CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

3f. Bijlage bij Toelichting.NL.IMRO.1904.BPDeVechtCONCEPT-CO02_ToelichtingCHWkaart.pdf

Commissie Fysiek Domein 21 september 2022, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: 3. 19:30: Bestemmingsplan De Vecht (voor de kernen Nigtevecht, Vreeland, Loenersloot en Loenen aan de Vecht).24.926 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

31

SB4

Buitenplaatsen in de gemeente Stichtse Vecht.

32

Waardevolle Historie - Stichtse Vecht

2.3. Buitenplaatsen Eeuwenlang werd het uitzicht vanaf de Vecht bepaald door dorpen met daar tussen open weilanden met boerderijen. Vanaf de 17e eeuw kwam hier verandering in. Op rijke Amsterdamse kooplieden en regenten had de Vecht een grote aantrekkingskracht. Zij ontdekten de mogelijkheden van een zomerverblijf aan de Vecht, weg van de drukke en stinkende stad, en goed bereikbaar over water. De vernieuwing werd ingezet door Joan Huydecoper, die later Heer van Maarsseveen en burgemeester van Amsterdam zou worden. Hij stichtte in 1628 in de Vechtbocht ten noorden van Maarssen de buitenplaats Goudestein. Huydecoper ontpopte zich als projectontwikkelaar, door grote stukken grond langs de Vecht op te kopen en deze weer te verkopen aan de Amsterdamse elite. Hij werkte daarbij samen met de bekende architect Philips Vingboons, die voor diverse buitenplaatsen ontwerpen maakte. Dit werd de ‘Gouden Bocht’ van Maarssen. De bouw van buitenplaatsen langs de Vecht nam enorm toe na het rampjaar 1672 en bereikte haar hoogtepunt in het midden van de 18e eeuw. De door de Franse troepen verwoeste kastelen en boerderijen werden voor gunstige prijzen opgekocht en verbouwd tot lusthoven. Zo transformeerde de ruïne van het oude kasteel Gunsterstein in 1680 tot Hollands-Classicistisch buitenhuis, compleet met geometrische tuinaanleg.

De lange laan van Gunsterstein heeft nog altijd zichtassen op de centrale schoorsteen van het hoofdhuis en op de kerktoren van Breukelen. Omstreeks 1850 is een deel van de tuin omgevormd tot landschapspark. Als gevolg van de grootschalige bouwactiviteit aan de Vecht ontstonden met name tussen Maarssen en Vreeland aaneengesloten reeksen van buitenplaatsen die georiënteerd waren op het water. Voor de bewoners was het bezit van een buitenplaats met strak aangelegde tuin een symbool van welvaart en status. Alles draaide om het zien en gezien worden. Direct aan het water verschenen dan ook talloze tuinhuizen en theekoepels. Een goed voorbeeld hiervan is de zogenaamde ‘Mennonietenhemel’ tussen Breukelen en Loenen, genoemd naar de vele doopsgezinde stichters van de buitenplaatsen. Door economische neergang zijn vele buitenplaatsen na 1800 afgebroken en werden de nog resterende onderhoudsintensieve formele tuinen omgewerkt tot landschappelijke parken. De oude rechtlijnige tuin-structuren zijn hier en daar nog wel herkenbaar. Na aanleg van de rijksweg Utrecht-Amsterdam in 1812 op de oude Vechtdijken heeft de nieuwe infrastructuurbundel tussen beide steden (spoorlijn, Amsterdam-Rijnkanaal en A2) de Vechtgordel bewust rechts laten liggen. Van de circa 186 buitenplaatsen binnen de Vechtzone zijn er nu nog zo’n 86 over als buitenplaats.

Van diverse anderen resteert nog het hoofdhuis tussen de dorpsbebouwing. Beeldbepalende onderdelen van buitenplaatsen zijn onder meer de parken en parkbossen, grachten en vijvers, sierlijk en statig gedecoreerde hoofdhuizen en bijgebouwen, koepels aan de weg of de Vecht, en lanen en zichtlijnen. Veelal behoorden tot de buitenplaats ook (ommuurde) moestuinen, boomgaarden en diverse landerijen, waar in sommige gevallen het historische karakter van het landschap goed bewaard is gebleven. Historische landgoederen Op de cultuurhistorische waardenkaart zijn in eerste instantie historische buitenplaatsen opgenomen, zoals deze te begrenzen zijn op basis van de decoratieve parkaanleg. Buitenplaatsen kenden daarnaast vaak ook bedrijvigheid in de vorm van boerderijen met akkers en weilanden alsmede hakhout- en productiebossen. Deze historische landgoederen vormden en vormen een economische eenheid. Indicatie en niet uitputtend zijn enkele historische landgoederen op de kaart opgenomen, zoals Gunterstein, Zuilen, Nijenrode, Oudaen en Overholland.

33

SB4

Buitenplaatsen langs de Vecht bij Loenen in de 18e eeuw.

Voorbeelden rondom Maarssen: Goudesteyn - Silversteyn, Ter Meer en Leeuw en Vecht - Herteveld.

34

Waardevolle Historie - Stichtse Vecht

Hoofdhuis en bijgebouwen Het hoofdgebouw op de buitenplaats vormt het letterlijke of figuurlijke centrum van de buitenplaatsaanleg. Deze hoofdhuizen zijn in zeer verschillende stijlen vormgegeven en soms betreft het een zoveelste (her)bouw op een buitenplaats. Bijgebouwen kennen een functionele en/of compositorische samenhang met de buitenplaats. Ook boerderijen en woonhuizen (dienstwoningen, rentmeesterswoningen, etc) kunnen in deze categorie vallen, indien deze bijvoorbeeld duidelijk gedecoreerd zijn of tot het cluster behoren. De bijgebouwen zijn nader te specificeren in: koepel/theehuis/prieel; koetshuis/ garage/ koetsierswoning; oranjerie; boerderij/schuur; dienstwoning/rentmeesterswoning; bouwhuis; tuinmanswoning/tuinschuur; poortgebouw/portierswoning en jachthuis/duiventoren. Lanen Lanen vormen veelal belangrijke structuur- en samenhangbepalende elementen op een buitenplaats, als onderdeel van een parkcompositie of verbinding vanuit de buitenplaats. Hierbij kan onderscheid worden gemaakt in oprijlaan, zichtlaan, grenslaan, onderdeel lanenstelsel of sterrenbos, slingerlaan of verbindingslaan.

Zichtlijnen, zichtvelden en zichtpunten Een zichtlijn betreft een duidelijk vormgegeven of ingekaderd (door)zicht, via een bewust gecreëerde opening die zowel in de zomer als in de winter aanwezig is, vanaf een duidelijk beginpunt (het huis of een specifieke plek in de aanleg); en soms met duidelijk eindpunt (bijvoorbeeld een kerktoren of bijgebouw). Dit eindpunt is het zogenaamde zichtpunt: een focuspunt, waarop een zicht bewust geconcentreerd is. Veelal is dit punt een verbijzondering in de aanleg (bijvoorbeeld een bijgebouw) of een markant punt daarbuiten, zoals een kerktoren. Er loopt bijvoorbeeld een zichtlijn van het hoofdhuis van Slotzicht naar kasteel Loenersloot en van Nijenrode en Slot Zuilen naar de Utrechtse Domtoren. Zichtvelden betreffen het panorama vanaf het hoofdhuis, bijvoorbeeld over een zichtweide of een overplaats. Een zichtveld verbindt het huis met de ‘buitenwereld’ en zijn daarom tevens gerelateerd aan de oriëntatie van het hoofdhuis. Vrijwel alle zichtvelden zijn gericht op de Vecht en een enkele loopt aan de overzijde van de rivier door, zoals bij Welgelegen, Rupelmonde en Sterreschans, Vegtvliet, Nijenrode en Oudaen, Cromwijck, Gansenhoef en Otterspoor, en Goudestein. Waterpartijen: grachten en vijvers In de waterrijke omgeving van de Vecht gaven grachten prestige en sierlijkheid, en tevens de nodige ontwatering van de tuinaanleg.

Het kan gaan om restanten van verdedigingsgrachten, grachten, vijvers en kommen uit classicistische aanleg of landschappelijke (slinger)vijvers. Ook in de aanleg geïncorporeerde sloten en vaarverbindingen behoren tot een buitenplaatsensemble. Moestuin De moestuin betreft een duidelijk omgrensde ruimte, bestemd voor het kweken van producten, en is veelal bepalend geweest of geworden voor de structuur van de aanleg en de positie van bijgebouwen op een buitenplaats (bijv. tuinmanswoning, oranjerie, schuren). Park Dit betreft het park (of de siertuin) als gecomponeerde aanleg, veelal het kerngebied van de buitenplaats, in relatie tot de aangename verpozing op een buitenplaats en voorzien van decoratieve bouwkundige en groene elementen. Er is veelal sprake van een hoge mate van verfijning en het ligt meestal direct rondom een (verdwenen) hoofdhuis. Aan de overzijde van de weg lag in verschillende gevallen een overtuin of overplaats, zoals bij Over Holland, Sterreschans en Rupelmonde.

