CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Uitspraak RvS 9 december 2020.pdf

Raad 1 november 2022, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: 15. 22:00: Bestemmingsplan Rondom De Vecht19.471 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Naar het oordeel van de Afdeling is het initiatief van [appellant sub 4] voldoende concreet en tijdig kenbaar gemaakt bij de raad. Hierbij wordt in ogenschouw genomen dat [appellant sub 4] in zijn contacten met de gemeente tijdens de zienswijzefase heeft aangegeven waar precies hij een woning wenst te realiseren. Verder stelt de Afdeling vast dat de raad bij de vaststelling van het plan niet is ingegaan op de mondelinge zienswijze van [appellant sub 4] en ook niet heeft aangegeven welke stukken nog nodig waren of op welke aspecten nader onderzoek was vereist. De Afdeling is gelet op het vorenstaande van oordeel dat de raad een ruimtelijke afweging had moeten maken over het initiatief van [appellant sub 4] bij de vaststelling van het plan, althans deugdelijk had moeten motiveren waarom een woning, gezien wat [appellant sub 4] naar voren had gebracht, niet aanvaardbaar zou zijn. Het betoog slaagt. Plandeel [locatie 5] te Breukelen 29. Aan [locatie 5] is [appellanten sub 2] gevestigd. Dit is een bedrijf dat zich richt op het produceren en bottelen van vruchtensappen. In het plan dat bij het bestreden besluit is vastgesteld, is dit bedrijf positief bestemd. Ook in het wijzigingsbesluit is het bedrijf positief bestemd.

[appellanten sub 2] is het ermee eens dat haar bedrijf positief is bestemd, maar kan zich desondanks niet verenigen met het bestemmingsplan, omdat de raad haar concrete uitbreidingsplannen niet heeft afgewogen. [appellant sub 1], [appellant sub 6] en anderen en de Vechtplassencommissie kunnen zich niet verenigen met het bestemmingsplan, omdat ten opzichte van het voorheen geldende plan een aanzienlijke uitbreiding van het bedrijf [appellanten sub 2] wordt toegestaan, terwijl dit tot overlast leidt. De raad heeft volgens hen geen deugdelijk onderbouwde ruimtelijke afweging gemaakt bij de vaststelling van de planregeling voor de gronden van [appellanten sub 2]. Productieactiviteiten [locatie 5] 30. [appellanten sub 2] klaagt dat de raad de functieaanduiding "specifieke bouwaanduiding -

Uitspraak 201900226/1/R4

20

1" aan de verkeerde gronden heeft toegekend, waardoor onbedoeld zijn productieactiviteiten zijn wegbestemd, gelet op de voorwaardelijke verplichting van artikel 4, lid 4.3, onder 4.3.5, van de planregels. [appellanten sub 2] kan zich ook niet verenigen met artikel 4, lid 4.4, onder 4.4.1, aanhef en onder g, van de planregels, welke planregel is toegevoegd aan het plan in het wijzigingsbesluit. [appellanten sub 2] wijst erop dat door deze planregel, bezien in combinatie met de plaatsing van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - 1" op de verbeelding, onbedoeld het gebruik van de gronden voor de productie van sappen is verboden. 31. Ter zitting is gebleken dat de raad de functieaanduiding "specifieke bouwaanduiding - 1" aan de verkeerde gronden heeft toegekend. Het was de bedoeling van de raad om die aanduiding alleen toe te kennen aan het nog onbebouwde zuidelijke deel van het bouwvlak (onder de streepjes op de verbeelding). Gelet hierop heeft de raad in zoverre dan ook niet bereikt wat hij heeft beoogd, zodat reeds hierom moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit en het wijzigingsbesluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand zijn gekomen. In een nader stuk heeft de raad erkend dat het in het wijzigingsbesluit toegevoegde artikel 4, lid 4.4, onder 4.4.1, sub g, van de planregels onbedoeld de productieactiviteiten verbiedt.

Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het wijzigingsbesluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het wijzigingsbesluit wat betreft artikel 4, lid 4.4, onder 4.4.1, sub g, van de planregels niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. De betogen slagen. Overigens zal de Afdeling hierna de andere beroepsgronden over de planregeling voor [locatie 5] beoordelen uitgaande van de bedoeling van de raad om hier productieactiviteiten toe te staan. Rechtsonzekere planregeling - het begrip "ambachtelijk" 32. [appellant sub 6] en anderen en de Vechtplassencommissie wijzen erop dat aan de gronden van [appellanten sub 2] de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - ambachtelijk productiebedrijf van vruchtensappen" is toegekend, maar dat onduidelijk - en daarmee rechtsonzeker - is wat onder "ambachtelijk" wordt verstaan. Zij voeren in dit verband aan dat het begrip "ambachtelijk" niet is gedefinieerd in de planregels. Ook stellen zij in dit kader dat de raad een andere invulling van dit begrip hanteert dan in het voorheen geldende bestemmingsplan werd gehanteerd. Het begrip 'ambachtelijk' was in het voorgaande plan gedefinieerd als "het handmatig vervaardigen, herstellen of bewerken van producten en voorwerpen".

Volgens [appellant sub 6] en anderen en de Vechtplassencommissie is [appellanten sub 2] een industrieel bedrijf dat machinaal vruchtensappen produceert. Doordat het begrip "ambachtelijk" door de uitleg die de raad daaraan geeft betekenisloos is geworden in het voorliggende plan, worden daarmee volgens hen de gebruiksmogelijkheden van het terrein van [appellanten sub 2] aanzienlijk verruimd ten opzichte van het voorgaande plan. De raad heeft de toename van de productiecapaciteit die daarmee mogelijk wordt gemaakt en de ruimtelijk effecten daarvan - zoals een toename van verkeer en het effect daarvan op het woon- en leefklimaat van omwonenden - niet onderzocht, aldus [appellant sub 6] en anderen en de Vechtplassencommissie. 32.1. Op de verbeelding is aan de gronden van [appellanten sub 2] de bestemming "Bedrijf" toegekend en ook de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - ambachtelijk productiebedrijf van vruchtensappen". In artikel 4, lid 4.1, van de planregels, die bij het bestreden besluit zijn vastgesteld, is het

Uitspraak 201900226/1/R4

21

volgende bepaald: "De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. bedrijven zoals genoemd in categorie 1 en 2 van de in de bijlage bij de regels opgenomen ‘Staat van bedrijfsactiviteiten’, tenzij op de verbeelding ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijf van categorie’ anders staat aangeven (lees: aangegeven) en uitsluitend ter plaatse van de hieronder vermelde aanduiding, tevens voor dat bedrijf: (adres) [locatie 5], Breukelen (omschrijving) ambachtelijk productiebedrijf van vruchtensappen (aanduiding) "Specifieke vorm van bedrijf - ambachtelijk productiebedrijf van vruchtensappen". Het wijzigingsbesluit bevat eenzelfde regeling. 32.2. De raad stelt dat ambachtelijke bereiding niet betekent dat de productie geheel handmatig plaatsvindt, maar dat niet vooraf volledig vaststaat wat de kwaliteit van de eindproducten zal zijn. De uiteindelijke kwaliteit is voor een groot deel afhankelijk van de keuzes die de producent bij het productieproces maakt. De raad wijst in dit verband op de tekening behorende bij de milieuvergunning, op basis waarvan volgens de raad slechts een klein deel van het pand in gebruik voor de daadwerkelijke productie van de sappen en de rest van het pand wordt gebruikt als opslag - en expeditieruimte. Volgens de raad is het gebruik van [appellanten sub 2] nog steeds te kenmerken als een kleinschalige en ambachtelijke bedrijfsvoering. 33.

