CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Bestemmingsplan Ruimtekwartier Regels.pdf

Raad 1 juli 2025, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: 17: Bestemmingsplan Ruimtekwartier11.285 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

10.5

Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en Wethouders zijn bevoegd betreffende de dubbelbestemming “Waarde Archeologie ” de regels van het plan te wijzigen zodanig dat de dubbelbestemming naar ligging wordt verschoven of naar omvang wordt vergroot of verkleind en in voorkomend geval wordt verwijderd, voor zover de geconstateerde aanwezigheid of afwezigheid van archeologische waarden, in voorkomend geval na archeologisch onderzoek, daartoe aanleiding geeft.

(vastgesteld) Ruimtekwartier NL.IMRO.1904.BPRuimteKwrtrMRS-VG01

31 - 42

(vastgesteld) Ruimtekwartier NL.IMRO.1904.BPRuimteKwrtrMRS-VG01

32 - 42

Hoofdstuk 3

Algemene regels

Artikel 11 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

(vastgesteld) Ruimtekwartier NL.IMRO.1904.BPRuimteKwrtrMRS-VG01

33 - 42

Artikel 12 Algemene bouwregels 12.1

Overschrijding van bestemmingsgrenzen

De op de planverbeelding aangegeven bestemmingsgrenzen mogen uitsluitend worden overschreden door: a. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden en funderingen; b. bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, standleidingen voor hemelwater, gevelversieringen, wanden van gevelversieringen, wanden van ventilatiekanalen en schoorstenen, indien en voorzover de overschrijding niet meer dan 0,80 meter bedraagt; c. gevel- en kroonlijsten en overstekende daken, indien en voorzover de overschrijding niet meer dan 0,80 meter bedraagt; d. rookkanalen, indien de overschrijding niet meer dan 0,50 meter bedraagt; e. putten, leidingen, goten en inrichtingen voor de watervoorziening of de afvoer of verzameling van water rioolstoffen; hijsinrichtingen, indien en voorzover de overschrijding niet meer dan 0,50 meter bedraagt; f. bestaande dakopbouwen, bestaande luifels en bestaande uitbouwen.

12.2

Dakopbouwen

Dakopbouwen onder meer ten behoeve van bewassings-, luchtbehandelings- en liftinstallaties en naar de aard daarmee gelijk te stellen installaties zijn toegestaan, mits deze niet hoger zijn dan 3,5 m gemeten vanaf het dak van de bovenste bouwlaag van het gebouw en geen grotere oppervlakte hebben dan 40% van het dak van het gebouw, waarop zij worden geplaatst.

12.3

Antenne installaties, alarminstallaties, vlaggenmasten e.d.

Antenne installaties, alarminstallaties, vlaggenmasten, dakranden en dergelijke, die deel uitmaken van een gebouw, mogen de voor dat gebouw toegestane maximale bouwhoogte met niet meer dan 8 m overschrijden.

12.4

Geen hoogte aanduiding

Indien op de planverbeelding geen hoogteaanduiding is opgenomen, geldt voor de maximaal toelaatbare goot- danwel bouwhoogte het bepaalde in Hoofdstuk 2 van deze planregels.

12.5

Overschrijding van bouwhoogte

12.5.1 Ondergeschikte bouwdelen De in artikel 12.4 bedoelde hoogten mogen worden overschreden door ondergeschikte bouwdelen, indien en voorzover de overschrijding niet meer dan 2 meter bedraagt, tenzij in Hoofdstuk 2 anders is bepaald.

12.6 a. b.

Regels betreffende woningsplitsing

het is verboden een bestaande woning te veranderen in en/of te vergroten tot twee of meer woningen. Het is eveneens verboden meerdere woningen samen te voegen tot een kleiner aantal woningen. bij herbouw van één of meerdere woning(en) binnen de bestemming 'Wonen' is in de nieuwe situatie een gelijk aantal woningen toegestaan.

(vastgesteld) Ruimtekwartier NL.IMRO.1904.BPRuimteKwrtrMRS-VG01

34 - 42

Artikel 13 Algemene gebruiksregels 13.1

Verboden gebruik

Een verboden gebruik is in ieder geval het gebruik: a. van onbebouwde gronden voor: 1. het storten of het lozen van puin, vuil of andere vaste of vloeibare afvalstoffen; 2. het opslaan van gerede of ongerede goederen, zoals vaten, kisten, bouwmaterialen, voer- en vaartuigen, werktuigen, machines of onderdelen hiervan; 3. het plaatsen of geplaatst houden van onderkomens, tenzij dit gebruik verband houdt met: het (tijdelijk) gebruik ten behoeve van de realisering en/of handhaving van de bestemmingen of het normale onderhoud van de gronden; de opslag van goederen in het kader van de in het plan toegestane bedrijfsvoering; het opslaan of storten van afval- of meststoffen, voor zover noodzakelijk voor het normale onderhoud van de gronden en de watergangen; b. van bouwwerken ten behoeve van kamerverhuur, een seksinrichting of detailhandel, voor zover zulks niet expliciet is toegestaan ingevolge de bestemmingsregels.

