slootdijk 1 te Loenen aan de Vecht Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) BAAC Rapport V-12.0123

juni 2012

Auteur: mw. drs. A. Buesink

Status: definitief

Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

2

Colofon ISSN: Auteur(s): Veldmedewerkers: Cartografie: Redactie: Copyright:

1873-9350 mw. drs. A. Buesink mw. K.H.J. Pepers, MSc. mw. K.H.J. Pepers, MSc., mw. drs. A. Buesink drs. R. van der Mark Promad IOB BV te Oudewater / BAAC bv te Deventer

Autorisatie (senior archeoloog):

drs. R. van der Mark

24 april 2012

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Promad IOB BV te Oudewater en/of BAAC bv.

BAAC bv Onderzoeks- en adviesbureau voor Bouwhistorie, Archeologie, Architectuur- en Cultuurhistorie Graaf van Solmsweg 103 5222 BS ‘s-Hertogenbosch Tel.: (073) 61 36 219 Fax: (073) 61 49 877 E-mail: denbosch@baac.nl

3

Postbus 2015 7420 AA Deventer Tel.: (0570) 67 00 55 Fax: (0570) 61 84 30 E-mail: deventer@baac.nl

Loenen aan de Vecht, Slootdijk 1

Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

4

Inhoud

Inhoud

5

Samenvatting

7

1

Inleiding 1.1 Onderzoekskader 1.2 Ligging van het gebied 1.3 Administratieve gegevens

9 9 10 12

2

Bureauonderzoek 2.1 Werkwijze 2.2 Landschappelijke ontwikkeling 2.3 Bewoningsgeschiedenis 2.3.1 Archeologie 2.3.2 Historie 2.4 Archeologische verwachting

13 13 13 15 15 17 19

3

Inventariserend veldonderzoek 3.1 Werkwijze 3.2 Veldwaarnemingen 3.3 Verkennend booronderzoek 3.3.1 Lithologie en bodemopbouw 3.3.2 Bodemverstoringen 3.3.3 Archeologische indicatoren 3.4 Archeologische interpretatie

21 21 22 23 23 23 23 23

4

Conclusie en aanbevelingen 4.1 Conclusie 4.2 Aanbevelingen

25 25 26

5

Geraadpleegde bronnen

27

Bijlagen

Bijlage 1 Bijlage 2

5

29

overzicht van geologische en archeologische tijdvakken boorbeschrijvingen

Loenen aan de Vecht, Slootdijk 1

Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

6

Samenvatting BAAC bv heeft een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd voor plangebied Slootdijk in Loenen aan de Vecht. Op basis van het bureauonderzoek geldt een hoge archeologische verwachting vanaf de vroege ijzertijd tot en met de nieuwe tijd. Tijdens het booronderzoek bleek de top van de bodem verstoord tot circa 120 cm beneden maaiveld. Binnen het verstoorde deel van de bodem is bouwpuin en houtskool aangetroffen. Mogelijk betreft de verstoring een oude woongrond met archeologische sporen uit de middeleeuwen of de nieuwe tijd. Eventuele oudere resten kunnen niet worden uitgesloten, maar zijn waarschijnlijk door de latere bewoningsfasen verstoord. Een archeologische begeleiding, inclusief een archeologische begeleiding van de sloop indien deze beneden maaiveld plaatsvindt, is noodzakelijk om de archeologische resten te karteren.

7

Loenen aan de Vecht, Slootdijk 1

Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

8

1

Inleiding

1.1 Onderzoekskader In opdracht van Promad IOB BV heeft het onderzoeks- en adviesbureau BAAC bv een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek met behulp van boringen (verkennende fase) uitgevoerd in het plangebied Slootdijk 1 te Loenen aan de Vecht. Aanleiding voor het onderzoek is de aanleg van een paardenstal. De bodemverstoring blijft grotendeels binnen de 1 m beneden maaiveld, alleen ter plaatse van de mestkelder zal deze circa 2,5 m beneden maaiveld bedragen. Er bestaat een gerede kans dat eventueel aanwezige archeologische waarden hierdoor verstoord of vernietigd worden. Het doel van een bureauonderzoek is het verwerven van informatie over bekende of te verwachte archeologische waarden binnen een omschreven gebied aan de hand van bestaande bronnen. Met behulp van de verworven informatie wordt een specifiek archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. Het inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden en om de intactheid van het bodemprofiel te bepalen. Tijdens het onderzoek dienen de volgende onderzoeksvragen uit het Plan van 1 Aanpak te worden beantwoord: ▪

▪

▪ ▪ ▪

Zijn binnen het plangebied bekende archeologische waarden aanwezig? Zo ja, zijn er gegevens bekend over de omvang, ligging, aard en datering hiervan? Wat is de verwachte bodemopbouw in het gebied en zijn er gegevens bekend over bodemverstorende ingrepen in het verleden binnen het plangebied? Wat is de specifieke archeologische verwachting voor het gebied? Hoe is de bodemopbouw en is deze nog intact? In hoeverre worden archeologische resten bedreigd en is vervolgonderzoek nodig en zo ja, in welke vorm?

