1. BP Regels_NL.IMRO.1904.BPVerzamelpl2022SV-VG01.pdf
Tekst van het document
81
b.
c.
3. er geen archeologische waarden aanwezig zijn. Het overleggen van een archeologisch rapport als bedoeld onder a is niet vereist indien de aanvraag betrekking heeft op het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 21 lid 4.2 sub c. Het bepaalde onder b is niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op grond waarvoor eerder een omgevingsvergunning is afgegeven als bedoeld in artikel 21 lid 3.1 en/of het bepaalde onder a. Het bevoegd gezag kan in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld. artikel 21 lid 4.4 is hierbij van overeenkomstige toepassing.
21.4.4 Voorschriften Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21 lid 4.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorschriften verbinden: a. b.
c.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van opgravingen, door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en een door Burgemeester en Wethouders goedgekeurd archeologisch Programma van Eisen (PvE); de verplichting de uitvoering van de bouwwerkzaamheden die leiden tot bodemverstoring te laten begeleiden door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en een door Burgemeester en Wethouders goedgekeurd archeologisch Programma van Eisen (PvE).
21.4.5 Advies Het bevoegd gezag wint advies in van een door hen aan te wijzen deskundige, alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen. 21.5 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en Wethouders zijn bevoegd betreffende de dubbelbestemming ‘ Waarde - Archeologie 3’ de regels van het plan te wijzigen zodanig dat de dubbelbestemming naar ligging wordt verschoven of naar omvang wordt vergroot of verkleind en in voorkomend geval wordt verwijderd, voor zover de geconstateerde aanwezigheid of afwezigheid van archeologische waarden, in voorkomend geval na archeologisch onderzoek, daartoe aanleiding geeft.
82
Artikel 22 Waarde - Archeologie 4 22.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de aldaar in of op de grond aanwezige archeologische waarden. 22.2 Bouwregels 22.2.1 Algemeen Op de gronden met de bestemming Waarde - Archeologie 4 mogen geen bouwwerken worden gebouwd. 22.2.2 Uitzonderingen In afwijking van het bepaalde onder artikel 22 lid 2.1 zijn bouwwerken ten behoeve van de andere voor deze gronden aangewezen bestemmingen op de in artikel 22 lid 2.1 bedoelde gronden slechts toelaatbaar, indien: a. b. c. d. e.
het betreft: vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder het peil, niet wordt uitgebreid, of; een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden en zonder heiwerkzaamheden kan worden gerealiseerd, of; een bouwwerk waarbij de bodemverstoring niet meer dan 1.000 m² bedraagt; een bouwwerk dat tot 0,3 m diep kan worden gerealiseerd; bebouwing die nodig is voor archeologisch onderzoek met een maximale bouwhoogte van 3 m.
22.3 Afwijken van de bouwregels 22.3.1 Afwijking In afwijking van het bepaalde in artikel 22 lid 2 mogen gebouwen en bouwwerken en andere bouwwerkzaamheden, voor zover deze niet reeds vallen onder artikel 22 lid 2.2, volgens de andere daar voorkomende bestemming(en) gerealiseerd worden, mits op basis van het archeologisch rapport dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt ingediend en waaruit naar het oordeel van het bevoegd gezag blijkt dat: a. b. c.
archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld; archeologische waarden door het uitvoeren van bouwactiviteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud van die waarden; er geen archeologische waarden aanwezig zijn.
22.3.2 Omgevingsvergunning Aan de omgevingsvergunning als bedoeld onder artikel 22 lid 3.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorschriften verbinden: a. b.
c.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het laten doen van opgravingen door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en door Burgemeester en Wethouders goedgekeurd archeologisch Programma van Eisen (PvE); de verplichting de uitvoering van de bouwwerkzaamheden die leiden tot bodemverstoring te laten begeleiden door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en een door Burgemeester en Wethouders goedgekeurd archeologisch Programma van Eisen (PvE).
