12. De utrechtse buitenplaatsenbiotoop.pdf
Tekst van het document
DE UTRECHTSE BUITENPLAATSBIOTOOP Kenmerken en Ambities
Vecht, Stichtse Lustwarande, Langbroekerwetering, Laagte van Pijnenburg, Amersfoortseweg, Valleilandgoederen, Amelisweerden, Abcoude
Landgoed Linschoten, Kasteel De Haar Eemnes Spakenburg
Vecht
Bunschoten
Baarn
keveen
Laagte van Pijnenburg
Amersfoort
Soest
Breukelen
Maarssen Bilthoven
Kasteel De Haar
Leusden
Amersfoortseweg UTRECHT
Vleuten
De Bilt
Valleilandgoederen
Zeist
Amelisweerd
De Meern
Woudenberg
schoten
Maarn
Bunnik Driebergen-Rijsenburg Doorn
Nieuwegein Montfoort IJsselstein
Houten
Stichtse Lustwarande
Leersum
Amerongen Vianen
P ROV I N C I E- U T R EC H T. N L
Langbroekerwetering Wijk bij Duurstede
1
Abcoude
Eemnes Spakenburg
Vecht
Bunschoten
Baarn Vinkeveen
Laagte van Pijnenburg Soest
Breukelen
Maarssen Bilthoven
Kasteel De Haar
L
Amersfoortseweg UTRECHT
Vleuten
De Bilt
Valleilandgoede
Zeist
Amelisweerd
De Meern
Wo
dgoed Linschoten
water
Amersfoort
Maarn
Bunnik Driebergen-Rijsenburg Doorn
Nieuwegein Montfoort IJsselstein
Houten
Vianen
Stichtse Lustwarande
Langbroekerwetering Wijk bij Duurstede
2 I DE UTRECHTSE BUITENPLAATSBIOTOOP
DE UTRECHTSE BUITENPLAATSBIOTOOP
Leusden
eren
Kenmerken en Ambities
oudenberg
Vecht, Stichtse Lustwarande, Langbroekerwetering Laagte van Pijnenburg, Amersfoortseweg, Valleilandgoederen, Amelisweerden, Landgoed Veenendaal
Leersum
Linschoten, Kasteel De Haar
Amerongen
Vastgesteld door gedeputeerde staten van Utrecht op 14 oktober 2014 Rhenen
Eemnes Spakenburg
Bunschoten
Baarn
Laagte van Pijnenburg
Amersfoort
Soest
Bilthoven Leusden
Amersfoortseweg UTRECHT De Bilt
Valleilandgoederen
Zeist
Amelisweerd Woudenberg Maarn
Bunnik Driebergen-Rijsenburg Doorn
uwegein
Veenendaal Houten
Stichtse Lustwarande
Leersum
Amerongen
Langbroekerwetering
Vianen
Wijk bij Duurstede Rhenen
DE UTRECHTSE BUITENPLAATSBIOTOOP
INHOUDSOPGAVE Inleiding
7
samenvatting
8
1. Het buitenplaatsbeleid
9
Dynamische lustlandschappen
9
Bouwstenen voor buitenplaatsen Provinciale inzet voor buitenplaatsen
9 10
2. De Buitenplaatsbiotoop
13
Uitgangspunten
13
Legenda bij de kaart
14
Werkwijze en overleg met het veld
17
Geografisch informatiebestand
18
3. Kenmerken van de buitenplaatszones
19
Vecht
19
Stichtse Lustwarande
26
Langbroekerwetering
30
Laagte van Pijnenburg
32
Amersfoortseweg
37
Valleilandgoederen
40
Amelisweerden Landgoed Linschoten
42 44
Kasteel De Haar
46
4. Ambities
49
Samenhangend cultuurgoed
49
Beleefbaar voor iedereen
49
Ambities voor de buitenplaatszones
49
Ambities per legenda eenheid
57
5. Buitenplaatsbiotoop kaarten
60
Bijlagen 94 Bijlage 1: Opgenomen buitenplaatsen in de zones
94
Bijlage 2: Betrokken eigenaren en gemeenten
105
Bijlage 3: Bronnen
107
COLOFON
115 5
Ridderhofstad Sterkenburg aan de Langbroekerwetering
6 I DE UTRECHTSE BUITENPLAATSBIOTOOP
INLEIDING
De provincie Utrecht kan bogen op een geweldige rijkdom aan buitenplaatsen, waarvoor de provincie zich de afgelopen en komende jaren specifiek inzet. Er zijn negen buitenplaatszones aangewezen waarin buitenplaatsen een prominente bijdrage leveren aan de ruimtelijke samenhang en kwaliteit. Als één van de instrumenten om deze kwaliteiten te behouden en te versterken is voor elke zone een buitenplaatsbiotoop opgesteld, zoals beoogd in de Uitvoeringsagenda Historische Buitenplaatsen 2012-2015. Een buitenplaatsbiotoop is een geografisch informatiebestand (GIS) waarin de cultuurhistorische structuurdragers van buitenplaatsen op kaart zijn gezet (huizen, bijgebouwen, lanen, waterpartijen, enz.), dat bedoeld is als kennis- en informatiebron bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Het laat zien dat een buitenplaats meer is dan een hoofdhuis aan de weg, zodat ook de omgeving en invloedsfeer van een buitenplaats in beeld zijn wanneer hiervoor plannen mochten worden ontwikkeld.
De Buitenplaatsbiotoop voor de eerste drie zones, Vecht, Stichtse Lustwarande en Langbroekerwetering, is in 2013 uitgewerkt, conform de zonebegrenzingen zoals vastgelegd in de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie en Verordening 2013-2028 (PRS/PRV). Daarbij zijn in totaal 136 buitenplaatsen langs de Vecht, Angstel en Gein (waarvan 29 grotendeels verdwenen en 4 recent zijn aangelegd), 92 buitenplaatsen in de Stichtse Lustwarande (waarvan 21 grotendeels verdwenen) en 16 aan de Langbroekerwetering (waarvan 5 grotendeels verdwenen) in kaart gebracht. In vervolg op de uitwerking van de eerste drie zones is in 2014 de buitenplaatsbiotoop van de zones Laagte van Pijnenburg, Amersfoortseweg, Valleilandgoederen, Amelisweerden, Kasteel De Haar en Landgoed Linschoten uitgewerkt. Daarbij zijn in totaal 34 buitenplaatsen in de Laagte van Pijnenburg (waarvan 11 grotendeels verdwenen), 10 buitenplaatsen aan de Amersfoortseweg (waarvan 2 grotendeels verdwenen) en 14 in de zones Valleilandgoederen, Amelisweerden, Kasteel De Haar en Landgoed Linschoten (waarvan 3 grotendeels verdwenen) in kaart gebracht. De kartering biedt een fraai panorama op het typisch Utrechtse fenomeen van de buitenplaatsengordels, waarbij elke zone tevens een duidelijke eigen karakteristiek kent.
Naast de inhoudelijke opgave werd nadrukkelijk belang gehecht aan een zorgvuldig proces, om kennis en draagvlak bij betrokken partijen (provincie, gemeenten en eigenaren) te verkrijgen. Het Platform Utrechtse Buitenplaatsen is bij het opstarten van het project in 2013 meerdere malen geraadpleegd en zal in de toekomst bijdragen aan de implementatie.
Leeswijzer Voorliggende rapportage biedt een toelichting bij het instrument en het opstellen van de Buitenplaatsbiotoop. Het vangt aan met achtergrond, doel en status van het instrument, waarna de werkwijze van het opstellen en tekenen uiteengezet wordt. In hoofdstuk 2 worden de kenmerken van de negen zones beschreven. In het laatste hoofdstuk zijn ambities ten aanzien van de buitenplaatszones en legenda-eenheden geformuleerd. Het GIS-databestand met ongeveer 8500 gekarteerde elementen staat op onze provinciale website www.provincie-utrecht.nl/chat.
7
Samenvatting
Met het in kaart brengen en op kaart zetten van ruimtelijke kenmerken van de historische buitenplaatsen in hun samenhang erkennen wij de grote kwaliteit van deze elementen voor de provincie Utrecht. Voor een ieder die betrokken is bij de toekomst van de buitenplaats en haar omgeving bieden wij deze gegevens aan en hopen wij dat zij een bijdrage leveren aan het behoud en herstel van dit cultureel erfgoed. De provincie vraagt daarom aan haar partners om de Utrechtse Buitenplaatsbiotoop te gebruiken als kennisbron bij ontwikkelingen op en rond de buitenplaatsen binnen de negen buitenplaatszones en de kenmerken te vertalen in ruimtelijk beleid.
