3.a. Toelichting - BP Zogweteringlaan naast nr. 2.pdf
Tekst van het document
Conclusie
De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
5.2
Bodemkwaliteit
5.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. 5.2.2
Situatie compensatiewoning Zogweteringlaan
Door Rouwmaat Groep is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de gewenste compensatiewoning aan de Zogweteringlaan. De resultaten van het verkennend onderzoek worden hierna
BJZ.nu Bestemmingsplannen
29
Bestemmingsplan “Zogweteringlaan ong. (naast 2) en Gageldijk ter hoogte van 119” te Maarssen Ontwerp behandeld. Voor de rapportage van het verkennend bodemonderzoek wordt verwezen naar bijlage 2 van deze toelichting. Tijdens de veldwerkzaamheden is gelet op het voorkomen van asbest. Visueel is op de bodem en in het opgeboorde materiaal geen asbestverdacht materiaal waargenomen. Op zintuiglijke wijze is ter plaatse van boring 02 (van 0-70 cm-mv) sporen baksteen aangetroffen. Op basis van de analyseresultaten kan geconcludeerd worden dat:
de grond licht verontreinigd is met Kwik, Lood en Molybdeen; het grondwater licht verontreinigd is met Barium, Zink en Naftaleen.
Het is bekend dat in de grond en in het grondwater zware metalen in sterk fluctuerende gehalten kunnen voorkomen, zowel door natuurlijke bronnen als door menselijke activiteiten veroorzaakt (vermesting). De gehalten betreffen dan (natuurlijke) achtergrondwaarden. De hypothese "De gehele locatie is onverdacht" dient grotendeels aangenomen te worden. Op basis van de onderzoeksresultaten is er op grond van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geen bezwaar het onderzochte terreindeel voor de geplande bouwdoeleinden te gebruiken. Eventueel vrijkomende grond kan niet zondermeer in het grondverkeer worden opgenomen. Mocht de grond naar elders worden getransporteerd, dient te worden nagegaan in hoeverre de kwaliteit van de af te voeren grond overeenstemt met de verwerkingsmogelijkheden die voor de betreffende stort- c.q. hergebruikslocatie gelden. 5.2.3
Situatie slooplocatie ter hoogte van Gageldijk 119
Op het perceel ter hoogte van Gageldijk 119 zijn de bedrijfsactiviteiten beëindigd en zal het kassencomplex worden gesloopt. Om vast te stellen of de bedrijfsactiviteiten een bodemverontreiniging hebben veroorzaakt, is het nodig een eindsituatieonderzoek uit te voeren. Na de sloop van het kassencomplex zal dit plaatsvinden. Daarbij wordt opgemerkt dat de noodzaak van een eindsituatieonderzoek na bedrijfsbeëindiging is geborgd in het Activiteitenbesluit. 5.2.4
Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Algemeen
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);.
5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip ‘niet in betekenende mate’ is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om
BJZ.nu Bestemmingsplannen
30
Bestemmingsplan “Zogweteringlaan ong. (naast 2) en Gageldijk ter hoogte van 119” te Maarssen Ontwerp stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2
Beoordeling
De ontwikkeling heeft een dergelijk kleinschalige omvang dat het is aan te merken als een project welke “niet in betekenende mate bijdraagt” aan luchtverontreiniging. De ontwikkeling wordt niet aangemerkt als gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 5.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in:
BJZ.nu Bestemmingsplannen
31
Bestemmingsplan “Zogweteringlaan ong. (naast 2) en Gageldijk ter hoogte van 119” te Maarssen Ontwerp
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2
Beoordeling
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In de volgende afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (blauwe kader) en omgeving weergegeven.
Afbeelding 5.2
Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl)
Het vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, spoor en water. Er moet rekening gehouden worden met het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en water. De rijksweg A2, het spoor (traject Utrecht – Amsterdam) en het Amsterdam Rijnkanaal hebben geen invloed op het plangebied. Ten westen van het plangebied is de provincialeweg N402 gelegen welke is aangemerkt als route voor gevaarlijke stoffen. Voor de gemeentelijke en provinciale wegen die aansluiten op de rijksweg A2 is in de gemeente Stichtse Vecht een routering voor gevaarlijke stoffen vastgesteld. Over de vastgestelde route mag uitsluitend bestemmingsverkeer rijden. Voor noodzakelijk transport ten behoeve van laden en/of lossen van gevaarlijke stoffen buiten de vastgestelde routes is een ontheffing nodig. Aan deze ontheffing kunnen voorwaarden worden verbonden om een veiligere leefomgeving te realiseren.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
32
Bestemmingsplan “Zogweteringlaan ong. (naast 2) en Gageldijk ter hoogte van 119” te Maarssen Ontwerp Uit de beschikbare gegevens blijkt dat de provincialeweg N402 geen veiligheidszone heeft die buiten de weg gelegen is. Wel ligt aan weerszijden van de weg een plasbrandaandachtsgebied van 30 meter. Daarnaast dient bij nieuwe ontwikkelingen binnen 200 meter (groepsrisicoaandachtsgebied) van de weg, getoetst te worden aan het groepsrisico en een verantwoording plaats te vinden bij ontwikkelingen binnen het invloedsgebied van de wegen (ten aanzien van zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid). In voorliggend geval bedraagt de afstand tussen het plangebied en de weg circa 640 meter. Hiermee is het plangebied gelegen buiten het plasbrand- en groepsrisicoaandachtsgebied en is een nadere verantwoording van het groepsrisico ten aanzien van deze weg niet noodzakelijk. Het onderdeel vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, spoor en water vormt geen belemmering voor dit plan.
