CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

1 Bijlage TL 1. Kanaaldijk Oost 8 _ 9, Nigtevecht.pdf

Raad 26 september 2023, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: 18.: Bestemmingplan 'Verzamelplan Stichtse Vecht'25.890 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

In deze gebieden is de agrarische sector de hoofdgebruiker, maar er vindt ook menging met andere functies plaats. In deze gebieden wordt aan agrariërs ruimte geboden te verbreden en voor innovatie, mits andere agrarische bedrijven niet in de ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een kleinschalige ontwikkeling van een agrarisch bedrijf in het landbouwgebied. Daarbij vindt verbreding plaats. Zoals nader aangetoond en omschreven in de paragraaf "Milieuzonering" (paragraaf 4.1.1) worden met de voorgenomen ontwikkeling geen omliggende bedrijven en/of functies in de ontwikkelingsmogelijkheden beperkt. Daarmee is dus geen sprake van het schaden van de ontwikkelingsmogelijkheden van andere agrarische bedrijven. Daarmee is de voorgenomen ontwikkeling passend in het gebied. Daarnaast zal de locatie, zoals nader is aangetoond en omschreven in de paragraaf "Ecologie" (paragraaf 4.2), niet leiden tot een mogelijke aantasting van natuur en/of natuurlijke waarden en staat de voorgenomen ontwikkeling de verdere realisatie en ontwikkeling van natuurgebieden niet in de weg. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de doelstellingen die de provincie in de omgevingsvisie heeft opgenomen voor "toekomstbestendige natuur en landbouw".

Conclusie Zoals in het voorgaande omschreven zal de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredig nadelige gevolgen hebben op de doelstellingen die de provincie heeft beschreven in de zeven beleidsthema's. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen de beleidsuitgangspunten zoals zijn opgenomen in de Omgevingsvisie provincie Utrecht van de provincie Utrecht. 26

3.2.2 Interim Omgevingsverordening Utrecht Op 10 maart 2021 heeft de provincie Utrecht de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht vastgesteld. De omgevingsverordening bevat een vertaling van het ruimtelijke beleidskader uit de Omgevingsvisie provincie Utrecht naar concrete regels, waarmee de ruimtelijke beleidsvisie van de provincie juridisch is verankerd. Het plangebied maakt in de interim Omgevingsverordening deel uit van : Gebied landschappelijke waarden Landschap Groene Hart Agrarische bedrijven UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies CHS - historische buitenplaatszone Kernrandzone Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de ontwikkeling van een agrarisch bedrijf. In de verordening zijn in artikel 8.1 specifieke regels opgenomen voor agrarische bedrijven. Deze luiden als volgt: "Artikel 8.1 Instructieregel agrarische bedrijven 1. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Agrarische bedrijven bevat geen bestemmingen en regels die voorzien in: a. nieuwe agrarische bouwpercelen, tenzij het gaat om de verplaatsing van een grondgebonden landbouwbedrijf voor het voldoen aan internationale verplichtingen; en b. een omschakeling van grondgebonden agrarisch bedrijf naar niet-grondgebonden veehouderij. 2.

Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Agrarische bedrijven bevat bestemmingen en regels die voorzien in een agrarisch bouwperceel met een oppervlakte van maximaal 1,5 hectare ten behoeve van bestaande agrarische bedrijven, waarbij per bouwperceel maximaal één bedrijfswoning en bedrijfsgebouwen met maximaal één bouwlaag voor het stallen van dieren zijn toegestaan. 3. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Agrarische bedrijven kan bestemmingen en regels bevatten die voorzien in uitbreiding van een bestaand agrarisch bouwperceel voor een grondgebonden veehouderij tot maximaal 2,5 hectare, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing: b. de uitbreiding draagt bij aan verbetering van het dierenwelzijn; c. de uitbreiding draagt bij aan vermindering van de milieubelasting; en d. de uitbreiding draagt bij aan verbetering van de volksgezondheid. 4. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Agrarische bedrijven kan bestemmingen en regels bevatten die nevenactiviteiten toestaan, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. de nevenactiviteit blijft ruimtelijk ondergeschikt aan de agrarische activiteiten; b. de nevenactiviteit vindt plaats binnen het bestaande bouwperceel; c. erfinrichting en bedrijfsbebouwing zijn landschappelijk goed inpasbaar; en d.

omliggende agrarische bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. 5. De motivering van een bestemmingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Een beeldkwaliteitsparagraaf maakt onderdeel uit van de onderbouwing." Ad. artikel 8.1, lid 1: Vanuit dit lid geldt een verbod op nieuwe agrarische bouwpercelen en op de omschakeling van een grondgebonden agrarisch bedrijf naar een niet-grondgebonden veehouderij. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een nieuw bouwperceel en geen sprake van een omschakeling naar een niet-grondgebonden veehouderij. Ad. artikel 8.1, lid 2: Vanuit dit lid mogen agrarische bouwpercelen maximaal 1,5 hectare groot zijn, mag per bouwperceel 27

slechts één bedrijfswoning aanwezig zijn en mag in bedrijfsgebouwen maximaal één bouwlaag worden gebruikt voor het stallen van dieren. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de vergroting van een bestaand bouwperceel. Het huidige bouwperceel is ongeveer 0,45 hectare groot. De oppervlakte van het bouwperceel zal met de voorgenomen ontwikkeling worden vergroot tot 1 hectare. Er is daarmee geen sprake van een bouwperceel van meer dan 1,5 hectare. Verder zijn op de locatie 2 bedrijfswoningen aanwezig. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen betrekking op de realisatie van een nieuwe of extra bedrijfswoning. Ten slotte is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van het stallen van dieren op meer dan één bouwlaag. Ad. artikel 8.1, lid 3: Op basis van dit lid kan onder voorwaarden een bouwperceel van meer dan 1,5 hectare worden toegestaan tot een maximale omvang van 2,5 hectare. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een bouwperceel van meer dan 1,5 hectare. Toepassing aan dit lid is dan ook niet van toepassing. Ad. artikel 8.1, lid 4: Op basis van dit lid kunnen onder voorwaarden nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven worden toegestaan.

Hierbij geldt dat de nevenactiviteiten ondergeschikt moeten zijn aan de agrarische bedrijfsvoering, de nevenactiviteiten plaats moeten vinden binnen een bestaand bouwperceel, de erfinrichting en bebouwing goed inpasbaar moeten zijn en dat omliggende bedrijven niet in de ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het uitvoeren van nevenactiviteiten in de vorm van opslag in het monumentale pand. Deze ruimte is niet geschikt om te gebruiken voor de agrarische bedrijfsvoering. Deze activiteit wordt tegelijkertijd aangevraagd middels een omgevingsverordening en maakt geen deel uit van dit plan. De gewenste nevenactiviteiten zijn zowel in omvang als in arbeidstijd en inkomsten ondergeschikt aan de agrarische bedrijfsvoering. Daarnaast vinden de nevenactiviteiten plaats op een bestaand bouwperceel. Tevens vinden de nevenactiviteiten geheel inpandig in plaats. Deze bebouwing betreft kwalitatief hoogwaardige bebouwing die bijdraagt aan de beleving van het landschap en aan de verbetering van de beeldkwaliteit ter plaatse. Daarmee is de activiteit en de bebouwing goed inpasbaar in het landschap. Ten slotte worden met de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader omschreven en aangetoond in de paragraaf "Milieuzonering" (paragraaf 4.1.1), geen van de omliggende bedrijven en/of functies in de ontwikkelingsmogelijkheden beperkt. Ad.

