1 Bijlage TL 1. Kanaaldijk Oost 8 _ 9, Nigtevecht.pdf
Tekst van het document
KANAALDIJK OOST 8 & 9 NIGTEVECHT (BP) bestemmingsplan
Kanaaldijk Oost 8 & 9 Nigtevecht (BP) bestemmingsplan
Concept
Projecleider Johan den Hollander Projectmedewerker RO Maaike Sinke
Datum: 24 mei 2023
2
Inhoudsopgave Toelichting
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding voor het plan 1.2 Planlocatie 1.3 Geldende bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie 2.2 Gewenste situatie Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid Hoofdstuk 4 Ruimtelijke- en milieuaspecten 4.1 Milieu 4.2 Ecologie 4.3 Archeologie en cultuurhistorie 4.4 Verkeer en parkeren 4.5 Wateraspecten Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.3 Handhaving Hoofdstuk 6 Wijze van bestemmen 6.1 Doel en reikwijdte 6.2 Onderdelen van een bestemmingsplan 6.3 Voorliggend plan
Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1 Bijlage 2
situatietekening op schaal Aerius berekening
Planregels Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Agrarisch met waarden Artikel 4 Waarde - Archeologie 4 Artikel 5 Waarde - Cultuurhistorie 3 Artikel 6 Waarde - Cultuurhistorie 4 Artikel 7 Waarde - Landschap Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 8 Anti-dubbeltelregel Artikel 9 Algemene bouwregels Artikel 10 Algemene gebruiksregels Artikel 11 Algemene afwijkingsregels Artikel 12 Algemene wijzigingsregels
6 6 7 7 10 11 11 12 18 18 22 32 40 40 50 56 59 59 63 63 63 63 65 65 65 67
69 70 72
123 124 124 132 134 134 141 143 144 145 147 147 148 150 151 152 3
Artikel 13 Algemene procedureregels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 14 Overgangsrecht Artikel 15 Slotregel
Bijlagen bij de regels Bijlage 1 Bijlage 2
Staat van bedrijfsactiviteiten Landschappelijk inrichtingsplan
153 154 154 155
157 158 168
4
T oelichting
5
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding voor het plan
Voorliggend plan betreft een een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan "Landelijk gebied Noord" van gemeente Stichtse Vecht ten behoeve van het vergroten van het bouwvlak en het omzetten van de tweede bedrijfswoning (nr. 9) in een plattelandswoning. De initiatiefnemer is voornemens een nieuwe jongveestal en machineberging te bouwen. Het bouwvlak is met de huidige bebouwing en bij het bedrijf behorende voorzieningen echter reeds vrijwel volledig benut en biedt niet voldoende ruimte voor een verdere uitbreiding van het bedrijf ter plaatse. Om de gewenste nieuwbouw mogelijk te maken is een vergroting van het bouwvlak ter plaatse noodzakelijk. Daarnaast staat de tweede bedrijfswoning niet meer ten dienste van het agrarisch bedrijf. De tweede bedrijfswoning wordt daarom omgezet in een plattelandswoning. In het hoofdstuk "Planbeschrijving" (hoofdstuk 2) wordt het initiatief verder toegelicht, daar is ook een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling is noodzakelijk om een aantal redenen. De huidige bedrijfsbebouwing ter plaatse is reeds verouderd en aan renovatie toe. Daarmee voldoet de huidige bedrijfsbebouwing niet aan alle eisen vanuit de wet- en regelgeving. Daarnaast ontbreekt ter plaatse een goede berging voor tractoren, landbouwvoertuigen en landbouwmachines en is geen goede kalverenstal aanwezig.
Om met de bedrijfsvoering te voorzien in voldoende ruimte voor opslag en de berging van tractoren, landbouwvoertuigen en landbouwmachines en tevens in een goede stal voor het jongvee, wenst de initiatiefnemer een nieuwe jongveestal met berging op te richten. Hiermee ontstaat er meer ruimte in de oude stal voor de melkkoeien. De nieuwe stal met berging zal voldoen aan de huidige geldende eisen op het gebied van milieu, ammoniak, fosfaat, dierwelzijn, duurzaamheid en gezondheid. Daarmee is sprake van een verduurzaming van het agrarisch bedrijf ter plaatse. Op termijn zal ook de huidige ligboxenstal worden gerenoveerd, waarbij de aanwezige asbestplaten in het dak zullen worden gesaneerd. Ook dit zal leiden tot een verdere verduurzaming van het bedrijf ter plaatse. De gewenste ontwikkeling past daarmee niet binnen het bepaalde in het geldende bestemmingsplan. De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen met de voorgenomen ontwikkeling, mits hiervoor een partiële herziening op het bestemmingsplan wordt opgesteld conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Voorliggend document dient als toelichting waarin nader wordt gemotiveerd waarom de ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt en deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.
6
1.2
Planlocatie
De planlocatie is gelegen aan Kanaaldijk Oost 8 en ligt aan de westelijke kant net buiten de kern van Nigtevecht in het landelijk gebied van gemeente Stichtse Vecht. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Nigtevecht, sectie C, nummers 43, 195, 558, 559, 560, 561. In de volgende figuur is de topografische ligging van de locatie weergegeven.
Uitsnede topografische kaart locatie. Bron: J.W. van Aalst, www.opentopo.nl.
1.3
Geldende bestemmingsplan
Ter plaatse is het bepaalde uit het bestemmingsplan "Landelijk gebied Noord" van de gemeente Stichtse Vecht, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 03-12-2015, onverkort van toepassing. Zoals te zien in de volgende figuur is in het plangebied de bestemming 'Agrarisch met waarden' en de dubbelbestemmingen 'Waarde - Cultuurhistorie 3' en 'Waarde - Cultuurhistorie 4' toegekend. Tevens zijn ter plaatse de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - rijksmonument' en maatvoering 'maximaal aantal wooneenheden: 2' van toepassing. Er is een bouwvlak van circa 4500 m² toegekend.
7
Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl. Zoals te zien in de volgende figuur is ter plaatse van de uitbreiding van het bouwvlak de bestemming 'Agrarisch met waarden' en de dubbelbestemmingen 'Waarde - Cultuurhistorie 3' en 'Waarde Cultuurhistorie 4' toegekend.
Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.
