CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

1. BP Regels_NL.IMRO.1904.BPVerzamelpl2022SV-VG01.pdf

Raad 26 september 2023, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: 18.: Bestemmingplan 'Verzamelplan Stichtse Vecht'33.183 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

13.2.4 Woonschepen Ter plaatse van de aanduiding 'woonschepenligplaats' zijn uitsluitend woonschepen toegestaan die voldoen aan de volgende kenmerken: a. b. c.

de maximum lengte bedraagt 18,0 m; de maximum breedte bedraagt 6,0 m; de maximum goot- en boeiboordhoogte bedraagt 3,5 m;

56

d. e. f. g. h.

de maximum nokhoogte bedraagt 4,0 m; de maximum diepte van de omloop en de overstek bedraagt 0,8 m; de maximum diepte van de dakoverstek bedraagt 0,3 m; de minimum afstand tussen de opbouw van twee woonschepen bedraagt 5,0 m; voor woonschepen die worden vervangen gelden de maten zoals genoemd onder a. tot en met g., tenzij het bestaande woonschip deze maximale maten overschrijdt, dan mag dit woonschip worden vervangen door een woonschip waarbij de maatvoering van het bestaande woonschip wordt gehandhaafd, mits het waterschap hiermee instemt.

13.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kan nadere eisen stellen aan de situering, verschijningsvorm en afmetingen van steigers en afmeervoorzieningen: a. b. c.

ter versterking van de waterkwaliteit en kwantiteit van De Vecht; ter waarborging van de nautische veiligheid of doorvaarbaarheid van De Vecht; ter waarborging van landschappelijke, ecologische en cultuurhistorische belangen.

13.4 Afwijken van de bouwregels 13.4.1 Historische schepen Ter plaatse van de aanduiding ‘woonschepenligplaats’ kan bij omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in artikel 13 lid 2.4 indien een woonschip cultuurhistorische waarde heeft. Het cultuurhistorisch waardevolle woonschip dient te voldoen aan de volgende kenmerken: a. b.

c.

d.

het betreft een schip die is ingeschreven in het register van de Federatie Varend Erfgoed Nederland (FVEN) en in goede staat van onderhoud verkeert; het schip voldoet aan de volgende kenmerken: 1. lengte maximaal 30 m; 2. breedte maximaal 6 m; 3. goot- en boeiboordhoogte maximaal 4 m; 4. bouwhoogte maximaal 4,5 m; 5. diepte omloop en overstek maximaal 0,8 m; 6. diepte dakoverstek maximaal 0,3 m; 7. de minimum afstand tussen de opbouw van twee woonschepen bedraagt 5,0 m; geen onevenredige aantasting plaatsvindt van landschappelijke, ecologische en cultuurhistorische belangen, hiertoe moet een advies van een ter zake deskundige worden overlegt, waaruit blijkt dat de belangen niet worden aangetast c.q. in stand blijven; instemming is verkregen van het waterschap (Keur) en indien gelegen buiten het stedelijk gebied van de provincie Utrecht (Landschapsverordening).

13.4.2 Bij vervangen woonschip Ter plaatse van de aanduiding ‘woonschepenligplaats’ kan bij omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in artikel 13 lid 2.4 indien een woonschip dat langer is dan 18 m wordt vervangen door een woonschip dat korter is dan 18 m. Het vervangende woonschip dient dan te voldoen aan de volgende kenmerken: a. b. c. d. e. f. g. h.

lengte maximaal 18 m; breedte maximaal 6 m; goot- en boeiboordhoogte maximaal 4 m; nokhoogte maximaal 4,5 m; diepte omloop en overstek maximaal 0,8 m; diepte dakoverstek maximaal 0,3 m; de minimum afstand tussen de opbouw van twee woonschepen bedraagt 5,0 m; instemming is verkregen van het waterschap (Keur) en indien gelegen buiten het stedelijk gebied van de provincie Utrecht (Landschapsverordening).

57

13.4.3 (Af)meerpalen Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 13 lid 2.3 sub a onder 10 voor het realiseren van maximaal 4 (af)meerpalen ten behoeve van een woonschip en/of voor een maximale doorsnede van de (af)meerpaal van 0,50 m, mits instemming is verkregen van het waterschap (Keur). 13.5 Specifieke gebruiksregels 13.5.1 Algemene regels ligplaatsen (niet zijnde woonschepenligplaatsen) a. b.

ligplaatsen zijn in de lengterichting toegestaan tot maximaal 6,0 m gemeten vanuit de waterkant, mits de natuurwaarden langs de rivier Vecht in zijn totaliteit niet achteruit gaan; in aanvulling op het bepaalde in artikel 13 lid 5.1 sub a zijn ligplaatsen alleen toegestaan indien helemaal gelegen buiten de vaarstrook, waarbij: 1. de as van de watergang het middelpunt van de vaarstrook is, tenzij anders bepaald in de Keur; 2. de breedte van de vaarstrook ter plaatse zoveel bedraagt als in navolgende tabel is weergegeven:

Naam vaarweg Vecht (Muiden - Sluis 't Hemeltje) Vecht (Sluis 't Hemeltje - Mijndense Sluis, uitgezonderd Vecht bij Vreeland) Vecht bij Vreeland (Korenmolen De Ruiter - Van Leerbrug) Vecht (Mijndense Sluis - Weerdsluis) Kunstwerk Vechtsluis bij Maarssen (verbinding met Amsterdam Rijnkanaal) c.

d.

e. f.

Minimaal vrij te houden vaarstrook (m) 21,0 17,0 13,0 17,0 6,5

in aanvulling op het bepaalde in artikel 13 lid 1 sub a zijn vaartuigen en drijvende voorwerpen, aangemeerd op plaatsen waarbij één van de verkeerstekens E.5 tot en met E.7.1 van bijlage 7 bij het Binnenvaartpolitiereglement zijn geplaatst, toegestaan; in afwijking van het bepaalde in artikel 13 lid 1 sub a zijn ligplaatsen niet toegestaan binnen de rode oeverzones ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - rode oeverzone', met dien verstande dat; ligplaatsen ter plaatse van aangelegde wachtsteigers gebruikt mogen worden om ligplaats te nemen, te meren of te ankeren om te wachten tot de eerstvolgende brug of sluisbediening; ligplaatsen wel zijn toegestaan indien er ontheffing is afgegeven door het waterschap.

13.5.2 Aanvullende regels bewonersligplaatsen buiten stedelijk gebied Voor bewonersligplaatsen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water - landelijk gebied', geldt aanvullend dat: a. b.

c.

maximaal één open vaartuig met een maximum lengte van 7,0 m, mits passend binnen de breedte van het eigen erf, bij een direct aan het water gelegen erf mag worden aangelegd, voor appartementencomplexen c.q. woongebouwen het volgende geldt: 1. heeft een bewoner op de begane grond een erf tot aan het water, dan mag daar één bewonersligplaats worden gerealiseerd; 2. op datzelfde erf sprake is van een gedeelde woonomgeving tot aan het water, dan mag ook daar één bewonersligplaats worden gerealiseerd als collectieve voorziening voor bewoners die geen eigen erf hebben tot aan het water; 3. is er alleen sprake van een gedeelde woonomgeving op een erf tot aan het water, dan mag er in totaal slechts één bewonersligplaats worden gerealiseerd; het college van burgemeester en wethouders kan nadere eisen stellen aan de situering, verschijningsvorm en afmetingen van bewonersligplaatsen vanwege beeld kwalitatieve, cultuurhistorische, landschappelijke en/of ecologische belangen.