Het onderzoek is uitgevoerd Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie 2 versie 3.2 en het onderzoeksspecifieke Plan van Aanpak.

1 2

9

Emaus 2012. CCvD 2010. Loenen aan de Vecht, Slootdijk 1

1.2 Ligging van het gebied Het plangebied ligt buiten de bebouwde kom van Loenen aan de Vecht. Het plangebied ligt ten westen van de Slootdijk. De oppervlakte bedraagt circa 5.750 2 m . In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven.

Figuur 1.1 Ligging van het plangebied.3

In de toekomst zullen binnen het plangebied vier bestaande bebouwen worden gesloopt en een paardenstal met mestkelder worden gerealiseerd. De nieuwe situatie is weergegeven in figuur 1.2.

3

ANWB 2004. Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

10

Figuur 1.2 Situatie in 1832, huidige bebouwing en nieuwe situatie.

11

Loenen aan de Vecht, Slootdijk 1

1.3

Administratieve gegevens

Provincie: Gemeente: Plaats: Toponiem: Datum opdracht: Datum veldwerk: Datum rapportage: BAAC-projectnummer: Coördinaten:

Kaartblad: Oppervlakte: Datering: Onderzoeksmeldingsnummer: Onderzoeksnummer: AMK-terrein: Waarnemingnummer(s): Vondstmeldingsnummer(s): Type onderzoek: Opdrachtgever:

Bevoegde overheid:

Beheer documentatie: Uitvoerder:

Projectleider:

Utrecht Stichtse Vecht Loenen aan de Vecht Slootdijk 1 10 april 2012 17 april 2012 24 april 2012 en 4 juni 2012 V-12.0123 129106 / 470156 129177 / 470175 129181 / 470120 129112 / 470089 31E 2 5.750 m vroege ijzertijd-nieuwe tijd 51571 41483 N.v.t. N.v.t N.v.t Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) Promad IOB BV dhr. T. Kuiper IJsselvere 17 3421 BV Oudewater Gemeente Stichtse Vecht dhr. P. Bos Endelhovenlaan 1 3601 GR Maarssen archief BAAC bv. BAAC bv, vestiging Deventer Postbus 2015 7420 AA Deventer tel. 0570-670055 drs. A. Buesink

Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

12

2

Bureauonderzoek

2.1 Werkwijze Tijdens het bureauonderzoek is aan de hand van bestaande bronnen een archeologische verwachting voor het plangebied opgesteld. Bij de inventarisatie van de archeologische waarden is gebruik gemaakt van gegevens uit het Centraal Archeologisch Archief (CAA) en het Centraal Monumenten Archief (CMA) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), evenals de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW). Hierbij is het Archeologisch Informatie Systeem (ARCHIS) gebruikt. Tevens is de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart geraadpleegd. Met name voor de recentere archeologische periodes zijn diverse historische bronnen geraadpleegd, daarnaast is contact opgenomen met de lokale 4 amateurarcheologen. Er is gebruik gemaakt van het Actueel Hoogtebestand Nederland en oude topografische kaarten. Literatuur over de geologie, geomorfologie en de bodemopbouw van het onderzoeksgebied is eveneens bestudeerd om op basis van locatiekeuze-theorieën een uitspraak te doen over de kans op aanwezigheid van archeologische resten. In navolgende paragrafen worden de resultaten van het bureauonderzoek beschreven. Het hoofdstuk wordt afgesloten met een synthese in de vorm van een specifieke archeologische verwachting. Een opsomming van de geraadpleegde literatuur en gebruikte kaarten is terug te vinden in de literatuurlijst.

Voor een tabel met een overzicht van geologische en archeologische tijdvakken wordt verwezen naar bijlage 1.

