1. Concept Integraal Huisvestingsplan 2024 - 2043.pdf
Tekst van het document
Integraal Huisvestingsplan 2024 - 2043
Gemeente Stichtse Vecht
Opdrachtgever Datum 12 juni 2024 Referentie 1698501-0118.0.5 Auteur(s) Luuk Binder - HEVO B.V. Irma van Erp - HEVO B.V.
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
Statenlaan 8
5223 LA 's-Hertogenbosch
T 073 - 6 409 409
info@hevo.nl
KvK Brabant 16029774
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
Burg. Roelenweg 40
8021 EW Zwolle
T 038 - 4 258 101
ISO 9001-gecertificeerd
BTW 0011.60.461.B01
Inhoudsopgave 1. 1.1. 1.2. 1.3. 1.4. 1.5.
Inleiding Landelijke Context Uitdagingen voor Stichtse Vecht Doelstelling Aanpak Leeswijzer
3 3 4 4 5 5
2. 2.1. 2.2. 2.3. 2.4.
Onderwijslandschap Primair onderwijs Voortgezet onderwijs Gespecialiseerd onderwijs Ontwikkeling in aantal leerlingen
6 7 7 7 7
3. 3.1. 3.2. 3.3. 3.4. 3.5. 3.6.
Visie en beleidsambities Visie op onderwijs in 2043 Bouwsteen 1: Beleid & Regie Bouwsteen 2: Kwaliteit Bouwsteen 3: Duurzaamheid Bouwsteen 4: Capaciteit Bouwsteen 5: Samenwerking
9 9 9 12 13 14 16
4. 4.1. 4.2. 4.3. 4.4.
Analyse en Scenario Leerlingenprognose Capaciteitsanalyse Quickscans Scholenlandschap
17 17 17 18 19
5.
Voorkeurs programmering
30
6. 6.1. 6.2. 6.3.
Financiële vertaling Gewenste kwaliteit Total Cost of Ownership Uitgangspunten financiële vertaling onderwijs
31 31 32 33
Referentie: 1698501-0118.0.5.
6.4. 6.5.
Overzicht investeringskosten schoolgebouwen De interpretatie van investeringskosten uit dit IHP
33 35
7. 7.1. 7.2.
Vervolg IHP Opstellen uitvoeringsprogramma en businesscases Risicoparagraaf
35 35 36
Bijlage I: Wettelijke en beleidskaders
37
Bijlage II: Kwaliteitsadvies HEVO
39
Bijlage III: Energieprestaties
40
Bijlage IV: Leerlingenprognoses
41
Bijlage V: Capaciteitsanalyse
42
Bijlage VI: Scholenlandschap
43
Pagina 2 van 55
1. Inleiding De gemeente Stichtse Vecht heeft samen met de schoolbesturen voorliggend Integraal Huisvestingsplan (IHP) opgesteld voor de onderwijshuisvesting van het primair onderwijs (PO), Voorgezet Onderwijs (VO) en het speciaal onderwijs1 (SO). In dit plan worden de kaders bepaald waarbinnen de gemeente Stichtse Vecht en de schoolbesturen samenwerken aan goede, toekomstbestendige onderwijshuisvesting. Goede onderwijshuisvesting is immers een randvoorwaarde voor goed onderwijs. De noodzaak tot samenwerking komt primair voort uit de gedeelde verantwoordelijkheid voor onderwijshuisvesting: de gemeente heeft een zorgplicht voor onderwijshuisvesting voor onder andere nieuwbouw en uitbreiding en schoolbesturen zijn verantwoordelijk voor onderhoud en exploitatie. In dit IHP worden beide verantwoordelijkheden op elkaar afgestemd.
1.1. Landelijke Context Op landelijk niveau krijgt onderwijshuisvesting meer en meer aandacht. In het rapport van de Rijksbouwmeester uit 20092 werd reeds geconstateerd dat de gebouwenvoorraad in het funderend onderwijs sterk verouderd is, vaak een slecht binnenklimaat heeft en niet duurzaam is. In 2011 concludeerde ook het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) dat het binnenmilieu in de scholen vaak onder de maat is: uit verschillende onderzoeken kwam naar voren dat de CO2-concentraties in Nederlandse scholen vaak te hoog zijn. In 2016 concludeerde de Algemene Rekenkamer3 daarnaast dat het tempo waarin schoolgebouwen worden vervangen te laag is: schoolgebouwen staan gemiddeld 69 jaar voordat ze vervangen worden. In het onderzoek van de Algemene Rekenkamer is ook de tevredenheid van leraren over hun schoolgebouwen onderzocht. Leraren bleken ontevreden te zijn over een aantal aspecten van de huisvesting: zij vonden vooral de temperatuur en de luchtkwaliteit onvoldoende. Ook gaf een meerderheid van de ondervraagde leraren aan dat het schoolgebouw geverfd, opgeknapt of gerepareerd moet worden.
1
In het voorliggende document wordt ook gespecialiseerd onderwijs genoemd, dit valt onder de noemer van speciaal onderwijs. 2 Rapport ‘Gezond en goed. Scholenbouw in topconditie’, Rijksbouwmeester, Den Haag, 2009 3 Schoolgebouwen primair en voortgezet onderwijs: de praktijk gecheckt, Algemene Rekenkamer (2016) 4 Een verstevigd fundament voor iedereen, McKinsey (2020)
Referentie: 1698501-0118.0.5.
Ook in het onderzoek uit 2020 door McKinsey4 naar de algemene staat van het onderwijs in Nederland wordt nadrukkelijk aandacht besteed aan de onderwijshuisvesting; gemeenten geven ondanks hogere eisen en gestegen bouwkosten nog een vergelijkbaar bedrag uit aan onderwijshuisvesting als in 2009. Tegelijkertijd stellen de sectorale routekaarten voor het klimaatakkoord hoge eisen aan de duurzaamheid en het tempo van de uitvoering van de vervangingsopgave5: de uitgaven moeten verdubbelen van circa € 21 miljard bij ongewijzigd beleid naar circa € 42 miljard. Daarnaast heeft binnenklimaat de laatste jaren ook veel aandacht gegenereerd. De coronapandemie heeft duidelijk gemaakt dat luchtkwaliteit en een goed binnenmilieu belangrijke onderdelen zijn van goede huisvesting. De noodzaak tot ‘Frisse Scholen’ en voldoende ventileren heeft dan ook topprioriteit binnen de schoolgebouwen. Mede door de coronapandemie is ook het onderwerp van gezonde gebouwen in een stroomversnelling terechtgekomen. Zo is de realisatie van gezonde scholen met een groen plein eromheen van steeds groter belang om bewegend leren te stimuleren. Recentelijk heeft er op landelijk niveau ook nog een Interdepartementaal Beleidsonderzoek6 plaatsgevonden waarin, los van de opgave, er ook forse kritiek is geuit op het functioneren van het stelsel.
Die kritiek bestond uit de volgende punten: er zijn geen eenduidige eisen voor onderwijshuisvesting, er is een gebrek aan koppeling tussen bouwkosten en budgetten, er is onvoldoende expertise bij schoolbesturen en gemeenten en het ontbreekt aan een gesloten beleidscyclus door met name een gebrek aan toezicht, monitoring en evaluatie.
5
Sectorale routekaart voor verduurzaming van schoolgebouwen in het primair en voortgezet onderwijs, PO-raad, VO-raad en VN 6 IBO Onderwijshuisvesting funderend onderwijs, Een vak apart - Een toekomstbestendig onderwijshuisvestingsstelsel (2021)
Pagina 3 van 55
1.2. Uitdagingen voor Stichtse Vecht Deze uitdagingen op het gebied van onderwijshuisvesting gelden deels ook voor gemeente Stichtse Vecht. Het grootste deel (ca. 75%) van het gebouwen bestand van Stichtse Vecht is ouder dan 35 jaar. Een beperkt deel van deze gebouwen heeft een renovatie ondergaan of er zijn verduurzamingsmaatregelen genomen. Deze reiken echter niet tot BENG/ENG (bijna energie neutraal of energie neutraal) of de gestelde eisen op het gebied van ‘frisse scholen’. Alleen middels goede samenwerking tussen gemeente en schoolbesturen kunnen deze uitdagingen in de komende jaren worden aangegaan en kunnen met de beschikbare middelen de beste keuzes worden gemaakt. Dit is een grote uitdaging voor Stichtse Vecht, mede gezien de verouderde staat van de gebouwen. Middels voorliggend IHP is er toegewerkt naar een haalbare, maar toch ambitieuze programmering. Daarbij staan bij het opstellen van dit IHP steeds de kinderen in de gemeente centraal; zij hebben recht op goed onderwijs in goede schoolgebouwen.
Figuur 1: Vernieuwingsopgave onderwijshuisvesting landelijk versus Stichtse Vecht.
