1 Bijlage TL 6. Vreelandseweg 27-27a, Loenen aan de Vecht_V4.pdf
Tekst van het document
4.5
Ecologie
Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.
Rho adviseurs voor leefruimte
44003416.20210200
31
Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten.
De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Onderzoek Soortbescherming Voor aanvang van de sloop van de bestaande bedrijfswoning en de eendenkooien moet een ecologische quickscan worden uitgevoerd, aanvullend hierop moeten verdere voorwaarden gesteld binnen de quickscan (en mogelijk vervolgonderzoek) zijn uitgevoerd.
Bij sloop van bebouwing is verstoring van beschermde soorten niet bij voorbaat uit te sluiten. Om de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten vast te stellen moet een quickscan worden uitgevoerd. Als blijkt dat de te slopen bebouwing geschikt is voor beschermde soorten zal aanvullend vervolgonderzoek moeten uitwijzen welke verdere handelingen benodigd zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. De uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan komt hiermee niet in het geding, alleen de wijzen van uitvoering moet hier mogelijk op worden aangepast.
Rho adviseurs voor leefruimte
44003416.20210200
32
Gebiedsbescherming Voor het onderdeel gebiedsbescherming worden geen verstrekkende gevolgen verwacht. Het verplaatsen (slopen en nieuwbouwen) van een woning op een dergelijke schaal heeft geen directe effecten op de kwantitatieve uitstoot van stikstof of andere permanente verstoringsbronnen. De provincie Utrecht houdt rekening met externe werking op NNN-gebieden of Natura2000-gebieden. Voor de beoogde ontwikkeling kan op voorhand niet uitgesloten worden dat het aspect geluid tijdens bouwen sloopwerkzaamheden een externe werking heeft op het nabijgelegen NNN-gebied. Het aspect geluid dient beoordeeld te worden in de quickscan. De uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan komt hiermee niet in het geding, alleen de wijzen van uitvoering moet hier mogelijk op worden aangepast. Conclusie Voor aanvang van de sloopwerkzaamheden dient een quickscan flora en fauna en eventueel aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Hieruit moet blijken dat significant negatieve effecten op beschermde gebieden en soorten kunnen worden uitgesloten.
4.6
Externe veiligheid
Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen.
Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties.
Rho adviseurs voor leefruimte
44003416.20210200
33
Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes waarbinnen beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Voor het groepsrisico geldt op grond van het Bevt slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is het doen van een verantwoording van een toename van het GR verplicht. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden.
Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Onderzoek Uit de informatie op de professionele risicokaart (https://nederlandprof.risicokaart.nl) blijkt dat in de directe omgeving van de woning Vreelandseweg 27 geen risicobronnen aanwezig zijn die een belemmering vormen voor het mogelijk maken van een plattelandswoning. Het plangebied is wel gelegen in nabij de spoorlijn tussen Amsterdam en Breukelen. Op de spoorlijn kan een ongeval plaatsvinden waarbij toxische stoffen vrijkomen. De effecten van een toxische wolk kunnen op meer dan 4.000 meter dodelijk zijn (op basis van de stofcategorie D4). Omdat de ontwikkeling plaatsvindt op een afstand van meer dan 200 meter van de spoorlijn, kan worden volstaan met een beknopte verantwoording van het groepsrisico (artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt)). De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp alsmede de mogelijkheden tot zelfredzaamheid in het plangebied maken deel uit van een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Bereikbaarheid Het is van belang dat de hulpdiensten tijdens een brand, ramp of zwaar ongeval voldoende snel kunnen optreden.
Een goede bereikbaarheid van de woningen is hierbij van essentieel belang. Aangezien het gaat om beperkte ontwikkelingen, wordt de bestaande bereikbaarheid voldoende geacht. Bluswatervoorzieningen Daarnaast dient de brandweer snel te kunnen beschikken over voldoende bluswater om een incident adequaat te kunnen bestrijden. De locatie dient te voldoen aan art. 6.30 van het Bouwbesluit 2012. Op basis van de Handreiking bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid 2019 geldt voor agrarisch gebied de volgende eisen: Binnen 6 minuten een bluswatervoorziening moeten kunnen opbouwen van 1000l /min. Binnen 30 minuten een bluswatervoorziening moeten kunnen opbouwen van 1500l /min. – 6000l/min. Binnen 60 minuten een bluswatervoorziening moeten kunnen opbouwen van 6000l /min.