58

13.5.3 Aanvullende regels bezoekersligplaatsen Voor bezoekersligplaatsen geldt aanvullend dat: a.

b.

de maximale verblijfsduur 4 uur bedraagt tussen zonsopgang en zonsondergang met uitzondering van het afmeren bij een horecagelegenheid gedurende horeca openingstijden tot maximaal 01:00 uur. het college van burgemeester en wethouders kan nadere eisen stellen aan de situering, verschijningsvorm en afmetingen van bezoekersligplaatsen vanwege beeld kwalitatieve, cultuurhistorische, landschappelijke en/of ecologische belangen.

13.5.4 Aanvullende regels halteligplaats passagiersschepen Voor halteligplaatsen voor passagiersschepen geldt aanvullend dat: a.

de maximale verblijfsduur voor passagiersschepen 15 minuten bedraagt.

13.5.5 Aanvullende regels vaste ligplaats passagiersschepen Voor vaste ligplaatsen voor passagiersschepen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van watervaste ligplaats‘ geldt aanvullend dat: a.

b.

c. d.

het college ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water - vaste ligplaats passagiersvaart' vanwege de benodigde beschikbaarheid van parkeerplaatsen gespecificeerde uren en vaartijden kan aanwijzen waarop ligplaatsen gebruikt mogen worden om passagiers te laten opstappen en het schip te bevoorraden; in de sluis van Nieuwersluis binnen de aanduiding “specifieke vorm van water, vaste ligplaats passagiersschepen alleen passagiersschepen zijn toegestaan met een maximum lengte van 15 meter en een maximum kajuithoogte van 2,50 meter; er sprake is van een goede verkeersafwikkeling waaronder voldoende parkeerplaatsen, uitgaande van de regels in het gemeentelijke verkeer en vervoerplan of diens opvolger; het college van burgemeester en wethouders kan nadere eisen stellen aan de situering, verschijningsvorm en afmetingen van opstapligplaatsen passagiersschepen vanwege beeld kwalitatieve, cultuurhistorische, landschappelijke en/of ecologische belangen.

13.6 Afwijken van de gebruiksregels 13.6.1 Afwijkingsbevoegdheid meerdere ligplaatsen Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 13 lid 5.2 sub a, artikel 13 lid 5.2 sub b en meerdere ligplaatsen voor recreatievaartuigen toestaan bij een woonperceel of appartementencomplex onder voorwaarde dat: a. b. c. d. e.

f.

instemming is verkregen van het waterschap (Keur) en, indien gelegen buiten het stedelijk gebied van de provincie Utrecht (Landschapsverordening); de ligplaatsen ten dienste zijn van de bewoners van het betreffende perceel; de extra ligplaatsen passen binnen de breedte van het eigen erf; de extra ligplaatsen stedenbouwkundig en landschappelijk inpasbaar zijn; indien ligplaatsen niet evenwijdig aan de Vecht worden aangelegd hiervoor instemming is verkregen van het waterschap (Keur) waarbij in ieder geval geldt dat de boot die is afgemeerd niet is gelegen in de minimaal vrij te houden vaarstrook zoals bedoeld in de tabel inartikel 3 lid 5.1 sub b onder 2; de extra ligplaatsen geen onevenredige afbreuk doen aan ecologische, cultuurhistorische of landschappelijke waarden, hiertoe moet een advies van een ter zake deskundige kunnen overlegt worden, waaruit blijkt dat de waarden niet worden aangetast c.q. in stand blijven.

59

13.7 Wijzigingsbevoegdheid 13.7.1 Verleggen woonschepen ligplaatsen Burgemeester en wethouders kunnen met toepassing van artikel 3.6 Wet ruimtelijke ordening het plan wijzigen teneinde ten einde de aanduiding voor woonschepen ligplaatsen te verplaatsen, mits: a. b.

c. d. e. f.

het totaal aantal woonschepen niet toeneemt; uit milieu-, ecologisch-, landschappelijk en cultuurhistorisch oogpunt geen bezwaren bestaan tegen het verleggen van het woonschip en hiertoe een advies van een ter zake deskundige wordt overlegt waaruit blijkt dat de belangen en waarden niet worden aangetast c.q. in stand blijven; er sprake is van een goede verkeersafwikkeling waaronder voldoende parkeerplaatsen, uitgaande van de regels in het gemeentelijke verkeer en vervoerplan of diens opvolger; instemming is verkregen van het waterschap (Keur) en indien gelegen buiten het stedelijk gebied van de provincie Utrecht (Landschapsverordening). de oude ligplaats planologisch wordt weggenomen; het bepaalde in artikel 13 lid 2.4is van overeenkomstige toepassing.

60

Artikel 14 Wonen - 1 14.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.

b.

wonen, met dien verstande dat per bouwvlak niet meer dan één woning is toegestaan, tenzij ter plaatse van de maatvoeringsaanduiding 'maximum aantal wooneenheden' een afwijkend aantal woningen is aangegeven; aan huis gebonden beroepen, kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten en praktijkruimte.

14.2 Bouwregels 14.2.1 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. b. c.

hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak; ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' worden hoofdgebouwen uitsluitend grondgebonden en aaneen gebouwd; de maatvoering van een gebouw dient te voldoen aan de eisen die in de navolgende tabel zijn gesteld:

Functie van een gebouw Woning

Maximale goothoogte in m 6

Maximale bouwhoogte in m 9

Maximale inhoud in m³

Maximale oppervlakte in m²

600. uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek'

Dakhelling

minimaal 30° en maximaal 60°

14.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a.

b. c.

de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheiding voor de voorgevellijn van het hoofdgebouw niet meer dan 1 m mag bedragen; de bouwhoogte van vlaggenmasten mag niet meer bedragen dan 6 m; de bouwhoogte en oppervlakte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen niet meer bedragen dan respectievelijk 3 m en 10 m².

14.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen ter bevordering van de ruimtelijke kwaliteit en de stedenbouwkundige eenheid van de gebouwde omgeving nadere eisen stellen aan: a. b.

de plaats, positie, afmeting en nokrichting van bebouwing ten behoeve van een behoorlijke afstemming op de visuele en functionele kwaliteit van de aangrenzende openbare ruimte; de plaats, positie, afmeting en nokrichting van bebouwing ten behoeve van een behoorlijke afstemming op de gebruikswaarde van belendende panden en percelen, met betrekking tot bereikbaarheid, zichtbaarheid, uitzicht, belichting, bezonning en privacy.