artikel 8.1, lid 5: Uit bovenstaande uiteenzetting, de planologische regeling zoals opgenomen in artikel 3 van de regels en de beeldkwaliteitsparagraaf zoals opgenomen in paragraaf 2.2.2 blijkt dat aan deze voorwaarde wordt voldaan. Tussenconclusie Aan de eisen van artikel 8.1 wordt voldaan. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Besluit algemene regels ruimtelijke ordening" (paragraaf 3.1.3) en de paragraaf "Omgevingsvisie Utrecht" (paragraaf 3.2.1) is de locatie gelegen in een gebied dat deel uitmaakt van het UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies. Voor ontwikkelingen in de Nieuwe Hollandse Waterlinie zijn in artikel 7.2 de volgende specifieke bepalingen opgenomen: "Artikel 7.2 Instandhouding en versterking (Voorlopige Lijst) UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies 1. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties in het (Voorlopige Lijst) UNESCO 28

Werelderfgoed Hollandse Waterlinies: a. neemt de uitzonderlijk e universele waarde van de Hollandse Waterlinies in acht en bevat bestemmingen en regels ter instandhouding en versterking daarvan; en b. bevat geen bestemmingen en regels die activiteiten toestaan die die waarde aantasten. 2. Als uitzonderlijke universele waarde van de Hollandse Waterlinies gelden de kernkwaliteiten, bedoeld in de Bijlage 14 Cultuurhistorie bij deze verordening en de Gebiedsanalyses Kernkwaliteiten Hollandse Waterlinies. 3. Ontheffing van het eerste lid kan alleen worden verleend als: a. er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang; b. reële alternatieven die de Hollandse Waterlinies niet of minder aantasten ontbreken; c. de aantasting zoveel mogelijk wordt beperkt; en d. er op of nabij de locatie waarvoor ontheffing wordt gevraagd voldoende compenserende maatregelen worden genomen, in de vorm van versterking van de (resterende) uitzonderlijke universele waarde van de Hollandse Waterlinies. 4. De motivering van een bestemmingsplan bevat: a. een beschrijving van de in het plangebied aanwezige uitzonderlijk e universele waarde van de Hollandse Waterlinies, en b.

een beschrijving en motivering van de wijze waarop die waarde in acht is genomen." In feite wordt in dit artikel gesteld dat ontwikkelingen binnen de Nieuwe Hollandse Waterlinie alleen kunnen plaatsvinden als vooraf voldoende duidelijk is dat de kernkwaliteiten en waarden van de Nieuwe Hollandse Waterlinie niet worden geschaad. De belangrijkste te onderscheiden componenten van de uitzonderlijke universele waarde van het Werelderfgoed Hollandse Waterlinies zijn, voor de Nieuwe Hollandse Waterlinie: a. het unieke, in samenhang met het landschap ontworpen negentiende en twintigste-eeuwse hydrologische en militairverdedigingssysteem, bestaande uit: 1. inundatiegebieden; 2. een zone met verdedigingswerken als forten, batterijen, lunetten betonnen mitrailleurkazematten en groepsschuilplaatsen in hun samenhang met de omgeving; 3. voormalige schootsvelden (visueel open) en verboden kringen (merendeels onbebouwd gebied) rondom de forten; 4. waterwerken als waterlichamen, sluizen, inlaten, duikers, en dijken functionerend in samenhang met verdedigingswerken en inundatiegebieden; 5. overige elementen als beschutte wegen, (resten van) loopgraven en tankgrachten; 6. de landschappelijke inpassing en camouflage van de voormalige militaire objecten; en 7. de historische vestingstructuur van de vestingsteden, waaronder Nieuwersluis, gelegen in de Provincie Utrecht; b. de grote openheid; en c.

het groene en overwegend rustige karakter. Tussenconclusie Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een relatief kleinschalige ontwikkeling. De impact op het landschap blijft daarmee zeer beperkt. Het gedeelte is nu in gebruik als landbouwgrond en ligt aansluitend aan het bouwvlak. Daarmee zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een aantasting van de kernkwaliteiten van het UNESCO Werelderfgoed Nieuwe Hollandse Waterlinies. Tevens is de stelling van Amsterdam in het bestemmingsplan ook beschermd met de bestemmingsregel 'Waarde - Cultuurhistorie 3'. Cultuurhistorische hoofdstructuur buitenplaatszone Vecht "Artikel 7.7 Beschermen en benutten van de cultuurhistorische hoofdstructuur 1. In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties gelegen in de Cultuurhistorische hoofdstructuur wordt rekening gehouden met de waarden van de Cultuurhistorische hoofdstructuur en worden regels gesteld ter bescherming en benutting van deze waarden 29

2. Als waarden van de Cultuurhistorische hoofdstructuur gelden de kernkwaliteiten, bedoeld in de Bijlage 14 Cultuurhistorie bij deze verordening, voor de volgende gebieden: a. de Historische buitenplaatszone, die bestaat uit de deelgebieden Stichtse Lustwarande, Langbroekerwetering, Vecht, Amersfoortseweg (Wegh der Weegen), Laagte van Pijnenburg, Valleilandgoederen, Amelisweerd, Kasteel de Haar, Landgoed Linschoten, Maarsbergse Flank en Prattenburg-Remmerstein; 3. De motivering van een bestemmingsplan bevat: a. een beschrijving van de in het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden; en b. een beschrijving en motivering van de wijze waarop rekening is gehouden met deze waarden." De cultuurhistorische waarde van de Historische buitenplaatszone ligt met name in: a. de samenhang van parkstructuren, hoofdhuizen en bijgebouwen; b. de zichtassen en zichtrelaties tussen buitenplaatsen en de omgeving; c. de kenmerken van de buitenplaatszone in relatie tot het onderliggende landschap. De zichtassen en zichtrelaties, die als lange lijnen doorlopen vanuit de buitenplaatsen en landgoederen naar hun omgeving, hebben een directe relatie met de aanleg en structuur van de historische buitenplaatsen en landgoederen. Aantasting van een zichtas/zichtrelatie betekent een directe aantasting van de waarde van de buitenplaats/het landgoed.

Daarom is het van belang dat de nog aanwezige zichtassen en zichtrelaties bij ontwikkelingen worden gerespecteerd en gehandhaafd. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een relatief kleinschalige ontwikkeling. De impact op het cultuurhistorische landschap blijft daarmee zeer beperkt. Er vinden geen wijzigingen plaats aan de structuur van het landschap. Daarnaast wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing. Deze word door een landschapsdeskundige opgesteld. Deze houdt rekening met de aanwezige kernkwaliteiten en cultuurhistorische kenmerken van het landschap. Het volledige landschappelijke inrichtingsplan is in bijlage 2 bij de regels opgenomen. Daarmee zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een aantasting van de kernkwaliteiten van de Historische buitenplaatszone en het UNESCO Werelderfgoed De Nieuwe Hollandse Waterlinie. Tevens is De Nieuwe Hollandse Waterlinie is in het bestemmingsplan ook beschermd met de bestemmingsregel Waarde - Cultuurhistorie 3 en buitenplaatszone Vecht is beschermd met de dubbelbestemming Waarde - Cultuurhistorie 4. Landschap Groene Hart "Artikel 7.9 Instructieregel landschap 1.

Landschap bestaat uit Landschap Eemland, Landschap Gelderse Vallei, Landschap Groene Hart, Landschap Rivierengebied en Landschap Utrechtse Heuvelrug.

2.