35

SB4 Tuinstijlen De classicistische stijl In het Nederland van de Gouden Eeuw vindt de geometrische, proportionele stijl, zoals deze vanuit de klassieke idealen in Italië was opgeleefd, gehoor bij de stedelijke elite. Tot deze vroeg-17e eeuwse humanistische, kunstzinnige elite behoorden met name de kringen rond de stadhouder. 1 Binnen de Classicistische stijl zijn het ‘Hollands Classicisme’ en het ‘Frans Classicisme’ te onderscheiden. Kenmerkend voor beide richtingen is een duidelijk symmetrische opbouw van het terrein waarbij gebruik gemaakt wordt van rechte lijnen (veelal lanen), vierkante (soms omgrachte) percelen, en in alle gevallen een centrale as van symmetrie met eventueel haaks daarop verschillende dwars-assen. Deze parken waren over het algemeen van behoorlijke omvang en kenden een nadruk op het sieraspect. De huizen werden in de centrale symmetrie-as geplaatst, waardoor er een perspectivische werking ontstond. In een classicistische aanleg werd het huis zeer zorgvuldig in de parkaanleg geïncorporeerd. Wanneer het terrein van de aanleg duidelijk begrensd en omsloten werd vormgegeven en er dientengevolge nauwelijks een relatie met het omliggende landschap bestond, wordt gesproken van het ‘Hollands Classicisme’. In deze terreinen is in veel gevallen sprake van een nauwe relatie tussen het huis en de tuin als één gezamenlijk architectonisch concept.

De relatie uit zich bijvoorbeeld in de symmetrie, zichtlijnen en maatverhoudingen die zich vanuit het huis voortzetten in de tuin. Water in de vorm van grachten en vijverpartijen speelt een belangrijke rol in de opdeling in compartimenten en versiering van de tuin. Hagen delen de tuin verder op en bloemperken sieren de omgeving van het huis. Boomgaarden en moestuinen worden in veel gevallen opgenomen in de tuinaanleg. Vaak is de classicistische aanleg later omgevormd of verdwenen. Op buitenplaatsen als Gunterstein en Slot Zuilen is de classicistische hoofdstructuur nog redelijk goed waarneembaar. In de loop van de zeventiende eeuw, globaal na 1690, kwam het echter steeds vaker voor dat de symmetrie-as zich ook buiten de eigenlijke aanleg, over de bijbehorende agrarische gronden, uitstrekte. In dat geval wordt gesproken van het ‘Frans Classicisme’. De lange, uitgestrekte as gaf daarbij de indruk dat de aanleg oneindig was. Andersom gezien was het huis reeds vanuit de verre omgeving zichtbaar en domineerde het beeld. De hoofd-as kon zowel uit een rechte zichtlaan als uit een zichtkanaal bestaan. In veel gevallen was er sprake van een orthogonaal stelsel van lanen dat zich uitstrekte over het omliggende landschap en de richting en maat van de verkaveling dicteerde. De tuinen zelf werden veelal rijk versierd met onder meer gedecoreerde velden (bv.

parterres de broderie), tuinbeelden, vijvers, doolhoven, fonteinen, cascades, loofgangen en latwerken. De Landschapsstijl Onder invloed van de denkbeelden van bijvoorbeeld de Fransman Jean Jacques Rousseau, maar ook van de Engelsman Alexander Pope en de Nederlandse filosoof Spinoza maakt de voorliefde voor een gekunstelde en mathematische natuur plaats voor een waardering van de wilde, ongerepte natuur. Dit uit zich in de tuinkunst in een liefde voor een glooiend landschap, begroeide heuvels, uitbundige boomgroepen en natuurlijk ogende gebogen waterlopen of zelfs watervallen. Essentieel is de beleving van dit gemaakte landschap vanaf rondwandelingen. Om de gevoelens die de aanleg oproept (of geacht wordt op te roepen) te versterken krijgt het park een afwisseling tussen open en besloten plekken en wordt verfraaid met beelden uit de oudheid, vervallen tempels, graftombes, kunstmatige ruïnes of borden met poëtische teksten. Een aanleg in de zo genoemde Landschapsstijl werd in Nederland veelvuldig toegepast vanaf de late achttiende en gedurende de gehele negentiende eeuw. Daarbij is een onderscheid te maken in een vroege en in een late vorm.

De eerste landschappelijke veranderingen in Nederland, aangeduid als ‘Vroege Landschapsstijl’, omstreeks 1750 voor het eerst en na circa 1780 algemeen toegepast, betroffen voornamelijk beperkte omvormingen van bestaande formele tuinen en parken. De belangrijkste kenmerken zijn: een kleinschalige omvorming van terreingedeelten door de aanleg van slingerpaadjes in hakhoutbossen, slingerende 1

Zie onder meer: Oldenburger-Ebbers, Backer en Blok, 1998; De Jong, 1993; Bezemer-Sellers, 2001.

36

Waardevolle Historie - Stichtse Vecht

waterlopen en het opwerpen van kleine heuvels in het terrein. Dergelijke vroeg landschappelijke elementen lagen veelal los van het huis. De bestaande structuren en de aanwezige hoofdopzet van het terrein werden behouden. Vanaf circa 1815 werden terreinen meer in hun totaliteit, veelal door grootscheepse vergraving, omgevormd tot een ruime aanleg met grote glooiende open weiden met solitaire bomen en boomgroepen, paden volgens wijde bogen en grote waterpartijen met flauw gebogen oeverlijnen, en waarbij een visuele relatie met het hoofdhuis, de bijgebouwen en het omliggende landschap werd gelegd. Bij deze zogenaamde ‘Late Landschapsstijl’ werden de agrarische gronden en de agrarische gebouwen veelal als onderdeel van de aanleg beschouwd en een versierende waarde toegedicht. In dit samengaan van sieraanleg en nutsfunctie werd de verbeelding van het ideale Arcadische of pastorale landschap gezien. In de tweede helft van de negentiende eeuw kwam er in de tuinarchitectuur meer aandacht voor toepassing van bloeiende heesters, vaste planten en rijkbloeiende eenjarigen in de omgeving van het huis. Binnen de aanleg in Landschapsstijl werden daarom langs de paden vaak bont gekleurde mozaïekperken aangelegd en vakken met rijkbloeiende (stam-)rozen. Ook de verspreide plaatsing van kuipplanten droeg in die dagen bij aan de versiering van de tuin.

Dit werd gestimuleerd door het beschikbaar komen van nieuwe soorten, die ofwel nieuw gewonnen waren, ofwel uit verre landen werden ingevoerd. Aan het eind van de negentiende eeuw, en in een enkel geval ook nog in het begin van de twintigste eeuw, werd vaak een schabloonmatige vorm van de landschapsstijl toegepast, waarin de nadruk meer lag op de toepassing van de vormentaal dan op het bereiken van een zorgvuldig overwogen totaalcompositie. In gevallen waarbij het accent vooral werd gelegd op het toegepaste beplantingssortiment (heesters en bomen) en dit de totaalindruk overheerste, wordt wel gesproken van gardeneske landschapsstijl. Uitingen van de landschapsstijl domineren thans veelal het aanzien van de buitenplaatsen, met grote en lange vijverpartijen en schilderachtig omzoomde weides. De gemengde stijl Aan het eind van de 19e eeuw werden de losse bloem- en heesterperken in de gazons langs de paden meer en meer vervangen door grotere rechtlijnig opgezette deeltuinen als bloementuinen. In eerste instantie lagen deze nog verborgen achter beplanting en daarmee uit het zicht. Later kwamen deze tuinen in modern-geometrische stijl als een soort bufferzone te liggen tussen het huis en de omringende geïdealiseerde ‘natuur’ van het landschapspark. Ze gaven de overgang aan, stelden het huis in het middelpunt.

Voor de vormgeving van de rechtlijnige perken werd veelal een eigentijdse interpretatie van de parterres de broderie uit de tijd van het classicisme gebruikt, waarbij wel de term ‘oud-Hollandse tuinkunst’ werd gehanteerd. De opkomst van deze ‘neo-stijl’ in de tuinarchitectuur hing nauw samen met de algemene interesse voor historische bouwstijlen, -werken en kunstuitingen die aan het eind van de 19e eeuw opgang deed. Wanneer de verder van het huis gelegen delen landschappelijk waren aangelegd en rondom het gebouw rechtlijnige tuinen lagen, wordt voor het park in zijn geheel gesproken van de zogenaamde ‘gemengde stijl’. De rozentuin op Nijenrode is hier een voorbeeld van. Moderne tuinstijl In het begin van de 20e eeuw ontwikkelt zich een beweging in de kunst en architectuur die zich als ‘Nieuwe Bouwen’, ‘Functionalisme’, ‘Nieuwe Zakelijkheid’ of kortweg ‘Modernen’ onderscheiden van de meer traditionele stromingen. Kenmerkend is een op idealisme gestoelde voorkeur voor eenvoud zonder uitbundige decoratie en het zoeken van een esthetiek die past bij een bevrijdende zuiverheid van vorm en inhoud, bij opheffing van sociale misstanden, gezond leven en geestelijke en lichamelijke ontplooiing. Diepgaande functie-analyse, nieuwe constructietechnieken en zuivere kleur- en vlakverdeling staan aan de basis van een ontwerp.

