CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

1b. Ontwerpbestemmingsplan Oostwaard 9 in Maarssen - bijl. 1 - Raap-rapport.pdf

Commissie Fysiek Domein 5 januari 2021, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: a.: Starten ter inzage legging ontwerpbestemmingsplan Oostwaard 9 in Maarssen.18.608 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

6500 voor Chr.

R A P P O R T

RAAP-RAPPORT 3080

Middeleeuws Oostwerde onder de vloer Een archeologische waarneming en bouwhistorisch onderzoek van Oostwaard 9 te Maarssen Gemeente Stichtse Vecht

3750 voor Chr.

2200 voor Chr.

700 voor Chr.

150 na Chr.

320 na Chr.

Archeologisch

Adviesbureau 250 na Chr.

1650 na Chr.

RAAP-RAPPORT 3080

Middeleeuws Oostwerde onder de vloer Een archeologische waarneming en bouwhistorisch onderzoek van Oostwaard 9 te Maarssen Gemeente Stichtse Vecht

drs. K. Wink & drs. A. Viersen (BBA) Met medewerking van H. Wetemans & T. van Bommel (AWN)

RAAP Archeologisch Adviesbureau BV, 2016

Colofon Opdrachtgever RAAP: Gemeente Stichtse Vecht Opdrachtgever BBA: Fam. Peek-van den Bosch Titel: Middeleeuws Oostwerde onder de vloer. Een archeologische waarneming en bouwhistorisch onderzoek van Oostwaard 9 te Maarssen, Gemeente Stichtse Vecht Status: eindversie Datum: 21 januari 2016 Auteurs: drs. K. Wink & drs. A. Viersen (BBA) Met medewerking van: H. Wetemans & T. van Bommel (AWN) Projectcode: SVMA Bestandsnaam: RA3080_SVMA Projectleider: drs. K. Wink Projectmedewerker: F. van der Wal ARCHIS-onderzoeksmeldingsnummer: 2421740100 Autorisatie: drs. M.S. Jordanov Bevoegd gezag: gemeente Stichtse Vecht (adviseur: ODRU)

ISSN: 0925-6229

RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. Leeuwenveldseweg 5b 1382 LV Weesp Postbus 5069 1380 GB Weesp

telefoon: 0294-491 500 telefax: 0294-491 519 E-mail: raap@raap.nl

© RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., 2016 RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen.

RAAP-RAPPORT 3080 Middeleeuws Oostwerde onder de vloer Een archeologische waarneming en bouwhistorisch onderzoek van Oostwaard 9 te Maarssen

Inhoud

1 Inleiding ............................................................................................................................................ 7 1.1 Kader ............................................................................................................................................... 7 1.2 Opzet en doel van het onderzoek ...................................................................................................... 8 1.3 Administratieve gegevens ............................................................................................................... 10 1.4 Dankwoord ..................................................................................................................................... 10

2 Korte voorgeschiedenis ........................................................................................................... 13 3 Methoden ........................................................................................................................................ 17 3.1 Bouwhistorisch onderzoek .............................................................................................................. 17 3.2 Archeologisch onderzoek ................................................................................................................ 17

4 Resultaten ...................................................................................................................................... 23 4.1 Fysisch geografisch onderzoek ....................................................................................................... 23 4.2 Grondsporen en structuren ............................................................................................................. 24 4.3 Vondsten ........................................................................................................................................ 35

5 Conclusies en aanbevelingen ................................................................................................ 39 5.1 Conclusies ..................................................................................................................................... 39 5.2 Aanbevelingen ................................................................................................................................ 42

Literatuur .............................................................................................................................................. 45 Gebruikte afkortingen ..................................................................................................................... 46 Overzicht van figuren, tabellen en bijlagen ............................................................................ 47 Verklarende woordenlijst ............................................................................................................... 48 Bijlage 1: Sporenlijst ....................................................................................................................... 51 Bijlage 2: Vondstenlijst ................................................................................................................... 55 Bijlage 3: Boorbeschrijvingen ..................................................................................................... 57 Bijlage 4: Profielen werkput 1 ...................................................................................................... 63

5

RAAP-RAPPORT 3080 Middeleeuws Oostwerde onder de vloer Een archeologische waarneming en bouwhistorisch onderzoek van Oostwaard 9 te Maarssen

6

RAAP-RAPPORT 3080 Middeleeuws Oostwerde onder de vloer Een archeologische waarneming en bouwhistorisch onderzoek van Oostwaard 9 te Maarssen

1 Inleiding

1.1 Kader In opdracht van de Omgevingsdienst regio Utrecht namens de gemeente Stichtse Vecht, heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in oktober 2013 een archeologische begeleiding uitgevoerd in verband met het aantreffen van bijzondere sporen van het mogelijke kasteel Oostwaard in de gemeente Stichtse Vecht (figuur 1). Tijdens de restauratie en renovatie van de huidige boerderij Oostwaard 9 werden bij de aanleg van de vloerverwarming op de begane grond structuren en sporen van oudere fasen van de boerderij zichtbaar. Op initiatief van de eigenaren en in overleg 132500

132000

133000

KW1/svma_fig1

459500

459500 Microsoft Bing © 2015 Microsoft Corporation

460000

460000

460500

460500

461000

461000

131500

0

131500

250

500

m

1:15.000

132000

132500

2015 133000

Figuur 1. De ligging van het plangebied (rode lijn) en het AMK-terrein (blauwe lijn) op een recente luchtfoto.

7

RAAP-RAPPORT 3080 Middeleeuws Oostwerde onder de vloer Een archeologische waarneming en bouwhistorisch onderzoek van Oostwaard 9 te Maarssen

met de RCE hebben de heren Hans Wetemans en Ton van Bommel van de AWN de tevoorschijn gekomen funderingsresten vrijgelegd, waarbij de verdere verstoring van de resten en de grondsporen tot een minimum is beperkt. Naar aanleiding van de toevalsvondst van de funderingen is tevens door Bureau voor Bouwhistorie en Architectuurgeschiedenis v.o.f. (BBA) een bouwhistorisch onderzoek naar de op dat moment vrijgelegde structuren uitgevoerd (Viersen, 2013). Gezien het grote belang van de aangetroffen vondsten heeft de wethouder van de gemeente Stichtse Vecht, na advies van de regio-archeoloog van de Omgevingsdienst regio Utrecht, toestemming gegeven om budget vrij te maken voor een (beperkt) archeologisch onderzoek. Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd op 22 en 23 oktober 2013. Tijdens het archeologisch onderzoek heeft een aanvullend bouwhistorisch onderzoek plaatsgevonden op 22 oktober 2013 (Viersen, 2014). Er is in samenspraak met de Omgevingsdienst voorafgaand aan het onderzoek geen PvE opgesteld, omdat er geen sprake is van graafwerkzaamheden. Door het toevallige karakter van de vondst is er eveneens geen inventariserend archeologisch onderzoek vooraf uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de normen van de archeologische beroepsgroep (zie artikel 24 van het Besluit archeologische monumentenzorg).

De Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 3.2), beheerd door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB; www.sikb.nl), geldt in de praktijk als richtlijn. RAAP beschikt over een opgravingsvergunning, verleend door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Onderzoeksdocumentatie en vondstmateriaal zullen worden overgedragen aan het depot van de provincie Utrecht. Vanuit het oogpunt van beleving en de herbestemming van de boerderij is vanuit de bewoners het verzoek gekomen om het vondstmateriaal zichtbaar te maken in de stal van de boerderij. De auteurs steunen dit verzoek van harte en het depot zal gevraagd worden het vondstmateriaal in bruikleen te geven aan de bewoners. Op deze wijze worden de vondsten samen met de locatie beleefbaar gemaakt. Zie tabel 1 voor de dateringen van de in dit rapport genoemde archeologische perioden. Enkele vaktermen worden achter in dit rapport beschreven (zie verklarende woordenlijst).

1.2 Opzet en doel van het onderzoek Gezien het beperkte tijdsbestek waarbinnen het onderzoek diende plaats te vinden en het feit dat er geen sprake was van aanvullende graafwerkzaamheden, is geen PvE opgesteld. Ook heeft er geen vooronderzoek (bureauonderzoek en/of inventariserend veldonderzoek) plaatsgevonden. Het voor de archeologische begeleiding beschikbare budget, als gevolg van het toevallig karakter van de vondst, stelde zowel aan de omvang van het veldwerk als aan de uitwerking beperkingen. Om voornoemde redenen zou deze rapportage uitsluitend de methoden en een korte beschrijving van de resultaten van de documentatie bevatten, bezien in samenhang met de resultaten van het bouwhistorisch onderzoek. Lopende het veldwerk is in overleg met de bouwhistoricus A. Viersen overeengekomen om de resultaten van het archeologisch en bouwhistorisch onderzoek zoveel mogelijk in één rapportage gezamenlijk te presenteren. Onderhavig rapport bevat dan ook delen die ook in de bouwhistorische (tussen)rapporten van Viersen (2013; 2014) zijn beschreven.