Een strategisch IHP stelt gemeente en schoolbesturen in staat om op korte en lange termijn toekomstbestendige keuzes te maken en een proactief (investerings-)beleid te voeren. Het IHP geeft voor de eerste vijf jaar (2024-2028) concreet aan wat de opgave is en geeft een doorkijk voor de langere termijn van 20 jaar (2024-2043). In aanvulling op de werkwijze (uitsluitend) op basis van de verordening, voegt het IHP een proactief onderwijshuisvestingsbeleid toe. In formele zin laat de gemeente hiermee zien op welke wijze zij haar zorgplicht, op grond van de taak die zij heeft in het voorzien van huisvesting voor het funderend onderwijs, wenst in te vullen (zie bijlage I voor extra informatie over de beleidskaders op het gebied van onderwijshuisvesting). Het IHP: • Stelt de gemeente en schoolbesturen in staat om op korte en lange termijn strategische keuzes te maken en proactief beleid te voeren. • Biedt een meerjarenperspectief waarop het eigen (investerings-)beleid van de schoolbesturen kan worden afgestemd. • Vormt het beleidskader voor het onderwijshuisvestingsbeleid voor de periode 20242043. Het IHP wordt elke 4 jaar herijkt, zodat het beleidskader blijft aansluiten bij de vragen en behoeften van dat moment. Dit IHP is opgesteld onder de wet- en regelgeving zoals deze geldt op het moment van het opstellen daarvan.
Echter, wet- en regelgeving is onderhavig aan voortschrijdend inzicht; zo ook de wetgeving met betrekking tot het huisvestingsstelsel voor het funderend onderwijs in Nederland. Bij (substantiële) wijzigingen van bijvoorbeeld het genoemde stelsel, de Algemene Uitkeringen van het gemeentefonds, de wijze van bepalen van normbedragen, wijzigingen ten aanzien van Bouwbesluit, energieakkoorden of enig andere substantiële ontwikkeling, kan het nodig zijn om dit IHP (op onderdelen) aan te passen aan de dan geldende realiteit en mogelijkheden.
1.3. Doelstelling Het IHP bepaalt op basis van visie, gerichte analyse, scenario-ontwikkeling en financiële vertaling de kaders waarbinnen de gemeente Stichtse Vecht, samen met de schoolbesturen, investeert in de onderwijshuisvesting.
Referentie: 1698501-0118.0.5.
Pagina 4 van 55
1.4. Aanpak Het IHP is samen met gemeente en schoolbesturen ontwikkeld. Daarbij zijn gezamenlijk de volgende stappen doorlopen: • Stap 1: om te komen tot een gezamenlijke visie zijn in diverse bijeenkomsten met de schoolbesturen en gemeente ambities gedefinieerd en wensen geïnventariseerd. • Stap 2: het gebouwenbestand van de onderwijshuisvesting in de gemeente Stichtse Vecht is door middel van quickscans in beeld gebracht. Er zijn een capaciteitsanalyse en een kwaliteitsanalyse uitgevoerd. Deze zijn met de partijen gedeeld en vastgesteld. • Stap 3: op basis van de quickscans en aanvullende afwegingscriteria gebaseerd op de visie zijn scenario’s geformuleerd. • Stap 4: op basis van de opgaven is een financiële vertaling gemaakt. Vervolgens zijn de fasering én de financiering van de realisatie van de visie en de opgave bepaald. • Stap 5: de vier deelproducten zijn samengebracht tot een Integraal Huisvestingsplan 2024-2043.
1.5. Leeswijzer Na dit eerste inleidende hoofdstuk beschrijft hoofdstuk 2 het onderwijslandschap van de gemeente Stichtse Vecht. Hoofdstuk 3 gaat in op de visie en beleidsambities. Hoofdstuk 4 introduceert de gehanteerde methoden voor de analyse en opgaveontwikkeling die in hoofdstuk 5 worden gepresenteerd. Hoofdstuk 6 voorziet de opgaven uit hoofdstuk 5 van financiële uitgangspunten en een financiële vertaling. In hoofdstuk 7 zijn een aantal processtappen en uitgangspunten vermeld waar rekening mee dient te worden gehouden bij de uitvoering van het IHP. In de bijlagen is een aanvullende toelichting gegeven op de wettelijke en beleidskaders (I), het voorgestelde kwaliteitsniveau (II), de energieprestaties (III) en zijn de leerlingenprognoses (IV), de capaciteitsanalyse (V) en het scholenlandschap op de kaarten, per wijk/kern, weergegeven (VI).
Referentie: 1698501-0118.0.5.
Pagina 5 van 55
2. Onderwijslandschap Dit hoofdstuk biedt inzicht in het onderwijsaanbod in de gemeente Stichtse Vecht. Het gaat hier om het PO, VO en SBO. Het aanbod van de verschillende soorten onderwijs wordt in dit hoofdstuk ingedeeld als volgt: • Primair onderwijs. • Voortgezet onderwijs. • Gespecialiseerd onderwijs. Het onderwijs van de gemeente Stichtse Vecht wordt aangeboden in Maarssenbroek (1), Maarssen (incl. Tienhoven) (2), Breukelen (3), Loenen aan de Vecht (4), Kockengen (5), Loenersloot (6), Nieuwer Ter Aa (7), Vreeland (8) en Nigtevecht (9).
Wijk/kern
Aantal scholen (PO)
Aantal leerlingen (2024)
Aantal Scholen (VO)
Aantal leerlingen (2024)
Aantal scholen (SO)
Aantal leerlingen (2024)
2.072
1
110
12²
2.161
3
1
(2) Maarssen
7
1.556
0
0
0
0
(3) Breukelen
4
759
2
1.555
0
0
(4) Loenen aan de Vecht
3
440
0
0
0
0
(5) Kockengen
2
282
0
0
0
0
(6) Loenersloot
1
55
0
0
0
0
(7) Nieuwer Ter Aa
1
79
0
0
0
0
(8) Vreeland
1
189
0
0
0
0
(1) Maarssenbroek
(9) Nigtevecht
1
162
0
0
0
0
Totaal
31
5.683
5
3.627
1
110
Tabel 1: Overzicht onderwijslandschap Stichtse Vecht per wijk/kern (2024, cf. prognose Pronexus 2022). Het aantal scholen is incl. dislocaties. 1 Tienhoven (1 PO school) is onder deelgebied Maarssen opgenomen. 2 De locatie Fazantenkamp niet langer in gebruik en niet opgenomen in dit overzicht.
Figuur 2: Gemeente Stichtse Vecht.
Referentie: 1698501-0118.0.5.
Pagina 6 van 55
2.1. Primair onderwijs De scholen in de gemeente Stichtse Vecht in het primair onderwijs verschillen onderling van denominatie, omvang en onderwijsconcept. Het PO in de gemeente wordt verzorgd door 9 schoolbesturen. De schoolbesturen bieden onderwijs aan 5.683 leerlingen (2024, cf. prognose Pronexus 2022), verdeeld over 31 schoollocaties (inclusief dislocaties).
Schoolbestuur Stichting VO de Vechtstreek Stichting PCOU/Willibrord Stichting Utrecht.
Sector VO VO
Denominatie Openbaar (1) en Katholiek (1) ProtestantChristelijk
Totaal
Aantal scholen
Aantal leerlingen (2024)
%
2
1.540
42%
3²
2.087
58%
5
3.627
100%
Schoolbestuur
Sector
Denominatie
Aantal scholen
Aantal leerlingen (2024)
%
Tabel 3: Overzicht onderwijslandschap Stichtse Vecht VO (2024, cf. prognose Pronexus 2022). ² Het aantal
Educatis
PO
1
79
1%
scholen is incl. dislocatie Niftarlake.
Stichting Kalisto
PO
Reformatorisch Katholiek (2) en Christelijk (1)
3
703
Stichting Monton
PO
Montessori
2
201
4%
Stichting OBS De Regenboog
PO
Openbaar
1
164
3%
Stichting Pastoor Ariens
PO
Katholiek
51
1.163
21%
Talent Primair
PO
Openbaar
1
159
3%
Vechtstreek en Venen
PO
Christelijk
102
1.594
27%
Fides
PO
Christelijk
1
178
3%
Openbaar
3
7
1.442
26%
31
5.683
100%
WereldKidz
PO
Totaal
13%
Tabel 2: Overzicht onderwijslandschap Stichtse Vecht PO (2024, cf. prognose Pronexus 2022). Het aantal
2.3. Gespecialiseerd onderwijs Het gespecialiseerd onderwijs in de gemeente Stichtse Vecht wordt aangeboden door Stichting Gewoon Speciaal Onderwijs. Dit schoolbestuur biedt op één locatie (Maarssenbroek) onderwijs aan 110 leerlingen (2024, cf. prognose Pronexus 2022). Schoolbestuur Stichting Gewoon Speciaal Onderwijs
Sector SBO
Denominatie Speciaal
Totaal
Aantal scholen
Aantal leerlingen (2024)
%
1
110
100%
1
110
100%
Tabel 4: Overzicht onderwijslandschap Stichtse Vecht SO (2024, cf. prognose Pronexus 2022).
scholen is incl. dislocaties. 1 Voor de scholen van Stichting Pastoor Ariens is gerekend met één locatie voor De Pionier (cf. huidige situatie). 2 Voor de scholen van Vechtstreek en Venen is gerekend met één locatie voor De Zilvermaan. Cf. de huidige situatie is loc. Fazantenkamp niet langer in gebruik. 3Voor de scholen van WereldKidz is getekend met één locatie voor Duivenkamp.