Daarnaast kan de bijeengebrachte informatie ook een bredere publieke spin-off opleveren, bijvoorbeeld voor recreatieve en toeristische doeleinden. De doelgroep van de Utrechtse Buitenplaatsbiotoop zijn eigenaren, beheerders, overheden, ontwerpers en plannenmakers. Naast de inhoudelijke kant is daarom van belang dat de uiteindelijke gebruikers en betrokkenen achter het instrument en de inhoud staan. De Utrechtse Buitenplaatsbiotoop biedt ruimte voor ontwikkeling op buitenplaatsen, met name in gevallen dat versterking van economische dragers samengaat met behoud van cultuurhistorische waarden. Door het inzicht in de ruimtelijke structuur van buitenplaatsen, geeft dit instrument impliciet ook aan waar ontwikkelruimte aanwezig is. Samenvattend kan worden gesteld dat de Utrechtse Buitenplaatsbiotoop: A. Een informatie- en kennisbron is voor beleid; B. Inspiratie biedt bij ruimtelijke planvorming; C. Een door eigenaren en gemeenten gedragen handreiking vooraf is; D. Buitenplaatsen letterlijk in kaart brengt en overdrachtelijk op de kaart zet; E. Negen buitenplaatszones in de provincie Utrecht betreft.
8 I DE UTRECHTSE BUITENPLAATSBIOTOOP
1. HET BUITENPLAATSBELEID
Een kleine driehonderd historische buitenplaatsen bepalen in grote mate de aantrekkelijkheid van het lustlandschap dat de provincie Utrecht zo kenmerkt en een belangrijk onderdeel van het provinciale en nationale cultureel erfgoed vormt. In welke mate buitenplaatsen invloed hebben en hoever deze invloed zich uitstrekt buiten de directe omgeving van het huis is bij slechts een beperkt publiek en te weinig bewoners bekend. Een vorig jaar uitgevoerd onderzoek heeft evenwel aangetoond dat de economische betekenis van buitenplaatsen groot is1. Zij maken de provincie tot een aantrekkelijk gebied om te wonen, te vestigen en te recreëren. Hun culturele en landschappelijke waarden geven betekenis en identiteit aan de omgeving en vormen een inspiratiebron en motor voor ruimtelijke ontwikkelingen. Dynamische lustlandschappen Buitenplaatsen zijn van oudsher dynamische complexen, die in functie en vorm in de loop der tijd mee veranderden in nieuwe opvattingen over wonen en natuurbeleving. Buitenplaatszones hebben zich bewezen en ontwikkeld als levendige, beweeglijke lustlandschappen met een sterke ruimtelijke structuur die grotendeels te danken is aan de particulieren die in het verleden een fraaie woonomgeving creëerden.
De instandhouding van de buitenplaats als geheel en het aanpassingsvermogen naar nieuwe functionaliteit staat onder druk en dwingt tot creatieve oplossingen die van invloed kunnen zijn op de ruimtelijke structuur. Dat geldt des te meer voor elementen en structuren in de wijdere omgeving van de buitenplaats, waar de zeggenschap vanuit ‘het hoofdhuis’ minder groot of verbroken is. Behoud van de buitenplaatsen en bescherming van de buitenplaatszones is complex en kostbaar, maar vanuit de hiervoor genoemde kwaliteiten voor de provincie Utrecht van groot belang2.
BOUWSTENEN VOOR BUITENPLAATSEN Vanwege het maatschappelijke belang van buitenplaatsen ziet de provincie Utrecht het als publieke verantwoordelijkheid om te zorgen voor een kwalitatieve ontwikkeling binnen de Utrechtse Buitenplaatszones, zodat de kenmerken en waarden van de buitenplaatsen worden behouden en versterkt. Dit doet de provincie samen met eigenaren, gemeenten en kennisdragers. Ruimtelijke kwaliteit en ontwikkeling, restauratie en behoud, publieksbereik en kennisoverdracht zijn in deze samenwerking de centrale thema’s. Een van de middelen die de provincie inzet bij haar streven naar behoud en versterking van de buitenplaatsen is de Buitenplaatsbiotoop. Het is een project van de Uitvoeringsagenda Historische Buitenplaatsen provincie Utrecht 2012-2015 en een uitwerking van de negen buitenplaatszones, zoals opgenomen in de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie en Verordening. Met de Buitenplaatsbiotoop creëert de provincie handvatten voor zichzelf en voor haar partners voor de verankering van de cultuurhistorie in beleid en planvorming. Als informatiebron en inspiratie-instrument reikt het bouwstenen aan voor een verantwoorde ruimtelijke ontwikkeling op en om de buitenplaatsen.
1
Zie: Witteveen en Bos, Economische betekenis van historische buitenplaatsen en landgoederen in de provincies Utrecht, Overijssel en Gelderland, 2012
2
Zie: Blott, M., R. Blijdenstijn, Uitvoeringsagenda Historische Buitenplaatsen 2012-2015, Provincie Utrecht, september 2011.
9
Historische buitenplaats Voor de definitie van een historische buitenplaats volgen wij de officiële omschrijving van het Ministerie van LNV en OCW uit 1988: ‘Een historische buitenplaats is aangelegd. Zij kan deel vormen van een landgoed. Het geheel wordt met name gevormd door een, eventueel thans verdwenen, in oorsprong versterkt huis, kasteel, buitenhuis of landhuis, met bijgebouwen, omgeven door tuinen en/of park met één of meer van de volgende onderdelen, zoals grachten, waterpartijen, lanen, boomgroepen, parkbossen, (sier)weiden, moestuinen, ornamenten. De samenstellende onderdelen, een ensemble vormend, van terreinen (met beplanting), lanen, waterpartijen en –lopen, gebouwen, bouwwerken en ornamenten zijn door opzet of ontwerp van tuin en park en het (utilitair) gebruik historisch en architectonisch met elkaar verbonden en vormen zo een onlosmakelijk geheel.
Onderdeel van de historische buitenplaats vormen die gebouwen, bouwwerken en tuinornamenten, die compositorisch deel uitmaken van het ontwerp of opzet en inrichting van de tuin- en/of parkaanleg dan wel dienen voor gebruik in samenhang met de oorspronkelijke bestemming.’ In deze omschrijving ligt het accent op het complex van tuin, park, bos en weiden als harmonieus geheel van omliggend park en monumentale bebouwing, en niet zozeer op alleen het hoofdgebouw, dat ook niet persé als voorwaarde voor een historische buitenplaats nog aanwezig hoeft te zijn. Een buitenplaats onderscheidt zich van een landgoed doordat het in beginsel geen landerijen bevat en geen economische eenheid betreft, maar een puur op tijdelijk verblijf en vermaak ‘buiten de stad’ is gericht.
PROVINCIALE INZET VOOR BUITENPLAATSEN Historische buitenplaatsen zijn samen met militair erfgoed, agrarisch cultuurlandschap en archeologie de vier thema’s waarop het provinciale erfgoedbeleid zich richt. Deze thema’s hebben een plek gekregen in de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (PRS) en Verordening (PRV). Om de beleidsdoelstellingen te verwezenlijken wordt ten aanzien van buitenplaatsen ingezet op een aantal verschillende lijnen: • Proactief overleg met gemeentes door gezamenlijke opstelling van een ruimtelijke agenda. Bij de Stichtse Vecht en de Utrechtse Heuvelrug staan buitenplaatsen nu als prominent punt op deze agenda; • Uitwerking van enkele businesscases ten behoeve van duurzaam behoud; dit onderzoek is inmiddels uitgevoerd en heeft geresulteerd in het provinciale rapport Leidraad Behoud door Ontwikkeling op Historische Buitenplaatsen (2014); • Een netwerk in de vorm van het Platform Utrechtse Buitenplaatsen (PUB) met vertegenwoordigers van gemeenten, eigenaren (UPG), beheerorganisaties (Utrechts Landschap) en rijk (RCE); • Verbetering van de interne sectorale afstemming door een provinciaal B-team, dat ruimtelijke plannen op buitenplaatsen integraal adviseert; • Verankering in het landschapsbeleid via de kwaliteitsgidsen Utrechtse Landschappen; • Gericht inzetten van het restauratiebudget van het Fonds Erfgoedparels op historische buitenplaatsen; •
Inventarisatie van de restauratiebehoefte rood en groen op de rijksbeschermde complex historische buitenplaatsen in een Erfgoedmonitor; • Inzet op publieksbereik via e-cultuur, zoals de vorig jaar gerealiseerde website www.utrechtsebuitenplaatsen.nl; • Het opstellen van Buitenplaatsbiotopen.
10 I DE UTRECHTSE BUITENPLAATSBIOTOOP
Historische buitenplaatszone De Provinciale Ruimtelijke Verordening stelt het volgende in artikel 2.10, lid 2a: “Een ruimtelijk plan kan bestemmingen en regels bevatten die ruimtelijke ontwikkelingen toestaan, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. Historische buitenplaatszone: de cultuurhistorische waarde van de buitenplaatszone wordt behouden en versterkt;”. Als toelichting op dit artikel wordt vermeld: “Historische buitenplaatszone: behoud door ontwikkeling is het uitgangspunt. Er is ruimte voor ontwikkelingen gericht op het creëren van economische kostendragers indien deze bijdragen aan het herstel en versterking van de cultuurhistorische waarde van de buitenplaatszone. Hierbij kan gedacht worden aan kleinschalige stedelijke (of stedelijk gelieerde) functies c.q. bebouwing. De cultuurhistorische waarde van de historische buitenplaatszone ligt met name in: • de samenhang van parkstructuren, hoofdhuizen en bijgebouwen; • de zichtrelaties tussen buitenplaatsen en de directe omgeving; • de kenmerken van de buitenplaatszone in relatie tot het onderliggende landschap.”.