13.2 a.

Verplichting tot aanleg

Het gebruik van gronden en bouwwerken voor de bestemming 'Wonen' en het gebruik van gronden ten behoeve van de bestemming 'Groen - 1' is alleen toegestaan indien minimaal 50% van het onbebouwde terrein inclusief het verhoogde maaiveld, binnen 2 jaar na ingebruikname van gronden en bouwwerken voor 'Wonen' en gronden voor 'Groen - 1', is voorzien van een groene inrichting en met inachtneming van de volgende voorwaarden: 1. bij het inrichten worden voldoende maatregelen gerealiseerd in het kader van Natuurinclusief bouwen en inrichten met inachtneming van de beleidsregel 'Klimaatadaptatie & Duurzaamheid Ruimtekwartier', welke als Bijlage 5 bij deze regels is opgenomen, en diens rechtsopvolgers. 2. uit een inrichtingsplan natuurinclusief bouwen en inrichten moet blijken welke maatregelen in het kader van het gestelde onder sub a onder 1. zijn gerealiseerd, en hoe deze duurzaam, ten minste 30 jaar, in stand worden gehouden en beheerd; 3. de maatregelen worden in stand gehouden.

(vastgesteld) Ruimtekwartier NL.IMRO.1904.BPRuimteKwrtrMRS-VG01

35 - 42

Artikel 14 Algemene afwijkingsregels Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in deze regels ten behoeve van: a. een afwijking ten aanzien van de voorgeschreven bouwhoogte van gebouwen, bouwhoogte van andere bouwwerken, grondoppervlakte van bebouwing, afstand tot perceelsgrenzen en overige aanduidingen, mits deze afwijkingen niet meer bedragen dan 10% van de in het plan voorgeschreven maten, afstanden, oppervlakten en percentages, dit met uitzondering van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' en de bepalingen met betrekking tot de FSI. b. een afwijking van het aantal woningen binnen de maatvoering 'maximum aantal wooneenheden' indien het aantal woningen na de realisatie van een voorgaand deelgebied lager is dan het toegestane maximum aantal wooneenheden. De maximale FSI zoals opgenomen in artikel 8.2.1 mag niet worden overschreden.

(vastgesteld) Ruimtekwartier NL.IMRO.1904.BPRuimteKwrtrMRS-VG01

36 - 42

Artikel 15 Algemene wijzigingsregels 15.1

Wijziging bestemming Waarde - Archeologie

Burgemeester en wethouders kunnen een of meer bestemmingsvlakken met de dubbelbestemmingen 'Waarde Archeologie 2' geheel of gedeeltelijk verwijderen, indien: a. uit nader archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn; b. het op grond van nader archeologisch onderzoek niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet.

(vastgesteld) Ruimtekwartier NL.IMRO.1904.BPRuimteKwrtrMRS-VG01

37 - 42

Artikel 16 Overige regels 16.1

Parkeren

Een omgevingsvergunning voor het bouwen, het uitbreiden en/of het wijzigen van de functie van gebouwen en/of gronden wordt slechts verleend indien bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat gelet op de omvang of de bestemming van het gebouw en/of gronden in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren of stallen van auto's in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Hierbij gelden de parkeernormen, zoals vastgelegd in het Mobiliteitskader Ruimtekwartier, Bijlage 10 bij deze regels.

16.2 a.

b.

c. d.

e.

indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort; aan het bepaalde in lid 16.2 sub a wordt voldaan indien het aantal parkeerplaatsen ten minste overeenkomt met de passende parkeernormen dat voor de betreffende functie is opgenomen in het Mobiliteitskader Ruimtekwartier, zoals bijgesloten als Bijlage 10 bij deze regels; aan het bepaalde in lid 16.2 sub a wordt voldaan indien de parkeerplaatsen in stand worden gehouden; de in lid 16.2 sub a bedoelde ruimte voor het parkeren van auto’s, inclusief de rijwegen om deze ruimten te bereiken, moeten redelijkerwijs bereikbaar zijn per auto en onafhankelijk van andere parkeerruimten kunnen functioneren. Voorts moet deze ruimte afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto’s. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan: 1. indien de desbetreffende afmetingen in overeenstemming zijn met het bepaalde in NEN 2443, uitgave 2000, de Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (ASVV 2012 van het CROW) en de CROW-publicatie 293 Ontwerpwijzer parkeergarages. wat betreft de in de bijlage opgenomen afmetingen van parkeerwegen; 2.

indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte in overeenstemming is met de Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (ASVV 2012 van het CROW) en de CROW-publicatie 337 Richtlijn toegankelijkheid. indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen dan wel ruimte voor pakketdiensten, moet in de behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw hoort.