83
22.3.3 Advies Het bevoegd gezag wint advies in van een door hen aan te wijzen deskundige, alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen. 22.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 22.4.1 Verbod Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Waarde - Archeologie 4 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerkzaamheden zijnde, en werkzaamheden uit te voeren ongeacht het bepaalde bij de andere op deze gronden rustende bestemmingen: a.
b. c. d. e. f. g. h. i. j. k.
het ontgronden, afgraven (waaronder onder andere saneren), onderzuigen, egaliseren, verlagen, afplaggen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de landbodemstructuur, dieper dan 0,3 m beneden het maaiveld; het ontgronden, baggeren, afgraven (waaronder onder andere saneren), onderzuigen verlagen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de waterbodemstructuur; het graven, verbreden, verdiepen van watergangen en waterpartijen; het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen; het rooien van diepwortelende beplantingen en bomen, waarbij de stobben worden verwijderd; het aanleggen van drainage; het aanleggen van ondergrondse leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem; het uitvoeren van werkzaamheden ter verhoging of verlaging van de grondwaterstand; het verwijderen van fundamenten en het verwijderen en/of uittrekken van heipalen dieper dan 0,3 m beneden het maaiveld het ophogen van de bodem hoger dan 30 cm.
22.4.2 Uitzonderingen Het in artikel 22 lid 4.1 gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden: a. b. c. d. e. f. g. h.
in het kader van het normale beheer en onderhoud; in het kader van onderhoudsbaggerwerkzaamheden die aantoonbaar niet dieper dan in het recente verleden bereikte baggerdieptes; die een oppervlakte beslaan van niet meer dan 1.000 m²; die een oppervlakte beslaan van meer dan 1.000 m² maar waarbij de bodem niet dieper gaan dan 0,3 m beneden het maaiveld wordt geroerd; in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige; waarmee op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan: is begonnen, voor zover daarvoor tot dat tijdstip geen omgevingsvergunning was vereist; is of mag worden begonnen krachtens een verleende omgevingsvergunning.
22.4.3 Voorwaarden a.
In afwijking van het bepaalde in artikel 22 lid 4.1 kan een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, voor zover deze niet reeds vallen onder artikel 22 lid 4.2 uitgevoerd worden mits op basis van een archeologisch rapport, dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt ingediend, en naar het oordeel van het bevoegd gezag, blijkt dat: 1. archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld; 2. archeologisch waarden door het uitvoeren van bouwactiviteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud of ontwikkeling van die waarden;
84
b.
c.
3. er geen archeologische waarden aanwezig zijn. Het overleggen van een archeologisch rapport als bedoeld onder a is niet vereist indien de aanvraag betrekking heeft op het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 22 lid 4.2 sub c Het bepaalde onder b is niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op grond waarvoor eerder een omgevingsvergunning is afgegeven als bedoeld in artikel 22 lid 3.1 en/of het bepaalde onder a. Het bevoegd gezag kan in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld. artikel 22 lid 4.4 is hierbij van overeenkomstige toepassing.
22.4.4 Voorschriften Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22 lid 4.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorschriften verbinden: a. b.
c.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van opgravingen door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en een door Burgemeester en Wethouders goedgekeurd archeologisch Programma van Eisen (PvE); de verplichting de uitvoering van de bouwwerkzaamheden die leiden tot bodemverstoring te laten begeleiden door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en een door Burgemeester en Wethouders goedgekeurd archeologisch Programma van Eisen (PvE).
22.4.5 Advies Het bevoegd gezag wint advies in van een door hen aan te wijzen deskundige, alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen. 22.5 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en Wethouders zijn bevoegd betreffende de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 4’ de regels van het plan te wijzigen zodanig dat de dubbelbestemming naar ligging wordt verschoven of naar omvang wordt vergroot of verkleind en in voorkomend geval wordt verwijderd, voor zover de geconstateerde aanwezigheid of afwezigheid van archeologische waarden, in voorkomend geval na archeologisch onderzoek, daartoe aanleiding geeft.
85
Artikel 23 Waarde - Archeologie 5 23.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de aldaar in of op de grond aanwezige archeologische waarden. 23.2 Bouwregels 23.2.1 Algemeen Op de gronden met de bestemming Waarde - Archeologie 5 mogen geen bouwwerken worden gebouwd. 23.2.2 Uitzonderingen In afwijking van het bepaalde onder artikel 23 lid 2.1 zijn bouwwerken ten behoeve van de andere voor deze gronden aangewezen bestemmingen op de in artikel 23 lid 2.1 bedoelde gronden slechts toelaatbaar, indien: a. b. c. d. e.
het betreft: vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder het peil, niet wordt uitgebreid, of; een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden en zonder heiwerkzaamheden kan worden gerealiseerd, of; een bouwwerk waarbij de bodemverstoring niet meer dan 10 hectare bedraagt; een bouwwerk dat tot 0,3 m diep kan worden gerealiseerd; bebouwing die nodig is voor archeologisch onderzoek met een maximale bouwhoogte van 3 m.