Hierop van toepassing is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure uit de Algemene wet bestuursrecht.

61

14.4 Afwijken van de bouwregels 14.4.1 Hogere goothoogte gebouwen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 14 lid 2 ten behoeve van een hogere goothoogte van gebouwen, met dien verstande dat: a. b.

de goothoogte ten hoogste 6 m bedraagt; de bouw geen onevenredige afbreuk doet aan de ter plaatse aanwezige beeldkwaliteit zoals opgenomen in het geldende gemeentelijke beleid.

14.4.2 Inhoud woningen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 14 lid 2 ten behoeve van het vergroten van de maximale inhoud van woningen, mits voor iedere 50 m³ uitbreiding 100 m² aan legaal gebouwde bijgebouwen wordt gesloopt waarbij minimaal 50 m² aan bijgebouwen wordt behouden, met dien verstande dat de inhoud van woningen niet meer dan 750 m³ mag bedragen. 14.5 Specifieke gebruiksregels 14.5.1 Bed and breakfast Op het perceel dat op het moment van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan bekend staat als het kadastrale perceel ‘KKG00 sectie D, nummer 250’ mag één bed and breakfast in gebruik worden genomen met maximaal drie kamers en een maximale oppervlakte van 90 m2. 14.6 Afwijken van de gebruiksregels 14.6.1 Nevenactiviteiten / Beroep aan huis Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 14 lid 1 voor het uitoefenen van nevenactiviteiten, als ook voor ondergeschikte detailhandel en ondergeschikte horeca, tot een oppervlakte van maximaal 90 m², mits: a. b. c. d. e. f. g. h. i.

de nevenactiviteiten binnen bestaande hoofdgebouwen en bijgebouwen plaatsvinden; de bedrijfsactiviteiten beperkt blijven tot categorie 1 en 2; de nevenactiviteiten inpasbaar zijn binnen de ter plaatse voorkomende, dan wel de daaraan eigen cultuurhistorische, landschappelijke en de natuurwaarden; de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bebouwing niet onevenredig worden aangetast; geen opslag van goederen in de open lucht plaatsvindt; de hoeveelheid extra verkeer past bij de wegstructuur; het parkeren op eigen terrein plaatsvindt; maximaal één nevenactiviteit per bouwvlak is toegestaan; activiteiten uitsluitend binnen het bouwvlak (niet aangrenzend) zijn toegestaan.

62

Artikel 15 Wonen - 2 15.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘ Wonen - 2 ’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e.

wonen; hoofdgebouw, uitsluitend ter plaatse van de bouwaanduiding ‘hoofdgebouw’; bijgebouw(en), uitsluitend ter plaatse van de bouwaanduiding 'bijgebouwen'; aan huis gebonden beroep ter plaatse van de functieaanduiding 'beroep aan huis'; tuinen en erven;

15.2 Bouwregels 15.2.1 Algemeen Op de voor 'Wonen - 2' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd: a. b. c.

hoofdgebouwen; aan- en uitbouwen en bijgebouwen; bouwwerken, geen gebouwen zijnde

15.2.2 Hoofdgebouwen grondgebonden woningen Regels met betrekking tot hoofdgebouwen: a. b. c. d. e.

als hoofdgebouwen mogen uitsluitend woningen worden gebouwd; hoofdgebouwen en kelders zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’; hoofdgebouwen dienen met de voorgevel in de voorgevelrooilijn te worden opgericht; de maximale goot- en bouwhoogte is op de verbeelding weergegeven; bij toepassing van een kapconstructie bedraagt de dakhelling van hoofdgebouwen maximaal 60º, met dien verstande dat de op de verbeelding en in deze planregels aangegeven nokhoogte als maximum geldt.

15.2.3 aan- en uitbouwen en bijgebouwen Regels met betrekking tot aan- en uitbouwen en bijgebouwen: a. b. c.

bijgebouwen en kelders zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouwen’; de goothoogte van bijgebouwen mag niet meer dan 3,50 m bedragen; de bouwhoogte van bijgebouwen mag niet meer dan 6,00 m bedragen, danwel de ter plaatse van de aanduiding ‘maximale bouwhoogte (m)’ aangegeven bouwhoogte; d. de afstand van aan-/uitbouwen tot de achterste perceelsgrens mag niet minder dan 5,00 m bedragen; e. aan-/uitbouwen aan de achterzijde mogen niet breder zijn dan de betreffende achtergevel van het hoofdgebouw; f. aan-/uitbouwen aan de zijgevel mogen niet dieper zijn dan de betreffende zijgevel; g. de bouwhoogte van aan-/uitbouwen aan de zijgevel mag niet meer dan 6,00 m bedragen; h. aan-/uitbouwen aan de achterzijde mogen niet verder reiken dan 3,00 m buiten het bouwvlak hoofdgebouwen; i. de goothoogte van aan-/uitbouwen aan de achterzijde mag niet meer bedragen dan 3,50 m; j. de nokhoogte van aan-/uitbouwen aan de achterzijde mag niet meer bedragen dan 5,00 m; k. aan-/uitbouwen aan de voorzijde mogen de voorgevelrooilijn overschrijden, met dien verstande dat de diepte aan de voorzijde niet meer dan 1,25 m gerekend vanaf de voorgevel bedraagt; l. aan-/uitbouwen aan de voorzijde mogen niet breder zijn dan 50% van de breedte van de betreffende voorgevel; m. de goothoogte van aan-/uitbouwen aan de voorzijde mag niet meer bedragen dan 3,00 m; n.

de nokhoogte van aan-/uitbouwen aan de voorzijde mag niet meer bedragen dan 4,00 m;

63

o.

p.

de totale oppervlakte aan aan-/uitbouwen en vrijstaande bijgebouwen alsmede overkappingen en bouwwerken, geen gebouw zijnde mag niet meer bedragen dan 50 m², met dien verstande dat maximaal 50% van het bouwvlak bijgebouwen mag worden bebouwd; in afwijking op het bepaalde in dit lid onder o mag ter plaatse van de aanduiding ‘maximum bebouwd oppervlak (m²)’ een bijgebouw met een extra oppervlakte van 75 m² worden gebouwd.

15.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Regels met betrekking tot bouwwerken, geen gebouwen zijnde: a. b.

de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag maximaal 2,50 m bedragen de hoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag maximaal 1,00 m bedragen.

15.2.5 Voorwaardelijke verplichting voor het bouwen van een bijgebouw Het bouwen van een gebouw ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - gevelwering’ is uitsluitend toegestaan, indien de volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering van de gevels (uitwendige scheidingsconstructies) zodanig is dat de binnenwaarde vanwege de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai ten hoogste 33 dB bedraagt. 15.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen, ten behoeve van: a. b. c. d. e. f.

de woonsituatie; het straat- en bebouwingsbeeld; de verkeersveiligheid; de sociale veiligheid; de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen; het stedenbouwkundig beeld;

nadere eisen stellen aan: g. h. i.

situering en de afmetingen van de gebouwen; de situering en afmetingen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde; de situering van in- en uitritten, groen- en speelvoorzieningen.