8
De voorgenomen ontwikkeling kan niet mogelijk worden gemaakt door toepassing van een in het geldende bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid. Dit gezien de uitbreiding meer dan 25% betreft, echter voldoet de ontwikkeling wel op de overige punten. Aan deze wijzigingsbevoegdheid zijn specifieke voorwaarden verbonden waaraan met de voorgenomen ontwikkeling moet worden voldaan. De in het geldende bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid luidt als volgt: "3.7.1 Ten behoeve van het vergroten van het bouwvlak" a. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van het vergroten van een bouwvlak met de bestemming ‘Agrarisch met waarden’, met dien verstande dat: 1. wijziging van de begrenzing van het bouwvlak alleen toelaatbaar is, voor zover een doelmatige bedrijfsvoering dit noodzakelijk maakt; 2. de noodzaak tot uitbreiding aangetoond dient te worden door middel van een bedrijfsplan waarbij tevens moet worden aangetoond dat sloop en herbouw van bedrijfsgebouwen niet tot de mogelijkheden behoort; 3. de vergroting van het bouwvlak milieuhygiënisch inpasbaar dient te zijn; 4. de bestaande en beoogde landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden zoals genoemd in artikel 3.1 aanhef en onder q niet onevenredig worden aangetast; 5. bouwvlakken vergroot mogen worden tot ten hoogste 25% van het bouwvlak met een maximum van 1,5 hectare.
Een uitbreiding tot ten hoogste 2 hectare is toegestaan voor uitbreiding van grondgebonden veehouderijen, mits hierbij tevens; a. het eventuele belang van de waterwinning niet wordt aangetast; b. de uitbreiding bijdraagt aan verbetering van het dierenwelzijn; c. de uitbreiding bijdraagt aan verbetering van de volksgezondheid. 6. geen sprake mag zijn van een toename van de ammoniakemissie van het betreffende bedrijf dan wel aangetoond dient te worden dat geen significant negatieve gevolgen optreden voor de instandhoudingsdoelstellingen van nabijgelegen Natura 2000-gebieden; 7. het verzoek wordt onderbouwd met een ruimtelijke onderbouwing waarvan een beeldkwaliteitparagraaf en een inrichtingsplan deel van uitmaken; 8. burgemeester en wethouders winnen, alvorens over de wijziging te beslissen, schriftelijk advies in bij een agrarisch deskundige met betrekking tot de vraag of aan het bepaalde onder a sub 1 en 2 wordt voldaan; 9. burgemeester en wethouders winnen, alvorens over de wijziging te beslissen, schriftelijk advies in bij een deskundige inzake natuur, landschap en cultuurhistorie met betrekking tot de vraag of aan het bepaalde onder a sub 4 wordt voldaan. ". Ad.1) De uitbreiding is noodzakelijk voor de agrarische bedrijfsvoering. Tevens draagt de uitbreiding ook bij aan een verhoging van het dierenwelzijn, door meer ruimte te kunnen bieden aan de dieren.
Dit is verder toegelicht in paragraaf 2.2 en is ook onderschreven door de ABC (Stichting Agrarische Beoordelingscommissie). Hiermee wordt voldaan aan deze voorwaarde. Ad.2) De uitbreiding is noodzakelijk voor meer ruimte voor de dieren. Dit is noodzakelijk om te voldoen aan de nieuweste welzijns normen. Tevens is er een tekort aan opslag ruimte voor het agrarische bedrijf. Hierdoor staan machines vaak buiten dit is niet wenselijk. Eveneens is er meer ruimte nodig voor de opslag van fourage. Dit is eveneens doormiddel van een positief ABC advies erkend. Hiermee wordt aan deze voorwaarde voldaan. Ad.3) In hoofdstuk 4 Ruimtelijke- en milieuaspecten blijkt de ontwikkeling milieuhygienisch inpasbaar. Dit mede gezien het vergroten van het bouwvlak geen uitbreiding van het aantal dieren betreft is er geen toename in milieubealasting. Hiermee wordt aan deze voorwaarde voldaan. Ad.4) Zoals in hoofdstuk 4 is beschreven worden bestaande en beoogde landschappelijke, cultuurhistorisch en natuurwaarden niet onevenredig aangetast. Tevens wordt er middels een landschappelijk inrichtingsplan de waarden in het gebied versterkt. Hiermee wordt aan deze voorwaarde voldaan. Ad.5) Het bouwvlak wordt tot circa 1 hectare uitgebreid en blijft daarmee onder de 1,5 hectare. Echter is 9
deze uitbreiding groter dan 25%. Hiermee wordt niet aan deze voorwaarde voldaan. Ad.6) De ontwikkeling betreft geen uitbreiding in het aantal te houden dieren. Er is ook geen sprake van een toename van de ammoniakemissie, de gevolgen van deze ontwikkeling zijn aangetoont middels een Aerius berekening, deze is opgenomen in bijlage 2. Hiermee wordt voldaan aan deze voorwaarde. Ad.7) De beeldkwaliteitsparagraaf en de inrichting zijn uitgewerkt in paragraaf 2.2.2 van de toelichting (Beeldkwaliteitsparagraaf) en bijlage 2 van de regels en wordt er voldaan aan deze voorwaarde. Ad.8) Het advies van de ABC is positief. Hiermee wordt aan deze voorwaarde voldaan. Ad.9) Het advies en het landschappelijk inrichtingplan door een landschapsdeskundige is in bijlage 2 van de regels bijgevoegd. Hiermee wordt aan deze voorwaarde voldaan. Daarnaast wordt met dit plan de tweede bedrijfswoning omgezet in een 'plattelandswoning', hiervoor is binnen het geldende bestemmingsplan geen afwijkingsmogelijkheid en/of wijzigingsbevoegdheid opgenomen. De bedrijfswoning wordt omgezet in een plattelandswoning op basis van de Wet plattelandswoningen. In paragraaf 3.1.2 wordt hier verder op ingegaan.
Derhalve past de voorgenomen ontwikkeling niet binnen de mogelijkheden uit het geldende bestemmingsplan en dient ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling een partiële herziening op het bestemmingsplan te worden gedaan conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening. Voorliggend document dient als toelichting waarin nader wordt gemotiveerd waarom de ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt en deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.
1.4
Leeswijzer
Deze toelichting is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en gewenste situatie en bevat een beschrijving van de situatie ter plaatse zoals momenteel bekend en de gewenste situatie ter plaatse na realisatie van de plannen van de initiatiefnemer. Hoofdstuk 3 gaat in op de vigerende beleidskaders. Hierin worden de plannen van de initiatiefnemer getoetst aan het ruimtelijk beleid van het rijk, de provincie en de gemeente. Hoofdstuk 4 gaat in op de toetsing van het plan aan de aspecten milieu, ecologie, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en parkeren en water. Hierin worden verschillende bureaustudies beschreven en, indien van toepassing, uitgevoerde aanvullende onderzoeken beschreven. Hoofdstuk 5 gaat in op de uitvoerbaarheid van het plan. Hierin worden de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan getoetst en wordt kort ingegaan op het aspect handhaving. Hoofdstuk 6 bevat de wijze van bestemmen. Hierin wordt nader gespecificeerd welke onderdelen een bestemmingsplan hoort te bevatten en welke bijzondere bepalingen ten aanzien van voorliggend plan van toepassing zijn.