2.2 Landschappelijke ontwikkeling 5

Het plangebied bevindt zich op de Angstel stroomgordel. Deze stroomgordel 6 was actief van 2757 tot 1762 BP (vroege ijzertijd tot midden Romeinse tijd). Deze stroomgordel is ontstaan vanuit de Oude Rijn en mondde uit in het merengebied waar zich nu het IJsselmeer bevindt. Deze afzettingen behoren geologisch gezien 7 tot de Formatie van Echteld. Op de geologische kaart staat het plangebied 8 afgebeeld als geulafzettingen of oeverafzettingen op geulafzettingen (D0g). Op de geomorfologische kaart staat het plangebied afgebeeld als rivierinversierug 9 (figuur 2.1, 3K26 en 4K26). Volgens de gemeentelijke verwachtingskaart ligt het meest westelijke deel van het plangebied ter hoogte van crevasse afzettingen

4

AWN afdeling 12. Van der A et al. 2010. 6 Berendsen en Stouthamer 2001. 7 De Mulder et al. 2003. 8 Rijks Geologische Dienst 1988. 9 Alterra 2012. 5

13

Loenen aan de Vecht, Slootdijk 1

10

(figuur 2.3). Op de bodemkaart is voor het plangebied een poldervaaggrond 11 (figuur 2.2, Rn67C) aangegeven.

Figuur 2.1 Geomorfologische kaart.12

Figuur 2.2 Bodemkaart.13Rn67C: poldervaaggrond. Grondwatertrap:VI.

10

Van der A et al. 2010. Stiboka 1976. 12 Alterra 2012. 13 Stiboka 1976. 11

Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

14

Pleistocene afzettingen bevinden zich ter plaatse van het plangebied tussen de 6 en 8 meter beneden NAP. Dit komt neer op minimaal 5 meter beneden maaiveld. Deze afzettingen vallen vanwege hun diepteligging buiten het bereik van dit onderzoek. Bij een meanderende stroomgordel zoals de stroomgordel van de Angstel werd tijdens overstromingen direct naast de geul zand en zavel afgezet als oeverwal en verder van de rivier in het komgebied klei. De oeverwallen liggen van nature hoger dan de komgronden en door differentiële klink wordt dit hoogteverschil in de loop van de tijd groter. Tijdens doorbraken van de oeverwallen ontstonden crevasses. Dit zijn kleine geultjes die uitlopen in het komgebied. Aangezien de crevasseafzettingen uit zand en lichte klei bestaan, komen ook deze door differentiële klink hoger in het landschap te liggen dan de komgebieden. Poldervaaggronden zijn klei- en / of zavelgronden met een dunne humushoudende bovengrond (A-horizont tot 30 cm). Deze lichtbruin tot bruingrijs gekleurde A-horizont ligt direct op een licht gekleurde ondergrond die nog weinig door bodemvorming is veranderd (C-horizont). Roest en grijze vlekken komen voor binnen 50 cm onder maaiveld en beginnen dus soms al in de A-horizont. Deze lopen door tot in de permanent gereduceerde ondergrond.

De grondwatertrap VI geeft aan dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand tussen de 40 en 80 cm beneden maaiveld ligt. De gemiddeld laagste grondwaterstand ligt dieper dan 120 cm beneden maaiveld. 14

Op de hoogtekaart is het plangebied duidelijk herkenbaar als een hoger gelegen (woon)plaats. Het maaiveld ligt hier circa 50 tot 100 centimeter hoger dan de omgeving. Deze verhoging strekt zich uit tot in het oosten van de voorgenomen ontwikkelingslocatie.

2.3 Bewoningsgeschiedenis 2.3.1 Archeologie Op de archeologische verwachtingskaart van Loenen is het plangebied grotendeels aangegeven als een gebied met een hoge archeologische 15 verwachting vanaf de vroege ijzertijd (figuur 2.3). Volgens de toelichting hangt dit samen met de aanwezigheid van de Angstel stroomgordel. Voor het westelijke deel van het plangebied geldt een middelhoge verwachting voor de ijzertijd en 16 een hoge verwachting vanaf de Romeinse tijd (figuur 2.3). Dit hangt samen met de aanwezigheid van crevasses. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen archeologische monumenten terreinen (AMK-terreinen) bekend. Er zijn wel archeologische resten aangetroffen binnen 500 m van het plangebied. Bij een archeologische onderzoek ten behoeve van de uitbreiding van industrieterrein ‘de Werf’ is een vindplaats uit de ijzertijd bekend. Hier is een laag met houtskool en verbrande klei aangetroffen. Op basis hiervan moet rekening worden gehouden met kortstondige activiteiten die buiten het erf en nederzetting plaatsvonden, zoals 17 aardewerkproductie en kleiwinning. Waarneming 49234, welke zich circa 100 m ten westen van het huidige plangebied bevindt (figuur 2.3, tabel 2.1) is, heeft betrekking op dit onderzoek en vermeldt brokken verbrande klei welke zijn

14

AHN 2012. Van der A et al. 2010. 16 Van der A et al. 2010. 17 Onderzoeksmelding 3476, Van der A et al. 2010. 15

15

Loenen aan de Vecht, Slootdijk 1

gedateerd in de periode ijzertijd-Romeinse tijd. Helaas is het rapport van dit onderzoek ten tijde van het voorliggende onderzoek (nog) niet beschikbaar. 18 Tijdens een ander onderzoek op circa 400 m ten westen van het huidige plangebied (figuur 2.3, tabel 2.1) is houtskool gedateerd in de midden ijzertijd aangetroffen. De vindplaats is aangetroffen op circa 60 cm beneden maaiveld. Het onderzoek in Winkelbuurt (Abcoude) heeft aangetoond dat het gebied rond de derde eeuw na Christus dusdanig nat was dat bewoning niet meer mogelijk 19 was.

