7.a Ruimtelijke onderbouwing 2020_Geredigeerd.pdf
Tekst van het document
COLOFON opdrachtgever Boerenhofstede Vecht & Schans Mijndensedijk 53 3631 NN Nieuwersluis T (0294) 23 49 99 E. info@vechtschans.nl
adviseur Adviesbureau Haver Droeze bnt Muurhuizen 165 3811 EG Amersfoort T (033) 461 35 35 F (033) 465 18 98 E info@haverdroeze.nl
© Niets uit deze uitgave mag, geheel noch gedeeltelijk, worden overgenomen en/of vermenigvuldigd zonder schriftelijke toestemming van de uitgever. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten van afbeeldingen in deze uitgave te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degene die desondanks meent zekere rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht zich tot de uitgever te wenden.
1. INLEIDING. 1.1 Achtergronden. 1.2 Doel. 1.3 Leeswijzer.
5 5 7 7
2. HET VERZOEK. 2.1 Bestaande situatie. 2.2 Beschrijving verzoek.
9 9 9
3. GELDEND BESTEMMINGSPLAN. 3.1 Vigerend bestemmingsplan – Nieuwersluis 2009. 3.1.1 Agrarisch (artikel 3). 3.1.2 Wonen (artikel 15). 3.1.3 Waarde - Beschermd Stads - en dorpsgezicht (artikel 16). 3.1.4 Waarde - Cultuurhistorie (artikel 17).
10 10 10 11 12 14
4. TOETSING. 15 4.1 Algemeen. 15 4.2 Kleine landschapselementen - algemeen. 15 4.3 Ruimtelijke Onderbouwing herontwikkeling boerenhofstede Vecht & Schans 2007. 15 4.4 Faunavoorzieningen in de vorm van broeihopen en takkenril. 18 4.4.1 Praktische informatie broeihopen. 21 4.5 Hooiberg. 23 4.6 Basisvoorzieningen voor het houden van paarden (paddock, longeercirkel, paarden(spring)weide). 24 4.6.1 Het begrip ‘erf’. 24 4.6.2 Paardenhouderij is ‘agrarisch gebruik’. 25 4.6.3 Basisvoorzieningen voor het houden van paarden. 26 4.6.4 Paddock. 27 4.6.5 Longeercirkel. 29 4.6.6 Paarden(spring)weide. 29 4.6.7 Conclusie basisvoorzieningen. 30 4.7 Paardenstal. 32 4.7.1 Maatwerkafspraken. 33 4.7.2 Binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. 35
A D V I E S B U R E AU H AV E R D R O E Z E B N T
Ruimtelijke onderbouwing Vecht & Schans
INHOUD
1. INLEIDING 1.1 Achtergronden
Daarnaast bevond zich op het perceel historische bebouwing in de vorm van een wagenschuur met zomerhuis. De bijbehorende landbouwgronden besloegen een oppervlakte van ca. 3,5ha. In 2016 is nog een hectare landbouwgrond aangekocht van Provincie Utrecht (in afbeelding 1 groen gearceerd). Het geheel is kadastraal bekend als gemeente Loenen, sectie D, nummers 1879, 1798, 1799, 662, 663, 655, 654, 1826, 1825, 1824 en 1930 en 1827.
Ruimtelijke onderbouwing Vecht & Schans
en hebben in 2005 de boerenhofstede Vecht & Schans aangekocht. Vecht & Schans bevindt zich aan de Mijndensedijk 53 in Nieuwersluis in het buitengebied van de gemeente Stichtse Vecht (zie afbeelding 1). Tot op dat moment was op dit adres een rundveehouderijbedrijf gevestigd met diverse opstallen, waaronder een boerderij, werktuigenberging, melkveestal, kippenhok, mestvaalt en een hooiberg.
Afbeelding 1: begrenzing plangebied Vecht & Schans, het groen gearceerde gebied werd in 2016 aangekocht Bron: maps.google.nl, bewerking LHD
Vanwege de slechte staat van onderhoud en gebrek aan kwaliteit, werd Vecht & Schans in het toenmalige Beeldkwaliteitplan Nieuwersluis (april 2009) aangemerkt als ‘beeldverstorend element’. De nieuwe eigenaren hebben vervolgens in overleg met vele partners, uiteenlopend van gemeente, tot provincie en landschapsorganisatie plannen uitgewerkt volgens de principes van de Nota Belvédère: behoud door ontwikkeling. De intensieve agrarische bedrijfsactiviteiten werden beëindigd en in ruil voor sloop van beeldontsierende bebouwing mocht 1 nieuwe woning worden gebouwd. Daarnaast voorzien de plannen in diverse landschappelijke en cultuurhistorische verbeteringen, waaronder het terugbrengen van verschillende kleinschalige ecologische en landschappelijke elementen, diverse ecologische maatregelen en grondgeboden agrarisch gerelateerde nevenactiviteiten (B&B, milieu- en natuureducatie en groen / blauwe diensten).
A D V I E S B U R E AU H AV E R D R O E Z E B N T
5
In 2007 hebben zij daartoe een Ruimtelijke Onderbouwing Herontwikkeling Boerenhofstede Vecht & Schans laten opstellen ten behoeve van een aanvraag om vrijstelling als bedoeld in artikel 19 lid 1 WRO. Vanuit het principe ‘behoud door ontwikkeling’. is een integraal initiatief ingediend voor behoud van cultuurhistorie (hoeve en boerenhofstede), herstel van historische landschappelijke elementen en de aanleg van nieuwe natuur en andere ecologische herstelmaatregelen. De aanvraag heeft uiteindelijk op 17 juli 2008 geresulteerd in een bouwvergunning 1e fase (bwt-nr. 2007/140), twee aanlegvergunningen (bwt-nrs. 2007/150 en 157) en een vrijstelling als bedoeld in artikel 19 lid 1 WRO. De aanvraag werd begeleid door de “Ruimtelijke Onderbouwing Herontwikkeling Boerenhofstede Vecht & Schans - Behoud door ontwikkeling: een integraal initiatief voor behoud van cultuurhistorie door ontwikkeling van een nieuwe landschappelijk en agrarisch gerelateerde economische drager d.d. juni 2007 (verder te noemen: Ruimtelijke Onderbouwing 2007). Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de aanlegvergunning bwt-2007/150 betrekking heeft op het realiseren van onder andere een waterinlaat ten behoeve van het opzetten van het peil en het graven van nieuw water, zoals weergegeven in bijlage 2 bij de Ruimtelijke Onderbouwing 2007.
De vergunning met nummer bwt 2007-157 heeft betrekking op het planten van bomen en kleine landschapselementen, zoals weergegeven op de landschapsontwikkelingsplattegrond die als bijlage 1 deel uitmaakt van de Ruimtelijke Onderbouwing 2007. In het principeverzoek is tevens opgenomen de aanlegvergunning voor het opwerpen van een dijkje met beplanting (houtgeriefwal) (bwt - 2006 - 032). De verleende vergunningen en de reactie op het principeverzoek zijn als (losse) bijlagen toegevoegd. In de Verklaring van geen Bezwaar die op 10 juni 2008 door de provincie Utrecht ten behoeve van het plan werd afgegeven, merkt de Provincie op dat het geheel een bijdrage levert aan de plattelandsvernieuwing zoals door de provincie wordt bedoeld en een toevoeging / verrijking betekent voor de belevingswaarde en recreatieve aantrekkelijkheid c.q. verscheidenheid van het Vechtgebied. De verleende vrijstelling zou in het bestemmingsplan Nieuwersluis (vastgesteld 24 maart 2009) planologisch worden verankerd. Anno 2019 is Vecht & Schans verworden tot een bijzonder fraaie hofstede waar de natuur maat en ritme bepaald. Tevens bevindt zich hier één van de vier (SKAL gecertificeerde) biologische paardenhouderijen van het land.