2.2. Voortgezet onderwijs Het VO in de gemeente Stichtse Vecht wordt aangeboden door twee schoolbesturen: De Stichting VO de Vechtstreek Scholengroep en de Stichting PCOU/Willibrord Stichting Utrecht. De schoolbesturen bieden onderwijs aan 3.627 leerlingen (2024, cf. prognose Pronexus 2022), verdeeld over 5 schoollocaties (incl. dislocatie Niftarlake) in Breukelen en Maarssenbroek.
Referentie: 1698501-0118.0.5.
2.4. Ontwikkeling in aantal leerlingen De verwachting is dat het aantal leerlingen in de komende jaren gaat toenemen. Niet alleen voor het gespecialiseerd onderwijs maar ook voor het primair en het voortgezet onderwijs laten de prognoses een groei zien. Hierdoor kan er niet zomaar vanuit gegaan worden dat eventuele tekorten in capaciteit met de tijd opgelost worden. Een uitgebreide toelichting op de leerlingenprognoses en capaciteitsanalyse is te vinden in hoofdstuk 4.
Pagina 7 van 55
Schoolbestuur Maarssenbroek Stichting Pastoor Ariens Stichting Pastoor Ariens Stichting Pastoor Ariens Stichting Pastoor Ariens WereldKidz WereldKidz WereldKidz WereldKidz Gewoon Speciaal Onderwijs Vechtstreek en Venen Vechtstreek en Venen Vechtstreek en Venen Stichting Monton Stichting VO de Vechtstreek Willibrord Stichting Utrecht Willibrord Stichting Utrecht
School
Adres
BRIN
De Wilde Wingerd De Kameleon – Kamelenspoor De Kameleon – Duivenkamp Franciscusschool1 WereldKidz Duivenkamp2 WereldKidz Bontenest WereldKidz Triangel1 WereldKidz Fazantenkamp De Kristal De Zilvermaan – Bloemstede De Zilvermaan – Fazantenkamp3 J.C. van der Walschool1 Montessori Mozaïek Rientjes MAVO Niftarlake College Niftarlake College 152 (discl)
Bloemstede 1 Kamelenspoor 81 Duivenkamp 549 Zwanenkamp 1304 Duivenkamp 545 + 547 Spechtenkamp 232 Zwanenkamp 1303 Fazantenkamp 160 Pauwenkamp 347 Bloemstede 225 Fazantenkamp 161-162 Zwanenkamp 1305 Fazantenkamp 157-158 Valkenkamp 551 Pauwenkamp 151 Pauwenkamp 152
12SR00 12ZG00 12ZG01 11QB00 11YR00 06PB00 13MO00 13YR00 01JW00 11CL00 12AE00 12JL00 15QM01 11HX00 03OY00 03OY01
Maarssen Stichting Pastoor Ariens WereldKidz WereldKidz Vechtstreek en Venen Vechtstreek en Venen Vechtstreek en Venen
De Pionier WereldKidz Palet WereldKidz Bolenstein Het Kompas Het Kompas (disloc.) De Klaroen
Thorbeckelaan 2 Buitenweg 310-312 Harmonieweg 6 Harmonieweg 6 Buitenweg 308 M.A. de Ruijterstraat 2
12AY00 23EW00 31BJ00 23EX00 23EX01 10MX00
Breukelen Vechtstreek en Venen Vechtstreek en Venen Stichting OBS De Regenboog Stichting VO de Vechtstreek Stichting Kalisto Willibrord Stichting Utrecht
De Bijenschans De Schepershoek De Regenboog R.S.G. Broklede Willibrordus S.G. Broeckland College
Kerkplein 14 Schepersweg 8a/10 Heycoplaan 13 Schepersweg 6a G.S. van Ruwiellaan 1 Engel de Ruijterstraat 40
07XQ00 05MT00 06CO00 11NY00 03UB00 23VD00
Loenen aan de Vecht Stichting Kalisto Vechtstreek en Venen Talent Primair
St. Ludgerusschool Het Podium Graaf Florisschool
Prinses Margrietlaan 7 Hoflaan 2 Het Rond 22
03YM00 05QP00 10BE00
Referentie: 1698501-0118.0.5.
Schoolbestuur Kockengen Fides WereldKidz
School
Adres
BRIN
De Wegwijzer WereldKidz Kockenest
Schoolweg 1 Drie Stammenweg 2
07ZL00 04AJ00
Loenersloot Stichting Monton
Montessorischool Loenersloot
Hollandstraat 25
05VO00
Tienhoven Vechtstreek en Venen
De Klaroen – Tienhoven
Ds. Ulferstraat 29
10MX01
Nieuwer Ter Aa Educatis
School met de Bijbel
D. van Troostwijkstraat 22 05RG00
Vreeland Stichting Kalisto
CSV Ridderhof
Niftarlakelaan 7
03TP00
Nigtevecht Vechtstreek en Venen
De Verbinding
Petersburg 56
05RK00
Tabel 5: Totaaloverzicht van onderwijslocaties Gemeente Stichtse Vecht.
1
De Fransicusschool, WereldKidz
Triangel en J.C. Van der Walschool vormen samen één scholeneiland in één gebouw. 2 WereldKidz Duivenkamp bestaat uit twee losse gebouwen. 3 De Zilvermaan – Fazantankamp is reeds gesloten.
Pagina 8 van 55
3. Visie en beleidsambities Dit hoofdstuk behandelt de visie op onderwijs en onderwijshuisvesting en de beleidsambities van dit IHP. Na de visie worden de beleidsambities van de gemeente en de schoolbesturen benoemd.
3.1. Visie op onderwijs in 2043 De gemeente Stichtse Vecht en de schoolbesturen streven gezamenlijk naar een toekomstbestendig onderwijslandschap. Het doel is om kinderen in de gemeente Stichtse Vecht de best mogelijke kansen te bieden in hun ontwikkeling en voor te bereiden op hun toekomst. Daarbij is het van belang dat het onderwijsaanbod toegankelijk, divers en goed gespreid is en aansluit op de vraag van de maatschappij, zowel in het stedelijk gebied als in de kernen van de Stichtse Vecht. De gemeente Stichtse Vecht en de schoolbesturen willen dit faciliteren door toekomstbestendige onderwijshuisvesting te realiseren middels het IHP. Toekomstbestendige onderwijshuisvesting is een randvoorwaarde voor goed onderwijs. Hierbij gaat onderwijs en onderwijshuisvesting niet alleen over scholen, maar ook over andere plaatsen waar kinderen leren en zich ontwikkelen. Denk aan: kinderopvang, stages bij bedrijven, schoolpleinen en de omgeving. De onderwijshuisvesting staat dan ook niet op zichzelf, maar staat in verbinding met de maatschappij. Onderwijsfuncties zijn maatschappelijke voorzieningen en dragen bij aan de sociale cohesie in de gemeente Stichtse Vecht. Het combineren van onderwijshuisvesting met andere maatschappelijke partners biedt kansen voor de gemeente en schoolbesturen.
De visie op onderwijshuisvesting van de gemeente en de schoolbesturen stelt ook eisen aan de onderwijshuisvesting. Veranderingen in onderwijsvisies, -concepten en samenwerking maken dat er steeds meer flexibiliteit wordt gevraagd van onderwijsgebouwen. Bovendien leidt de maatschappelijke noodzaak tot verduurzaming tot hogere prestatie-eisen. Daarbij gaat duurzaamheid voor de gemeente en de schoolbesturen zeker niet alleen over energie en CO2-besparing, maar ook over een integrale visie op duurzaamheid waarbij gezondheid, circulariteit en functionaliteit een rol spelen.
Referentie: 1698501-0118.0.5.