23.3 Afwijken van de bouwregels 23.3.1 Afwijking In afwijking van het bepaalde in artikel 23 lid 2 mogen gebouwen en bouwwerken en andere bouwwerkzaamheden, voor zover deze niet reeds vallen onder artikel 23 lid 2.2, volgens de andere daar voorkomende bestemming(en) gerealiseerd worden, mits op basis van het archeologisch rapport dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt ingediend en waaruit naar het oordeel van het bevoegd gezag blijkt dat: a. b. c.
archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld; archeologische waarden door het uitvoeren van bouwactiviteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud van die waarden; er geen archeologische waarden aanwezig zijn.
23.3.2 Omgevingsvergunning Aan de omgevingsvergunning als bedoeld onder artikel 23 lid 3.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorschriften verbinden: a. b.
c.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het laten doen van opgravingen door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en door Burgemeester en Wethouders goedgekeurd archeologisch Programma van Eisen (PvE); de verplichting de uitvoering van de bouwwerkzaamheden die leiden tot bodemverstoring te laten begeleiden door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en een door Burgemeester en Wethouders goedgekeurd archeologisch Programma van Eisen (PvE).
86
23.3.3 Advies Het bevoegd gezag wint advies in van een door hen aan te wijzen deskundige, alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen. 23.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 23.4.1 Verbod Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Waarde - Archeologie 5 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerkzaamheden zijnde, en werkzaamheden uit te voeren ongeacht het bepaalde bij de andere op deze gronden rustende bestemmingen: a.
b. c. d. e. f. g. h. i. j. k.
het ontgronden, afgraven (waaronder onder andere saneren), onderzuigen, egaliseren, verlagen, afplaggen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de landbodemstructuur, dieper dan 0,3 m beneden het maaiveld; het ontgronden, baggeren, afgraven (waaronder onder andere saneren), onderzuigen verlagen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de waterbodemstructuur; het graven, verbreden, verdiepen van watergangen en waterpartijen; het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen; het rooien van diepwortelende beplantingen en bomen, waarbij de stobben worden verwijderd; het aanleggen van drainage; het aanleggen van ondergrondse leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem; het uitvoeren van werkzaamheden ter verhoging of verlaging van de grondwaterstand; het verwijderen van fundamenten en het verwijderen en/of uittrekken van heipalen dieper dan 0,3 m beneden het maaiveld het ophogen van de bodem hoger dan 0,3 m.
23.4.2 Uitzonderingen Het in artikel 23 lid 4.1 gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden: a. b. c. d. e. f. g. h.
in het kader van het normale beheer en onderhoud; in het kader van onderhoudsbaggerwerkzaamheden die aantoonbaar niet dieper dan in het recente verleden bereikte baggerdieptes; die een oppervlakte beslaan van niet meer dan 10 hectare; die een oppervlakte beslaan van meer dan 10 hectare maar waarbij de bodem niet dieper gaan dan 0,3 m beneden het maaiveld wordt geroerd; in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige; waarmee op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan: is begonnen, voor zover daarvoor tot dat tijdstip geen omgevingsvergunning was vereist; is of mag worden begonnen krachtens een verleende omgevingsvergunning.
23.4.3 Voorwaarden a.
In afwijking van het bepaalde in artikel 23 lid 4.1 kan een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, voor zover deze niet reeds vallen onder artikel 23 lid 4.2, uitgevoerd worden mits op basis van een archeologisch rapport, dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt ingediend, en naar het oordeel van het bevoegd gezag, blijkt dat: 1. archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld; 2. archeologisch waarden door het uitvoeren van bouwactiviteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud of ontwikkeling van die waarden;
87
b.
c.
3. er geen archeologische waarden aanwezig zijn. Het overleggen van een archeologisch rapport als bedoeld onder a is niet vereist indien de aanvraag betrekking heeft op het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 23 lid 4.2 sub c. Het bepaalde onder b is niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op grond waarvoor eerder een omgevingsvergunning is afgegeven als bedoeld in artikel 23 lid 3.1 en/of het bepaalde onder a. Het bevoegd gezag kan in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld. artikel 23 lid 4.4 is hierbij van overeenkomstige toepassing.
23.4.4 Voorschriften Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 23 lid 4.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorschriften verbinden: a. b.
c.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van opgravingen door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en een door Burgemeester en Wethouders goedgekeurd archeologisch Programma van Eisen (PvE); de verplichting de uitvoering van de bouwwerkzaamheden die leiden tot bodemverstoring te laten begeleiden door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en een door Burgemeester en Wethouders goedgekeurd archeologisch Programma van Eisen (PvE).