De Afdeling stelt vast dat de raad een andere invulling aan het begrip "ambachtelijk" geeft dan de invulling die aan dat begrip in het voorheen geldende bestemmingsplan voor de gronden van [appellanten sub 2] is gegeven, in welk plan onder een "ambachtelijke bedrijfsvoering" werd verstaan: het handmatig vervaardigen, herstellen of bewerken van producten en voorwerpen. De invulling die de raad thans voor het begrip "ambachtelijk" hanteert, is bovendien niet vastgelegd in het voorliggende bestemmingsplan, waarin het begrip "ambachtelijk" niet is gedefinieerd, en de invulling die de raad hanteert is ook niet te herleiden tot een uitleg die in het normaal spraakgebruik aan dit begrip wordt gegeven. Met [appellant sub 6] en anderen en de Vechtplassencommissie is de Afdeling van oordeel dat artikel 4, lid 4.1, onder a, van de planregels onduidelijk en dus rechtsonzeker is, voor zover het betreft het begrip "ambachtelijk". Het betoog slaagt. Ruimtelijke afweging toegestane bedrijfsactiviteiten [appellanten sub 2] 34. [appellant sub 1], [appellant sub 6] en anderen en de Vechtplassencommissie voeren aan dat de uitbreiding van het bedrijf van [appellanten sub 2] een verkeersaantrekkende werking heeft en negatieve gevolgen heeft voor de verkeersveiligheid. Zij wijzen hierbij erop dat het leidt tot een toename van vrachtverkeer op de smalle Zandweg.

Dit leidt onder meer tot gevaarlijke verkeerssituaties. [appellant sub 6] en anderen betogen verder dat de raad de effecten van het plan voor hun woon- en leefklimaat ten onrechte niet heeft onderzocht. [appellanten sub 2] voert daarentegen aan dat de raad ten onrechte geen rekening heeft gehouden met haar initiatiefplan om de bedrijfsbebouwing met 1.100 m2 uit te breiden. [appellanten sub 2] voert ook aan dat de raad de extra bouwmogelijkheden die de algemene afwijkingsbevoegdheid in artikel 4, lid 4.3, onder 4.3.4, van de planregels biedt bij recht had moeten toestaan.

Uitspraak 201900226/1/R4

22

[appellant sub 6] en anderen keren zich eveneens tegen deze algemene afwijkingsbevoegdheid. Zij betogen dat de raad de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de daarbij gegeven bouwmogelijkheid ten onrechte niet heeft onderzocht bij de vaststelling van het plan. Het doorschuiven van die beoordeling naar het moment dat eventueel van die afwijkingsbevoegdheid gebruik wordt gemaakt, is volgens [appellant sub 6] en anderen niet toegelaten. 34.1. De raad stelt dat bij de voorbereiding van het plan gesprekken zijn gevoerd met [appellanten sub 2] en dat daarbij overeenstemming is bereikt over de omvang van de uitbreidingsmogelijkheden die in het plan worden opgenomen. Die uitbreidingsmogelijkheden zijn aangeduid op de verbeelding, waarbij het bestemmingsvlak is verplaatst en vergroot. Verder wijst de raad op een motie die bij de vaststelling van het plan is aangenomen, waarin het standpunt over verdere uitbreidingsmogelijkheden is verwoord. Ook wijst de raad op de voor de gronden van [appellanten sub 2] geldende algemene afwijkingsbevoegdheid die onder voorwaarden vergroting van bedrijfsgebouwen met 15% mogelijk maakt. 34.2. Zoals hiervoor onder 9.1 is overwogen, is in het stelsel van de Wro een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd.

De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. 34.3. De Afdeling stelt voorop op dat de raad geen kenbare ruimtelijke afweging heeft gemaakt over de ruimtelijke gevolgen van de uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten van [appellanten sub 2] die zij in het plan heeft beoogd toe te staan. Het had op de weg van de raad gelegen om een afweging van de ruimtelijk relevante aspecten, zoals de effecten voor het verkeer en het woon- en leefklimaat van omwonenden, kenbaar bij zijn beoordeling te betrekken, te meer nu de planregeling voor [appellanten sub 2] afwijkt van die onder het voorheen geldende bestemmingsplan (waarbij de Afdeling verwijst naar hetgeen in hiervoor onder 33 is opgemerkt over het begrip "ambachtelijk"). Hierbij is van belang dat de raad inzichtelijk maakt in hoeverre sprake zal zijn van een toename van vrachtverkeer op het Zandpad. De raad dient verder de effecten van de bedrijfsactiviteiten mede te bezien in het licht van het concrete initiatief voor (verdere) bedrijfsuitbreiding van [appellanten sub 2].

Hierover overweegt de Afdeling het volgende. Niet in geschil is dat de uitbreidingsplannen van [appellanten sub 2] concreet zijn en tijdig kenbaar zijn gemaakt. Het plan voorziet in een vergroting van het bouwvlak met ongeveer 250 m2 voor de bedrijfslocatie van [appellanten sub 2], waarmee uitbreiding van de bebouwing mogelijk wordt gemaakt. Daarmee is een deel van de gewenste 1.100 m2 aan uitbreidingsmogelijkheden meegenomen in het plan. De raad heeft evenwel geen (kenbare) ruimtelijke afweging gemaakt over de overige, door [appellanten sub 2] gewenste uitbreidingsmogelijkheden. De Afdeling stelt in dit kader vast dat de raad niet heeft aangegeven welke stukken nog nodig waren of op welke aspecten nader onderzoek was vereist. De Afdeling is gelet op het vorenstaande van oordeel dat de raad een ruimtelijke afweging had moeten maken over de vraag of het initiatief van [appellanten sub 2] voor vergroting van de bebouwingsmogelijkheden tot 1.100 m2 bij recht kon worden toegestaan, overigens mede bezien in het licht van wat de andere appellanten - die zich tegen de vergroting verzetten - hebben ingebracht. Weliswaar heeft de raad het standpunt ingenomen,

Uitspraak 201900226/1/R4

23

met verwijzing naar een aangenomen motie, dat verdere uitbreiding van [appellanten sub 2] niet wenselijk is, mede vanwege het zware vrachtverkeer dat van en naar [appellanten sub 2] rijdt op het Zandpad, maar de raad heeft nagelaten om dit standpunt nader te motiveren. Wat betreft de algemene afwijkingsbevoegdheid van artikel 4, lid 4.3, onder 4.3.4, van de planregels merkt de Afdeling het volgende op. De raad had - gezien de beroepsgronden van [appellanten sub 2] en [appellant sub 6] en anderen op dit punt - dienen te beoordelen of hij de extra bouwmogelijkheden die de afwijkingsbevoegdheid in artikel 4, lid 4.3, onder 4.3.4, van de planregels biedt bij recht konden worden toegestaan, zoals [appellanten sub 2] wenst, dan wel in het geheel achterwege hadden dienen te blijven, zoals [appellant sub 6] en anderen wensen. Het bestreden besluit en het wijzigingsbesluit missen een deugdelijke motivering op dit punt. Dat deze afwijkingsbevoegdheid algemeen van aard is, leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij betrekt de Afdeling het volgende.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 16 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2618, kan bij algemene afwijkingsbevoegdheden die geen betrekking hebben op een specifieke locatie en waarbij voorwaarden zijn gesteld die verzekeren dat de toepassing daarvan niet in strijd komt met een goede ruimtelijke ordening, de raad in beginsel volstaan met een afweging of deze in het algemeen op een ruimtelijk aanvaardbare wijze kunnen worden toegepast. Dat ligt anders indien een concrete aanleiding bestaat om af te wegen of dergelijke afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden op een specifieke locatie op een ruimtelijk aanvaardbare wijze kunnen worden toegepast dan wel in het geval van wettelijke verplichtingen. Naar het oordeel van de Afdeling bestond in dit geval concrete aanleiding voor een specifieke afweging of de afwijkingsbevoegdheid op ruimtelijke aanvaardbare wijze kan worden toegepast. Daarbij is van belang dat sprake is van een bestaande verkeerssituatie op het Zandpad, die door de raad zelf ook als onwenselijk wordt gezien, gezien de aangenomen motie dat de schaal en omvang van de bedrijfsvoering van [appellanten sub 2] niet meer passend is aan het Zandpad en verdere uitbreiding op deze locatie niet gewenst is. De betogen slagen. Voorwaardelijke verplichtingen 35.