Rho adviseurs voor leefruimte
44003416.20210200
34
Voor woningen uit het bouwjaar 1945-2003 geldt: De aanwezige bluswatervoorziening dient te voorzien in een capaciteit van 1.000 liter/min. Een bluswatervoorziening moet binnen 6 minuten kunnen worden opgebouwd. Dat staat gelijk aan een brandkraan op een afstand van 100 meter tot de voordeur of de aanwezigheid van een toereikende hoeveelheid open water (minimaal 60m3) op het perceel. Voor woningen uit het bouwjaar van voor 1945 geldt: De aanwezige bluswatervoorziening dient te voorzien in een capaciteit van 1.000 liter/min. Een bluswatervoorziening moet binnen 3 minuten kunnen worden opgebouwd. Dat staat gelijk aan een brandkraan op een afstand van 40 meter tot de voordeur die de minimale bluswatercapaciteit gedurende 1 uur (60 m3) kan leveren. Op basis van beschikbare gegevens is een brandkraan aanwezig op het betreffende perceel (zie navolgend figuur) en daarmee wordt voldaan aan de regels. Het is de verantwoordelijkheid van de eigenaar van het betreffende perceel om te voorzien in een betrouwbare en goed onderhouden brandkraan met voldoende wateropbrengst.
Figuur 4.2 - Bluswatervoorziening bij plangebied Zelfredzaamheid De zelfredzaamheid van de toekomstige aanwezigen wordt door de VRU voldoende geacht, om zichzelf, eventueel met hulp van anderen, in geval van aan ramp in veiligheid te kunnen brengen. Een aandachtspunt is de vluchtmogelijkheden en de risicocommunicatie. Bij een toxische wolk is het advies om binnen te blijven. Het is daarom belangrijk om de aanwezigen te informeren over eventuele risico's en hoe te handelen bij een toxische wolk. Conclusie Het opnemen van de aanduiding plattelandswoning heeft geen gevolgen voor de risicosituatie. Voor oprichting van risicobronnen behorende bij de paardenhouderij is een milieumelding of vergunning noodzakelijk waarbij dit aspect wordt onderzocht in relatie tot omliggende woningen. Hierdoor is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat geborgd voor het aspect gevaar. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Rho adviseurs voor leefruimte
44003416.20210200
35
4.7
Kabels en leidingen
Toetsingskader kabels & leidingen Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek en conclusie Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkelingen niet in de weg. Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
4.8
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2, van de Wet milieubeheer. De Wet milieubeheer bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordenings- praktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de volgende tabel weergegeven. Tabel 4.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer Stof Toetsing van Grenswaarde Stikstofdioxide (NO2) Jaargemiddelde 40 µg/m³ concentratie Fijn stof (PM10) Jaargemiddelde 40 µg/m³ concentratie Fijn stof (PM2,5) Jaargemiddelde 25 µg/m³ concentratie
WHO-advieswaarde 10 µg/m³ 15 µg/m³ 5 µg/m³
Besluit niet in betekenende mate (nibm) In het Besluit nibm en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% toename van concentratie NO2 (stikstof dioxide) en PM10 (fijn stof) in de buitenlucht; een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m² bvo bij één ontsluitingsweg. Onderzoek Voor paarden zijn geen emissiewaarden voor fijnstof vastgesteld. Om toch inzicht te geven in de luchtkwaliteit ter plaatse van beoogde plattelandswoning is gebruikgemaakt van de gegevens die beschikbaar zijn via de monitoringstool die onderdeel is van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Uit de gegevens die beschikbaar zijn via de monitoringstool (onderdeel van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) blijkt dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen ter plaatse van de Vreelandseweg ver onder de wettelijke grenswaarden zijn gelegen. De navolgende tabel geeft een overzicht van de concentraties in 2020.