Daarnaast biedt Vecht & Schans ruimte voor agrarisch gerelateerde groen/blauwe diensten in de vorm van agrarisch natuurbeheer en maatschappelijke activiteiten zoals natuureducatie en kleinschalig (zakelijk) toerisme. Ook de inspanningen ten aanzien van ecologie zoals het opzetten van het waterpeil en het herstellen van elementen als houtwallen en het pestbosje beginnen inmiddels hun vruchten af te werpen; zo heeft onder andere de zeer zeldzame en strikt beschermde libellensoort ‘de groene glazenwasser’ haar biotoop in de krabbescheervegetatie in de watergangen rondom Vecht & Schans.
6
Ondanks het feit dat zowel ruimtelijk als ecologisch duidelijk sprake is van kwaliteitsverbetering ten opzichte van de oude situatie (intensieve veehouderij en landschapsontsierende bebouwing), zijn sinds begin 2016 door omwonenden verschillende verzoeken om handhaving ingediend. Deze verzoeken zien op de volgende activiteiten / planonderdelen: • opslag van hooirollen en 83 struiken • een longeercirkel en de daar omheen aanwezige bomen en struiken • een paarden(spring)weide • een terp met kippenhok • alle paden en overige terreinverhardingen (750m²) • mestvaalt • broeihoop t.b.v. ringslangen • hekwerken, palen en overige afrasteringen hoger dan 1m • voederbak op palen, paddock en schuilhut • dam (zuid) met duiker • 66 wilgen Hoewel de gemeente Stichtse Vecht de ontwikkelingen en bereikte resultaten op Vecht & Schans positief waardeert, geven de handhavingsverzoeken toch aanleiding voor de gemeente om handhavend op te treden. Om alle twijfel en onduidelijkheid weg te nemen hebben initiatiefnemers er, na overleg met de gemeente, voor gekozen om zekerheidshalve omgevingsvergunning te vragen voor die onderdelen en activiteiten waarop thans handhaving plaatsvindt. De aanvraag voor die onderdelen waarvoor op grond van de reguliere procedure een omgevingsvergunning kan worden verleend, is reeds ingediend.
Voor enkele onderdelen uit die aanvraag heeft de gemeente aangegeven dat voor deze onderdelen de uitgebreide procedure van toepassing is. Uit praktische overwegingen is ervoor gekozen deze uit de aanvraag te halen en hiervoor separaat vergunning aan te vragen. Daarnaast hebben zich sinds de start van de uitvoering van de plannen in 2008 enkele veranderingen voorgedaan. Tevens is op enkele onderdelen sprake van voortschrijdend inzicht. Dit betreft een inpandige aanpassing aan de hooiberg en de wens om de voormalige wagenschuur die thans in gebruik is als paardenstal in de huidige vorm te handhaven. Aangezien ook op deze onderdelen de uitgebreide procedure van de Wabo van toepassing is, zijn deze onderdelen in deze aanvraag meegenomen.
Ruimtelijke onderbouwing Vecht & Schans
1.2 Doel
De aanvraag voor een dergelijke omgevingsvergunning moet vergezeld gaan van een goede ruimtelijke onderbouwing, waarin de aanvaardbaarheid vanuit het oogpunt van ‘een goede ruimtelijke ordening’ van het verzoek wordt aangetoond. Om deze reden is voorliggende ruimtelijke onderbouwing opgesteld.
1.3 Leeswijzer
Voorliggende ruimtelijke onderbouwing bevat een beschrijving van de betreffende onderdelen en activiteiten en beschrijft vervolgens hoe deze zich verhouden tot het gemeentelijk en provinciaal ruimtelijk beleid. Ten slotte wordt ingegaan op de relevante omgevingsaspecten.
A D V I E S B U R E AU H AV E R D R O E Z E B N T
7
8
2. HET VERZOEK 2.1 Bestaande situatie
De objecten waar onderhavig verzoek betrekking op heeft, zijn reeds aanwezig in de bestaande situatie. De reden daarvoor is gelegen in het feit dat deze elementen onderdeel uitmaken van de met een vrijstelling als bedoeld in artikel 19 lid 2 WRO verleende aanlegvergunningen zoals beschreven in de Ruimtelijke Onderbouwing Herontwikkeling Boerenhofstede Vecht & Schans - Behoud door ontwikkeling: een integraal initiatief voor behoud van cultuurhistorie door ontwikkeling van een nieuwe landschappelijk en agrarisch gerelateerde economische drager d.d. juni 2007. Namens en , gezamenlijk eigenaar van Vecht & Schans wordt verzocht om een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen en gebruiken in afwijking van het bestemmingsplan als bedoeld een verzoek om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 lid 1, onder c Wabo io artikel 2.12 lid 1 sub a, onderdeel 3 Wabo. Concreet heeft het verzoek betrekking op de volgende objecten: 1. het aanleggen en in stand houden van faunavoorzieningen in de vorm van broeihopen en een takkenril ten behoeve van ringslangen; 2. het plaatsen van wanden op de zolder van de hooiberg; 3. het bouwen, aanleggen en gebruiken van basisvoorzieningen voor het houden van paarden in de vorm van een paddock incl. hekwerken / omheining, longeercirkel en een paarden(spring)weide; 4. het behouden van de paardenstal in zijn huidige vorm en omvang.
Ruimtelijke onderbouwing Vecht & Schans
2.2 Beschrijving verzoek
Afbeelding 2: overzicht objecten Bron: maps.google.nl, bewerking LHD
A D V I E S B U R E AU H AV E R D R O E Z E B N T
9
3. GELDEND BESTEMMINGSPLAN 3.1 Vigerend bestemmingsplan – Nieuwersluis 2009
Het vigerende bestemmingsplan voor de percelen waarop het verzoek betrekking heeft, is het bestemmingsplan Nieuwersluis dat op 24 maart 2009 is vastgesteld (zie afbeelding 3, 4 en 5). In het bestemmingsplan hebben de gronden en gebouwen waar dit verzoek op ziet de volgende bestemmingen: • de gronden waarop de ringslangbroeihopen en takkenril zijn aangelegd, hebben de bestemming ‘Agrarisch’; • de hooiberg en de paardenstal hebben de bestemming ‘Wonen’ met een functieaanduiding voor de verschillende functies, waaronder de aanduiding ‘paardenhouderij’ ter plaatse van de voormalige wagenschuur die thans in gebruik is als paardenstal. Daarnaast gelden de volgende algemene dubbelbestemmingen: • Waarde beschermd – Stads- en dorpsgezicht • Waarde – cultuurhistorie • Waterstaat - Waterkering
Afbeelding 3: uitsnede verbeelding bp Nieuwersluis ter plaatse van Mijndensedijk 53 Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl, bewerking LHD
Met het oog op de noodzakelijke vergunningen wordt hierna ingegaan op de relevante onderdelen uit de te onderscheiden bestemmingen. 3.1.1 Agrarisch (artikel 3) De gronden waar de ringslangbroeihopen en takkenril zijn aangelegd, hebben de bestemming ‘Agrarisch’ (artikel 3, zie afbeelding 4). voor ‘Agrarisch’ bestemde gronden zijn bestemd voor: • de uitoefening van een agrarisch bedrijf; • nevenactiviteiten ten dienste van het agrarisch bedrijf; • agrarisch grondgebruik; • de instandhouding en bescherming van landschappelijke waarden (behoud openheid agrarische gronden, behoud bestaande kavelsloten, behoud van de historische verkavelingsstructuur zoals aangegeven op de bijlage); Een en ander met de bijbehorende bouwwerken en voorzieningen, waaronder perceelsontsluitingen, poelen en houtwallen.
10
Met betrekking tot andere bouwwerken is in artikel 3.2.4 bepaald dat deze binnen het bouwvlak dienen te worden opgericht. Buiten het bouwvlak mogen geen bouwwerken worden opgericht (3.2.5). In artikel 3.3.1 is bepaald dat Burgemeester en wethouders omgevingsvergunning (in de planregels staat ontheffing) ten behoeve van het oprichten van andere bouwwerken buiten het bouwvlak, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen (nb alleen de relevante onderdelen zijn overgenomen): a. het betreft uitsluitend andere bouwwerken ten behoeve van de bestemming; b. het betreft uitsluitend andere bouwwerken die in het kader van de agrarische bedrijfsvoering noodzakelijk zijn; c. de hoogte van de andere bouwwerken mag maximaal 2m bedragen; d. de landschappelijke en cultuurhistorische waarden mogen niet onevenredig worden aangetast. Andere bouwwerken zijn in artikel 1 gedefinieerd als: ‘een bouwwerk geen gebouw zijnde’.