[appellanten sub 2] kan zich verder niet verenigen met de voorwaardelijke verplichting in artikel 4, lid 4.3, onder 4.3.5, van de planregels, voor zover daarmee is bepaald dat de vergroting van de bebouwing alleen mag worden aangewend voor opslag. [appellanten sub 2] wijst erop dat er activiteiten worden verricht die niet onder opslag vallen en evenmin onder productie, zoals bijvoorbeeld het stallen van landbouwvoertuigen of de reparatie van machines. Niet valt in te zien waarom dergelijke activiteiten ruimtelijk niet aanvaardbaar zijn, aldus [appellanten sub 2]. [appellant sub 6] en anderen en [appellant sub 1] betogen dat de voorwaardelijke verplichting in artikel 4, lid 4.3, onder 4.3.5, van de planregels niet waarborgt dat de uitbreiding alleen voor opslag mag worden gebruikt. Volgens hen is ten onrechte niet vastgelegd dat die uitbreidingsmogelijkheid niet mag worden gebruikt voor uitbreiding van de productiecapaciteit. [appellant sub 6] en anderen kunnen zich verder niet verenigen met het wijzigingsbesluit omdat daarmee rechtsonzekerheid is ontstaan wat betreft de voorwaardelijke verplichting voor [locatie 5].

Zij wijzen erop dat de formulering van de in het wijzigingsbesluit toegevoegde voorwaardelijke verplichting in artikel 5, lid 5.4, onder 5.4.1, van de planregels ten onrechte afwijkt van de voorwaardelijke verplichting die in artikel 4, lid 4.3, onder 4.3.5 van de planregels is opgenomen. Zij wijzen in dit kader erop dat in artikel 5, lid 5.4, onder 5.4.1, een termijn van 3 maanden voor het slopen van een bouwwerk is opgenomen en die termijn ontbreekt in artikel 4, lid 4.3, onder 4.3.5, van de planregels.

Uitspraak 201900226/1/R4

24

Omdat beide voorwaardelijke verplichtingen hetzelfde doel hebben, is die afwijking volgens hen rechtsonzeker en moet die termijn worden geschrapt. Daarentegen betoogt de Vechtplassencommissie dat de termijn van 3 maanden ten onrechte niet in artikelonderdeel 4.3.5 is opgenomen. 35.1. In het plan, zoals dat bij het bestreden besluit is vastgesteld, is onder het kopje "Voorwaardelijke verplichting [locatie 5]" het volgende bepaald in artikel 4, lid 4.3, onder 4.3.5, van de planregels: "Ten behoeve van het vergroten van de binnen het bouwvlak aanwezige bebouwing ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - 1’ ten behoeve van opslag met maximaal 17% van het oppervlak van de aanwezige bebouwing, dient de aanwezige bebouwing ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - 2’ geheel verwijderd te worden, met dien verstande dat de vergroting uitsluitend mag plaatsvinden op de onbebouwde gronden binnen het aanwezige bouwvlak." In artikel 4, lid 4.3, onder 4.3.5, van de planregels, zoals vastgesteld in het wijzigingsbesluit, is onder het kopje "Voorwaardelijke verplichting [locatie 5]" het volgende bepaald: "Ten behoeve van het vergroten van de binnen het bouwvlak aanwezige bebouwing ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - 1’ ten behoeve van opslag met maximaal 17% van het oppervlak van de aanwezige bebouwing, dient de aanwezige bebouwing ter

plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - 2’ binnen de bestemming "Bos" geheel verwijderd te worden, met dien verstande dat de vergroting uitsluitend mag plaatsvinden op de onbebouwde gronden binnen het aanwezige bouwvlak." De Afdeling stelt vast dat ten opzichte van de planregel in het bestreden besluit in het wijzigingsbesluit de zinsnede "binnen de bestemming "Bos"" is toegevoegd. In het wijzigingsbesluit is verder bij de bestemming "Bos" een voorwaardelijke verplichting toegevoegd in artikel 5, lid 5.4, onder 5.4.1, van de planregels. Dat artikelonderdeel luidt als volgt: "Ten behoeve van het vergroten van de binnen het bouwvlak aanwezige bebouwing ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - 1‘ ten behoeve van opslag met maximaal 17% van het oppervlak van de aanwezige bebouwing binnen de bestemming ‘Bedrijf’, dient de aanwezige bebouwing ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - 2’ binnen 3 maanden na realisatie ter plaatse van de bebouwing ter plaatse van de ‘specifieke bouwaanduiding - 1’ geheel verwijderd te worden, met dien verstande dat de vergroting uitsluitend mag plaatsvinden op de onbebouwde gronden binnen het aanwezige bouwvlak." 35.2. De Afdeling overweegt over artikel 4, lid 4.3, onder 4.3.5, van de planregels als volgt.

Ter zitting is gebleken dat de raad hiermee onder meer heeft beoogd te regelen dat in geval van een vergroting van de binnen het bouwvlak aanwezige bebouwing die vergroting niet voor activiteiten ten behoeve van de productie mag worden gebruikt. De Afdeling is van oordeel dat die bedoeling in dit artikellid niet, althans niet duidelijk, naar voren komt. De formulering van de voorwaardelijke verplichting duidt namelijk erop dat alleen opslag is toegestaan. Gelet op het vorenstaande heeft de raad in zoverre niet bereikt wat hij heeft beoogd, zodat reeds hierom moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit en het wijzigingsbesluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand zijn gekomen. Bovendien heeft de raad met artikel 4, lid 4.3, onder 4.3.5, van de planregels geregeld dat bepaalde andere activiteiten, zoals de stalling en reparaties waar [appellanten sub 2] ter

Uitspraak 201900226/1/R4

25

zitting op heeft gewezen, niet zijn toegestaan, terwijl de raad niet heeft gesteld dat die activiteiten ruimtelijk onaanvaardbaar zijn. In dit opzicht is deze planregel niet deugdelijk gemotiveerd. De Afdeling stelt verder vast dat de voorwaardelijke verplichting van artikel 4, lid 4.3, onder 4.3.5, van de planregels op hoofdlijnen gelijk is aan de voorwaardelijke verplichting van artikel 5, lid 5.4, onder 5.4.1, van de planregels. Het verschil, waar [appellant sub 6] en anderen en de Vechtplassencommissie op hebben gewezen, is dat in artikelonderdeel 4.3.5 de termijn van 3 maanden ontbreekt die in artikelonderdeel 5.4.1 wel is opgenomen. De Afdeling vindt het onduidelijk waarom dit verschil in de planregels wordt gemaakt, aangezien beide voorwaardelijke verplichtingen eenzelfde strekking hebben. Daarom is de toevoeging van artikelonderdeel 5.4.1 in het wijzigingsbesluit, naar het oordeel van de Afdeling, niet deugdelijk gemotiveerd. De betogen slagen. Millieueffectrapport ontbreekt 36. [appellant sub 1] betoogt dat ten onrechte geen milieueffectrapport (hierna: MER) is gemaakt, omdat voor de productie van vruchtensap bij [appellanten sub 2] het fruit uit het buitenland wordt geïmporteerd en het transport daarvan daardoor zeer milieuvervuilend is. 36.1.