Rho adviseurs voor leefruimte
44003416.20210200
36
Tabel 4.2: Concentratie luchtverontreinigende stoffen ter plaatse van de Vreelandseweg (2020) stikstofdioxide fijn stof (PM10) fijn stof (PM10) fijn stof (PM2,5) (NO2) jaargemiddeld overschrijdingsdage jaargemiddeld jaargemiddeld n WHO advieswaarde 10 µg/m³ 15 µg/m³ 5 µg/m³ Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ 35 25 µg/m³ Hoogste 13,5 µg/m³ 15,7 µg/m³ 6,0 8,5 µg/m³ concentratie (µg/m³) Tabel 4.2 geeft inzicht in de concentraties langs de Vreelandseweg. Het meetpunt ligt nabij de karakteristieke woning op het perceel. Er wordt ruimschoots aan de gestelde grenswaarde voldaan. Hierdoor kan geconcludeerd worden dat ter plaatse van de beoogde plattelandswoning in de huidige situatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Door gebruikmaking van steeds betere technieken nemen daarnaast de concentraties luchtverontreinigende stoffen jaarlijks af. Op basis van jurisprudentie dient een plattelandswoning te worden getoetst op het aspect luchtkwaliteit. Indien de paardenhouderij wil uitbreiden dan zal in het vergunningenspoor ter plaatse van de beoogde plattelandswoning ook voldaan moeten worden aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Hierdoor is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor het aspect luchtkwaliteit ook bij uitbreiding geborgd. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied.
Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
4.9
Verkeer en parkeren
Toetsingskader Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. Voor parkeren hanteert de gemeente Stichtse Vecht de parkeerkencijfers uit de Nota Parkeernormen (juli 2015). Onderzoek Ontsluiting Het plangebied bevindt zich aan de Vreelandseweg in het buitengebied van Loenen. De Vreelandseweg is een erftoegangsweg buiten de bebouwde kom. Het gemotoriseerd verkeer en fietsverkeer maken op dit soort wegen gebruik van dezelfde rijbaan. Er geldt een maximum snelheid van 30 km/u. Verkeersgeneratie De planologische wijziging is het herbouwen van een bestaande bedrijfswoning, de uitbreiding van het bouwvlak en het afsplitsen van een bestaande bedrijfswoning en deze aanduiden als plattelandswoning. Deze voorgenomen ontwikkeling zal niet leiden tot een toename in verkeersgeneratie.
Rho adviseurs voor leefruimte
44003416.20210200
37
Parkeren Voor parkeren wordt aangesloten bij de Nota Parkeernormen van de gemeente Stichtse Vecht (juli 2015). Het plangebied is gelegen in Loenen aan de Vecht. Loenen aan de Vecht wordt in de Nota Parkeernormen gecategoriseerd als matig stedelijk gebied. Binnen deze categorie is het plangebied gelegen in het buitengebied. Voor de aanwezige functies wordt het gemiddelde van de aangegeven bandbreedte aangehouden. Hiervoor gelden de volgende kengetallen ten aanzien van parkeren. Functie Aantal Manege (per 30 paardenbox) Woning, koop, vrijstaand 2
Parkeernorm 0,4 parkeerplaats per box 2,5 parkeerplaats per woning
Aantal parkeerplaatsen 12 parkeerplaatsen 5 parkeerplaatsen
In het inrichtingsplan in Bijlage 2 is het verhard oppervlak op het erf weergegeven waarbinnen geparkeerd kan worden. Zowel de bezoekers van de paardenhouderij als van de beide woningen hebben voldoende parkeergelegenheid om te parkeren op eigen terrein. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.10
Water
Waterbeheer en watertoets Bij het tot stand komen van dit bestemmingplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het projectgebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Waternet voert taken uit in opdracht van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het projectgebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal Provinciaal Waterplan Waterschap Amstel, Gooi en Vecht In de Keur staan regels van Waterschap Amstel, Gooi en Vecht. Hiermee wil het waterschap de volgende doelen bereiken: schoon en genoeg water in onze sloten, grachten en meren sterke dijken tegen overstromingen gezonde waterplanten en waterdieren
Rho adviseurs voor leefruimte
44003416.20210200
38
Toetsing Het oprichten, wijzigen of verwijderen van een bouwwerk in de beschermingszone van een waterkerend dijklichaam is vergunningplichtig volgens de Keur AGV 2019. Het plangebied is deels gelegen in een beschermingszone van een secundaire kering (zie figuur 4.3). De te herbouwen bedrijfswoning komt in deze beschermingszone te liggen. Om werkzaamheden in deze zone uit te kunnen voeren dient een vergunning aangevraagd te worden bij het waterschap.