Tegelijkertijd ligt er een behoorlijke financiële en organisatorische uitdaging bij de realisatie van de plannen uit het IHP. Het traject om te komen van initiatieffase tot realisatie van onderwijshuisvesting is kostbaar en complex en vraagt veel van de gemeente en de schoolbesturen. Samenwerking is het sleutelwoord. De gemeente en de schoolbesturen hebben deze algemene visie verder geconcretiseerd in vijf thema’s welke zijn verankerd in bouwstenen voor beleid: 1. Beleid en regie 2. Kwaliteit 3. Duurzaamheid 4. Capaciteit 5. Samenwerking Het zijn beleidsuitgangspunten op verschillende thema’s. De visie vormt samen met de bouwstenen een belangrijke basis voor het IHP. Het IHP is erop gericht om, binnen de randvoorwaarden van de gemeente (financieel, ruimtelijk en organisatorisch) en schoolbesturen (onderwijsinhoudelijk, financieel en organisatorisch), deze uitgangspunten zo veel als mogelijk te realiseren. De bouwstenen geven richting aan het IHP en daarmee kan er worden gestuurd op een toekomstbestendig onderwijslandschap.
3.2. Bouwsteen 1: Beleid & Regie Deze bouwsteen geeft aan hoe gemeente en schoolbesturen de samenwerking hebben vastgesteld op het gebied van onderwijshuisvesting. Gemeente en schoolbesturen hebben daartoe bouwstenen geformuleerd voor de toekomstige organisatie en financiering van de onderwijshuisvesting. 1.
Het IHP is in lijn met het voorstel van de PO-raad, VO-raad en VNG om IHP’s in de wetgeving te verankeren. In de geest van de nieuwe wet wordt het IHP vastgesteld als lange termijnplan waar gemeente en schoolbesturen zich aan committeren. Het IHP wordt gezien als investeringskader om een mate van flexibiliteit te behouden. Door het IHP te zien als (flexibel) investeringskader waarbij elk jaar de definitieve kredieten aangevraagd dienen te worden is er ruimte voor aanpassingen door nieuwe inzichten of gewijzigde uitgangspunten.
Pagina 9 van 55
Wel spreken schoolbesturen en gemeente zich uit enkel af te wijken van de afspraken in het IHP als daar een zwaarwegende motivering onder ligt. Afwijkingen kunnen zowel door de gemeente als door een schoolbestuur worden ingebracht. 2.
Vaststellen van het IHP. Het IHP is opgesteld in samenspraak met gemeente en schoolbesturen. De gemeenteraad stelt het IHP voor de eerste 4 jaar vast nadat het college en de schoolbesturen hierover overeenstemming hebben bereikt. Het IHP wordt om de vier jaar op zijn toekomstwaarde, relevantie en actualiteit getoetst en waar nodig geactualiseerd.
3.
Het IHP is het investeringskader voor de onderwijshuisvesting en geeft voor de komende 20 jaar een indicatie van benodigde investeringen. Tevens wordt de prioritering van de projecten opgenomen. Voor de eerste vijf jaar (termijn 1) worden de investeringen nader geduid. Vooralsnog wordt uitgegaan van een jaarlijkse cyclus m.b.t. aanvragen/ reservering van budgetten. In de kadernota wordt wel voorgesorteerd op het IHP (budgetten o.b.v. kengetallen) wat wordt voorgelegd aan de raad. Op basis van de businesscases per project, en daarmee de projectaanvraag, wordt het budget (kredietaanvraag o.b.v. actuele kosten) aangevraagd.
4.
Na vaststelling van het IHP wordt een uitvoeringsprogramma opgesteld voor een termijn van vijf jaar. In het uitvoeringsprogramma worden afspraken gemaakt over de samenwerking op programma- en projectniveau voor de komende vijf jaar. Met de doorkijk tot 2043 worden voor een langere periode dan één raadsperiode afspraken vastgelegd. Dit biedt meer zekerheid voor schoolbesturen ten aanzien van toekomstige investeringen in schoolgebouwen, zodat zij hun onderhoud hierop af kunnen stemmen. In het uitvoeringsprogramma worden volgens jaarprogramma’s projecten nader geconcretiseerd en wordt beslag gelegd op de reserveringen in de begroting ten behoeve van bouwbudget en personele capaciteit.
Referentie: 1698501-0118.0.5.
5.
Per project verleent de Raad definitief het krediet. Zodra het project actueel wordt, zal het project getoetst worden aan de gehanteerde randvoorwaarden uit het IHP. Een project is actueel zodra de eerste onderzoeken opgesteld worden, hiervoor worden voorbereidingskredieten uitgegeven. In het uitvoeringsprogramma (vervolgstap op het IHP) worden de voorbereidingskredieten en de toekenning daarvan nader besproken. Een dergelijke toets wordt vaak gedaan middels een haalbaarheidsstudie, ook wel businesscase genoemd. Vervolgens worden de randvoorwaarden uit het IHP indien nodig geactualiseerd (inclusief indexatie, conform systematiek beschreven in financiële paragraaf) en wordt het definitieve krediet bij de raad aangevraagd. Het definitieve krediet voor het project wordt bepaald op basis van reële prognoses/ de meest recente beschikbare informatie. Het IHP functioneert als een intentie en wordt zodoende cf. de vastgestelde planning uitgevoerd, behoudens (grote) onvoorziene omstandigheden.
6.
Het IHP prevaleert voor het aanvragen van voorzieningen boven de verordening en vervangt de aanvraagprocedure voor nieuwbouw en overige voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen (artikel 2.a lid 1 t/m lid 8 van de verordening). Er zijn echter uitzonderingen (artikel 2.a lid 1, lid 6 en lid 7 van de verordening) of spoedaanvragen door onvoorziene omstandigheden. Op dergelijke uitzonderingen en onvoorziene omstandigheden na, is de afspraak dat er geen gebruik wordt gemaakt van de route via de verordening. Aanvragen voortkomend uit het IHP worden impliciet geacht een aanvraag te zijn op grond van de verordening. Dit wordt ook op deze wijze in de verordening vastgelegd. De verordening wordt aangepast en geactualiseerd op basis van het IHP.
7.
Renovatie en vernieuwbouw als extra voorzieningen. Het IHP is in lijn met het voorstel van de PO-raad, VO-raad en VNG om renovatie en vernieuwbouw op te nemen als voorziening door de gemeente. a. In de huidige situatie zijn gemeenten alleen verantwoordelijk voor vervangende nieuwbouw wanneer een gebouw aan het einde van zijn levensduur is (art. 2 verordening). Door renovatie en vernieuwbouw op te nemen als voorziening ontstaat de mogelijkheid om bij een gebouw dat aan
Pagina 10 van 55
b.
c.
d.
het einde van zijn levensduur is ook renovatie of vernieuwbouw toe te passen. Renovatie is in dit geval een ingrijpende aanpassing van het gebouw waardoor de levensduur van het pand met tenminste 25 jaar wordt verlengd. Levensduurverlenging met 40 jaar wordt vernieuwbouw genoemd. Een verlenging van de levensduur betekent niet enkel de verlenging van de bouwkundige levensduur. Het betreft ook de functionele levensduur. De definitie van de functionele levensduurverlenging wordt bepaald op basis van de kennis op het moment van investeren. Indien er wordt gekozen voor renovatie of vernieuwbouw dient een duidelijke relatie gelegd te worden met het behalen van de klimaatdoelstellingen van Parijs (zie bouwsteen 3 Duurzaamheid). Na vaststelling van het IHP worden ook afspraken gemaakt over ingrepen ter verbetering van ventilatie en/ of duurzaamheid. In het geval van ventilatie en het binnenklimaat gaat het om verbeteringen die dermate urgent zijn dat ze niet kunnen wachten tot het moment waarop de school in aanmerking zou komen voor nieuwbouw, vernieuwbouw of renovatie. Als signaal voor een urgente ingreep worden de geldende normen o.b.v. het geldende Bouwbesluit en aanvullende richtlijnen vanuit de Gezondheidsraad gehanteerd.7In het geval van duurzaamheid gaat het in eerste instantie om maatregelen ter beperking van het energieverbruik en de CO2-uitstoot (zie Bouwsteen 3).
Deze verbeteringen in ventilatie en duurzaamheid zijn kostbaar. Omdat schoolbesturen verantwoordelijk zijn voor groot onderhoud en exploitatie, en gemeenten voor o.a. nieuwbouw en vernieuwbouw is de vraag wie deze ingrepen financiert. Met elkaar wordt verkend op welke wijze de ingrepen bekostigd kunnen worden. Bij voorkeur wordt geïnvesteerd op natuurlijke vervangingsmomenten, maar dat is bij urgentie niet altijd mogelijk. Gemeente en schoolbesturen zullen hierover in overleg treden en kijken daarbij in basis naar de terugverdientijd in relatie tot het beoogde vervangingsjaar conform het IHP. In basis wordt uitgegaan van de geldende taakverdeling tussen schoolbestuur en gemeente.
8.
Financiële vertaling: De afbakening van de investeringen wordt geduid in de financiële paragrafen (op basis van het gezamenlijk gedefinieerde kwaliteitsniveau). Investeringen worden geraamd op basis van kengetallen voor nieuwbouw (met behulp van de kostenconfigurator van HEVO) en er wordt rekening gehouden met een opslagpercentage (25% van de stichtingskosten) voor bijkomende kosten zoals interimvoorzieningen, regiotoeslag, sloopkosten, locatie gebonden kosten en tijdelijke huisvesting.