23.4.5 Advies Het bevoegd gezag wint advies in van een door hen aan te wijzen deskundige, alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen. 23.5 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en Wethouders zijn bevoegd betreffende de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 5’ de regels van het plan te wijzigen zodanig dat de dubbelbestemming naar ligging wordt verschoven of naar omvang wordt vergroot of verkleind en in voorkomend geval wordt verwijderd, voor zover de geconstateerde aanwezigheid of afwezigheid van archeologische waarden, in voorkomend geval na archeologisch onderzoek, daartoe aanleiding geeft.
88
Artikel 24 Waarde - Cultuurhistorie 1 24.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Cultuurhistorie 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de versterking van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. 24.2 Bouwregels Op de gronden met de bestemming Waarde - Cultuurhistorie 1 mag ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) en (bouw)regels uitsluitend worden gebouwd indien de betrokken waarden door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden gericht op het behoud van de ter plaatse aangeduide waarde; a. b.
Ter beoordeling van het bepaalde onder a wint het bevoegd gezag deskundig advies in; Het bepaalde onder a is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op gronden gelegen binnen bouwvlakken.
24.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 24.3.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Cultuurhistorie 1' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. b. c.
het uitvoeren van grondbewerkingen waartoe worden gerekend afgraven, egaliseren, ontginnen en ophogen; het verlagen of verhogen van het waterpeil; het planten, verwijderen, kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting.
24.3.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod Het verbod als bedoeld in artikel 24 lid 3.1 is niet van toepassing indien werkzaamheden: a. b. c. d. e.
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij artikel 24 lid 2 in acht genomen is; betrekking hebben op het herstel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie; behoren tot het normaal onderhoud en beheer; mogen worden uitgevoerd krachtens een op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan reeds verleende omgevingsvergunning; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan.
24.3.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning De werken en werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 24 lid 3.1 zijn slechts toelaatbaar, indien daardoor de aangeduide cultuurhistorische waarden niet onevenredig (kunnen) worden aangetast of hersteld.
89
Artikel 25 Waarde - Cultuurhistorie 3 25.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Cultuurhistorie 3' aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de versterking van de Stelling van Amsterdam. 25.2 Bouwregels a.
b. c.
Op de gronden met de bestemming Waarde - Cultuurhistorie 3 mag ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) en (bouw)regels uitsluitend worden gebouwd indien de betrokken waarden door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden gericht op het behoud van de ter plaatse aangeduide waarde; Ter beoordeling van het bepaalde onder a wint het bevoegd gezag deskundig advies in; Het bepaalde artikel 25 lid 2 sub a is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op gronden gelegen binnen bouwvlakken.
25.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 25.3.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Waarde - Cultuurhistorie 3 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. b. c.
het uitvoeren van grondbewerkingen waartoe worden gerekend afgraven, egaliseren, ontginnen en ophogen; het verlagen of verhogen van het waterpeil; het planten, verwijderen, kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting.
25.3.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod Het verbod als bedoeld in artikel 25 lid 3.1 is niet van toepassing indien werkzaamheden: a. b. c. d. e.
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij artikel 25 lid 2 in acht genomen is; betrekking hebben op herstel van de aanwezige cultuurhistorische waarden; behoren tot het normaal onderhoud en beheer; mogen worden uitgevoerd krachtens een op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan reeds verleende omgevingsvergunning; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan.
25.3.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning De werken en werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 25 lid 3.1 zijn slechts toelaatbaar, indien daardoor de aangeduide cultuurhistorische waarden niet onevenredig (kunnen) worden aangetast of hersteld.
90
Artikel 26 Waarde - Cultuurhistorie 4 26.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Cultuurhistorie 4' aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de versterking van de buitenplaatszone langs de Vecht. 26.2 Bouwregels a.
b. c.
Op de gronden met de bestemming Waarde - Cultuurhistorie 4 mag ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) en (bouw)regels uitsluitend worden gebouwd indien de betrokken waarden door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden gericht op het behoud van de ter plaatse aangeduide waarde; Ter beoordeling van het bepaalde onder a wint het bevoegd gezag deskundig advies in; Het bepaalde onder a is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op gronden gelegen binnen bouwvlakken.
26.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 26.3.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Waarde - Cultuurhistorie 4 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. b. c.
het uitvoeren van grondbewerkingen waartoe worden gerekend afgraven, egaliseren, ontginnen en ophogen; het verlagen of verhogen van het waterpeil; het planten, verwijderen, kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting.