De Afdeling overweegt dat de gevallen waarin het verrichten van een milieueffectbeoordeling en/of het eventueel maken van een MER is vereist, zijn beschreven in onderdeel C en D van de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.). Het vervoeren van fruit als zodanig is geen activiteit die in het Besluit m.e.r. is aangemerkt als een activiteit waarvoor een MER moet worden gemaakt. Reeds hierom slaagt dit betoog niet. Overigens heeft [appellant sub 1] niet onderbouwd dat voor de bedrijfsvoering van [appellanten sub 2] aan de drempelwaarden voor een van de categorieën in onderdeel C en D van het Besluit m.e.r. wordt voldaan of dat er gebreken aan de zogenoemde vormvrije m.e.r.beoordeling als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van het Besluit m.e.r. zouden kleven. Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan 37. [appellant sub 6] en anderen betogen dat het plan in strijd is met het 'Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan, deel D, trajectnota Zandpad tussen Maarssen en Nieuwersluis' , van de gemeente Stichtse Vecht (hierna: het GVVP), omdat daarin is vermeld dat overleg met [appellanten sub 2] moet worden gestart over verplaatsing. Daarmee erkent de raad volgens [appellant sub 6] en anderen dat [appellanten sub 2] op de huidige locatie niet langer ruimtelijk aanvaardbaar is.

De verruiming van de bedrijfsmogelijkheden waarin het plan voorziet op de huidige locatie is in strijd met het GVVP, aldus [appellant sub 6] en anderen. 37.1. In het GVVP is vermeld dat meer dan de helft van de vrachtwagenbewegingen op het zuidelijke deel van het Zandpad wordt veroorzaakt door [appellanten sub 2] en dat een verplaatsing van dit bedrijf tot een aanzienlijke vermindering van het aantal vrachtwagenbewegingen op het Zandpad zal leiden. Het verdient aanbeveling hierover met de eigenaar in overleg te gaan, aldus het GVVP. Het starten van overleg ten aanzien van eventuele verplaatsing van [appellanten sub 2] is ook als actiepunt opgenomen in paragraaf 7 van het GVVP. Anders dat [appellant sub 6] en anderen betogen, valt in het GVVP niet te lezen dat de aanwezigheid van [appellanten sub 2] op de huidige locatie uit ruimtelijk oogpunt

Uitspraak 201900226/1/R4

26

onaanvaardbaar is en evenmin dat bedrijfsverplaatsing noodzakelijk is. Van strijd met het GVVP is geen sprake. Dit betoog slaagt niet. Onjuist geformuleerde planregel 38. [appellanten sub 2] en [appellant sub 6] en anderen hebben aangevoerd dat in het bestreden besluit een onjuist geformuleerde planregel is opgenomen. Dit is artikel 4, lid 4.4, onder 4.4.3, van de planregels, welke bepaling volgens hen rechtsonzeker is. 38.1. In het plan, dat bij het bestreden besluit is vastgesteld, is in artikel 4, lid 4.4, onder 4.4.3, van de planregels het volgende bepaald: "Ten behoeve van het vergroten van het vloeroppervlak dat gebruikt mag worden voor opslag tot maximaal 17% van het bebouwde vloeroppervlak ter plaatse van de aanduiding ‘maximum percentage vloeroppervlak’ dient de aanwezige bebouwing ter plaatse van de". 38.2. De Afdeling stelt vast dat de raad deze planregel in het wijzigingsbesluit uit het plan heeft verwijderd. Niet is gebleken dat [appellanten sub 2] zich verzet tegen de verwijdering van de genoemde planregel. Ter zitting is gebleken dat [appellant sub 6] en anderen met deze verwijdering kunnen instemmen. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het bestreden besluit wat betreft genoemde planregel geen betekenis meer heeft. Het aangevoerde over de genoemde planregel in het bestreden besluit behoeft daarom geen bespreking meer. Het betoog slaagt niet.

Plandeel [locatie 6]: helikopterluchthaven 39. [appellant sub 1] woont aan het Zandpad en kan zich niet verenigen met de planregeling voor de helikopterhaven aan het [locatie 6] te Breukelen. Hij wijst op de nadelige effecten van de helikopterhaven. [appellant sub 7] woont aan het [locatie 6] en KNSF heeft een kantoor op het daar aanwezige landgoed. [appellant sub 7] en KNSF kunnen zich wel verenigen met de helikopterhaven, maar niet met de exacte wijze waarop de helikopterhaven in het bestemmingsplan is geregeld. 39.1. Op de verbeelding van het bestreden besluit is aan de gronden aan het [locatie 6] te Breukelen de bestemming "Buitenplaats" toegekend en de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - helikopterluchthaven". In het bij het bestreden besluit vastgestelde plan is in artikel 6, lid 6.1, onder h, van de planregels bepaald dat ter plaatse van de aanduiding "helikopterluchthaven" tevens een helikopterluchthaven toegestaan. De beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 7] en KNSF zijn van rechtswege mede gericht tegen het wijzigingsbesluit, waarin de helikopterhaven eveneens is op deze wijze is bestemd. Illegale aanwezigheid? 40. [appellant sub 1] stelt dat de helikopterhaven aan het [locatie 6] in het verleden illegaal is aangelegd in een natuurgebied.

Mede vanwege de geluidsoverlast en milieueffecten had de raad de helikopterhaven in het voorliggende plan niet moeten toestaan, aldus [appellant sub 1].

Uitspraak 201900226/1/R4

27

40.1. De Afdeling stelt vast dat de helikopterhaven dient ter ondersteuning van de bedrijfsactiviteiten van KNSF. Wat er ook zij van de vraag of de helikopterhaven ooit illegaal is aangelegd, het staat vast dat de helikopterhaven, waarvoor een luchthavenregeling geldt, thans legaal aanwezig is. In beginsel dient de raad, zoals hier ook is gebeurd, legaal bestaand gebruik als zodanig te bestemmen. Tegen die achtergrond mocht de raad een regeling in het plan opnemen op grond waarvan het gebruik van de in geding zijnde gronden als helikopterhaven is toegestaan. Het betoog slaagt niet. Systematiek met aanduiding 41. [appellant sub 7] en KNSF betogen dat het niet logisch is om de bestaande helikopterhaven op het landgoed door middel van een aanduiding binnen de bestemming "Buitenplaats" toe te staan, aangezien daarmee die zelfstandige functie niet voldoende kenbaar is. Een andere bestemming lag volgens hen meer voor de hand. 41.1. De Afdeling is van oordeel dat de raad in dit geval op goede gronden voor een functieaanduiding op de verbeelding ter hoogte van de helikopterhaven heeft gekozen. De omstandigheid dat een helikopterhaven een zelfstandige functie is die geen verband houdt met het landgoed of de bestemming "Buitenplaats", betekent niet dat daarvoor een andere bestemming moet worden toegekend.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012, in samenhang gelezen met artikel 1.2.6, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, moet de raad het bestemmingsplan vormgeven en inrichten overeenkomstig de standaard SVBP2012 die is opgenomen in bijlage 5 van deze Regeling. In paragraaf 5.3 van het SVBP2012 is over functieaanduidingen opgenomen dat zij ook kunnen worden gebruikt om op een bepaalde locatie een specifieke, niet bij de bestemming passende, functie toe te laten. Dat voor de helikopterhaven ook een andere bestemming had kunnen worden gekozen door de raad, betekent dus niet dat het plan op dit punt niet in overeenstemming is met het SVBP2012. Dit betoog slaagt niet. Ontbreken obstakelvrije zone 42. [appellant sub 7] en KNSF voeren aan dat ten onrechte in het plan een regeling voor een obstakelvrije zone ontbreekt. Dit leidt tot rechtsonzekerheid, aldus [appellant sub 7] en KNSF. 42.1. In het plan dat bij het bestreden besluit is vastgesteld is geen regeling opgenomen voor een obstakelvrije zone rondom de helikopterluchthaven. Het beroep van [appellant sub 7] en KNSF is van rechtswege mede gericht tegen het wijzigingsbesluit, waarin eveneens een obstakelvrije zone rondom de helikopterluchthaven ontbreekt. 42.2.