9.
De leerlingenprognose van 2022 (Pronexus) vormt het uitgangspunt voor het IHP. Een prognose geeft het vermoedelijk verloop aan van het leerlingenaantal, in het IHP is op basis van ervaring en verwachting van schoolbesturen ruimte voor nuance. De leerlingenprognose is vastgesteld in mei 2022 en zal periodiek worden herijkt (in ieder geval ten tijde van de actualisatie van het IHP). Als onderdeel van de prognose zijn de meest relevante nieuwbouwplannen meegenomen. Bij de herijking worden de projecten van termijn 1 gemonitord en waar nodig worden de projectkaders -bij extreme verschillen- bijgesteld in leerlingaantallen en ruimtebehoefte. Bij een niet voorziene exponentiele leerlingen groei binnen een deelgebied (bijv. door toedoen van nieuwe woningbouwontwikkelingen) treden schoolbesturen en gemeente in overleg.
10. Rolverdeling gemeente en schoolbesturen: De rolverdeling tussen gemeente en schoolbestuur is cf. de geldende wetgeving. Daarmee ligt het bouwheerschap in principe bij de schoolbesturen, (lid 1 artikel 103 WPO, 101 WEC en 76n WVO) maar hier kan van afgeweken worden. In overleg met de gemeente kan het bouwheerschap door de gemeente worden overgenomen (cf. lid 2 artikel 103 WPO, 101 WEC en 76n WVO). Dit is met name het geval wanneer er meerdere scholen betrokken zijn in één gebouw. Daarnaast kan de mogelijkheid besproken worden dat de bouw van een multifunctionele accommodatie wordt gerealiseerd door een derde partij.
7 Eindrapport Beeld van de ventilatie op scholen in het funderend onderwijs in Nederland, LCVS d.d. 1 oktober 2020
(https://open.overheid.nl/repository/ronl-67bc2dd7-9ac2-4038-a05b92f07e94a8f7/1/pdf/Eindrapport%20Landelijk%20Coordinatieteam%20Ventilatie%20op%20Scholen.pdf )
Referentie: 1698501-0118.0.5.
Pagina 11 van 55
Na IHP kan verkend worden op welke wijze de taken verdeeld dienen te worden. Dit wordt ook tijdens de businesscase voor het desbetreffende project behandeld.
3.
Inclusief en toegankelijkheid: de schoolgebouwen dienen de mogelijkheid te bieden tot het faciliteren van inclusiever en passend onderwijs. Dit houdt in dat gebouwen ruim van opzet zijn en beschikken over een lift. Ook kinderen met een beperking kunnen worden ontvangen. Een toegankelijke omgeving is een omgeving waar kinderen en volwassenen zich zelfstandig door het gebouw kunnen bewegen, zonder hulp van derden. Toegankelijkheid betekent ook dat het gebouw geschikt is voor diverse gebruikersgroepen, hierbij hoort een streven naar meer samenwerking tussen primair onderwijs en speciaal (basis) onderwijs of tussen het onderwijs en zorg- of wijkvoorzieningen (zie bouwsteen 4. Samenwerking). Voor de kwaliteit van de schoolgebouwen kan dit leiden tot de aanwezigheid van multifunctionele ruimten die door diverse gebruikers voor verschillende doeleinden kunnen worden ingezet. Deze mogelijkheden dienen project specifiek te worden bepaald.
4.
Multifunctioneel gebruik: de gebouwen dienen optimaal gebruikt te worden. Multifunctioneel gebruik leidt tot een hogere bezetting en daarmee een duurzaam gebruik van de gebouwen. Dit vraagt wel om aandacht over afspraken ten aanzien van; beheersvorm, eigendomsverhouding, samenwerkingsafspraken, exploitatie en financiële geldstromen. Dergelijke afspraken dienen te volgen uit de inhoudelijke afspraken die aan de samenwerking ten grondslag liggen. Gebouwgebruikers staan daarbij open voor gebruik van hun gebouw buiten hun eigen gebruikstijden.
5.
Locatie: Om als een ‘spil in de wijk of kern’ te functioneren zijn goede locaties voor scholen een belangrijke randvoorwaarde. Zo kan een school bijdragen aan het verbeteren van de kwaliteit van gebieden. Belangrijke thema’s bij een goede locatie zijn: bereikbaarheid, (verkeers-)veiligheid, voldoende buitenruimte, uitbreidingsmogelijkheden, voldoende parkeermogelijkheden en sociale veiligheid.
6.
Ruimte voor sport en bewegen: Daarbij gaat het niet alleen om de sporthallen en gymzalen, maar ook om ruimte voor bewegend leren in en om de scholen. Uitgangspunt voor het IHP Stichtse Vecht is dat minimaal twee van de drie lesuren voor bewegingsonderwijs in een goed uitgeruste gymzaal (of andere sportfaciliteit) in nabijheid van de school uitgevoerd kan worden.
3.3. Bouwsteen 2: Kwaliteit Deze bouwsteen geeft aan welke kwaliteitsambities de gemeente Stichtse Vecht en de schoolbesturen nastreven op het gebied van onderwijshuisvesting. 1.
2.
Optimum ‘Frisse Scholen’: Een schoolgebouw draagt bij aan de gezondheid van gebruikers. Kinderen moeten zich fijn voelen op school. Een gezond binnenklimaat is van zeer groot belang in de kwaliteit van een schoolgebouw. Ook een hoge verblijfskwaliteit draagt bij aan een gezond gebouw waar kinderen en leerkrachten graag zijn. Ten behoeve van de gezondheid (en algemene kwaliteit van een schoolgebouw) wordt gebruik gemaakt van de Frisse Scholen Klasse methodiek. Bij nieuwbouw, vernieuwbouw en renovatie zijn alle frisse scholen thema’s relevant lucht, licht, temperatuur, geluid en energie, waarbij bijzondere aandacht besteed wordt aan het binnenmilieu. De kracht ligt in de optimale afstemming en integratie van deze thema’s om te komen tot zo duurzaam mogelijke gebouwen. Deze duurzame gebouwen leiden tot een kwalitatief goed leef- en leerklimaat voor leerlingen en medewerkers. Het kwaliteitsadvies betreffende een optimale balans in Frisse Scholen Klasse is in bijlage II opgenomen. Onderwijskundige functionaliteit en flexibiliteit: de vernieuwde schoolgebouwen dienen de onderwijsconcepten goed te faciliteren, het gebouw dient aan de sluiten bij het onderwijsconcept van de school van dat moment en er wordt tevens ingezet op flexibiliteit (inspelen op de vernieuwing van het onderwijs en de concepten).
Daarnaast dienen ook andere functies in samenhang met onderwijs goed gefaciliteerd te worden. Denk aan kinderopvang of jeugdzorg, maar ook de verbinding met de wijk. Ook hier wordt gekeken naar flexibiliteit in multifunctioneel gebruik (zie bouwsteen 2.4 Multifunctioneel gebruik) en uitbreidingsmogelijkheden. Hierbij gaat het ook om transformatie-mogelijkheden (adaptief vermogen) van het vastgoed. Middels flexibiliteit moet het mogelijk zijn om evt. ruimtetekorten en ruimteoverschotten (incidenteel of structureel) op te lossen door de mogelijkheid van het op- en afschalen van gebouwdelen/ compartimenten.
Referentie: 1698501-0118.0.5.
Pagina 12 van 55
Naast de capaciteit zijn de afstand en veilige bereikbaarheid tot de sportfaciliteit relevant, omdat grote afstanden kunnen leiden tot verlies van onderwijstijd. Daarnaast dient er aandacht te zijn voor beweging buiten het bewegingsonderwijs. 7.
8.
Vanuit veiligheid wordt er rekening gehouden met het welzijn en de gezondheid van gebruikers van gebouwen en procespartners. Per project moet er aandacht zijn voor de veiligheid en gezondheid. Bij het realiseren, gebruiken en onderhouden van gebouwen worden de veiligheidsrisico’s verkleind en worden hiermee onveilige situaties en ongevallen voorkomen. Verkeersveiligheid: Met name voor scholen met een regiofunctie is de (verkeerskundig) goede bereikbaarheid essentieel. Dat geldt in het bijzonder voor zowel PO-scholen met een unieke denominatie (bijvoorbeeld Montessorionderwijs), als voor de VO-scholen en voor het gespecialiseerd onderwijs. Daarbij dient de bereikbaarheid via verschillende ‘vervoersmiddelen’ zoals met auto’s, fietsen of te voet op een veilige manier mogelijk te zijn. Door het clusteren van voorzieningen (onderwijs, bewegingsonderwijs, opvang etc.) wordt het aantal (externe) verkeersbewegingen door leerlingen/ouders verminderd en zo de verkeersveiligheid verbeterd.