Figuur 2.3 Gemeentelijke verwachtingskaart, AMK-terreinen en Archis meldingen.

18 19

Onderzoeksmelding 3482, waarnemingsnummer 45816 en 138974. Bouma 2011. Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

16

Tabel 2.1 Waarnemingen met onderzoeksmelding. Waarnemings-nummer 49234

Afstand tot plangebied 100 m W

Waarneming

Datering

Opmerkingen

Verbrande kleibrokken

45816

400 m W

houtskool

138974

400 m W

houtskool

ijzertijdRomeinse tijd middenijzertijd middenijzertijd

Onderzoeksmelding 3476, booronderzoek. Direct naast plangebied. Onderzoeksmelding 3482, begeleiding Onderzoeksmelding 3482, begeleiding

2.3.2 Historie De oudste schriftelijke vermelding van Loenen aan de Vecht dateert uit 953 na 20 Chr. Waarschijnlijk stamt de naam af van ‘Lona’ wat ‘modder’ betekent. Het betrof waarschijnlijk een waternaam of de aanduiding van een moeras. Het plangebied ligt ten noordwesten van Loenen nabij het gehucht Kerklaan.

Figuur 2.4 Plangebied rond 1832. In roze is de bebouwing aangegeven. De gele cirkels geven de graanspiekers aan.21

20 21

17

Van Berkel en Samplonius 2006. Watwaswaar 2012. Loenen aan de Vecht, Slootdijk 1

Figuur 2.4 Plangebied rond 1900. Geel is grasland, groen bos en de stippen duiden op een boomgaard.22

Het plangebied is gelegen aan een middeleeuwse ontginningsas. Tegen het einde van de vroege middeleeuwen begonnen met de ontginning van de veengebieden in de omgeving van het plangebied. De hogere ruggen in het landschap, zoals rivierinversieruggen, vormden hierbij de bewoonbare ontginningsassen. Haaks op deze ontginningsassen werden sloten en weteringen gegraven die het achterland ontwaterden. Als gevolg van de ontwatering en veenwinning begon het maaiveld daar te dalen en werd gevoelig voor overstromingen. Er werden dijken aangelegd en later ook poldermolens gebouwd om het overtollige water weg te pompen. Rond 1830 en begin 1900 was het huidige plangebied in gebruik als boeren erf 23 (figuur 2.4 en 2.5). Op de kadastrale minuut zijn de gebouwen en de hooibergen aangegeven (figuur 2.4). Op de oorspronkelijke aanwijzende tafel bij deze kaart staat vermeld dat het om een ‘huis, schuur en plaats’ gaat. Momenteel is de oude woonhoeve nog steeds aanwezig inclusief één hooiberg. In het uiterste oosten van de te ontwikkelen paardenstal bevindt zich tegenwoordig een opstal die in de eerste helft van de twintigste eeuw is gebouwd. Hier is tevens een ondergrondse septic tank aanwezig. De exacte contouren van en de diepte van de bodemverstoring door de tank zijn niet bekend. In het midden van de voorgenomen paardenstal bevindt zich een stal die is gebouw tussen 1988 en1992.

Dit gebouw is onderkelderd tot een diepte van 2,65 m –NAP, hetgeen neerkomt op een diepte van circa 2,50 m beneden maaiveld. Het kan niet worden uitgesloten dat zich ter hoogte van de opstal in het uiterste oosten van de beoogde bouwlocatie nog resten van de voorloper die op de kadastrale minuut uit 1832 is weergegeven in de ondergrond bevinden (figuur 1.2). 24

Er zijn bij het bodemloket geen gegevens bekend over bodemverstoringen binnen het plangebied als gevolg van sanering.