Ruimtelijke onderbouwing Vecht & Schans
Afbeelding 4: uitsnede verbeelding ter plaatse van de aanwezige broeihopen - bestemming Agrarisch Bron: maps.google.nl, bewerking LHD
Een ‘bouwwerk’ is gedefinieerd als ‘elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond’. 3.1.2 Wonen (artikel 15) De hooiberg en de paardenstal staan op gronden met de bestemming ‘Wonen’ (artikel 15, zie afbeelding 5). De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor het bestaande aantal woningen met bijbehorende voorzieningen, waaronder ook begrepen het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis tot maximaal 30% van het vloeroppervlak van de woning en een maximum van 50m². De gronden aan de Mijndensedijk 53 zijn tevens voorzien van de aanduiding ‘atelier’ en ‘paardenhouderij’, waarbij maximaal 15 paarden mogen worden gehouden. Ten slotte voorziet het plan in de aanduiding ‘bed & breakfast’ waarbij maximaal 180m² van het hoofdgebouw mag worden gebruikt voor deze functie.
A D V I E S B U R E AU H AV E R D R O E Z E B N T
11
Afbeelding 5: uitsnede verbeelding ter plaatse van hooiberg en paardenstal - bestemming Wonen Bron: maps.google.nl, bewerking LHD
Binnen deze bestemming mogen binnen het bouwvlak woningen worden gebouwd. Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mogen uitsluitend op ten minste 3m achter de voorgevel van de woning worden gebouwd. De bouw- en goothoogte van bijgebouwen mogen niet meer bedragen dan 5m, respectievelijk 3m. Het bouwen van een kelder onder een bijgebouw is niet toegestaan. De hoogte van andere bouwwerken mag niet meer bedragen dan 1m voor de voorgevelrooilijn en 2m achter de voorgevelrooilijn met dien verstande dat voor bestaande toegangspoorten met een grotere hoogte de bestaande hoogte als maximum geldt. Andere bouwwerken in de vorm van oeverbeschoeiingen dienen gelijk te zijn aan het streefpeil. Burgemeester en wethouders kunnen (voor zover hier relevant) op grond van het bepaalde in artikel 15.3 met een omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels en voor bijgebouwen een hogere bouwhoogte (max. 7m) of een grotere oppervlakte (max. 50m²) toestaan. Daarnaast kunnen Burgemeester en wethouders met een omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels en een grotere bouwhoogte voor bouwwerken toestaan tot 2m voor muren en erfafscheidingen. Afwijken is alleen mogelijk mits de cultuurhistorische waarden van het beschermde stads- en dorpsgezicht niet onevenredig worden aangetast. Ter bescherming daarvan zijn naast enkelbestemmingen, voorts de volgende dubbelbestemmingen van toepassing.
3.1.3 Waarde - Beschermd Stads - en dorpsgezicht (artikel 16) Daarnaast is relevant dat de gronden zijn voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde – beschermd stads- en dorpsgezicht’ (artikel 16). Deze gronden zijn bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de met het beschermd stads- en dorpsgezicht verbonden cultuurhistorische waarden, zoals omschreven in de toelichting bij het aanwijzingsbesluit. Daarbij wordt gestreefd naar: • behoud van de openheid van de agrarische gronden; • behoud van de bestaande kavelsloten; • behoud van de historische verkavelingsstructuur, zoals aangegeven op de bijlage ‘historische verkavelingsstructuur’. 12
De regels in 16.3 e.v. zien met name op het behouden van de vorm van daken en de nokrichting van hoofdgebouwen en de situering van de voorgevel van (hoofd)gebouwen. 3.1.4 Waarde - Cultuurhistorie (artikel 17) Ook zijn de gronden voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde – cultuurhistorie’ (artikel 17). De voor ‘Waarde – cultuurhistorie’ aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het behoud en herstel van de openheid van het landschap en daarmee tot het behoud van een vrij schootsveld zoals bepaald in de Kringenwet van 1853, alsmede voor instandhouding en bescherming van de landschappelijke waarden. Daarbij wordt gestreefd naar: • behoud van de openheid van de agrarische gronden; • behoud van de bestaande kavelsloten; • behoud van de historische verkavelingsstructuur, zoals is aangegeven op de bijlage ‘historische verkavelingsstructuur’. Ter bescherming van de genoemde waarden is in artikel 17.3 een aanlegvergunningenstelsel opgenomen voor het aanplanten van hoog opgaande beplantingen, het bebossen en/of het aanplanten van bos of andere houtgewassen.
Een vergunning mag alleen en moet worden geweigerd, indien door het uitvoeren van de plant-werkzaamheden dan wel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke en / of cultuurhistorische waarden van het gebied en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende kan worden tegemoet gekomen.
14
4. TOETSING 4.1 Algemeen
In dit hoofdstuk wordt per object ingegaan op de vragen waar de aanvraag betrekking op heeft, waarom de aanvraag wordt gedaan en hoe de aanvraag zich verhoudt tot het geldende bestemmingsplan. Voor het bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden is op grond van het bepaalde in het bestemmingsplan binnen de grenzen van het beschermd dorpsgezicht een omgevingsvergunning benodigd. Ondanks het feit dat in de Ruimtelijke Onderbouwing 2007 is beschreven dat het plan voorziet in landschapsherstelmaatregelen, verbetering van de waterhuishouding en faunavoorzieningen, die ook zijn verbeeld en uitgewerkt en waarvoor vrijstelling en aanlegvergunningen zijn verleend, stelt de gemeente dat een aantal landschapselementen (ten dele) in strijd met het bestemmingsplan en/of zonder vergunning is aangeplant. Op grond van het bepaalde in artikel 19 is een aanlegvergunning vereist voor de activiteiten genoemd onder a, b, d en h in 19.1.1. Dit betreft de volgende activiteiten: • aanleggen en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen met een oppervlakte van meer dan 100m²; • bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden, waaronder begrepen de aanleg van boomgaarden als kleine landschapselementen; • verlagen van de bodem en afgraven, ophogen en egaliseren van de gronden; • het deels of geheel slopen van gebouwen.
Zoals hiervoor reeds opgemerkt omvatte het plan waarvoor in 2008 door de toenmalige gemeente Loenen verschillende vergunningen en vrijstelling werd verleend ook diverse landschappelijke en cultuurhistorische verbeteringen, waaronder het terugbrengen van verschillende kleinschalige ecologische en landschappelijke elementen en diverse ecologische maatregelen. In de Ruimtelijke Onderbouwing 2007 wordt (op p. 27 en 31) gesproken over het herstellen en versterken van het oorspronkelijke landschappelijke karakter als onderdeel van de planvorming. Landbouwgrond werd omgevormd naar gebiedseigen natuur waarbij historische landschapselementen werden teruggebracht / aangeplant, waaronder het oorspronkelijke ‘pestbosje’, ‘koebocht’ (met beplanting voor beschutting van het vee), houtwallen en hoogstamboomgaard.
Ruimtelijke onderbouwing Vecht & Schans
4.2 Kleine landschapselementen - algemeen
4.3 Ruimtelijke Onderbouwing herontwikkeling boerenhofstede Vecht & Schans 2007
Uit de toelichting op het bestemmingsplan Nieuwersluis (p. 35) en de Ruimtelijke onderbouwing 2007 blijkt dat de plannen voor de herontwikkeling van Boerenhofstede ‘Vecht & Schans’ o.a. uitgingen van herstel van het oorspronkelijke landschappelijke karakter en de verbetering van de waterhuishouding. De wijze waarop dit is uitgewerkt, is te vinden op p. 27, 30, 31, 32 en 35 van de Ruimtelijke Onderbouwing 2007. Hier is beschreven dat door ruilverkavelingen en andere maatregelen voor verbetering van de agrarische productie tal van karakteristieke landschapselementen en structuren zijn verdwenen of vervaagd. Met de planvorming worden de meest kenmerkende structuren weer hersteld.