8

RAAP-RAPPORT 3080 Middeleeuws Oostwerde onder de vloer Een archeologische waarneming en bouwhistorisch onderzoek van Oostwaard 9 te Maarssen

Het doel van het archeologisch onderzoek was het documenteren van de reeds door de AWN vrijgelegde structuren en profielen en het verzamelen van de gedane vondsten. In onderhavig rapport zijn de resultaten van het bouwhistorisch onderzoek zoveel mogelijk gekoppeld aan de tijdens de archeologische begeleiding gedocumenteerde sporen en structuren. Getracht is om met de nu beschikbare informatie een zo compleet mogelijk beeld te geven van de ontwikkeling van deze bijzondere locatie. Door het toevallige karakter van de vondst is er geen inventariserend archeologisch onderzoek vooraf uitgevoerd. Op initiatief van de bewoners - familie Peek-Van den Bosch - was reeds een bouwhistorisch onderzoek uitgevoerd door Hylkema Consultants BV in 2010 (Koornstra, 2010). Ook is in 1989/1990 door RAAP een beperkt geofysisch onderzoek naar grachtresten uitgevoerd (Van der Graaf, 1990). Hoewel een bureauonderzoek geen onderdeel van onderhavig onderzoek uitmaakte, worden de resultaten van enkele voorgaande onderzoeken toch beknopt behandeld in hoofdstuk 2 om de resultaten van het veldwerk, gezien het bijzondere karakter van de resten, in een breder kader te kunnen plaatsen. Hierbij is met name gebruikgemaakt van de beschrijving van de bouwgeschiedenis van Oostwaard uit Koornstra (2010).

Inherent aan de beperkte omvang van het onderzoek is het gegeven dat nog veel vragen over de historische ontwikkeling van Oostwaard onbeantwoord zijn gebleven. In de rapportage worden daarom tevens aanbevelingen gedaan voor mogelijke vervolgonderzoeken.

9

RAAP-RAPPORT 3080 Middeleeuws Oostwerde onder de vloer Een archeologische waarneming en bouwhistorisch onderzoek van Oostwaard 9 te Maarssen

1.3 Administratieve gegevens Projectcode

SVMA

Toponiem

Oostwaard 9

ARCHIS-onderzoeksmelding

58819

Type onderzoek

archeologische begeleiding

Opdrachtgever

gemeente Stichtse Vecht

Contactpersoon namens opdrachtgever

De heer P. de Boer, Omgevingsdienst regio Utrecht

Onderzoekskader

toevalsvondst

Locatie

Plangebied Oostwaard 9 Plaats

Maarssen

Gemeente

Stichtse Vecht

Provincie

Utrecht

Oppervlakte plangebied

n.v.t.

Kaartblad

31H

Centrumcoördinaat

132.425 / 460.319

Bevoegd gezag

gemeente Stichtse Vecht

Contactpersoon

De heer P. de Boer, Omgevingsdienst regio Utrecht

Datum veldonderzoek

21 en 22 oktober 2013

Beheer en plaats vondsten en documentatie

archief RAAP-West. De vondsten en documentatie zullen worden overgedragen aan het Provinciaal Depot voor Bodemvondsten van de provincie Utrecht, waarna deze in bruikleen kunnen worden gegeven aan de bewoners van Oostwaard 9.

ARCHIS-vondstmelding

nog niet bekend

ARCHIS-waarneming

nog niet bekend

1.4 Dankwoord Bovenal willen de auteurs de familie Peek-Van den Bosch bedanken voor de gastvrijheid en het enthousiasme waarmee zij dit onderzoek in gang hebben gezet. Tijdens het veldwerk is op een bijzonder prettige wijze samengewerkt met Hans Wetemans en Ton van Bommel van de AWN. Zij hebben met hun inzet de documentatie in het veld mede mogelijk gemaakt en nuttig commentaar geleverd op de conceptrapportage. Dankzij het werk van metaaldetector-specialist Bas Verburgh is tijdens de begeleiding onder andere een bijzondere munt uit de 15e eeuw geborgen. Buiten het veldwerkteam is bij dit project nog een groot aantal mensen betrokken. De auteurs zijn de volgende personen zeer erkentelijk voor hun bijdrage: Anton Cruysheer (AWN Utrecht), Hans van Bemmel en Henk Blaauw (beiden Historische Kring Maarssen), Laurens Hilhorst (metaaldetectie), Kees Beelaerts van Blokland en Eugène van Diepen (journalist AD/Utrechts Nieuwsblad). Voorafgaand aan en tijdens het veldwerk is het onderzoek vanuit de RCE door Jan van Doesburg begeleid. De archeologische begeleiding is mogelijk

10

RAAP-RAPPORT 3080 Middeleeuws Oostwerde onder de vloer Een archeologische waarneming en bouwhistorisch onderzoek van Oostwaard 9 te Maarssen

gemaakt door de gemeente Stichtse Vecht, contactpersoon Peter Bos, die op aanwijzen van Peter de Boer van de Omgevingsdienst Regio Utrecht budget heeft toegekend voor de documentatie van deze bijzondere vondst. Dit grote aantal betrokkenen en instanties onderstreept eens te meer het belang van deze vindplaats.

Archeologische perioden Datering

Tijdperk

Recente tijd

- 1945

C

Nieuwe tijd

- 1850

B

- 1650

A

- 1500

Laat B

- 1250

Laat A

- 1050

D: Ottoonse tijd Vroeg

Middeleeuwen

C: Karolingische tijd B: Merovingische tijd A: Volksverhuizingstijd

Laat

Romeinse tijd

- 250

Midden

- 500 - 800

Laat

- 1100

Midden

- 1800

Prehistorie

Vroeg

- 2000

Laat (Nieuwe Steentijd)

- 2850

Midden

- 4200

Vroeg

- 4900/5300

Laat

Mesolithicum (Midden Steentijd)

- 6450

Midden

- 8640

Vroeg

- 9700

Laat

Paleolithicum (Oude Steentijd)

- 450

- 15 voor Chr.

Vroeg

Neolithicum

- 525

- 70 na Chr.

Laat

Bronstijd

- 725

- 270

Midden Vroeg

IJzertijd

- 900

- 12.500

Jong B

- 16.000

Jong A

- 35.000

Midden

- 250.000

Oud tabel1_standaard_Archeologisch_RAAP_2014

Tabel 1. Archeologische tijdschaal.

11

RAAP-RAPPORT 3080 Middeleeuws Oostwerde onder de vloer Een archeologische waarneming en bouwhistorisch onderzoek van Oostwaard 9 te Maarssen

12

RAAP-RAPPORT 3080 Middeleeuws Oostwerde onder de vloer Een archeologische waarneming en bouwhistorisch onderzoek van Oostwaard 9 te Maarssen

2 Korte voorgeschiedenis Hoewel het aantreffen van de funderingsresten in AMZ-termen als een toevallige vondst kan worden beschouwd, is het feit dat deze resten zich op deze plaats bevinden allerminst toevallig. Om te beginnen heeft het perceel waarop de huidige boerderij staat een status als terrein van hoge archeologische waarde (Monumentnummer 1986) met resten van een versterkt huis die dateren uit de periode Late Middeleeuwen tot aan de Nieuwe tijd. In dit hoofdstuk wordt een beknopte beschrijving gegeven van de gegevens die bekend zijn over de vroegste historische ontwikkeling van Oostwaard, voor zover van belang voor de duiding van de archeologische resten en de mogelijke functie van de vroegste bouwfasen. Hiertoe zijn delen uit Viersen (2014) overgenomen. Voor een uitgebreide beschrijving van de (bouw)historische ontwikkeling wordt verwezen naar Koornstra (2010).