22

Uitgeverij Robas Producties 1989. Watwaswaar 2012 en Uitgeverij Robas Producties 1989. 24 Bodemloket 2012. 23

Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

18

2.4 Archeologische verwachting Het plangebied bevindt zich op een oeverwal en mogelijk in het westen op crevasses van de Angstel. Oeverwallen en crevasses vormen vanwege hun hoge en droge ligging een gunstige vestigingsplaats. Op basis van het landschap kunnen binnen het plangebied archeologische resten verwacht worden vanaf de vroege ijzertijd tot en met de nieuwe tijd. Binnen 500 m van het plangebied zijn archeologische resten uit de ijzertijd, mogelijk doorlopend in de Romeinse tijd aangetroffen op circa 60 cm beneden maaiveld. Het plangebied bevindt zich aan een middeleeuwse ontginningsas. Op historische kaarten is te zien dat in ieder geval in het begin van de negentiende eeuw reeds bebouwing aanwezig is binnen het plangebied. Middeleeuwse voorgangers kunnen niet worden uitgesloten. Archeologische resten uit de periode ijzertijd-nieuwe tijd kunnen bestaan uit een strooiing van aardewerk, houtskool, glas, metaal, bot, leem, grondsporen, fosfaatvlekken en dergelijke. De resten kunnen bewoningsresten betreffen of resten van off-site activiteiten zoals aardewerkproductie en kleiwinning. Archeologische vondsten kunnen in een poldervaaggrond bij een intact bodemprofiel worden verwacht op of binnen 30 cm beneden maaiveld. Bewoningssporen kunnen worden verwacht vanaf de onderzijde van de Aphorizont.

In het rivierengebied dient echter rekening te worden gehouden met verschillende sedimentatiefasen, waarbij oudere bodems (en dus leefniveaus) kunnen zijn afgedekt met jongere afzettingen. Vanwege de hoge grondwaterstand en de afdekking met kleiig materiaal is de kans op een goede conservering van grondsporen, organische resten en botmateriaal hoger dan bij de hoger gelegen en drogere bodems. Op basis van het voorliggende onderzoek wordt een hoge verwachting gegeven resten uit de periode vroege ijzertijd – midden Romeinse tijd. De verwachting op resten uit de laat-Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen is vanwege de natte ligging van het plangebied in die periode laag tot middelhoog. Er bestaat wel een hoge verwachting op archeologische resten uit de periode na de ontginningen. Dit komt neer op een hoge verwachting op archeologische resten uit de late middeleeuwen en de nieuwe tijd.

19

Loenen aan de Vecht, Slootdijk 1

Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

20

3

Inventariserend veldonderzoek 3.1 Werkwijze Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd op basis van de resultaten van het bureauonderzoek. Hierbij is de tijdens het bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting in het veld getoetst. Bij het inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) is het plangebied onderzocht op de geomorfologische, geologische en bodemkundige karakteristieken. Ook geeft het booronderzoek informatie over het intact zijn van de bodem en daarmee informatie over de gaafheid van een eventuele archeologische vindplaats. In het plangebied zijn 4 verkennende boringen geplaatst. Het gebruikte aantal boringen is ontoereikend om eventueel aanwezige vindplaatsen te kunnen karteren. De boringen zijn uitgevoerd tot 2 m beneden maaiveld, één boring is doorgezet tot 2,8 m beneden maaiveld. De locaties van de boringen zijn ingemeten met GPS, waarbij de afwijking circa 2 meter bedraagt. De hoogteligging ten opzichte van NAP is uit het Actueel 25 Hoogtebestand Nederland gehaald. Hoewel het verkennende onderzoek niet specifiek is gericht op het opsporen van archeologische indicatoren is wel op de aanwezigheid daarvan gelet. De bodemlagen zijn met de hand en op het oog onderzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren. Archeologische indicatoren (bv.

aardewerk, huttenleem, vuursteen, metaal, houtskool en al dan niet verbrand bot) kunnen een aanwijzing zijn voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats ter plaatse of in de nabijheid van de boring met indicator. De bodemlagen zijn 26 27 lithologisch en bodemkundig beschreven. Het veldonderzoek heeft plaatsgevonden op 17 maart 2012. In navolgende paragrafen worden de resultaten van het veldonderzoek beschreven. De locaties van de boringen staan weergegeven op de boorpuntenkaart (figuur 3.1). De maaiveldhoogte (in meters t.o.v. NAP) is per boring vermeld in de boorstaten (bijlage 2).

25

AHN 2012. NEN 1989. 27 De Bakker en Schelling 1989. 26

21

Loenen aan de Vecht, Slootdijk 1

Figuur 3.1 Boorpuntenkaart.

3.2 Veldwaarnemingen Door de aanwezige bebouwing en verharding waren aan het maaiveld geen aanwijzingen zichtbaar die zouden kunnen duiden op de aanwezigheid van archeologische resten in de bodem.

Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

22

3.3 Verkennend booronderzoek 3.3.1 Lithologie en bodemopbouw De afzettingen die binnen het plangebied zijn aangetroffen bestaan uit sterk siltige kleiige oeverwalafzettingen. De klei is kalkloos. Aan het maaiveld is zand bijgemengd in de klei. De oeverwalafzettingen zijn in het verleden tot circa 120 centimeter –mv verstoord geraakt. Derhalve is het natuurlijke bodemtype niet meer te herleiden.

3.3.2 Bodemverstoringen De natuurlijke bodem is ter plaatse van de boringen verstoord tot 110 à 120 cm beneden maaiveld. De verstoring is herkend aan de vlekkerige kleur en de bijmenging van houtskool en bouwpuin.

3.3.3 Archeologische indicatoren Tijdens het booronderzoek is een tot circa 120 cm beneden maaiveld verstoorde bodem aangetroffen met daarin bouwpuin en houtskool. De aangetroffen verstoringen zouden kunnen duiden op de aanwezigheid van een oude woongrond en / of sporen en resten van voormalige bebouwing.

3.4 Archeologische interpretatie Op basis van het bureauonderzoek geldt voor het plangebied een hoge verwachting op archeologische resten vanaf de vroege ijzertijd tot en met de nieuwe tijd. Tijdens het veldonderzoek is gebleken dat de top van de natuurlijke afzettingen is verstoord. Deze verstoring kan duiden op een oude woongrond en/of op sporen van voormalige bewoning. Gezien het aangetroffen bouwpuin zal het in dat geval waarschijnlijk resten van middeleeuwse of nieuwe tijd bebouwing betreffen. Naar verwachting zullen archeologische resten uit eerdere perioden niet meer intact aanwezig zijn. In de nabije omgeving werd het ijzertijd niveau op circa 60 cm beneden maaiveld aangetroffen. Ter plaatse van het huidige plangebied is de bodem tot circa 120 cm beneden maaiveld verstoord. Op basis van de vier verkennende boringen kan echter niet met volledige zekerheid worden gesteld dat het ijzertijd niveau binnen het gehele terrein niet meer intact is.

23

Loenen aan de Vecht, Slootdijk 1

Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

24

4

Conclusie en aanbevelingen

4.1 Conclusie Hieronder volgt de beantwoording van de onderzoeksvragen zoals gesteld in het 28 Plan van Aanpak :

Zijn binnen het plangebied bekende archeologische waarden aanwezig? Zo ja, zijn er gegevens bekend over de omvang, ligging, aard en datering hiervan? Binnen het plangebied zelf zijn nog geen archeologische waarden bekend. In de nabije omgeving zijn resten uit de ijzertijd bekend. Ook middeleeuwen en nieuwe tijd zijn niet uit te sluiten. De huidige bebouwing komt al voor op de historische kaart uit 1832 en is gelegen aan een middeleeuwse ontginningsas.

Wat is de verwachte bodemopbouw in het gebied en zijn er gegevens bekend over bodemverstorende ingrepen in het verleden binnen het plangebied? Binnen het plangebied worden oeverwalafzettingen van de Angstel stroomgordel verwacht en eventueel crevasse afzettingen met daarin een poldervaaggrond.

Hoe is de bodemopbouw en is deze nog intact? Binnen het plangebied zijn oeverwalafzettingen aangetroffen bestaande uit sterk siltige klei. De bodem is geroerd tot 110 à 120 cm beneden maaiveld, waardoor het natuurlijke bodemtype niet meer te achterhalen is.

Wat is de specifieke archeologische verwachting voor het gebied? Op basis van het bureauonderzoek geldt voor het plangebied een hoge verwachting op archeologische resten vanaf de vroege ijzertijd tot en met het midden van de Romeinse tijd, een lage verwachting op archeologische resten van de laat-Romeinse tijd tot en met de vroege middeleeuwen en een hoge verwachting op archeologische resten uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd. Op basis van het veldonderzoek geldt een specifiek hoge verwachting op bewoningsresten vanaf de middeleeuwen. Eventuele oudere resten kunnen niet worden uitgesloten, maar zijn waarschijnlijk door de bewoning in de nieuwe tijd en mogelijk middeleeuwen reeds verstoord.

In hoeverre worden archeologische resten bedreigd en is vervolgonderzoek nodig en zo ja, in welke vorm? Gezien de ligging op een oude boerderijplaats en de waarnemingen in de omgeving zijn archeologische sporen niet uit te sluiten. Archeologisch vervolgonderzoek is noodzakelijk om dergelijke resten te karteren. De gronden ter hoogte van de schuur uit de periode tussen 1988 en 1992 kunnen worden vrijgegeven daar de aanleg van de schuur hier zal hebben geleid tot verstoring van eventueel aanwezige archeologische resten.