Het gebied dat door de provincie is aangewezen als buitenplaatszone (PRV artikel 2.10, lid 1a: ‘Historische buitenplaatszone’ het gebied waarvan de geometrische plaatsbepaling is vervat in het GML-bestand NL.IMRO en dat is verbeeld op de bij deze regeling behorende kaart) is in beginsel een attentiegebied met focus op versterking van de cultuurhistorisch waardevolle structuren en elementen van buitenplaatsen, van bovenlokaal belang.
Kasteel Moersbergen bij Doorn
11
Koningslaan Paleis Soestdijk
Doornburgh, Maarssen
12 I DE UTRECHTSE BUITENPLAATSBIOTOOP
2. DE BUITENPLAATSBIOTOOP UITGANGSPUNTEN In praktische zin is de buitenplaatsbiotoop primair een gegevensbestand, waarin verschillende kenmerkende, ruimtelijke aspecten van buitenplaatsen op kaart zijn gebracht, zoals lanen, waterpartijen, zichtlijnen en dienstgebouwen. Bij het intekenen is rekening gehouden met de volgende aspecten: a. Het beperkt zich tot de ruimtelijke, zichtbare bouwstenen van een buitenplaats De huidige ruimtelijke situatie is leidend, terwijl de historische situatie is meegenomen in begrenzingen en de categorie ‘verdwenen zaken’. Daarmee zijn geschiedenisverhalen, eigendomsgrenzen, veldnamen of beleving van de statige en kleurrijke omgeving niet gevat, hoewel die natuurlijk medebepalend zijn voor de identiteit van de zone. Ook behoorden functionele aspecten niet tot de reikwijdte van de kartering, hoewel deze voor het functioneren van een landgoed als economische eenheid natuurlijk wel van evident belang zijn. b. De legenda-eenheden zijn vooraf bepaald Vooraf is bepaald dat de locaties van hoofdhuis en bijgebouwen, zichtlijnen, zichtpunten en zichtvelden, waterpartijen en waterlopen, laanstructuren , moestuinen en de begrenzing van het park op kaart worden gebracht. Zo krijgt iedere buitenplaats eenzelfde ‘behandeling’ waardoor zoeken en vergelijken mogelijk is. c.
De begrenzing van de buitenplaatszone en de Complex Historische Buitenplaats De begrenzing van de buitenplaatszone is overgenomen uit de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie en Verordening (PRS/PRV) en voor wat betreft de begrenzing van de complexbescherming is de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed de bron. De begrenzing van de buitenplaatszones is vastgelegd in de PRS/PRV en gold als vaststaand onderzoeksgebied voor de Buitenplaatsbiotopen. Door het intekenen van de buitenplaatsdragers is de argumentatie van de begrenzing concreet geworden en is inzicht verkregen waar in de toekomst mogelijk behoefte is aan aanpassing van de zonegrens. Beperkte aanpassingen konden in het geval van de Vecht, Stichtse Lustwarande en Langbroekerwetering nog bij de partiële herziening van de PRS doorgevoerd worden, zodat daar nu de belangrijkste omissies zijn opgelost. d. Elementen van een beperkte grootte Kleine buitenplaatsonderdelen, zoals hekpijlers, tuinvazen en bruggen, zijn niet meegenomen omdat inventarisatie en intekenen hiervan buiten het beoogde bovenlokale schaalniveau vallen. e. Focus op samenhangende ruimtelijke kenmerken Doordat de buitenplaats als geheel het uitgangspunt vormt en de Buitenplaatsbiotoop zich richt op historischruimtelijke kenmerken, zijn kadastrale of eigendomsgrenzen in principe niet bepalend voor begrenzing van vlakken.
De buitenplaatsbiotoop steekt in op gebiedsniveau met daarin meegenomen de ruimtelijke opbouw van de zone waarin de individuele buitenplaatsen liggen en de structuren en elementen van individuele buitenplaatsen die identiteit geven aan die zone. De focus ligt op duurzame structuren die het karakteristieke aanzien van het buitenplaatsenlandschap de afgelopen eeuwen bepaalden en de komende eeuw zullen bepalen. Deze kennen veelal sterke samenhang met de landschappelijke eigenschappen die een gebied heeft (gekregen), zoals de korrelgrootte van een buitenplaats, de hoogteligging en situering in het terrein en de ritmiek van open weiland en gesloten bos.
13
Legenda bij de kaart Bij de legenda-eenheden is de nadruk gelegd op een selectie van die elementen, die betrekking hebben op grensoverstijgende en samenhangbrengende structuren, ruimtelijke kaders voor ontwikkelingen, cultuurhistorische inspiratiebronnen, en waardetoekenning aan en bewustzijnsvergroting van niet beschermde buitenplaatselementen. Dit geldt zowel voor de nu nog aanwezige als de verdwenen structuren en elementen, waarbij de verdwenen zaken zijn meegenomen wanneer dit wezenlijke buitenplaatsonderdelen betreffen die van belang zijn om de conceptmatige opbouw van de buitenplaats te begrijpen en als zodanig kunnen inspireren. Een grotendeels verdwenen buitenplaats is enkel meegenomen indien er nog iets van resteert, bijvoorbeeld een waterpartij, afwijkend slotenpatroon of bijgebouw. Telkens is geredeneerd vanuit het bovenlokale niveau en de herkenbare samenhang en zichtbaarheid van buitenaf, dat wil zeggen vanuit de openbare ruimte. Legenda-eenheid
Beschrijving
Hoofdhuis Dit betreft het huidige hoofdgebouw op de buitenplaats, dat het letterlijke of aanwezig
verdwenen
figuurlijke centrum vormt van de buitenplaatsaanleg. Hierin zijn in principe niet opgenomen: (appartementen)complexen, villa’s, (voormalige) kasteelterreinen en stadsparken. Wel zijn de in stedelijk gebied ingebouwde voormalige buitenplaatsen opgenomen, eventueel met verdwenen park. Verdwenen hoofdgebouwen zijn zoveel mogelijk aangegeven op de oorspronkelijke locatie, met ongeveer hun oriëntatie en omvang. Verdwenen hoofdgebouwen zijn alleen opgenomen als er ook parkdelen resteren; wanneer er niets meer ruimtelijk of fysiek aanwezig is, is in beginsel de buitenplaats niet in dit bestand meegenomen.
Bijgebouw Dit betreft bijgebouwen in functionele en/of compositorische samenhang met aanwezig
verdwenen
de buitenplaats van een significante omvang en/of betekenis. De focus ligt op structuurbepalende bijgebouwen. Binnen een beschermd complex zijn in ieder geval alle beschermde bijgebouwen opgenomen. Verdwenen bijgebouwen zijn alleen ingetekend als ze relevant voor de aanleg waren, bijvoorbeeld wanneer een belangrijke symmetrie is doorbroken. Kleine tuinornamenten als vazen of kassen zijn niet meegenomen. Alle gelieerde gebouwen die geen (oorspronkelijk) hoofdhuis zijn, vallen onder de categorie ‘bijgebouw’, bijvoorbeeld ook boerderijen en woonhuizen
Laan
aanwezig
verdwenen
Ingetekend zijn de structuur- en samenhangbepalende lanen: met één of meer rijen aan beide zijden beplant pad (of beplante weg), als onderdeel van een parkcompositie of verbinding vanuit de buitenplaats. Hierbij zijn als categorieën onderscheiden: oprijlaan; zichtlaan; grenslaan; onderdeel lanenstelsel; sterrenbos; slingerlaan; verbindingslaan; overig.
14 I DE UTRECHTSE BUITENPLAATSBIOTOOP
Legenda-eenheid
Beschrijving
Zichtlijn
aanwezig
verdwenen
Dit betreft een duidelijk vormgegeven of ingekaderd (door)zicht, via een bewust gecreëerde opening die zowel in de zomer als in de winter aanwezig is, vanaf een duidelijk beginpunt, zoals het hoofdhuis of een specifieke plek in de aanleg, en soms met duidelijk eindpunt, bijvoorbeeld een kerktoren of bijgebouw. Het betreft niet de uitzichten, panorama’s of doorzichten die voortkomen uit het vrije zicht als gevolg van de openheid, dat moet worden gezien als een landschappelijke eigenschap van een gebied. De focus ligt op structuurbepalende zichtlijnen. Verdwenen zichtlijnen zijn alleen opgenomen als deze zijn dichtgegroeid of verstoord, maar waarbij onderdelen als bijvoorbeeld de laan of enkel het startof eindpunt nog wel aanwezig zijn. Een zichtlijn kent een einde (zichtpunt) of is onbeëindigd.