Uithof Oostwerde De boerderij Oostwaard ligt aan de gelijknamige weg, van oorsprong een zand- en jaagpad langs de Vecht als verbinding tussen Oud Zuilen en Maarssen in het gerecht Oostwaard. Oostwaard was een klein, zelfstandig gerecht dat rond 1800 zo’n 112 morgen land besloeg. Volgens Bous e.a. (2007) moet er op de plek van de huidige boerderij een versterkte boerderij/ begraven hofstede (ook wel moated site) hebben gelegen. Het fenomeen begraven hofstede kende een bloeitijd tussen eind 14e eeuw tot circa 1550. Hoewel geen kasteel, had een begraven hofstede wel elementen van verdedigbaarheid, zoals een muur en een omgrachting (aangeduid met de term begraven). Een hofstede was echter onverdedigbaar en wordt dan ook niet tot de kastelen gerekend. De bewoners van een hofstede waren voornamelijk lage edelen die met agrarische of commerciële activiteiten (zoals kleiwinning) moesten rondkomen (Koornstra, 2010). Het bezit had voornamelijk een functie als statussymbool. Er is niet veel bekend over hoe de hofstede Oostwaarde er in de vroegste fase uit zal hebben gezien (Koornstra, 2010). Uit diverse historische bronnen is bekend dat het complex Oostwaard in een eerdere fase een uithof moet zijn geweest van de in 1131 gestichte Stevensabdij in Oudwijk bij Utrecht (Vera, 2001).

Rond 1200 werd volgens het onderzoek van Vera (2001) een stuk land met de naam Oostwerde gekocht met het geld van een schenking door Frenkinna, weduwe van Wilhelm van Schalcwijc. Dit is vermoedelijk de oudste vermelding van Oostwaard. In 1217 wordt in een convent van bisschop Otto en Paus Honororius III Oostwaard als abdijgoed genoemd, met een grootte van 6,5 hoeve (ter vergelijk: één hoeve is ongeveer 16 morgen en omvat de hoeveelheid grond waarvan een boerengezin kon leven). Al in het jaar 1294 zou het geslacht Oostwaard in de lijst van Stichtse edelen worden genoemd, maar er was vermoedelijk geen sprake van een riddermatig goed (Koornstra, 2010). In 1380 vond er een verbouwing of uitbreiding plaats toen Roelof die Craen de pachter was. Voor dat jaar wordt gemeld dat er ‘an den huse tot Oostweert van ‘t convent vertimmert is´ (Viersen,

13

RAAP-RAPPORT 3080 Middeleeuws Oostwerde onder de vloer Een archeologische waarneming en bouwhistorisch onderzoek van Oostwaard 9 te Maarssen

2014). Volgens Vera (2001) volgde een mogelijk grotere verbouwing in 1409/1410: ‘Item Hubert Daniels van xxm [20.000] steens die hi verwrocht heft tot Oestelweerde, van elken dustent XXV wit en voert dat hi ons in daghure gewrocht heft tot Oestweerde ende hier op de hoeve tesamen XXVI gld’. In totaal werden in deze jaren ten minste 24.000 moppen aan het gebouw verwerkt (Vera, 2001). In werkelijkheid zullen het er meer zijn geweest aangezien niet alle informatie in de archieven bewaard is gebleven. Gezien dit aantal stenen (uitgaande van het steenformaat van de eerste of tweede fase ongeveer 100 m 3 metselwerk) moet het in de 15e eeuw een forse verbouwing of uitbreiding zijn geweest. Het geeft tevens ondubbelzinnig aan dat het gebouw op dat moment aanzienlijker was dan een boerderij, die in deze periode doorgaans in houtbouw waren uitgevoerd. De drie bewaarde 15e-eeuwse pachtcontracten van Oostwaard (HUA 1005-1, via Viersen [2014]) geven onvoldoende informatie om te bepalen welke functie(s) het gebouw kende. Wel noemt het pachtcontract uit 1447 het onderhouden van een omtuining en van een sloot rond het complex. Over hoe groot het omtuinde terrein precies was, biedt het pachtcontract geen duidelijkheid. Wel is duidelijk dat er bij de hofstede Oostwaard in een vroege fase sprake was van steenbouw.

De abdij van Oudwijk bleef eigenaar van Oostwaard tot de Reformatie in 1580, waarna de eigendommen van de abdij aan de Staten van Utrecht vervielen (Vera, 2001). Vervolgens werd in 1598 het beheer hiervan overgedragen aan het Ridderschap. Over de functie van de bebouwing op Oostwaard kan in ieder geval gesteld worden dat er geen sprake was van enkel een gewone boerderij. Uit een door Vera (2001) achterhaalde post in een rekening uit 1599 blijkt namelijk dat de jonkvrouwen van de Stevensabdij op Oostwaard konden overnachten. Er zal dus een gebouw zijn geweest dat heeft voldaan aan de - vermoedelijk hoge eisen ten aanzien van het wooncomfort. Mogelijk functioneerde Oostwaard ook als uitwijkplaats voor de abdij van Oudwijk, dat direct voor de stadsmuren van Utrecht was gelegen. In de loop van de 17e eeuw zijn er wederom aanwijzingen voor reparaties en/of verbouwingen (Koornstra, 2010). Vanaf die periode wisselt Oostwaard enige malen van eigenaar. Op basis van historisch kaartmateriaal is reeds op de kaart van Colom uit 1651 een rechthoekig gebouw aanwezig, dat in omvang overeen lijkt te komen met de huidige boerderij. Op het relatief grote erf rond de boerderij zijn een boomgaard en meerdere bijgebouwen getekend, hetgeen de indruk wekt van een agrarisch bedrijf met een meer dan gemiddelde grootte. Dit is in lijn met de historische gegevens die over het gebouw bekend zijn.

Ook verschillende auteurs uit de 18e en 19e eeuw maken melding van zware muren en kelders met zware gewelven (Viersen, 2014). Dit geeft aan dat deze groter en afwijkend waren uitgevoerd ten opzichte van hetgeen gebruikelijk was bij grote boerderijen. Rond 1800 is er voor Oostwaard nog steeds sprake van de Saal, ondanks het feit dat de uiterlijke verschijningsvorm inmiddels die van een boerderij was (Vera, 2001). Uit historische kaarten uit de 19e eeuw kan worden afgeleid dat er diverse veranderingen in het aantal en de plaatsing van bijgebouwen zijn doorgevoerd (www.watwaswaar.nl; figuur 2). In 1922 slaat het noodlot toe en brengt een forse brand de boerderij flinke schade toe. Het huidige aanzicht van de boerderij is tot stand gekomen met de wederopbouw in 1924 onder architectuur van J.W. Hanrath. Uit recent ontdekte foto’s van de vroegere eigenaren van de periode vóór de brand (1917) blijkt dat het gebouw dezelfde buitenmuren heeft behouden en voor de brand ook nagenoeg hetzelfde aanzicht had.

14

RAAP-RAPPORT 3080 Middeleeuws Oostwerde onder de vloer Een archeologische waarneming en bouwhistorisch onderzoek van Oostwaard 9 te Maarssen

132500

132750

460250

460250

460500

460500

132250

460000

50

100

150

200

m KW1/svma_fig2

132250

250 1:5.000

132500

460000

0

2015 132750

Figuur 2. Projectie van het plangebied (zwarte lijn) op een uitsnede van de kadastrale minuut uit de periode 1811-1832 (www.watwaswaar.nl).

Voorgaand onderzoek Oostwaard 9 Meer informatie over de oudere bouwfasen van Oostwaard kwam aan het licht na de brand in 1922. Deze brand zou begonnen zijn in de hooiberg en vervolgens zijn overgeslagen naar de boerderij, waardoor in ieder geval het stalgedeelte vrijwel volledig werd verwoest (Koornstra, 2010). Ook het woonhuis heeft hierbij flinke schade opgelopen. Het Kastelenboek van de provincie Utrecht (Clifford Kocq van Breugel, 1966) maakt melding van de ontdekking van de fundamenten van het kasteel Oostwaard na de brand. Onder de toenmalige boerderij werden 80 tot 100 cm dikke muren aangetroffen, evenals kloostermoppen in de achterzijde van de stallen. Deze zijn nog steeds aanwezig. In 1990 is door RAAP een geofysisch onderzoek uitgevoerd (Van der Graaf, Datema & Anderson, 1990). Een klein deel rondom het woonhuis is hierbij onderzocht met een elektrische weerstandmeter. Uit de resultaten is gebleken dat vermoedelijk resten van funderingen en een moge-

15

RAAP-RAPPORT 3080 Middeleeuws Oostwerde onder de vloer Een archeologische waarneming en bouwhistorisch onderzoek van Oostwaard 9 te Maarssen

lijk gracht aanwezig zijn, maar de metingen zijn niet eenduidig. De methodiek van het geofysisch onderzoek is de afgelopen jaren echter sterk verbeterd. Daarom is getracht in het kader van het huidige onderzoek de oude ruwe meetdata opnieuw te analyseren. Dit bleek gezien het format van de metingen helaas niet haalbaar. Duidelijk is wel dat in de ondergrond van het perceel rondom het huidige gebouw nog diverse archeologische resten bewaard moeten zijn gebleven.