28

25

Emaus 2012. Loenen aan de Vecht, Slootdijk 1

4.2 Aanbevelingen Op basis van het uitgevoerde onderzoek is een archeologisch vervolgonderzoek nodig. Aangezien tijdens het veldwerk geen archeologische indicatoren zijn aangetroffen en een deel van de bovengrond is verstoord, wordt een 29 archeologische begeleiding conform protocol opgraven aanbevolen. Onder het maaiveld dient de sloop van de opstal uit de eerste helft van de twintigste eeuw archeologisch begeleid te worden daar hier mogelijk nog resten van de voorloper van deze stal aanwezig zijn. De gronden ter hoogte van de onderkelderde stal die tussen 1988 en 1992 in het midden van de beoogde ontwikkelingslocatie is gebouwd kunnen worden vrijgegeven voor de beoogde ontwikkeling. Bovenstaand advies dient beoordeeld te worden door de bevoegde overheid (gemeente Stichtse Vecht) en leidt tot een selectiebesluit. Dit betekent niet dat reeds gestart kan worden met bodemverstorende activiteiten of de daarop voorbereidende activiteiten.

29

CCvD 2010. Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

26

5

Geraadpleegde bronnen A, S. van der, A. de Boer, A. Botman, N. de Jonge en J. Dijkstra, 2010. De

archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de gemeenten Maarssen, Loenen, Abcoude en Breukelen. ADC-rapport H032. Amersfoort. AHN, 2012. Actueel Hoogtebestand Nederland. Verkregen via www.ahn.nl in april 2012. Alterra, 2012: Geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000). Geraadpleegd via Archis in april 2012. ANWB, 2004. Topografische atlas Gelderland (1:25.000), Den Haag. Bakker, H. de & J. Schelling, 1989. Systeem van bodemclassificatie voor Nederland, Staring Centrum, Wageningen. Berendsen H.J.A. en E. Stouthamer, 2001. Paleogeographic development of the Rhine-Meuse delta, The Netherlands. Koninklijke Van Gorcum, Assen. Berkel van, G. en K. Samplonius, 2006. Nederlandse plaatsnamen herkomst en

historie. Prisma, Utrecht. Bodemloket, 2012. Kaart Bodemloket. Geraadpleegd via www.bodemloket.nl Bouma, N., 2011. Van begraven oerbos tot vroegste middeleeuwse ontginning en bewoning. Een archeologische opgraving in de Winkelbuurt in Abcoude Zuid. ADC-rapport 2400. ADC, Amersfoort. CCvD, 2009. Leidraad proefsleuven. Gouda. CCvD, 2010. Kwaliteistnorm Nederlandse Archeologie, versie 3.2. SIKB, Gouda. Emaus, A.,2012 . Onderzoeksvoorstel – plan van aanpak Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) plangebied Slootdijk 1te Loenen aan de Vecht. Deventer. Mulder,de. E.F.J., M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff en T.E. Wong, 2003. De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff bv, Groningen/Houten. Nederlands Centrum van Normalisatie, 1989. Classificatie van onverharde

grondmonsters. NEN 5104. Delft. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2012. Archeologische Monumentenkaart (AMK) en Centraal Archeologisch Archief (CAA), geraadpleegd via Archis. Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB), 2006. Leidraad inventariserend veldonderzoek, versie 3.1. Deel karterend booronderzoek. SIKB, Gouda

27

Loenen aan de Vecht, Slootdijk 1

Stichting voor Bodemkartering (Stiboka), 1976. Bodemkaart van Nederland 1:50.000, toelichting bij kaartblad 31 Oost Utrecht. Wageningen. Rijks Geologische Dienst (RGD), 1988. Geologische kaart van Nederland 1:50.000. blad Utrecht Oost (31 O). Haarlem. Uitgeverij Robas Producties, 1989. Historische Atlas Utrecht. Deventer. WatWasWaar, 2012.. Eerste Kadastrale kaart uit de periode 1827-1832. Online geraadpleegd in april 2012.

Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

28

Bijlagen

1 2

29

Bijlage1 Bijlage2

Loenen aan de Vecht, Slootdijk 1

Bijlage 1 Overzicht van geologische en archeologische tijdvakken

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken

Ouderdom in jaren

Chronostratigrafie

MIS

Holoceen

1

11.755 12.745 13.675 14.025

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

15.700

Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)

Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)

2

LaatPleniglaciaal 29.000

50.000

75.000

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal

VroegWeichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000

370.000 410.000

3

5a

Formatie van Beegden

5b 5c 5d 5e

Saalien (ijstijd)

6

Eem Formatie Formatie van Drente Formatie van Urk

Elsterien (ijstijd) 475.000

Cromerien (warme periode) 850.000

Pre-Cromerien 2.600.000

Formatie van Boxtel

4

Eemien (warme periode)