A D V I E S B U R E AU H AV E R D R O E Z E B N T
15
Dit betreft onder andere de volgende elementen: • herstel van de waterloop aan de voorzijde van de bebouwing, met terugbrengen van de oude brug. Aanleg van de eendenvijver en ecologische oevers en; • opzetten van het waterpeil met 0,65-0,70cm naar een van oorsprong aanwezig peil dat voorziet in aanzienlijk hogere potentiële natuurwaarde; • herstel van het pestbosje (bij B), de oorspronkelijke oude koebocht (plaats in het weiland met beplanting voor beschutting bij het melken van het vee) (p. 31) wordt genoemd alsook het herstellen en opwaarderen van de bestaande wilgenwal (bij C), die als landschappelijk element veel schuil- en voedselgelegenheid biedt aan kleine zoogdieren en vogels. Daarnaast wordt aandacht besteed aan amfibieën door de aanleg van broeiplaatsen en takkenril voor ringslangen; • aanleg hoogstamboomgaard; • beheer van weilanden door extensieve begrazing met oorspronkelijke landbouwhuisdierrassen. Een en ander is uitgewerkt in een vogelvluchtschets van de nieuwe situatie (p. 30 Ruimtelijke Onderbouwing 2007), zie afbeelding 6.
16
Ruimtelijke onderbouwing Vecht & Schans Afbeelding 6: overzichtstekening nieuwe situatie Ruimtelijke Onderbouwing 2007, p. 30-32 Bron: Ruimtelijke Onderbouwing 2007
Zoals ook blijkt uit de aanhef van de verleende ontheffing werd naast ontheffing tevens een bouwvergunning 1e fase verleend én drie aanlegvergunningen voor de werken die zijn beschreven in bijlage 1 en 2 van de Ruimtelijke Onderbouwing 2007 (Inrichtingsplan landschapsbeheer en waterlopen). De hierin beschreven maatregelen corresponderen met de maatregelen zoals uitgewerkt in het schetsplan op pagina 30. Zodoende kan worden gesteld dat voor de aanplant en aanleg van de landschaps- en waterlopen /-elementen (waaronder de broeihopen) met de vergunningverlening en ontheffing in 2008 reeds vergunning is verleend.
A D V I E S B U R E AU H AV E R D R O E Z E B N T
17
Bovendien heeft de Provincie Utrecht destijds (10 juni 2008, kenmerk 2008INT224288) een Verklaring van geen Bezwaar afgegeven in het kader van de te verlenen ontheffing. Hieruit blijkt dat de polder Mijnden destijds in het streekplan was aangeduid als Landelijk Gebied 3 en gebied binnen de Groene Contour, en maakte als zodanig deel uit van de EHS (Ecologische Hoofdstructuur). Tevens was het Vechtgebied aangewezen als Belvédèregebied, zodat voor de met het plan beoogde ontwikkelingen bijzondere aandacht diende te worden besteed aan de ruimtelijke kwaliteit en het cultuurhistorische aspect. De Provincie komt vervolgens tot de conclusie dat “met de aanvulling van het complex, met naast nieuwe (houten) bebouwing tevens elementen als een boomgaard, eendenvijver die verwijzen naar het oorspronkelijke karakter van boerderijcomplexen, een bijdrage wordt geleverd aan plattelandsvernieuwing zoals door de Provincie wordt bedoeld en een toevoeging / verrijking betekent voor de belevingswaarde en de recreatieve aantrekkelijkheid c.q. verscheidenheid van het Vechtgebied.
“Daarbij is tevens meegewogen” , aldus de Provincie, “dat het waterpeil in de omringende sloten wordt opgezet, het beheer van de bijbehorende gronden een extensief karakter krijgt en groenelementen (zoals een geriefbosje) worden hersteld.“ Ten slotte concludeert de Provincie dat uit de bij de aanvraag gevoegde onderzoeken blijkt dat door de voorgestelde maatregelen geen sprake is van significante aantasting van wezenlijke waarden en kenmerken van het gebied.
Afbeelding 7: de aangelegde broeihopen onder meer ten behoeve van de ringslang Bron: NS
4.4 Faunavoorzieningen in de vorm van broeihopen en takkenril
Zoals ook beschreven in de Ruimtelijke Onderbouwing 2007 had het plangebied ten tijde van de aanvang van de planvorming voor Vecht & Schans als gevolg van de intensieve bemesting en beweiding ten behoeve van het rundveebedrijf, geringe ecologische waarde.
18
In hoofdstuk 3 van de Ruimtelijke Onderbouwing 2007 is uitgewerkt op welke wijze invulling wordt gegeven aan het herstel en de versterking van ‘landschappelijke inrichtingselementen’. Daarbij wordt verwezen naar de letters op het schetsplan dat op p. 30 van de Ruimtelijke Onderbouwing 2007 is opgenomen (zie afbeelding 6). Naast landschappelijke inrichting wordt ook aandacht besteed aan amfibieën door de aanleg van broeiplaatsen voor ringslangen (zie afbeelding 7). Takkenhopen vormen een broeihoop waar ringslangen eieren kunnen leggen en bieden tevens veel schuil- en voedselgelegenheid aan andere amfibieën, kleine zoogdieren, insecten en vogels. Ook bevindt zich hier een divers plantsoortbiotoop en paddestoelenformaties op afgezette stobben. De ringslang (natrix natrix) is één van de drie slangensoorten die van nature in Nederland voorkomen. Het is een ongevaarlijke, niet giftige, slang die voorkomt in waterrijke gebieden met structuurrijke oevers en houtopstanden. Ze hebben een sterke voorkeur voor natte terreinen met afwisseling in open en gesloten begroeiing. Dit heeft vooral te maken met het voedsel dat een ringslang eet. Jonge en volwassen slangen eten vooral kikkers en padden. Juveniele slangen (eerste jaar) eten kleinere prooien zoals insecten, wormen en slakjes.
Ringslangen maken gebruik van de volgende habitats: overwinteringsplekken (zoals oude holen in dijken), foerageergebieden (oevers, plassen en poelen) en voortplantingsgebieden. Voor de voortplanting heeft de ringslang vaste plekken nodig waar de temperatuur hoger is dan de omgevingstemperatuur (ca. 25-30 graden Celsius). In natuurlijke situaties zijn dit bijvoorbeeld plekken waar gras ophoopt (bijvoorbeeld in uiterwaarden), bladeren zich verzamelen (kuilen en greppels) en rottende boomstammen (onder schors). Daarnaast maakt de ringslang gebruik van mest- en composthopen. Deze zijn echter de laatste decennia fors in aantal afgenomen. Om de overlevingskansen van deze (beschermde)soort in Nederland te vergroten, kunnen broeihopen worden aangelegd.
Ruimtelijke onderbouwing Vecht & Schans
De waarden beperkten zich tot de slootkanten en enkele opgaande beplantingen. Herstel en versterking van het oorspronkelijke landschapskarakter met historische landschapselementen was dan ook één van de belangrijkste pijlers onder het plan voor Vecht & Schans. In 2019 is opnieuw ecologisch onderzoek uitgevoerd; hieruit blijkt dat de ecologische waarde van het gebied sterk is verbeterd en is toegenomen. Indien de gevraagd vergunning niet zou worden verleend, zou dit betekenen dat afbreuk wordt gedaan aan de gerealiseerde natuurwinst en huidige natuurwaarden. Het rapport is als bijlage 1 toegevoegd.
In het kader van de handhaving is van belang dat de ringslang als nationale soort is beschermd op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb). De ringslang is tevens beschermde icoonsoort van de Provincie Utrecht. Ontheffing als bedoeld in artikel 3.10 Wnb is alleen mogelijk indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat en mits wordt voldaan aan de in artikel 3.10 lid 2 genoemde criteria (o.a. ten behoeve van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden of van kleinschalige bouwactiviteiten, met inbegrip van het daarop volgende gebruik van het gebied of het gebouwde) en mits geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Het voorkomen van de ringslang op deze locatie in de Vechtstreek is een bijzondere aanwinst in het ecologisch landschap van de Provincie en wordt specifiek als beleidsdoel aangemerkt.