Zichtveld Zichtvelden betreffen het panorama vanaf het hoofdhuis, bijvoorbeeld over een aanwezig
verdwenen
zichtweide of een overplaats; dus niet vanaf een bijgebouw of boerderij. Een zichtveld verbindt het huis met de ‘buitenwereld’; het gaat niet om open ruimtes of parkweides binnen het (landschappelijke) park. Een rechte markering duidt op een fysieke beëindiging (bijvoorbeeld op een weg); een doorgaand zichtveld is door middel van een gebogen lijn aangegeven. Zichtvelden zijn niet opgenomen als het huis ontbreekt. Bij de aangegeven bestaande zichtvelden kan het zijn dat door achterstallig beheer een zichtveld is verkleind, terwijl de bedoelde relatie en oriëntatie van een hoofdhuis niet is gewijzigd. Verdwenen zichtvelden zijn daarom niet aangegeven.
Zichtpunt Dit betreft een eind- of focuspunt van een zichtlijn, waarop een zicht bewust geconcentreerd is. Veelal is dit punt een verbijzondering in de aanleg, bijvoorbeeld
aanwezig
een bijgebouw of een markant punt daarbuiten, zoals een kerktoren. Relevante verdwenen of niet topografisch te duiden zichtpunten zijn aangegeven met een ster. Water Dit betreft de waterpartijen en –elementen die bepalend zijn voor de aanleg aanwezig
verdwenen
aanwezig
verdwenen
van de buitenplaats en de benodigde verbindingen, zoals sprengen en vaarten. Verdwenen water is enkel opgenomen als het om een voor de compositie of continuïteit van het systeem relevant water gaat. Hierbij zijn als categorieën onderscheiden: landschappelijke/slingervijver; formele vijver/kom; grand canal; spreng; gracht; grenssloot; vaar- of verbindingssloot; overig.
15
Legenda-eenheid
Beschrijving
Moestuin Een moestuin is een duidelijk omgrensde ruimte, bestemd voor het kweken van aanwezig
verdwenen
producten. Deze is veelal bepalend geweest of geworden voor de ligging van bijgebouwen in het park, bijvoorbeeld de tuinmanswoning, oranjerie en schuren. Verdwenen moestuinen zijn alleen opgenomen als ze nu nog te herkennen zijn aan de parkstructuur of aan de voetprint van een nieuwe invulling.
Begrenzing Complex Historische Buitenplaats (CHB) Voor de begrenzingen van de Complex Historische Buitenplaatsen is de juridisch begrensd
informatief
Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verantwoordelijk. Vanwege hun juridisch belang bij ruimtelijke ontwikkelingen zijn deze zijn één op één overgenomen en doorvertaald in de categorie ‘bestaand park’.
Park Dit betreft het park of de siertuin als gecomponeerde aanleg, veelal het aanwezig
verdwenen
kerngebied van de buitenplaats, in relatie tot de aangename verpozing op een buitenplaats en voorzien van decoratieve bouwkundige en groene elementen. Er is veelal sprake van een hoge mate van verfijning en het ligt meestal direct rondom een (verdwenen) hoofdhuis. Ontginningsbos valt buiten beschouwing, maar indien een (voormalig) (jacht)bos veel lanen en slingerpaadjes kent of kende, is dit meegenomen als gedecoreerd bos. Het gebied binnen de contour van een Complex Historische Buitenplaats is altijd volledig als park aangeduid, om de selectie van rijkswege te volgen. Het park is soms buiten deze contour op basis van de historische situatie uitgebreid. Verdwenen parken zijn in principe alleen opgenomen als er delen of elementen van de buitenplaats nog resteren. Hierbij zijn als categorieën onderscheiden: complex historische buitenplaats (omgrenzing RCE); park/tuin; parkbos; overplaats/overtuin.
Buitenplaatszone Dit betreft een gebied waarin de aanwezigheid van buitenplaatsen in belangrijke mate heeft bijgedragen aan de ruimtelijke kwaliteit en samenhang. Deze begrenzing is door de provincie vastgesteld en opgenomen in de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028. Watersysteem
aanwezig
verdwenen
Wegstructuur die leidend is (geweest) voor de situering en oriëntatie van meerdere buitenplaatsen.
Ontsluitingsstructuur
aanwezig
verdwenen
16 I DE UTRECHTSE BUITENPLAATSBIOTOOP
Wegstructuur die leidend is (geweest) voor de situering en oriëntatie van meerdere buitenplaatsen.
WERKWIJZE EN OVERLEG MET HET VELD Het kaartbeeld met toelichting is in stappen opgesteld: 1. Verzamelen. Er is begonnen met het verzamelen van de benodigde informatie aan de hand van bestaande bronnen, zoals monumentenomschrijvingen en MIP-rapportages, het boek Tastbare Tijd, de kadastrale situatie van 1832 en de opvolgende historische (topografische) kaarten en overige toepasselijke literatuur- en internetgegevens over buitenplaatsen en lokale historie. Van de provincie zijn de GIS-gegevens uit de cultuurhistorische databank verkregen en van de RCE de begrenzingen van de rijksmonumenten. Waar beschikbaar is gebruik gemaakt van gemeentelijke inventarisaties. Aan de hand van een globale veldverkenning zijn de geïnventariseerde en ingetekende elementen getoetst; 2. Intekenen. Per zone zijn de verschillende gebiedsdragers in kaart gebracht, zoals de ontsluitingsstructuur en het watersysteem. Vervolgens is per buitenplaats de eventuele begrenzing van een rijksmonument, het hoofdhuis, bijgebouwen, het park, waterpartijen en -lopen, laanstructuren, zichtlijnen, zichtvelden en zichtpunten ingetekend; 3. Overleg. Het kaartbeeld van de zones is achtereenvolgens voorgelegd aan de provinciaal deskundige en aan de betrokken gemeenten. Vervolgens zijn de conceptkaart voor buitenplaatseigenaren via de provinciale website beschikbaar gesteld en tijdens bijeenkomsten besproken. 4.
Digitaal verwerken. Aan de uiteindelijke kaart is een bestand gekoppeld, waarin per buitenplaats alle getekende objecten zijn voorzien van een volgnummer en categorisering (de attributen en metadata). Alle objecten zijn zo nauwkeurig mogelijk op de meest gedetailleerde topografische ondergrond gedigitaliseerd. De elementen zijn in principe overgenomen uit of gebaseerd op de topografische ondergrond (1:10.000) uit 2010-2011 van Kadaster/Topografische Dienst. De selectie van buitenplaatselementen is daarmee qua schaal gelimiteerd: zij moeten voorkomen of aanduidbaar zijn op de gebruikte (meest gedetailleerde) topografische ondergrond.
Overlegavond met eigenaren in de Vechtzone op 11 september 2013
17
Een belangrijke analyse- en selectieslag zit in de keuze van de overgenomen of getekende elementen. Dit geldt zeker ook voor de verdwenen elementen en voor de begrenzing van het cultuurhistorisch waardevolle kerngebied. Bij dit gebied wordt als uitgangspunt gehanteerd dat er sprake moet zijn van een decoratief park (hetzij archaïsch, hetzij nog duidelijk behorend tot de compositie) dat thans aanwezig is. Dus niet de bijbehorende agrarische weilanden of bosbouwkundig beheerde bosopstanden, maar wel een in de moestuin aangelegde parkeerplaats, verdwenen sterrenbos of ferme ornée. Voor de begrenzing van het park zijn telkens historische kaarten geraadpleegd om de (oorspronkelijke) vorm en omvang van buitenplaatsen te kunnen constateren. Wanneer er te weinig bekend is om topografisch te duiden, bijvoorbeeld het ontbreken van informatie over de redelijk exact aanwijsbare locatie van een verdwenen hoofdhuis, dan is deze niet op de kaart opgenomen.
GEOGRAFISCH INFORMATIEBESTAND De bouwstenen van de buitenplaatsbiotoop zijn in een Geografisch Informatiesysteem (GIS) verwerkt, zodat deze (inclusief bijbehorende attributen en informatie) via de Cultuurhistorische Atlas (CHAT) op de provinciale website voor iedereen beschikbaar zijn. Volgens een vaste systematiek en taxonomie zijn alle locatiegebonden elementen voorzien van achterliggende informatie zodat diverse selecties en bevragingen mogelijk zijn. Bijvoorbeeld alle elementen van één buitenplaats of juist alleen de rijksmonumenten of de lanen in de zones.