10
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
Huidige situatie
2.1.1 Gebiedsprofiel De locatie is gelegen langs de westelijke rand binnen de bebouwde kom van Nigtevecht in landelijk gebied van gemeente Stichtse Vecht. De omgeving van de locatie bestaat voornamelijk uit een agrarisch gebied. Aan de westzijde van het plangebied bevindt zich rivier De Vecht, aan de oost- en zuidzijde de kern Nigtevecht en aan de noordzijde agrarisch gebied. De verkavelingsstructuur van het agrarisch gebied betreft een blokverkaveling met een grootschalige open opzet. De onderlinge kavels worden gescheiden door kavelsloten en lijnen in het landschap.In de nabije omgeving van de locatie zijn een enkel bedrijf (groothandel in brandstoffen) en burgerwoningen gelegen.
Luchtfoto omgeving. Bron: pdok viewer 2.1.2 Ruimtelijke structuur Het plan voorziet in een vergroting van het bouwvlak en de bouw van een nieuwe jongveestal. In de bestaande situatie is momenteel een grondgebonden melkveehouderij gevestigd. Ter plaatse worden 75 stuks melkvee en 50 schapen gehouden. Op de locatie is de volgende bebouwing aanwezig: - Rijksmonumentale boerderij; - Tweede bedrijfswoning; - Melkveestal; 11
- Schuur; - Voeropslag. Ter plaatse is een bouwvlak toegekend. Het huidige bouwvlak is ongeveer 0.5 hectare groot. In de volgende figuur is een situatie weergave opgenomen van de huidige situatie.
Huidige situatie ter plaatse. Bron: DLV Advies
2.2
Gewenste situatie
De initiatiefnemer is voornemens ter plaatse het bedrijf uit te breiden met een nieuwe jongveestal/berging. Momenteel volgen de ontwikkelingen in de agrarische sector en met name in de veehouderij, zich in hoog tempo op. Vanuit steeds strenger wordende wet- en regelgeving op het gebied van milieu, ammoniak, fosfaat, dierwelzijn, duurzaamheid en gezondheid is het noodzakelijk om de bedrijfsbebouwing aan te passen. Deze ontwikkeling is wenselijk voor een verbeterd dierenwelzijn en meer ruimte voor de dieren. Op termijn zal ook de huidige verouderde stal worden gerenoveerd, waarbij de aanwezige asbestplaten in het dak zullen worden gesaneerd. Ook dit zal leiden tot een verdere verduurzaming van het bedrijf ter plaatse. Initiatiefnemer wil het aantal stuks vee wijzigen naar 72 melkkoeien, 19 jongvee en 50 schapen. Momenteel heeft initiatiefnemer 75 melkkoeien en 50 schapen. Tevens is het wenselijk om meer ruimte te creëren voor opslag van voer en strooisel en landbouwmachines. Hierdoor wordt de bedrijfsvoering geoptimaliseerd en duurzamer. Door zelf meer opslagcapaciteit te hebben kan er groter en dus voordeliger worden ingekocht. Eveneens zorgt dit voor minder verkeersbewegingen voor leveringen. Met de huidige wisselingen in kwaliteit en voorraad van fourage handels is het van belang om zelf beter te kunnen anticiperen en dus is opslag ruimte essentieel.
Vanuit de nabijgelegen woonkern zal de gewenste nieuwbouw niet leiden tot een vermindering of een verslechtering van het uitzicht. Dit omdat de gewenste nieuwbouw wordt gesitueerd achter de reeds bestaande bedrijfsbebouwing. Ook het feit dat de tractoren en landbouwvoertuigen rechtstreeks vanuit het achterliggende land de berging kunnen bereiken, zal leiden tot een verminderde overlast aan de betreffende woonkern, omdat de tractoren en landbouwvoertuigen niet langer op korte afstand van de betreffende woonkern hoeven te rijden. De nieuwe jongveestal/berging betreft een nieuw gebouw van circa 375 m² . Tevens betreft deze stal een 12
constructie welke geschikt is voor zonnepanelen hiermee kan het bedrijf verduurzamen door zelf in de toekomst zijn energie op te wekken. De nieuwe stal zal in de bouwrichting oost-west worden gebouwd. Dit is afwijkend van de overige bebouwing, die noord-zuid geörienteerd zijn. Door de nieuwe bebouwing oost-west te plaatsen, steekt de bebouwing minder ver het weiland is. Daarnaast zijn op de plek van de beoogde schuur/stal twee sleufsilo's aanwezig (die ook oost-west geörienteerd zijn). Door de nieuwe bebouwing haaks op de ander bebouwing te plaatsen, blijft het erf 'compact'. De erfverharding neemt met deze ontwikkeling wel beperkt toe. Er zal een nieuwe voeropslag (hooibalen) en een nieuwe grotere kuilplaat worden gebouwd. Overige verhardingen dienen als erf en als ruimte om te kunnen manoeuvreren en parkeren op het erf. Daarnaast is een extra inrit ten behoeve van het bedrijf gewenst. Het aantal verkeersbewegingen neemt niet toe maar de voertuigen worden wel zwaarder en groter. Dit heeft een negatieve invloed op de aanwezige monumentale woning. Deze woning niet onderheid. Alle verkeer rijdt nu langs deze woning en veroorzaken trillingen. De trillingen leiden mogelijk tot scheurvorming en ontzetting. Dit moet zoveel als mogelijk worden voorkomen. Daarnaast geeft het langs rijden ook enige geluidhinder voor de externe bewoner.