16

RAAP-RAPPORT 3080 Middeleeuws Oostwerde onder de vloer Een archeologische waarneming en bouwhistorisch onderzoek van Oostwaard 9 te Maarssen

3 Methoden

3.1 Bouwhistorisch onderzoek Tijdens het bouwhistorisch onderzoek zijn de zichtbare funderingsresten in het vlak en de profielputten (voor zover aanwezig ten tijde van de locatiebezoeken), alsmede het opgaand metselwerk gefotografeerd en beschreven. Voor een nadere beschrijving van de methodiek van het bouwhistorisch onderzoek wordt verwezen naar Viersen (2013; 2014).

3.2 Archeologisch onderzoek Werkputten De verschillende ruimtes in het voorhuis waar funderingsresten zijn aangetroffen zijn gedocumenteerd als opgravingsputten. Hierbij zijn de ruimtenummers zoals aangegeven op de bouwtekening (Vlaardingerbroek-Wevers, 2011) ondergebracht in werkputten (WP). In totaal zijn op deze manier zes werkputten geregistreerd. In tabel 2 wordt een overzicht van deze koppeling weergegeven.

ruimtenummer

werkput

0.1 woonkamer 0.13 zijkamer

WP1

0.2 slaapkamer

WP2

0.4 keuken 0.5 berging 0.6 badkamer

WP3

0.8 keuken 0.9 gang

WP4

0.7 hal

WP5

buiten (ontgravingen t.b.v. leidingen)

WP6

Tabel 2. Overzicht van de koppeling tussen ruimtenummers en werkputten.

Opgravingsvlakken, profielen en boringen Voorafgaand aan het veldonderzoek van RAAP is door de leden van de AWN een groot deel van de funderingsresten vrijgelegd. Tevens zijn op een aantal plekken profielgaten gegraven om de opbouw en diepte van de funderingen te bepalen. Van een opgravingsvlak was in deze fase nog geen sprake. De figuren 4 en 5 geven een impressie van het onderzoek. Tijdens de archeologische begeleiding zijn de op dat moment zichtbare funderingen ingemeten, getekend en beschreven. Als basis hiervoor is gebruikgemaakt van een lokaal meetsysteem dat door RAAP ten opzichte van de bestaande muren is uitgezet. Als vlak 1 is in alle werkputten het reeds aanwezige vlak gehanteerd. De hoogte van dit bestaande vlak is per WP ingemeten en bedraagt in alle werkputten circa 1,8 m +NAP. De vlakhoogtes en overige hoogtemetingen (sporen

17

RAAP-RAPPORT 3080 Middeleeuws Oostwerde onder de vloer Een archeologische waarneming en bouwhistorisch onderzoek van Oostwaard 9 te Maarssen

en boringen) zijn gemeten met een waterpas, waarbij gebruik is gemaakt van vaste punten buiten de woning die door middel van een RTK-GPS zijn uitgezet (grondslagpunten met z-waarden, ingemeten in het Rijksdriehoeksnet). Het was in de beschikbare tijd voor het veldwerk niet mogelijk om in alle werkputten het reeds aanwezige vlak op te schaven en te ontdoen van stort. Gezien deze beperking is ervoor gekozen om zoveel mogelijk informatie uit het vlak in WP1 te halen, de ruimte waarin vrijwel alle bouwfasen gerepresenteerd waren. In WP1 is een groot deel van het vlak handmatig opgeschaafd en gedocumenteerd. Tijdens het archeologisch onderzoek zijn geen nieuwe profielputten aangelegd. Wel zijn de bestaande profielen opgeschaafd en gedocumenteerd door middel van tekenen en/of fotograferen. Aan een aantal profielputten is ten behoeve van de beschrijving een nummer toegekend (profiel132400

132450

132500

460350

460350

460400

460400

132350

460300

460300

S27 S27 S27 S27 S27

55555 66666

KW1/svma_fig3

460250

460250 Microsoft Bing © 2015 Microsoft Corporation

77777

0

132350

25

50

m

1:1.250 132450

132400

2015 132500

Figuur 3. Ligging van de boorpunten buiten (rode stippen) en de omtrek van WP6 (rode lijn) met de locatie van spoor 27 (paal oude fase van de hooiberg).

18

RAAP-RAPPORT 3080 Middeleeuws Oostwerde onder de vloer Een archeologische waarneming en bouwhistorisch onderzoek van Oostwaard 9 te Maarssen

putten 1 t/m 5; kaartbijlage 1). Binnen deze profielputten worden de vlakken als volgt aangeduid: vlak 101 voor het noordprofiel, 102 oostprofiel, 103 zuidprofiel en 104 westprofiel. De sporen in de werkputten 1 t/m 6 zijn in één reeks genummerd (sporen 1 t/m 27). De duizendnummers betreffen per werkput (WP-nummer plus 1000) de antropogene ophogingslagen en natuurlijke lagen. Voor de plaatselijke gelaagdheid zijn spoornummers 1000 t/m 1004, 2000, 2001, 3000, 3001, 4000, 4001 en 5000 (cultuurlagen; werkputnummer+1000 reeks) en 1005 t/m 1006 (natuurlijke lagen) gereserveerd. Ten behoeve van registratie van stortvondsten zijn de spoornummers 996 (stort WP1, binnen), 999 (stort buiten, afkomstig uit het huis), 1999 (stort uit profielputten) en 9999 (stort afkomstig uit leidingsleuven buiten) uitgedeeld. De spoornummers 997 en 998 zijn uitgegeven aan zeer recente structuren. De beschrijving en interpretatie van sporen en lagen is opgenomen in de RAAP-database. Aanvullend op de documentatie van de funderingsresten en grondsporen zijn zeven boringen gezet (zie kaartbijlage 1). De boringen 1 t/m 4 zijn geplaatst in WP1 om de puinlaag die werd aangetroffen in de centrale profielput te vervolgen. In de voortuin zijn de boringen 5 t/m 7 gezet om een indruk te krijgen van de (natuurlijke) bodemopbouw ten zuidoosten van de huidige boerderij.

De boorbeschrijvingen zijn opgenomen in bijlage 3. De ontgravingen ten behoeve van de aanleg van de aardwarmtebuizen die op het achtererf open lagen tijdens het veldwerk, zijn ter informatie ingemeten door middel van een GPS (WP6: omtrek en vlakhoogte). Deze ontgravingen lage reeds open tijdens het onderzoek van de AWN.

Afwerking en behandeling van sporen en vondsten De grondsporen zijn genummerd, gefotografeerd, ingemeten en op de vlaktekening ingetekend (bijlage 1; kaartbijlage 1). Er zijn tijdens het onderzoek geen sporen gecoupeerd en/of afgewerkt. Twee profielen in de centrale profielput zijn getekend op schaal 1:20. In verband met de beperkte tijd zijn de overige profielputten alleen gefotografeerd en beschreven. Met behulp van een metaaldetector is het vlak en de stort (inpandig en buiten) onderzocht op vondsten. Het metaaldetectieonderzoek ten tijde van het veldwerk is uitgevoerd door de vrijwilliger Bas Verburgh. Tijdens het archeologisch onderzoek zijn vondsten verzameld per laag en spoor (bijlage 2). Deze vondstverzameling was niet volledig, het materiaal betrof een representatieve selectie ten behoeve van een scherpere datering van de verschillende sporen en lagen. Tijdens het voorgaande onderzoek zijn door de leden van de AWN reeds vondsten verzameld. Deze zijn ter beschikking gesteld aan RAAP en geregistreerd (bijlage 2). Een deel hiervan is op aanwijzen van de AWN-leden alsnog zoveel mogelijk toegekend aan een spoor of laag. Van een groot aantal kon dit echter niet meer worden achterhaald. Deze vondsten zijn geregistreerd als stortvondsten, indien mogelijk wel uitgesplitst naar de verschillende locaties van stort, maar niet nader behandeld.

Bemonstering Van twee houtskoolrijke sporen zijn monsters genomen. Tevens is uit boring 2 een monster van mortel genomen. Er zijn geen kansrijke sporen aangetroffen met mogelijke macrobotanische resten en daarom zijn geen monsters genomen voor macrobotanisch onderzoek.

19

RAAP-RAPPORT 3080 Middeleeuws Oostwerde onder de vloer Een archeologische waarneming en bouwhistorisch onderzoek van Oostwaard 9 te Maarssen

Figuur 4. Impressie van het onderzoek: documentatie in WP1 (boven) en booronderzoek in de voortuin (onder).

20

RAAP-RAPPORT 3080 Middeleeuws Oostwerde onder de vloer Een archeologische waarneming en bouwhistorisch onderzoek van Oostwaard 9 te Maarssen

Figuur 5. Overzicht van WP1 ten tijde van het onderzoek.