A D V I E S B U R E AU H AV E R D R O E Z E B N T
19
Ook hier geldt dat naast de bepalingen van de bestemming ‘Agrarisch’ ook het bepaalde in artikel 17.1 (Waarde - Cultuurhistorie) en artikel 19 (Aanlegvergunningenstelsel) van belang is. In beide bepalingen is namelijk geregeld dat voor het bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden binnen de grenzen van het beschermd dorpsgezicht een omgevingsvergunning benodigd is. Aangezien volgens de gemeente geen vergunning is verleend, is de broeihoop met takkenhopen naar de mening van de gemeente in strijd met het bestemmingsplan aangelegd. Artikel 17.1 ziet op het behoud en herstel van de openheid van het landschap en daarmee tot behoud van een vrij schootsveld zoals bepaald in de Kringenwet 1853, alsmede voor de instandhouding en bescherming van de landschappelijke waarden, waarbij wordt gestreefd naar: • behoud van de openheid van de agrarische gronden; • behoud van de bestaande kavelsloten; • behoud van de historische verkavelingsstructuur, zoals aangegeven op de bijlage ‘historische verkavelingsstructuur’.
Op grond van het bepaalde in artikel 17.3.2 mag en moet de aanlegvergunning alleen worden geweigerd indien door het uitvoeren van het werk en / of de werkzaamheden dan wel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden van het gebied en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende kan worden tegemoet gekomen. Op grond van het bepaalde in artikel 19 is een aanlegvergunning vereist voor de activiteiten genoemd onder a, b, d en h in 19.1.1. Dit betreft de volgende activiteiten: • aanleggen en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen met een oppervlakte van meer dan 100m²; • bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden, waaronder begrepen de aanleg van boomgaarden als kleine landschapselementen; • verlagen van de bodem en afgraven, ophogen en egaliseren van de gronden; • het deels of geheel slopen van gebouwen.
Artikel 19.3.1 geeft vervolgens de criteria waaraan wordt getoetst bij vergunningverlening: werken en werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen één of meer waarden of functies die het bestemmingsplan beoogt te beschermen: • niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel • de mogelijkheden voor het herstel van die waarden of functies niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind. Gelet op het feit dat deze beplanting/ broeihoop zijn beschreven in de Ruimtelijke Onderbouwing 2007 en expliciet zijn aangeduid in bijlage 1, waarvoor separaat aanlegvergunningen zijn verleend, mag worden aangenomen dat daarmee de vereiste vergunningen ook reeds zijn verleend. De werkzaamheden voor deze ecologische ontwikkeling hebben dan ook een aanvang genomen in 2008. Op grond van het bepaalde in 17.3.3 is een vergunning niet vereist voor werkzaamheden die op het moment van het van kracht worden van het bestemmingsplan Nieuwersluis reeds in uitvoering zijn of konden worden uitgevoerd op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde c.q. verleende vergunning. 20
De Provincie is voorts van mening dat: “het geheel hiermee een bijdrage levert aan de plattelandsvernieuwing zoals door de Provincie wordt bedoeld en een toevoeging / verrijking betekent voor de belevingswaarde en recreatieve aantrekkelijkheid c.q. verscheidenheid van het Vechtgebied”. Ook het opzetten van het waterpeil en het herstellen van elementen als het pestbosje/geriefhoutbosje worden positief gewaardeerd als maatregelen die vanuit ecologisch oogpunt van betekenis zijn en die vanuit het provinciaal beleid worden beoogd. Nadrukkelijk wordt gesteld dat uit de onderzoeken is gebleken dat geen sprake is van aantasting van wezenlijke waarden en kenmerken van het betreffende gebied. De vereiste vergunning is c.q. kan dan ook worden verleend. 4.4.1 Praktische informatie broeihopen Het aanleggen van een broeihoop dient voor mei/juni plaats te vinden. De vrouwelijke dieren zoeken in deze periode namelijk geschikte broedplekken. Een broeihoop moet met behulp van verschillende materialen worden aangelegd: bladafval (of andere composterende materialen zoals compost, riet, schors en houtsnippers), paardenmest en takken. Deze materialen worden vermengd tot broeihoop. De paardenmest dient goed in het midden te worden geplaatst om een goede broei te krijgen. De broeihoop moet tevens worden voorzien van een bodem van bladeren met een dikte van enkele decimeters.
Het is van groot belang dat het materiaal voldoende los is, zodat het ringslangvrouwtje gemakkelijk in en uit de broeihoop kan kruipen. De temperatuur in de hoop dient constant rond 25-30 graden Celsius te zijn en de hoop moet voldoende vochtig zijn. Broeihopen liggen altijd in de buurt van water (2m) en in of naast struweel of ruigte (1m). Zo zijn de broeihopen goed bereikbaar voor ringslangen en kunnen ze eenvoudig en snel het water inschieten. Bovendien kunnen jonge dieren beschutting zoeken in de ruigte. Na het omzetten is de hoop ongeveer 2 bij 3m breed en 1,5 tot 2m hoog; deze slinkt snel in de loop van het jaar. Zie afbeelding 8 voor een werktekening van een broeihoop uit het Handboek Agrarisch Natuurbeheer.
A D V I E S B U R E AU H AV E R D R O E Z E B N T
Ruimtelijke onderbouwing Vecht & Schans
Voor zover dat niet het geval zou zijn, kan op grond van de overwegingen uit de door de Provincie Utrecht afgegeven Verklaring van Geen Bezwaar worden gesteld dat voldaan wordt aan de voorwaarde dat met vergunningverlening voor het aanplanten van bomen of andere houtgewassen geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden van het gebied. Uit de door de Provincie afgegeven Verklaring van Geen Bezwaar blijkt immers dat: “het huidige complex zal worden aangevuld met een aantal elementen, zoals een boomgaard, eendenvijver, houten pand / atelier e.d. die verwijzen naar het oorspronkelijke karakter van boerderijcomplexen.”
21
Afbeelding 8: werktekening broeihoop Bron: Werkbeschrijving Broeihopen voor Ringslangen uit het Handboek Agrarisch Natuurbeheer, zie https://www. landschappen.nl/Uploaded_files/Zelf/handboek-agrarisch-natuurbeheer-compleet.7b844e.pdf
Afbeelding 9: De hooiberg Bron: NS
22
4.5 Hooiberg
De hooiberg bestaat uit een dichte ‘plint’ en een hooizolder (zie afbeelding 9). De kap is in hoogte variabel. Het hooi wordt op de hooizolder opgeslagen, in de ‘plint’ is een ruimte voor opslag en een toilet. Aangezien het hooi op de hooizolder niet is beschut tegen de weersinvloeden, bleken de hier opgeslagen balen na verloop van tijd niet meer geschikt voor consumptie door de dieren omdat er schimmel in zat. Ook waaide het hooi vanuit de hooiberg de omliggende erven op. Teneinde dit bederf, de verrommeling en de verspilling tegen te gaan, is ervoor gekozen om terugliggend onder de hooikap onbewerkte houten wandpanelen te plaatsen. De (maximale) bouwhoogte en de uiterlijke verschijningsvorm van de hooiberg blijven daarbij ongewijzigd. Achter deze rij balen zijn wandpanelen geplaatst om de zolder als droge ruimte te kunnen gebruiken als berging en voor opslag van hooi en stro. De binnenwanden bestaan uit houten onbewerkte panelen en hebben geen dragende functie. Om de hooizolder bereikbaar te maken om het hooi op te tassen zijn openklapbare delen gemaakt in deze onbewerkte wandpanelen. Aangezien deze wanden geen onderdeel uitmaken van de in 2008 aangevraagde situatie en het perceel binnen de grenzen ligt van het beschermd stads- en dorpsgezicht, stelt de gemeente dat voor deze wanden vergunning moet worden gevraagd.