Dit komt het behoud van het monumentale pand en van de woonkwaliteit ten goede. Een deel van het monumentaal pand is niet geschikt voor de agrarische bedrijfsvoering en is daarom verhuurd als opslag voor derden. Hiervoor wordt een omgevingsvergunning aangevraagd, tegelijk met het indienen van het concept bestemmingsplan. De tweede uitrit wordt gebruikt voor het zwaarder bestemmingsverkeer, en de aan- en afvoer van ruwvoer en mest op eigen bedrijf. Op deze wijze blijven "schone en vuile" weg beter gescheiden. De oorspronkelijke inrit blijft in gebruik voor kleine voertuigen/auto's bestemd voor de bewoners en bezoeker aan het bedrijf. Door de aanpassingen in de verkeersbewegingen wordt het monumentale pand beter bescherm en ontstaat er ook een beter en veiliger leefomgeving voor betrokkenen. De verharding op de bestaande uitrit zal worden voorzien van een nieuwe toplaag van fijn grind in gelijke kleur als het boerenerfgrind rondom de woningen, zie paragraaf 2.2.1. De tweede bedrijfswoning staat niet meer ten dienste van het agrarisch bedrijf. Daarom wordt de woning met huisnummer 9 omgezet naar een plattelandswoning. Dit maakt bewoning door derden mogelijk. In de volgende figuur is de gewenste situatie in een situatietekening weergegeven. Een volledige situatietekening op schaal is als bijlage 1 bij deze onderbouwing opgenomen.
13
Situatietekening gewenste situatie. Bron: DLV Advies. Het bouwvlak ter plaatse is niet groot genoeg om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken. Hierdoor is het wenselijk het bouwvlak ter plaatse te vergroten. De omvang van het bouwvlak zal daarbij worden vergroot tot 0,89 hectare.
2.2.1 Landschappelijk inrichtingsplan Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren gaat maar, als mogelijk, juist wordt versterkt. Tevens is vanuit het ruimtelijke beleid een goede landschappelijke inpassing een vereiste. Om te onderzoeken of de ontwikkeling mogelijk kan bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving is door een landschapsdeskundige een inrichtingstekening opgesteld waarop is aangegeven hoe de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk zal worden ingepast. Deze tekening is in de volgende figuur weergegeven.
14
Tekening landschappelijk inrichtingsplan. Bron: GV advies Deze tekening maakt onderdeel uit van een landschappelijk inrichtingsplan dat ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is opgesteld. In dit landschappelijk inrichtingsplan is opgenomen op welke manier de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk wordt ingepast en welke soorten beplanting daarvoor worden toegepast. Voor het gehele landschappelijk inrichtingsplan wordt verwezen naar bijlage 2 van de regels. Door een boomgaard op het voorerf, de bomenrij aan voorzijde van de toegangsweg te herstellen en omzoming/inkadering van het erf wordt de ruimtelijke kwaliteit versterkt. Hierdoor is er één samenhangend erf. De open structuur met doorzichten naar achter blijft behouden. Daarnaast zal de groenstructuur langs de dijk worden aangevuld. Hiermee kan worden gesteld dat ter plaatse wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing. 2.2.2 Beeldkwaliteitsparagraaf Op grond van de provinciale interim omgevingsverordening is een beeldkwaliteitsparagraaf vereist op basis van Artikel 8.1 Instructieregel agrarische bedrijven. Het behouden en versterken van de ruimtelijke kwaliteiten van dit buitengebied is vanuit de provincie een algemene voorwaarde. In deze beeldkwaliteitsparagraaf worden de effecten van de ontwikkeling op de ruimtelijke kwaliteit beschreven.
Historische analyse plangebied De locatie is gelegen in het noordelijkste deel van de weidegebieden, de Aetsveldsche polder. Dit gebied is ontgonnen vanaf de stroomrug langs de Vecht. Deze polder kent een onregelmatige blokverkaveling. Als gevolg van de afdamming van de Kromme Rijn in 1122 zakte het waterpeil en kon het komgebied tussen Angstel en Vecht in cultuur worden gebracht. Het Amsterdam-Rijnkanaal is in de jaren rondom 1930 aangelegd en heeft deze polder doorsneden. Kwaliteiten van het plangebied De locatie is gelegen langs de westelijke rand binnen de bebouwde kom van Nigtevecht in landelijk gebied van gemeente Stichtse Vecht. 15
De omgeving van de locatie bestaat voornamelijk uit een agrarisch gebied. Aan de westzijde van het plangebied bevindt zich rivier De Vecht, aan de oost- en zuidzijde de kern Nigtevecht en aan de noordzijde agrarisch gebied. De kwaliteit van de Aetsveldsche polder is de kenmerkende openheid en de lange kavelpaden langs de Vecht. Om de openheid zoals als mogelijk te behouden worden in lijn met het beleid in deze polder alle voorzieningen geconcentreerd. Daarnaast wordt de openheid van het gebied geaccentueerd door een passende erfbeplanting. Het plangebied is niet direct gelegen langs de vecht, waardoor onderhavige ontwikkeling geen afbreuk doet aan de eerder genoemde kavelpaden. Cultuurhistorische waarden van het plangebied Het plangebied is gelegen binnen De Amsterdam. De Stelling van Amsterdam staat op de werelderfgoedlijst van UNESCO. De Nieuwe Hollandse Waterlinie is als uitbreiding van de SvA genomineerd. Reden is, dat de NHW een buitengewoon compleet voorbeeld is van een negentiende eeuwse waterlinie. Het ingenieuze hydrologische verdedigingssysteem vormt een lijn van met elkaar verbonden elementen in het landschap. De homogeniteit en de positie van de NHW in het landschap zijn nagenoeg ongewijzigd en herkenbaar gebleven door de tijd heen. De NHW heeft de structuur van het landschap gevormd.
Er zijn voor de NHW een drietal uizonderlijke universele waarden geformuleerd: Strategisch landschap Watermanagement Militaire werken De Stelling van Amsterdam (SvA) is een voormalige militaire verdedigingslinie rond Amsterdam, aangelegd aan het eind van de negentiende eeuw. De linie is een unieke, 135 kilometer lange (grotendeels in Noord-Holland gelegen) gesloten ring van dijken, dammen, sluizen, forten en inundatiegebieden. De ligging van de onderdelen van de Stelling is bepaald door het onderliggende landschap van het Groene Hart voor het deel in provincie Utrecht. Het gebied buiten de stelling kon in geval van nood onder water worden gezet. Door de beperkte toegankelijkheid van het gebied en door het verbod om in de schootsvelden te bouwen, is op veel plaatsen rond Amsterdam de kenmerkende openheid bewaard gebleven. De zwakke punten (accessen) in de inundatie (niet inundeerbare zones) zijn veelal dijken langs rivieren en droogmakerijen. De forten liggen in de oksel van acces en hoofdverdedigingslijn. De dijkaccessen vormen strakke randen met de inundatievelden. Bij ontwikkelingen in het landschap van de Stelling van Amsterdam stellen we het waarborgen en herstellen van de samenhang tussen de elementen van de Stelling van Amsterdam centraal.