26.3.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod Het verbod als bedoeld in artikel 26 lid 3.1 is niet van toepassing indien werkzaamheden: a. b. c. d. e.
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij artikel 26 lid 2 in acht genomen is; betrekking hebben op herstel van de aanwezige cultuurhistorische waarden; behoren tot het normaal onderhoud en beheer; mogen worden uitgevoerd krachtens een op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan reeds verleende omgevingsvergunning; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan.
26.3.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning De werken en werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 26 lid 3.1 zijn slechts toelaatbaar, indien daardoor de aangeduide cultuurhistorische waarden niet onevenredig (kunnen) worden aangetast of hersteld.
91
Artikel 27 Waarde - Ecologie 27.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Ecologie’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f. g. h.
behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden; de aanleg en instandhouding van een natte en/of droge ecologische verbindingszone; het behoud, versterking en ontwikkeling van natuurvriendelijke oevers; het behoud, versterking en ontwikkeling van de aanwezige ondiepe waterzone met de daarbij behorende ecologische en landschappelijke waarden; groenvoorzieningen en water; ondergeschikt agrarisch medegebruik; extensief recreatief medegebruik; overige functioneel met de bestemming 'Waarde - Ecologie’ verbonden voorzieningen, zoals informatiepanelen.
27.2 Bouwregels a. b.
Op of in deze gronden mogen uitsluitend terreinafscheidingen worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van 2 m; steigers mogen de ecologische waarde van de ecologische verbindingszone niet aantasten, daarom is verlichting niet toegestaan.
27.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan het realiseren van een steiger waarbij eisen gesteld kunnen worden aan: a. b. c. d.
de locatie en situering van de steiger; de maximale oppervlakte van de steiger; de ruimte tussen aan te brengen steigerplanken; het aanbrengen van extra palenrijen en/of beschoeiingen ten behoeve van verondiepingen voor waterplanten.
27.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 27.4.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming ‘Waarde - Ecologie’ zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden van het bevoegd gezag de volgende werken, voor zover geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. b. c. d. e.
het aanleggen of verharden van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren; het aanleggen van dijken of andere taluds en het vergraven of ontgraven van reeds aanwezige dijken of taluds; het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage; het verwijderen, kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting alsmede het verwijderen van oevervegetaties.
27.4.2 Uitzondering op het aanlegverbod Het verbod als bedoeld in artikel 27 lid 4 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:
92
a. b. c.
normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan; betrekking hebben op behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden.
27.4.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 27 lid 4.1 zijn slechts toelaatbaar, indien daardoor de natuur- en landschapswaarden zoals genoemd in artikel 27 lid 1 sub a niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast. 27.4.4 Advies Het bevoegd gezag kan uitsluitend vergunning verlenen als bedoeld in artikel 27 lid 4.1 na schriftelijk advies van een deskundige inzake de te beschermen waarden.
93
Artikel 28 Waarde - Landschap 1 28.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Landschap 1' aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en) en functieaanduiding(en), mede bestemd voor het behoud en de versterking van de daar aanwezig landschapswaarden. 28.2 Bouwregels 28.2.1 Algemeen a. b.
c.
Op de gronden met de bestemming ‘ Waarde - Landschap 1 ’ mag niet ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) en functieaanduiding(en) worden gebouwd. Deze gronden dienen niet te worden beschouwd als erf in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat artikel luidt op het moment van de datum van de inwerkingtreding van dit plan. Het bepaalde onder a en b, zijn niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op gronden gelegen binnen bouwvlakken.
28.2.2 afwijking van de bouwregels a.
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onderartikel 28 lid 2.1 sub a, ten behoeve van de andere daar voorkomende bestemming(en) en functieaanduiding(en), voor de volgende bouwwerken; 1. Erf- of perceelafscheidingen met een maximum bouwhoogte van 2 meter. 2. Overige bouwwerken, geen gebouw of overkappingen zijnde, met een maximum bouwhoogte van 3 meter. Uitgezonderd pergola's; deze hebben een maximum bouwhoogte van 2,5 meter.
28.2.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning a.
b. c.