De kernkwaliteiten zijn per gebied vastgelegd in de bijlage Bijlage 15 Kernkwaliteiten Landschap bij deze verordening.

3.

Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in Landschap bevat: a.

bestemmingen en regels ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten; en

b.

geen bestemmingen of regels die nieuwe activiteiten toestaan die de k ernkwaliteiten onevenredig aantasten.

4.

De motivering van een bestemmingsplan bevat een beschrijving van de voorkomende kernkwaliteiten en de wijze waarop met de bescherming van de kernkwaliteiten is omgegaan." Tussenconclusie De locatie is gelegen in het landschap dat is aangemerkt als 'Landschap Groene Hart'. Binnen dit landschap zijn de volgende kernkwaliteiten te onderscheiden die zoveel mogelijk dienen te worden behouden: openheid (veen)weidekarakter, inclusief strokenverkaveling, lintbebouwing, etc. 30

landschappelijke diversiteit rust en stilte De locatie is gelegen in een halfopen gebied dat verder is aan te merken als een stroomgordel. Binnen de stroomgordels (oeverwallen) is met name het behoud van het bodemreliëf, de bestaande landschapselementen, het halfopen landschapsbeeld en het plaatselijk weidevogelgebied van belang. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal het totale (maximale) ruimtebeslag in het landschap toenemen. Het bouwvlak wordt vergroot, echter is er met een bouwvlak van circa 1 hectare nog steeds sprake van een kleinschalige locatie. Daarmee zal geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van de openheid van het (half)open landschap. De impact op het landschap blijft daarmee (zeer) beperkt. Op de plaats waar de sloop en bouw zal plaatsvinden is geen sprake van een zichtbaar bodemreliëf. Daarmee zal het bodemreliëf in het landschap niet worden aangetast. Ten slotte worden met de voorgenomen ontwikkeling geen van de aanwezige landschappelijke elementen en/of weidevogelgebieden aangetast. Tevens wordt er met de landschappelijke inpassing aanzienlijk waarde toegevoegd aan het gebied. Hiermee worden de kernkwaliteiten van het landschap versterkt. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een mogelijke aantasting van de kernkwaliteiten van het landschap rivierengebied. Kernrandzone "Artikel 9.8 Instructieregel kernrandzone 1.

Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Kernrandzone k an ten behoeve van het versterken van de ruimtelijke kwaliteit bestemmingen en regels bevatten die verstedelijking toestaan, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. de verstedelijking gaat gepaard met versterking van de ruimtelijke kwaliteit die in een redelijke verhouding staat tot de aard en de omvang van de verstedelijking, tenzij de verstedelijking betrekking heeft op kernrandactiviteiten; b.

de verstedelijking is ruimtelijk en landschappelijk goed inpasbaar en wordt, met uitzondering van windenergie en zonnevelden, in aansluiting op stedelijk gebied gerealiseerd, of in samenhang met overige verstedelijkte structuur;

c.

tijdige en duurzame realisatie van de verhoging van de ruimtelijke kwaliteit is geborgd; en

d.

omliggende functies worden niet onevenredig geschaad.

2.

De motivering van een bestemmingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt op welk gebied deze toepassing betrekking heeft en dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. De onderbouwing bevat ook een beschrijving van de in het plangebied voorkomende ruimtelijke kwaliteit en de wijze waarop met het versterken daarvan is omgegaan. Hierbij wordt aangegeven hoe de verstedelijk ing aansluit op de ruimtelijke en landschappelijke structuur. Een beeldkwaliteitsparagraaf maakt onderdeel uit van de onderbouwing." Tussenconclusie Omdat de voorgenomen ontwikkeling geen verstedelijking mogelijk maakt, is dit artikel niet van toepassing. Conclusie Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de regels zoals zijn opgenomen in de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht van de provincie Utrecht.

31

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Gemeentelijke structuurvisie De gemeenteraad van de gemeente Stichtse Vecht heeft op 12-01-2022 de Omgevingsvisie Stichtse Vecht vastgesteld. Deze structuurvisie bevat het ruimtelijk beleid van de gemeente op hoofdlijnen met een doorkijk naar 2040. De structuurvisie is niet juridisch bindend, maar biedt het ruimtelijk kader bij het opstellen van bestemmingsplannen, waarin de beleidsuitgangspunten worden vastgelegd. Voor de omgevingsvisie Stichtse Vecht zijn bij de start drie overkoepelende opgaven geformuleerd: Aantrekkelijke, bereikbare en gezonde leefomgeving voor wonen, werken en recreëren Versterken van de kwaliteit van cultuurhistorie, landschap en natuur Inspelen op klimaatverandering en ruimte maken voor de energietransitie Uit het proces met de samenleving en de betrokkenen van de gemeente is een behoorlijke lijst met actuele onderwerpen naar voren gekomen waar de omgevingsvisie op in zou moeten gaan. Hieruit hebben we de rode draad van spelende thema’s en opgavengedestilleerd.

Het gaat om de volgende opgaven en verantwoordelijkheden: Gezondheid voor iedereen Ruimte voor de verstedelijkingsopgaven (wonen en werken) Goede bereikbaarheid in een steeds vollere regio Prettig leven in de kernen Ruimte voor recreatie Toekomstbestendig vitaal platteland Werken aan klimaatverandering Gezondheid voor iedereen Het aspect gezondheid bestaat uit gezondhesbevordering en gezondheidsbescherming. Met de Omgevingswet is het verplicht om bij afwegingen over de toekomst van de fysieke leefomgeving gezondheid expliciet mee te nemen. Hierbij heeft de gemeente de volgende opgaven opgesteld: Een gezonde leefsijl stimuleren bij alle inwoners van Stichtse Vescht. Hiefvoor zijn nodig: ruimte voor ontmoeten, een groene leefomgeving en mogelijkheden tot bewegen. Negatieve gezondheidseffecten van de grote infrabundel en de Zuilense Ring zoveel mogelijk beperken/oplossen. Hierbij spelen de aspechten luchtkwaliteit, geluid en externe veiligheid. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan een beter leefklimaat op de locatie. De last op het monumentaal pand neemt af. Echter heeft het plan verder nog geen effecten op het gezondheidsaspect. Wel biedt het plan ruimte voor een toekomstige ontwikkeling waarbij de stal zal worden aangepast ten behoeve van een emmissie reducerende vloer. De voorgenoment ontwikkeling past hiermee binnen de omgevingsvisie.

Ruimte voor de verstedlijkingsopgaven Dit thema gaat over de grote woningbouwopgave bij de OV-knooppunten en de bedrijvigheid. Er is een enorme behoefte aan woningen vanuit de regio en vanuit de Stichtse Vecht zefl. Vanuit de provincie geldt de wens om de bedrijventerreinen in Stichtse Vecht te intesiveren. Daarnaast het bieden van een goede vestigingsplaats en ontwikkelingsruimte voor kleine , lokale ondernemers buiten de bedrijventerreinen. De volgende opgaven zijn de de gemeente opgesteld: Grote aantallen woningen bouwen voor de eigen bevolking en de regio. Versnelde groei. Ontwikkelen/uitvoeren plannen OV-knooppunt Breukelen en omgeving: 1. Op termijn: hoogwaardig woon- en werkmilieu direct rondom OV-knooppunt; 2. Op lange termijn: kansen voor een grote woningbouwlocatie. Eerst goed onderzoek doen. bedrijven goede vestigingslocaties bieden door: 1. Revitaliseren en kwaliteitsverbetering bestaande bedrijventerreinen; 2. Hoogwaardig en toekomstbestendig ontwikkelen en uitbreiden bedrijventerrein Breukelerwaard; 3. Mogelijkheid onderzoeken voor extra ruimte voor bedrijventerrein voor in de toekomst 32