Met de geringe omvang van het project waarbij het bouwvlak van het agrarische bedrijf wordt uitgebreid tot 1 hectare is de impact op het werelderfgoed nihil. De kwaliteiten van Landschap Groene Hart in relatie tot het plangebied De locatie is gelegen in het landschap dat is aangemerkt als 'Landschap Groene Hart'. Binnen dit landschap zijn de volgende kernkwaliteiten te onderscheiden die zoveel mogelijk dienen te worden behouden: openheid (veen)weidekarakter, inclusief strokenverkaveling, lintbebouwing, etc. landschappelijke diversiteit rust en stilte Centraal staat het versterken van de diversiteit op het schaalniveau van de verschillende typen landschap. Daarbij worden de kernkwaliteiten gerespecteerd en benut om de contrasten tussen de verschillende typen landschap te behouden en versterken. De focus ligt op het behouden, benutten en versterken van de contrasten tussen: openheid en intimiteit; rust en reuring; oude en nieuwe overgangen. De locatie is gelegen in een halfopen gebied dat verder is aan te merken als een stroomgordel. Binnen de stroomgordels (oeverwallen) is met name het behoud van het bodemreliëf, de bestaande landschapselementen, het halfopen landschapsbeeld en het plaatselijk weidevogelgebied van belang.
De belangrijkste te onderscheiden componenten van de uitzonderlijke universele waarde van het Werelderfgoed Hollandse Waterlinies zijn, voor de Nieuwe Hollandse Waterlinie: 16
a.
het unieke, in samenhang met het landschap ontworpen negentiende en twintigste-eeuwse
1. 2.
hydrologische en militairverdedigingssysteem, bestaande uit: inundatiegebieden; een zone met verdedigingswerken als forten, batterijen, lunetten betonnen
3.
mitrailleurkazematten en groepsschuilplaatsen in hun samenhang met de omgeving; voormalige schootsvelden (visueel open) en verboden kringen (merendeels onbebouwd gebied)
rondom de forten; 4. waterwerken als waterlichamen, sluizen, inlaten, duikers, en dijken functionerend in samenhang met verdedigingswerken en inundatiegebieden; 5. overige elementen als beschutte wegen, (resten van) loopgraven en tankgrachten; 6. de landschappelijke inpassing en camouflage van de voormalige militaire objecten; en 7. de historische vestingstructuur van de vestingsteden, waaronder Nieuwersluis, gelegen in de Provincie Utrecht; b. de grote openheid; en c. het groene en overwegend rustige karakter. en voor de Stelling van Amsterdam: a.
het unieke, samenhangende en goed bewaard gebleven, laatnegentiende-eeuwse en vroeg
1.
twintigste-eeuwse hydrologische en militair-landschappelijk geheel, bestaande uit: een doorgaand stelsel van liniedijken in een grote ring om Amsterdam;
2.
sluizen en voor- en achterkanalen;
3.
de forten, liggend op regelmatige afstand, voornamelijk langs dijken;
4.
inundatiegebieden;
5.
voormalige schootsvelden (visueel open) en verboden kringen (merendeels onbebouwd gebied);
en 6. b. c.
de landschappelijke inpassing en camouflage van de voormalige militaire objecten; de relatief grote openheid; en de groene en relatief stille ring rond Amsterdam.
Bij de voorgenomen ontwikkeling zal het totale (maximale) ruimtebeslag in het landschap toenemen. Het bouwvlak wordt vergroot, echter is er met een bouwvlak van circa 1 hectare nog steeds sprake van een kleinschalige locatie. Daarmee zal geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van de openheid van het (half)open landschap. De impact op het landschap blijft daarmee (zeer) beperkt. Op de plaats waar de sloop en bouw zal plaatsvinden is geen sprake van een zichtbaar bodemreliëf. Daarmee zal het bodemreliëf in het landschap niet worden aangetast. Ten slotte worden met de voorgenomen ontwikkeling geen van de aanwezige landschappelijke elementen en/of weidevogelgebieden aangetast. Tevens wordt er met de landschappelijke inpassing aanzienlijk waarde toegevoegd aan het gebied. Hiermee worden de kernkwaliteiten van het landschap versterkt. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een mogelijke aantasting van de kernkwaliteiten van het Landschap Groene Hart.
17
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Rijksbeleid
3.1.1 Nationale omgevingsvisie Op 11 september 2020 heeft de Rijksoverheid de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft echter een lange traditie van aanpassen. Deze opgaven worden dan ook benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de volgende generaties. Met de NOVI wordt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken geboden, om samen het land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen. Met de ambities van het Rijk wordt veel gevraagd van de leefomgeving.
De ambities vragen meer ruimte dan er eigenlijk beschikbaar is. Derhalve wordt de volgende conclusie gesteld: niet alles kan en niet alles kan overal. De vraag daarbij is hoe kansen kunnen worden verzilverd en eventuele bedreigingen het hoofd geboden kunnen worden. Het Rijk moet en wil in dit proces het voortouw nemen. Schaarste betekent immers dat moet worden gekozen. De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen wordt gewerkt aan de prioriteiten van de overheid: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio's en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor deze prioriteiten zijn voor zowel de korte als lange termijn maatregelen nodig die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen. Daarbij staan de volgende maatregelen centraal: 1.
Klimaatbestendige inrichting in 2050: Hierbij is het van belang dat het watergebruik beter wordt afgestemd op het beschikbare water en dat water langer wordt vastgehouden, dat functies die gebruik maken van de fysieke leefomgeving moeten meer worden afgestemd op de eigenschappen van het bodem-watersysteem en dat de energietransitie naar een volledig duurzame energiewinning verder wordt gestimuleerd en ontwikkeld. 2. Duurzame en circulaire economie: Hierbij is het van belang dat de gevolgen voor de economie, mede door de COVID-19 pandemie, zoveel mogelijk worden beperkt en dat bij de locaties van kantoren, bedrijventerreinen, grootschalige logistieke functies en datacentra, naast de vraag van bedrijven en economische vitaliteit, aansluiting wordt gehouden op het verkeers en vervoersnetwerk, het elektriciteitsnetwerk en rekening wordt gehouden met de aantrekkelijkheid en kwaliteit van stad en land. Daarbij wordt ingezet op actieve clustering van (grootschalige) logistieke functies op logistieke knooppunten langs (inter)nationale corridors en worden investeringen gedaan in het duurzaam en circulair maken van de economie en energievoorziening in samenhang met het versterken van de kwaliteit van de leefomgeving. 3.