Uitwerking vondsten Tijdens de basale uitwerking zijn alle vondsten gewassen, gesplitst, geteld en ingevoerd in de database met een globale beschrijving (bijlage 2). Vervolgens is het aardewerk en een relevante selectie van het metaal (munten) door specialisten bestudeerd. De beschrijving van het keramische bouwmateriaal is ontleend aan de bouwhistorische analyse (Viersen, 2014). Het aardewerk is gedetermineerd door een interne specialist (F. van der Wal) en door de AWN (T. van Bommel). Tijdens het veldwerk is het metaal door de metaaldetectie-specialist (B. Verburgh) reeds op hoofdlijnen beschreven. Tijdens de basale uitwerking is vervolgens een selectie gemaakt van het metaal voor nadere analyse. In totaal kwamen 3 munten in aanmerking voor conservering. Deze zijn geconserveerd en gedetermineerd door M. Hendriksen (ArcheoMetaal). Er zijn in de periode dat de funderingen zichtbaar waren buiten het kader van dit onderzoek eveneens vondsten verzameld. Dit materiaal maakt echter geen deel uit van de uitwerking in het kader van deze rapportage. Wel is op verzoek van de bewoners de beschrijving van een aantal munten opgenomen in het rapport (§ 4.3). De betreffende munten zijn geconserveerd door Bas Verburgh en gedetermineerd door Arie van Herwijnen en Anton Cruysheer. Deze vondsten staan niet vermeld in de vondstenlijst en worden dan ook niet aangeleverd aan het depot.

21

RAAP-RAPPORT 3080 Middeleeuws Oostwerde onder de vloer Een archeologische waarneming en bouwhistorisch onderzoek van Oostwaard 9 te Maarssen

22

RAAP-RAPPORT 3080 Middeleeuws Oostwerde onder de vloer Een archeologische waarneming en bouwhistorisch onderzoek van Oostwaard 9 te Maarssen

4 Resultaten De in dit hoofdstuk gepresenteerde resultaten vormen een gecombineerde beschrijving van de gegevens van het vooronderzoek van de AWN 1, het archeologisch onderzoek (RAAP en AWN) en het bouwhistorisch onderzoek van BBA. Delen uit de tekst van Viersen (2013; 2014) zijn in onderhavig rapport soms integraal opgenomen. Wel ligt de nadruk in het huidige rapport op de archeologische grondsporen, welke in samenhang met het bouwhistorisch onderzoek worden geduid 2. Voor een gedetailleerde beschrijving van het opgaand metselwerk en de bouwhistorische analyse in het algemeen wordt verwezen naar de notities van Viersen (2013; 2014).

4.1 Fysisch geografisch onderzoek De boerderij Oostwaard 9 is gelegen op de oeverwal in de binnenbocht van een meander van de Vecht. Hoewel er in het kader van het onderzoek geen specifiek fysisch geografisch onderzoek heeft kunnen plaatsvinden, kan aan de hand van de profielen, aangevuld met de boringen (figuur 3), de bodemopbouw als volgt worden beschreven: In WP1 bestaat de bodemopbouw vanaf vlak 1 (ca. 1,8 m +NAP) uit een 90 tot 130 cm dik pakket van verschillende antropogene ophogingslagen. Vanaf het maaiveld is in de boringen 5 t/m 7 een recent opgebrachte laag aanwezig (gazon/tuin) bestaande uit een donkerbruingrijze sterk zandige, humeuze klei. In de boringen 5 en 6 zijn hieronder (ophogings)lagen aanwezig die mogelijk behoren tot een oudere fase van bewoning. Deze antropogene lagen worden in paragraaf 4.2 behandeld. Onder deze antropogene lagen zijn in alle boringen de natuurlijke, fluviatiele afzettingen van de Vecht aangetroffen. Deze bestaan direct onder de ophogingslagen uit een lichtbruingrijze, uiterst siltige klei, geïnterpreteerd als oeverafzettingen behorende bij de stroomgordel van de Vecht (Formatie van Echteld; Berendsen & Stouthamer, 2001). In de top van deze afzettingen is in boring 1 en 5 een circa 15 cm dikke donkergrijze, ontkalkte vegetatiehorizont aanwezig, waarvan de top tussen 0,25 en 0,5 m +NAP is aangetroffen.

Hierin zijn enkele houtskool- en puinspikkels waargenomen. Deze laag vormt een (restant van de) oorspronkelijke top van de oeverafzettingen, waarin door langdurige ligging aan het oppervlak bodemvorming is opgetreden. In principe kunnen hierin archeologische resten vanaf de Late IJzertijd aanwezig zijn. Uit profiel 101 en 104 kan afgeleid worden dat de vegetatiehorizont oorspronkelijk dikker is geweest. In deze profielen is een vergelijkbaar niveau aangetroffen (spoor 1001), maar op een hoger niveau vanaf ongeveer 1,5 m +NAP. In de overige boringen in WP1 is de top van de oeverafzettingen vermoedelijk verstoord door en/of opgenomen in de afdekkende antropogene lagen.

1 2

Hierbij is dankbaar gebruikgemaakt van de aantekeningen van de heer H. Wetemans (AWN). NB: In de rapportages van het bouwhistorisch onderzoek is voor de leesbaarheid aangehouden dat de voorgevel van de boerderij zich op het oosten bevindt. In werkelijkheid bevindt deze zich echter op het zuidoosten. De beschrijving van de oriëntatie wijkt in onderhavig rapport dus enigszins af van het bouwhistorisch rapport.

23

RAAP-RAPPORT 3080 Middeleeuws Oostwerde onder de vloer Een archeologische waarneming en bouwhistorisch onderzoek van Oostwaard 9 te Maarssen

De oeverafzettingen worden naar onder toe geleidelijk zandiger en er komen zandlagen en schelpgruis in. Deze fining upwards is kenmerkend voor afzettingen in de kronkelwaard van meanderende rivieren. In de boringen 1 en 7 gaat het profiel vervolgens over in zeer fijn, matig siltig zand. In boring 6 gaan de oeverafzettingen vanaf 1 m -NAP (230 cm -Mv) abrupt over in beddingafzettingen, bestaande uit matig grof, zwak siltig zand.

4.2 Grondsporen en structuren In de vlakken en profielen zijn 47 archeologische sporen gedocumenteerd (bijlage 1; kaartbijlage 1). De aangetroffen sporen betreffen het muurwerk en de funderingen van oudere fasen van bebouwing van Oostwaard. In de werkputten 1 t/m 5 zijn funderingen aangetroffen. Deze kunnen verder onderverdeeld worden in muurfunderingen en poeren. De overige sporen betreffen ophogingslagen, grondsporen (o.a. van insteken en uitbraken), een mogelijke gracht-/greppelvulling (zeer lokaal) en de natuurlijke ondergrond (klei en zand). De natuurlijke lagen zijn alleen in de profielen en de boringen (binnenshuis en in de voortuin) gedocumenteerd. In deze paragraaf worden de sporen en lagen per werkput beschreven, waarbij de resultaten van het archeologisch onderzoek gecombineerd zijn met die van het bouwhistorisch onderzoek. Waar relevant voor de archeologische grondsporen wordt tevens het opgaande metselwerk kort beschreven. Voor de locatie van de beschreven sporen en de profielputten wordt verwezen naar kaartbijlage 1.

Werkput 1 In de voorafgaand aan het onderzoek reeds aangelegde centrale profielput van werkput 1 zijn in de profielen verschillende ophogingslagen onderscheidden. Uit de profielen is duidelijk geworden dat er sprake is van een complexe stratigrafie, waarin de verschillende bouwfasen nog goed te onderscheiden zullen zijn. In de kleine profielput was het echter niet mogelijk deze stratigrafie volledig te ontrafelen. Toch is hieruit wel degelijk een indruk verkregen van de fasering in de mogelijke bouwfasen. Ophogingslagen en profielbeschrijvingen Het vlak bestaat in werkput 1 uit een bruingrijs, uiterst siltig tot zandig kleipakket (spoor 1003). Deze laag bevat kleibrokken, baksteenpuin en mortelresten en is geïnterpreteerd als een ophogingslaag. Gezien het hierin aangetroffen vondstmateriaal en de stratigrafische ligging is deze laag te dateren in de periode Late Middeleeuwen A tot Late Middeleeuwen B. Profielput 1 De bodemopbouw is van boven naar beneden volgt te beschrijven (figuur 6): - spoor 4, vulling 0: muurfundering baksteen; - spoor 4, vulling 1: lichtgeelgrijs matig fijn zand met baksteenpuin (losse brokken) en mortelresten. Betreft de basis van spoor 4, ligt stratigrafisch op de insteek van spoor 5; - spoor 1000: ophogingslaag, bruingrijs, uiterst siltige klei met humusvlekken en baksteen- en mortelpuin.