4. Ruimte voor kleine ondernemers om te ondernemen aan huis, zowel in kernen als buitengebied. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling biedt ruimte aan een lokale agrarische ondernemer in het buitengebied. De ontwikkeling heeft geen invloed op woningbouw of bedrijventerreinen. Hiermee past de voorgenomen ontwikkeling binnen de omgevingsvisie. Goede bereikbaarheid in een steeds vollere regio Centraal staat de balans tussen bereikbaarheid aan de ene kant en leefbaarheid en gezondheid aan de andere kant. In de huidige situatie leveren leefbaarheid en gezondheid te veel in. De gemeente wil de goede bereikbaarheid behouden. Er wordt ingezet op het verminderen van de omgevingsruimte die vervoersmiddelen gebruiken. Het verminderen van overlast zorgt voor een betere balans. Een transitie naar duurzaam en schoon vervoer draagt hier aan bij. Hierbij heeft de gemeente de volgende opgaven opgesteld: Inzetten op duurzaam, schoon en informatie-intensief vervoer. Bezoekers via Groene Poorten over laten stappen op schone, duurzame en stille vervoersvormen Lokaal en recreatief fietsgebruik stimuleren met fijnmazig en compleet routenetwerk. Herbezinning op wegontwerp waarbij langzaam verkeer belangrijker wordt. Het gebruik van de stations intensiveren en zorgen voor een doelmatig OV-netwerk. Bedrijventerreinen en werklocaties zijn goed bereikbaar met zowel het OV als de auto.

Rust oostelijke en westelijke veenweidegebieden koesteren en bij ontwikkelingen verbeteren. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling heeft geen invloed op de bereikbaarheid. Hiermee past de voorgenomen ontwikkeling binnen de omgevingsvisie. Prettig wonen in de kernen Voor de vitaliteit van de kleine kernen is het belangrijk dat er een goede bevolkingsbalans is. Er is behoefte aan nieuwe woningen voor jongeren/starters en ouderen. Een vitale en krachtige samenleving staat het best in haar kracht als er ruimte voor eigen initiatief en ontmoeting is. Dit betekent dat de gemeente de samenleving faciliteert met duidelijke regels en meer meedenken in de bedoeling van de plannen. Denken vanuit kansen en minder vanuit risico's. Daarnaast is het van belang dat de voorzieningen voor iedereen goed bereikbaar zijn. Daarom wordt er gestreeft naar een volledig voorzieningennetwerk. In de kleinere kernen zullen nieuwe passende woningen worden gebouwd. Tot 2030 zullen er circa 1.400 nieuwe woningen bij de kernen worden gebouwd. De aanwezigheid van groen en landschap is zeer bepalend voor het woongenot (en klimaatbestendigheid). Hierbij heeft de gemeente de volgende opgaven opgesteld: Samen met de inwoners maken we de optimale leefbaarheidsbalans per kern (wijk). De eigen identiteit van elke kern behouden we. Nieuwe initiatieven dragen bij aan de identiteit.

De samenleving ruimte bieden voor ontmoeting en eigen initiatief. We zorgen voor een volledig voorzieningennetwerk, waarbij de voorzieningen zo goed mogelijk bereikbaar zijn voor iedereen. We bouwen nieuwe passende woningen bij de kleine kernen t.b.v. de vitaliteit. Dit is maatwerk per kern. We bieden ruimte aan werken in de kernen. We zetten in op groen in en rondom de kernen. Elke inwoner heeft in de buurt een parkje, natuurgebied of omliggend landschap. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan het behoud van het groene landschap in de nabijheid van de kern. Verder heeft dit plan geen invloed op de woningbouw of voorzieningen in de omgeving. Ruimte voor recreatie Het buitengebied van Stichtse Vecht is populair als groen uitloopgebied. Er zijn veel bijzondere kwaliteiten zoals kastelen en buitenplaatsen aan de rivier de Vecht. Samen met de historische vechtdorpen vormen zij een bijzondere parelsnoer. Het verhaal van de goudeneeuw, de stelling van Amsterdam en de Waterlinies bieden een bijzondere diversiteit met historische ruimtelijke kwalititeiten. Maar ook biedt het het buiten gebied rust, ruimte en pittoreske dorpskernen karakteristiek voor het Groene Hart. De 33

gemeente wil een goede balans creeren tussen enerzijds ruimte maken en geven aan recreatie en anderzijds het voorkomen van overlast door recreatie. Dit door recreanten beter te spreiden over de hele gemeente. Er zijn grote kansen voor ondernemers op het gevied van recreatie- en ontspanningseconomie. De gemeente biedt ondernemersruimte als de ontwikkeling bijdraagt aan de kwaliteiten/identiteit.Zo denken ze actief mee met agrarische ondernemers die willen verbreden t.b.v. de gewenste landbouwtransitie naar Kringlooplandbouw en duurzaam tourisme. De gemeente heeft hierbij de volgende opgave geformuleerd: We zorgen voor een betere spreiding van de recreanten over de hele gemeente. Door te focussen op kwaliteiten trekken we de juiste bezoekers. De recreatieve aantrekkingskracht is toekomstbestendig door de verschillende identiteiten van Stichtse Vecht te koesteren. We werken gebiedsgericht en gaan zorgvuldig om met de waarden. We zetten in op duurzame en schone vrijetijdsmobiliteit. We bieden ondernemersruimte in de recreatie- en ontspanningseconomie als de ontwikkeling bijdraagt aan de kwaliteiten/identiteit. Hiervoor gaan we de verhaallijnen goed faciliteren. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan het behoud van een groen landschap en het behoud van historisch erfgoed.

Het agrarische landschap is van groot belang bij het behoud van groen en ruimte, het maakt deel uit van de historische ruimtelijke kwaliteiten. Hierdoor wordt en blijft de historie beleefbaar. Toekomstbestendig vitaal platteland In het veenweidegebied is de melkveehouderij de belangrijkdst drager en beheerder van het landschap. Het beeld en de beleving van de kenmerkende groeneweilanden met sloten en koeien worden door de meeste mensen hoog gewaardeerd. De gemeente wil ondernemersruimte om binnen de landbouw te ontwikkelen, maar ook om te verbreden. Daarmee worden agrarische bedrijven als individuele ondernemening gezien Echter is uitbreiding buiten de verleend natuurbeschermingswet-vergunning moeilijk.De gemeente denkt mee in mogelijkheden ruimte geven aan groei met behoud van de erfstructuur en landschappelijk waarden. Landelijk is de belangrijkste trend in de afgelopen decennia schaalvergroting van de hoeveelheid vee. Schaalvergroting kan bij voorkeur alleen wanneer dit past bij de bedrijfsvoering en wanneer in onbruik geraakte bijgebouwen gesloopt worden. Samen met de agrariërs willen we kijken hoe we ruimte kunnen geven aan groei met behoud van de erfstructuur en de landschappelijk waarden.Hierbij kan ontwikkeling van de landbouw richting natuur-inclusief en kringlooplandbouw tot de mogelijkheden behoren. Daar horen professionalisering, modernisering en innovatie bij.