De omgevingsvergunning met afwijking kan uitsluitend worden verleend indien: 1. de betrokken waarden door de bouwactiviteiten niet worden geschaad, of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden gericht op het behoud van de ter plaatse aangeduide waarde; 2. de bouwwerken, erf- of perceelafscheidingen ten dienste staan van de realisatie van bij dit bestemmingsplan horende inrichtingsplan, zoals aangegeven in tabel 30.1. Ter beoordeling van het bepaalde onder artikel 28 lid 2.3 sub a onder 1, wint het bevoegd gezag een deskundig schriftelijk advies in bij een door het college aangestelde, ter zake deskundige. Het bevoegd gezag verleent uitsluitend een omgevingsvergunning als: 1. het onder b genoemde deskundig schriftelijk advies, een positief advies betreft, of 2. de bouwwerken, erf- of perceelafscheidingen ten dienste staan van de realisatie van bij dit bestemmingsplan horende inrichtingsplan, zoals aangegeven in tabel 30.1.
Tabel 30.1: Bij de percelen horende inrichtingsplannen, zie bijlagen bij de regels Kanaaldijk Oost 8 & 9, Nigtevecht Bijlage 2 Spengen 2, Kockengen Bijlage 3 Vreelandseweg 27/27a, Loenen aan de Vecht Bijlage 4 Klompweg 74, 74a en 76, Nigtevecht Bijlage 5
94
28.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 28.3.1 Uitvoering zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming ‘Waarde - Landschap 1’ zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. b. c. d.
het uitvoeren van grondbewerkingen waartoe worden gerekend afgraven, egaliseren, ontginnen en ophogen; het verlagen of verhogen van het waterpeil; het planten, verwijderen, kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting; het aanbrengen van oppervlakteverhardingen met een oppervlakte van meer dan 25 m², met uitzondering van oppervlakteverhardingen ten behoeve van een oprit ter plaatse van de aanduiding “ontsluiting” en een parkeerterrein ter plaatse van de aanduiding “parkeerterrein”.
28.3.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod Het verbod als bedoeld in artikel 28 lid 3.1 is niet van toepassing indien werkzaamheden: a. b. c. d. e.
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij artikel 28 lid 2 in acht genomen is; betrekking hebben op herstel van de aanwezige cultuurhistorische waarden; behoren tot het normaal onderhoud en beheer; mogen worden uitgevoerd krachtens een op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan reeds verleende omgevingsvergunning; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan.
28.3.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning a.
b. c.
De werken en werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 28 lid 3.1 zijn slechts toelaatbaar, indien: 1. de cultuurhistorische, natuur- en/of landschapswaarden worden hersteld of niet onevenredig (kunnen) worden aangetast; 2. met een schriftelijk advies van een deskundige is aangetoond dat de cultuurhistorische waarden, natuur- en/of landschapswaarden niet worden geschaad of dat schade kan worden voorkomen; Ter beoordeling van het bepaalde onder artikel 28 lid 3.3 sub a onder 1 , wint het bevoegd gezag een deskundig schriftelijk advies in bij een door het college aangestelde, ter zake deskundige; Het bevoegd gezag verleent uitsluitend een vergunning als: 1. het onder b genoemde deskundig schriftelijk advies, een positief advies betreft, of; 2. de werken en werkzaamheden ten dienste staan van de realisatie van het bij het perceel horende inrichtingsplan, zoals aangegeven in tabel 30.1.
Tabel 30.1: Bij de percelen horende inrichtingsplannen, zie bijlagen bij de regels Kanaaldijk Oost 8 & 9, Nigtevecht Bijlage 2 Spengen 2, Kockengen Bijlage 3 Vreelandseweg 27/27a, Loenen aan de Vecht Bijlage 4 Klompweg 74, 74a en 76, Nigtevecht Bijlage 5
95
Artikel 29 Waarde - Landschap 2 29.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Landschap 2' aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en) en functieaanduiding(en), mede bestemd voor het behoud en de versterking van de daar aanwezig landschapswaarden. 29.2 Bouwregels 29.2.1 Algemeen a. b.
c.
Op de gronden met de bestemming ‘ Waarde - Landschap 2 ’ mag niet ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) en functieaanduiding(en) worden gebouwd. Deze gronden dienen niet te worden beschouwd als erf in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat artikel luidt op het moment van de datum van de inwerkingtreding van dit plan. Het bepaalde onder a en b, zijn niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op gronden gelegen binnen bouwvlakken.
29.2.2 Ontheffing van de bouwregels a.
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder artikel 29 lid 2.1 sub a artikel 28 lid 2.1 sub a, ten behoeve van de andere daar voorkomende bestemming(en) en functieaanduiding(en), voor de volgende bouwwerken; 1. Erf- of perceelafscheidingen met een maximum bouwhoogte van 2 meter. 2. Overige bouwwerken, geen gebouw of overkappingen zijnde, met een maximum bouwhoogte van 3 meter. Uitgezonderd pergola's; deze hebben een maximum bouwhoogte van 2,5 meter.