De Afdeling ziet in wat [appellant sub 7] en KNSF hebben aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het uit oogpunt van rechtszekerheid nodig was om in het plan een regeling voor een obstakelvrije zone op te nemen. Verder stelt de raad zich terecht op het standpunt dat artikel 14 van het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' geen verplichting bevat om een dergelijke zone in een bestemmingsplan vast te leggen. Voorts heeft de raad met juistheid erop gewezen dat in luchthavenregeling "Luchthaven [locatie 6] te Breukelen" uit 2012 voor deze helikopterhaven ook geen obstakelvrije zone is vastgelegd, zodat niet valt in te zien waarom dit in het plan wel geregeld zou moeten worden.

Uitspraak 201900226/1/R4

28

Dit betoog slaagt niet. Uitsterfregeling 43. [appellant sub 7] en KNSF betogen dat artikel 6, lid 6.5, onder 6.5.3, van de planregels inhoudende dat het gebruik van de gronden als helikopterhaven vervalt als dit gebruik langer dan een jaar wordt onderbroken of als de provinciale luchthavenregeling is komen te vervallen, rechtsonzeker is. 43.1. In artikel 6, lid 6.5, onder 6.5.3, van de planregels, zoals vastgesteld met het bestreden besluit, is het volgende bepaald: "[…] Indien het gebruik ter plaatse van de aanduiding ‘helikopterluchthaven’ na het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken of de door Provinciale Staten afgegeven luchthavenregeling is komen te vervallen, is het verboden het gebruik als helikopterluchthaven daarna te hervatten." De beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 7] en KNSF zijn van rechtswege mede gericht tegen het wijzigingsbesluit, waarin deze planregel ook is opgenomen. 43.2. De Afdeling overweegt dat artikel 6, lid 6.5, onder 6.5.3, van de planregels is aan te merken als een zogenoemde uitsterfregeling. In dit geval is de Afdeling van oordeel dat aan de hand van de bestreden planregel objectief kan worden vastgesteld wanneer de gronden niet langer als helikopterhaven mogen worden gebruikt.

Anders dan [appellant sub 7] en KNSF betogen, is deze planregeling dan ook niet rechtsonzeker. Dit betoog slaagt niet. Type helikopters 44. [appellant sub 7] en KNSF voeren aan dat in artikel 6, lid 6.5.3, van de planregels ten onrechte is opgenomen met welk type helikopters de vergunninghouder mag opstijgen en landen. Bij vervanging van de huidige helikopters zou dit direct tot een knelpunt leiden, omdat het gebruik daarvan dan niet is toegestaan. Het type helikopter vastleggen in de planregels is niet noodzakelijk, aangezien dit reeds in de luchthavenregeling is vastgelegd, aldus [appellant sub 7] en KNSF. 45. In artikel 6, lid 6.5.3, van de planregels is het volgende bepaald: "Ter plaatse van de aanduiding "helikopterluchthaven" is het toegestaan conform de verleende vergunning van de provincie de volgende typen helikopters te (laten) opstijgen en landen: a. een Eurocopter EC-120; b. een Eurocopter EC-130; c. een Eurocopter EC-135. […]." Het beroep van [appellant sub 7] en KNSF is van rechtswege mede gericht tegen het wijzigingsbesluit, waarin dezelfde planregel is opgenomen. 45.1. Het toegestane type helikopters is geregeld in de luchthavenregeling die voor de helikopterhaven is vastgesteld. Ter plaatse van de bedoelde helikopterhaven mogen op grond

Uitspraak 201900226/1/R4

29

van artikel 3.2.5.2.1 van de luchthavenregeling uitsluitend de daarin genoemde helikopters opstijgen en landen. De raad heeft toegelicht dat het toegestane type helikopters in het bestemmingsplan "één-opéén" is overgenomen uit de luchthavenregeling. De raad wenst hier niet, althans niet zonder nadere afweging, het stijgen of landen van andere type helikopters toe te staan. De Afdeling stelt vast dat in de luchthavenregeling is geregeld welke type helikopters zijn toegestaan om vanaf de helikopterhaven op te stijgen of te landen. Indien de initiatiefnemer van de helikopterhaven met andere typen helikopters (bijvoorbeeld grotere helikopers) wenst te landen of op wenst te stijgen, zal de luchthavenregeling gewijzigd moeten worden. De Afdeling is van oordeel dat de raad niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat artikel 6, lid 6.5.3, van de planregels vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening een toegevoegde waarde heeft ten opzichte van de in de luchthavenregeling opgenomen bepaling van de toegestane type helikopters. Het betoog slaagt. Plandeel [locatie 6] - gebruiksmogelijkheden bebouwing 46. [appellant sub 7] en KNSF voeren aan dat, zoals zij in hun zienswijze hebben gesteld, ten onrechte niet alle bebouwing op het perceel positief is bestemd, waarbij zij in het bijzonder gewezen hebben op een theater en de orangerie.

Verder sluit de planregeling niet aan op het bestaande gebruik en biedt deze onvoldoende gebruiksmogelijkheden binnen de bebouwing op het landgoed, aldus [appellant sub 7] en KNSF. Volgens [appellant sub 7] en KNSF heeft de raad verzuimd de bebouwing en het gebruik zorgvuldig te inventariseren. 47. Het beroep van [appellant sub 7] en KNSF is van rechtswege mede gericht tegen het wijzigingsbesluit, waarin eenzelfde planregeling ter hoogte van [locatie 6] is opgenomen als in het bestreden besluit. 47.1. De Afdeling overweegt dat het op de weg van de raad had gelegen om - mede naar aanleiding van wat [appellant sub 7] en KNSF in hun zienswijze naar voren hebben gebracht de bestaande bebouwing en het bestaande gebruik van de bebouwing op genoemd perceel te inventariseren. Nu ter zitting is gebleken dat de raad dit niet heeft onderzocht en evenmin dat hij de hiermee samenhangende belangen van [appellant sub 7] en KNSF bij de vaststelling van het plan heeft betrokken, heeft de raad het plan in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het betoog slaagt. Evenementen - buitenplaats Goudestein 48. Buitenplaats Goudestein ligt aan de Diependaalsedijk 19 in Maarssen. Het landgoed is een openbaar park, waar al jaren allerlei lokale evenementen worden gehouden en sinds een aantal jaren is daar ook een tijdelijke ijsbaan gelegen. 49.