De keuze om de buitenste rij hooibalen te handhaven, vloeit enerzijds voort uit de overweging dat de hooiberg hiermee haar uiterlijke verschijningsvorm behoudt, maar is vooral ingegeven door het feit dat de buitenste balen inmiddels ook een ecologische functie hebben. Zo dienen deze hooibalen inmiddels als vaste rustplaats voor verschillende vogels en insecten (door de ecoloog zijn recent naast verschillende algemene soorten ook de volgende streng beschermde soorten vastgesteld: kerkuil en huismus). Daarnaast verblijven ook bijen en wespen tussen de opgestapelde hooibalen, en er zijn nestplaatsen gesignaleerd van winterkoninkjes, zwaluwen. Recentelijk heeft ook een kerkuil gebroed onder de dakoverstekken op het hooi. Ten slotte heeft de hooiberg ook een functie voor meer algemene soorten zoals houtduiven, kauwen, eksters, pimpel- en koolmezen, spreeuwen en huismussen, die hier fourageren. De sperwer gebruikt deze uitkijkplaats overdag om het erf te overzien voor prooi. Mede hierom is ervoor gekozen om de buitenste laag met balen te handhaven en de wandpanelen daar direct achter te plaatsen.
Ruimtelijke onderbouwing Vecht & Schans
De hooiberg is herbouwd als onderdeel van de plannen waarvoor in 2008 vergunning met vrijstelling is verleend. Hooibergen zijn elementen die van oorsprong onderdeel uitmaken van een boerderij. Deze hooiberg is teruggeplaatst op de oorspronkelijke plaats. Van origine stonden er twee hooibergen op het erf van Vecht & Schans, maar in overleg met de toenmalige gemeente Loenen en de Provincie Utrecht is besloten om - met het oog op de gewenste ‘ontstening’ - slechts 1 hooiberg terug te bouwen. Het vervangen en verplaatsen van de hooiberg maakt deel uit van de plannen zoals beschreven in de Ruimtelijke Onderbouwing 2007 (zie p.15, 16 en 47). De bouw van de hooimijt is met de totaalvergunning in 2008 vergund. Het plan is conform de verleende vergunning uitgevoerd.
De hooiberg (zie afbeelding 9) ligt binnen het vlak met de enkelbestemming ‘Wonen’ en heeft tevens de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Beschermd stads- en dorpsgezicht’ en ‘Waarde – Cultuurhistorie’.
A D V I E S B U R E AU H AV E R D R O E Z E B N T
23
Deze gronden zijn bestemd voor wonen met bijbehorende voorzieningen, waaronder begrepen het uitoefenen van een aan- huis-gebonden beroep. Gelet op de woonbestemming is de boerderij aan te merken als hoofdgebouw. De hooiberg staat op het ‘achtererf’ van de boerderij. De hooiberg is conform de definities in het bestemmingsplan aan te merken als ‘bijgebouw’ (een op zichzelf staand niet voor bewoning bestemd, al dan niet vrijstaand gebouw, dat voor de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw). Op grond van het bepaalde mag de goothoogte van een bijgebouw maximaal 3m bedragen en de bouwhoogte niet meer dan 5m. Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen om af te wijken en een andere bouwhoogte toestaan tot maximaal 7m en ook ten behoeve van een grotere oppervlakte aan bijgebouwen (artikel 15.3), mits de cultuurhistorische waarden van het beschermd dorpsgezicht niet onevenredig worden aangetast.
Aangezien reeds een bouwvergunning is verleend voor de hooiberg en de wanden op de hooizolder niet zichtbaar zijn vanaf de openbare weg, terugliggend onder de dakoverstekken, geen dragende functie vervullen en geen gevolgen hebben voor de uiterlijke verschijningsvorm en/of de constructie of de bouwhoogte van de hooiberg, kan worden gesteld dat vergunningverlening geen afbreuk doet aan de waarden die het bestemmingsplan beoogt te beschermen. De conclusie luidt dan ook dat de vereiste vergunning kan worden verleend.
4.6 Basisvoorzieningen voor het houden van paarden (paddock, longeercirkel, paarden(spring)weide)
Voor de basisvoorzieningen voor het houden van paarden wordt allereerst ingegaan op het begrip ‘erf’ en de vraag in hoever het gebruik van agarische gronden ten behoeve van het houden van paarden in overeenstemming is met deze bestemmingbepaalde bestemming. 4.6.1 Het begrip ‘erf’ Zoals blijkt uit de aanschrijvingen betreffende handhaving ten aanzien van de verschillende objecten kwalificeren onderstaande objecten in de ogen van de gemeente als ‘andere bouwwerken’: • Longeercirkel • Paarden(spring)weide • Paddock (incl. hekwerken) Daarbij is van belang in hoeverre deze objecten zich binnen het ‘erf’ in de zin van het Besluit omgevingsrecht (Bor) bevinden. Voor een aantal objecten die als ‘bouwwerk’ kwalificeren, stelt de gemeente namelijk dat aangezien het betreffende bouwwerk niet is gebouwd op een erf of perceel waarop een gebouw staat dat in functionele relatie staat tot het bouwwerk, er voor het bouwwerk een omgevingsvergunning had moeten worden aangevraagd. Uit de jurisprudentie van de ABRvS volgt dat voor het antwoord op de vraag of een perceelsgedeelte tot het ‘achtererfgebied’ behoort van belang is of het kan worden aangemerkt als ‘erf’ in de zin van artikel 1 lid 1 bijlage II Bor. 24
In bijlage II Bor is ‘achtererfgebied’ gedefinieerd als: “ erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen.”
Volgens de Nota van Toelichting (Stb. 2010, 143, p. 134-135) kan het gehele perceel bij een hoofdgebouw in beginsel als ‘erf’ worden aangemerkt. Uit de systematiek van het bestemmingsplan kan voortvloeien dat bepaalde, verder van het hoofdgebouw af gelegen delen van een perceel niet kunnen worden aangemerkt als ‘erf’. In een uitspraak d.d. 7 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1481) overweegt de afdeling dat de agrarische bestemming niet gerelateerd is aan een woning zodat dit perceelsgedeelte slechts mag worden bebouwd en ingericht met bouwwerken ten behoeve van de bestemming (Agrarisch met waarden). Tegen die achtergrond is relevant dat op grond van het bepaalde in artikel 6 bijlage II Bor op een perceel meerdere gebouwen aanwezig kunnen zijn, die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming. De voormalige wagenschuur, die wordt gebruikt als paardenstal, heeft in het bestemmingsplan Nieuwersluis (2009) de bestemming ‘Wonen’ gekregen met de functieaanduiding ‘paardenhouderij’. De voorzieningen waar de handhaving betrekking op heeft, bevinden zich op gronden met de bestemming ‘Agrarisch’. Zodoende dient zich de vraag aan in hoeverre voorzieningen ten behoeve van het houden van paarden in overeenstemming zijn met de bestemming ‘Agrarisch’.
Daarbij is van belang dat in artikel 1 van het bestemmingsplan expliciet is bepaald dat een paardenhouderij niet wordt aangemerkt als ‘agrarisch bedrijf’. Aangezien de objecten waarop handhaving plaatsvindt zijn gebouwd op gronden met de bestemming ‘Agrarisch’ dient zich de vraag aan in hoeverre gebruiken en bebouwen ten behoeve van het houden van paarden is toegestaan binnen deze bestemming.