29.2.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning a.
b. c. d.
De omgevingsvergunning met afwijking kan uitsluitend worden verleend indien: 1. de betrokken waarden door de bouwactiviteiten niet worden geschaad, of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden gericht op het behoud van de ter plaatse aangeduide waarde; 2. de bouwwerken, erf- of perceelafscheidingen ten dienste staan van de realisatie van bij dit bestemmingsplan horende inrichtingsplan, zoals aangegeven in tabel 31.1. Ter beoordeling van het bepaalde onder artikel 29 lid 2.3 sub a onder 1, wint het bevoegd gezag een deskundig schriftelijk advies in bij een door het college aangestelde, ter zake deskundige. Het bevoegd gezag verleent uitsluitend een omgevingsvergunning als: 1. 2.
het onder b genoemde deskundig schriftelijk advies, een positief advies betreft, of de bouwwerken, erf- of perceelafscheidingen ten dienste staan van de realisatie van bij dit bestemmingsplan horende inrichtingsplan, zoals aangegeven in tabel 31.1.
Tabel 31.1: Bij de percelen horende inrichtingsplannen, zie bijlagen bij de regels Klompweg 74,74a en 76, Nigtevecht Bijlage 5 Lutgerslaan 13, Loenen aan de Vecht Bijlage 6
96
Artikel 30 Waterstaat - Waterkering 30.1 Bestemmingsomschrijving De voor Waterstaat - Waterkering aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen mede bestemd voor waterkering en de bijbehorende beschermingszone. 30.2 Bouwregels Op de gronden met de bestemming ‘Waterstaat - Waterkering’ mogen bouwwerken worden gebouwd, met dien verstande dat: a. b.
c. d.
uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen worden gebouwd, waarbij de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 m; in afwijking van het bepaalde onder a mogen bouwwerken ten behoeve van de andere voor deze gronden geldende bestemmingen worden gebouwd, indien en voor zover het belang van de waterkering hierdoor niet onevenredig wordt geschaad; ten behoeve van deze andere onderliggende bestemmingen mag worden gebouwd conform het bepaalde bij de betreffende bestemmingsbepalingen; het bevoegd gezag ter beoordeling van het bepaalde onder b. goedkeuring vragen aan de beheerder van de waterkering.
30.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 30.3.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op de in artikel 30 lid 1 bedoelde gronden de navolgende werken of werkzaamheden uit te voeren, te doen of laten uitvoeren, zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden van het bevoegd gezag: a. b. c.
het ophogen, egaliseren en ontginnen van gronden; het bodemverlagen of afgraven van gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning is vereist; het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,30 m, waartoe ook gerekend wordt woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen; d. het omzetten van grasland in bouwland; e. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd; f. het aanleggen van bos of boomgaard; g. verlagen van het waterpeil; h. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; i. het aanleggen of verwijderen van oeverbeschoeiingen; j. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie-, of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies; k. het aanbrengen van constructies, die verband houden met bovengrondse leidingen; l. het aanbrengen van diepwortelende beplanting; m. het graven, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren; n. alle overige werkzaamheden die de waterkering kunnen aantasten en die niet worden gerekend tot het normale gebruik van de waterkering. 30.3.2 Uitzonderingen Het verbod als bedoeld in artikel 30 lid 3.1 is niet van toepassing, indien de werkzaamheden: a. b.
behoren tot het normale onderhoud en beheer gericht op en noodzakelijk voor de instandhouding van de waterkering; uit een oogpunt van bescherming van de waterkering van niet ingrijpende betekenis zijn.
97
30.3.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning De werken en werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 30 lid 3.1 zijn slechts toelaatbaar, a.
b.
indien is gebleken dat de in dat lid genoemde werken of werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van de waterkering; de beheerder van de waterkering schriftelijke goedkeuring heeft verleend.
98
3 Algemene regels Artikel 31 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 32 Algemene bouwregels 32.1 Overschrijding bouwgrenzen De bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen in afwijking van aanduidingsgrenzen, aanduidingen en bestemmingsregels worden overschreden door: a.
b.
tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, kelderkoekoeken, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding ten hoogste 2,5 m bedraagt; andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding ten hoogste 1,5 m bedraagt.