Elektromagnetische straling door hoogspanningslijnen en antennes Nabij het plangebied loopt geen hoogspanningslijn welke invloed heeft op het plangebied. Tegenover het plangebied staat echter wel een zendmast. Uit de gegevens op de website www.antenneregister.nl blijkt dat deze zendmast niet zorgt voor een overschrijding van de geldende blootstellingslimieten voor elektrische en magnetische veldsterkten voor het plangebied. Elektromagnetische straling door hoogspanningslijnen en antennes vormt geen belemmering voor het plan.
Samenvatting Uit de inventarisatie blijkt dan ook dat het plangebied:
5.4.3
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Conclusie
Het project is in overeenstemming met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
5.5
Milieuzonering
5.5.1
Algemeen
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
33
Bestemmingsplan “Zogweteringlaan ong. (naast 2) en Gageldijk ter hoogte van 119” te Maarssen Ontwerp Hoewel de richtafstanden in 'Bedrijven en milieuzonering' indicatief zijn, worden deze afstanden wel als harde eis gezien door de Raad van State bij de beoordeling of bedrijven op een passende afstand van woningen worden gesitueerd. 5.5.1.1 Gebiedstypen In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Het plangebied bevindt zich in een rustige woonbuurt en het gebied dient derhalve te worden aangemerkt als een ‘rustige woonwijk’. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
5.5.2
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Beoordeling
5.5.2.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 5.5.2.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘wonen’ is niet milieubelastend voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 5.5.2.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe woning hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. Nabij het plandeel aan de Zogweteringlaan zijn verschillende milieubelastende functies aanwezig, namelijk een grondgebonden veehouderij aan de Zogweteringlaan 2 en een verblijfsrecreatiegebied.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
34
Bestemmingsplan “Zogweteringlaan ong. (naast 2) en Gageldijk ter hoogte van 119” te Maarssen Ontwerp Verblijfsrecreatiegebied Het verblijfsrecreatiegebied is op basis van de VNG-uitgave “Bedrijven en milieuzonering” geschaard onder ‘Kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)’. Voor een dergelijke functie geldt een grootste richtafstand van 50 meter. De afstand van de woonbestemming in het plangebied tot aan de recreatiebestemming is meer dan 50 meter. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstand. Gelet op de onderlinge afstanden van het plangebied tot aan de milieubelastende functies zal er in het kader van milieuzonering ter plaatse van de compensatiewoningen sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat en worden de agrarische bedrijven niet belemmerd in de bedrijfsvoering. Grondgebonden veehouderij - Zogweteringlaan 2 Bij veehouderijen geldt, op basis van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’, de grootste richtafstand veelal voor het aspect geur. Bij agrarische bedrijven zijn, in het geval van veehouderijen, echter niet de adviesafstanden maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veebedrijven bepalend. Hier wordt in paragraaf 5.6 nader op ingegaan. De overige van toepassingen zijnde aspecten, stof, geluid en gevaar worden hierna getoetst.
Voor een rundveehouderij geldt, het aspect geur buiten beschouwing latend, een grootste richtafstand van 30 meter. Met de situering van het bouwvlak in het bestemmingsvlak ‘Wonen’, waarbinnen de woning gerealiseerd moet worden, ten opzichte van het agrarisch bouwvlak (Zogweteringlaan 2) is rekening gehouden met deze richtafstand. Gelet op de onderlinge afstanden van het plangebied tot aan de milieubelastende functies zal er ter plaatse van de compensatiewoning sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat en worden de bedrijven niet belemmerd in de bedrijfsvoering. 5.5.3
Conclusie
Gezien het vorenstaande vormt het aspect milieuzonering geen belemmeringen voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
5.6
Geur
5.6.1
Wet geurhinder en veehouderij & Activiteitenbesluit
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, buiten een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 2 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odeur units per kubieke meter lucht. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden:
ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
35
Bestemmingsplan “Zogweteringlaan ong. (naast 2) en Gageldijk ter hoogte van 119” te Maarssen Ontwerp Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel van de Wgv is vermeld: “De grens van de bebouwde kom wordt niet bepaald door de Wegenverkeerswetgeving, maar evenals in de ruimtelijke ordening door de aard van de omgeving. Binnen een bebouwde kom is de op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing geconcentreerd tot een samenhangende structuur." Ook is opgenomen: "De bebouwde kom kan namelijk worden omschreven als het gebied dat door aaneengesloten bebouwing overwegend een woon- en verblijffunctie heeft en waarin veel mensen per oppervlakte-eenheid ook daadwerkelijk wonen of verblijven”. Jurisprudentie ‘Wgv - buiten de bebouwde kom’: “Aan de weg zijn verschillende woningen en agrarische bedrijven gelegen. Aan deze weg liggen zowel het geurgevoelig object als het agrarisch bedrijf. De omgeving van de weg bestaat hoofdzakelijk uit landbouwgronden. Hoewel er enige concentratie van gebouwen en bevolking bestaat, is de omvang daarvan te klein om die concentratie als bebouwde kom aan te kunnen merken. Het geurgevoelig object ligt derhalve buiten de bebouwde kom.” (Bron:ABRvS nr 200902261/1/ M2). 5.6.2
Situatie plangebied
Met dit plan wordt een nieuw geurgevoelig object toegestaan, namelijk de nieuwe woning. In de nabijheid van het plangebied bevindt zich een veehouderij aan de Zogweteringlaan 2. Dit betreft een grondgebonden veehouderij met 25 vleesstieren (Rav-code A6.100) en 10 paarden (Rav-code K1.100). De compensatiewoning wordt, op basis van het gestelde in paragraaf 5.6.1, gesitueerd buiten de bebouwde kom. Met de situering van het bouwvlak in het bestemmingsvlak ‘Wonen’, waarbinnen de woning gerealiseerd moet worden, bedraagt de afstand tot het emissiepunt (stal Zogweteringlaan 2) circa 140 meter. Binnen het overige deel van de woonbestemming (zonder bouwvlak) zijn geen geurgevoelige objecten (uitsluitend bijgebouwen) toegestaan. Gelet op deze afstand in verhouding tot de beperkte aantallen dieren, wordt gesteld dat ter plaatse van de geplande compensatiewoning sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarbij opgemerkt dat de compensatiewoning ten opzichte van het agrarisch bedrijf niet in de overheersende windrichting ligt en dat er niet of nauwelijks sprake zal zijn van cumulatie door andere veehouderijen, aangezien deze op zeer ruime afstand zijn gelegen. Aan de westzijde van de Zogweteringlaan zijn ter hoogte van de veehouderij (Zogweteringlaan 2) woningen binnen de bebouwde kom gelegen.