De Wijkcommissie en de Vechtplassencommissie kunnen zich niet verenigen met de planregeling voor met name de meerdaagse evenementen. 49.1. Op de verbeelding van het bestreden besluit zijn aan het landgoed ten zuiden van het landhuis twee aanduidingen toegekend, te weten 'specifieke vorm van cultuur en ontspanning - evenemententerrein 1' en op een deel daarvan 'specifieke vorm van cultuur en ontspanning - evenemententerrein 2'. Evenemententerrein 2 is bedoeld voor de

Uitspraak 201900226/1/R4

30

tijdelijke schaatsbaan. Ingevolge artikel 6, lid 6.5, onder 6.5.2, is onder het kopje "Evenemententerrein" het volgende vermeld: "a. Ter plaatse van de aanduiding ‘evenemententerrein - 1’ zijn eendaagse evenementen […] toegestaan, met dien verstande dat: […]; 2. tot een maximum van 3 meerdaagse evenementen per kalenderjaar voor de maximale duur van 3 dagen per evenement; 3. de op- en afbouw mag voor de meerdaagse evenementen naast de dagen van het evenement maximaal 2 dagen voor en na het evenement duren. b. Ter plaatse van de aanduiding ‘evenemententerrein - 2" is tevens een evenement in de vorm van een schaatsbaan toegestaan […]." Het beroep van de Wijkcommissie en de Vechtplassencommissie is van rechtswege mede gericht tegen het wijzigingsbesluit, waarin een evenementenregeling is opgenomen die gelijkluidend is aan die in het bestreden besluit. 50. De Afdeling merkt op dat de Wijkcommissie geen zienswijze heeft ingediend over het ontwerpplan. Het bestemmingsplan is evenwel, naar aanleiding van aangenomen amendementen, gewijzigd vastgesteld in het bijzonder wat betreft de mogelijkheid van meerdaagse evenementen en de toegestane duur van de op- en afbouw van meerdaagse evenementen.

Daarom is het niet indienen van een zienswijze geen beletsel om het beroep inhoudelijk te beoordelen, zij het dat uitsluitend de gewijzigde planregeling voor dit perceel in beroep door de Wijkcommissie aan de orde kan worden gesteld. 51. De Afdeling merkt allereerst op dat de Wijkcommissie en de Vechtplassencommissie geen argumenten hebben aangedragen op grond waarvan de tijdelijke schaatsbaan niet had mogen worden toegestaan. 52. Voor zover de Wijkcommissie stelt dat de raad haar ten onrechte niet heeft betrokken bij de keuze om meerdaagse evenementen mogelijk te maken, overweegt de Afdeling dat geen rechtsregel een verplichting voor de raad met zich brengt om bij de gewijzigde vaststelling van het plan overleg met de Wijkcommissie te voeren. Het betoog slaagt niet. 53. De Wijkcommissie betoogt dat buitenplaats Goudestein, waaronder de historische tuinaanleg, is aangewezen als rijksmonument. Volgens de Wijkcommissie wordt door het mogelijk maken van meerdaagse evenementen de cultuurhistorische waarde van Goudestein aangetast. 53.1. Op de verbeelding is aan de gronden, die hier aan de orde zijn, onder meer de dubbelbestemming "Waarde - Buitenplaatsbiotoop" toegekend. In artikel 30, lid 30.1, van de planregels is het volgende bepaald: "De voor ‘Waarde - Buitenplaatsbiotoop’ aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en) mede bestemd voor: a.

het behoud, herstel, beheer en de versterking van het ensemble van de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden en hun samenhang, welke

Uitspraak 201900226/1/R4

31

met name bestaat uit de buitenplaats […]." In artikellid 30.2 zijn de bouwregels bij deze bestemming vermeld. Daarin is het volgende bepaald: "Op de gronden met de bestemming ‘Waarde - Buitenplaatsbiotoop’ mag ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) en (bouw)regels uitsluitend worden gebouwd indien: a. de cultuurhistorische waarden [..] niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen; […]". In artikellid 30.3 is een omgevingsvergunningenstelsel voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, opgenomen. 53.2. Met het enkele gegeven dat evenementen mogen plaatsvinden op Goudestein heeft de Wijkcommissie, naar het oordeel van de Afdeling, niet aannemelijk gemaakt dat daarmee de cultuurhistorische waarde van die buitenplaats zal worden aangetast. Uit de verbeelding blijkt dat in het plan aan de gronden die betrekking hebben op buitenplaats Goudestein de dubbelbestemming "Waarde - Buitenplaatsbiotoop" is toegekend en dat die dubbelbestemming ook geldt voor de locaties van het evenemententerrein. Gelet op de bouwregels en aanlegvergunningplicht die in de planregels behorende bij die dubbelbestemming zijn opgenomen, volgt de Afdeling de raad in zijn standpunt dat daarmee de cultuurhistorische waarde van deze buitenplaats voldoende is beschermd. Dit betoog slaagt niet. 54.

De Wijkcommissie en de Vechtplassencommissie voeren aan dat de meerdaagse evenementen en de op- en afbouwdagen die in het plan mogelijk worden gemaakt de leefomgeving ernstig aantasten. 54.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 29 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV7286, ligt het op de weg van de planwetgever om onder meer ten aanzien van het aantal evenementen per jaar, het soort evenementen en de maximale bezoekersaantallen voorschriften te stellen, indien dat uit een oogpunt van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een evenemententerrein op een bepaalde locatie van belang is. De Afdeling stelt vast dat in de planregels meerdaagse evenementen en bijbehorende op- en afbouwdagen zijn toegestaan. Een ruimtelijke afweging hiervoor ontbreekt echter. Zo heeft de raad niet inzichtelijk gemaakt wat de ruimtelijke gevolgen zijn van de toegestane meerdaagse evenementen voor de aspecten parkeren, verkeer en geluid. Evenmin is beoordeeld in hoeverre vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening een begrenzing van het aantal bezoekers nodig is. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit en het wijzigingsbesluit, voor zover het artikel 6, lid 6.5, onder 6.5.2, sub a, onder 2 en 3, van de planregels betreft, niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand zijn gekomen. Het betoog slaagt. Conclusie 55.

De beroepen van [appellant sub 13], [appellant sub 11] en [appellant sub 10] zijn ongegrond. 56. Gelet op wat hiervoor onder 8.2 is overwogen, ziet de Afdeling in wat [appellant sub 5A]

Uitspraak 201900226/1/R4

32

heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het wijzigingsbesluit, voor zover die zien op het plandeel ter plaatse van het perceel [locatie 1], voor zover daaraan de functieaanduiding "Tuin" is toegekend, zijn genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 5A] is gegrond, zodat het bestreden besluit en het wijzigingsbesluit, voor zover het dit plandeel betreft, dienen te worden vernietigd. De Afdeling merkt op dat het de raad vrij staat zo nodig een andere planregeling voor de in geding zijnde gronden vast te stellen. Tegen die achtergrond ziet de Afdeling op dit punt aanleiding te volstaan met een vernietiging. Uit een oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen deze vernietiging binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl. 57. Gelet op wat hiervoor onder 9.3 is overwogen, ziet de Afdeling in wat [appellant sub 9] en anderen hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het wijzigingsbesluit, voor zover die zien op het plandeel ter plaatse van het zomerhuis ter hoogte van [locatie 2], zijn genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 9] en anderen is gegrond, zodat het bestreden besluit en het wijzigingsbesluit, voor zover het dit plandeel betreft, dienen te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor het vernietigde planonderdeel, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Bij het nieuw te nemen besluit zal de raad alsnog een ruimtelijke afweging dienen te maken over het initiatief voor het zomerhuis. 58. Gelet op wat hiervoor onder 19.3 is overwogen, ziet de Afdeling in wat de Vechtplassencommissie heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het wijzigingsbesluit, voor zover die zien op de voorwaardelijke verplichting van artikel 15, lid 15.3, onder 15.3.4, van de planregels, zijn genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van de Vechtplassencommissie is gegrond, zodat het bestreden besluit en het wijzigingsbesluit in zoverre dienen te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor het vernietigde planonderdeel inzake de voorwaardelijke verplichting, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen.