15.4 Afwijken van de bouwregels 15.4.1 Overschrijdingen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 15 lid 2.2 ten behoeve van: a.

de genoemde maten, aantallen en percentages, mits de afwijking niet meer bedraagt dan 10% en de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad en het stedenbouwkundig beeld en de ruimtelijke kwaliteit niet onevenredig wordt aangetast.

15.4.2 Voorwaarden Bij het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 15 lid 4.1 dient het onderstaande in acht te worden genomen: a. b. c.

de belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad; er mogen geen onevenredig nadelige gevolgen voor het woonmilieu ter plaatse ontstaan of kunnen ontstaan; er mag geen afbreuk worden gedaan aan het woonkarakter van de buurt;

64

d. e.

de parkeerbalans in de directe woonomgeving mag niet onevenredig nadelig worden of kunnen worden beïnvloed; aan het stedenbouwkundig beeld en aan de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse mag geen afbreuk worden gedaan.

15.5 Specifieke gebruiksregels a.

b.

Tot een met de bestemming strijdig gebruik als bedoeld in artikel 7.10 Wro, wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden anders dan het toegestane gebruik op grond van het bepaalde in Wonen - 2, meer in het bijzonder als: 1. het gebruik van een bijgebouw voor bewoning; 2. het gebruik als zwembad. In overeenstemming met de bestemming wordt geacht het gebruik van een bijgebouw ter plaatse van de functieaanduiding 'aan huis gebonden beroep' voor een aan huis gebonden beroep, met dien verstande dat: 1. de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft; 2. geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woonmilieu ontstaan of kunnen ontstaan; 3. de toegang van bezoek aan het plangebied gebeurt via perceel Loenen, sectie B, nummer 1603, lokaal bekend als Lutgerslaan 13 te Loenen aan de Vecht.

65

Artikel 16 Wonen - 3 16.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Wonen - 3’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.

het wonen, al dan niet in combinatie met ruimte voor de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep/bedrijf;

met daarbij horende: b. c. d. e. f.

erven; toegangspaden tot gebouwen en in- en uitritten; parkeervoorzieningen; groenvoorzieningen en water; overige functioneel met de bestemming ‘Wonen - 3’ verbonden voorzieningen.

16.2 Bouwregels 16.2.1 Hoofdgebouwen Op de in artikel 16 lid 1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de genoemde bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat: a. b. c. d. e.

hoofdgebouwen uitsluitend mogen binnen het bouwvlak worden gebouwd; het aantal woningen per bouwvlak niet meer bedraagt dan één; de inhoud van een woning niet meer dan 600 m³ bedraagt; de goothoogte niet meer bedraagt dan 6 m; de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 11 m.

16.2.2 Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bouwregels: a. b. c. d. e. f.

bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; bijbehorende bouwwerken op het zijerf mogen op niet minder dan 1 m achter de voorgevelrooilijn worden gebouwd; de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 150 m² per woning; de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken bedraagt niet meer dan 50% van de oppervlakte van het aansluitend aan de woning gelegen erf; de goot- en bouwhoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken bedraagt niet meer dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw, vermeerderd met 0,30 m; Vrijstaande bijbehorende bouwwerken hoger dan 3 m worden voorzien van een schuin dak, met dien verstande dat: 1. de goothoogte niet meer bedraagt dan 3 m; 2. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 6 m;

16.2.3 Overige bouwwerken Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. b. c.

de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw bedraagt niet meer dan 1 m; de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw bedraagt niet meer dan 2 m; de bouwhoogte van overige bouwwerken bedraagt niet meer dan 3 m.

66

16.2.4 Kelders Voor het bouwen van kelders gelden de volgende regels: a. b. c.

kelders mogen uitsluitend onder een hoofdgebouw worden gebouwd; de verticale diepte van kelders bedraagt maximaal 3,5 m beneden peil; kelders mogen niet worden voorzien van een dakraam of lichtkoepel;

16.3 Nadere eisen 16.3.1 Plaats en afmeting bebouwing Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing: a. b. c. d. e. f.

ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; ter voorkoming van onevenredige aantasting van de parkeermogelijkheden in de naaste omgeving; ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving; ter waarborging van de verkeersveiligheid; ter waarborging van de sociale veiligheid; ter waarborging van de brandveiligheid en rampenbestrijding.

16.4 Afwijken van de bouwregels 16.4.1 Ten behoeve van woningen a.

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 16 lid 2.1 sub c ten behoeve van de maximale inhoudsmaat van woningen, indien het een woning betreft die onderdeel uitmaakt van een groter hoofdgebouw en de afmetingen van dit hoofdgebouw in geen enkel opzicht worden uitgebreid.

16.5 Specifieke gebruiksregels 16.5.1 Strijdig gebruik Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt in ieder geval begrepen: a.

b.

de vloeroppervlakte ten behoeve van een aan-huis-verbonden beroep dan wel bedrijfsmatige activiteiten bedraagt ten hoogste 33% van de maximaal toegestane bebouwing met een maximum van 50 m², horeca en detailhandel is hierbij niet toegestaan; commercieel kamerverhuur.

16.5.2 Mantelzorg Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in gebruik nemen (van een deel) van het hoofdgebouw of de bijbehorende bouwwerken ten behoeve van mantelzorg mits: a.

b. c. d. e. f.

de mantelzorg noodzakelijk is en dat blijkt uit een medische of sociale indicatie. Indien er sprake is van een ouder-kindrelatie waarbij de ouder(s) 65 jaar of ouder is (zijn) is geen medische of sociale indicatie noodzakelijk; het hoofdgebouw en de bijbehorende bouwwerken bereikbaar is en blijft voor hulpdiensten; geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven; de oppervlakte welke wordt gebruikt voor mantelzorg niet meer bedraagt dan 120 m2. Het bevoegd gezag kan de onder a bedoelde omgevingsvergunning intrekken na beëindiging van de mantelzorg. Na het intrekken van de omgevingsvergunning, zoals bedoeld onder b, is degene aan wie de omgevingsvergunning was verleend of diens rechtsopvolger, en indien sprake was van afhankelijke woonruimte, verplicht de als dan strijdige situatie te zijner keuze hetzij in de vorige toestand te herstellen, hetzij met het bestemmingsplan in overeenstemming te brengen.

67

16.5.3 Voorwaardelijke verplichting flora en fauna a.

b.

Het slopen van (voormalige) agrarische bedrijfsbebouwing en het verwijderen van houtige opstand dient buiten het broedseizoen (15 maart – 15 juli) van relevante algemene vogelsoorten uitgevoerd te worden, zodat schade aan algemene broedvogels wordt uitgesloten. Vóór het slopen van de (voormalige) agrarische bebouwing dient beoordeeld te zijn of de gebouwen gebruikt worden als verblijfplaats voor vleermuizen.