Deze woningen zijn bepalend voor de uitbreidingsmogelijkheden van de veehouderij waardoor er geen sprake is van belemmering door de bouw van de geplande woning. Bij een omschakeling naar diercategorieën zonder vastgestelde geuremissie wordt een vaste afstand van 50 meter aangehouden. Met de situering van het bouwvlak in het bestemmingsvlak ‘Wonen’, waarbinnen de woning gerealiseerd moet worden, wordt rekening gehouden met deze afstand tot de bouwvlakgrens van het agrarisch bedrijf (Zogweteringlaan 2). Gelet hierop wordt de veehouderij niet onevenredig in de bedrijfsvoering belemmerd. 5.6.3
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor dit plan.
5.7
Ecologie
5.7.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Natuurbeschermingswet en de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Soortenbescherming komt voort uit de Flora- en faunawet.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
36
Bestemmingsplan “Zogweteringlaan ong. (naast 2) en Gageldijk ter hoogte van 119” te Maarssen Ontwerp Natuurbank Overijssel heeft binnen het plangebied een quickscan uitgevoerd. In de volgende subparagrafen worden de resultaten uit dit onderzoek behandeld. Voor de volledige quickscan wordt verwezen naar bijlage 3 van deze toelichting. 5.6.2
Gebiedsbescherming
Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen op basis van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (Natura 2000) worden aangemerkt als speciale beschermingszones (SBZ’s). 5.6.2.1 Natura 2000-gebieden Op 1 oktober 2005 is de gewijzigde Natuurbeschermingswet 1998 in werking getreden. Vanaf dat moment heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Oostelijke Vechtplassen” is gelegen op een afstand van circa 480 meter ten opzichte van het plandeel aan de Zogweteringlaan en circa 700 meter ten opzichte van het plandeel aan de Gageldijk. In afbeelding 5.3 is de ligging van het plangebied ten opzichte van dit Natura 2000-gebied weergegeven.
Afbeelding 5.3
Ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000-gebied (Bron: Synbiosys)
De invloedsfeer van de voorgenomen activiteit is hoofdzakelijk lokaal. De toename van één woning, met bijbehorende verkeersbewegingen, zorgen niet voor significante negatieve effecten op het Natura 2000gebied. Daarbij opgemerkt dat de planologische mogelijkheid voor het uitoefenen van een kastuinbouwbedrijf (met bijbehorende verkeersbewegingen) met dit plan vervalt. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen natuurbeschermingswetvergunning aangevraagd te worden. 5.6.1.2 Ecologische Hoofdstructuur De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is, als onderdeel van het Nederlands Natuurnetwerk (NNN), de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De EHS is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van de EHS geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. BJZ.nu Bestemmingsplannen
37
Bestemmingsplan “Zogweteringlaan ong. (naast 2) en Gageldijk ter hoogte van 119” te Maarssen Ontwerp Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als EHS is gelegen op circa 430 meter afstand van het deelgebied aan de Zogweteringlaan. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als EHS is gelegen op circa 430 meter afstand van het deelgebied aan de Zogweteringlaan. In In afbeelding 5.4 is de ligging van het plangebied ten opzichte van de EHS weergegeven.