De gemeente ziet veel kansen voor goei van de eeconomische omvang van de landbouw in verbreding. Hiermee kan aansluiting worden gezocht op het gebied van recreatie en wordt de gebruikswaarde van het landelijk vergroot. In de toekomst is er nog 40% van de huidige agrarische bedrijven over. Naast ruimte voor de agrariërs dient ook nagedacht te worden over vervolgfuncties voor de stoppende agrarische bedrijven. Wonen, recreatie en natuur zijn de meest voor de hand liggende opties. Daarbij moet wel goed afgewogen worden wat dit betekent voor de agrariërs die wel doorgaan. De gemeente heeft hierbij de volgende opgave geformuleerd: We bieden ontwikkelruimte binnen de landbouw als het omgevingsbeslag kleiner wordt. Dit kan door intern salderen of extern salderen. Professionalisering, modernisering, innovatie in combinatie met verbreding dragen hier aan bij. Opschaling van vee (meer dieren per ha.) is alleen mogelijk als er een substantiële landschappelijke en/of maatschappelijke meerwaarde wordt geleverd. De meest kansrijke economische groeimogelijkheden voor de landbouw zitten in de verbreding en in duurzamer en natuurinclusiever. De gemeente stimuleert en faciliteert waar mogelijk de agrariërs die willen verbreden en/of duurzamer en natuurinclusiever willen worden. We gaan naar een multifunctioneler platteland.

Daarbij streven we naar een gevarieerder, duurzamer/natuurinclusiever en multifunctioneel landschap met een hogere opvangcapaciteit voor nevenfuncties en natuur. De bodemdaling en veenoxidatie willen we stoppen of vertragen. Voor dit transitieproces is een integrale en gebiedsgerichte aanpak een geschikt middel. Wij willen dit gezamenlijk oppakken met buurgemeenten en Provincie. Wij vinden dat de Provincie (en/of Rijk) hier een leidende rol heeft. We winnen tijd door de bodemdaling en veenoxidatie te vertragen m.b.v. onderwaterdrainage. We onderzoeken samen met de samenleving de mogelijkheden voor een toekomstbestendig plan voor Veenweidegebied West. Dit kunnen ook meerdere kleine plannen worden. 34

We geven mede invulling aan de EVZ’s uit de POVI. De provincie Utrecht is hiervoor verantwoordelijk. We gaan richtlijnen maken voor hoe om te gaan met vrijkomende agrarische bebouwing (VAB’s) en de bijbehorende stikstofruimte. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling betreft een toekomstbestendige ontwikkeling van een melkveehouderij. Er is geen sprake van opschaling maar van een efficienter en beter ingedeeld erf. De locatie is gelegen in een gebied waar de doelstelling business as usual betreft. Met de ontwikkeling wordt het agrarische bedrijf en omliggende landschap behouden. Hiermee draagt de voorgenomen ontwikkeling bij aan de omgevingsvisie van de gemeente. Werken aan klimaatverandering Het klimaat verandert wereldwijd, veroorzaakt door de uitstoot van koolstofdioziden en andere broeikasgassen. Ook in de Stichtse Vecht zijn de veranderingen te ervaren., zo wordt het weer extremer, meer regenval en langere perioden van droogte en hittegolven. Ook stijgt het risico op overstromingen door grotere rivierafvoeren. Om onze omgeving nu en in de toekomst leefbaar en aangenaam te houden, werken we via twee sporen aan klimaatverandering: We passen ons aan aan de gevolgen van klimaatverandering (klimaatadaptatie). We beperken verdere klimaatverandering door minder broeikasgassen uit te stoten (klimaatmitigatie).

Klimaatverandering vergroot de kans op: wateroverlast door hevige regenbuien, langere periodes van droogte, hittestress en overstromingen. Om de overlast en schade te beperken zijn ruimtelijke maatregelen én brede bewustwording nodig. Bij nieuwe ontwikkelingen is een robuust en toekomstbestendig bodem- en watersysteem uitgangspunt voor hoe je ontwikkelt en waar je ontwikkelt. Technische oplossingen kunnen oplossingen bieden om op, vanuit bodem en water gezien, onlogische plaatsen toch te ontwikkelen. Het bodem- en watersysteem is gemeente overschrijdend. Daarnaast staan we voor een ingrijpende energietransitie. Het Nationaal Klimaatakkoord geeft richting met een beoogde CO2-reductie van 49% in 2030 t.o.v. 1990. We willen in 2040, uiterlijk 2050, alleen nog maar duurzaam opgewekte energie gebruiken. Om een groener en klimaatbestendiger Stichtse Vecht te worden, werken we naast duurzame energieopwekking aan energiebesparing, duurzame mobiliteit, warmtetransitie (aardgasvrij) en klimaatadaptatie. We beperken ons ruimtegebruik door nieuwe functies slim te combineren. We zoeken bij het opwekken van duurzame energie zoveel mogelijk naar een combinatie van functies en/of maatregelen om de natuur-, landschaps- en cultuurhistorische waarden te verbeteren evenals de recreatieve beleving.

We realiseren zoveel mogelijk zon op daken en gevels door inwoners, agrariërs en bedrijven te stimuleren zonnepanelen op hun daken en gevels te leggen. Voor grondgebonden zonne-energie hebben we de voorkeursvolgorde vastgelegd in het beleidskader zonnevelden. De gemeente heeft in de visie de volgende opgaven geformuleerd: Klimaatadaptatie Bewustwording van de ruimtelijke impact van reageren op de klimaatverandering. Meer ruimte voor groen en water t.b.v. verkoeling, water vasthouden en bergen. Robuust en toekomstbestendig bodem- en watersysteem leidend bij ontwikkelingen. De bodemdaling en veenoxidatie stoppen/vertragen in veenweidegebied. Klimaatmitigatie Klimaatbestendiger Stichtse Vecht door slim ruimtegebruik, duurzame mobiliteit, minder veenoxidatie, energiebesparing, warmtetransitie (aardgasvrij) en de opwek van zonne-energie. Er wordt binnen Stichtse Vecht minimaal 0,1 TWh duurzame energie opgewekt voor 2030 en minimaal 021 TWH voor 2040. De focus ligt in de nabije toekomst op zonne-energie. Hierbij hanteren we onze voorkeursvolgorde. Voor de lange termijn zetten we ook in op andere vormen van duurzame energie. Daarvoor doen we eerst onderzoek (en pilots). We bespreken met de buurgemeenten hun energieplannen en werken waar mogelijk samen. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan de klimaatdoelstellingen van de gemeente.

De nieuwe jongveestal wordt duurzaam en klimaatbestendig gebouwd. Daarnaast wordt het dak tevens geschikt voor 35

het opwekken van zonne-energie. Hiermee past de ontwikkeling binnen de gemeentelijke omgevingsvisie De locatie is gelegen binnen de belevingszone van de langzame Vecht. Hier zijn veranderingen alleen mogelijk als ze de typische beleving van de Langzame Vecht behouden en/of versterken. De bestaande kwaliteiten op het gebied van erfgoed, cultuurhistorie en landschap zijn leidend. De belevingszone is over het algemeen maar een smalle zone, zeker in de kernen. Daardoor valt een groot deel van het gebied buiten de belevingszone. Hier is de bandbreedte breder voor ontwikkelingen die aanvullend zijn op de typische beleving van de Langzame Vecht. De gewenste ontwikkeling is nodig voor het behoud van een duurzame toekomstbestendige agrarische locatie. Het agrarische bedrijf maakt deel uit van het typische landschap. De ontwikkeling draagt tevens bij aan het behoud van het monumentale erfgoed en doormiddel van de landschappelijke inpassing aan de kwaliteit van het landschap. Dit komt de beleving ten goede. Conclusie Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de uitgangspunten van de structuurvisie van gemeente Stichtse Vecht. 3.3.2 Toekomstvisie De gemeente Stichtse Vecht heeft op 29 januari 2013 de Toekomstvisie Stichtse Vecht 2013-2040 'focus op morgen' vastgesteld. .