Ruimtelijke onderbouwing Vecht & Schans
Voor ‘erf’ geeft het Bor de volgende definitie: “ al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden. “
4.6.2 Paardenhouderij is ‘agrarisch gebruik’ Het (hobbymatig) houden van paarden dient op grond van vaste jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2011:BU5399, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7426 en ECLI:NL:RVS:2018:2509) te worden aangemerkt als ‘agrarisch gebruik’ als bedoeld in artikel 3.1 onder c. Hieruit volgt dat óók in het geval waarin paardenhouderijen in het bestemmingsplan zijn uitgesloten als vorm van agrarische bedrijvigheid, het hobbymatig houden van paarden wel kan worden aangemerkt als ‘agrarisch gebruik’. Daarbij is voorts nog van belang dat het begrip agrarisch (grond)gebruik, net als in onderhavig bestemmingsplan, niet nader is gedefinieerd zodat een vergelijking met deze jurisprudentie opgaat. Bovendien is het stalgebouw in het bestemmingsplan positief bestemd met de aanduiding ‘paardenhouderij’. Zodoende kan worden gesteld dat het houden van paarden een passende en toegestane vorm van gebruik op gronden met een agrarische bestemming. Hieruit volgt dat ook de bij dit gebruik behorende bouwwerken en voorzieningen zijn toegestaan en dus - voor zover niet vergunningvrij - kunnen worden vergund aangezien het andere bouwwerken ten dienste van de bestemming betreft (artikel 3.3.1 onder a); dit past ook in de lijn van het in voorbereiding zijnde (Voorontwerp) Bestemmingsplan Nieuwersluis (2019). A D V I E S B U R E AU H AV E R D R O E Z E B N T
25
4.6.3 Basisvoorzieningen voor het houden van paarden Op 16 juli 2008 heeft de Agrarische Beoordelingscommissie advies uitgebracht aan het College van B&W naar aanleiding van een verzoek van het College d.d. 25 juni 2008. Daarbij wordt de commissie gevraagd of a) de aangevraagde stapmolen naar aard passend is bij een woonfunctie en voor het hobbymatig houden van paarden (geen manege) en b) het aannemelijk is dat het voorgenomen gebruik daadwerkelijk zal plaatsvinden gelet op de toekomstige situatie ter plaatse. Uit het advies van de Agrarische Beoordelingscommissie d.d. 16 juli 2008 (kenmerk 08 123 ln) blijkt dat: “paarden op deze locatie niet jaarrond de wei in kunnen maar wel elke dag beweging nodig hebben”. De commissie stelt vervolgens dat: “ bij een hobbymatige paardenhouderij, zoals in onderhavig geval, ‘basisvoorzieningen’ (zoals een stapmolen) zouden moeten worden toegestaan”. Reden daarvoor is dat beweging voor paarden essentieel is en dat een paardenhouderij zonder deze voorzieningen niet kan functioneren (zie ook de Nota Dierenwelzijn). Vanwege het feit dat in onderhavige situatie het aanwezige grasland overwegend op veengrond is gelegen, is het vanwege de slechte draagkracht van de bodem niet mogelijk om de paarden jaarrond te weiden.
Om die reden moeten basisvoorzieningen zoals een stapmolen, een longeercirkel, een springweide en een paddock worden gezien als basisvoorzieningen om de paarden voldoende afwisseling en beweging te kunnen geven (zie hiervoor onder meer de Handreiking De Paardenhouderij in het Omgevingsrecht; Handreiking voor de Praktijk - VNG & Sectorraad Paarden). Om de paarden de nodige beweging te geven, is zodoende in 2008 een paddock aangelegd. Om afwisseling te kunnen bieden, is in 2009 een verzoek ingediend voor het plaatsen van een stapmolen. De commissie verwijst daarbij naar de eerder genoemde uitgave van de VNG en de Sectorraad Paarden. Een stapmolen biedt de mogelijkheid om paarden onder gecontroleerde omstandigheden beweging te geven. Om diezelfde reden (het bieden van afwisseling) zijn ook de longeercirkel en paarden(spring)bak aangelegd.
Afbeelding 10: paddock Bron: NS
26
De aanbevolen oppervlakte bedraagt per paard ongeveer 360m² (zie eerder genoemde uitgave van de VNG & Sectorraad Paarden). De paddock is nodig om het welzijn van de paarden bevorderen en is aangelegd in 2008. In deze periode lagen de betreffende gronden nog binnen het agrarisch bouwvlak zodat hiervoor geen vergunning hoefde te worden gevraagd of verleend. Dit betreft zowel de zandbodem als de omheining. Met betrekking tot de paddock als gebruiksvorm stelt de gemeente zich op het standpunt dat dit niet in strijd is met het bestemmingsplan, omdat ter plaatse agrarisch grondgebruik is toegestaan. Met betrekking tot de omheining dat rond de paddock aanwezig is, stelt de gemeente dat aangezien dit hekwerk niet is gebouwd op een erf of perceel waarop een gebouw staat dat in functionele relatie staat tot de erf- of perceelafscheiding, er voor de aanwezige hekwerken vergunning had moeten worden aangevraagd. Voor het aspect ‘erf’ wordt verwezen naar hetgeen hierover in paragraaf 4.6.1 uiteen is gezet. Overigens is door de toenmalige gemeente Loenen op 6 januari 2010 (kenmerk Grondgebied/hh/10uit00076) een (vergelijkbare) vooraanschrijving verzonden inzake de aanleg van een paardenbak zonder vergunning. In de aanschrijving wordt gesteld dat achter het bouwvlak zonder vergunning een paardenbak zou zijn gerealiseerd.
Ook toen stelde de gemeente dat de paardenbak (vanwege de aanwezige omheining) diende te worden gezien als bouwwerk. Aangezien op grond van het bestemmingsplan buiten het bouwvlak geen bouwwerken mogen worden opgericht, zou de bak in strijd zijn met het bestemmingsplan aldus het toenmalige standpunt van de gemeente. Naar aanleiding van deze aanschrijving heeft op 2 februari 2010 een zienswijze ingediend. Hierin geeft zij aan dat de vermeende rijbaan een ‘paddock’ betreft. Tevens blijkt hieruit dat de paddock werd aangelegd binnen het voormalige bouwvlak op het moment dat op de agrarische bedrijfsbestemming en het bijbehorende bouwvlak nog niet waren wegbestemd, zodat deze destijds zonder vergunning konden worden gerealiseerd. Daarmee was de zaak afgedaan. Kennelijk is de nieuwe gemeente Stichtse Vecht, waar de gemeente Loenen in op is gegaan, nu toch een andere mening toegedaan.
Ruimtelijke onderbouwing Vecht & Schans
4.6.4 Paddock Een ‘paddock’ is een voorziening ten behoeve van natuurlijk gedrag van een paard en is een ruimte waar één of meerdere paarden ter ontspanning en naar eigen inzicht vrij kunnen bewegen. Een paddock bestaat uit een (veelal) vierkante of rechthoekige afgesloten deel van een weiland of terrein en heeft veelal een zandbodem (zie afbeelding 10). Een paddock is bedoeld om paarden (onder toezicht) vrij te kunnen laten bewegen. Om te voorkomen dat paarden de paddock uit kunnen lopen / springen, is deze omgeven door een houten omheining.
Met betrekking tot de hoogte van de omheining van de paddock heeft in het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan Nieuwersluis (2009) contact plaatsgevonden met (destijds als planologe werkzaam bij de gemeente). Zij gaf aan dat de paddock (incl. omheining) zou worden opgenomen in het bestemmingsplan. Dit wordt bevestigd door de Nota Beantwoording zienswijzen d.d. 3 maart 2009 bij het Beeldkwaliteitplan en bestemmingsplan Nieuwersluis (p. 38 en verder). Verder blijkt uit de Nota Beantwoording zienswijzen (p. 39 en 40 onder c) dat destijds een bewuste keuze is gemaakt ten aanzien van de aan de te onderscheiden gronden van Vecht & Schans toe te kennen bestemmingen:
A D V I E S B U R E AU H AV E R D R O E Z E B N T
27
“De beëindiging van het agrarisch gebruik lag ten grondslag aan de eerdere medewerking aan de plannen voor dit perceel om te komen tot een wijziging van de bebouwing en de functies. Zo is onder meer met toepassing van de ruimte voor ruimte regeling gekomen tot de bouw van een extra woning. Op basis hiervan is het niet mogelijk om het perceel te gebruiken voor agrarische activiteiten.” “Uitgegaan wordt van woondoeleinden met hooguit hobbymatige paardrijactiviteiten. Wel wordt het omliggende weiland met de bestemming ‘Tuin’ overeenkomstig de wens van de indiener van deze zienswijze omgezet in de bestemming agrarische doeleinden (zonder agrarisch bouwvlak). Hiermee is overigens ook artikel 3.3.1 van toepassing waarin de ontheffingsmogelijkheid is opgenomen om andere bouwwerken op te richten”.
In artikel 3.3.1 is bepaald dat Burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning (in de planregels staat ontheffing) kunnen verlenen ten behoeve van het oprichten van andere bouwwerken buiten het bouwvlak, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden (nb alleen de relevante onderdelen zijn overgenomen): • het betreft uitsluitend andere bouwwerken ten behoeve van de bestemming; • het betreft uitsluitend andere bouwwerken die in het kader van de agrarische bedrijfsvoering noodzakelijk zijn; • de hoogte van de andere bouwwerken mag maximaal 2m bedragen; • de landschappelijke en cultuurhistorische waarden mogen niet onevenredig worden aangetast. De toetsing is hierna uitgewerkt onder het kopje ‘conclusie’.