Afbeelding 5.4
Ligging van het plangebied ten opzichte van de EHS (Bron: Provincie Utrecht)
Het onderzoeksgebied behoort niet tot de EHS en grenst er niet aan. Vanwege de lokale invloedsfeer en de ligging van het plangebied op enige afstand tot de EHS, wordt gesteld dat de voorgenomen activiteit geen negatief effect heeft op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van de EHS. Wel is een deel van het plandeel aan de Zogweteringlaan aangemerkt als TOP-gebied. In paragraaf 4.2 en hoofdstuk 6 wordt nader ingegaan op de waterhuishoudkundige situatie. Kortheidshalve kan worden gesteld dat dit plan de waterhuishoudkundige situatie niet significant negatief beïnvloed. 5.6.2
Soortenbescherming
5.6.2.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Flora- en Faunawet van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. 5.6.2.2 Beoordeling Gageldijk Het plandeel aan de Gageldijk behoort niet tot het functionele leefgebied van beschermde soorten. Het plandeel bestaat volledig uit bebouwing (kassen). Een dergelijke inrichting vormt in vervallen staat mogelijk geschikt habitat voor beschermde faunasoorten als grondgebonden zoogdieren en vogels. Gelet op de bouwstijl (geen bakstenen) en het historische beheer vormt het een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten. Deze kassen waren tijdens het veldbezoek in takt en niet toegankelijk voor vogels, amfibieën, vleermuizen en grondgebonden zoogdieren. De inrichting en het gevoerde beheer maken dit deelgebied tot een ongeschikte habitat voor beschermde soorten. Op deze locatie hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en de voorgenomen activiteit heeft geen wettelijke consequenties in het kader van de Ff-wet.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
38
Bestemmingsplan “Zogweteringlaan ong. (naast 2) en Gageldijk ter hoogte van 119” te Maarssen Ontwerp 5.6.2.2 Beoordeling Zogweteringlaan Het plandeel aan de Zogweteringlaan behoort tot het functionele leefgebied van sommige grondgebonden zoogdier-, amfibieën-, vogel- en vleermuissoorten. Mogelijk nestelen sommige vogelsoorten in de oevervegetatie en bezetten sommige grondgebonden zoogdiersoorten een vaste rust- of voortplantingslocatie in het plangebied. Vleermuizen en amfibieën benutten het perceel alleen als foerageergebied; hoofdzakelijk tijdens de nachtelijke uren. De in het gebied voorkomende grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten staan vermeld in tabel 1 van de Ff-wet. Voor deze soorten geldt een algemene vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘verstoren, doden en verwonden’ als gevolg van activiteiten die in het kader van een ruimtelijke ingreep worden uitgevoerd. Vleermuizen benutten het terrein uitsluitend als foerageergebied. De voorgenomen activiteit heeft geen negatief effect op de functie van het terrein voor vleermuizen en op vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteit heeft geen wettelijke consequenties voor vleermuizen. Van de in het gebied nestelende vogelsoorten zijn uitsluitend de bezette nesten beschermd, niet de oude nesten of de nestplaats.
Werkzaamheden die leiden tot het verstoren van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. Voor het verstoren/vernielen van bezette vogelnesten kan geen ontheffing verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een ‘wettelijk belang’ wordt beschouwd. Met inachtneming van bezette vogelnesten, heeft de voorgenomen activiteit geen wettelijke consequenties in het kader van de Ff-wet. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden. De Ff-wet vormt geen belemmering voor realisatie van het bestemmingsplan. 5.7.3
Conclusie
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor dit plan.
5.8
Archeologie & Cultuurhistorie
5.8.1
Archeologie
5.8.1.1 Algemeen Op grond van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Beoordeling Samen met de gemeenten Abcoude, Loenen en Breukelen heeft de voormalige gemeente Maarssen een Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart laten opstellen. Hierin is aangegeven waar de kans het grootst is om archeologisch materiaal te vinden en wanneer een verstoorder al dan niet onderzoek moet laten doen. In figuur 5.5 en 5.6 is de Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart weergegeven per locatie.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
39
Bestemmingsplan “Zogweteringlaan ong. (naast 2) en Gageldijk ter hoogte van 119” te Maarssen Ontwerp
Figuur 5.5 Zogweteringlaan: Uitsnede van de Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart (Bron: Gemeente Stichtse Vecht)
De bouwlocatie aan de Zogweteringlaan is gelegen een komgebied met een lage archeologische waarde. Gelet op de beperkte bodemingrepen in het gebied is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. Mocht onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan geldt een meldingsplicht bij het bevoegd gezag.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
40
Bestemmingsplan “Zogweteringlaan ong. (naast 2) en Gageldijk ter hoogte van 119” te Maarssen Ontwerp
Figuur 5.5 Gageldijk: Uitsnede van de Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart (Bron: Gemeente Stichtse Vecht)
Op de locatie aan de Gageldijk zijn conform het geldend bestemmingsplan de gronden mede bestemd als ‘Waarde - Archeologie – 4’. Deze gronden zijn mede bestemd voor het behoud van de in de grond mogelijk aanwezige archeologische waarden. De dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie – 4’ houdt in dat bij grondwerkzaamheden met een omvang van 1000 m2 of meer en een diepte groter dan 0,30 m onder maaiveld, vooraf archeologisch onderzoek dient plaats te vinden. 5.8.2
Cultuurhistorie
5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Monumentenwet 1988 is geregeld hoe gebouwde monumenten (daaronder ook begrepen ‘groene’ monumenten) en archeologische monumenten aangewezen kunnen worden als wettelijk beschermd monument. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
41
Bestemmingsplan “Zogweteringlaan ong. (naast 2) en Gageldijk ter hoogte van 119” te Maarssen Ontwerp 5.8.2.2 Beoordeling De gemeente beschikt over een Cultuurhistoriche Waardenkaart Stichtse Vecht. De Cultuurhistoriche Waardenkaart is een overzichtskaart waarop weergegeven is welke cultuurhistorische waarden aanwezig zijn in Stichtse Vecht en waar zij zich bevinden. Dat kunnen monumenten zijn, maar ook stedenbouwkundige structuren, landschap en groenstructuren, wegen en waterlopen. Hierna wordt op de inventarisatie van beide locaties separaat ingegaan. Hierbij worden de waarden in en nabij de plandelen aangehaald: Gageldijk Inventarisatie