16.6 Afwijken van de gebruiksregels 16.6.1 Nevenactiviteiten / beroep aan huis Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 16 lid 1 voor het uitoefenen van één nevenfunctie zoals opgenomen in tabel 18.1, alsmede een naar aard en omvang daaraan gelijk te stellen nevenfunctie, met dien verstande dat: a. b. c. d. e. f. g. h. i. j. k.

maximaal één nevenactiviteit per woning is toegestaan met een maximaal toegestane oppervlakte zoals opgenomen in tabel 18.1; de nevenactiviteit binnen bestaande hoofdgebouwen en bijgebouwen plaatsvindt; de nevenactiviteit uitsluitend binnen het bouwvlak (niet aangrenzend) is toegestaan; de nevenactiviteit beperkt blijft tot de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten en de activiteit milieuhygiënisch inpasbaar zijn; ondergeschikte horeca of ondergeschikte detailhandel is toegestaan; de nevenactiviteit inpasbaar is binnen de ter plaatse voorkomende, dan wel de daaraan eigen landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden; de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bebouwing niet onevenredig worden aangetast; de publieks- en/of verkeersaantrekkende werking van de nevenfunctie in verhouding staat tot de capaciteit van de betrokken wegen; parkeren op eigen terrein plaatsvindt; buitenopslag van goederen niet is toegestaan; het uitoefenen van de nevenfunctie mag door visuele aspecten, zoals maar niet uitsluitend, buitenopslag en –stalling, reclame-uitingen en technische installaties, het woon-karakter niet onevenredig aantasten; ter bewerkstelliging van een redelijke visuele inpassing hiervan kunnen nadere eisen worden gesteld betreffende de situering, afscherming door beplanting of anderszins;

68

Tabel 16.1 Toegestane nevenfunctie naast hoofdfunctie wonen waarvoor het bevoegd gezag met een omgevingsvergunning kan afwijken: nevenfunctie wonen maximaal toegestane aantal m2 onbebouwde/bebouwde grond aan huis gebonden bedrijf/beroep bebouwd 70 m2 ambachtelijke bedrijvigheid (handmatig) bebouwd 70 m2 cursuscentrum, vergaderaccommodatie bebouwd 200 m2 atelier bebouwd 70 m2 kapsalon bebouwd 70 m2 hondentrimsalon bebouwd 70 m2 schoonheidssalon bebouwd 100 m2 kinder-/dagopvang bebouwd 70 m2 (para)medische praktijk bebouwd 70 m2 dierenarts bebouwd 100 m2 verkoop aan huis (streekeigen producten) bebouwd 70 m2 wijn-, kaas- of ijsmakerij bebouwd 70 m2 theetuin bebouwd 70 m2 onbebouwd 200 m2 bed and breakfast* bebouwd 200 m2 *voor

bed

and

breakfast

gelden

de

volgende

aanvullende

maximaal 4 slaapkamers en maximaal één gezamenlijke keuken;

▪ ▪ ▪

bed and breakfast vindt uitsluitend plaats in voormalige (karakteristieke) agrarische bebouwing, dichtbij of in de woning; de karakteristieke bebouwing dan wel het karakteristieke ensemble wordt behouden; permanente bewoning van de bed and breakfast-gelegenheid is niet toegestaan.

69

regels:

Artikel 17 Wonen - 4 17.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Wonen - 4’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b.

het wonen, al dan niet in combinatie met ruimte voor de uitoefening van aan-huis-verbonden beroepen dan wel bedrijfsmatige activiteiten aan huis; uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen - bedrijfsmatige auto- en caravanstalling’ is een bedrijfsmatige auto- en caravanstalling toegestaan.

met de daarbij behorende: c. d. e. f. g.

erven; toegangspaden tot gebouwen en in- en uitritten; parkeervoorzieningen; groenvoorzieningen en water; overige functioneel met de bestemming 'Wonen - 4' verbonden voorzieningen.

17.2 Bouwregels Op de in artikel 17 lid 1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat: a. b. c. d.

hoofdgebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak gebouwd mogen worden; de afstand tussen bij de woning behorende bijgebouwen en de voorgevelrooilijn van de woning ten minste 1 m bedraagt; de afstand van de gebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens ten minste 2 m bedraagt; overigens geldt het volgende:

woning (inclusief aanen uitbouwen en overkappingen)

max. aantal per bouwvlak één, tenzij anders met een aanduiding aangegeven

bijbehorende bouwwerken bij de woning op de gronden zonder de aanduiding 'specifieke vorm van wonen bedrijfsmatige autoen caravanstalling' ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen bedrijfsmatige autoen caravanstalling' pergola's overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde

max. inhoud

max. oppervlak

600 m³

als bestaand

50% van de oppervlakte van het bij de woning behorende erf met een maximum van 50 m² ** als bestaand

max. goothoogte

max. bouwhoogte

4,5 m

10 m

3m*

5m

als bestaand

als bestaand

2,7 m 2m

* Indien noodzakelijk voor een goede agrarische bedrijfsvoering. **tenzij middels de aanduiding 'maximum oppervlakte bijgebouwen' anders is aangegeven.

70

17.3 Afwijken van de bouwregels 17.3.1 Ten behoeve van de goothoogte van gebouwen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 17 lid 2 sub d ten behoeve van een hogere goothoogte van gebouwen, met dien verstande dat: a. b.

de goothoogte ten hoogste 6 m bedraagt; de bouw geen onevenredige afbreuk doet aan de ter plaatse aanwezige beeldkwaliteit.

17.3.2 Ten behoeve van de vergroting van het gezamenlijk grondoppervlak van erfbebouwing Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 17 lid 2 sub d ten behoeve van het vergroten van het gezamenlijk grondoppervlak aan erfbebouwing tot 80 m², met dien verstande dat de gezamenlijke oppervlakte van erfbebouwing niet meer dan 50% van de oppervlakte van het aansluitend aan de woning gelegen erf bedraagt. 17.3.3 Ten behoeve van de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 17 lid 2 sub c ten behoeve van een kortere afstand tot de perceelsgrens, dan wel te bouwen op de perceelsgrens. 17.4 Specifieke gebruiksregels Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels: a. b. c. d.

het africhten of trainen van paarden of het uitoefenen van de paardensport in een paardenbak is niet toegestaan; een woning is bedoeld voor één huishouding; een kamerverhuurbedrijf is niet toegestaan; het in gebruik nemen (van een deel) van het hoofdgebouw of de bijbehorende bouwwerken ten behoeve van mantelzorg is niet toegestaan; de vloeroppervlakte ten behoeve van een aan-huis-verbonden beroep dan wel bedrijfsmatige activiteiten bedraagt ten hoogste 33% van de maximaal toegestane bebouwing met een maximum van 50 m² tenzij anders is aangegeven middels de maatvoeringsaanduiding 'maximum oppervlakte aan-huis-verbonden beroepen en bedrijfsmatige activiteiten'; in het kader van deze activiteiten is geen horeca en detailhandel toegestaan.