In de toekomstvisie is opgenomen waar de gemeente goed in is, wat de kernwaarden van de gemeente zijn, wat de gemeente belangrijk vindt en wat de gemeente graag wil behouden. Het is een visie waarmee een duurzaam afwegingskader wordt neergelegd. Duurzaam in die zin waarbij economie en ecologie hand in hand gaan. En duurzaam in de zin van het streven duurzaamheid in het beleid en handelen te verankeren. De toekomstvisie biedt een meetlat waarlangs bestuurlijke en beleidsmatige keuzes gemaakt kunnen worden. Deze toekomstvisie bevat vier hoofddelen: een beschrijving van de kernkwaliteiten van Stichtse Vecht; inzicht in de trends en ontwikkelingen waarvoor de gemeente zich gesteld ziet; de opgaven en kansen voor de toekomst; het gevolg geven aan de visie en het verder ontwikkelen van deelvisies op Stichtse Vecht. De kernkwaliteiten van Stichtse Vecht zijn voor een belangrijk deel gevormd door de ligging en de historie van het gebied. Betekenis krijgen deze kernkwaliteiten pas door het belang dat mensen er aan hechten. Mensen beïnvloeden het gebied en het gebied de mensen: het is die wisselwerking die het DNA bepaalt. Het gebied dat de gemeente beslaat is groot en divers: van landelijk en dorps tot stedelijk groot en druk. Het landschap, ontstaan vanuit de middeleeuwse ontginning (turfstekers), heeft de basis gelegd voor het huidige gebruik.

Behoud van het landschap met haar eeuwenoude buitenplaatsen en ontginningsstelsel geeft de leefomgeving identiteit en toekomstwaarde. Het behoud van het landschap wordt door de gemeente gezien als een cruciale opgave voor de toekomst. Binnen de gemeente zijn meer dan 60 agrariërs actief. Zij zijn de beheerders en dragers van het landschap. Door ruimte te bieden aan verbreding van functies kunnen meer agrariërs behouden blijven voor dit gebied. Hierdoor kan het landschap zijn cultuurhistorische en landschappelijke waarden behouden en versterken. Planspecifiek De initiatiefnemer is 1 van de meer dan 60 agrariërs in het gebied. De uitbreiding van het bouwvlak en het wijzigen van de tweede bedrijfswoning naar plattelandswoning draagt bij aan de realisatie van een toekomstbestendig bedrijf. De melkveehouderij is een belangrijk onderdeel voor het behoud van het landschap en de identiteit van de leefomgeving. Hierbij is ruimte voor ondernemerschap nodig om zo een vitale economische bedrijfsvoering mogelijk te maken.

36

3.3.3 Perspectiefnota Landbouw De gemeente Stichtse Vecht heeft mei 2021 de perspectiefnota Landbouw opgesteld. Gemeente Stichtse Vecht heeft de ambitie om te werken aan een vitaal platteland, met de agrarische sector als belangrijke economische drager. Naast landbouw betreft dit ook onder andere recreatie,natuuren landschapsbeheer en duurzame energieproductie. Om toekomstige ontwikkelingen in de agrarische sector mogelijk te maken, wil de gemeente ruimte bieden in haar Omgevingsvisie. Om inzicht te krijgen in de toekomstige ontwikkelingen is CLM Onderzoek & Advies gevraagd een toekomstvisie vanuit agrarisch perspectief en met betrokkenheid van agrariërs op te stellen en daarop onafhankelijk te reflecteren. De ondergrond in gemeente Stichtse Vecht, deels veen en deels klei, vormen een uitstekende basis voor grasland. Op maar liefst 95% van de gronden groeit gras, overwegend voor melkkoeien. Melkveehouders zijn verreweg de belangrijkste groep agrarische ondernemers in de gemeente. Zij houden vaak naast hun melkkoeien en jongvee, ook wat schapen. Gemiddeld zijn de bedrijven 20% tot 25% kleiner dan het landelijk gemiddelde. Ook in Stichtse Vecht worden agrarische bedrijven groter. Zij nemen gronden van stoppende collega’s over en gaan meer dieren houden. Relatief veel agrarisch ondernemers, een derde van het totaal, spannen zich in voor het beheer van natuur en landschap.

Graslandbedrijven in een open buitengebied met koeien en schapen in de wei en agrarische natuur geven kleur aan het buitengebied van gemeente Stichtse Vecht. De bedrijfsvoering wordt gereguleerd door wet- en regelgeving van de Europese unie, het rijk, de provincie en de gemeente. Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, mest- en ammoniakbeleid, de natuurbeschermingswet en het bestemmingsplan vormen belangrijke kaders ter bescherming van de omgeving. In de nabije toekomst krijgen agrarisch ondernemers te maken met nieuwe maatschappelijke opgaven. Dat zijn het voorkomen en omgaan met klimaatverandering, de productie van duurzame energie, bevorderen van natuur en biodiversiteit, en ruimte bieden aan wonen, werken en recreëren. Al deze opgaven vergen ruimte en in combinatie met bestaande regelgeving is er grote behoefte aan gronden en ontstaat er drukte in het landelijk gebied. Die drukte vormt een bedreiging voor agrarisch ondernemers, voor de kwaliteit van het buitengebied en daarmee ook voor de leefomgeving van inwoners van gemeente Stichtse Vecht. Voor de landbouw zijn vier belangrijke trends te onderscheiden. Bedrijven kunnen verder gaan op de ingeslagen weg (‘business as usual’), verdergaand verduurzamen (bijv. natuurinclusieve kringlooplandbouw), bedrijfsvoering verbreden (bijv. recreatie, toerisme of verkoop aan huis) en functieverandering inclusief bedrijfsbeëindiging (bijv.

grootschalige energieproductie en woningbouw). Daarnaast zijn er in de gemeente deelgebieden te onderscheiden met specifieke kwaliteiten en omstandigheden. Door verschillende ambities van agrarische ondernemers en potenties in elk deelgebied zal de huidige diversiteit van agrarische bedrijven ook in de toekomst blijven. Die diversiteit draagt bij aan de aantrekkelijkheid van het buitengebied en vormt een kracht van de gehele agrarische sector in de gemeente. Agrarisch ondernemers geven aan dat het niet nodig is om specifiek sturing te geven aan deze trends. Veel bedrijven zijn relatief kleinschalig, met koeien in de wei en hebben aandacht voor natuur en landschap. Daarmee sluit hun huidige bedrijfsvoering reeds aan op een breder in de samenleving bestaand wensbeeld. Zuivelfabrieken en andere afnemers stimuleren met financiële prikkels en kwaliteitseisen agrarisch ondernemers verder in de richting van een nog duurzamere bedrijfsvoering. De gemeente zou ruimte kunnen bieden voor specifieke opgaven, zoals de productie van duurzame energie, de bouw van woningen en bedrijven, en kunnen zorgen voor infrastructuur voor recreatie en toerisme. Planspecifiek Op de locatie is sprake van een relatief kleine melkveehouderij. Als belangrijke gebruiker van het landelijk gebied, bied de melkveehouderij een grote bijdrage aan de cultuurhistorie van het buitengebied van gemeente Stichtse Vecht.