De tuin- en landschapsarchitectuur loopt in eerste instantie niet warm voor deze sobere stijlvorm, met een enkele uitzondering als J.T.P. Bijhouwer. In het ontwerp zijn rechte paden, met tegels verharde pleinen, rechthoekige gazons en waterelementen, en groepen of rijen bomen en heesters gebruikelijk, afgestemd op de situering van de gebouwen, op bezonning en op gebruik. De in de ruilverkaveling aangelegde recreatiebossen kunnen gezien worden als uiting hiervan.

37

SB4

Militaire objecten in de gemeente Stichtse Vecht, waaronder forten, inundatievelden, inundatiekanalen, groepsschuilplaatsen en kringen.

38

Waardevolle Historie - Stichtse Vecht

2.4. Militaire stellingen en waterlinies In de gemeente Stichtse Vecht zijn nog veel objecten en complexen te vinden die herinneren aan het militaire verleden. De meeste verdedigingswerken waren onderdeel van de Oude- en de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Al tijdens de Tachtigjarige Oorlog bleek het onder water zetten van land zo effectief, dat prins Maurits in 1589 de opdracht kreeg een waterlinie te ontwikkelen voor de verdediging van Utrecht en Holland. De Oude Hollandse Waterlinie bewees haar waarde in het rampjaar 1672, toen de opmars van de Franse legers door de inundaties werd gestuit. Bij Nieuwersluis werden aarden schansen opgeworpen, maar het dorp ontwikkelde zich pas na 1673 tot een echte vesting, die in 1745-1746 werd omgevormd. Tussen 1815 en 1940 werd ter vervanging van de oude linie, de Nieuwe Hollandse Waterlinie aangelegd. De verbeterde waterlinie bestond uit een waterstaatkundig systeem van sluizen en kades om het achterliggend poldergebied gecontroleerd onder water te kunnen zetten. Op strategische plekken langs dijken, kanalen en bij sluizen werden forten opgericht, zoals Fort Tienhoven en het Werk bij Maarsseveen. De bestaande vesting Nieuwersluis werd in de tweede helft van de 19e eeuw gemoderniseerd tot volwaardig fort naast de oeverwal van de Vecht. Dit fort bewaakte de sluizen in de Nieuwe Wetering en de Vecht.

Ook kon de spoorlijn en het later aangelegde Merwedekanaal onder schot genomen worden. Aan de oostzijde van de Vecht verrees binnen de 18e-eeuwse vestingwerken een militaire pupillenschool. Een vrij schootsveld rond de forten stelde lange tijd eisen aan de aard en omvang van de bebouwing in de nabije omgeving. Vanaf 1853 tot 1951 gold de zogenaamde ‘Kringenwet’ om bij oorlogsdreiging een vrij schootsveld te kunnen garanderen of vlot te kunnen bewerkstelligen. Afhankelijk van de afstand tot de forten, werd bebouwing binnen de cirkels toegestaan mits deze uit hout was opgetrokken. Zo konden de huizen bij dreiging van oorlog snel worden afgebroken. Op enkele plaatsen staan rond de verdedigingswerken nog houten huizen, bijvoorbeeld aan de Mijndensedijk bij Nieuwersluis en aan de Herenweg bij fort Maarsseveen. Tijdens de mobilisaties in Nederland van 19141918 en van 1939-1940 werd de linie versterkt met kazematten en groepsschuilplaatsen van gewapend beton. Na de Tweede Wereldoorlog verloor de Nieuwe Hollandse Waterlinie haar militaire functie. Oude Hollandse Waterlinie De meest tastbare restanten van de Oude Hollandse Waterlinie zijn Nieuwersluis en Hinderdam. Van de kleinere militaire objecten uit 1796 of eerder van de Oude Hollandse Waterlinie resteren vrijwel geen zichtbare structuren.

Ter plekke van de Sterrenschans bij Nieuwersluis werd de gelijknamige buitenplaats gerealiseerd. De veldschans bij Joostendam werd opgeheven en verkocht.23 Bastion Waakzaamheid of Galgenwaard (1796) is verdwenen onder afslag 5 van de A2.24 Van de Linie van Ter Aa (1796) resteren nog enkele kavelgrenzen. In het rampjaar 1672-1673 werden de Franse lagers voor de Oude Hollandse Waterlinie gestopt, met als gevolg dat de soldaten zich lagere tijd in de regio ophielden. Daarbij werden de dorpen en kastelen gebrandschat en geplunderd. Zo werd het dorp Breukelen grotendeels verwoest, net als vroonhoeve De Poel, Gunterstein en Nijenrode. Alleen Oudaen doorstond de Franse bezetting redelijk. Ook Kockengen en Nigtevecht werden vrijwel geheel verwoest, en ook Vreeland had zwaar te lijden. De geruïneerde kastelen Ruwiel, Ter Aa en Aastein werden niet meer herbouwd.25 Ter Meer herrees - net als Gunterstein - als buitenplaats.

23

24 25

Arie A. Manten, Kockengen en Spengen en de landsverdediging in 1794-1795, in: THKB, 7(1992)3, p. 174-181; UA, toeg.nr. 29-16, inv.nr. 6: Proces-verbaal van veiling en toewijzing door de domeinen aan Jan Coenraad Duuring van de positie aan Joostendam, bestaande uit een vervallen redoute met grachten en toegangen, groot 46 roeden 70 ellen, gelegen te Spengen, 1827 Henk J. van Es, De oude batterij op boerderij Cromwijk, in: THKB, 6 (1991) 3, p. 113-126. Manten/Lameris, 2008, p. 66.

39

SB4

Sluis in het kanaal bij Fort Tienhoven.

Houten woonhuis bij Nieuwersluis.

Fort Maarsseveen met ‘verboden kringen’. (Bron: NA).

Fort Tienhoven met gracht en beplanting. (Bron: NA).

Fort Tienhoven ca. 1950.

Houten woonhuis bij Tienhoven.

Houten woningen bij Nieuwersluis.

40

Waardevolle Historie - Stichtse Vecht

Nieuwe Hollandse Waterlinie / Forten De Nieuwe Hollandse Waterlinie volgt in de 19e eeuw de Oude Hollandse Waterlinie op als circa 85 kilometer lange hoofdverdedigingslijn om het economisch hart van zojuist gevormde Koninkrijk der Nederlanden te beschermen. In de periode 1816-1940 wordt de linie constant gemoderniseerd en uitgebreid, zo ook binnen het deel dat tussen Muiden en Utrecht langs de Vecht loopt. Omdat de linie grotendeels gestoeld was op het onder water zetten van land (inundatie) ten oosten van de Vecht, werden aanvankelijk alleen de kades en doorgangbare plaatsen voorzien van verdedigingswerken, zoals Fort Tienhoven. Ook werden verdedigingswerken uit de Oude Hollandse Waterlinie (Hinderdam, Nieuwersluis) gemoderniseerd of naar aanleiding van tactische ontwikkelingen toegevoegd (Maarsseveen). Hoewel de linie voor de vijand gecamoufleerd was, is de invloed op het landschap significant geweest. Er is een uitgebreid netwerk van sluizen, gemalen en andere werken aangelegd en bestaande werken zijn aangepast. Veelal werden de sluisjes voorzien van een schotbalkensysteem, zodat het water na het inlaten door plaatsing van de balken niet meer terug kon stromen. Rondom de forten bevinden zich meerdere betonnen groepsschuilplaatsen en staan nog enkele zogenaamde ‘houten huizen’ of ‘kringenwetwoningen’.

Deze woningen waren gelegen in de schootsvelden van de forten en konden, in het geval van in werking treding van de linie, in brand gestoken worden om zodoende de schootsvelden vrij te maken. Van de schootsvelden van buiten de gemeentegrenzen gelegen forten reikt de invloed soms tot binnen de gemeente, zoals bij fort Nigtevecht, fort Spion, fort Kijkuit en fort De Gagel. Rondom grotere militaire werken werd vanuit strategische zin beplanting aangebracht: om het militaire werk te camoufleren en op te laten gaan in de omgeving, om militaire bewegingen aan het gezicht te onttrekken, om het hout bij versterkingen en als brandhout te kunnen benutten of om als ondoordringbare structuur te fungeren. Zo werd met name rondom de gracht hakhout van els, es en wilg, knotwilgen en meidoornstruweel aangebracht, terwijl aan de achterzijde van een werk opgaande bomen als populier of eik werden geplant. De kleinere (betonnen) werken van de Nieuwe Hollandse Waterlinie kennen in principe geen bijbehorende beplantingsstructuren. De volledige militaire structuur, inclusief de waterwerken en de open polder als inundatievlakte, is een cultuurhistorisch waardevol ensemble binnen het plangebied. Inmiddels is de Nieuwe Hollandse Waterlinie als samenhangend complex aangewezen als Rijksmonument en staat op de nominatie voor de Werelderfgoedlijst (UNESCO).