Ontwikkeling Stedelijk Netwerk Nederland: Hierbij is het van belang dat wordt gebouwd aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden met een goed bereikbaar netwerk van steden en regio's, dat de woningbouw een nieuwe, stevige impuls wordt gegeven en dat zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied wordt ontwikkeld, klimaatbestendig en natuurinclusief. Daarbij behouden grote open ruimten tussen de steden het groene karakter, wordt het aanbod en de kwaliteit van groen in de stad versterkt en wordt de aansluiting op het groene gebied buiten de stad verbeterd. 4. Geleidelijke en zorgvuldige herindeling van het landelijk gebied: Hierbij is het van belang dat de biodiversiteit wordt verbeterd, dat steeds meer richting wordt gegeven 18
aan een duurzame kringlooplandbouw in goed evenwicht met natuur en landschap en dat wordt bijgedragen aan een landelijk gebied waarin het prettig wonen, werken en recreëren is en waarin ruimte is en blijft voor economisch vitale landbouw als belangrijke drager van het platteland. Vanuit de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor zowel nationale als decentrale keuzes. Let wel: het Rijk eigent zich geen centraliserende rol toe. Integendeel, de verantwoordelijkheid ligt bij alle partijen gezamenlijk. Vanuit het Rijk wordt gestreefd naar regie op het samenspel en regie bij het bewaken van de nationale belangen. Dilemma's worden niet uit de weg gegaan, maar er worden kansen gecreëerd, juist door samen met de ambities aan de slag te gaan. Kansen om de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren. En zo ook kansen om sociale samenhang en economisch herstel te bevorderen en kansen om schone, veilige en duurzame technieken, die bijdragen aan de beoogde transitie naar een duurzame en circulaire samenleving, stevig te verankeren in de manier van leven en werken. Het Rijk benoemt wel duidelijk de nationale belangen, maakt nationale keuzes, geeft richting aan decentrale afwegingen én werkt gebiedsgericht. Met de NOVI wil de Rijksoverheid in concrete gebieden tot keuzes komen.
Daarbij wil het Rijk doen wat goed is voor heel Nederland en wat tegelijkertijd recht doet aan de eigenheid van de regio's. Dit vergt een goed samenspel tussen Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten, maar ook tussen overheden en bedrijven, maatschappelijke instellingen en burgers. Vanuit al deze partijen is daarom al intensief meegedacht bij de totstandkoming van de NOVI. Bij de uitvoering van de NOVI wordt deze samenwerking voortgezet. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. Het gaat daarbij om 'omgevingsinclusief' beleid. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden. Het rijk geeft daarbij voorkeursvolgorden voor bepaalde ontwikkelingen mee aan de provincies en gemeenten. Zo lang geen sprake is van een nationaal belang en zo lang de ambities van het Rijk niet worden tegengewerkt geeft het Rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen zoveel mogelijk aan provincies en gemeenten.
De nationale belangen zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de nationale belangen dient daarom verder te worden getoetst aan het Barro. Deze toetsing is opgenomen in de paragraaf "Besluit algemene regels ruimtelijke ordening" (paragraaf 3.1.3). De verdere toetsing van ontwikkelingen aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid. 3.1.2 Wet plattelandswoningen Op 1 januari 2013 is de wettelijke regling voor de 'plattelandswoning in werking getreden. De Wet plattelandswoningen biedt de mogelijkheid om een bestaande bedrijfswoning op een agrarisch perceel te gebruiken voor bewoning door een derde, zonder de planologische bestemming te wijzigen. Hiermee wordt het mogelijk gemaakt dat een agrarische bedrijfswoning bewoond mag worden door iemand die geen functionele relatie heeft met het bijbehorende agrarische bedrijf. Indien het gemeentebestuur de bedrijfswoning als plattelandswoning kwalificeert, blijft de woning van rechtswege beschouwd als onderdeel uitmakend van de inrichting van het bijbehorende bedrijf, hetgeen er op neerkomt dat de woning niet wordt beschermd tegen milieuemissies van (uitsluitend) die inrichting.
Een uitzondering hierop is de emissie van luchtkwaliteit en de bescherming ten aanzien van externe veiligheid. Voor omliggende bedrijven verandert er door de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden plattelandswoning' niets. De als plattelandswoning aangeduide woning blijft voor de omliggende bedrijven te beoordelen als bedrijfswoning. Planspecifiek Op de locatie wordt de tweede bedrijfswoning (nr. 9) omgezet in een plattelandswoning. Dit wordt middels 19
een functie aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - plattelandswoning' vastgelegd. De aspecten geurhinder(4.1.2), geluidhinder(4.1.4) en luchtkwaliteit(4.1.3) zijn in deze onderbouwing verder uitgewerkt. Deze aspecten vormen bij dit planvoornemen geen bezwaar.
3.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) compleet. In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen.
Het besluit bepaalt tevens: "Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit." Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren. Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren.
Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen. In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De locatie is, zoals te zien in de volgende figuur, gelegen in een gebied dat is aangemerkt als projectgebied voor 'Stelling van Amsterdam'.
20
Uitsnede kaart projectgebieden Barro. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl. Voor gebieden welke zijn gelegen in de projectgebieden voor 'Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde' geldt vanuit het Barro dat de kernkwaliteiten van deze gebieden, zijnde de essentiële landschappelijke en cultuurhistorische kenmerken van het betreffende erfgoed, niet onevenredig mag worden aangetast. Vervolgens is in het Barro opgenomen dat provincies in een verordening regels moeten vastleggen ten behoeve van het behoud en versterking van de kernkwaliteiten van de gebieden. De kernkwaliteiten van de betreffende gebieden zijn vervolgens nader uitgewerkt in bijlage 8 bij het Barro. Voor De Stelling van Amsterdam zijn in de betreffende bijlage bij het Barro de volgende kernkwaliteiten opgenomen: 1. Het unieke, samenhangende en goed bewaard gebleven, laatnegentiende-eeuwse en vroegtwintigste-eeuwse hydrologische en militair-landschappelijke geheel, bestaande uit: een doorgaand stelsel van liniedijken in een grote ring om Amsterdam; sluizen en voor- en achterkanalen; de forten, liggend op regelmatige afstand, voornamelijk langs dijken; inundatiegebieden; voormalige schootsvelden (visueel open) en verboden kringen (merendeels onbebouwd gebied); de landschappelijke inpassing en camouflage van de voormalige militaire objecten; 2. Grote openheid; 3. Groen en overwegend rustig karakter.