Holsteinien (warme periode)

Formatie van Kreftenheye

Formatie van Sterksel

Formatie van Peelo

Cal. jaren v/n Chr. 1950

14

C jaren

Chronostratigrafie

0

Vb2

1500

Subatlanticum koeler vochtiger

450 0 12

Pollen zones

Vb1 Va

800 815

2650

IVb Subboreaal koeler droger

2000

3755

IVa

5000

4900

5300

7020

8240

III

Boreaal warmer

II

Preboreaal warmer

I

8000

9000

8800 11.755

Atlanticum warm vochtig

10.150

12.745

10.800

13.675

11.800

14.025

12.000

15.700

13.000

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

Late Dryas

LW III

Allerød

LW II

Vroege Dryas LW I Bølling

35.000

Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)

Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd Bronstijd

Neolithicum

Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend

Mesolithicum

parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra

VroegWeichselien (VroegGlaciaal)

perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap

Laat-Paleolithicum

75.000

115.000 130.000

Eemien (warme periode)

Midden-Paleolithicum loofbos

Saalien (ijstijd) 300.000

Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).

Bijlage 2 Boorstaten

boring: 12123-1

beschrijver: KP, datum: 17-4-2012, X: 129.084, Y: 470.102, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 31E, hoogte: -1,00, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, landgebruik: grasland, vondstzichtbaarheid: slecht, provincie: Utrecht, gemeente: Stichtse Vecht, plaatsnaam: Loenen aan de Vecht, opdrachtgever: Promad IOB bv, uitvoerder: BAAC bv

0 cm -Mv / 1,00 m -NAP Lithologie: klei, matig zandig, matig humeus, donkerbruingrijs, kalkloos Bodemkundig: interpretatie: verstoord Archeologie: spikkels houtskool, fragmenten bouwpuin (onbepaald)

60 cm -Mv / 1,60 m -NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, sterk siltig, zwak humeus, donkerbruingrijs, kalkloos Bodemkundig: AC-horizont, interpretatie: verstoord Archeologie: spikkels houtskool, fragmenten bouwpuin (onbepaald)

110 cm -Mv / 2,10 m -NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, sterk siltig, grijs, kalkloos Bodemkundig: C-horizont, enkele Fe-vlekken, interpretatie: verstoord Archeologie: enkele spikkel houtskool, enkel fragment bouwpuin (onbepaald)

140 cm -Mv / 2,40 m -NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, sterk siltig, grijs, kalkloos Bodemkundig: C-horizont, enkele Fe-vlekken

Einde boring op 200 cm -Mv / 3,00 m -NAP

boring: 12123-2

beschrijver: KP, datum: 17-4-2012, X: 129.120, Y: 470.130, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 31E, hoogte: -1,00, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, landgebruik: grasland, vondstzichtbaarheid: slecht, provincie: Utrecht, gemeente: Stichtse Vecht, plaatsnaam: Loenen aan de Vecht, opdrachtgever: Promad IOB bv, uitvoerder: BAAC bv

0 cm -Mv / 1,00 m -NAP Algemeen: aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, matig zandig, matig humeus, donkerbruingrijs, kalkloos Bodemkundig: regelmatig geploegd/bewerkte A-horizont Archeologie: spikkels houtskool, fragmenten bouwpuin (onbepaald)

25 cm -Mv / 1,25 m -NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, sterk siltig, zwak humeus, bruingrijs, kalkloos Bodemkundig: AC-horizont, interpretatie: verstoord Archeologie: spikkels houtskool, fragmenten bouwpuin (onbepaald) Opmerking: boring gestaakt ivm asbest verdacht materiaal

Einde boring op 60 cm -Mv / 1,60 m -NAP

boring: 12123-3

beschrijver: KP, datum: 17-4-2012, X: 129.127, Y: 470.096, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 31E, hoogte: -1,00, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, landgebruik: grasland, vondstzichtbaarheid: slecht, provincie: Utrecht, gemeente: Stichtse Vecht, plaatsnaam: Loenen aan de Vecht, opdrachtgever: Promad IOB bv, uitvoerder: BAAC bv

0 cm -Mv / 1,00 m -NAP Algemeen: aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, matig zandig, matig humeus, donkerbruingrijs, kalkloos Bodemkundig: regelmatig geploegd/bewerkte A-horizont Archeologie: spikkels houtskool, fragmenten bouwpuin (onbepaald)

25 cm -Mv / 1,25 m -NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, sterk siltig, zwak humeus, bruingrijs, kalkloos Bodemkundig: AC-horizont, interpretatie: verstoord Archeologie: spikkels houtskool, fragmenten bouwpuin (onbepaald)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/1781/documents/38845