Relevante objecten en structuren van de Nieuwe Hollandse Waterlinie binnen de gemeente zijn: - Het noordelijke ravelijn van Fort Hinderdam uit de 17e eeuw, in de kenmerkende bocht van de Klompweg; - De V.I.S.-kazemat aan de Kleizuwe te Vreeland uit 1935, omgeven door (camouflerende) beplanting; - Fort Nieuwersluis, met de restanten van de 17e- en 18e-eeuwse verschansing ten noorden van de Stationsweg en rondom de voormalige kazerne Willem-III. Met name aan de binnen- en buitenzijde van de fortgracht bevinden zich diverse beplantingsstructuren. Het complex van de voormalige pupillenschool kent een karakteristieke en representatieve uitstraling, inclusief dienstwoningen uit 1881 en opzichterswoning uit 1880; - Fort Tienhoven uit 1848-1850, kenmerkend gepositioneerd op de kade naar Tienhoven (Nieuweweg), omgeven door (camouflerende) beplanting, met sluizen en fortwachterwoning; - Fort Maarsseveen uit 1881 in de hoek van de Maarsseveensevaart en Herenweg, met beplanting op de oevers van de gracht en met fortwachterswoning.

41

SB4

Abstractie van de historische kern van Nigtevecht. Nigtevecht omstreeks 1832. (Bron: RCE).

Vreeland omstreeks 1772. (Bron: NA).

Abstractie van de historische kern van Vreeland.

Loenersloot omstreeks 1772. (Bron: NA).

Abstractie van de historische kern van Loenersloot.

42

Waardevolle Historie - Stichtse Vecht

3. De kernen

De gemeente Stichtse Vecht telt officieel tien dorpskernen, waarbij enkele kleinere concentraties van bebouwing en boerderijlinten niet zijn opgenomen. Deze dorpskernen vormen als bebouwingsclusters knooppunten waar historische lijnen samenkomen. De meeste zijn aangewezen als beschermd dorpsgezicht.26 Elke kern kent een eigen ontwikkeling en ruimtelijke opbouw. Nigtevecht Het dorp is ontstaan aan een bocht van de Vecht aan wat nu een smalle strook tussen Vechtdijk en Vecht is. De kerk, die gelieerd was aan de kerk die Liudger rond 800 stichtte in Werinon (Nederhorst den Berg), werd op een van nature hoger gelegen oeverwal gebouwd. Hier zal op de oeverwal ook het oorspronkelijke centrum gelegen hebben van het middeleeuwse gebied dat werd aangeduid als ‘Niftarlake’. De Laak/Gein tussen de voormalige herberg ’t Graauwe Paard en Nigtevecht is wellicht al in de Vroege Middeleeuwen verland. Na de aanleg van de Reedervaart (1629-1631) werd het deel van de Vecht tussen Overmeer en Nigtevecht “Stille Vecht” genoemd. De bebouwing strekt zich uit als enkelzijdige lint langs de Vechtdijk (Dorpsstraat), waarbij enkel de kerk met kerkhof, voormalige pastorie en school binnendijks lagen. In 1862-1863 kreeg het dorp een eigen raadhuis en school aan de Dorpsstraat, waaraan in 1894 een waterpomp werd toegevoegd.

Bij het dorp lagen en liggen verschillende buitenplaatsen, zoals Oostervecht, Breevecht, Rozendaal, Zwaanvecht, Zwaanwijck, Overdam en Koningslust. Deze zijn voor het huidige dorpsbeeld in mindere mate bepalend geweest, in vergelijking met Vreeland, Breukelen of Maarssen. Het dorp heeft nooit een brug over de Vecht gekend, maar op verschillende plaatsen hebben (voet)veren gelegen. Vreeland Nabij Vreeland was al vroeg sprake van het buurtschap Dorsken of Dursken (Dorssewaard), maar de exacte ligging van dit buurtschap is niet duidelijk; vermoedelijk op de oostoever van de Vecht.27 Tussen 1252 en 1260 bouwde de bisschop van Utrecht een kasteel in de Vechtbocht ter verdediging van de grens met Holland. Aan de westzijde werd de Vechtmeander afgesneden, zodat een strategische ligging op een eiland ontstond.28 Hier werd Vreeland gesticht, als bastide-stadje met een rechthoekige wegenstructuur. 29 Het kreeg in 1265 stadsrechten, maar verloor deze in 1560, nadat omstreeks 1550 de ommuring was geamoveerd. De Sint-Nicolaaskerk werd eveneens in 1265-1275 gesticht als parochiekerk annex slotkapel. Het kasteel kwam in verval en werd in 1528-1529 gesloopt. De hoofdstraat ligt direct aan de Vecht (Voorstraat), waaraan enkelzijdig bebouwing is gesitueerd.

Evenwijdig hieraan ligt de Lindengracht, die mogelijk als gracht deel uitmaakte van het grachtenstelsel.30 Verder naar het oosten nam de bebouwing af. De Breedstraat leidde vanaf de brug over de Vecht naar het kasteel en had in het dorp mogelijk een marktfunctie. Op de hoek Raadhuislaan-Vossenlaan werd in 1862 een raadhuis annex school gebouwd. Op de westoever van de Vecht was eind 17e eeuw al bebouwing aanwezig, waaronder de herberg annex raadhuis (ca. 1680, hotel De Nederlanden). Na de verwoestingen in het Rampjaar ontstonden verschillende buitenplaatsen in de omgeving van Vreeland, zoals Schoonoord, Vreedenhorst en Slotzicht. Op de buitenplaats Brugzicht kwam later een roomboterfabriek, verf- en vatenhandel. Loenersloot Op de westelijke oeverwal van de Kromme Angstel werd vermoedelijk midden 13e eeuw kasteel Loenersloot gesticht.31 Het buurtschap Loenersloot ontstond tegenover het kasteel, op de oostelijke oe26 27 28 29 30 31

Van de (dorps)kernen zijn er negen aangewezen als rijksbeschermd (stads- en) dorpsgezicht: Kockengen, Loenen, Loenersloot, Maarssen, Nieuwersluis, Nieuwer-Ter-Aa, Nigtevecht, Vreeland en (Oud-) Zuilen. Van de (grote) dorpen kent Breukelen geen aanwijzing als beschermd gezicht. Stades-Vischer, 2000, p. 35. Dit water werd vermoedelijk in de 14e-15e eeuw verbreed tot vaarwater. Vergelijkbare planmatige stadjes zijn Vianen, Leerdam, Heukelum, Asperen en het nog zuiverder Elburg. Stades-Vischer, 2000, p. 37 Stades-Vischer, 2000, p. 34.

43

SB4

Loenen omstreeks 1660-1672.

Abstractie van de historische kern van Loenen.

Uitbreidingsplan van Loenen, 1955. (Bron: RHCVV).

44

Waardevolle Historie - Stichtse Vecht

verwal, bij de plek waar de Loenerlaak uitmondde in de Angstel. Deze Loenerlaak raakte in de 12e eeuw grotendeels verland, waarna deze waterloop geleidelijk verdween en slechts resteert als oeverwal met daarop het kronkelige tracé van Binnenweg-Slootdijk-Rijksstraatweg. Over de gegraven Hollandse Dwarswetering was een vaarverbinding tussen Loenen en de Angstel aanwezig, met een overtoom ter hoogte van Loenersloot. Bij deze overtoom lag aan het begin van de Binnenweg tevens een herberg (‘Swaentie’?). Er was alleen een kapel en gerechtsgebouw, maar geen kerk of school in het dorp. Bij Loenersloot begon tevens de buitenplaatszone langs de Angstel, met Geynzicht, Geinvliet, Valkenheining op de oostoever en kasteel Loenersloot, Slootwijk, Donkervliet en Ruiteveld op de westoever.32 Loenen aan de Vecht Op de westelijke Vechtoever, waar de Loenerlaak (of Laak) zich richting Loenersloot aftakte, ontstond het dorp Loenen. De kerk lag aanvankelijk buitendijks en zal op een opgeworpen hoogte (terp/woerd) zijn gebouwd. Het land bij ‘Lona’ werd in een schenking aan de Domkerk van Utrecht in 953 genoemd, maar of toen al sprake was van een kerk of dorp maakt de tekst niet duidelijk. Het kasteel ten zuiden van het dorp, Kronenburg, alsmede het deel van het dorp rondom de kerk, kwam in het einde van de 13e eeuw in handen van de graaf van Holland.