17.5 Afwijken van de gebruiksregels 17.5.1 Ten behoeve van paardenbakken en het africhten of trainen of het uitoefenen van de paardensport in een paardenbak Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 17 lid 2 sub a teneinde bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toe te staan voor het africhten of trainen van paarden of het uitoefenen van de paardensport in een paardenbak, met dien verstande dat: a. b. c. d. e. f. g. h.

i. j.

de oppervlakte van een paardenbak ten hoogste 800 m² bedraagt; de oppervlakte van het totale aansluitende, in eigendom zijnde, perceel ten minste 2.000 m² bedraagt; de paardenbak gesitueerd wordt achter de achtergevel van de woning of het verlengde hiervan; er per bouwperceel ten hoogste één paardenbak is toegestaan; de activiteit geen bedrijfsmatige activiteit betreft; het aantal paarden of pony's ten hoogste 5 bedraagt; de afstand van de paardenbak tot de woning op het eigen bouwperceel ten hoogste 50 m bedraagt; de afstand tussen een paardenbak en een woning van derden ten minste 50 m bedraagt, tenzij deze afstand niet mogelijk is in welk geval de afstand ten minste 25 m bedraagt, mits door middel van te treffen maatregelen geen hinder is te verwachten voor omwonenden; er geen lichtmasten gerealiseerd mogen worden; de bouwhoogte van omheiningen niet meer dan 1,5 m mag bedragen.

71

17.5.2 Mantelzorg Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in gebruik nemen (van een deel) van het hoofdgebouw of de bijbehorende bouwwerken ten behoeve van mantelzorg mits: a.

b. c. d. e. f.

de mantelzorg noodzakelijk is en dat blijkt uit een medische of sociale indicatie. Indien er sprake is van een ouder-kindrelatie waarbij de ouder(s) 65 jaar of ouder is (zijn) is geen medische of sociale indicatie noodzakelijk; het hoofdgebouw en de bijbehorende bouwwerken bereikbaar is en blijft voor hulpdiensten; geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven; de oppervlakte welke wordt gebruikt voor mantelzorg niet meer bedraagt dan 80 m². Het bevoegd gezag kan de onder a bedoelde omgevingsvergunning intrekken na beëindiging van de mantelzorg. Na het intrekken van de omgevingsvergunning, zoals bedoeld onder b, is degene aan wie de omgevingsvergunning was verleend of diens rechtsopvolger, en indien sprake was van afhankelijke woonruimte, verplicht de als dan strijdige situatie te zijner keuze hetzij in de vorige toestand te herstellen, hetzij met het bestemmingsplan in overeenstemming te brengen.

72

Artikel 18 Leiding - Riool 18.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Leiding - Riool' aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en) mede bestemd voor een afvalwaterpersleiding. 18.2 Bouwregels a.

b.

In afwijking van het bepaalde bij de andere voor die gronden voorkomende bestemming(en) mogen uitsluitend bouwwerken geen gebouwen zijnde ten dienste van de bestemming ‘Leiding Riool’ worden gebouwd met een bouwhoogte van 3 m. In afwijking van het bepaalde onder a mag op de gronden met de bestemming ‘Leiding - Riool’ ten behoeve van de andere voor die gronden voorkomende bestemming(en) worden gebouwd indien de leidingbeheerder heeft aangegeven dat hierbij voldoende rekening wordt gehouden met de belangen van de leidingen.

18.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 18.3.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming ‘Leiding’ zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. b. c. d.

het planten van diepwortelende beplantingen of bomen; het uitvoeren van heiwerkzaamheden of op een andere manier ingraven of indrijven van voorwerpen; het uitvoeren van grondwerkzaamheden; het aanbrengen van oppervlakteverhardingen.

18.3.2 Uitzondering op het aanlegverbod Het verbod als bedoeld in artikel 18 lid 3.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. b.

normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

18.3.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 18 lid 3.1 zijn slechts toelaatbaar, indien het leidingbelang daardoor niet onevenredig wordt geschaad.

18.3.4 Advies Het bevoegd gezag kan uitsluitend vergunning verlenen als bedoeld in artikel 18 lid 3.1 na schriftelijk advies van de leidingbeheerder inzake te beschermen waarden.

73

Artikel 19 Waarde - Archeologie 1 19.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de aldaar in of op de grond aanwezige archeologische waarden. 19.2 Bouwregels 19.2.1 Algemeen Op de gronden met de bestemming Waarde - Archeologie 1 mogen geen bouwwerken worden gebouwd. 19.2.2 Uitzonderingen In afwijking van het bepaalde onder artikel 19 lid 2.1 zijn bouwwerken ten behoeve van de andere voor deze gronden aangewezen bestemmingen op de in artikel 19 lid 2.1 bedoelde gronden slechts toelaatbaar, indien: a. b. c. d. e.

het betreft: vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder het peil, niet wordt uitgebreid, of; een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden en zonder heiwerkzaamheden kan worden gerealiseerd, of; een bouwwerk waarbij de bodemverstoring niet meer dan 50 m² bedraagt; een bouwwerk dat tot 0,3 m diep kan worden gerealiseerd; bebouwing die nodig is voor archeologisch onderzoek met een maximale bouwhoogte van 3 m.

19.3 Afwijken van de bouwregels 19.3.1 Afwijking In afwijking van het bepaalde in artikel 19 lid 2 mogen gebouwen en bouwwerken en andere bouwwerkzaamheden, voor zover deze niet reeds vallen onder artikel 19 lid 2.2 volgens de andere daar voorkomende bestemming(en) gerealiseerd worden, mits op basis van het archeologisch rapport dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt ingediend en waaruit naar het oordeel van het bevoegd gezag blijkt dat: a. b. c.

archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld; archeologische waarden door het uitvoeren van bouwactiviteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud van die waarden; er geen archeologische waarden aanwezig zijn.

19.3.2 Omgevingsvergunning Aan de omgevingsvergunning als bedoeld onder artikel 19 lid 3.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorschriften verbinden: a. b.

c.

de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het laten doen van opgravingen door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en door Burgemeester en Wethouders goedgekeurd archeologisch Programma van Eisen (PvE); de verplichting de uitvoering van de bouwwerkzaamheden die leiden tot bodemverstoring te laten begeleiden door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nderlandse Archeologie (KNA) en een door Burgemeester en Wethouders goedgekeurd archeologisch Programma van Eisen (PvE).

74

19.3.3 Advies Het bevoegd gezag wint advies in van een door hen aan te wijzen deskundige, alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen. 19.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 19.4.1 Verbod Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Waarde - Archeologie 1 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerkzaamheden zijnde, en werkzaamheden uit te voeren ongeacht het bepaalde bij de andere op deze gronden rustende bestemmingen: a.

b. c. d. e. f. g. h. i. j. k.

het ontgronden, afgraven (waaronder onder andere saneren), onderzuigen, egaliseren, verlagen, afplaggen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de landbodemstructuur, dieper dan 0,3 m beneden het maaiveld; het ontgronden, baggeren, afgraven (waaronder onder andere saneren), onderzuigen verlagen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de waterbodemstructuur; het graven, verbreden, verdiepen van watergangen en waterpartijen; het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen; het rooien van diepwortelende beplantingen en bomen, waarbij de stobben worden verwijderd; het aanleggen van drainage; het aanleggen van ondergrondse leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem; het uitvoeren van werkzaamheden ter verhoging of verlaging van de grondwaterstand; het verwijderen van fundamenten en het verwijderen en/of uittrekken van heipalen dieper dan 0,3 m beneden het maaiveld; het ophogen van de bodem hoger dan 0,3 m.