Zoals nader bepaald in het Barro dienen de provincies in het ruimtelijk beleid regels op te nemen ter bescherming van de kernkwaliteiten. De provincie Utrecht heeft dergelijke regels opgenomen in de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht. Verdere toetsing vindt derhalve dan ook plaats aan het provinciaal beleid. Zoals nader omschreven in de paragraaf Provinciaal beleid wordt aan de betreffende regels voldaan en is voldoende aangetoond dat de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot een 21
onevenredige aantasting van de kernkwaliteiten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie en/of van de Romeinse Limes. 3.1.4 Ladder duurzame verstedelijking Ingevolgde artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de zogenaamde Ladder voor duurzame verstedelijking, dient de toelichting bij een bestemmingsplan, waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Een stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd: "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Planspecifiek Bij de voorgenomen ontwikkeling is, op basis van deze definitie, geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Verdere toetsing aan de Ladder duurzame verstedelijking is daarmee niet vereist.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie Utrecht De provincie Utrecht heeft op 10 maart 2021 de Omgevingsvisie provincie Utrecht vastgesteld. De omgevingsvisie bevat de visie van de provincie op het ruimtelijk beleid in hoofdlijnen en biedt de kaders voor de verdere beleidsontwikkelingen. In de omgevingsvisie wordt verwoord welke doelen de provincie voor ogen heeft voor het jaar 2050. De provincie wil met name inzetten op het mooi en leefbaar houden van de provincie en tegelijkertijd ruimte te bieden aan ontwikkelingen. Om dit te bereiken streeft de provincie naar een aanpak van combineren en concentreren. Dit wil de provincie bereiken door de beschikbare ruimte zoveel mogelijk op meerdere manieren te gebruiken. Verder is het vergroten van de duurzaamheid een belangrijke ambitie van de provincie. Daarbij wil de provincie echter wel inspelen op wat specifieke gebieden nodig hebben. Zo heeft de provincie voor het landelijk gebied voornamelijk de doelstelling het behouden van de vitaliteit van de kleine kernen, het tegengaan van bodemdaling en de verduurzaming van de landbouw. De visie stelt zeven beleidsthema's centraal, namelijk: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Stad en land gezond; Klimaatbestendig en waterrobuust; Duurzame energie; Vitale steden en dorpen; Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar; Levend landschap, erfgoed en cultuur; Toekomstbestendige natuur en landbouw.
Stad en land gezond: De provincie streeft naar een gezonde en veilige leefomgeving. Dit houdt in dat de milieukwaliteit goed is, de veiligheid is gewaarborgd, bewegen wordt gestimuleerd, er voldoende mogelijkheden voor ontspanning en ontmoeting zijn en dat iedereen meedoet (participatie). Concreet wil de provincie hierbij inzetten op het terugdringen van de geluidshinder op gevoelige objecten, het realiseren en behouden van voldoende stiltegebieden, het beperken van risico's van opslag en transport van gevaarlijke stoffen en van straling door hoogspanningslijnen, het beperken van geurhinder, lichthinder en geluidshinder door industriële bedrijven en het streven naar het voldoen aan de streefwaarden voor luchtkwaliteit en geluid vanuit de World Health Organisation (WHO). Daarnaast streeft de provincie naar het in gelijke tred ontwikkelen van het (recreatie)groen met de verstedelijkingsopgave. Dit houdt in dat het aanbod van de toeristisch-recreatieve voorzieningen en routes 22
in de provincie goed aansluit op de behoeften van zowel de inwoners als de bezoekers en daarbij duurzaam, goed bereikbaar en toegankelijk is. Concreet streeft de provincie hierbij naar het optimaal benutten en beleven van recreatiezones en recreatieterreinen voor bezoekers en inwoners, het waar mogelijk uitbreiden van de recreatiezones en recreatieterreinen, de verdere ontwikkeling naar een duurzame vrijetijdseconomie en voldoende vitale vakantieparken en/of recreatiewoningen voor verblijfsrecreatie. Planspecifiek Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een uitbreiding van een agrarisch bedrijf, waarbij het het aantal te houden dieren niet toeneemt. Vanwege de nieuwste milieu en welzijns normen is een vergroting van de bebouwing wenselijk. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een mogelijke risicovolle inrichting en/of van het transport van gevaarlijke stoffen en de voorgenomen ontwikkeling zal geen onevenredige toename van de geluidshinder, geurhinder, en/of lichthinder tot gevolg hebben. Daarnaast zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een onevenredige verslechtering van de luchtkwaliteit. De voorgenomen ontwikkeling zal de doelstellingen van de provincie op het gebied van milieu en gezondheid daarmee niet in de weg staan.
Verder zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige invloed hebben op de recreatieve mogelijkheden en/of routes in de omgeving. Zo wordt het zicht op het aanwezige rijksmonument niet gewijzigd en zal de locatie landschappelijk worden ingepast.De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee de recreatieve doelstellingen van de provincie niet in de weg staan. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de doelstellingen die de provincie in de omgevingsvisie heeft gesteld voor "stad en land gezond". Klimaatbestendig en waterrobuust: De provincie streeft naar een blijvend robuust en veerkrachtig bodem- en watersysteem, waarbij dit beter kan omgaan met grote hoeveelheden neerslag en droogte. Daarbij dienen de ondergrond en het bodem- en watersysteem duurzaam te worden gebruikt, waarbij het gebruik en de functies van de ondergrond en het bodem- en watersysteem in samenhang met de bovengrondse opgaven worden bekeken, zodat de juiste functie op de juiste plek ligt.
Concreet betekent dit dat wordt gezocht naar een veilige en verantwoorde manier om de duurzame energie die het bodem- en watersysteem levert zo optimaal mogelijk te benutten, dat nieuwe opkomende stoffen, zoals medicijnresten, microplastics en PFAS, in het grond- en oppervlaktewater een integraal onderdeel van het waterkwaliteitsbeleid zijn, dat er altijd voldoende en schoon drinkwater is, zelfs wanneer zich een extreme groei van de drinkwatervraag zou voordoen en dat wordt voldaan aan de doelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW-doelen). Daarnaast streeft de provincie naar een klimaatbestendige en waterveilige inrichting van het provinciale grondgebied. Daarbij wordt ingezet op een aantrekkelijke en toekomstbestendige dijk en omgeving langs de Nederrijn en Lek. Planspecifiek Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een kleinschalige ontwikkeling. Omdat geen sprake is van een toename van het maximaal mogelijke ruimtebeslag van het bedrijf (door de vormverandering blijft oppervlakte van het bouwvlak gelijk) zal de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredige toename van de druk op het bodem- en watersysteem betekenen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is een water Verder is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van stoffen en/of materialen die de bodem en/of het water onevenredig zullen vervuilen.