Figuur 4.3 - Uitsnede van Legger Waterschap Amstel, Gooi en Vecht Het toekennen van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - plattelandswoning' ende aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - productiegerichte paardenhouderij', de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - tijdelijk verblijf 2', de aanduiding 'rijbak', de aanduiding 'bedrijfswoning' en het verruimen van het bouwvlak hebben geen negatieve invloed op het aspect water. Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Voor het uitvoeren van werken in de beschermingszone van de westelijk gelegen secundaire kering is een ontheffing nodig van het waterschap.
Rho adviseurs voor leefruimte
44003416.20210200
39
4.11
Wegverkeerslawaai
Toetsingskader Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/uur-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones. Indien binnen deze geluidzones nieuwe geluidgevoelige bestemmingen (o.a. woningen) worden mogelijk gemaakt dan dient de geluidhinder vanwege de weg getoetst te worden. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van stedelijke- of buitenstedelijke ligging. De geluidbelasting wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Voor de geluidbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Deze hogere grenswaarde mag de maximaal toelaatbare hogere waarde niet te boven gaan. De maximale ontheffingswaarde in onderhavig situatie bedraagt 53 dB (buitenstedelijk gelegen woningen). Voor niet gezoneerde 30 km/uur wegen worden deze waarden als richtwaarden beschouwd. Onderzoek De beoogde ontwikkeling voorziet onder andere in de herbouw van een bedrijfswoning. De aanliggende Vreelandseweg is een 30 km/uur-weg waaraan wettelijk niet getoetst hoeft te worden aan de Wet geluidhinder.
Maar in het kader van een goede ruimtelijke ordening moet deze weg wel in het onderzoek beschouwd worden om te bezien of er sprake is van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. Beschouwing geluid wegverkeer De nieuwe bedrijfswoning ligt op circa 30 meter afstand van de Vreelandseweg (gemeten vanaf grens bouwvlak tot aan zijkant van rijbaan). De Vreelandseweg is een smalle geasfalteerde 30 km/uur-weg. De weg wordt voornamelijk gebruikt door fietsers en bestemmingsverkeer. De herbouw van de bedrijfswoning zorgt niet voor een toename van het verkeer boven op de huidige verkeersintensiteit van de Vreelandseweg. Gezien de afstand van de weg tot de bedrijfswoning en de lage verkeersintensiteit op de Vreelandseweg zal de geluidbelasting niet hoger zijn dan de richtwaarde van 48 dB. Conclusie Voor de herbouw van de bedrijfswoning wordt voldaan aan de richtwaarde van 48 dB. De nieuwe bedrijfswoning kan gerealiseerd worden in een acceptabel woon- en leefklimaat. Het aspect wegverkeerslawaai staat de ontwikkeling niet in de weg.
4.12
Milieueffectrapportage
Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten.
Rho adviseurs voor leefruimte
44003416.20210200
40
Onderzoek en conclusie Er is geen sprake van een activiteit genoemd in het Besluit m.e.r. Omdat het plan niet als een 'stedelijk ontwikkelingsproject' zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. wordt gezien is een vorm-vrije m.e.r.-beoordeling en m.e.r.-beoordelingsbesluit niet nodig.