Afbeelding 11: longeercirkel Bron: NS
28
Voorts kan worden opgemerkt dat de longeercirkel landschappelijk op advies van Landschaps Erfgoed Utrecht is ingepast door middel van beplanting. Hierdoor is er vanaf de openbare weg geen (direct) zicht op de longeercirkel. De bodem is begroeid (gras) waardoor het zand bij gebruikt niet stuift. Op grond van het bepaalde in artikel 3.3.1 kunnen Burgemeester en wethouders echter - onder voorwaarden - ook een omgevingsvergunning verlenen ten behoeve van het oprichten van andere bouwwerken buiten het bouwvlak. De voorwaarden zijn uitgewerkt onder het kopje ‘conclusie’.
Ruimtelijke onderbouwing Vecht & Schans
4.6.5 Longeercirkel Een longeercirkel is een voorziening ten behoeve van de paardenhouderijactiviteiten die op grond van het bestemmingsplan is toegestaan. Een longeercirkel bestaat uit een cirkelvormige omheining van houten palen en planken of dichte wand (zie afbeelding 11). De longeercirkel wordt door de gemeente aangemerkt als een ‘ander bouwwerk’. Met het oog op de legalisering is relevant dat in het kader van de handhaving de gemeente ervan uit is gegaan, dat dit bouwwerk strijdig is met het bestemmingsplan omdat de locatie van de longeercirkel niet wordt aangemerkt als (onderdeel van het) ‘erf’ in de zin van het Besluit omgevingsrecht (Bor). In het geval deze gronden wel zouden zijn aan te merken als ‘erf’, kan de longeercirkel zonder omgevingsvergunning worden gerealiseerd en is geen sprake meer van strijdigheid met het bestemmingsplan. Voor het aspect ‘erf’ wordt verwezen naar hetgeen hierover in paragraaf 4.1.2 uiteen is gezet.
Afbeelding 12: ‘omheining’ met bielzen (links) van de paardenspringweide Bron: NS
4.6.6 Paarden(spring)weide De paardenspringweide bestaat uit een geheel van balken / bielzen in het weiland (zie afbeelding 12). De balken / bielzen liggen op de grond ter markering van de ruimte waarbinnen wordt ‘gewerkt’ met de paarden (o.a. grondwerk: oefeningen met het paard waarbij de ruiter naast het paard op de grond staat, en training). A D V I E S B U R E AU H AV E R D R O E Z E B N T
29
De bielzen die dienen ter markering van de ‘springweide’ worden door de gemeente aangemerkt als een ‘ander bouwwerk’. De bovenzijde van de bielzen ligt gelijk aan het maaiveld; de bielzen zijn niet zichtbaar vanaf de openbare weg. Ook hier is relevant dat de bielzen ter markering van de springweide vergunningplichtig zijn omdat de springweide zich volgens de gemeente niet binnen het ‘erf’ bevindt. Zoals hiervoor reeds aangegeven kunnen Burgemeester en Wethouders op grond van het bepaalde in artikel 3.3.1 - onder voorwaarden - ook een omgevingsvergunning verlenen ten behoeve van het oprichten van andere bouwwerken buiten het bouwvlak. De (toetsing aan de) voorwaarden zijn uitgewerkt onder het kopje ‘conclusie’.
Afbeelding 13: verschillende weideafrasteringen en hekwerken Bron: NS
4.6.7 Conclusie basisvoorzieningen Op grond van het voorgaande kan worden gesteld dat: • het gebruik van de gronden met de bestemming ‘Agrarisch’ ten behoeve van het hobbymatig houden van paarden in overeenstemming is met het bestemmingsplan; • op deze gronden zodoende de genoemde voorzieningen en andere bouwwerken mochten en mogen worden gerealiseerd ten dienste van dat gebruik (paardenhouderij); • voorzieningen zoals een paddock, longeercirkel, springweide, afrasteringen, palen en omheiningen met voldoende hoogte (ivm veiligheid) zijn noodzakelijke en gebruikelijke voorzieningen zijn ten behoeve van het hobbymatig houden van paarden; • andere bouwwerken buiten het bouwvlak in beginsel niet zijn toegestaan. Het College van B&W kan echter onder voorwaarden omgevingsvergunning verlenen voor het bouwen van andere bouwwerken buiten het bouwvlak tot een maximale hoogte van 2m (artikel 3.3.1); • de betreffende andere bouwwerken hebben alle een lagere hoogte dan 2m en zijn aan te merken als andere bouwwerken ten behoeve van de bestemming. Daarmee wordt voldaan aan de voorwaarden in artikel 3.3.1 onder a, b en c; • om vergunning te kunnen verlenen ten slotte nog moet worden aangetoond dat de landschappelijke en cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden aangetast.
30
De toetsing van de gevolgen van vergunning verlening volgt uit het feit dat ingevolge de dubbelbestemming Waarde – cultuurhistorie ter behoud en het herstel van de openheid van het landschap en daarmee het behoud van het vrije schootsveld, zoals bepaald in de Kringenwet 1853, alsmede voor de instandhouding en bescherming van de landschappelijke waarde wordt gestreefd naar:
• behoud van de openheid van de agrarische gronden; • behoud van de bestaande kavelsloten; • behoud van de historische verkavelingsstructuur, zoals aangegeven op de bijlage ‘historische verkavelingsstructuur’.
Aanvullend kan worden opgemerkt dat ook Mooi Sticht recent in een gecombineerd Welstand en Monumentenadvies in het kader van de aanvraag ‘Uitvoeringsmaatregelen 2019’ advies heeft uitgebracht. In het advies wordt (onder meer) ingegaan op de activiteit ‘bouwen van een paddock inclusief hekwerken’. Mooi Sticht stelt daarbij dat de te beschermen (landschappelijke en cultuurhistorische) waarden van het gebied met het verlenen van de aangevraagde vergunning niet worden aangetast en overweegt daarbij als volgt: ‘de toevoegingen zijn ten opzichte van de bestaande woningen en het landschap ondergeschikt te noemen en passen bij de functie op dit perceel. Ook de toe te passen materialen zijn qua uitstraling ondergeschikt en passen bij de kwaliteit van het landschap’. Het advies maakt als bijlage 2 deel uit van deze Ruimtelijke Onderbouwing. Om de voorzieningen te realiseren zijn geen kavelsloten gedempt, zodat geen sprake is van negatieve gevolgen voor de kavelsloten. Met betrekking tot de gevolgen van vergunningverlening voor de genoemde voorzieningen op de historische verkavelingsstructuur kan worden opgemerkt dat de voorzieningen, zoals de stapmolen en de longeercirkel vanaf de Mijndensedijk niet zichtbaar zijn omdat deze, conform het advies van Landschaps Erfgoed Utrecht door middel van beplanting zijn ingepast in het landschap in het verlengde van de hoeve.
Daarmee staan deze voorzieningen op het voormalige erf, waar in het verleden ook de bedrijfsgebouwen, mestvaalt en kuilplaten bevonden van het boerenbedrijf. Een en ander binnen de bestaande en tevens historische kavelstructuur. Ook de paarden(spring)bak en de paddock zijn in de richting van deze kavelstructuur geplaatst en volgen de vorm daarvan, zodat ook hiervan kan worden gesteld dat deze op een zorgvuldige wijze zijn ingepast in het landschap. Verder kan nog worden opgemerkt dat Landschap Erfgoed Utrecht destijds mede op basis van het Beeldkwaliteitsplan en het Landschapsontwikkelingsplan heeft geadviseerd om ook de zichtlijnen vanaf de dijk en haaks op de Vecht te respecteren ter behoud van de beleving van het agrarisch cultuurlandschap. Ook dit advies is gevolgd. Zodoende kan worden gesteld dat vergunningverlening niet leidt tot aantasting van de historische verkavelingsstructuur.