Utrechtse Buitenplaatsbiotoop De provincie Utrecht biedt met de Buitenplaatsbiotoop een informatie- en inspiratie-instrument aan, betreffende de kenmerken van de historisch-ruimtelijke samenhang van de buitenplaatszone én die van de daarbinnen gelegen buitenplaatsen. De gehele buitenplaatszone zoals opgenomen in de PRV/PRS geldt als attentiegebied en is in feite de ‘biotoop’, de leefomgeving of invloedssfeer van de buitenplaatsen. Het kaartbeeld dat bij de Buitenplaatsbiotoop hoort, omvat de duurzame buitenplaats- en gebiedsdragers: hoofdhuis, bijgebouwen, lanen, waterpartijen, zichtlijnen en -velden, moestuincomplexen en parken. De Buitenplaatsbiotoop geeft aan welke elementen bij een buitenplaats horen en wat daarmee de reikwijdte of invloedsfeer van een buitenplaats naar haar omgeving is. Het is daarmee op de eerste plaats een kennisbron die een concrete invulling geeft aan de buitenplaatszone. De provincie Utrecht draagt de informatie aan als hulpmiddel zodat gemeenten, waterschappen, eigenaren en overigen die bij beleid en planontwikkeling zijn betrokken zich bewust zijn van de aanwezigheid van deze waarden en hiermee rekening kunnen houden of zich kunnen laten inspireren.
Het is de verantwoordelijkheid van elke gemeente hoe de informatie van de Buitenplaatsbiotoop wordt overgenomen in het beleid, waarbij gedacht kan worden aan structuurvisies, bestemmingsplannen, cultuurhistorische waardenkaarten, welstandnota’s of beeldkwaliteitsplannen.
18 I DE UTRECHTSE BUITENPLAATSBIOTOOP
3. KENMERKEN VAN DE BUITENPLAATSZONES VECHT De kern van deze smalle buitenplaatszone, waartoe ook de Angstel en Gein gerekend worden, ligt tussen Oud-Zuilen en Loenen. Vooral hier hebben in de zeventiende en voornamelijk in de achttiende eeuw Amsterdamse kooplieden een buitenplaats als zomerverblijf gesticht. Vanwege de grote concentratie aan buitens in de ‘Gouden Bocht’ van Maarssen en de ‘Mennonietenhemel’, genoemd naar de vele doopsgezinde stichters van de buitenplaatsen tussen Nieuwersluis en Loenen wordt dit stuk ook wel de Herenvecht genoemd. Meer naar het noorden toe krijgt het agrarische karakter de overhand en wordt van de Boerenvecht gesproken. Ook aan de Angstel en aan het Gein domineren de boerderijen met enkele concentraties van deels verdwenen buitenplaatsen bij Baambrugge en Loenersloot. Vooral hier zijn vele buitenplaatsen weer teruggevallen naar hun agrarische oorsprong als boerderij met herenkamer. Karakteristiek voor deze buitenplaatszone is het halfopen landschap met een afwisseling van besloten buitenplaatsen, open weilanden met boerderijen, en historische kernen. Het open zicht tussen jaagpad en Vecht, en de doorzichten tussen en achter de buitenplaatsen naar het open weiland, verhogen de belevingswaarde. Aan de oevers van de Vecht zijn aanlegplaatsen en boothuizen kenmerkende elementen.
Kenmerkend voor het overwegend achttiende-eeuwse Vechtbuiten is het Hollands-classicistische bakstenen hoofdhuis met verhoogde onderbouw en uitgebouwde koepelzaal aan de Vecht. De theekoepel aan het water - ‘we hebben er 27 geteld’ werd het beeldmerk van dit luxelandschap, het smeedijzeren toegangshek aan de weg het visitekaartje.
Gouden Bocht van Maarssen met uitzicht op Doornburgh 19
Door economische neergang zijn vele buitenplaatsen na 1800 afgebroken en werden de nog resterende onderhoudsintensieve formele tuinen omgewerkt tot landschappelijke parken. De oude rechtlijnige tuinstructuren zijn hier en daar nog wel herkenbaar. Na aanleg van de rijksweg Utrecht-Amsterdam in 1812 op de oude Vechtdijken heeft de nieuwe infrastructuurbundel tussen beide steden (spoorlijn, AmsterdamRijnkanaal en A2) de Vechtgordel ter behoud bewust rechts laten liggen. Van de 186 gevonden buitenplaatsen binnen de Vechtzone zijn er nu nog 86 over of resteert enkel nog het hoofdhuis tussen de dorpsbebouwing.
DE UTRECHTSE BUITENPLAATSBIOTOOP
VECHT
Begrenzing buitenplaatszone Vecht 20 I DE UTRECHTSE BUITENPLAATSBIOTOOP
Toppers en clusters Bijzondere buitenplaatsen aan de Vecht zijn Oud Zuilen als kasteelmuseum, Gunterstein als topvoorbeeld van Hollands-classicistisch huis en park, Rupelmonde als typisch achttiende-eeuws Vechtbuiten met koepelkamer aan de rivier, Vreedenhoff met het mooiste toegangshek van Nederland en Huis ten Bosch als vroegste en enige resterende voorbeeld van een begin zeventiende-eeuws huis. Als samenhangende clusters langs de Vecht noemen we: Oud Zuilen. Op de oostelijke oeverwal domineert het oude Slot Zuilen, dat als versterkt huis niet op de Vecht is georiënteerd. Voorburcht en hoofdburcht liggen met het park ingeklemd tussen de rivier en de eerste ontginningsbasis van de Vechtplassen. Aan de Dorpstraat enkele kleine buitenplaatsen, op de westoever de nauwelijks herkenbare buitenplaatsen Zuylenveld en Groenhoven, waarvan alleen bij de laatste het park over is. Maarssen. Maarssen kent een hoge dichtheid van buitenplaatsen, die het aanzien van het dorpscentrum bepalen. De meeste liggen op de oostoever van de Vecht, in het noorden aan het Zandpad (Gansenhoef, Otterspoor, Leeuwenburg), tussen Diependaalsedijk en het jaagpad (Vechtoever, Goudestein, Doornburg) en in het zuiden aan de Zandweg (Huis Ten Bosch, Overkerck, Vechtestein). Aan Zandpad en Zandweg liggen de huizen nabij de Vecht. De buitenplaatsen kennen een eenduidige oriëntatie op de Vecht.
In de parken is aan de parkstructuur en locatie van bijgebouwen vaak nog afleesbaar dat de ruimtelijke ontwikkeling in het verleden complex is geweest, waarbij terreinen werden opgesplitst en buitenplaatsen weer werden samengevoegd tot één. Op de westoever liggen de buitenplaatsen aan de Straatweg op enige afstand tot elkaar, en in het stramien van de agrarische verkaveling. Het Amsterdam-Rijnkanaal heeft de achterzijde van de parken en landerijen geschampt. Van de huizen die een verleden kenden als ridderhofstad (Huis Ter Meer, Snavelenburg, Bolenstein) is alleen het omgrachte Bolenstein nog aanwezig. Naar het zuiden liggen enkele kleine buitenplaatsen in de smalle strook tussen de Binnenweg-Straatweg en de Vecht, met verdwenen overtuinen. Van de verschillende buitens aan de Straatweg is enkel Vecht en Dijk over.
Slot Zuylen aan de Vecht 21
Gunterstein met links Queekhoven te Breukelen
Breukelen. Tegenover Breukelen aan de oostzijde van het Zandpad ligt een reeks van buitenplaatsen, met de huizen nabij de weg. Er is sprake van een afwisseling van gesloten parkbossen en open doorzichten tussen de buitenplaatsen door. Tussen Hunthum, Weerestein, Vechtzigt en Groenevecht bevinden zich open landschap met hoofdzakelijk agrarische bebouwing en vanaf Groenevecht tot en met Boomrijk vormen de buitenplaatsen meer een aaneengesloten zoom. De parken en landerijen lopen van oudsher door tot aan de Scheendijk, hoewel het landgoedeigendom soms verder strekt. Gunterstein is de grootste en meest gave representant van deze cluster. Op de westoever van Breukelen zijn verschillende buitenplaatsen opgenomen in de bebouwing of verdwenen. De buitenplaatsen liggen in de smalle strook tussen de Vecht en de Straatweg of Herenstraat: Vegtvliet, NieuwHogerlust, Vroeglust, Vecht en Dam, Boom en Bosch, en Vreedenoord. De oriëntatie is zowel op de Vecht als op de straat, hoewel de krappe ruimte soms weinig toelaat. Vaak was mede daarom in het verleden sprake van een overtuin aan de andere kant van de weg. Breukelen-Nieuwersluis. Tussen Breukelen en Nieuwersluis ligt het fraaie ensemble van Over Holland-Sterreschans-Rupelmonde-Vijverhof.
De huizen liggen tussen de weg en de Vecht en zijn exemplarisch op beide hoofdaders georiënteerd, met een overplaats aan de andere zijde van de Straatweg. De overtuinen vormen samen een zeldzaam aaneengesloten parkcluster aan de westzijde van de oude rijksweg. De landerijen van Sterreschans en Over Holland liepen door tot aan Nieuwer Ter Aa en de overplaatsen werden aan de achterzijde verkleind bij de aanleg en verbreding van het Amsterdam-Rijnkanaal. Hoewel de formele aanleg nog duidelijk herkenbaar is, vormen de vroeglandschappelijke delen belangrijke aanvullingen in het park.