Dit Hollandse territorium ten westen van de Vecht sloot aan op het Hollandse bezit aan de oostzijde van de Vecht: Oud Over, Loenerveen en Mijnden. Na bedijking van de Vecht ontstond aan weerszijden van de dijk bebouwing (Dorpsstraat), dat grotendeels tot Utrecht behoorde. Later werd een nieuwe dijk westelijk van de Dorpsstraat aangelegd, de latere Herenweg en Rijksstraatweg/Molendijk. Deze werd om de slotgracht van Kronenburg geleid en sloot aan de noordzijde van het dorp op de oude dijk aan bij korenmolen De Hoop. Door de bestuurlijke opsplitsing kregen beide delen van het dorp in het begin van de 18e eeuw een eigen raadhuis: Rijksstraatweg 104 (Rechthuis van Loenen en Nieuwersluis, ca. 1720) en Rijksstraatweg 115 (Raadhuis van Kronenburg, ca. 1712). In 1652 werd door de katholieke vrouwe van Holland een schuilkerk gebouwd op afstand van het dorp, aan de latere Kerklaan.33 Aan de noord-, oost- en zuidzijde werd het dorp omgeven voor buitenplaatsen. De oudste is vermoedelijk Lix Boa, waar een boerderij omstreeks 1600 tot buitenplaats werd uitgebouwd. Grote buitenplaatsen tussen Breukelen en Nieuwersluis zijn Vijverhof, Over-Holland, Sterreschans en Rupelmonde, Weerestein en Hunthum, tussen Nieuwersluis en Loenen Vreedenhoff, Middenhoek, Nieuwerhoek en Nieuw Cronenburgh, en op de oostoever Vegtlust, Bosch en Vecht, Bijdorp, Oud Over en Kalorama.

Ter plekke van de grote noordelijke buitenplaatsen, Huis te Loenen en Wallesteyn, ligt thans de wijk Hoefijzer. In de dorpsbebouwing zijn verschillende (voormalige) buitenplaatsen opgenomen, zoals Roserust, Welgelegen, Leeuw en Dijk, Vrederust en Beek en Hoff.

32 33

Van Dam, Blok, Blijdenstijn, 2014. Stades-Vischer, 2000, p. 32-33.

45

SB4

Abstractie van de historische kern van Nieuwersluis.

Vesting Nieuwersluis in de 18e eeuw. (Bron: NA).

46

Waardevolle Historie - Stichtse Vecht

Nieuwersluis34 Nieuwersluis ontstond als gehucht nadat de Nieuwe Wetering omstreeks 1448 op initiatief van het stadsbestuur van Utrecht werd gegraven als nieuwe vaarverbinding tussen de Vecht en de Angstel. Bij de sluis en klapbrug kwam een herberg en geleidelijk groeide het dorp tot een tiental huizen. Met de komst van trekvaartverbinding tussen Utrecht en Amsterdam in de 17e eeuw groeide het halverwege gelegen Nieuwersluis uit tot tussenstation voor reizigers en wisselplaats van personeel en paarden. In het Rampjaar werden de eerste vestingwerken aangelegd, zoals de ‘Starreschans’ tussen Stadswetering, Heereweg en Vecht, ter plekke van de latere buitenplaats. Uit deze periode dateert ook het kerkje, dat omstreeks 1704 tot ‘gemeenlandshuis’ werd omgevormd. In 1745-1746 werd de vesting vernieuwd, en uitgebreid waarbij enkele naastgelegen buitenplaatsen grond moesten inleveren. Met de aanleg van de Straatweg (Route Imperiale nr. 2) en opening in 1820 werd ook de ontsluiting van Nieuwersluis over de weg verbeterd. Na de komst van het spoor in 1843 verdween de trekschuit. Nieuwersluis kreeg een eigen station, dat bereikbaar was via het oude jaagpad langs de Nieuwe Wetering, dat werd omgedoopt tot Stationsweg. Het fort werd in 1849-1851 (torenfort) en 1880-1882 (bomvrije gebouwen) gemoderniseerd, waarbij zand werd verkregen uit de oostelijke oeverwal.

De put die hierbij ten zuidoosten van het dorp ontstond werd later in gebruik genomen als zwemplas ‘Zwemlust’ (1933).

34

Zie o.a.: D.T. Koen, Nieuwersluis, van Starreschans tot Strafbastion, 1998.

47

SB4

Uitbreidingsplan van Nieuwer ter Aa, 1958. (Bron: RHCVV).

Abstractie van de historische kern van Nieuwer ter Aa.

Kockengen omstreeks 1832. (Bron: RCE).

Abstractie van de historische kern van Kockengen.

48

Waardevolle Historie - Stichtse Vecht

Nieuwer ter Aa Het dorpje Nieuwer Ter Aa lag in de Middeleeuwen op een centrale plek in het gebied, toen de Aa en Angstel de belangrijkste vaarwateren waren. Op een strategische plek in de binnenbocht van de Aa werd rond het midden van de 11e eeuw één van de eerste kastelen in dit gebied gesticht. Het gehele gebied ten noorden van de Dorpsstraat werd door het terrein van kasteel met omgrachting en bijbehorende boerderij ingenomen. Enige tijd later werd daar een tweede versterking vanuit de Breukelse vroonhoeve iets zuidelijker op de oostoever toegevoegd: kasteel Ruwiel (ca. 1100). Vanuit Breukelen liep de Breukelerwaardsedijk (waarvan het oostelijke deel als Eendrachtslaan en een stukje van het westelijke deel als Breukelerwaard resteren) rechtstreeks naar Ruwiel. Ten oosten van het dorp lag een derde versterking, huize Aastein (ca. 1100), net ten zuiden van de omstreeks 1390 aangelegde Stadswetering. In 1138 kregen de dorpelingen toestemming om een kerk in Nieuwer Ter Aa te bouwen, welke ten westen van de rivier werd gerealiseerd. Mogelijk zou in de 12e eeuw ten noorden van het dorp nog een kasteel Anxtel zijn gebouwd, maar een exacte locatie is hiervan niet bekend.35 Omstreeks 1300 wordt ten noorden van de dorpskerk het kasteel ‘Over die A’ gebouwd ter versteviging van de positie van de bisschop ten opzichte van Holland.

Later zou deze ridderhofstad ‘Clarenburg’ genoemd worden, waarvan thans nog de kasteelboerderij resteert. Na geleidelijke verzanding van de oude bedding en opgeworpen dammen in de Aa vanwege de gewijzigde waterhuishouding van de polders werd de Nieuwe Wetering omstreeks 1448 of 1466 aangelegd en kwam de hoofdvaarroute buiten het dorp te liggen. Hierdoor namen de activiteiten in het dorp af en stokte de verdere ontwikkeling. Het ontstaan van Oukoop is niet geheel duidelijk. De ontginningsbasis lag in ieder geval langs de Angstel en Aa, zodat de achtergrens (Bosdijk, Demmerikse Kade) een min of meer parallel verloop kent. Mogelijk vestigden zich hier niet gelijk mensen.36 Vanuit de kade langs de Aa (Oud-Aa) werd een ontsluitingsweg in noordelijke richting doorgetrokken (Oukoperdijk), dwars door de ontginning van Oukoop. Aan de zuidzijde van deze ontginning liggen drie boerderijen op enige afstand van de weg, mogelijk vanwege een plaatselijke zandrug die een hogere vestigingsplaats bood. Karakteristiek zijn de brede sloten die vanaf de Angstel in westelijke richting naar en langs deze boerderij (tot aan de Bosdijk) lopen, en mogelijk dienden om over het water goederen (en veen?) te vervoeren.

Kockengen Anders dan de boerderijlinten aan de Oukoper- en Oud Aase Dijk, Kortrijkse Dijk, Portengense Dijk en Spengense Dijk groeide ongeveer halverwege de Kockengense Dijk de bebouwing uit tot dorpje. Als laatste regelmatige ontginningsblok (Spengen betrof een restontginning) lag Kockengen relatief ver van de dorpen langs de Vecht en Aa, terwijl zich in de ondergrond een smalle stroomrug bevond.37 Omstreeks 1150 zou de nederzetting zijn ontstaan, in samenhang met de ontginning, waarbij de grenzen van het ontginningsblok (Wagendijk, Hollandse Kade, Meentweg) kwamen vast te liggen. Tussen 1280 en 1350 werd Kockengen een zelfstandige parochie, waarbij ook een kerk was gebouwd.38 Als gevolg van de geleidelijke bodemdaling van de veengronden werd besloten tot de aanleg van nieuwe afwateringskanalen: de Heycop in opdracht van de Utrechtse bisschop in 1385 tussen polders Heycop, Oudenrijn, Galecop e.a. naar de Vecht; en de Bijleveld in opdracht van de graaf van Holland in 1413 vanaf de polders Bijleveld en Reijerscop naar de Amstel.39 Beide waterlopen fungeerden tevens als vaarwater, zodat bij de Joostendam en aan de zuidzijde van de Wagendijk overtomen waren ingericht voor de overslag van goederen. Ook vestigde er zich watergerelateerde bedrijvigheid als wasserijen en een brouwerij.