3.4. Bouwsteen 3: Duurzaamheid Het streven van de gemeente Stichtse Vecht en de schoolbesturen is een scholenlandschap dat het milieu en de natuur minimaal belast. Het realiseren van duurzame schoolgebouwen is een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Daarbij wordt een brede definitie van duurzaamheid gehanteerd. Het begrip duurzaamheid wordt breder gedefinieerd dan energiebesparing en CO2-reductie. Duurzaamheid gaat ook over exploitatie verlagende maatregelen, Total Cost of Ownership (TCO), gezondheid, functionaliteit en betaalbaarheid. Het brede duurzaamheidsbegrip bestaat uit (in willekeurige volgorde): 1.
Aansluiten op doelstellingen gemeentelijk beleid en klimaatakkoord: Het IHP sluit aan op de doelstellingen die zijn geformuleerd in het landelijke klimaatakkoord en de sectorale routekaart: 50% CO2 reductie in 2030, en 95% CO2 reductie in
2050. Middels het IHP wil de gemeente invulling geven aan de verduurzamingsopgave voor het onderwijs. Het uitgangspunt is om bijna energie neutrale (BENG) schoolgebouwen te realiseren. Het streven is om de beschikbare middelen zo doelmatig mogelijk in te zetten om de doelstellingen te halen. Er wordt bij voorkeur op natuurlijke vervangingsmomenten geïnvesteerd: nieuwbouw en/ of vernieuwbouw. 2.
De gemeente en schoolbesturen zijn bereid vanuit Total Cost of Ownership mee te investeren in schoolgebouwen. Daarbij levert een schoolbestuur mogelijk een extra investering vanuit het gezamenlijk belang van extra kwaliteit en/ of optimale exploitatie om een nog functioneler en prettiger gebouw te realiseren. Eventuele investeringen door het schoolbestuur dienen altijd in lijn te zijn met regelgeving vanuit het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Total Cost of Ownership wordt benaderd vanuit voorbeeldfunctie, investering en jaarlasten van een gebouw. Daarbij dient rekening gehouden te worden met de beschikbare middelen van beide partijen en met het huidige investeringsverbod in het PO en gespecialiseerd onderwijs, artikel 148 WPO. In het VO is geen investeringsverbod. Vanaf ca. 2025 is het wetsvoorstel erop gericht het bestaande investeringsverbod op te heffen (zie bijlage I voor een aanvullende toelichting op de wetgeving). Hiermee ontstaat er voor de schoolbesturen een verantwoordelijkheid om verantwoord om te gaan met de beschikbare middelen en gedegen en logische afwegingen te maken m.b.t. de verdeling en de inzet van deze middelen. Zolang de WPO nog niet is aangepast geldt het huidige wettelijk investeringsverbod.
Naast financiële investeringen dient bij de realisatie van vernieuwbouw en nieuwbouw ook stilgestaan te worden bij passieve maatregelen die de kwaliteit van de huisvesting bevorderen. Er kan gedacht worden aan het bouwen van passieve gebouwen8 of het vergroenen van gebouwen en schoolpleinen om voor natuurlijke koeling te zorgen. De keuze binnen de mogelijke oplossingen dienen project specifiek in de uitwerking van het scenario (haalbaarheidsstudie) na vaststelling van het IHP onderzocht worden.
8 Bij passief bouwen wordt er uitgegaan van goede isolatie, kierdichting en daarmee een grote beperking van
warmteverlies en warmtebehoefte zonder het comfort in het binnenmilieu te beperken.
Referentie: 1698501-0118.0.5.
Pagina 13 van 55
3.
4.
5.
6.
Energieneutraliteit: Bij nieuwbouw, en waar mogelijk bij vernieuwbouw, is het minimale uitgangspunt het realiseren van bijna energie neutrale schoolgebouwen (BENG). Binnen de project specifieke businesscases wordt verkend of er mogelijkheden zijn om toe te werken naar energie neutrale schoolgebouwen; ENG (voor een toelichting op het verschil zie bijlage III). Waarbij gemeente en schoolbesturen afspraken maken over een mogelijk gezamenlijke investering hierin. Binnen de betreffende businesscases wordt specifiek aandacht besteed aan het toepassen van verschillende, en beschikbare, energiebronnen en de beschikbaarheid van aanwezige aansluitingen. Voorbeeldfunctie, materialisering en circulariteit: duurzame gebouwen en een duurzame omgeving dragen bij aan het duurzaamheidsbewustzijn van gebruikers (leerlingen, docenten etc.) en bewoners in de buurt door duurzaamheidsmaatregelen zichtbaar te maken. Ten aanzien van circulariteit wordt ernaar gestreefd, bewust om te gaan met de toegepaste materialen en indien (financieel) mogelijk gebruik te maken van natuurlijke, ecologisch vriendelijke en/of herbruikbare materialen. Daarbij is tevens het streven om nieuwe gebouwen met een compleet materialenpaspoort op te leveren en aandacht te hebben voor de herbruikbaarheid van de materialen aan het einde van de levensduur van het gebouw.
Groene en blauwe buitenruimte: De buitenruimte wordt zo verhard als nodig, maar ook zo groen en blauw als mogelijk vormgegeven. Groene en blauwe buitenruimten laten kinderen kennismaken met de natuurlijke elementen en hebben een verkoelende werking. Het plaatsen van elementen die het ‘bewegend leren’ en sportiviteit bevorderen worden daarnaast bewust ingezet. Naast het groen in de buitenruimte spelen onderwerpen als het bevorderen van biodiversiteit (b.v. door het plaatsen van verblijfplaatsen voor insecten en dieren) en waterbestendigheid (b.v. door regenwater- infiltratie) een belangrijke rol. Groene en blauwe buitenruimten kunnen zorgen voor verkoeling in stedelijke gebieden en absorptie voor geluid. Een goede toegankelijkheid van de buitenruimten voor kinderen is belangrijk.
schoolbesturen in staat om vanuit hun verantwoordelijkheid voor onderhoud en exploitatie te investeren in duurzaamheid en het binnenklimaat. Daarbij kan met name worden ingezet op duurzaamheidsmaatregelen waarbij de terugverdientijden de vervangingstermijn niet overschrijden. Zo gaan investeringen in duurzaamheid niet ten koste van middelen voor onderwijs. Ook kunnen schoolbesturen het binnenklimaat verbeteren, daarbij kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt van diverse subsidies. De tussentijdse verduurzaming en verbetering van schoolgebouwen is in principe een verantwoordelijkheid van de schoolbesturen, dit kan worden verwerkt in de meerjarige onderhoudsplanning van de gebouwen.
3.5. Bouwsteen 4: Capaciteit Deze bouwsteen geeft aan hoe om wordt gegaan met capaciteit van de onderwijshuisvesting in de gemeente Stichtse Vecht. Daarbij gaat het om een optimale afstemming tussen vraag en aanbod. 1.
Binnen de gemeente Stichtse Vecht is er voldoende onderwijsaanbod; er is een spreiding van onderwijsconcepten, denominaties en onderwijsniveaus over de gemeente, waarbij voorop staat dat Stichtse Vecht een aantrekkelijke gemeente voor iedereen wil zijn. De wens is dit te behouden en te versterken. De spreiding van het voortgezet onderwijs over de gemeente is daarbij een aandachtspunt in relatie tot ontwikkelingen binnen de randgemeente.
2.
Uitgangspunt is dat voor ieder kind een passende plek beschikbaar is. Voor het PO betekent dit dat kinderen dicht bij huis naar school kunnen gaan. In of nabij iedere wijk/ kern dient een school te zijn. Vanuit de gewenste keuzevrijheid hoeft dit niet te betekenen dat in iedere wijk/ kern een of meerdere denominaties aanwezig zijn. Scholen van het gespecialiseerd onderwijs en VO, maar ook scholen met een specifiek onderwijsconcept, hebben een regiofunctie. Deze scholen zijn niet gebonden aan een bepaalde plek binnen de gemeente.
Duurzaamheid in bestaande gebouwen. Door vaststelling van het IHP krijgen schoolbesturen zicht op de vervangingstermijnen van hun gebouwen. Dit stelt
Referentie: 1698501-0118.0.5.
Pagina 14 van 55
3.