16.3 a.

b.

Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen

Parkeergelegenheid voor voertuigen voor langzaam verkeer

indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van voertuigen voor langzaam verkeer in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort; aan het bepaalde in lid 16.3 sub a wordt geacht te zijn voldaan indien het aantal stallingsplaatsen ten minste overeenkomt met het aantal plaatsen dat voor het betreffende gebied en de betreffende functie is genoemd in de onderstaande normering: 1. toepassing van de normen uit het GVVP (versie 04, oktober 2015 dan wel een opvolger) Eisen Fietsparkeren; 2. ten behoeve van bewoners per woning realiseren van ten minste het volgende aantal fietsparkeerplekken: a. < 50 m2 GBO: 2; b. 50 – 75 m2 GBO: 3; c. 75 – 100 m2 GBO: 4; d. 100 – 125 m2 GBO: 5; e. > 125 m2 GBO: 6; 3. ten behoeve van bezoekers de toepassing van minimaal 0,5 tot 1 fietsparkeerplaats per woning gerealiseerd welke openbaar toegankelijk is (Bron: ASVV 2012, CROW); 4. bij de fietsparkeerplaatsen worden ook aansluitpunten voor elektrische fietsen gerealiseerd.

(vastgesteld) Ruimtekwartier NL.IMRO.1904.BPRuimteKwrtrMRS-VG01

38 - 42

c. d.

de oppervlakte aan (gebouwde) stallingvoorzieningen ten behoeve van voertuigen voor langzaam verkeer voor bewoners wordt gerealiseerd binnen het bouwvlak behorende bij de bestemming Wonen; de oppervlakte aan stallingvoorzieningen ten behoeve van voertuigen voor langzaam verkeer voor bezoekers wordt gerealiseerd in de buitenruimte binnen de bestemming Wonen dan wel binnen het entreegebied, zoals bedoeld in artikel 3.1 lid e: entreegebied ten behoeve van ontsluiting parkeerterreinen en gebouwen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'verkeer'.

16.4 a.

Afwijken parkeernormen

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 16.2 sub a en het bepaalde in lid 16.2 sub d: 1. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien. In het geval in het openbaar gebied wordt voorzien in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte, is het uitsluitend toegestaan op grond van dit onderdeel ontheffing te verlenen indien het naar het oordeel van het bevoegd gezag redelijkerwijs fysiek onmogelijk of uit stedenbouwkundig oogpunt ongewenst is om op eigen terrein in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte te voorzien; of 2. in situaties waar het algemeen belang is gediend kan van de parkeernorm worden afgeweken. De gemeente kan in voorkomende gevallen maatwerk bieden.

16.5

Wijziging parkeernormering

Het bevoegd gezag kan, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6, lid 1 onder a van de Wet ruimtelijke ordening, het bepaalde in lid 16.2 wijzigen indien nieuw gemeentelijk beleid inzake het aspect ‘parkeren’ is vastgesteld. De wijziging van het bepaalde in lid 16.2 is dan conform het nieuw gemeentelijk beleid inzake het aspect ‘parkeren’.

(vastgesteld) Ruimtekwartier NL.IMRO.1904.BPRuimteKwrtrMRS-VG01

39 - 42

(vastgesteld) Ruimtekwartier NL.IMRO.1904.BPRuimteKwrtrMRS-VG01

40 - 42

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

Artikel 17 Overgangsrecht 17.1 1.

2. 3.

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%; het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

17.2 1. 2.

3. 4.

Overgangsrecht bouwwerken

Overgangsrecht gebruik

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

(vastgesteld) Ruimtekwartier NL.IMRO.1904.BPRuimteKwrtrMRS-VG01

41 - 42

Artikel 18 Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan ''Ruimtekwartier''.

(vastgesteld) Ruimtekwartier NL.IMRO.1904.BPRuimteKwrtrMRS-VG01

42 - 42

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/2871/documents/60107