Bij het nieuw te nemen besluit zal de raad de voorwaardelijke verplichting van artikel 15, lid 15.3, onder 15.3.4 van de planregels moeten wijzigen op de wijze, zoals hiervoor onder 19.3 is aangegeven. 59. Gelet op wat hiervoor onder 22.8 is overwogen, ziet de Afdeling in wat [appellanten sub 8] onderscheidenlijk de Vechtplassencommissie heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het wijzigingsbesluit en het bestreden besluit, voor zover het de gronden betreft waaraan de aanduidingen "specifieke vorm van water - tijdelijk afmeren toegestaan" en "specifieke vorm van water uitgesloten - permanent of tijdelijk aanleggen" zijn toegekend, zijn genomen in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb. Voorts ziet de Afdeling, gelet op wat hiervoor onder 23.3 is overwogen, in wat [appellanten sub 8] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het wijzigingsbesluit, voor zover het de gronden betreft waaraan de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - 3" is toegekend, en het bestreden besluit betreffende deze gronden, zijn genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Ook artikel 18,

Uitspraak 201900226/1/R4

33

aanhef en onder g en h, van de planregels behorend bij het wijzigingsbesluit komt voor vernietiging in aanmerking. De beroepen van [appellanten sub 8] en de Vechtplassencommissie zijn gegrond, zodat het bestreden besluit en het wijzigingsbesluit in zoverre dienen te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor het vernietigde planonderdeel inzake de aanduidingen over het afmeren van recreatievaartuigen en "specifieke bouwaanduiding - 3", met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Bij het nieuw te nemen besluit zal de raad moeten afwegen welke planregeling passend is voor de recreatievaartuigen ter hoogte van de gronden van [appellanten sub 8] (waarbij de mogelijkheid van een uitsterfregeling aan de orde kan komen). Hierbij moet de raad tevens betrekken de vraag of in de bestaande situatie, zoals [appellanten sub 8] heeft gesteld, recreatievaartuigen aanwezig zijn groter zijn dan 7,5 m. Tevens moet de raad bij de beoordeling betrekken wat de Vechtplassencommissie heeft aangevoerd over de aanvaardbaarheid van het aanmeren van recreatievaartuigen in het oostelijke deel van de Weersloot, waaronder de verwijzing naar de ligging van het Natuurnetwerk Nederland.

Verder moet de raad de bestaande bebouwing op de gronden van [appellanten sub 8], waaraan de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - 3" is toegekend, inventariseren. 60. Gelet op wat hiervoor onder 28.3 is overwogen, ziet de Afdeling in wat [appellant sub 4] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het wijzigingsbesluit, voor zover die zien op het plandeel ter plaatse van het perceel 5119 ter hoogte van [locatie 12] te Breukelen, zijn genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 4] is gegrond, zodat het bestreden besluit en het wijzigingsbesluit, voor zover het dit plandeel betreft dienen te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor dit vernietigde planonderdeel, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Bij het nieuw te nemen besluit zal de raad alsnog een ruimtelijke afweging dienen te maken over het initiatief van [appellant sub 4]. 61.

Gelet op wat hiervoor onder 31, 33, 34.3 en 35.2 is overwogen, ziet de Afdeling in wat [appellanten sub 2], [appellant sub 1], de Vechtplassencommissie en [appellant sub 6] en anderen hebben aangevoerd, aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het wijzigingsbesluit zijn genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb, voor zover het betreft de planregeling voor het perceel [locatie 5], betreffende gronden van sapfabriek [appellanten sub 2], met inbegrip van de functieaanduiding "specifieke bouwaanduiding - 1", artikel 4, lid 4.3, onder 4.3.4, van de planregels, artikel 4, lid 4.3, onder 4.3.5, van de planregels, het begrip "ambachtelijk" in artikel 4, lid 4.1, onder a, van de planregels (en alleen voor zover het betreft het wijzigingsbesluit) artikel 4, lid 4.3, onder 4.4.1, sub g, van de planregels en artikel 5, lid 5.4, onder 5.4.1, van de planregels. De beroepen van [appellant sub 1], [appellanten sub 2], de Vechtplassencommissie en [appellant sub 6] en anderen zijn gegrond, zodat het bestreden besluit en het wijzigingsbesluit in zoverre dienen te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor dit vernietigde planonderdeel, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen.

Bij het nieuw te nemen besluit zal de raad alsnog een kenbare ruimtelijke afweging moeten maken over de ruimtelijke gevolgen van de uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten van [appellanten sub 2] die zij in het plan heeft beoogd toe te staan. De raad dient ook de effecten van de bedrijfsactiviteiten mede te bezien in het

Uitspraak 201900226/1/R4

34

licht van het concrete initiatief voor (verdere) bedrijfsuitbreiding van [appellanten sub 2]. Verder dient de raad te beoordelen of de extra bouwmogelijkheden die de afwijkingsbevoegdheid in artikel 4, lid 4.3, onder 4.3.4, van de planregels biedt bij recht kon worden toegestaan, zoals [appellanten sub 2] wenst, dan wel in het geheel achterwege had dienen te blijven, zoals [appellant sub 6] en anderen wensen. De raad dient het besluit te wijzigen door de functieaanduiding "specifieke bouwaanduiding - 1" alsnog aan de juiste gronden toe te kennen. Verder kan de raad, gelet op zijn toelichting dat artikel 4, lid 4.3, onder 4.4.1, sub g, van de planregels geschrapt kan worden, wat betreft die planregel bij het nieuw te nemen besluit volstaan met het schrappen daarvan. De raad kan bij het nieuw te nemen besluit ervoor kiezen het begrip "ambachtelijk" te verduidelijken, dan wel te laten vervallen. Verder zal de raad, voor zover de voorwaardelijke verplichting, van artikel 4, lid 4.3, onder 4.3.5, van de planregels, wordt gehandhaafd, duidelijker dienen te regelen dat in geval van een vergroting van de binnen het bouwvlak aanwezige bebouwing die vergroting niet voor activiteiten ten behoeve van de productie mag worden gebruikt.

Hierbij zal de raad moeten betrekken dat [appellanten sub 2] andere activiteiten dan opslag, zoals stalling en reparaties, ter plaatse wenst te mogen verrichten. Tevens zal de raad het verschil in de planregels betreffende de voorwaardelijke verplichting wat betreft de termijn van 3 maanden nader dienen te motiveren, dan wel de planregeling op dit punt moeten aanpassen. 62. Gelet op wat hiervoor onder 45.1 is overwogen, ziet de Afdeling in wat [appellant sub 7] en KNSF hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het wijzigingsbesluit zijn genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb, voor zover het de volgende zinsdelen in artikel 6, lid 6.5, onder 6.5.3, van de planregels betreft: -"conform de verleende vergunning van de provincie de volgende typen" -"a. een Eurocopter EC-120; b. een Eurocopter EC-130; c. een Eurocopter EC-135". Het beroep van [appellant sub 7] en KNSF is gegrond, zodat het bestreden besluit en het wijzigingsbesluit dienen te worden vernietigd, voor zover het die zinsdelen in artikel 6, lid 6.5, onder 6.5.3, van de planregels betreft. Als gevolg van de vernietiging van deze zinsdelen zal artikel 6, lid 6.5, onder 6.5.3, van de planregels als volgt komen te luiden: "Ter plaatse van de aanduiding "helikopterluchthaven" is het toegestaan om helikopters te (laten) opstijgen en landen.