4.13
Gezondheid
De gezondheidsrisico's in de veehouderij worden veroorzaakt door bedrijven waarbij veel fijn stof vrijkomt. In fijn stof zitten micro-organismen zoals schimmels en bacteriën die onder andere endotoxinen afscheiden. Grote hoeveelheden fijn stof komen met name vrij bij grote varkens- en pluimveehouderijen. Daarnaast is er rondom geitenhouderijen een verhoogde kans op Q-koorts. In de omgeving komen geen grote varkens- en pluimveehouderijen of geitenhouderijen voor. Er is informatie bekend dat MRSA voorkomt bij paarden. Mensen die intensief contact hebben met deze besmette dieren zijn in ongeveer 30% van de gevallen drager van dit type MRSA. De beoogde plattelandswoning zal worden bewoond door burgers die juist geen contact met de paarden zullen hebben. De afstand tot de stallen is circa 45 meter. Gezien de afstand van de beoogde plattelandswoning tot de stallen en omdat in de omgeving geen grote varkens- en pluimveehouderijen of geitenhouderijen voorkomen is sprake van een gering gezondheidsrisico. Bovendien worden de voormalige eendenhokken aan de zuidwestzijde van het plangebied verwijderd, waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbetert. Het aspect gezondheid staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
Rho adviseurs voor leefruimte
44003416.20210200
41
Hoofdstuk 5
5.1
Juridische plantoelichting
Indeling van de regels
Samen met de verbeelding vormen de regels het juridisch bindende kader van de bestemmingen. De toelichting heeft geen juridisch bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het bestemmingsplan en kan uitkomst bieden bij de interpretatie van een regel. De regels zijn verdeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1 bevat inleidende regels en bestaat uit twee artikelen. Artikel 1 geeft een omschrijving van de in de regels gehanteerde begrippen. Artikel 2 geeft aan hoe bepaalde afstanden, maten, oppervlakte en inhoud gemeten moeten worden. In hoofdstuk 2 zijn de verschillende bestemmingen opgenomen. Per bestemming wordt aangegeven welke functies en doeleinden op de gronden toelaatbaar zijn en wat en hoe er mag worden gebouwd. Ook dubbelbestemmingen zijn in dit hoofdstuk opgenomen. In hoofdstuk 3 worden de algemene regels behandeld, waaronder de anti-dubbeltelbepaling en de algemene bouw-, gebruiks-, aanduidings-, afwijkings-, wijzigings- en procedureregels. Ook is in dit hoofdstuk een algemene regel opgenomen voor de toelaatbaarheid van bepaalde werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde. Hoofdstuk 4 bevat regels met betrekking tot het overgangsrecht en de slotregel. In het bestemmingsplan is in een aantal regels nadere voorwaarden opgenomen waaraan dient te worden voldaan alvorens de toestemming verleend kan worden.
De onderbouwing dient door de aanvrager te worden aangeleverd en te worden beoordeeld door de gemeente. Afhankelijk van de zwaarte van de afwijking kunnen zwaardere eisen aan de onderbouwing worden gevraagd.
5.2
Toelichting regels
In de volgende paragrafen is een toelichting opgenomen van de in de regels opgenomen bestemmingen. 5.2.1 Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In dit artikel worden de begrippen nader omschreven die gebruikt worden in de regels. Indien een begrip staat beschreven kan aansluiting gezocht worden in de betreffende wet waarin het begrip voorkomt of het woordenboek. Artikel 2 Wijze van meten In dit artikel wordt beschreven op welke wijze de in de regels voorgeschreven maatvoeringen gemeten moeten worden.
Rho adviseurs voor leefruimte
44003416.20210200
42
5.2.2 Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels De regels op het niveau van de bestemmingen kennen eenzelfde opbouw. Per bestemming is de volgende indeling gehanteerd: bestemmingsomschrijving: hierin staat beschreven wat met de bestemming wordt beoogd; bouwregels: hierin staat geformuleerd welke bouwwerken rechtstreeks met omgevingsvergunning zijn toegestaan; afwijken van de bouwregels: hierin staat geformuleerd welke bouwwerken via afwijking met omgevingsvergunning zijn toegestaan; specifieke gebruiksregels: hierin staat geformuleerd welke specifieke gebruiksregels - naast de gebruiksregels in de algemene bepalingen - binnen de betreffende bestemming van toepassing zijn; afwijken van de gebruiksregels: hierin staat geformuleerd welk gebruik binnen de betreffende bestemming al dan niet met omgevingsvergunning is toegestaan; omgevingsvergunning uitvoeren werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden: hierin staat geformuleerd voor welke werkzaamheden die geen bouwwerken betreffen een omgevingsvergunning is vereist; wijzigingsbevoegdheid: hierin staat geformuleerd onder welke voorwaarden de betreffende bestemming in een andere genoemde bestemming kan worden gewijzigd. Indien een bepaald lid niet van toepassing is, wordt deze niet in de regel genoemd. De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming.