Bij investeringen in schoolgebouwen gaan schoolbesturen en de gemeente in gesprek over de toekomstbestendigheid van de locatie. In de Stichtse Vecht is het beleidskader onderwijs van toepassing waarin een verschil wordt gemaakt tussen het verstedelijkt gebied en de kernen. De lokale opheffingsnorm heeft daarbij een signaalfunctie. In het PO is deze norm 159 leerlingen per school in voormalige gemeente Maarssen en 83 leerlingen per school in voormalige gemeente Loenen en Breukelen. De landelijke opheffingsnormen gelden voor het VO conform artikel 107 van de Wet op het Voortgezet onderwijs, deze verschillen per type onderwijs. In het geval gespecialiseerd onderwijs dient gekeken worden naar de daadwerkelijke en verwachte vraag en aanbod. Hierbij dient afstemming met het samenwerkingsverband gezocht te worden. Voor alle type onderwijs is een maatwerkbesluit nodig over de toekomstbestendigheid van een kleine school waarbij alle aspecten meegewogen worden (bijvoorbeeld laatste school van een denominatie of onderwijsconcept of enige school in een solitair gelegen kern). Een mogelijke oplossing voor de levensvatbaarheid van kleine scholen is het vormen van scholeneilanden of de gezamenlijke huisvesting van (kleine) scholen met maatschappelijke organisaties.
4.
De schoolbesturen streven naar een omvang van een school die past bij de vraag. Hiermee wordt bedoeld dat er geen ‘ideale’ schoolgrootte bestaat voor een school in de gemeente Stichtse Vecht. Het gaat niet zozeer om de omvang, maar om kwaliteit. Schoolbesturen maken daarbij zelf de afweging of de kwaliteit bij een bepaalde omvang gegarandeerd kan worden. Hierbij moet er rekening gehouden worden met het efficiënt gebruiken van ruimtes. Voor het PO is aangegeven dat de omvang ook afhankelijk is van het voedingsgebied (hoeveel kinderen wonen er in een wijk of kern). Binnen het verkennen van de scenario mogelijkheden wordt idealiter uitgegaan van één of twee leerlijnen (hiermee kan een school alle onderwijsondersteunende functies volwaardig invullen), tenzij de school onderdeel is van het maatwerkbesluit. Aangezien het VO vaak een regiofunctie heeft bepalen de vraag en de praktische organisatie van het onderwijs de ideale schoolgrootte. Bij voorkeur wordt de organisatie van het onderwijs ook afgestemd met concurrerende gemeenten in het VO. Voor het SBO is benoemd dat waar mogelijk gestreefd wordt naar inclusiever
Referentie: 1698501-0118.0.5.
en passend onderwijs, deze behoefte wordt ondersteund door het samenwerkingsverband Passenderwijs. Daarnaast wordt de spreiding in het speciaal onderwijs met name bepaald door het regionale aanbod. Bedrijfseconomische redenen worden in alle gevallen meegewogen. 5.
Het streven is een optimale afstemming tussen vraag en aanbod. Daarbij gaat het direct ook om het voorkomen van leegstand en ruimtetekorten bij scholen. Daarvoor zijn een aantal instrumenten geformuleerd (in willekeurige volgorde): a. Onderlinge volumeafspraken bij nieuwbouw. Hierbij gaat het om het maken van afspraken over het maximaal aantal te huisvesten leerlingen in de eigen school na nieuwbouw (maximale uitbreidingsbehoefte). Dit voorkomt dat door de aantrekkingskracht van nieuwbouw er leegstand ontstaat bij andere scholen. b. Verhuur of medegebruik van ruimten kan, na toestemming van de gemeente, een oplossing zijn voor een ruimteoverschot. Toestemming van de gemeente geldt als wettelijke voorwaarde bij verhuur van deze ruimte. Indien de ruimte ingezet wordt voor medegebruik door maatschappelijke organisaties dient dit alleen ter kennisgeving gecommuniceerd te worden met de gemeente. De inkomsten van schoolbesturen voor onderhoud en exploitatie zijn afhankelijk van het aantal kinderen. Bij leegstand moet een schoolbestuur met minder inkomsten, hetzelfde aantal vierkante meters onderhouden. Ook afstoten van leegstand kan een mogelijkheid zijn. c. Verwijzen is ook mogelijk. Dit betreft het in medegebruik geven van leegstand in een school aan een school met een ruimtetekort.
In het PO geven schoolbesturen aan deze situatie te willen voorkomen omdat het onderwijskundig minder wenselijk is, bijvoorbeeld wanneer er een doorgaande leerlijn is gecreëerd in bijvoorbeeld een Kindcentrum. Indien er wel wordt verwezen dient dit passend te zijn voor de specifieke situatie. De totale capaciteit van een schoolbestuur binnen het betreffende verzorgingsgebied is leidend. Hierbij wordt actief gekeken een logische en efficiënte verdeling van de leerlingen (d.m.v. doorverwijzen). Indien de totale capaciteit niet toereikend is wordt met gemeente en schoolbesturen gekeken naar mogelijke uitbreidingsmogelijkheden.
Pagina 15 van 55
3.6. Bouwsteen 5: Samenwerking Deze bouwsteen bespreekt de relatie van onderwijshuisvesting met andere voorzieningen. Daarbij wordt ingegaan op samenwerkingsmogelijkheden. 1.
Centrale gedachte: Bij alle vormen van samenwerking staat de volgende gedachte centraal: De maatschappij in de school, de school in de maatschappij. De eigen identiteit van scholen en het eigen onderwijsconcept zijn leidend in samenwerking. De gemeente streeft naar optimale samenwerking (met kinderopvang – IKCvorming) en mogelijke integratie van maatschappelijke partners (structureel of volgtijdelijk). De verschillende vormen en mogelijkheden dienen nadrukkelijk onderzocht te worden in de project specifieke businesscases.
2.
Samenwerking betekent dat scholen gebouwen delen met partners (bijvoorbeeld kinderopvang, jeugdzorg, (maatschappelijke) wijkvoorzieningen) en andere scholen. Samenwerking kan zowel inhoudelijk als gebouwelijk worden vormgegeven. De gebouwelijke samenwerking is volgend op de inhoudelijke samenwerking. Inhoudelijke samenwerking biedt voordelen op het gebied van kennisuitwisseling. Gebouwelijke samenwerking kan de inhoudelijke samenwerking faciliteren en exploitatievoordelen bieden (delen van ruimten).
3.
Er wordt ingezet op het behouden en uitbreiden van samenwerking tussen het PO en kinderopvang (kinderopvang en buitenschoolse opvang). Dit worden ook wel partners voor Kindcentra (KC) genoemd. De mate van samenwerking is afhankelijk van de visie van de school die zij op samenwerking met kinderopvang hebben. Daarbij wordt pedagogiek en didactiek op elkaar afgestemd: • De samenwerking tussen PO en KC-partners kunnen verschillende vormen aannemen. Er zijn verschillende manieren van integratie tussen onderwijs en kinderopvang. Er is ruimte om per project maatwerk te leveren, passend bij de lokale situatie (binnen de kaders van het Didam-arrest). • De gemeente is verantwoordelijk voor de Voorschoolse Educatie en legt deze verantwoordelijkheid (in aantal verplichte kindplaatsen) door naar de KCpartners. De gemeente zal met de partners hierop monitoren. • De basis voor een KC is het realiseren van een leerlijn van 2-12, het realiseren van opvang van 0-12 is ook mogelijk.
Referentie: 1698501-0118.0.5.
•
Het realiseren van kinderopvang voor 0-2-jarigen is afhankelijk van de behoefte van een wijk en de sociaal-maatschappelijke factoren. De gemeente en schoolbesturen wensen om de afspraken op het gebied van medegebruik en verhuur te actualiseren en na het IHP vast te leggen in beleidskaders. Dit betreft vraagstukken omtrent capaciteit (bijvoorbeeld het bieden van huurbescherming aan KC-partners), eigendomsverhoudingen, tariefstelling bij medegebruik en verhuur en financiering van de aanvangsinvestering. Dit in aanvulling en aansluiting op het principe dat een schoolgebouw na realisatie wordt overgedragen in eigendom aan het Schoolbestuur.
4.
Samenwerking PO en maatschappelijke partners: Er dient aandacht te zijn voor de samenwerking tussen PO en maatschappelijke partners. Er wordt door gemeente en schoolbesturen in het uitwerken van de projecten gezocht naar samenwerking tussen het PO en overige maatschappelijke partners die de onderwijs- en wijkbehoeften tegemoet kunnen komen, zoals bijvoorbeeld therapeuten, wijkteam, bibliotheek, jeugdhulp, sportorganisaties, culturele partners etc. Er wordt daarbij tegemoet gekomen aan de sociaal-maatschappelijke rol van een school voor de wijk/het dorp. Deze functie kan per wijk/dorp en per school anders worden ingevuld. Er is ruimte om per school maatwerk te leveren, passend bij de lokale situatie. Daarbij wordt actief erop ingezet de onderwijsgebouwen vanuit de maatschappelijke verantwoordelijkheid voor passende functies in de avonduren, weekenden of gedurende vakantieperiodes open te stellen. Dit vraagt om goede afspraken over beheer- onderhoud, exploitatie en verantwoordelijkheid voor het leegstandsrisico.
5.