Water, wegen en dorpen: de Gageldijk betreft waardevolle infrastructuur Cultuurlandschap: o Gave verkaveling, ontginning, cope o de Gageldijk betreft waardevolle infrastructuur (classificatie: bebouwingslint, boerderijlint stadsrand, dicht) Historische buitenplaatsen: n.v.t. Militair erfgoed: o Verboden kring van 600 meter rondom de Fort De Gagel o Inundatieveld Nieuwe Hollandse waterlinie Groen erfgoed: n.v.t. Landschapstypologie: Oostelijke cope-verkaveling (classificatie: verkaveling, veenweidegebied);
Toetsing van het initiatief De sloop van het kassencomplex draagt bij aan de openheid van het gebied achter het bebouwingslint. Vanuit ruimtelijk oogpunt – met inachtneming van de cultuurhistorische waarden – is herbouw van de compensatiewoning op deze plek niet gewenst. Voldoende ruimte voor een passende situering van de compensatiewoning in het (dichte) bebouwingslint ontbreekt. Gelet op de aspecten uit de hiervoor gegeven cultuurhistorische inventarisatie (gave verkaveling, verboden kring rond Fort De Gage, inundatieveld) draagt de ontwikkeling van kassencomplex naar agrarisch grasland bij aan behoud en versterking van de cultuurhistorische waarden. Zogweteringlaan Inventarisatie
Water, wegen en dorpen: de Zogweteringlaan betreft waardevolle kade; Cultuurlandschap: o Ontginning, cope o de Zogweteringlaan behoort tot waardevolle bebouwingslint Maarssen-Zogwetering (classificatie: bebouwingslint, boerderijlint stadsrand, transparant) Historische buitenplaatsen: de Zogweteringlaan is aangemerkt als waardevol: laan van buitenplaats Goudestein Militair erfgoed: o Inundatieveld Nieuwe Hollandse waterlinie Groen erfgoed: o de Zogweteringlaan is aangemerkt als: boomstructuur, groenstructuur, historische structuur o het gebied grenzend aan de oostzijde van het plandeel is aangemerkt als: historisch groenzone, veenplas Landschapstypologie: Oostelijke cope-verkaveling (classificatie: verkaveling, veenweidegebied);
BJZ.nu Bestemmingsplannen
42
Bestemmingsplan “Zogweteringlaan ong. (naast 2) en Gageldijk ter hoogte van 119” te Maarssen Ontwerp Toetsing van het initiatief Met de realisatie van de compensatiewoning aan de Zogweteringlaan is rekening gehouden met de aanwezige cultuurhistorische waarden. De bebouwing is op enige afstand van de weg geprojecteerd waardoor in mindere mate de transparantie van het bebouwingslint wordt aangetast. De transparantie van het bebouwingslint en gewenste openheid van het inundatiegebied, worden in beperkte mate verminderd. De Zogweteringlaan met bijbehorende groenstructuur ongewijzigd gehandhaafd. De beleefbaarheid van de verkaveling blijft behouden met (zichtlijnen over) de kavelsloten. De aan te planten beplanting benadrukt deze verkaveling. Gesteld wordt dat met dit plan in voldoende mate rekening is gehouden met de cultuurhistorische waarden. 5.8.3
Conclusie
Er hoeft op de bouwlocatie geen nader archeologisch onderzoek plaats te vinden. Wanneer op de locatie aan de Gageldijk grondwerkzaamheden gaan plaatsvinden met een omvang groter dan 1000 m2 en een diepte van 0,30 m onder maaiveld en dieper, zal archeologisch onderzoek benodigd zijn. Daarnaast wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling op de twee plandelen geen negatieve effecten met zich mee brengt op de cultuurhistorische waarden.
5.9
Besluit milieueffectrapportage
5.9.1
Kader
In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is vastgelegd dat voorafgaande aan het ruimtelijke plan dat voorziet in een grootschalig project met belangrijke nadelige milieugevolgen een milieueffectrapport (MER) opgesteld dient te worden. De activiteiten waarvoor een MER-rapportage opgesteld moet worden zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r. Een plan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn op de volgende manieren:
Een plan kan m.e.r.-plichtig zijn indien een passende beoordeling op basis van artikel 19j, lid 2 van de Natuurbeschermingswet 1998 noodzakelijk is; Een plan kan m.e.r.-plichtig zijn indien sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit de onderdelen C en D overschrijden en waarbij het plan wordt genoemd in kolom 3 (plannen). Een plan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn indien het plan wordt genoemd in kolom 4 (besluiten) en er sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit onderdeel C en D overschrijden. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel C is in dit geval sprake van een m.e.r.-plicht. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel D is het plan m.e.r.beoordelingsplichtig.
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'.
Het komt er op neer dat voor bestemmingsplan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen in onderdeel D en beneden de drempelwaarden vallen, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke
BJZ.nu Bestemmingsplannen
43
Bestemmingsplan “Zogweteringlaan ong. (naast 2) en Gageldijk ter hoogte van 119” te Maarssen Ontwerp nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:
5.9.2
belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden. Situatie plangebied
5.9.2.1 Artikel 19j, lid 2 van de Natuurbeschermingswet 1998 Gezien de aard en omvang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in relatie tot de ruime afstand tot Natura 2000-gebied wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied. Een passende beoordeling op basis van artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998 is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk. Derhalve is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 5.9.2.2 Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) Activiteiten met een waarde van minder dan 0,05 mol per hectare per jaar worden als verwaarloosbaar beschouwd; deze activiteiten hoeven niet te worden gemeld (ook al niet onder de ontwerp Regeling). Ook cumulatief beschouwd zorgen deze activiteiten voor geen effecten voor de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden, aldus de toelichting van de PAS. Gelet op de aard van het voornemen kan worden geconcludeerd dat sprake is van een activiteit die als verwaarloosbaar kan worden beschouwd. Nader onderzoek naar de stikstofdepositie is niet noodzakelijk. 5.9.2.3 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Het realiseren van nieuwe woningen op een binnenstedelijke locatie wordt niet genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. Op basis van onderdeel D van het Besluit m.e.r.