Hierin is een omschrijving opgenomen van de functies, die binnen de bestemming zijn toegestaan (het gebruik). In een aantal gevallen is een specificering opgenomen van de toegestane functie, die correspondeert met een functieaanduiding op de verbeelding. Artikel 4 Agrarisch met waarden De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden. Binnen de agrarische bestemming zijn diverse aanduidingen opgenomen die ter plaatse specifiek gebruik toestaan. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - productiegerichte paardenhouderij' is een bedrijf toegestaan dat is gericht op het fokken van paarden, het bieden van leefruimte aan opgroeiende paarden met daarbij behorende trainingsfaciliteiten en/of het voortbrengen van producten door middel van het houden van paarden, zoals een paardenmelkerij of een daarmee gelijk te stellen bedrijfsvorm, eventueel in combinatie met trainingsfaciliteiten ten behoeve van de eigen gefokte paarden en de in- en verkoop van paarden. Al dan niet met bijbehorende bedrijfskantine uitsluitend voor medewerkers en klanten. Onder een productiegerichte paardenhouderij wordt geen manege verstaan; Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - plattelandswoning' is het wonen in een plattelandswoning toegestaan.
Met het opnemen van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - plattelandswoning' op de betreffende woning is het gebruik van de woning door derden (niet bij het bedrijf betrokkenen) toegestaan en dient de gebruiker te accepteren dat de belangen van het aanwezige agrarische bedrijf boven het woonklimaat van het betreffende perceel gaat. Ter plaatse van de aanduiding 'rijbak' is uitsluitend één paardenbak toegestaan. De bebouwingsmogelijkheden binnen deze aanduiding zijn beperkt.
Rho adviseurs voor leefruimte
44003416.20210200
43
Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - tijdelijk verblijf - 2' is een beperkt aantal (in totaal maximaal 4) slaapplaatsen toegestaan voor de professionele paardenverzorgers/-trainers. Hier kunnen de professionele paardenverzorgers/-trainers tijdelijk overnachten als dit nodig is voor bijvoorbeeld training of verzorging van (zieke) paarden. De toegestane bouwwerken dienen in beginsel uitsluitend binnen het bouwvlak te worden gerealiseerd. Voor bepaalde bouwwerken, zoals kuilvoerplaten kan hiervan worden afgeweken. Via de procedure van een wijzigingsplan is het mogelijk het agrarische bouwvlak te vergroten. Om de agrariër de gelegenheid te bieden neveninkomsten te generen zijn onder voorwaarden via een afwijking niet-agrarische nevenactiviteiten toegestaan. Bij voorkeur wordt hiervoor bestaande bebouwing gebruikt. Het is echter toegestaan hiervoor nieuwbouw te realiseren. Voor het geval de agrarische activiteiten ter plaatse zijn beëindigd biedt het bestemmingsplan de mogelijkheid een vervolgfunctie op het voormalige agrarische perceel uit te oefenen. In beginsel dienen de aanwezige voormalige agrarische bedrijfsgebouwen hierbij te worden gesloopt, met uitzondering van de toegestane bebouwing ten behoeve van de vervolgfunctie en indien sprake is van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing.
Van belang binnen de agrarische bestemming zijn ook de aanwezige landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden. Om deze reden is een vergunningenstelsel opgenomen om deze waarden te beschermen, in stand te houden dan wel verder te ontwikkelen (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden). Daarnaast vormt het behoud en/of de versterking van deze waarden veelal een toetsingscriterium bij het verlenen van een toestemming. Voor de aanwezige waarden kan worden gerefereerd aan het vastgestelde Beeldkwaliteitplan en Landschapsontwikkelingsplan voor dit gebied. De bestemming ' Agrarisch met waarden' heeft in combinatie met de verschillende dubbelbestemmingen Waarde een conserverend karakter. Dat wil zeggen dat het huidig toegestane gebruik het uitgangspunt vormde voor regels en verbeelding en hierbij is aangesloten. Artikel 20 Waarde - Archeologie 3 De bestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’ wordt gehanteerd voor die delen van het plangebied, die op basis van het archeologisch vooronderzoek (mogelijk) archeologische waarden bevatten. Bouwen is op deze gronden ten behoeve van een andere ter plaatse geldende (enkel) bestemming uitsluitend toegestaan, nadat uit archeologisch onderzoek is gebleken dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn.
Uitzondering hierop is het vervangen, vernieuwen of veranderen van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte op of onder peil niet wordt vergroot en geen graaf- of heiwerkzaamheden benodigd zijn of de grondwerkzaamheden ten behoeve van het bouwwerk niet dieper plaatsvinden dan 0,3 m, of het oppervlak niet groter is dan 500 m2. Artikel 23 Waarde - Cultuurhistorie 1 Op gronden die mede bestemd zijn voor ‘Waarde - Cultuurhistorie 1' dient rekening te worden gehouden met de aanwezige cultuurhistorische waarden vanuit het oogpunt van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Dit cultuurhistorisch belang dient te worden meegewogen in de belangenafweging bij het verlenen van een toestemming voor een ontwikkeling.