19.4.2 Uitzonderingen Het in artikel 19 lid 4.1 gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden: a. b. c. d. e. f. g. h.

in het kader van het normale beheer en onderhoud; in het kader van onderhoudsbaggerwerkzaamheden die aantoonbaar niet dieper dan in het recente verleden bereikte baggerdieptes; die een oppervlakte beslaan van niet meer dan 50 m²; die een oppervlakte beslaan van meer dan 50 m² maar waarbij de bodem niet dieper gaan dan 0,3 m beneden het maaiveld wordt geroerd; in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige; waarmee op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan: is begonnen, voor zover daarvoor tot dat tijdstip geen omgevingsvergunning was vereist; is of mag worden begonnen krachtens een verleende omgevingsvergunning.

19.4.3 Voorwaarden a.

In afwijking van het bepaalde in artikel 19 lid 4.1 kan een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, voor zover deze niet reeds vallen onder artikel 19 lid 4.2, uitgevoerd worden mits op basis van een archeologisch rapport, dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt ingediend, en naar het oordeel van het bevoegd gezag, blijkt dat: 1. archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld; 2. archeologisch waarden door het uitvoeren van bouwactiviteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud of ontwikkeling van die waarden;

75

b.

c.

3. er geen archeologische waarden aanwezig zijn. Het overleggen van een archeologisch rapport als bedoeld onder a is niet vereist indien de aanvraag betrekking heeft op het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 19 lid 4.2 sub c. Het bepaalde onder b is niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op grond waarvoor eerder een omgevingsvergunning is afgegeven als bedoeld in artikel 19 lid 3.1 en/of het bepaalde onder a. Het bevoegd gezag kan in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld. artikel 19 lid 4.4 is hierbij van overeenkomstige toepassing.

19.4.4 Voorschriften Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 19 lid 4.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorschriften verbinden: a. b.

c.

de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van opgravingen door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en een door Burgemeester en Wethouders goedgekeurd archeologisch Programma van Eisen (PvE); de verplichting de uitvoering van de bouwwerkzaamheden die leiden tot bodemverstoring te laten begeleiden door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en een door Burgemeester en Wethouders goedgekeurd archeologisch Programma van Eisen (PvE).

19.4.5 Advies Het bevoegd gezag wint advies in van een door hen aan te wijzen deskundige, alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen. 19.5 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en Wethouders zijn bevoegd betreffende de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 1’ de regels van het plan te wijzigen zodanig dat de dubbelbestemming naar ligging wordt verschoven of naar omvang wordt vergroot of verkleind en in voorkomend geval wordt verwijderd, voor zover de geconstateerde aanwezigheid of afwezigheid van archeologische waarden, in voorkomend geval na archeologisch onderzoek, daartoe aanleiding geeft.

76

Artikel 20 Waarde - Archeologie 2 20.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de aldaar in of op de grond aanwezige archeologische waarden. 20.2 Bouwregels 20.2.1 Algemeen Op de gronden met de bestemming Waarde - Archeologie 2 mogen geen bouwwerken worden gebouwd. 20.2.2 Uitzonderingen In afwijking van het bepaalde onder artikel 20 lid 2.1 zijn bouwwerken ten behoeve van de andere voor deze gronden aangewezen bestemmingen op de in artikel 20 lid 2.1 bedoelde gronden slechts toelaatbaar, indien: a. b. c. d. e.

het betreft: vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder het peil, niet wordt uitgebreid, of; een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden en zonder heiwerkzaamheden kan worden gerealiseerd, of; een bouwwerk waarbij de bodemverstoring niet meer dan 100 m² bedraagt; een bouwwerk dat tot 0,3 m diep kan worden gerealiseerd; bebouwing die nodig is voor archeologisch onderzoek met een maximale bouwhoogte van 3 m.

20.3 Afwijken van de bouwregels 20.3.1 Afwijking In afwijking van het bepaalde in artikel 20 lid 2 mogen gebouwen en bouwwerken en andere bouwwerkzaamheden, voor zover deze niet reeds vallen onder artikel 20 lid 2.2 volgens de andere daar voorkomende bestemming(en) gerealiseerd worden, mits op basis van het archeologisch rapport dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt ingediend en waaruit naar het oordeel van het bevoegd gezag blijkt dat: a. b. c.

archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld; archeologische waarden door het uitvoeren van bouwactiviteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud van die waarden; er geen archeologische waarden aanwezig zijn.

20.3.2 Omgevingsvergunning Aan de omgevingsvergunning als bedoeld onder artikel 20 lid 3.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorschriften verbinden: a. b.

c.

de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het laten doen van opgravingen door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en door Burgemeester en Wethouders goedgekeurd archeologisch Programma van Eisen (PvE); de verplichting de uitvoering van de bouwwerkzaamheden die leiden tot bodemverstoring te laten begeleiden door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en een door Burgemeester en Wethouders goedgekeurd archeologisch Programma van Eisen (PvE).

77

20.3.3 Advies Het bevoegd gezag wint advies in van een door hen aan te wijzen deskundige, alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen. 20.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 20.4.1 Verbod Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Waarde - Archeologie 2 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerkzaamheden zijnde, en werkzaamheden uit te voeren ongeacht het bepaalde bij de andere op deze gronden rustende bestemmingen: a.

b. c. d. e. f. g. h. i. j. k.

het ontgronden, afgraven (waaronder onder andere saneren), onderzuigen, egaliseren, verlagen, afplaggen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de landbodemstructuur, dieper dan 0,3 m beneden het maaiveld; het ontgronden, baggeren, afgraven (waaronder onder andere saneren), onderzuigen verlagen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de waterbodemstructuur; het graven, verbreden, verdiepen van watergangen en waterpartijen; het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen; het rooien van diepwortelende beplantingen en bomen, waarbij de stobben worden verwijderd; het aanleggen van drainage; het aanleggen van ondergrondse leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem; het uitvoeren van werkzaamheden ter verhoging of verlaging van de grondwaterstand; het verwijderen van fundamenten en het verwijderen en/of uittrekken van heipalen dieper dan 0,3 m beneden het maaiveld; het ophogen van de bodem hoger dan 0,3 m.

20.4.2 Uitzonderingen Het in artikel 20 lid 4.1 gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden: a. b. c. d. e. f. g. h.

in het kader van het normale beheer en onderhoud; in het kader van onderhoudsbaggerwerkzaamheden die aantoonbaar niet dieper dan in het recente verleden bereikte baggerdieptes; die een oppervlakte beslaan van niet meer dan 100 m²; die een oppervlakte beslaan van meer dan 100 m² maar waarbij de bodem niet dieper gaan dan 0,3 m beneden het maaiveld wordt geroerd; in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige; waarmee op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan: is begonnen, voor zover daarvoor tot dat tijdstip geen omgevingsvergunning was vereist; is of mag worden begonnen krachtens een verleende omgevingsvergunning.