is de activiteit aangemerkt als: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. De ontwikkeling in dit bestemmingsplan is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien de volgende drempelwaarden worden overschreden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Gezien de drempelwaarden kan worden geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Indien de mogelijkheden van dit plan worden vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Daarnaast blijkt uit dit hoofdstuk en het volgende hoofdstuk dat dit bestemmingsplan geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.procedure noodzakelijk maken. 5.9.3
Conclusie
Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
44
Bestemmingsplan “Zogweteringlaan ong. (naast 2) en Gageldijk ter hoogte van 119” te Maarssen Ontwerp
5.10
Duurzaamheid
5.10.1 Wettelijk toetsingskader De wettelijke eisen aan nieuwbouw staan in het Bouwbesluit. Deze eisen zijn per 1 januari 2015 aangescherpt en zijn op dit moment: 1. Minimale isolatiewaarden (Rc) voor dichte uitwendige scheidingsconstructies. De eisen per onderdeel van de scheidingsconstructie zijn: 4,5 m2 K/W voor de gevel, 6 m2 K/W voor het dak en 3,5 m2 K/W voor de vloer; 2. Een gemiddelde u-waarde van maximaal 1,65 W/m2 K voor ramen (glas en kozijn) en deuren. Daarnaast geldt een maximale u-waarde van 2,2 W/m2 K voor ramen, deuren en kozijnen; 3. Een maximale EPC-waarde afhankelijk van het type gebouw. De EPC dient berekend te worden middels de EPG methodiek. Voor woningen is de eis 0,4; 4. Een Milieuprestatie Gebouw (MPG). Deze verplichting geldt voor alle woningen, woongebouwen en kantoorgebouwen met nevenfuncties groter dan 100 m2. Energie (EPC) De rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw. De energie efficiëntie wordt uitgedrukt in de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Sinds 1 januari 2015 is de EPC=0,4 en in 2020 streeft men naar een EPC = 0,0. Bij een EPC van 0 is een gebouw energieneutraal.
Milieuprestatie Gebouw (MPG) Vanaf 2013 geldt vanuit het Bouwbesluit de verplichting om bij de aanvraag Omgevingsvergunning Bouwen een berekening aan te leveren van de Milieuprestatie van een gebouw. De verplichting geldt voor alle woningen, woongebouwen en kantoorgebouwen (groter dan 100 m2). Hoe te voldoen Om te voldoen aan punt 1 t/m 3 dient er bij de aanvraag omgevingsvergunning een EPC-berekening aangeleverd te worden. Voor de MPG kan er gekozen worden voor het indienen van een SBK-bewijs of voor het uitvoeren van een berekening met bijvoorbeeld GPR-gebouw. Voor GPR-gebouw is een gratis licentie beschikbaar via de Omgevingsdienst. 5.10.2 Provinciaal beleidskader Het provinciaal beleid is vastgelegd in de Provinciale Structuurvisie. Bijbehorende kaders zijn vastgelegd in de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013. Hierin is ten aanzien van nieuwe ontwikkelingen binnen het stedelijk gebied de eis opgenomen dat het bijbehorend ruimtelijk plan een beschrijving omvat van de wijze waarop rekening is gehouden met energiebesparing en het toepassen van duurzame energiebronnen. Aangezien de locatie zich net buiten het stedelijk gebied bevindt, is de eis op deze locatie niet van toepassing. 5.10.3 Gemeentelijk toetsingskader Gemeente Stichtse Vecht heeft haar beleid in het kader van duurzaam bouwen beschreven in de Woonvisie 2013-2016 (vastgesteld op 2 juli 2013).