Het bestaande bouwvlak biedt te weinig ruimte om de maatschappelijk gewenste agrarische ontwikkeling mogelijk te maken. Meer ruimte voor de dieren, een beter dieren welzijn en verduurzaming zijn noodzakelijk voor een houdbare agrarische bedrijfsvoering. Tevens biedt de nieuwe stal mogelijkheden om bij te dragen aan de energietrasitie. Met zonnepanelen op het dak is het mogelijk om duurzame energie te produceren. Productie van duurzame energie is het best te realiseren op daken in verband met multifunctioneel ruimtegebruik en daarmee een kleinere impact op het landschap dan met 37

zonneweides. Tevens versterkt dit de economische basis van het agrarische bedrijf. Daarnaast is een van de grootste maatschappeijlke opgaves in Nederland, de sterk groeiende vraag naar woonruimte. Met de tweede bedrijfwoning die overbodig is geworden, wil de initiatiefnemer ruimte creeëren voor derden. Een geschikte woning voor mensen die in het landelijke gebied willen wonen. Hiermee sluit het plan aan op de weg naar een vitaal platteland in de Stichtse Vecht welke is beschreven in de 'Perspectiefnota Landbouw'. 3.3.4 Landschapsontwikkelingsplan Breukelen - Loenen In het kader van de actualisatie van de landschapsonderhoudsplannen hebben de voormalige gemeenten Breukelen en Loenen besloten om gezamenlijk een landschapsontwikkelingsplan te ontwikkelen. Het landschapsontwikkelingsplan is van februari 2008, heeft betrekking op het buitengebied en is opgesteld voor de komende 10 tot 15 jaar. Daarnaast worden voor nieuwe ontwikkelingen landschappelijke randvoorwaarden aangegeven.

Het plangebied is gelegen binnen het deelgebied 'Weidelandschap Oost' en hiervoor zijn de volgende opgaven en doelstellingen opgenomen: behouden van de open agrarische weidegebieden, als contrast met de verdichte stroomruggen streven naar versterking van de landschappelijke aantrekkelijkheid door de aanleg van enkele kleine landschapselementen of oeverbeplantingen, versterken erfbeplantingen en het versterken van cultuurhistorische lijnen in het landschap ontwikkelingsmogelijkheden bieden voor agrarische bedrijven, binnen landschappelijke kaders met behoud van landschapskwaliteiten verbeteren weidevogelkwaliteit door aangepast agrarisch beheer in de iets grotere polders ten noorden van Nieuwersluis, natuurontwikkeling in polder Mijnden ten behoeve van de weidevogels ontwikkelen natuur gerelateerd aan sloten en boezemlanden, verbinden van natuurgebieden en uitbreiden natuurwaarden via ecologische verbindingszones ten noorden van Breukelen en ten zuiden van Nijenrode ontwikkelen natte as langs de Nieuwe Wetering versterken recreatieve paden, aansluitend op de kernen en cultuurhistorische lijnen in het landschap. Afstemmen van recreatieve routes op de rust in weidevogelgebieden Planspecifiek Onderhavig plan heeft betrekking op een relatief kleine ontwikkelingin relatie tot het landschap. Het voorziet in de uitbreiding van een grondgebonden melkveehouderijbedrijf.

Dit sluit aan bij de doelstelling om ontwikkelingsmogelijkheden te bieden aan agrarische bedrijven. Met het landschappelijk inrichtingsplan wordt tevens invulling gegeven aan de doelstelling om te voorzien in een versterking van de erfbeplantingen. Hiermee sluit het plan aan op de doelstellingen die opgenomen zijn in het landschapsontwikkelingsplan Breukelen - Loenen. 3.3.5 Beeldkwaliteitsplan Bruikelen en Loenen Doelstelling van het beeldkwaliteitplan voor het totale buitengebied van Loenen en Breukelen is om de bestaande beeldkwaliteit van het landelijke gebied te behouden en waar mogelijk te versterken. Het plan streeft daarom naar beeldkenmerken die passen bij de ontstaansgeschiedenis en karakteristieken van het buitengebied. Beeldkwaliteit wordt beschouwd als een belangrijk aspect van de leefomgeving. Inzicht in de bestaande kwaliteiten vormt enerzijds het uitgangspunt voor behoud en versterking van de karakteristieke kwaliteiten, anderzijds is hierop het ontwikkelingskader voor nieuwe ontwikkeling in het buitengebied gebaseerd. Ook kleinschalige natuurontwikkelingen maken hier deel van uit. Het beeldkwaliteitplan sluit aan op het Landschapsontwikkelingsplan Breukelen - Loenen. Het landschapsontwikkelingsplan geeft een visie op de functies, de bestaande landschapskarakteristiek en de gewenste landschapsontwikkeling van de verschillende deelgebieden.

Het beeldkwaliteitplan gaat in op de samenhangende beeldkwaliteit van bepaalde structuren en op het lagere schaalniveau van daarbinnen gelegen erven, bebouwing en kleinschalige landschapselementen, zoals beplantingen en water. Het plangebied is gelegen binnen het deelgebied 'Weidelandschap Oost'. De weidegebieden zijn vanuit de 38

stroomruggen ontgonnen. Ten aanzien van erven zijn de volgende richtlijnen opgenomen: Behouden van landelijke beeldkwaliteit bij nieuwe ontwikkelingen: weinig verhardingen en verlichting, gebruik maken van landschappelijke beplantingen Nieuwe ontwikkelingen dienen niet de openheid van de polders aan te tasten, maar kunnen ruimtelijk het beste aansluiten bij bestaande erven Bestaande beplantingen dienen gehandhaafd te blijven Gezien de solitaire ligging van de erven is een goede begeleiding van bedrijfsgebouwen met beplanting gewenst Hoofdrichting van gebouwen aansluiten bij de lengterichting van de percelen Planspecifiek De uitbreiding van de melkveehouderij middels een jongveestal en diverse voeropslagen betreft een ontwikkeling van een bestaand erf. Ter plaatse is geen duidelijk lengterichting van percelen herkenbaar, waardoor het verantwoord is om deze voorzieningen oost-west te oriënteren. Onderhavige ontwikkeling gaat gepaard met een versterking van de landschappelijk inpassing, wat bijdraagt aan een goede begeleiding van bedrijfsgebouwen met beplanting. Hiermee sluit het plan aan op de doelstellingen die opgenomen zijn in het beeldkwaliteitsplan. 3.3.6 Welstandsnota Op 18 december 2012 hebben de burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht de Welstandsnota Stichtse Vecht 2013 vastgesteld.

Doel van de welstandstoets is het behartigen van het publieke belang door de lokale overheid, waarbij de individuele vrijheid van de burger of ondernemer wordt afgewogen tegen het aanzien van hun omgeving als algemene waarde. Waar ruimtelijk beleid zoals de bestemmingsplannen onder meer het ruimtebeslag en de plek regelt, regelt het welstandsbeleid de verschijningsvorm van bouwwerken. Met het uiterlijk van een bouwwerk wordt iedere voorbijganger geconfronteerd. Het beleid is opgesteld vanuit de gedachte, dat welstand een bijdrage levert aan de totstandkoming en het beheer van een aantrekkelijke bebouwde omgeving. Een belangrijke pijler van de welstandsnota is het gebiedsgerichte welstandsbeleid. Voor elk welstandsgebied is het gewenste welstandsniveau aangegeven. Het welstandsniveau sluit zoveel mogelijk aan bij het gehanteerde ruimtelijk kwaliteitsbeleid en de gewenste ontwikkelingen. Het plangebied heeft een welstandsniveau “belangrijk”. In de beschermde dorpsgezichten dient extra aandacht besteedt te worden aan de culturhistorische kwaliteit. Hier is een extra inspanning ten behoeve van het behoud en anders een versterking van de ruimtelijke kwalitiet gewenst. Planspecifiek Middels het landschappelijk inrichtingsplan is inzichtelijk gemaakt dat ruimtelijke kwaliteit ter plaatse versterkt wordt.