Rho adviseurs voor leefruimte
44003416.20210200
44
Artikel 25 Waarde - Cultuurhistorie 4 Op gronden die mede bestemd zijn voor ‘Waarde - Cultuurhistorie 4' dient rekening te worden gehouden met de aanwezige cultuurhistorische waarden vanuit het oogpunt van de buitenplaatszone langs de Vecht. Dit cultuurhistorisch belang dient te worden meegewogen in de belangenafweging bij het verlenen van een toestemming voor een ontwikkeling. Artikel 27 Waarde - Landschap 1 Op de gronden die mede bestemd zijn voor 'Waarde - Landschap' dient rekening te worden gehouden met de aanwezige landschappelijke waarden. 5.2.3 Hoofdstuk 3 Algemene regels In dit hoofdstuk zijn de aanvullende, algemene regels opgenomen. Artikel Anti-dubbeltelregel Dit artikel voorkomt dat met het bestemmingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot. Het artikel is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening en is daaruit overgenomen. Artikel Algemene bouwregels In dit artikel is een aantal bouwregels opgenomen dat voor alle bestemmingen geldt. Het betreft regelingen ten aanzien van nadere eisen omtrent afmeting en situering, bestaande maten, overschrijding van bouwgrenzen, ondergronds bouwen, bruggen, steigers, oeverbeschoeiingen en straatmeubilair. Artikel Algemene gebruiksregels Aanvullend zijn in het plan regels gesteld ten aanzien van het gebruik.
In dit artikel is een aantal gebruiksmogelijkheden voor het gehele plan uitgesloten (tenzij daarvoor een uitzondering is gemaakt). Artikel Algemene aanduidingsregels In dit artikel is een bepaling opgenomen inzake de als ‘karakteristiek’ aangeduide bouwwerken. Met deze bepaling wordt beoogd om de karakteristieke hoofdvorm van de bebouwing te behouden. Artikel Algemene afwijkingsregels In dit artikel is, in aanvulling op de afwijkingsregels uit hoofdstuk 2, nog een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen, zoals de 10% afwijkingsregel en gebouwen ten behoeve van openbaar nut. Artikel Algemene wijzigingsregels In de algemene wijzigingsregels is de mogelijkheid opgenomen bestemmingen te wijzigen of te verwijderen. Indien een bepaalde dubbelbestemming zoals ‘Waarde – Archeologie’ niet meer van toepassing is kan deze worden verwijderd via een planwijziging. Ook bestaat de mogelijkheid om gronden om te zetten in de bestemming ‘Natuur’. Artikel Algemene procedureregels In dit artikel is de procedure voorgeschreven bij toepassing van de bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen aan de afmeting en/of situering van een bouwwerk.
Rho adviseurs voor leefruimte
44003416.20210200
45
5.2.4 Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 15 Overgangsrecht De tekst uit dit artikel is wettelijk vastgelegd en overgenomen uit het Besluit ruimtelijke ordening. Het betreft een regeling voor bebouwing en gebruik dat reeds bestond bij het inwerking treden van het bestemmingsplan, maar dat strijdig is met de betreffende regels. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of dit strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. Artikel 16 Slotregel In de slotregel wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.
Rho adviseurs voor leefruimte
44003416.20210200
46
Rho adviseurs voor leefruimte
44003416.20210200
47
Hoofdstuk 6
6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
De uitvoering, het risico en de kosten van het voornemen berusten volledig bij de initiatiefnemer. Het uitvoeren van deze ontwikkeling heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het initiatief en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer. Kosten die door de gemeente worden gemaakt bij behandeling, beoordeling en advies van deze ontwikkeling zullen middels leges op de initiatiefnemer worden verhaald. Met de Gemeente Stichtse Vecht wordt een planschade overeenkomst afgesloten waarin wordt geregeld dat de eventuele uitgekeerde (tegemoetkomingen in) planschade door de initiatiefnemer aan de gemeente worden vergoed. Tevens worden in een privaatrechtelijke overeenkomst afspraken gemaakt over de sloop van de eendenkooien op het perceel en de voorwaardelijke verplichting die hiervoor in dit bestemmingsplan is opgenomen. Het uitvoeren van deze ontwikkeling heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het initiatief en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer. Kosten die door de gemeente worden gemaakt bij behandeling, beoordeling en advies van deze ontwikkeling zullen middels leges op de initiatiefnemer worden verhaald
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Vooroverleg Op grond van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) wordt het ontwerpbestemmingsplan voor vooroverleg toegezonden aan diverse overleginstanties.
concept
Ontwerpfase Het ontwerpbestemmingsplan wordt, op grond van afdeling 3.4 Awb, voor een periode van zes weken ter inzage gelegd.