22 I DE UTRECHTSE BUITENPLAATSBIOTOOP
Nieuwersluis-Loenen. Tussen Nieuwersluis en Loenen liggen Vreedenhoff en Middenhoek ten westen van de straatweg met de overtuinen tussen weg en Vecht. Nieuwerhoek en Nieuw Cronenburgh liggen juist tussen de weg en het water. De parken zijn relatief diep door de bredere oeverwal en kenden aan de polderzijde veelal vermenging met agrarische doeleinden, zoals de boomgaard op Middenhoek en de boerderij van het verdwenen Ouderhoek. Loenen. Aan de Dorpsstraat te Loenen liggen enkele kleinere buitenplaatsen: Roserust, Welgelegen, Leeuw en Dijk, Vrederust en Beek en Hoff. Deze statige herenhuizen staan allen aan de westzijde van de straat, waarbij tussen de straat en de Vecht een overtuin ligt met hier en daar nog een koepel. Loenen-Oostoever. Op de oostoever tegenover het dorp Loenen liggen aan de ‘Oud Over’ de buitenplaatsen Kalorama, Oud Over, Bosch en Vecht en Vegtlust. Kenmerkend is hun situering tussen de weg en de Vecht, veelal met een overplaats aan de overzijde van de weg. De buitenplaats Bijdorp ligt ten oosten van de weg en heeft juist een overtuin tussen de weg en de Vecht. Enkele nieuwe buitenplaatsen zijn recent aan de reeks toegevoegd: Vrederijk, Ruygenhof en twee zonder naam. Vreeland-De Nes. Tussen Vreeland en De Nes moeten de resten van een zeer uitgebreide vroeg-landschappelijke aanleg van Breevecht genoemd worden, aansluitend op het nog bestaande Vreedenhorst.
Nigtevecht. Ten oosten van Nigtevecht liggen een tweede Breevecht en Zwaanwijck als restanten van een reeks buitenplaatsen op de westoever. De buitenplaatsen lagen op enige afstand van elkaar en kenden een beperkte diepte door de geringe breedte van de oeverwal ter plaatse. Beide nog bestaande buitenplaatsen hebben omstreeks 1900 een villa-achtig hoofdhuis gekregen. Buitenplaats Overdam is nooit heel veel meer geweest zijn dan een boerderij met herenkamer, terwijl Koningslust tegenover fort Hinderdam een fraai buiten moet zijn geweest, mèt zicht op de Utrechtse Domtoren. Angstel en Gein. Aan de Angstel en ’t Gein is geen sprake van imposante clusters buitenplaatsen. Toch hebben zich hier, vooral aan de Angstel vanwege de kortere verbinding via de Amstel, begin van de zeventiende eeuw veel rijke Amsterdammers gevestigd. Vanwege het krijgen van goed zicht op en vanaf het riviertje kwamen de buitenplaatsen hoofdzakelijk in de buitenbochten te staan, met de huizen en hun koepels dicht aan de oever. Opvallend is dat juist de oudere bebouwing, zoals het dorp Baambrugge, het verdwenen kasteel van Abcoude en Loenersloot, op de westoever van de Angstel ligt. De meeste buitenplaatsen zijn verdwenen, maar het aanzien van Baambrugge en Loenersloot is er in belangrijke mate door bepaald.
Kenmerkende buitenplaatsen aan de Angstel zijn Postwijk, Geynwijck, Vrederust, Donkervliet, Valkenheining (fraaie koepel) en Geynzicht. De boerderijen Starnheim, Hogerlust, Vredelust en Gein en Stein kenmerken de eenvoudige buitenplaats aan de Gein die ontstond uit en weer is teruggevallen tot boerderij. Bijlmerlust is een buitenplaats die in de jaren zeventig is verplaatst vanwege de aanleg van de woonwijk Bijlmermeer.
23
Theekoepel Vechtoever
Hekpijlers van de verdwenen buitenplaats Hoogerwerf, Maarssen
24 I DE UTRECHTSE BUITENPLAATSBIOTOOP
Hekwerken aan Vecht, Angstel en Gein
Muiden
Weesp
Nigtevecht
Vreeland
Loenen
Nieuwersluis
Boom en Bosch, Breukelen
Postwijck, Baambrugge
Bijdorp, Loenen
Raadhoven, Maarssen
Cronenburgh, Loenen
Rupelmonde, Nieuwersluis
Donkervliet, Loenersloot
Schoonoord, Loenen
Doornburgh, Maarssen
Slangevecht, Breukelen
Gansenhoef, Naarssen
Slotzicht, Vreeland
Geinwijk, Baambrugge
Sterreschans, Nieuwersluis
Goudestein, Maarssen
Ten Bosch, Maarssen
Groenevecht, Oud-Zuilen
Terra Nova, Loenen
Gunterstein, Breukelen
Queekhoven, Breukelen
Herteveld, Maarssen
Valkenheining, Loenersloot
Hoogevecht, Maarssen
Vecht en Hoff, Breukelen
Kroonesteyn, Baambrugge
Vecht en Lommer, Loenen
Leeuw en Vecht, Maarssen
Vechtoever, Maarssen
Loenersloot, Loenersloot
Vechtzigt, Nigtevecht
Lix Boa, Nieuwersluis
Vegt en Steyn, Maarssen
Meerleveld, Baambrugge
Vegtvliet, Breukelen
Middenhoek, Loenen
Vreedenhoff, Nieuwersluis
Nieuwerhoek, Loenen
Vreedenhorst, Vreeland
Nijenrode, Breukelen
Vrede en Rust, Breukelen
Otterspoor, Naarssen
Vreeden Hoef, Maarssen
Ouderhoek, Nieuwersluis
Wallestein, Loenen
Oud Over, Loenen
Weeresteyn, Breukelen
Over Holland, Breukelen
Welgelegen, Vreeland
Paddenburg, Baambrugge
Zuylen, Oud-Zuilen
Plantagehuis, Vreeland
Zwaanwijck, Abcoude
Koepels in de Vechtzone
Breukelen
Maarssen
Oud-Zuilen
Positie en ontsluiting buitenplaatsen aan de Vecht
Beek en Hoff (2x), Loenen
Schoonoord, Vreeland
Binnenrust, Abcoude
Slotzicht, Vreeland
Gansenhoef, Maarssen
Terra Nova, Loenen
Gunterstein, Breukelen
Valkenheining, Loenersloot
Hazenburg, Maarssen
Vecht en Dam, Breukelen
Leeuwenburg, Maarssen
Vechtlust, Loenen
Leeuw en Vecht, Maarssen
Vechtoever, Maarssen
Middenhoek (3x), Loenen
Vechtzigt, Breukelen
Nieuw Cronenburgh, Loenen
Vreedenhoff, Loenen
Oud Over, Loenen
Vrederust, Vreeland
Over Holland, Breukelen
Vroeglust, Breukelen
Plantagehuis, Vreeland
Zwaanwijck, Abcoude
Utrecht
25
STICHTSE LUSTWARANDE
DE UTRECHTSE BUITENPLAATSBIOTOOP
STICHTSE LUSTWARANDE
Buitenplaatszone Stichtse Lustwarande
De Stichtse Lustwarande is een brede buitenplaatsengordel op de zuidflank van de Heuvelrug tussen Utrecht en Amerongen. De 72 bestaande buitenplaatsen (115 oorspronkelijk) hebben zich in een drietal reeksen in de gradiënt van laag naar hoog geformeerd. Ten eerste de grote zeventiende- en achttiende-eeuwse formele buitenplaatsen in de nattere kleizone, veelal als verbouwing/vernieuwing van de middeleeuwse ridderhofsteden en bestaande uithoven. Ten tweede de negentiende-eeuwse buitenplaatsen in landschappelijke stijl tussen de vroegmiddeleeuwse boven- en benedenweg, die het aanzien van Zeist, Driebergen en Doorn zijn gaan bepalen en kenmerkend zijn geworden voor de Lustwarande. En tenslotte de vroegtwintigste-eeuwse buitenplaatsen hoger op de Heuvelrug als laatste aanvulling. In de lagere kleizone is gebruik gemaakt van de bestaande verkavelingen. Op de hogere zandgronden werden veedriften rechtgetrokken voor nieuwe lanenstelsels. De kale heide raakte bebost met park- en jachtbossen, eind negentiende eeuw gevolgd door de aanleg van grootschalige productiebossen. Tussen 1900 en 1940 zijn vele buitenplaatsen verkaveld als villapark. Na 1945 trokken instellingen in de gebouwen, kantoren verschenen met verdere bebouwing van de overgebleven parken als gevolg. Sinds een aantal jaren is een nieuwe vervangingsgolf gaande die echter door de crisis is afgevlakt.
Begin negentiende eeuw promoveerde de oude benedenweg tot hoofdroute, die vanaf de jaren 1930 verbreed en op enkele plaatsen van tracé gewijzigd werd (N237-N225). De bovenweg (Arnhemse Bovenweg) kreeg het karakter van een achterweg.Niet alleen door de verschillen tussen de buitenplaatsen zelf (stijl kenmerken en omvang) en het reliëf, maar ook door de hoge transformatiedynamiek tijdens de laatste eeuw toont de Stichtse Lustwarande zich als een sterk gelaagde buitenplaatsengordel met grote tijdsdiepte.