Om het water uit de polders af te voeren via de hoofdafwateringskanalen, werden omstreeks 1485-1500 poldermolens gebouwd (in ieder geval bij Kockengen en Spengen naar de Bijleveld). Na 1958 werden delen van de Bijleveld gedempt. 35 36 37 38 39

Manten/Lameris, 2008, p. 27-28. Manten/lameris, 2008, p. 20. ADC Heritage, De archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de gemeenten Maarssen, Loenen, Abcoude en Breukelen, Amersfoort, februari 2010, p. 56: ‘Kockengen is ontstaan aan de oever van een natuurlijk veenstroompje’; ‘het bestond waarschijnlijk al in de 12e eeuw’. ADC, 2010, p. 56; Manten/Lameris, 2008. p. 39-44. Manten/Lameris, 2008, p. 42, 131; http://rhcrijnstreek.nl/bronnen/lokale-historie/plaatsen/hoogheemraadschap-destichtse-rijnlanden/leidse-rijn/532-heycop-genaamd-lange-vliet

49

SB4

Breukelen omstreeks 1681.

Abstractie van de historische kern van Breukelen.

Uitbreidingsplan van Breukelen. (Bron: RHCVV).

50

Waardevolle Historie - Stichtse Vecht

Breukelen 40 Het dorp Breukelen is ontstaan bij de splitsing van de Vecht en Aa (de hedendaagse Danne). Dit was een strategische plek voor de vroege bewoners om zich te vestigen in verband met de hoge en droge ligging op de oeverwal en de nabijheid van het water. De eerste bebouwing ontstond in de vroege middeleeuwen op een iets boven de omgeving uitstekende woerd die aanvankelijk een ovale vorm had. Breukelen werd daarom ook wel het Ronde dorp genoemd. De leenheer stichtte haar grondgebied, aan de huidige Kerkgracht, de villa ‘Breukelerhof’ of ‘Hofstede de Poel’. In deze vroonhoeve woonde de plaatselijke landheer, werd recht gesproken en vond het beheer van omliggende bezittingen plaats. Boerderij ‘De Poel’ bestaat nog steeds, echter niet meer in haar meest oorspronkelijke vorm. Ook de bijbehorende herberg ‘Het Statenwapen’ bij de sluis in de Kerkvaart is er nog (het huidige ZiZi). Ter plekke van de huidige Pieterskerk werd omstreeks 720 een houten kerkje gebouwd, mogelijk ter plekke van een Friese tempel. De vroegste bebouwing concentreerde zich rondom de kerk. Daarnaast ontstond een kruisvormig stratenpatroon in het ‘ronde dorp’: de Brugstraat-Achterstraat en de Klapstraat of Herenstraat-Dannestraat. Omstreeks 1390 werd op de hoek van de Klapstraat (thans Herenstraat) en ‘Plaetse’ (thans Kerkbrink) een rechthuis gebouwd, dat tevens dienst deed als cachot en herberg.

Het pad waaraan het rechthuis lag ontwikkelde zich na 1400 tot Kerkstraat, waarvan de bebouwing aan de noordzijde thans de Kerkbrink begrensd. In de 12e eeuw werd de westelijke Vechtdijk aangelegd, waarop later de kleiweg of ’s Herenweg werd aangebracht, waarbij een brug over de Danne werd gelegd. De Vechtdijk boog om het oude dorp Breukelen heen waardoor het dorp buitendijks kwam te liggen. De kerk en Hofstede De Poel kwamen binnendijks te liggen.41 De buitendijkse gronden ten noorden en zuiden van het dorp bleven lang onbebouwd: aan de noordzijde lag een ‘villa’ ontstaan vanuit de familie van de leenheer en de ‘Ruwiels akker’; aan de zuidzijde lagen eveneens akkers (Sint-Antoniusakker, behorend bij Nijenrode), waarvan een deel later bij de buitenplaats Boom en Bosch werd gevoegd en na 1925 werd ingericht als marktplein. Het dorpsbeeld wordt mede bepaald door de buitenplaatsen die met name na 1673 in en rond het dorp werden gevestigd. De oostelijke oever van de Vecht wordt geheel bepaald door een afwisseling van boerderijen en buitenhuizen, zoals Boomrijk, Klein Boomrijk, Gunterstein, Vegt en Hoff, Queekhoven en Groenevecht. Op de westoever lagen eveneens buitenplaatsen, maar deze zijn veelal ingebouwd geraakt, zoals Vegtvliet, Nieuw Hoogerlust, Vechtstroom, Vroeglust, Vreede Grond, Hof en Vecht, Middendorp, Vecht en Dorp, Vredevecht en Vecht en Dam.

Aan de zuidzijde is met Boom en Bosch en Vreedenoord het groene karakter nog enigszins behouden, ook in samenhang met boerderij Griftenstein. In de 19e eeuw verdichtte de bebouwing zich verder, waardoor uitbreidingen aan stegen aan de noordzijde (Hazeslinger), zuidzijde (Koekenbuurt) en tussen Herenstraat en Vecht ontstonden. Aan de noordzijde werd in 1880-1885 de Johannes de Doperkerk gebouwd (parochiehuis uit 1939), ter vervanging van de Room-Katholieke kerk met pastorie uit 1795 aan de ‘s Heerenwagenweg ten zuiden van de Danne. Ook werden aan de noordzijde van het dorp een loswal voor schepen aangelegd (1876) en tijdelijk een postkantoor ingericht (1894). Bedrijfsmatige activiteiten werden hoofdzakelijk langs de Vecht (soms op buitenplaatsen) aangetroffen, zoals wasserijen en blekerijen in de 17e eeuw, de brouwerij (vanaf de 17e eeuw, later graanpakhuizen), en nabij Nijenrode, waar de Straatweg zich van de Vecht afbuigt, een korenmolen (tot ca. 1869) en stoomzuivelfabriek Insulinde (na 1890).42 Na de eeuwwisseling breidde de bebouwing zich met name langs uitvalswegen uit, zoals langs de oude weg naar Ruwiel (thans Eendrachtslaan), langs de Poeldijk (thans Stationsweg) en langs het Korenpad richting de molen van Otterspoorbroek (thans Willink van Collenstraat). Aan de Straatweg werd meer 40 41 42

Deels ontleend aan: Gemeente Stichtse Vecht, Inventarisatiedocument cultureel erfgoed versie 1.0, 30 september 2014. ADC Heritage, De archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de gemeenten Maarssen, Loenen, Abcoude en Breukelen, Amersfoort, februari 2010. Manten/Lameris, 2008, p. 68, 94, 100-103, 109-110.

51

SB4

Abstractie van de historische kern van Maarssen.

De door buitenplaatsen bepaalde omgeving van Maarssen in de 17e eeuw. (Bron: RCE).

52

Waardevolle Historie - Stichtse Vecht

voorname bebouwing gerealiseerd, zoals aan de markt en aan de noordzijde. Nabij het station werd in 1915-1918 ten oosten van de Broekdijk West het ‘rooie dorp’ gebouwd, in de volksmond zo genoemd naar de politieke voorkeur van de oorspronkelijke bewoners.43 Het werd gebouwd in opdracht van Woningbouwvereniging Breukelen voor de arbeiders van de fabrieken aan het kanaal, naar ontwerp van het Amsterdamse architectenbureau Vorkink en Wormser. De rijtjeswoningen zijn van gelijke vorm en staan parallel aan de wegen. Ook vonden specifieke voorzieningen hier een plaats, zoals scholen, kerken (gereformeerde kerk met pastorie, 1905-1909), waaggebouw (1926), de watertoren (1928) en dokterswoning met praktijk en garage (1934). Na 1945 werd het bouwblok tussen de Herenstraat, Brugstraat, Straatweg en Kerkstraat afgebroken. Hierdoor ontstond de huidige langgerekte vorm van de Kerkbrink. De meest structurele verandering hiervan is dat de Pieterskerk nu aan het plein is komen te liggen.44 De eerste na-oorlogse uitbreidingen kwamen tot stand in het gebied direct ten westen van het historisch dorp. Tussen 1948 en 1958 wordt de wijk De Eendracht aangelegd. Rond 1955 bouwde men ook de wijk rondom de Willink van Collenstraat. In 1962 zijn de eerste flats gebouwd aan de Schepersweg.