Rho adviseurs voor leefruimte
44003416.20210200
48
Rho adviseurs voor leefruimte
44003416.20210200
BIJLAGEN
Bijlage 1 Beeldkwaliteitsparagraaf Vreelandseweg 27a
Rho adviseurs voor leefruimte
44003416.20210200
Beeldkwaliteitsparagraaf Vreelandseweg 27a Introductie De woning aan de Vreelandseweg 27a wordt gesloopt en herbouwd. Als onderdeel van het bestemmingsplan wordt deze kwaliteitsparagraaf opgesteld. In deze paragraaf wordt kort ingegaan op het landschap waar de kavel onderdeel van uitmaakt en vervolgens worden enkele uitgangspunten op kavel- engebouwniveau gegeven.
De woning maakt onderdeel van een groter erf dat in de basis niet veranderd. Om deze reden is het niet zinvol om een schappen - g roe n e huitgebreide a rt landschapsanalyse uit te voeren. Aan dit landschap vindt middels deze ontwikkeling geen onevenredige inbreuk plaats.
111
Het landschap - Open polder Het plangebied maakt onderdeel uit van het Gebiedskatern Groene Hart van de provincie Utrecht. In de ambitiekaart wordt het gebied aangeduid als open polder. ‘’Een van oudsher en ook nu nog bijna pur sang lege ruimte binnen een kantwerk van rivierlinten. De boodschap van het landschap van de open polders 1. is kort en krachtig. Het vraagt om een uiterst zorgvuldig omgaan met den e lege 111 Kwa l iteitsgid s utr echts e l a n ds ch a p p e n - groe h a rt ruimte. Ze vormen dus geen aanknopingspunt voor nieuwe aMbItIeKaart Groene Hart ontwikkelingen - op wat voor schaal de ambitiekaart kan alleen geinterpreteerd dan ook - die inbreuk doen op de worden met de tekst van dit hoofdstuk Zones leegte. Begeleidende beplanting blijft rivierlint beperkt tot de bestaande bomenrijen oude stroomrug langs het kanaal’’ aldus het Lekzone Gebiedskatern. Met de ontwikkeling veLden van sloop nieuwbouw wordt geen open polder inbreuk gedaan op de leegte, omdat er veen - blokontginning met linten en achterkades sprake is van vervanging. veen - opstrekkende ontginning met linten en open zijkades
petgaten/legakkers veenplassen
1.
De Vreelandseweg Het plangebied is gelegen aan een landelijke weg die Vreeland en Loenen aan de Vecht met elkaar verbindt. Aan deze weg liggen enkele erven in een open landschap. Op deze van oudsher agrarische erven staat bebouwing haaks of parallel aan de weg.
voorbeeld van gebiedseigen tinten
Richtlijnen voor de ontwikkeling Om te zorgen dat de ontwikkeling past in het landschap worden enkele uitgangspunten meegegeven waar de ontwikkeling aan moet voldoen. •
De woning krijgt een opbouw van één laag met kap.
•
De ontwikkeling heeft een passende maat en schaal. Passend in het landschap van de open polder.
•
De woning wordt haaks of parallel aan de huidige bouwrichting geplaatst.
•
Er wordt gebruik gemaakt van gebiedseigen tinten. Felle contrasterende kleuren zijn niet passend in de omgeving.
•
Gevels worden met name in metselwerk uitgevoerd. In lijn met de meeste bebouwing in de omgeving en passend in de stedelijke structuur.
•
De bebouwing staat op gepaste afstand van de weg. Behoud van de boomgaard is leidend.
uitwerking van het dak of een variant hierop
Bijlage 2 Landschappelijk inrichtingsplan
Rho adviseurs voor leefruimte
44003416.20210200