Uit deze laag is kogelpotaardewerk en grijsbakkend aardewerk verzameld. Een frag-

24

RAAP-RAPPORT 3080 Middeleeuws Oostwerde onder de vloer Een archeologische waarneming en bouwhistorisch onderzoek van Oostwaard 9 te Maarssen

S4 S4

S5 S5 S13 S13

Figuur 6. WP1, profielput 1, vlak 104.

ment kogelpotaardewerk heeft een bezemstreekversiering (vondstnummer 3). Deze laag is op basis hiervan te dateren in de periode Vroege Middeleeuwen C tot Late Middeleeuwen B; - spoor 13: uitbraaksleuf aan de basis van de profielput. - spoor 1001: cultuurlaag/vegetatiehorizont in de top van de oeverafzettingen, doorsneden door spoor 13. Uit deze laag is aardewerk verzameld, waaronder fragmenten Paffrath en Proto-steengoed. Hiermee is deze laag te dateren in de Late Middeleeuwen A; - spoor 1002: basis van de cultuurlaag spoor 1001. In deze laag lijken geen puinfragmenten aanwezig te zijn (niet zichtbaar op figuur 6); - spoor 1005: klei met zandlagen: natuurlijke oeverafzettingen (niet zichtbaar op figuur 6); - spoor 1006: zeer fijn zand (niet zichtbaar op figuur 6): natuurlijke oever- of geulafzettingen in de kronkelwaard van de Vecht. In het westprofiel (vlak 104; figuur 6) is duidelijk zichtbaar dat spoor 4 (fundering tussenmuur) koud is geplaatst tegen spoor 5 (poer). Aan weerskanten van spoor 5 tekent de insteek (vulling 1) van de poer zich duidelijk af. Aan de zuidkant van de poer ligt deze direct onder spoor 4 en aan de noordkant direct onder de recente vloer (spoor 999; kaartbijlage 1). Aan de noordkant is tevens een pakket met grof baksteenpuin aangetroffen, doorsneden door de insteek van spoor 5.

Dit pakket lijkt op een uitbraaksleuf, maar is helaas niet te vervolgen in noordelijke richting. Het is aannemelijk dat hier sprake was van de fundering van een binnenmuur, vergelijkbaar met en in het verlengde van spoor 4, die ook aan de noordkant van de poer heeft doorgelopen in de richting van

25

RAAP-RAPPORT 3080 Middeleeuws Oostwerde onder de vloer Een archeologische waarneming en bouwhistorisch onderzoek van Oostwaard 9 te Maarssen

de nog te bespreken poer in werkput 2 (spoor 19, kaartbijlage 1). Een aanvullende aanwijzing hiervoor kan zijn dat in de top van de insteek van spoor 5 de vulling rommeliger lijkt te zijn en wat meer puinfragmenten bevat dan de basis. Dit wijst er mogelijk op dat dit deel bij de uitbraak is aangetast. Onder de mogelijke uitbraak is oudere ophogingslaag aanwezig met brokken baksteenpuin en mortel (spoor 1007), mogelijk een deel van de insteek van spoor 5. Ook deze laag kon niet verder vervolgd worden vanwege de beperkte afmetingen van de profielput. Aan de basis van profielput 1 is vanaf circa 40 cm onder vlak 1 een opmerkelijk spoor aangetroffen: spoor 13 (figuur 6 en 7). Dit spoor betreft een puinbaan van baksteenbrokken (oranje) en heel veel mortelresten en kan gezien worden als een uitbraaksleuf. Er zijn geen complete bakstenen aangetroffen in dit spoor, maar de fragmenten lijken afkomstig van kloostermoppen. De oriëntatie van de puinbaan is haaks op spoor 4 en parallel aan de voorgevel van de boerderij. Het spoor is aan de noordkant begrensd in de profielput, maar strekt zich aan de zuidkant uit tot buiten de profielwand 103 (kaartbijlage 1). Met boringen (1 t/m 4; kaartbijlage 1) is getracht de begrenzing van deze uitbraaksleuf te bepalen. Hieruit blijkt dat de begrenzing in zuidwestelijke richting waarschijnlijk tussen boring 1 en boring 2 ligt.

In boring 1 is tot 130 cm onder vlak 1 sprake van ophogingslagen met enkele puinresten, maar zeker niet in de mate van spoor 13. In boring 2 is tussen 20 en 95 cm onder vlak 1 een laag met veel mortelresten aangetroffen, vergelijkbaar met spoor 13. Deze laag is eveneens aanwezig in boring 3 en boring 4. Ook in profielput 2 (ten oosten van spoor 6) is deze puinlaag zichtbaar. De omvang van spoor 13 is hiermee slechts zeer globaal vastgesteld.

S13 S13

Figuur 7. Overzicht van profielput 1 met de puinbaan (spoor 13) en het oranje leemlaagje. Foto richting oostprofiel.

26

RAAP-RAPPORT 3080 Middeleeuws Oostwerde onder de vloer Een archeologische waarneming en bouwhistorisch onderzoek van Oostwaard 9 te Maarssen

Figuur 8. Profielput 1, profielvlak 101: met het leemlaagje in spoor 23.

In het noordprofiel van profielput 1 (profielvlak 101; figuren 7 en 8) is spoor 23 aangetroffen, waarin zeven vullingen zijn onderscheiden. Dit spoor lijkt ten minste in twee fasen te zijn gevormd. Tijdens de uitwerking is gebleken dat het eigenlijk gaat om twee afzonderlijke sporen. De eerste fase betreft de onderste vullingen 6 en 7. De hoofdvulling betreft de humeuze vulling 6 en hierin is vulling 7 als een puinlaagje aanwezig. Uit vulling 7 is een spijker verzameld (vondstnummer 13). Uit vulling 6 van spoor 23 is een houtskoolmonster genomen ten behoeve van een 14C-datering. Beide vullingen worden doorsneden door spoor 13. In het noordprofiel bestaat de tweede fase van spoor 23 uit de vullingen 1 t/m 5. Onder een laagje mortel (vulling 0) is een verbrand leemlaagje aangetroffen (vulling 1; oranje laagje op figuur 8), mogelijk een vloertje of een haardplaats. Op basis van de koppeling met het oostprofiel (102) lijken de vullingen van deze tweede fase door te lopen over spoor 13 en is deze fase dus duidelijk jonger en afzonderlijk van de eerste fase van spoor 23. Mogelijk is de eerste fase van spoor 23 een insteek van de fundering waarvan spoor 13 de uitbraak is. Vervolgens lijkt met de afdekkende lagen, waaronder het leemlaagje, een vloerniveau na de uitbraak te zijn aangelegd.

Dit niveau was vanwege de manier waarop de profielput is uitgegraven niet meer te koppelen aan het westprofiel. Wel is duidelijk dat de jongste fase van spoor 23 wordt afgedekt door spoor 1003. Interessant is verder de vermoedelijke datering van spoor 1001. Deze is op basis van het verzamelde aardewerk (§ 4.3) vrijwel zeker te dateren in de Late Middeleeuwen A (1050-1250 na Chr.). Hiermee wordt spoor 13 eveneens in deze periode geplaatst, in ieder geval niet jonger dan de 13e

27

RAAP-RAPPORT 3080 Middeleeuws Oostwerde onder de vloer Een archeologische waarneming en bouwhistorisch onderzoek van Oostwaard 9 te Maarssen

eeuw. Op basis van de stratigrafische ligging lijkt spoor 13 dus ten minste tot de oudste bouwfase in het plangebied te behoren, maar kent mogelijk een nog hogere ouderdom dan de fundering spoor 1. In het zuidprofiel (vlak 103) is onder spoor 1003 een ophogingslaag (spoor 1004) aangetroffen die spoor 13 afdekt. Op basis van de samenstelling van deze laag en de overgang naar profiel 102 lijkt de laag onderdeel te zijn van de jongste fase van spoor 23 of van de top van de uitbraak van spoor 13. Funderingen Onder het opgaande muurwerk van de drie buitenmuren in WP1 (noordoost-, zuidoost- en zuidwestmuur) is zwaar funderingsmetselwerk aangetroffen: spoor 1. Deze fundering bestaat uit metselwerk met bakstenen van 30 x 14,5 x 7/8 cm (10-lagenmaat 79 cm). Het metselwerk van spoor 1 onder de opgaande muren is steeds in verband opgetrokken, terwijl het opgaand muurwerk koud op deze fundering is geplaatst. Het verband van het funderingsmetselwerk van spoor 1 is in het noordoostelijk deel van werkput 1 niet duidelijk. In het zuiden van de werkput (ter hoogte van spoor 2) is vastgesteld dat de fundering hier is opgetrokken in een (slordig) Vlaams verband (figuur 9). Hier is tevens de totale breedte van spoor 1 bepaald op circa 110 cm (waarvan ongeveer 30 cm ligt onder de huidige buitenmuur).