Gestreefd wordt naar een GPR-score van 7 of hoger op de thema’s milieu, gezondheid en gebruikerskwaliteit en een GPR-score van 8 of hoger voor de thema’s toekomstwaarde en energie. De gemeente vraagt ontwikkelaars bij projecten van minimaal 25 woningen een energievisie op te stellen. Bij bestaande bouw wil de gemeente eigenaren stimuleren het energiegebruik te beperken.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
45
Bestemmingsplan “Zogweteringlaan ong. (naast 2) en Gageldijk ter hoogte van 119” te Maarssen Ontwerp Nieuwe woonvisie vanaf 2017 Voor de periode vanaf 2017 heeft de gemeente Stichtse Vecht recentelijk een nieuwe woonvisie vastgesteld: Woonvisie 2017-2022 (vastgesteld op 1 juni 2016). In de nieuwe woonvisie zijn de ambities ten aanzien van duurzaamheid aangescherpt. De ambitie is om bij nieuwbouw nul-op-de-meter (NOM) woningen te realiseren. Dit houdt in dat over het hele jaar de energieopwekking gelijk is aan het totale energieverbruik van een woning. Dit is alleen mogelijk bij een EPC < 0. Bij een woning met EPC = 0 wordt (alleen) gebouwgebonden energie duurzaam opgewekt. Bij een NOM-woning dient tevens het gebruikersdeel te worden opgewekt, waardoor een negatieve EPC-score noodzakelijk is. Vanaf 2017 geldt tevens een hoger ambitieniveau ten aanzien van GPR Gebouw. Van de vijf thema’s zet Stichtse Vecht in op:
Thema energie (gemeente heeft geen grondeigendom): 10 Thema toekomstwaarde: 8 Overige thema’s (Milieu, Gezondheid en Gebruikskwaliteit): gemiddeld 8
Aanbod gemeente Om duurzaam bouwen te stimuleren binnen de gemeente biedt de gemeente een gratis licentie voor de tool GPR gebouw aan. Hiermee kan inzicht worden verschaft in de duurzaamheidscore van het project en in hoeverre wordt voldaan aan de gemeentelijke beleidsambitie. Tevens wordt er een adviesgesprek aangeboden waarin de kansen en mogelijkheden voor duurzaam bouwen vrijblijvend worden besproken. 5.10.4 Beoordeling Het plan voorziet in minder dan 25 woningen, waardoor het opstellen van een energievisie niet noodzakelijk is. Tevens wordt geadviseerd om vooruitlopend op het inwerking treden van de Woonvisie 2017-2022 de ambitie ten aanzien van de EPC-score en GPR-score te verhogen. In het huidige plan wordt uitgegaan van het wettelijk vereiste niveau voor de EPC en het huidige gemeentelijke ambitieniveau voor de GPR. Het is daarbij aan te raden om tijdig na te denken over de duurzame maatregelen die daadwerkelijk kunnen worden toegepast, zodat deze verwerkt kunnen worden in het ontwerp. Voor de nieuwbouwwoningen kan gedacht worden aan de volgende zaken:
Overwogen kan worden om te kiezen voor het gebruik van een warmtepomp op basis van bodemenergie of lucht. Toepassing op basis van bodemenergie kent een beter rendement maar kent wel hogere kosten bij realisatie. De warmtepomp kan voorzien in de warmtevoorziening en warmtapwatervoorziening. De basis van een energiezuinige woning is te vinden in de isolatie en kierafdichting. Door in het ontwerp rekening te houden met extra isolatie en verbeterde kierafdichting kunnen energieverliezen beperkt worden. Let hierbij vooral op dat gekozen wordt voor beide, isolatie en kierafdichting, aangezien het rendement van beide stijgt bij gezamenlijke toepassing. Bij de keuze in de toe te passen systemen kan veel gewonnen worden. De toepassing van een warmtepomp is al aan bod gekomen. Daarnaast kan nagedacht worden over het toe te passen ventilatiesysteem, hier kan bijvoorbeeld gekozen worden voor warmteterugwinning en sturing op basis van gebruik van de ruimtes (op CO2). Aanvullend kan nagedacht worden over de toepassing van een douche-warmte-terugwin systeem.(douche-wtw) Hiermee kan de ‘verloren’ warmte van het afvalwater deels hergebruikt worden. Dergelijke DWT-systemen kennen een goed rendement (4060%) en zijn zeker bij nieuwbouw tegen beperkte kosten realiseerbaar. Enigszins bekend zijn natuurlijk de voorbeelden van duurzame energiewinning door middel van zonne- en windenergie.
PV panelen zijn het meest bekende voorbeeld. Aangeraden wordt dan ook om na te gaan in hoeverre het mogelijk is deze toe te passen.
Een deel van bovenstaande maatregelen zal toegepast moeten worden om te voldoen aan de wettelijke EPC eis. In het plan wordt het ambitieniveau uit de Woonvisie 2017-2022 nagestreefd, waarbij de kansen worden onderzocht om een Nul-op-de-meter (NOM)-woning te realiseren.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
46
Bestemmingsplan “Zogweteringlaan ong. (naast 2) en Gageldijk ter hoogte van 119” te Maarssen Ontwerp 5.10.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat met het voorgenomen plan in voldoende mate rekening is gehouden met het aspect duurzaamheid. Bij de verdere uitwerking van de woning zal nader aandacht worden geschonken aan het aspect duurzaamheid.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
47
Bestemmingsplan “Zogweteringlaan ong. (naast 2) en Gageldijk ter hoogte van 119” te Maarssen Ontwerp
HOOFDSTUK 6
WATERASPECTEN
6.1
Vigerend beleid
6.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2
Rijksbeleid
In december 2009 is het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welke beleid het Rijk in de periode 2009-2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstroming, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Het Nationaal Waterplan is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan zal het beleid uit de Vierde Nota Waterhuishouding voortzetten. Het beleidsdoel is het realiseren of in stand houden van duurzame en klimaatbestendige watersystemen. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet, die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. 6.1.3
Provinciaal beleid
De provincie Utrecht ziet zich bij het waterbeleid geconfronteerd met een sterk toenemende dynamiek. De provincie ziet in dit verband de volgende drie belangrijke opgaven in het waterbeleid voor de lange èn de korte termijn.
Een maatschappelijk acceptabel overstromingsrisico: Hoogwater zal vaker voorkomen en de rivierafvoer wordt op termijn bemoeilijkt door een stijgende zeespiegel. Bodemdaling is een voortgaand proces in het westelijk deel van de provincie en in het Eemland.
Omgaan met wateroverlast èn waterschaarste: Meer neerslag zal vallen in hevigere buien. Afvoer- en bergingsmogelijkheden in het stedelijke en landelijk gebied worden zwaarder belast. Tegelijkertijd vergroten warmere en drogere perioden de vraag naar drink-, irrigatie- en koelwater. Natuurgebieden mogen niet verdrogen en moeten soortmigratie als gevolg van klimaatverandering kunnen faciliteren.