20.4.3 Voorwaarden a.

In afwijking van het bepaalde in artikel 20 lid 4.1 kan een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, voor zover deze niet reeds vallen onder artikel 20 lid 4.2, uitgevoerd worden mits op basis van een archeologisch rapport, dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt ingediend, en naar het oordeel van het bevoegd gezag, blijkt dat: 1. archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld; 2. archeologisch waarden door het uitvoeren van bouwactiviteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud of ontwikkeling van die waarden;

78

b.

c.

3. er geen archeologische waarden aanwezig zijn. Het overleggen van een archeologisch rapport als bedoeld onder a is niet vereist indien de aanvraag betrekking heeft op het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 20 lid 4.2 sub c. Het bepaalde onder b is niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op grond waarvoor eerder een omgevingsvergunning is afgegeven als bedoeld in artikel 20 lid 3.1 en/of het bepaalde onder a. Het bevoegd gezag kan in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld. artikel 20 lid 4.4 is hierbij van overeenkomstige toepassing.

20.4.4 Voorschriften Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20 lid 4.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorschriften verbinden: a. b.

c.

de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van opgravingen door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en een door Burgemeester en Wethouders goedgekeurd archeologisch Programma van Eisen (PvE); de verplichting de uitvoering van de bouwwerkzaamheden die leiden tot bodemverstoring te laten begeleiden door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en een door Burgemeester en Wethouders goedgekeurd archeologisch Programma van Eisen (PvE).

20.4.5 Advies Het bevoegd gezag wint advies in van een door hen aan te wijzen deskundige, alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen. 20.5 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en Wethouders zijn bevoegd betreffende de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 2’ de regels van het plan te wijzigen zodanig dat de dubbelbestemming naar ligging wordt verschoven of naar omvang wordt vergroot of verkleind en in voorkomend geval wordt verwijderd, voor zover de geconstateerde aanwezigheid of afwezigheid van archeologische waarden, in voorkomend geval na archeologisch onderzoek, daartoe aanleiding geeft.

79

Artikel 21 Waarde - Archeologie 3 21.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de aldaar in of op de grond aanwezige archeologische waarden. 21.2 Bouwregels 21.2.1 Algemeen Op de gronden met de bestemming Waarde - Archeologie 3 mogen geen bouwwerken worden gebouwd. 21.2.2 Uitzonderingen In afwijking van het bepaalde onder artikel 21 lid 2.1 zijn bouwwerken ten behoeve van de andere voor deze gronden aangewezen bestemmingen op de in artikel 21 lid 2.1 bedoelde gronden slechts toelaatbaar, indien: a. b. c. d. e.

het betreft: vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder het peil, niet wordt uitgebreid, of; een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden en zonder heiwerkzaamheden kan worden gerealiseerd, of; een bouwwerk waarbij de bodemverstoring niet meer dan 500 m² bedraagt; een bouwwerk dat tot 0,3 m diep kan worden gerealiseerd; bebouwing die nodig is voor archeologisch onderzoek met een maximale bouwhoogte van 3 m.

21.3 Afwijken van de bouwregels 21.3.1 Afwijking In afwijking van het bepaalde in artikel 21 lid 2 mogen gebouwen en bouwwerken en andere bouwwerkzaamheden, voor zover deze niet reeds vallen onder artikel 21 lid 2.2 volgens de andere daar voorkomende bestemming(en) gerealiseerd worden, mits op basis van het archeologisch rapport dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt ingediend en waaruit naar het oordeel van het bevoegd gezag blijkt dat: a. b. c.

archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld; archeologische waarden door het uitvoeren van bouwactiviteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud van die waarden; er geen archeologische waarden aanwezig zijn.

21.3.2 Omgevingsvergunning Aan de omgevingsvergunning als bedoeld onder artikel 21 lid 3.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorschriften verbinden: a. b.

c.

de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het laten doen van opgravingen door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en door Burgemeester en Wethouders goedgekeurd archeologisch Programma van Eisen (PvE); de verplichting de uitvoering van de bouwwerkzaamheden die leiden tot bodemverstoring te laten begeleiden door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en een door Burgemeester en Wethouders goedgekeurd archeologisch Programma van Eisen (PvE).

80

21.3.3 Advies Het bevoegd gezag wint advies in van een door hen aan te wijzen deskundige, alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen. 21.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 21.4.1 Verbod Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Waarde - Archeologie 3 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerkzaamheden zijnde, en werkzaamheden uit te voeren ongeacht het bepaalde bij de andere op deze gronden rustende bestemmingen: a.

b. c. d. e. f. g. h. i. j. k.

het ontgronden, afgraven (waaronder onder andere saneren), onderzuigen, egaliseren, verlagen, afplaggen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de landbodemstructuur, dieper dan 0,3 m beneden het maaiveld; het ontgronden, baggeren, afgraven (waaronder onder andere saneren), onderzuigen verlagen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de waterbodemstructuur; het graven, verbreden, verdiepen van watergangen en waterpartijen; het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen; het rooien van diepwortelende beplantingen en bomen, waarbij de stobben worden verwijderd; het aanleggen van drainage; het aanleggen van ondergrondse leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem; het uitvoeren van werkzaamheden ter verhoging of verlaging van de grondwaterstand; het verwijderen van fundamenten en het verwijderen en/of uittrekken van heipalen dieper dan 0,3 m beneden het maaiveld; het ophogen van de bodem hoger dan 0,3 m.

21.4.2 Uitzonderingen Het in artikel 21 lid 4.1 gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden: a. b. c. d. e. f. g. h.

in het kader van het normale beheer en onderhoud; in het kader van onderhoudsbaggerwerkzaamheden die aantoonbaar niet dieper dan in het recente verleden bereikte baggerdieptes; die een oppervlakte beslaan van niet meer dan 500 m²; die een oppervlakte beslaan van meer dan 500 m² maar waarbij de bodem niet dieper gaan dan 0,3 m beneden het maaiveld wordt geroerd; in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige; waarmee op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan: is begonnen, voor zover daarvoor tot dat tijdstip geen omgevingsvergunning was vereist; is of mag worden begonnen krachtens een verleende omgevingsvergunning.

21.4.3 Voorwaarden a.

In afwijking van het bepaalde in artikel 21 lid 4.1 kan een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, voor zover deze niet reeds vallen onder artikel 21 lid 4.2, uitgevoerd worden mits op basis van een archeologisch rapport, dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt ingediend, en naar het oordeel van het bevoegd gezag, blijkt dat: 1. archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld; 2. archeologisch waarden door het uitvoeren van bouwactiviteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud of ontwikkeling van die waarden;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/2312/documents/49254