32.2 Ondergronds bouwen Het bouwen van beneden het maaiveld gelegen ruimten is uitsluitend toegestaan onder gebouwen zoals deze ingevolge de bij de betreffende bestemming geldende bouwregels zijn toegestaan met dien verstande dat de verticale bouwdiepte niet meer dan 3,5 m mag bedragen beneden peil.
Artikel 33 Algemene gebruiksregels 33.1 Strijdig gebruik Het is verboden gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken in strijd met het plan: a.
Tot een gebruik van gronden en bouwwerken strijdig met het bestemmingsplan, worden in ieder geval verstaan het (laten) gebruiken: 1. als opslagplaats van (bouw)materialen, grond, bagger, afval, puin, grind, brandstoffen, (onderdelen van) onklare machines en naar aard gelijk te stellen materialen en/of grondstoffen; 2. als landings‐ of opstijgplaats voor helikopters en (ultralight)vliegtuigen; 3. voor het beproeven van voertuigen, voor het beoefenen van de auto‐ en motorsport en modelvliegtuigsport, voor het houden van wedstrijden met motorvoertuigen of bromfietsen; 4. voor het afmeren van woonschepen; 5. voor het afmeren van recreatievaartuigen; 6. voor het afmeren van beroepsvaartuigen en partyboten; 7. van een woning voor meer dan één huishouding; 8. van vrijstaande bijgebouwen en recreatiewoningen ten behoeve van (zelfstandige) bewoning; 9. voor bedrijvigheid als bedoeld in de Staat van bedrijfsactiviteiten, zie bijlagen bij de regels bijlage 1; 10. voor kamerverhuurbedrijf; 11. voor detailhandel; 12. voor seksinrichtingen;
99
b.
13. als standplaats voor onderkomens; 14. als uitstallings‐, opslag‐, stand‐ of ligplaats voor kampeer‐ en verblijfsmiddelen alsmede kampeerterrein; 15. van een auto- en caravanstalling ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfsmatige auto- en caravanstalling' voor onderhoud en reparatie van auto's en caravans. Onder strijdig gebruik als bedoeld in het vorige lid wordt niet verstaan: 1. vormen van gebruik die verenigbaar zijn met het doel waarvoor de betrokken grond ingevolge de bestemming(en), de daarbij behorende doeleindenomschrijving(en) en/of de overige regels mag worden gebruikt; 2. het afmeren van één recreatievaartuig van maximaal 12 m per woning en het afmeren van recreatievaartuigen waar dat ingevolge de aanduiding ‘specifieke vorm van water ‐ aanlegplaatsen’ is toegestaan.
33.2 Parkeren 33.2.1 Parkeernormen a.
b.
Een omgevingsvergunning voor het oprichten van gebouwen en bouwwerken ten dienste van de bestemming kan alleen worden verleend indien in, op of onder het gebouw dan wel op het onbebouwde terrein dat bij het gebouw hoort, in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien, conform de parkeernormen zoals opgenomen in het ‘Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan Stichtse Vecht 2013, deel B: Nota Parkeernormen, vastgesteld door de raad op 29 september 2015. Indien de nota niet voorziet in een parkeernorm voor een specifieke functie, stelt het bevoegd gezag een parkeernorm vast. Als de onder a bedoelde beleidsregels worden gewijzigd, wordt met die wijziging rekening gehouden.
33.2.2 Afwijken van de parkeernormen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 33 lid 2.1 indien: a. b.
aanpassing van het bouwplan om alsnog te kunnen voorzien in voldoende parkeerruimte redelijkerwijs niet kan worden verlangd; of op een andere wijze is of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid om de toename van de parkeerbehoefte op te vangen.
Artikel 34 Algemene aanduidingsregels 34.1 Karakteristiek bouwwerk 34.1.1 Vergunningplicht bij slopen en/of bouwen a. b.
Voor het geheel of gedeeltelijk slopen van bouwwerken met de aanduiding ‘karakteristiek’ is een omgevingsvergunning vereist; Voor het geheel of gedeeltelijk vernieuwen, veranderen en/of uitbreiden van bouwwerken met de aanduiding ‘karakteristiek’ is een omgevingsvergunning vereist.
34.1.2 Toetsingscriteria a.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 34 lid 1.1 sub a kan slechts worden verleend indien: 1. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de karakteristieke hoofdvorm van de bebouwing; 2. de karakteristieke hoofdvorm niet langer aanwezig is en niet zonder ingrijpende wijzigingen aan het gebouw kan worden hersteld; 3. de karakteristieke hoofdvorm in redelijkheid niet te handhaven is;
100