Toen in 1964 enkele tientallen Molukse gezinnen naar Breukelen kwamen, die aangetrokken werden door het bedrijfsleven, werden hiervoor 50 woningen gebouwd aan de Niftarlakestraat-west en de Gijsbrecht van Nijenrodestraat. Het laatst volgde de woningbouw in het uiterste noorden en zuiden; rond 1970 in het noorden en aan het eind van de jaren ’80 in het zuidelijk deel de wijk Broeckland. Maarssen Het dorp Maarsen lag mogelijk al vroeg op beide oevers van de Vecht. De naam verwijst naar moerassige omstandigheden. De hoofdstroom van de Vecht liep via een oostelijke meander (tot een doorgraving in de ca. 11e eeuw) tussen Vechtenstein en Huis ten Bosch. Vermoedelijk vormde het huis Ter Meer, dat op de westoever in de binnenbocht van de Vecht lag, het administratief centrum en de woonplaats van de meier.45 Andere versterkte woningen bij Maarssen waren Bolenstein - als stenen woontoren gebouwd in 1340 - en Snaafburg, daterend van vóór 1379. Ook boerderij Oostwaard kent mogelijk een vroege voorganger als (stenen) hofstede en als centrum van het gerecht Oostwaard. De vroege bebouwing op de westoever zou zich langs de Breedstraat (thans deels Bolensteinsestraat) hebben gelegen, die de ‘Oude Dijk’ vormde en aan de oostzijde eindigde bij kasteel Ter Meer en aan de westzijde bij Bolenstein.

Ten zuiden van Ter Meer werd omstreeks eind 11e eeuw de kerk gesticht.46 Langs de Vecht vestigde zich bedrijvigheid (brouwerij, rijtuigen) en huisden ook de schippers (Schippersgracht) die betrokken waren bij het vervoer van turf en bakstenen en pannen, alsmede algemene personen- en goederenvervoer over de ‘Keulse Vaart’.47 Aan de rijke Joodse geschiedenis van Maarssen en Maarsseveen herinnert onder meer nog de Joodse begraafplaats aan de Machinekade.48 Ook op de oostoever was de bebouwing georiënteerd op de Vecht. Later kwam bebouwing aan de Kaatsbaan en Achterdijk (thans Nassaustraat-Diependaalsedijk). Met het begin van de grote ontginningswerken na ca. 1120 werd gestart met het graven van de Zogwetering als ontginningsbasis. Deze sloot aan de zuidzijde aan op de Hoofddijk (thans Groeneweg) en eindigde aan de noordzijde bij de Hollandsche Rading. Als centrum van de ontginningen (curtis) werd door de heren van Maarssen/Ter Meer de Meerhofstede uitgebouwd. Naar het westen werden de resterende gronden tot aan de Vecht ontgonnen en ‘Diependaal’ genoemd. Naar het oosten startten de ontginningen van Tienhoven en Maarsseveen, waarbij de ontginningsbasis en ook de bebouwing telkens opschoof: Herenweg/Nieuwe Kade (verlengde van Gageldijk), Oude Dijk/Tweede Looijdijk/Binnenwegsedijk (thans Westbroekse Bin43 44 45 46 47 48

Manten/Lameris, 2008, p. 113. SAB, Bestemmingsplan Breukelen Centrum, 26 februari 2013; Startnotitie Bestemmingsplan Centrum Breukelen, september 2010; LOS stad om land, structuurvisie centrum Breukelen gemeente Stichtse Vecht, februari 2010. ADC, 2010, p. 66. Gaasbeek, 2007, p. 20, 22, 38, 46. Gaasbeek, 2007. p. 26-28. Gaasbeek, 2007, p. 29-31.

53

SB4

Abstractie van de historische kern van Oud-Zuilen.

Oud-Zuilen omstreeks 1850. (Bron: NA).

54

Waardevolle Historie - Stichtse Vecht

nenweg), (derde) Looijdijk en Dwarsdijk. Aan de Looijdijk vestigde uiteindelijk de bebouwing als boerderijlint van Tienhoven en Oud-Maarsseveen. Tijdens de vervening ontstonden hier de kenmerkende veenplassen. Vanaf de zestiende eeuw werden de droogmakerijen in Nederland aangelegd. De polders werden drooggemalen om de gebieden weer agrarisch te kunnen gebruiken. De laatste droogmakerij in de provincie Utrecht was de Bethunepolder, tussen de Maarsseveense Vaart en de Tienhovense Vaart. Onder leiding van de Belgische edelman markies De Béthune slaagde men er in 1874 in om de plassen van Tienhoven en Oud-Maarsseveen grotendeels droog te leggen. De polder kent een kunstmatige rechte blokverkaveling, zoals de droogmakerijen destijds werden ingericht, met beplante middenweg die gebied in tweeën deelt. De grote stroom kwelwater vanuit de Utrechtse Heuvelrug zorgde er echter voor dat boeren in de Béthunepolder geen succesvol bestaan konden opbouwen. Pas toen in 1930 het Gemeentelijk Waterbedrijf Amsterdam begon met het wegpompen van water ten behoeve van de drinkwatervoorziening van de stad, daalde het waterpeil zodanig dat veeteelt mogelijk werd. Het elektrisch aangedreven gemaal uit de jaren ’30 van de 20e eeuw herinnert nog aan het succes van deze onderneming.

De hoogteverschillen aan zuidwest- en noordoostzijde (langs dorp Tienhoven) zijn karakteristiek en markeren de diepe ligging. Aan de westzijde van Maarssen was eveneens begonnen met de cope-ontginningen, waar ook Maarssenbroek deel van uitmaakte, tussen Maarssenbroeksedijk en Oudenaar. Als ‘broek’-land behoorde het gebied tot de nattere gronden en dit bleef lange tijd dun bevolkt. De enige eendenkooi in de gemeente ligt in dit gebied. Tussen 1972 en 1989 werd het hele gebied tussen Haarrijn en A2 bebouwd. Vanaf het begin van de 17e eeuw vestigden zich buitenplaatsen te Maarssen. De Amsterdamse ondernemer Johan Huydecoper liet in 1629 de buitenplaats Goudestein bouwen en werd heer van Maarsseveen. Het omliggende gebied maakte hij gereed voor de vestiging van vele andere buitenplaatsen, zoals tussen Vecht en Diependaalse Dijk, tussen Klokjeslaan en Kortelaan en langs de Machinekade. In de gebouwen van de buitenplaats Op Buuren werd in 1895 een farmaceutisch fabriekje opgericht, het latere Brocacef/DSM.49 De buitenplaats is met de groei van de fabriek geheel verdwenen. De omgeving heeft sterk te lijden gehad onder deze zich steeds verder uitbreidende industrie. In de polder Oostwaard werden kininegaten (stortplaatsen voor de kinine) gecreëerd en een waterzuivering voor het afvalwater. Ook kwam er bij “De Hoek” een stortplaats voor huisvuil en bedrijfsafval.

De omgeving is ernstig verontreinigd geraakt en de industriële bouwwerken domineerden het ruimtelijk beeld ter plaatse. De stortplaats “De Hoek” werd begin jaren 80 gesaneerd en steekt nu door de destijds aangebrachte afdeklaag circa 8 meter boven maaiveld uit. Inmiddels is de industrie vertrokken en is hier de wijk Op Buuren gebouwd. Oud-Zuilen Net als Loenersloot ontstond Oud-Zuilen als relatief klein buurtschap bij een kasteel.50 Het Slot Zuilen zou in of voor 1247 gevestigd zijn op de oostelijke Vechtoever. Vanaf de 13e eeuw zouden de heren van Zuilen zich ook hebben beziggehouden met de ontginningen achter Westbroek. Aan de Vecht werd een kapel gebouwd en in de boerderij ernaast werd recht gesproken. Aan het eind van de 19e eeuw werden een school (1887) en een raadhuis (1896) gebouwd. Rond Oud-Zuilen waren verschillende pannenbakkerijen gevestigd, waarbij klei over de Proostwetering vanuit Vleuten per schuit werd aangevoerd. Net buiten het dorp bevindt zich één van de oudste begraafplaatsen van Nederland van eind achttiende eeuw. De begraafplaats behoort tot de eigendommen van de familie Van Tuyll van Serooskerken. De dorpsstructuur wordt bepaald door de Dorpsstraat en de haaks daarop gelegen Zuilenselaan, aan de overzijde van de brug. Naast het Slot waren enkele buitenplaatsen rondom Oud-Zuilen aanwezig, zonder het huidige dorpsbeeld te domineren. 49 50

Gemeente Stichtse Vecht, Inventarisatiedocument cultureel erfgoed versie 1.0, 30 september 2014. Gemeente Stichtse Vecht, Inventarisatiedocument cultureel erfgoed versie 1.0, 30 september 2014.