Spoor 1 is ook aangetroffen in het vlak van werkput 4 en onder de buitenmuren in de werkputten 2 en 3. Gezien het formaat van de bakstenen en de locatie betreft

Figuur 9. Opbouw van spoor 1.

28

RAAP-RAPPORT 3080 Middeleeuws Oostwerde onder de vloer Een archeologische waarneming en bouwhistorisch onderzoek van Oostwaard 9 te Maarssen

spoor 1 de buitenmuur van een van de oudste fasen van bebouwing in het plangebied, te dateren in de 13e eeuw. Centraal in WP1 is een fundering aangetroffen: spoor 4. Dit spoor betreft een fundering (in feite ook nog een deel van het opgaand metselwerk) van een van de oudere tussenmuren en is opgetrokken met bakstenen van 30x13,5/14x7 cm. Dit metselwerk is koud geplaatst tegen spoor 1 (de voorgevel van de boerderij) en spoor 5 (een poer, zie onder), hetgeen betekent dat deze muur een latere toevoeging is aan het oorspronkelijke gebouw. Spoor 4 is ook duidelijk minder diep aangelegd dan de buitengevel (zichtbaar in profielput 5). Spoor 3 is eveneens een restant van het opgaand muurwerk en de fundering van een tussenmuur en bevindt zich in het westelijk deel van WP1. In het metselwerk zijn drie fasen (aangeduid met vullingnummers) te onderscheiden, elk opgetrokken met kleinere bakstenen dan de buitengevel: - 3-0: fundering; baksteenformaat 22x9x4 cm (bovenste 4 lagen); onderste 2 lagen: 22x12,5x5cm (hergebruik?); 6-lagenmaat: 29 cm; - 3-1: opgaand muurwerk; baksteenformaat 22x11x4 cm; 2-lagenmaat: 10 cm; - 3-2: (mogelijke) haard, mee gemetseld in (fundering) muur: baksteenformaat 18x9x4 cm. - De fundering (vulling 0) dateert op basis van het baksteenformaat mogelijk uit de 19e eeuw.

Het opgaand muurwerk (vulling 1) heeft een ander baksteenformaat en is tevens met een afwijkende mortel opgetrokken en betreft zeker een latere bouwfase, waarbij een oude fundering is hergebruikt voor een jongere muur. De hierop aangetroffen pleisterresten tonen aan dat dit deel van de muur met hergebruikte baksteen is opgetrokken. De haard (vulling 2) is relatief modern (19e/20e eeuw?; Hanrath, 1924). Op deze muur stond een inmiddels verdwenen halfsteens dikke, kalkzandstenen binnenwand, die na de brand van 1922 was aangebracht. Aan de oostkant van WP1 is een aantal sporen te onderscheiden, waaronder een fundering: spoor 11 (in de noordoostelijke hoek). Deze fundering hoort bij de tussenmuur van de huidige boerderij. Het baksteenformaat is 22,5x11x4 cm (7-lagenmaat: 33 cm). De fundering en het opgaand muurwerk staan koud tegen het opgaand muurwerk van de noordoostmuur aan. Opgaand metselwerk Alhoewel het opgaand metselwerk geen primair onderdeel vormde van het archeologisch onderzoek, wordt deze categorie uit het bouwhistorisch onderzoek wel hier besproken gezien de samenhang met de archeologische resten. Het opgaande metselwerk (28,5/29 x 13/14 x 6,5/7 cm, tienlaagsmaat 77,5 cm) van de noordoostmuur van werkput 1 (op spoor 1) wijkt af van het zorgvuldig uitgevoerde funderingsmetselwerk en bestaat grotendeels uit incomplete stenen.

Waarschijnlijk is hier sprake van twee verschillende bouwfasen, waarbij het opgaande metselwerk bij een latere herbouwfase zal behoren. Uit de bouwhistorische analyse blijkt dat het metselwerk van de noordoostmuur uit in ieder geval twee parallel tegen elkaar geplaatste muren bestaat. De mortel van de achterste muur is tegen de voorste muur omhoog geduwd. Dit betekent dat de achterste muur naderhand tegen de reeds bestaande voorste muur aan is gemetseld en dus jonger is. Het metselwerk van de voorste muur

29

RAAP-RAPPORT 3080 Middeleeuws Oostwerde onder de vloer Een archeologische waarneming en bouwhistorisch onderzoek van Oostwaard 9 te Maarssen

is, gezien de afwijkende baksteenformaten, ook al jonger dan de fundering waar deze muur op is geplaatst. Mogelijk is er een verband met de bouw van de kelder en opkamer. Centraal in de muur boven spoor 8 is de dichtgemetselde toegang naar de kelder zichtbaar. De afwijkend uitgevoerde dichtzetting geeft aan dat de doorgang in twee fasen is dichtgezet. Vermoedelijk was hier een gecombineerde toegang naar de kelder en een opkamer. Eveneens zichtbaar in de muur zijn drie dichtgezette balkgaten (de middelste van de drie is niet geheel zeker). Mogelijk zijn deze gaten het restant van een bedstede, waarvan ook mogelijke restanten op de voorgrond zichtbaar zijn (sporen 7 en 9). Globaal boven spoor 9 is in de muur een dichtzetting van een mogelijk rookkanaal aanwezig, maar de functie hiervan is niet geheel duidelijk. Spoor 6 is een recente tussenmuur van witte kalkzandsteen met fundering. Poeren In WP1 zijn twee poeren aangetroffen, die beide vermoedelijk in dezelfde bouwfase geplaatst kunnen worden. De grootste poer betreft spoor 5, aangetroffen centraal in werkput 1 (figuur 6). Dit is een zware bakstenen poer, waarvan het metselwerk overeenkomt met dat van de buitenmuren uit de oudste fase (baksteenformaat 30x14,5x6 cm). De vijf bovenste lagen zijn opgetrokken met mortel, terwijl de onderste lagen vanaf de eerste versnijding een zandvoeg hebben.

De basis van de poer is in profielput 1 niet bereikt. In vlak 104 is aan de noordkant van spoor 5 duidelijk de insteek zichtbaar (spoor 5, vulling 1). Deze doorsnijdt een uitbraak en ten minste twee ophogingslagen (zie verder beschrijving van de ophogingslagen). De tweede poer betreft spoor 10. Deze heeft een kleiner grondvlak dan spoor 5 (zie kaartbijlage 1). De bovenkant van spoor 10 bevindt zich op ongeveer 1,6 m +NAP. Van deze poer is de basis niet bereikt. De fundering van de noordwestelijke binnenmuur (spoor 11) is geplaatst over spoor 10 (figuur 10). Vloeren / bedstede Langs de oostmuur van de boerderij zijn restanten van vloeren gedocumenteerd. Spoor 7 en spoor 9 betreffen vloeren en delen van wanden die vermoedelijk bij bedsteden hebben gehoord. Spoor 7 bevat een gesloopte, vermoedelijk halfsteens dikke wand van een bedstede. Het betreft een rommelig restant, bestaande uit veel halve en gebroken stenen. Het baksteenformaat bedraagt 29x13x7 cm. Een bedstedewand op deze plaats is bij een boerderij gebruikelijk. Het kleinere baksteenformaat is een indicatie dat deze wand niet tot de oorspronkelijke opzet behoort en dat het een wijziging hiervan betreft. De bedstedewand was niet meer aanwezig ten tijde van de bouw van de huidige westwand van het vertrek, aangezien in die wand geen sporen hiervan zijn aangetroffen.