Indien het gebruik ter plaatse van de aanduiding "helikopterluchthaven" na het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken of de door Provinciale Staten afgegeven luchthavenregeling is komen te vervallen, is het verboden het gebruik als helikopterluchthaven daarna te hervatten of te laten hervatten." Hiermee blijft een duidelijke planregel over. Daarom ziet de Afdeling op dit punt aanleiding te volstaan met een vernietiging. Uit een oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen deze vernietiging binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Uitspraak 201900226/1/R4

35

Gelet op wat hiervoor onder 47.1 is overwogen, ziet de Afdeling in wat [appellant sub 7] en KNSF hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het wijzigingsbesluit in strijd zijn met artikel 3:2 van de Awb, voor zover de raad heeft nagelaten om de bestaande bebouwing en het bestaande gebruik van de bebouwing op het perceel [locatie 6] te Breukelen te inventariseren. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor dit vernietigde planonderdeel, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Bij het nieuw te nemen besluit zal de raad de bestaande bebouwing en het bestaande gebruik van die bebouwing ter plaatse van het landgoed ([locatie 6]) alsnog moeten inventariseren en een afweging dienen te maken over de vraag welke planologische mogelijkheden hier moeten worden toegestaan. 63. Gelet op wat hiervoor onder 54.1 is overwogen, ziet de Afdeling in wat de Wijkcommissie en de Vechtplassencommissie hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het wijzigingsbesluit, voor zover het artikel 6, lid 6.5, onder 6.5.2, sub a, onder 2 en 3, van de planregels betreft, zijn genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Wat de Wijkcommissie en de Vechtplassencommissie voor het overige hebben aangevoerd over de planregeling voor evenementen behoeft geen bespreking meer. Het beroep van de Wijkcommissie en de Vechtplassencommissie is gegrond, zodat het bestreden besluit en het wijzigingsbesluit in zoverre dienen te worden vernietigd. De Afdeling merkt op dat het de raad vrij staat zo nodig een andere planregeling voor de meerdaagse evenementen vast te stellen. Tegen die achtergrond ziet de Afdeling op dit punt aanleiding te volstaan met een vernietiging. Uit een oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen deze vernietiging binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl. 64. Voor zover uit de voorgaande overwegingen volgt dat de raad een nieuw besluit dient te nemen, behoeft dat niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid. Proceskosten 65. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 6] en [appellant sub 9] en anderen, [appellanten sub 8], [appellant sub 4], [appellant sub 7] en KNSF op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

De Afdeling ziet in de omstandigheid dat sprake is geweest van een vergissing van de zijde van de raad, aanleiding om de raad te veroordelen in de door [appellant sub 11] gemaakte proceskosten (en in de vergoeding van het door [appellant sub 11] betaalde griffierecht). Ook ten aanzien van [appellant sub 13] bestaat op zichzelf aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat het wijzigingsbesluit mede is ingegeven door hetgeen [appellant sub 13] tegen het bestreden besluit naar voren had gebracht, maar de Afdeling stelt vast dat voor [appellant sub 13] niet is gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Wel dient de raad in de gegeven omstandigheden ten aanzien van [appellant sub 13] het griffierecht te vergoeden. Ten aanzien van de Wijkcommissie, de Vechtplassencommissie en [appellant sub 5A] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van [appellant sub 10] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitspraak 201900226/1/R4

36

Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellante sub 2A] en [appellante sub 2B] en [appellant sub 6] en anderen, [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B], [appellant sub 9] en anderen, [appellant sub 4] en [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] en de Wijkcommissie Zorgwetering, Dichters en Lanen, de commissie voor de Vecht en het Oostelijk en Westelijk Plassengebied, en [appellant sub 7] en Koninklijke Nederlandse Springstoffen Fabriek N.V. tegen de besluiten van 2 oktober 2018 en 19 november 2019 van de raad van de gemeente Stichtse Vecht, waarbij het bestemmingsplan "Rondom de Vecht" is vastgesteld onderscheidenlijk gewijzigd is vastgesteld, gegrond; II.

vernietigt de besluiten van 2 oktober 2018 en 19 november 2019 van de raad van de gemeente Stichtse Vecht, waarbij het bestemmingsplan "Rondom de Vecht" is vastgesteld onderscheidenlijk gewijzigd is vastgesteld, voor zover: A: die zien op het plandeel ter plaatse van het perceel [locatie 1] te Maarssen, voor zover daaraan de functieaanduiding "Tuin" is toegekend; B: die zien op het plandeel ter plaatse van het zomerhuis ter hoogte van [locatie 2] te Maarssen; C: het betreft de voorwaardelijke verplichting van artikel 15, lid 15.3, onder 15.3.4, van de planregels; D: het de gronden betreft waaraan de aanduidingen "specifieke vorm van water - tijdelijk afmeren toegestaan" en "specifieke vorm van water uitgesloten - permanent of tijdelijk aanleggen" zijn toegekend behorend tot het perceel van [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] alsmede (uitsluitend voor zover het betreft het besluit van 19 november 2019) artikel 18, aanhef en onder g en h, van de planregels; E: die zien op de gronden (waaraan in het besluit van 19 november 2019 de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - 3" is toegekend en voor zover het betreft het besluit van 2 oktober 2018 betreffende diezelfde gronden zonder die aanduiding) behorend tot het perceel van [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B]; F: die zien op het plandeel ter plaatse van het perceel 5119 ter hoogte van [locatie 12] te Breukelen; G: het

betreft de planregeling voor het perceel [locatie 5] te Breukelen, betreffende gronden van sapfabriek [appellanten sub 2], met inbegrip van de functieaanduiding "specifieke bouwaanduiding - 1", artikel 4, lid 4.3, onder 4.3.4, van de planregels, artikel 4, lid 4.3, onder 4.3.5, van de planregels, het begrip "ambachtelijk" in artikel 4, lid 4.1, onder a, van de planregels (en alleen voor zover het betreft het besluit van 19 november 2019) artikel 4, lid 4.3, onder 4.4.1, sub g, van de planregels en artikel 5, lid 5.4, onder 5.4.1, van de planregels; H: het de volgende zinsdelen in artikel 6, lid 6.5, onder 6.5.3, van de planregels betreft: -"conform de verleende vergunning van de provincie de volgende typen" "a. een Eurocopter EC-120; b. een Eurocopter EC-130;

Uitspraak 201900226/1/R4

37

c. een Eurocopter EC-135" I. het betreft plandeel ter plaatse van het perceel [locatie 6] te Breukelen; J: het artikel 6, lid 6.5, onder 6.5.2, sub a, onder 2 en 3, van de planregels betreft; III. draagt de raad van de gemeente Stichtse Vecht op om - ten aanzien van de onderdelen II.B, C, D, E, F, G en I met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, binnen twintig weken na de verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken; IV. draagt de raad van de gemeente Stichtse Vecht op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor onder II.A, H en J vermelde onderdelen worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl; V. verklaart de beroepen van [appellant sub 13], [appellant sub 11] en [appellant sub 10] ongegrond; VI.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/2052/documents/43543