55

SB4

Dorpskern Breukelen

Kerklaan te Loenen

56

Waardevolle Historie - Stichtse Vecht

4. Stedebouwkundige ensembles

Naast de reeds aangewezen beschermde dorpsgezichten is er een aantal plekken aan te wijzen die kenmerkende historische fenomenen goed representeren. Op stedebouwkundig vlak betreft dit met name de bebouwing die zich langs destijds nieuwe uitvalswegen uitstrekt en zich richt op introducties als treinstations en industrieën. Ook de relatief weinige volkswoningbouwwijken die worden gebouwd, verwijzen naar de schaalvergroting en maatschappijverandering aan het begin van de 20e eeuw. Zo ook de wederopbouwwijken, die in het algemeen sober en weinig onderscheidend zijn, doch uitzonderingen kennen in het complex Beekweg/Parkweg te Maarssen en enkele individuele panden. Andere karakteristieke stedebouwkundige fenomenen als de boerderijlinten zijn onderdeel van de veenweidegebieden. Kernen Reeds aangewezen als beschermd dorpsgezicht zijn: Maarssen, Oud-Zuilen, Nieuwer ter Aa, Kockengen, Nieuwersluis, Loenen, Vreeland, Loenersloot en Nigtevecht. Aanvullend zijn twee ‘dorpskernen’ vanwege hun historische, stedebouwkundige en functionele samenhang te waarderen. Dit betreft in eerste instantie de kern van het dorp Breukelen, ook omdat deze wat betreft historische relevantie niet onderdoet aan de andere dorpskernen in de gemeente.

Daarnaast wordt de voormalige kern van Kerklaan als (klein) ensemble gewaardeerd, ook gezien de historie van de plek als katholieke schuilkerk, de samenhang tussen pastorie, verdwenen kerk en begraafplaats. Dit kan tevens worden beschouwd in relatie tot de vorming van een klein buurtschap met school (1914), hoewel verdere bebouwing hoofdzakelijk naoorlogs is (ca. 1958). • Breukelen: historische kern Breukelen; vanwege ouderdom, betekenis en gebruiksgeschiedenis, met historische structuur van Herenstraat-Dannestraat, Kerkbrink en Straatweg, met ligging aan de Vecht met overbrugging en kade (aan noordkant), met Dannegracht als historische scheepvaartsroute, met markt, kerk en kerkplein, voormalig rechthuis en voormalige vroonhoeve • Kerklaan te Loenen: kenmerkend, oud ensemble, kern van buurtschapje met schoolgebouw en pastorie met begraafplaats, tevens als verwijzing naar verdwenen kerk (gesticht in 1652).

Vooroorlogse bebouwingslinten aan (voormalige) uitvalswegen • Klokjeslaan te Maarssen: lint van hoofdzakelijk geschakelde, verdiepingsloze (middenstands)woningen • Kaatsbaan te Maarssen: rij van eind 19e-eeuwse herenhuizen • Oude Maarsseveensevaart/Maarsseveensevaart te Maarssen: lint van vrijstaande en geschakelde woningen, aan uitvalsweg • Stationsweg te Maarssen: lint van hoofdzakelijk geschakelde (middenstands)woningen, en herenhuizen op grote percelen, aan uitvalsweg (naar station) • Straatweg te Maarssen: lint van geschakelde en vrijstaande (middenstands)woningen, aan uitvalsweg • Zuilenselaan te Oud-Zuilen: rij woningen aan uitvalsweg, past typologisch in dorpskarakteristiek • Willink van Collenstraat te Breukelen: lint van hoofdzakelijk complexmatige (volks)woningbouw, centraal en op de hoeken gemarkeerd met verhoogde delen, aan uitvalsweg • Stationsweg te Breukelen: lint van geschakelde (middenstands)woningen aan uitvalsweg (naar station) • Eendrachtslaan/Straatweg te Breukelen: ensemble van hoofdzakelijk geschakelde (middenstands) woningen, deels complexmatig • Straatweg te Breukelen: lint van geschakelde (middenstands)woningen aan uitvalsweg • Dorpsstraat te Nigtevecht: rij woningen aan uitvalsweg, past typologisch in dorpskarakteristiek

57

SB4

Oude Maarsseveensevaart te Maarssen

Klokjeslaan te Maarssen

Kaatsbaan te Maarssen

Stationsweg te Maarssen

Straatweg te Maarssen

Zuilenselaan te Oud-Zuilen

Willink van Collenstraat te Breukelen

Stationsweg te Breukelen

Eendrachtslaan/Straatweg te Breukelen

Straatweg te Breukelen

58

Dorpsstraat te Nigtevecht

Waardevolle Historie - Stichtse Vecht

Volkswoningbouw en arbeiderswijken • Burgemeester Egginkstraat/Burgemeester Jonkheer Strick van Linschotenstraat/Burgemeester Cambier van Nootenstraat/Friezenstraat/Kanaalweg/Straatweg te Maarssen (Friezenbuurt): complex van arbeiderswoningen, planmatig (haaks op kanaal en Straatweg), nabij fabriek • Van Oldenbarneveldstraat/Broekdijk-west te Breukelen: complex arbeiderswoningen (’Rode Dorp’) uit 1918 Wederopbouwcomplex • Parkweg/Beekweg te Maarssen: ensemble van complexmatig gebouwde, naoorlogse (middenstands)woningen

Friezenbuurt te Maarssen

Rode Dorp te Breukelen

Parkweg/Beekweg te Maarssen

59

SB4

Opstellen Cultuurhistorische Waardenkaart “Een belangrijk deelproduct van de beleidsnota is de cultuurhistorische waardenkaart. Deze inventarisatiekaart biedt een actueel overzicht van cultuurhistorisch waardevolle objecten en structuren die daadwerkelijk nog in het landschap en de dorpen aanwezig zijn. Op de kaart worden ook gebieden met bijzondere ensemblewaarden weergegeven. Uitgangspunt is dat een digitaal raadpleegbare kaart wordt vervaardigd, die toegankelijk gemaakt zal worden voor een breed publiek. Door middel van een beleidsadvieskaart worden keuzes gemaakt. Aan gebieden, structuren en objecten die op de cultuurhistorische waardenkaart zijn opgenomen, worden beleidsregels gekoppeld. Deze beleidsregels kunnen bijvoorbeeld aangeven in welke gevallen een aanvullend cultuurhistorisch of bouwhistorisch onderzoek verplicht is, en welke diepgang een dergelijk onderzoek moet hebben.

De cultuurhistorische waarden- en beleidsadvieskaart is een beleidsinstrument dat tot doel heeft om: • cultuurhistorische waarden te lokaliseren en in beeld te brengen, zowel op structuur- als objectniveau; • aanwezige en te verwachten waarden op het terrein van historische geografie, historisch bouwkunst, historische stedenbouw en historisch groen op een overzichtelijke manier samen te brengen, zodat deze waarden op een integrale wijze vertaald kunnen worden in ruimtelijke (beleids)plannen en projecten. efficiënter en effectiever te voldoen aan de wettelijke verplichting die de gemeente heeft om cultuurhistorie • als belang mee te wegen in de ruimtelijke ordening. Door voorafgaand aan ruimtelijke ingrepen inzichtelijk te hebben met welke cultuurhistorische waarden rekening gehouden dient te worden, bespaart de gemeente Stichtse Vecht (financiële) middelen en tijd; • als inspiratiebron te dienen voor ruimtelijke visies, beleidsplannen en projecten; • aanknopingspunten te bieden voor plannen en projecten op andere beleidsterreinen, zoals recreatie en toerisme, educatie, kunst en cultuur; • als onderlegger te dienen voor de verdere ontwikkeling van het erfgoedbeleid.

De kaart vormt een communicatiemiddel en maakt het mogelijk om op basis van een overzichtelijke presentatie van de aanwezige cultuurhistorische waarden van gedachte te wisselen over kwaliteiten, prioriteiten, kansen en keuzes; • cultuurhistorie toegankelijk en begrijpelijk te maken voor een breed publiek. De kaart biedt mogelijkheden om verhalen over historische ontwikkelingen en gebeurtenissen samen te vatten in één beeld.” Bron: Gemeente Stichtse Vecht, Kadernotitie cultureel erfgoed versie 1.4 – 9 februari 2014, p. 13-14.

60

Waardevolle Historie - Stichtse Vecht

5. PROCES 5.1. Opgave De gemeente Stichtse Vecht wil in de komende jaren nieuw beleid ten aanzien van cultureel erfgoed formuleren. De uitgangspunten hiervoor zijn vastgelegd in de Kadernotitie Cultureel Erfgoed, zie naaststaand tekstkader. Onderdeel hiervan is het opstellen van de cultuurhistorische waardenkaart. De cultuurhistorische waardenkaart biedt een actueel overzicht van de cultuurhistorisch waardevolle objecten, structuren en ensembles die daadwerkelijk nog in het landschap en de dorpen aanwezig zijn. Dit betreft onder meer een actualisatie en samenvoeging van gegevens. De nadruk van de inventarisatie ligt op het samenvoegen van bestaande informatie op kaart, het toevoegen van informatie op structuur- en gebiedsniveau en een waardering van deze elementen. Er is al veel geschreven en gepubliceerd over het gebied. Hiervoor wordt verwezen naar de lijst met bronnen. Er is daarom gekozen om de nadruk te leggen op de kaarten en niet op de toelichtende rapportage. De kaart is ondergebracht in een GIS-bestand. Dit GIS-bestand is de digitale vertaling van de geïnventariseerde objecten in een geogerefereerde omgeving en met de relevante achtergrondinformatie (metadata) gekoppeld aan elk getekend object.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/1993/documents/42981