Spoor 9 betreft de vloer van de ruimte onder een bedstede (baksteenformaat 22,5x11x4 cm). Ook spoor 12 is het restant van een vloer, met baksteenformaat ?x15x6 cm en opgebouwd uit veel halve en gebroken bakstenen. In WP1 zijn tevens restanten van enkele recente vloeren aanwezig. In het zuidwesten is een deel van de betonnen vloer met afwerkvloer uit 1924 zichtbaar (spoor 999), aangebracht na de brand in 1922. Het zandpakket dat eronder is aangetroffen, behoort eveneens bij deze herbouwfase. Deze beide lagen liggen boven alle vullingen (fasen) van spoor 3. Overige restanten van de beton-

30

RAAP-RAPPORT 3080 Middeleeuws Oostwerde onder de vloer Een archeologische waarneming en bouwhistorisch onderzoek van Oostwaard 9 te Maarssen

Figuur 10. Spoor 10 in werkput 1.

nen vloer zijn aangegeven met spoor 998 (kaartbijlage 1). Boven de haardplaats (spoor 2) zijn nog enkele recente plavuizen aanwezig (spoor 997). Keldertrap Tussen de restanten van de bedstedevloeren (spoor 7 en 9) is een keldertrap aangetroffen (spoor 8). Het baksteenformaat bedraagt 20x6x4,5 cm. De stenen liggen op de zijkant (2 treden), waarna de derde trede is afgekapt om de doorgang dicht te zetten. Gezien de sterke slijtsporen zal de trap gedurende langere tijd in gebruik zijn geweest. Waarschijnlijk is deze opening dichtgezet nadat de keldertoegang naar de huidige plek is verplaatst, mogelijk op het moment dat de gewelven van de kelder zijn aangepast. Haardplaats In het zuidoosten van WP1 is een structuur aangetroffen die als haardplaats is geïnterpreteerd: spoor 2 (figuur 11). Het baksteenformaat bedraagt 30x13,5x6 cm en de structuur bestaat uit 1 tot 2 lagen van op de zijkant liggende stenen. Het baksteenformaat komt overeen met dat van de oudste fundering (spoor 1). De bakstenen vertoonden deels roetsporen. Mogelijk betreft spoor 2 een uit de oudste bouwfase daterende haardplaats. De plaatsing van een haardpartij in een hoek van het gebouw is echter ongebruikelijk, maar aangezien de functie van de oudste fase van het gebouw nog niet goed te duiden is, is ook de inrichting moeilijk te interpreteren.

31

RAAP-RAPPORT 3080 Middeleeuws Oostwerde onder de vloer Een archeologische waarneming en bouwhistorisch onderzoek van Oostwaard 9 te Maarssen

Figuur 11. Overzicht van de haardplaats (spoor 2) in werkput 1.

Grondsporen In vlak 1 van WP1 zijn tevens enkele grondsporen waargenomen: Spoor 16 betreft een mogelijke insteek van een inmiddels verdwenen muurfundering. Het spoor loopt parallel aan een recente muur (spoor 6) en kan eventueel (ook) een uitgraving of insteek daarvan zijn (kaartbijlage 1). Spoor 16 is ingegraven in vlak 1 (ophogingslaag spoor 1003). Langs de zuidoostelijke buitenmuur zijn tussen de sporen 3 en 4 in het vlak verkleuringen aangetroffen die geïnterpreteerd zijn als ophogingslagen en/of mogelijk opvullingen van muurinsteken: spoor 14 en spoor 17. Wat samenstelling betreft is spoor 17 zeer vergelijkbaar met spoor 1003, maar iets humeuzer. Wellicht is dit de insteek van spoor 1 in dit deel van de werkput. Het is denkbaar dat dit spoor zich uitstrekt op een dieper niveau onder vlak 1. Spoor 14 lijkt eveneens op spoor 1003, maar bevat meer brokken schelpmortel en baksteenpuin. Deze laag is mogelijk te relateren aan de op een dieper niveau aangetroffen uitbraak (spoor 13). Het spoor wordt in het vlak doorsneden door spoor 16. Helaas was het niet mogelijk de precieze stratigrafie in dit deel van WP1 te bepalen vanwege het ontbreken van profielputten. Rondom spoor 2 (de haardplaats) tekent zich in vlak 1 een zone met roetsporen af: spoor 15.

De aanwezigheid van dit spoor bevestigt de interpretatie van spoor 2 als haardplaats, die in ieder geval nog in gebruik was in de periode dat spoor 1003 onderdeel was van het loopniveau.

32

RAAP-RAPPORT 3080 Middeleeuws Oostwerde onder de vloer Een archeologische waarneming en bouwhistorisch onderzoek van Oostwaard 9 te Maarssen

Onder de recente betonnen vloer (spoor 999) is een vulling waargenomen van een mogelijke insteek, die waarschijnlijk behoort tot vulling 1 van spoor 3 (zie afbeelding 15 uit Viersen [2014]). Op de afbeelding is tevens een mogelijke brandlaag (D) zichtbaar, die zich onder de insteek (C) doorzet. Onduidelijk is of deze laag behoort bij de brand van 1922 of dat het om een oudere brandlaag gaat. De brandlaag ligt in ieder geval boven vulling 0 van spoor 3 en is dus jonger dan deze vermoedelijke 19e-eeuwse fase. Bij E is een oudere ophogingslaag zichtbaar. In profielput 1 zijn geen brandlagen aangetroffen.

Werkput 2 Funderingen In WP2 zijn drie funderingssporen aangetroffen. Spoor 19 betreft een poer die vergelijkbaar is met spoor 5 uit werkput 1, maar een groter grondvlak heeft (ca. 132 x 127 cm). Het formaat van de bakstenen is 30x14/15,5x7 cm (7-lagenmaat 53 cm). Aan de bovenzijde ervan zijn mortelresten zichtbaar, wat betekent dat het bovenste deel van het metselwerk is verwijderd. Het metselwerk en de toegepaste mortel van deze poer zijn vrijwel identiek met het metselwerk van de buitengevels behorende bij de eerste bouwfase (spoor 1). Deze poer zal dus tot (een van) de oudste fase van steenbouw behoren. Onder de huidige gevel is de oorspronkelijke fundering van de buitenmuur aan deze zijde van de boerderij nog aanwezig (hoort bij spoor 1). Tevens is in WP2 de fundering van een (binnen)muur zichtbaar (spoor 18). De opbouw hiervan is vrij rommelig en er lijkt sprake te zijn van hergebruikte stenen (formaat ?x14x6 cm). Plaatselijk is nog een versnijding zichtbaar, die de oorspronkelijke dikte van de muur aangeeft. Voor de bouw van de huidige gevel is spoor 18 aan de gevelzijde uitgebroken.

Werkput 3 Funderingen In werkput 3 zijn twee funderingen gedocumenteerd, spoor 20 en spoor 21: Tegen de zuidwestmuur bevindt zich het restant van de fundering van een tussenmuur (spoor 20). Deze muur had een breedte van circa 20 cm en behoort tot een recente bouwfase van de boerderij. Spoor 21 betreft eveneens de fundering van een binnenmuur, ditmaal aan de huidige noordwestmuur, te dateren in de 18e eeuw. Het formaat van de bakstenen bedraagt 18x9x4 cm en er is sprake van drie versnijdingen. In spoor 21 zijn enkele beroete bakstenen aangetroffen, een aanduiding voor hergebruik na een brand. Onder deze 18e-eeuwse fundering is opnieuw een deel van de oorspronkelijke (13e-eeuwse) fundering aangetroffen, maar deze fundering is lichter dan die van de in WP1 aangetroffen 13e-eeuwse muur. Onduidelijk is of deze fundering behoort tot de oudste bouwfase.

Werkput 4 Funderingen In deze werkput zijn enkele interessante funderingen aangetroffen. Parallel aan de huidige oostelijke buitenmuur bevindt zich midden in de werkput een zware fundering : een vervolg van spoor 1 uit WP1. In het vlak heeft deze fundering een breedte van circa 60 cm maar wordt breder naar

33

RAAP-RAPPORT 3080 Middeleeuws Oostwerde onder de vloer Een archeologische waarneming en bouwhistorisch onderzoek van Oostwaard 9 te Maarssen

beneden toe (meerdere versnijdingen). De insteek van de fundering is zichtbaar in zowel het vlak als het profiel. Aan de zuidkant van de fundering is in het vlak een verbreding waargenomen (zie kaartbijlage 1). In het noordwesten is deze fundering doorsneden door spoor 998, een recent metselwerk. Daarnaast is onder de huidige oostelijke buitenmuur een redelijk zware fundering aangetroffen (spoor 22; 28/29x(13,5)/15x6,5/7). De opbouw wijkt echter af van spoor 1 en gecombineerd met het gebruikte baksteenformaat en mortel is spoor 22 geïnterpreteerd als onderdeel van een vergroting van het oorspronkelijke gebouw. Aan de zuidoost kant van WP4 zijn de sporen 25 en 26 blootgelegd. Spoor 25 betreft het metselwerk van de naastgelegen kelder, opgetrokken uit hergebruikte kloostermoppen, terwijl spoor 26 in een latere fase is aangebracht bij de inbouw van de kastruimte aldaar.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/1438/documents/30871