26 I DE UTRECHTSE BUITENPLAATSBIOTOOP
Ruimtelijk kenmerkend is het ‘kantwerk’ van open (weiden, overplaatsen) en gesloten (parken/bossen) delen, waarbij nauwelijks sprake meer is van grotere doorzichten. Dit kantwerk wordt gearticuleerd door een fijnmazig patroon van dwars op de hoofdroute gerichte zichtlijnen en laanstelsels. Langs de weg zijn grote verschillen in gaafheid (uitgeklede buitenplaatsrestanten binnen bebouwde kommen), karakteristiek (parken en huizen) en korrelgrootte (kleine en grote buitens, boszone).
Buitenplaatsen Stichtse Lustwarande op de gradiënt van de Heuvelrug
Toppers en clusters Het Zeister Slotcomplex behoort tot de drie landelijke topvoorbeelden van een grootse zeventiende-eeuwse formele aanleg, Huis Doorn is vooral bekend als museum van de Duitse keizer en Kasteelmuseum Amerongen is te beschouwen als een Hollands-classicistisch icoon van een adellijke levensstandaard. Broekhuizen is één van de mooiste voorbeelden in ons land van een grote buitenplaats in rijpe landschapsstijl. Hydepark vertegenwoordigt nog steeds de top van de complexe late landschapsstijl, hoewel het oude huis is verdwenen. Molenbosch te Zeist is het meest pure voorbeeld van een vroeg negentiende-eeuws neoclassicistisch buitenhuis met landschapspark naar ontwerp van J.D. Zocher jr., het excentrieke Ma Retraite in Zeist is het meest uitgesproken huis in eclectische stijl (François I stijl, Italiaans palazzo type, art nouveau decoraties), het Vulkaanhuisje van Boschoord in Doorn en de Uiletoren in Leersum wedijveren om de beste folly, de oranjerie van Hydepark is de meest weelderige en het kippenpaleis op Molenbosch het meest merkwaardige bijgebouw. Als samenhangende clusters in de Stichtse Lustwarande noemen we: De Bilt. In het zuidwesten van De Bilt liggen enkele buitenplaatsen in het stramien van de middeleeuwse verkaveling. De buitenplaatsen zijn gesitueerd aan de Utrechtseweg, waarbij enkel aan de zuidzijde nog buitenhuizen resteren.
Verder oostwaarts liggen vier grote landgoederen rondom een open, agrarisch gebied: Houdringe, 27
Beerschoten, Vollenhoven en Oostbroek. De huizen liggen in uitgestrekte landschappelijke parken met royale serpentinevijvers, op enige afstand van de weg. Het lanenpatroon refereert soms nog aan de formele stijlperiode, zoals op Beerschoten en Oostbroek. De A28 en N237 hebben de buitenplaatsen geschampt, met name de overplaatsen van Oostbroek en Vollenhoven. Zeist-West. Aan weerszijden van de Utrechtseweg in Zeist ligt een reeks van relatief kleine buitenplaatsen. Het is een restant van de vrijwel aaneengesloten gordel van buitens dat hier vanaf omstreeks 1790 tot aan de Oude Kerk van Zeist werd gebouwd. De parken strekten zich niet verder uit dan de Arnhemse Bovenweg of aan de zuidzijde tot de Kroostweg. De architectonisch variërende huizen zijn sterk georiënteerd op de weg of zelfs onderling (De Brink-Schaerweyde). Sterke verstedelijking heeft de buitenplaatsen tot op het bot uitgekleed terwijl diverse huizen zijn verhoogd en verbreed. Zeist-Centrum. Het centrum van Zeist wordt bepaald door de Frans-classicistische aanleg van Slot Zeist en de daarop volgende buitenplaatsen. Naar het zuiden strekt zich het geënsceneerde landschap van Het Slot, Blikkenburg, Wulperhorst, Rijnwijck en de Nienhof uit. Beek en Roijen met de lange zichtlaan (Laan van Beek en Roijen-Woudenbergseweg)en het uitgestrekte Zeisterbos bepaalt aan de noordoostzijde het aanzien.
Door de oudere grondslag liggen de buitenplaatsen minder gestructureerd. Van de jongere buitenplaatsen resteert minder, waarbij het Walkartpark, als oorspronkelijke overplaats van Het Hoekje, wel de stedelijke druk heeft overleefd.
Slot Zeist
Zeist-Driebergen. Tussen Tussen de bebouwde kommen van Zeist en Driebergen-Rijsenburg ligt een vrijwel aaneengesloten behoorlijk gave reeks buitenplaatsen die na 1820 zijn aangelegd: Hoog Beek en Royen, Sparrenheuvel, Molenbosch, Heerewegen (huis gesloopt), De Breul, Bornia, Beerschoten-Willinkshof, Reehorst en Bloemheuvel. Ten zuiden van de N225 liggen de overplaatsen en een enkele jongere buitenplaats zoals Nieuw Beerschoten. Ten noorden van de Arnhemse Bovenweg zijn meer incidenteel buitenplaatsen: Pavia als afsplitsing van Beek en Royen, ‘t Kerckebosch en Heidestein. De buitenplaatsen zijn van elkaar gescheiden door oude paden of veedriften. De kunstmatige hoogteverschillen en royaal slingerende vijverpartijen kenmerken de parken. In de ruime landschappelijke parken is in de loop der tijd andere bebouwing verrezen, waaronder serviceflats aan de noordrand van de parken. Spoor, maar in veel sterkere mate het viaduct van de A12 zorgt voor een sterke onderbreking van het buitenplaatslint.
28 I DE UTRECHTSE BUITENPLAATSBIOTOOP
Rijsenburg. De buitenplaatsen aan de N225 zetten zich in Rijsenburg door, met ook hier een zwaartepunt aan de noordzijde en ook hier weer zware verstedelijking. In omvang en invloed domineert het achttiende-eeuwse Sparrendaal met haar lange assen en sprengenstelsel. Het door zijn eigenaar in 1810 gebouwde monumentale kerkpleintje heeft een lange dwarsas op de voormalige ridderhofstad Rijsenburg aan de Langbroekerwetering. De kleinere buitenplaatsen liggen relatief dicht aan de weg en zijn sterk versnipperd geraakt. Vooral aan de zuidzijde zijn buitenplaatsen verdwenen of sterk aangetast, ook door het verdwijnen van hoofdhuizen op Nijendal, Beukensteijn, Kraaijbeek en De Wildbaan. Driebergen-Doorn. De grote buitenplaatsen De Horst, Hydepark en Beukenrode liggen aan de noordzijde van de Hoofdstraat-Driebergsestraatweg, terwijl dichter bij Doorn juist de zuidzijde wordt gedomineerd door grote buitenplaatsen: het van oorsprong middeleeuwse Moersbergen, Huis Doorn en het eind negentiende-eeuwse Aardenburg. De huizen liggen op afstand van de hoofdweg, waardoor hiertussen ruimte is voor grote gazons en vijvers in de landschappelijk aangelegde parken. Tegenover beide clusters van grote buitens liggen verspreid kleine buitenplaatsen zoals Veldzigt, Oudeweg en Doornveld. Hier liggen de huizen dicht bij de doorgaande weg. Doorn-Leersum.
Tussen, en ook deels vanuit de oudere buitenplaatsen Schoonoord en Broekhuizen is een reeks van verspreid gelegen, jongere buitenplaatsen ontstaan op de beboste helling van de Utrechtse Heuvelrug: Boschoord, Zonheuvel, De Ruiterberg, De Hoogstraat, Het Zwitserse Huis en Lombok. Darthuizen en Dartheide liggen ten zuiden van de straatweg. De beleving van deze buitenplaatsen vanaf de doorgaande weg is veelal beperkt, maar de uitgestrekte bossen zijn mede bepaald door de parkstructuur. Amerongen. Van middeleeuwse oorsprong zijn Zuylestein-Waayenstein en kasteel Amerongen, beide in de nattere kleizone ten zuiden van de N225 gelegen. Zuylestein is nog vóór 1700 uitgebreid met sterrenbossen en met jachtbossen (Wafelijzer) op de Heuvelrug. Dat geldt ook voor het in de uiterwaard gelegen Amerongen met zijn lanenstelsels en sterrenbossen (De Manege) die tot het hoogste punt van de Heuvelrug reiken (+68,9 m. NAP). Amerongen markeert het einde van de Stichtse Lustwarande als buitenplaatszone. Richting Elst, Remmerden en Rhenen domineert het agrarische karakter van de enggronden met de vroegere tabaksteelt als bijzonder kenmerk.