De aanvraag omgevingsvergunning voor onderhavige stal volgend op onderhavige procedure zal getoetst worden aan het Welstandsregime waardoor het initiatief niet strijdig zal zijn met de Welstandsnota.

39

Hoofdstuk 4 4.1

Ruimtelijke- en milieuaspecten

Milieu

4.1.1 Milieuzonering Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geur, stof, geluid en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen: 1. het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen); 2. het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. In de VNG handreiking zijn richtafstanden opgenomen op het gebied van geur, stof, geluid en gevaar. Indien niet aan de in de handreiking opgenomen afstanden wordt voldaan is mogelijk sprake van milieuhinder aan de betreffende gevoelige functies.

De genoemde afstanden betreffen echter geen harde normen maar richtafstanden waarvan, mits goed gemotiveerd, kan worden afgeweken. Dit houdt in dat wanneer niet aan de afstanden wordt voldaan een nadere motivatie noodzakelijk is waaruit blijkt dat geen onevenredige hinder wordt veroorzaakt. Planspecifiek t.a.v. de uitbreiding: Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van uitbreiding van het bouwvlak voor een melkveehouderij. Ten aanzien van een melkrundveehouderij zijn in de handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 100 meter. Stof: 30 meter. Geluid: 30 meter. Gevaar: 0 meter. Het dichtstbijzijnd gevoelig object bevindt zich op een afstand van ongeveer 60 meter (gemeten van rand bouwvlak tot rand bouwvlak gevoelig object te Klein Muiden 15). Hiermee wordt niet aan de gestelde richtafstanden op het gebied van geur voldaan. Echter blijkt uit de paragraaf 4.1.2 Geur aangetoond dat er met de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredige hinder wordt veroorzaakt aan gevoelige objecten in de omgeving.

40

Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving mag veroorzaken mag deze ook niet leiden tot beperkingen van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen. Dit is echter vooral van belang wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. t.a.v. de plattelandswoning: Bij de voorgenomen ontwikkeling zal een bedrijfswoning worden omgezet in een plattelandswoning. Dit betreft een gevoelig object. Echter verandert er niets voor derden ten opzichte van de huidige situatie. Het beschermingsniveau van een bedrijfswoning of een plattelandswoning is hetzelfde ten opzichte van derden. Hiermee zullen omliggende bedrijven, functies en bestemmingen t.o.v. de huidige situatie door het toekennen van een aanduiding 'plattelandswoning' niet in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.

4.1.2 Geur De Wet geurhinder veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Het tijdstip van inwerkingtreding van de wet is vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 12 december 2006. Op 18 december 2006 is de Wet geurhinder en veehouderij gepubliceerd. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Hiervoor dienen de minimale afstanden van 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom te worden aangehouden. Deze afstanden gelden van emissiepunt van het dierenverblijf tot de gevel van het gevoelige object (ook wel rand bouwvlak, aangezien de woning verplaatst kan worden). In de gemeentelijke 'Verordening geurhinder en veehouderij landelijke gebied gemeente Stichtse Vecht' is in artikel 3 de vaste afstand gehalveerd.

De afstand tussen de gevel van het dierenverblijf en de gevel van het gevoelige object geldt dan een minimale afstand van 50 meter bij objecten binnen de bebouwde kom en 25 meter bij objecten buiten de bebouwde kom vast gesteld. Planspecifiek 41

t.a.v. de uitbreiding: Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een melkveehouderij. Voor melkkoeien en jongvee zijn geen geuremissiefactoren vastgelegd. Dit betekent dat voor de gewenste ontwikkeling de vaste afstanden aangehouden dienen te worden. Het dichtstbijzijnd geurgevoelig object (Klein Muiden 15) is gelegen op een afstand van ongeveer 115 meter (gemeten van emissiepunt van de stal tot aan het bouwvlak van de woning). Het gevoelige object is gelegen binnen de bebouwde kom, op basis van de gemeentelijke verordening geldt een minimale afstand van 50 meter. Hiermee wordt aan de vaste afstanden voldaan en zal geen sprake zijn van een onevenredige geurhinder aan gevoelige objecten in de omgeving. Voor de nieuwe stal geldt de geurverordening niet. Bij nieuwe stallen moet de afstand van 100 meter worden aangehouden. De nieuwe stal komt op een afstand van 115 meter. t.a.v. de plattelandswoning: Een plattelandswoning is een voormalige agrarische bedrijfswoning die door derden, die geen functionele binding hebben met het bedrijf, mag worden bewoond. Plattelandswoningen worden niet beschermd tegen milieugevolgen van het agrarisch bedrijf waartoe de woning voorheen behoorde, met uitzondering van luchtkwaliteit. De plattelandswoning blijft een agrarische bedrijfwoning bij het agrarisch bedrijf. Voor het aspect geur gelden de regels van de ‘Wet plattelandswoningen’.

Dit houdt in dat de woning van rechtswege beschouwd wordt als onderdeel uitmakend van de inrichting van het bijbehorende bedrijf (dus als bedrijfswoning). Hetgeen er op neerkomt dat de woning niet wordt beschermd tegen geuremissies/vaste afstanden voor geur van de eigen inrichting. Ten aanzien van geuremissies van andere agrarische bedrijven in de omgeving wordt een plattelandswoning beschouwd als een bedrijfswoning. In zoverre verandert er niets in het beschermingsniveau van deze woning. Er dient voldaan te worden aan de vaste afstandscriteria zoals opgenomen in artikel 3, tweede lid en artikel 5, eerste lid onder b van de Wgv. Hierin is bepaald dat het emissiepunt van een veehouderij met zowel dieren met geuremissiefactor als met afstandsdieren is gelegen op 50 meter van een bedrijfswoning welke is gelegen buiten de bebouwde kom. Daarnaast geldt dat de afstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een bedrijfswoning gelegen buiten de bebouwde kom 25 meter bedraagt. In deze situatie zijn er in een cirkel van 50 meter van de betreffende bedrijfswoning geen dierenverblijven behorende tot een andere inrichting aanwezig.

Op basis van artikel 5, tweede lid van de Wgv wordt geconcludeerd dat het toekennen van de functieaanduiding 'plattelandswoning ter plaatse van de tweede bedrijfwonining Kanaaldijk Oost 9 er niet toe leidt dat er omliggende bedrijven in hun bedrijfsvoering worden beperkt t.o.v. de vigerende situatie. De status van plattelandswoning geeft immers evenveel beperkingen als de status van bedrijfswoning. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect geur geen belemmering vormt voor onderhavig plan. 4.1.3 Luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer (Wmb) goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. Met name paragraaf 5.2 uit Wmb is veranderd. Omdat paragraaf 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe paragraaf 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen.

Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) voor fijnstof en stikstofoxiden 42

(NO2). Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit. Planspecifiek t.a.v. de uitbreiding: Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen toename van dieren en tevens geen toename van verkeer, dus geen toename van emissie. Hiermee heeft de voorgenomen ontwikkeling geen invloed op de luchtkwaliteit. t.a.v. de plattelandswoning: Naast het feit dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden dient, wanneer nieuwe gevoelige objecten worden opgericht, tevens te worden aangetoond dat ter plaatse van de nieuwe gevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit kan worden geborgd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/2312/documents/49237