Samenwerking PO en SBO: Ook de samenwerking tussen PO en gespecialiseerd onderwijs wordt proactief versterkt. Hierin dient aandacht te zijn voor het laten aansluiten van het SBO bij onderwijskundige ruimtebehoefte en flexibiliteit. De samenwerking dient daarnaast vanuit inhoudelijkheid benaderd te worden, hierin zijn de schoolbesturen leidend.
6.
Samenwerking PO en VO: Naar de toekomst zijn er mogelijkheden om de samenwerking tussen PO en VO in de gemeente op zowel inhoud als huisvesting
Pagina 16 van 55
te bevorderen. Deze verkenning wordt buiten het IHP gedaan, waarbij huisvesting volgend is op het onderwijs.
4. Analyse en Scenario Dit hoofdstuk behandelt de gehanteerde gegevens en methoden voor de analyse en scenario-ontwikkeling.
4.1. Leerlingenprognose De gehanteerde leerlingenprognoses zijn op basis van het rapport van Pronexus 2022. De prognoses geven een beeld van hoe de leerlingenaantallen zich in de komende jaren naar verwachting gaan ontwikkelen. Een compleet overzicht van de leerlingenprognoses is te vinden in bijlage IV. In het PO is vanaf 2024 tot 2043 een toename in het aantal leerlingen van circa 15% zichtbaar. De geprognosticeerde leerlingenaantallen in het VO blijven de komende jaren relatief stabiel. In 2043 wordt een totale stijging van ca. 10% verwacht. In het gespecialiseerd onderwijs wordt een lichte stijging in het aantal leerlingen verwacht. Opmerking: De gehanteerde leerlingenprognoses (Pronexus 2022) blijken in de realiteit achterhaald te zijn. Op dit moment geven de schoolbesturen aan dat het werkelijke aantal leerlingen (significant) afwijkt t.o.v. de prognoses. T.b.v. het opstellen van het IHP worden de prognoses gehanteerd. Wanneer de projecten daadwerkelijk in uitvoering treden dienen de dan geldende aantallen leerlingen per locatie onderzocht en vastgesteld te worden. De werkelijke telling (oktober 2023) is 7% lager dan de geprognosticeerde aantallen voor 2024. In 9 gevallen is de werkelijke telling hoger dan de prognoses. Het grootste verschil is te zien in het gespecialiseerd onderwijs; ca. 21% meer leerlingen cf. de oktober telling dan de prognoses.
Figuur 2: Ontwikkeling van geprognosticeerde leerlingenaantallen PO, VO, en gespecialiseerd onderwijs.
4.2. Capaciteitsanalyse Voor alle gebouwen is de beschikbare capaciteit voor het onderwijs geanalyseerd. De capaciteitsanalyse maakt een ruimtetekort of -overschot per gebouw inzichtelijk. De ruimtebehoefte van het onderwijs wordt bepaald door de leerlingentelling en de prognose te vertalen naar ruimtebehoefte (op basis van de criteria in de verordening). Deze ruimtebehoefte wordt vergeleken met het aantal vierkante meters dat beschikbaar is: de brutovloeroppervlakte (bvo). Een compleet overzicht van de capaciteitsanalyse is te vinden in bijlage V. Opmerking: dit is een genormeerde ruimtebehoefteberekening. In de praktijk zijn er efficiënte en minder efficiënte gebouwen. Wanneer een school bijvoorbeeld veel gangen heeft, of een grote aula, kan er een genormeerd ruimteoverschot zijn, terwijl dit niet zo wordt ervaren. Er is relatief immers minder effectieve onderwijsruimte. Ook wordt in de praktijk gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot medegebruik of verhuur van ruimten. In het IHP is vanwege het beleidsrijke karakter ruimte voor nuance op de resultaten uit deze ruimtebehoefteberekeningen. Naast het inzichtelijk maken van eventuele ruimtetekorten is de capaciteitsanalyse van belang omdat een eventueel ruimteoverschot de schoolbesturen geld kost voor exploitatie en onderhoud.
Schoolbesturen ontvangen een vergoeding voor materiële instandhouding op basis van het aantal leerlingen en niet op basis van het aantal m² in een school. Bovendien vormen ruimteoverschotten een risico voor de gemeente.
Referentie: 1698501-0118.0.5.
Pagina 17 van 55
Wanneer een gebouw geheel leeg komt te staan, zal de eigenaar (het schoolbestuur) dit terug willen geven aan de gemeente. Daarnaast dient de gemeente (op basis van de verordening) te voorzien in oplossingen voor ruimtetekorten, waarmee kan worden verwezen naar leegstand.
Figuur 5: Ontwikkeling van ruimtebehoefte vs. capaciteit voor het gespecialiseerd onderwijs (2024, cf. Pronexus 2022).
4.3. Quickscans Figuur 3: Ontwikkeling van ruimtebehoefte vs. capaciteit voor het PO (2024, cf. Pronexus 2022).
Op basis van de verordening is alleen de bouwkundige staat een formeel toetsingscriterium. Voor het IHP is het echter niet alleen de vraag of een pand een goed gebouw is, maar of een pand een goed schoolgebouw is. In de beoordeling van het gebouwenbestand is daarom naast de bouwkundige staat ook gekeken naar onderwijskundige functionaliteit, binnenmilieu, veiligheid, exploitatie en uitstraling van de schoolgebouwen. Dit zijn thema’s voor strategisch vastgoedbeleid.
Figuur 4: Ontwikkeling van ruimtebehoefte vs. capaciteit voor het VO (2024, cf. Pronexus 2022).
Figuur 6: Elementen van quickscan-beoordelingsmethodiek.
Referentie: 1698501-0118.0.5.
Pagina 18 van 55
Op basis van de door HEVO ontwikkelde ‘quickscan’ zijn alle gebouwen op deze criteria beoordeeld en voorzien van een gewogen score, die inzicht geeft in de vervangingstermijn. De score is tot stand gekomen aan de hand van bureaustudie van opgevraagde gebouwgegevens, een locatiebezoek en dialoog met schooldirecteur, schoolbesturen en gemeente. De totaalscore geeft op uniforme wijze richting aan de mate van urgentie tot een levensduurverlengende ingreep in relatie tot de gebouwkwaliteit: • Bij < 57 punten: binnen 0-5 jaar (rood). • Bij 57 - 63 punten: binnen 5-10 jaar (oranje). • Bij 63 - 69 punten: binnen 10-20 jaar (lichtgroen). • Bij 69 > punten: over meer dan 20 jaar (donkergroen).
Bouwjaar
QuickScan-Score
0
N.v.t.
De Klaroen (disloc. Tienhoven)
1984
N.v.t.
De Wegwijzer
1958
55,0
De Wilde Wingerd
1974
55,0
WereldKidz Bontenest
1986
55,0
WereldKidz Triangel
1984
55,5
SBO De Kristal
1984
56,0
Bijenschans
1953
56,0
Montessorischool 't Mozaiek (disloc. De Vleugel Nieuwegein)
1978
56,5
De Zilvermaan - Bloemstede (neven. Fazantenkamp)
1973
56,5
De Zilvermaan - Fazantenkamp
1977
56,5
OBS De Regenboog
1950
57,0
R.S.G. Broklede - HAVO / VWO
1964
57,5
Rientjes Mavo
1980
58,0
WereldKidz Fazantenkamp
1978
58,0
WereldKidz Duivenkamp
1975
58,5
De Kameleon - Kamelenspoor
1979
59,5
Niftarlake College 152 (disloc. Nifterlake College)
1980
59,5
Willibrordus
1961
60,5
J.C. van de Walschool
1984
60,5
School met de Bijbel
1969
61,5
Franciscusschool
1984
61,5
Niftarlake College
1993
61,5
Montessorischool Loenersloot
1986
62,5
De Schepershoek
1967
64,0
WereldKidz Kockenest
1988
65,0
4.4. Scholenlandschap
De Kameleon - Duivenkamp (disloc. Kamelenspoor)
1975
66,5
De diverse scenario’s worden onderbouwd aan de hand van de quickscanscores, de capaciteitsanalyse en overige afwegingscriteria. De huidige situatie is per wijk geïllustreerd in het scholenlandschap. De scholenlandschappen zijn te vinden in bijlage VI. De scenario’s en prioritering zijn tot stand gekomen in samenspraak met de schoolbesturen. Er wordt nog geen afweging gemaakt ten aanzien van (ver)nieuwbouw, renovatie of opheffing (c.q. samenvoeging). Dit vereist bij de uitvoering van het IHP per locatie een gedegen afweging middels haalbaarheidsonderzoeken.
St. Ludgerus
1983
67,0
Het Kompas (discloc.)
1990
68,0
WereldKidz Palet
1990
68,0
De Klaroen
1958
72,5
CSV Ridderhof
2009
76,0
Graaf Florisschool
2008
77,0
Podium
2008
77,0
De Verbinding (voorheen Flambouw)