Kasteel Amerongen 29
LANGBROEKERWETERING
DE UTRECHTSE BUITENPLAATSBIOTOOP
LANGBROEKERWETERING
Begrenzing buitenplaatszone Langbroekerwetering Tussen Odijk en Wijk bij Duurstede, langs Kromme Rijn en Langbroekerwetering, lagen 25 kastelen en enkele buitenplaatsen. Daarvan zijn er nu nog 13 van over. De oudste dateren uit het midden van de dertiende eeuw en hebben merendeels een vroeg negentiende-eeuws neogotisch uiterlijk gekregen. Heel incidenteel is een nieuwere buitenplaats in het gebied verschenen, zoals het uitgestrekte achttiende-eeuwse Leeuwenburg. Door de lage ruimtelijke dynamiek is de feodale karakteristiek van dit gebied goed bewaard gebleven. Kenmerkend zijn de kleine huisplaatsen binnen rechthoekige (dubbele) omgrachtingen, de verdekte toegangen, de poortgebouwen over de wetering, vaarsloten tussen het huis en de wetering en de duiventorens. Vaak is sprake van uitgestrekte landgoederen, die naast de buitenplaats ook landerijen met weilanden en hakhoutbossen omvatten. Het gebied is cultuurhistorisch van uitzonderlijke kwaliteit vanwege het stroomruglandschap van de onbedijkte Kromme Rijn en het aanpalende coulisselandschap van de Langbroekerwetering, dat zich door de aanwezigheid van de landgoederen heeft ontwikkeld tot een afwisseling van open weilanden en gesloten blokbossen, doorsneden door boom- en houtwallen.
De kastelen en ridderhofsteden liggen als besloten eilandjes binnen de ritmiek van de regelmatige copeverkaveling en vormen een contrast met de overwegend kleine boerderijen aan de wetering. De hoofdhuizen liggen wisselend aan de noord- of zuidzijde van de Langbroekerwetering, met variatie in de oriëntatie van het hoofdgebouw, aangezien bij de stichting de representatie ondergeschikt was aan de defensieve functie. De hoofdhuizen zijn soms op enige afstand van de wetering gelegen, zoals bij Walenburg of Weerdesteijn, of zijn juist direct aan de Kromme Rijn gelegen, zoals Beverweerd, Hardenbroek en Rhijnestein. Toppers en clusters Beverweerd is de belangrijkste ridderhofstad aan de Kromme Rijn met een zichtrelatie naar Werkhoven, Sterkenburg manifesteert zich als een feodaal kasteel met ronde toren, Lunenburg is het schoolvoorbeeld van een
30 I DE UTRECHTSE BUITENPLAATSBIOTOOP
middeleeuwse woontoren en Sandenburg is topvoorbeeld van een decoratief neogotisch kasteel met bijgebouwen aan de Langbroekerwetering. Sandenburg-Walenburg-Groenesteyn is een belangrijk cluster ten oosten van Langbroek. Ten westen van Langbroek, tussen de Broekweg en de Doornseweg, liggen verspreid de meeste ridderhofsteden
Sandenburg aan de Langbroekerwetering
Beverweerd aan de Langbroekerwetering 31
LAAGTE VAN PIJNENBURG
DE UTRECHTSE BUITENPLAATSBIOTOOP
LAAGTE VAN PIJNENBURG
Begrenzing buitenplaatszone Laagte van Pijnenburg
In het noordelijke deel van de Heuvelrug tussen Bilthoven, Baarn en Soest ligt de Laagte van Pijnenburg met een twintigtal buitenplaatsen (7 zijn verdwenen). Het is een grillig verlopende stuwwalflank die de gebiedsstructuur hier heeft bepaald. Hier in het noordelijk deel van de Heuvelrug hebben we te maken met een stuwwalcomplex bestaande uit drie gestuwde kernen: Hoog Baarn met de watertoren op het hoogste punt (+17,5 meter NAP), tussen de Hooge en de Lage Vuursche, waar de brandtoren stond (+20,7 meter NAP) en de Soester Eng, ook
32 I DE UTRECHTSE BUITENPLAATSBIOTOOP
gebruikt als plek voor een watertoren (+19 meter NAP). Tussen deze heuvels heeft zich hoogveen gevormd dat vanaf de veertiende eeuw is ontgonnen. Voor betere afvoer van het gestoken turf is op Utrechts initiatief omstreeks 1565 de Pijnenburger Grift of Praamgracht gegraven naar de Eem. Haaks op de stuwwalkoppen is het hoogveen ontgonnen volgens een lange, rechte strookverkaveling, nog goed te zien aan de verschillende richtingen van de percelen in het Soesterveen, het Heezerveen en het Baarnse veen. Op de toppen van de stuwwal bleef lange tijd voldoende woeste grond beschikbaar om uitgestrekte lanen en jachtbossen aan te leggen. In tweede instantie was de Soestdijk, een verhoogd aangelegde weg in de veenontginning, met de latere Amsterdamse Straatweg, de hoofdverbinding en de postroute tussen Amsterdam en Keulen, een vestigingsfactor. Ook deze kwam in het lagere deel tussen de stuwwalkoppen te lopen. Rond 1640-1650 verschenen de eerste buitenplaatsen van Amsterdamse regenten. Nabij de kruising van beide assen kwam Soestdijk van De Graeff, dat vanaf 1674 uitgroeide tot koninklijk jachtslot, er tegenover bouwde Bicker zijn buiten De Eult, dat rond 1740 door Deutz met een magistraal lanenstelsel en sterrenbos werd uitgebouwd (Baarnse Bos) en aan de Praamgracht ontstond Pijnenburg met een imposant huis uit 1647 van de architect Philips Vingboons.
Meer buitenplaatsen vestigden zich vanaf de achttiende eeuw in het gebied, zoals Groeneveld (1702, vleugels in 1746) aan de Amsterdamsestraatweg, het eerste Hooge Vuursche (1790) aan de Hilversumsestraatweg en Eyckenstein (1780) aan de Maartensdijkseweg. De komst van spoorwegen in 1874 is in deze zone van ondergeschikt belang voor de vestiging van buitenplaatsen, terwijl dit wel van belang was voor de ontwikkeling van de Baarnse villaparken. De buitenplaatsen met hun formele en vroeglandschappelijke parken liggen grotendeels op de strookverkavelingen van de oudere hoogveenontginningen, waarvan de richting is bepaald door de stuwwallen. Rechte lanenstelsels, oorspronkelijk georiënteerd op omliggende kerktorens, doorsnijden de bossen. Pas bij latere buitenplaatsen als Berg en Dal (1890) en ’t Benthuys (1881) is gebruik gemaakt van de aanwezige hoogteverschillen om het hoofdhuis prominent te positioneren. Lage Vuursche werd omstreeks 1640 als kleine nederzetting rond de buitenplaats Drakenstein gesticht. De structuur en het statige aanzien van de westzijde van Baarn wordt nog steeds bepaald door de (voormalige) aanwezigheid van buitenplaatsen. Een aspect dat zich ruimtelijk minder nadrukkelijk aftekent, maar in de ontwikkeling van de buitenplaatszone zeker een rol heeft gespeeld, is de aanwezigheid van de stadhouderlijke en Koninklijke familie Van Oranje-Nassau.
Zo heeft de familie Van Oranje-Nassau in meer of mindere mate haar stempel gedrukt op Soestdijk, Baarnse Bos, Rusthoek, Canton en Peking, Prins Hendriksoord, Ewijckshoeve en Drakenstein. Met de komst van de Oranjes (Paleis Soestdijk) kreeg het gebied vorstelijke allure en kenden Baarn en Soest extra aantrekkingskracht voor vestiging van welgestelden.
Paleis Soestdijk met de Eem op de achtergrond 33
In het huidige landschap is de invloed van classicistische parkelementen uit de periode 1640-1740 dominant; de invloed van jonge buitenplaatsen en villa’s is hieraan ondergeschikt. De lange lijnen en zichtassen die gebruik maakten van de oudere strookverkaveling van de hoogveenontginningen sloten in de zeventiende eeuw goed aan op de toen opkomende Franse tuinstijl met zijn open zichtassen naar verre horizonten. De nieuw aangelegde lanen lagen óf parallel aan de verkavelingsstructuur óf werden op markante punten in de omgeving uitgezet zoals kerktorens en heuveltoppen. Met de lanen strekken de buitenplaatsen zich uit over een groot deel van het gebied en haken ze aan op de bossen, de agrarische gronden en het stedelijke gebied. Voorbeelden hiervan zijn te vinden op Groeneveld, Drakenstein, Pijnenburg, Ewijckshoeve, De Eult en Eyckenstein. Hieruit kunnen drie typen buitenplaatsen worden onderscheiden: de grote blokvormige buitenplaatsen aan de Praamgracht, de langgerekte buitenplaatsen in de veenontginningen en de verspreid gelegen, kleine buitenplaatsen aan de wegenstructuur. De karakteristiek van de buitenplaatszone Laagte van Pijnenburg is sterk bepaald door het reliëf van de grillige verlopende stuwwal en de patronen van de veenontginningen. De meeste buitenplaatsen liggen op de rand van de laagte, veelal haaks op het reliëf.