Een sterkere bijdrage van water aan het leefklimaat: De behoefte aan vaar- en recreatiewater neemt toe. Water is de drager van veel van de Utrechtse landschappen. Daarom moet water zichtbaarder gemaakt worden.
De provincie Utrecht ziet de ontwikkeling naar duurzame, robuuste systemen als een belangrijke maatschappelijke investering. Een geïntegreerde benadering van de watersystemen is daarvoor essentieel. Daarbij wordt gestreefd naar voldoende water van de gewenste kwaliteit, beperkte (maatschappelijk acceptabele) overlast, beperking van het energiegebruik, beperking van functieconflicten rondom water en een hoge belevingswaarde. Naast ingrijpen in het watersysteem zelf kan dit echter ook betekenen dat functies, de locatie daarvan en de wijze waarop die worden ingevuld ter discussie komen te staan.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
48
Bestemmingsplan “Zogweteringlaan ong. (naast 2) en Gageldijk ter hoogte van 119” te Maarssen Ontwerp 6.1.4
Beleid Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht
Het Algemeen Bestuur van het waterschap heeft op 17 juni 2010 het Waterbeheerplan 2010-2015 goedgekeurd. De titel van het plan is: Werken aan water, in en met de omgeving. Het waterbeheerplan gaat in op de hoofdtaken van het waterschap: veiligheid, voldoende water, schoon water. Ook wordt aandacht gegeven aan de maatschappelijke (neven)taken: nautisch en vaarwegbeheer, recreatief medegebruik, natuurbeheer en cultuurhistorische, landschappelijke en architectonische waarden. Voor elk van deze thema's is aangegeven wat het wensbeeld is op de middellange termijn, wat de doelen zijn en de aanpak op hoofdlijnen is en op welke indicatoren de resultaten van dat taakveld zullen worden beoordeeld.
6.2
Waterparagraaf
6.2.1
Algemeen
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2
Watertoetsproces
Slooplocatie – Ter hoogte van Gageldijk 119 Ter plaatse wordt circa 6.450 m2 aan kassencomplex gesloopt. Na de sloop worden de gronden ingericht als weiland, waardoor een forse afname van verhard oppervlak plaatsvindt. De bestaande waterlopen in en om het plandeel blijven onveranderd aanwezig. Nieuwbouwlocatie – Zogweteringlaan ong. (naast 2) Rondom het plandeel is bestaande oppervlaktewater aanwezig. Met dit plan worden geen watergangen gedempt of gewijzigd. Wel wordt in het plandeel – over de volledige breedte - een nieuwe watergang aangelegd. Daarbij wordt opgemerkt dat met de inrichting rekening is gehouden met schouwpaden. AGV verzorgt het onderhoud (maaien, baggeren) van de primaire watergang (code beheerregister: 3360_2430) aan de westkant van het perceel. Het drijfvuil wordt verwijderd door de gemeente. Het water in de primaire watergang stroomt af in zuidoostelijke richting. De overige watergangen op het perceel zijn secundair en moeten door de toekomstige bewoner van het perceel zelf onderhouden worden. Advies is de watergangen op het perceel een flauw talud te geven (natuurvriendelijke oever). Met voldoende breed schouwpad om onderhoud goed mogelijk te maken. De schade aan de ecologische waarde door de aanleg van werken in een groene zone moeten volledig gecompenseerd worden. Een goede doorstroming moet onder alle omstandigheden gegarandeerd blijven.
Voor wijziging van het profiel (vorm of afmeting) van een watergang geld vergunningplicht op grond van de Keur AGV. De toename aan verharding ter plaatse bedraagt circa 800 m2 (bebouwing en verharding). Aangezien sprake is van een beperkte toename aan verharding (de toename bedraagt minder dan 1.000 m²), is compensatie niet
BJZ.nu Bestemmingsplannen
49
Bestemmingsplan “Zogweteringlaan ong. (naast 2) en Gageldijk ter hoogte van 119” te Maarssen Ontwerp noodzakelijk. Om verontreiniging van afstromend hemelwater, oppervlaktewater en grondwater te voorkomen zal duurzaam bouwen als uitgangspunt worden nagestreefd. Dit houdt concreet in het zoveel mogelijk voorkomen van het gebruik van uitlogende materialen zoals lood, zink, koper, bitumineuze materialen en geïmpregneerd hout. Dit geldt voor de bouw- en de definitieve fase. Het hemelwater ter plaatse wordt zoveel mogelijk geïnfiltreed en zal natuurlijk afvloeien naar het oppervlaktewater. De woning zal worden aangekoppeld op het gescheiden gemeentelijk vuilwaterriool. De nieuwbouwlocatie ligt in een grondwaterbeschermingsgebied. Ten aanzien daarvan wordt opgemerkt dat dit plan geen negatief effect heeft op de (grond)watertekorten of door wateraanvoer van onvoldoende kwaliteit. De woonbestemming brengt geen onevenredige risico’s voor de (grond)waterkwaliteit met zich.
BJZ.nu Bestemmingsplannen
50
Bestemmingsplan “Zogweteringlaan ong. (naast 2) en Gageldijk ter hoogte van 119” te Maarssen Ontwerp
HOOFDSTUK 7 7.1
JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
7.2
Opzet van de regels
7.2.1
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4. 7.2.2