Verder wordt bij de voorgenomen ontwikkeling gestreefd naar zo goed mogelijk geïsoleerde en duurzame bebouwing. Daarmee wordt de energiebehoefte van het bedrijf lager. Daarnaast wordt de nieuwe bebouwing geschikt gemaakt voor zonnepanelen, om het opwekken van duurzame energie in de toekomst mogelijk te maken. Daarmee draagt het bedrijf bij aan een klimaatbestendige provincie. Daarnaast zal de voorgenomen ontwikkeling de doelstellingen voor bodemdaling en/of de waterveiligheid niet in de weg staan. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de doelstellingen die de provincie in de omgevingsvisie heeft gesteld voor "klimaatbestendig en waterrobuust". 23
Duurzame energie: De provincie streeft er naar om zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk in 2050 geheel CO2-neutraal te zijn. Daarbij wil de provincie inzetten op het hernieuwbaar opwekken van het elektriciteitsgebruik in de provincie. Streven is om in 2030 al voor minimaal 55% van het elektriciteitsgebruik duurzaam en hernieuwbaar op te wekken, waarbij een bijdrage wordt geleverd aan onder andere de Regionale Energiestrategieën om aan de afspraken in het nationale Klimaatakkoord te voldoen en waarbij geschikte daken zoveel mogelijk worden benut voor het opwekken van duurzame energie en/of klimaatadaptatie. De doelstellingen van de provincie houden in dat zowel energiebesparing als het opwekken van duurzame energie zoveel mogelijk bevorderd dient te worden. Planspecifiek Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een nieuwe jongveestal/berging gerealiseerd. Deze nieuwe stal zal volgends de nieuwe milieu vereisten worden gebouwd. Daarmee zal het energieverbruik op de locatie afnemen. Dit draagt bij aan de doelstellingen die de provincie heeft. Daarnaast wordt op de locatie gekeken naar mogelijkheden voor duurzame energie (zonne-energie). Ook dit draagt bij aan de doelstellingen van de provincie die zij hebben voor duurzame energie en het klimaat.
Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de doelstellingen die de provincie in de omgevingsvisie heeft gesteld voor "duurzame energie". Vitale steden en dorpen: In het kader van vitale steden en dorpen streeft de provincie naar een duurzaam, gezond en divers woonen leefklimaat. Daarbij wordt ingezet op circulaire en energieneutrale woningen of woonwijken, het behoud en de versterking van de inclusiviteit van de Utrechtse samenleving, zodat alle inwoners kunnen wonen, werken of ontmoeten, dat iedereen kan beschikken over passende woonruimte, het behoud en de versterking van de kwaliteit van de woonomgeving en dat alle nieuwbouw in de provincie Utrecht 50% minder primaire abiotische grondstoffen gebruikt. Daarnaast streeft de provincie naar een duurzame en circulaire economie. Daarbij zet de provincie in op het behoud van het goede economische vestigingsklimaat en levendige stads-, dorps- en wijkcentra, met een bij de behoefte passend aanbod van winkels en andere voorzieningen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een kleinschalige uitbreiding van een agrarischbedrijf. Er zal geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidshinder, geurhinder, en/of lichthinder. Tevens zal er geen sprake zijn van een toename in dieraantallen.
De gewenste functies concurreren niet met de voorzieningen in de steden en dorpen en staan de ontwikkeling van duurzame woningen en/of voorzieningen niet in de weg. De voorgenomen ontwikkeling staat de verdere ontwikkeling van de vitale dorpen en steden niet in de weg. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de doelstellingen die de provincie in de omgevingsvisie heeft opgesteld voor "vitale steden en dorpen". Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar: De provincie streeft naar een goede bereikbaarheid per fiets, openbaar vervoer en auto in een gezonde en verkeersveilige omgeving. Daarbij wil de provincie dat alle belangrijke nieuwe en bestaande woon- en werklocaties en sociaal-recreatieve voorzieningen binnen de provincie op een ruimte-efficiënte, duurzame, gezonde en veilige manier bereikbaar zijn. Daarnaast wil de provincie dat de locaties voor wonen, werken en ontmoeten en de bereikbaarheid in onderlinge samenhang, en in samenhang met andere aspecten zoals energie, klimaat, natuur en recreatie zijn afgestemd. Daarbij worden nieuwe grootschalige stedelijke ontwikkelingen in de directe nabijheid van (hoogwaardig OV-) knooppunten gerealiseerd.
Verder wil de provincie een duurzaam en veilig mobiliteitssysteem ontwikkelen, een regionale OV-ring rond de stad Utrecht, met goede verbindingen richting Amersfoort, Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en het Zuiden realiseren, dat alle belangrijke werklocaties, middelbare scholen en knooppunten veilig, comfortabel en snel bereikbaar zijn per fiets, de eerste zeven snelfietsroutes realiseren, het openbaar vervoer zero-emissie maken en een impuls geven aan ander zero-emissie vervoer, de routering van 24
gevaarlijke stoffen in de bebouwde kom beperken, de toename van risico's voor mensen in de meest risicovolle zone rond stationslocaties en langs wegen beperkt wordt en het beter benutten van de bestaande vaarwegen en een transitie naar duurzamer vervoer over land. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling heeft geen nadelige invloed op de infrastructuur en staat de doelstellingen van de provincie voor een verdere ontwikkeling van een duurzame en veilige bereikbaarheid niet in de weg. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de doelstellingen die de provincie in de omgevingsvisie heeft opgesteld voor "duurzaam, gezond en veilig bereikbaar". Levend landschap, erfgoed en cultuur: De provincie streeft er naar dat bij ontwikkelingen is voortgebouwd op de kernkwaliteiten van de karakteristieke landschappen. Daarbij vertellen bestaande en nieuwe aardkundige monumenten het verhaal van het aardkundig erfgoed en dragen deze bij aan de recreatieve beleving van het landschap. In de provincie Utrecht zijn vijf karakteristieke landschappen te onderscheiden met elk eigen kwaliteiten die mede richting geven aan de daarin gelegen en omliggende functies en hun ontwikkelingsmogelijkheden. Planspecifiek De locatie is gelegen in het landschap dat is aangemerkt als 'Landschap Groene Hart'.
Binnen dit landschap zijn de volgende kernkwaliteiten te onderscheiden die zoveel mogelijk dienen te worden behouden: openheid (veen)weidekarakter, inclusief strokenverkaveling, lintbebouwing, etc. landschappelijke diversiteit rust en stilte De locatie is gelegen in een halfopen gebied dat verder is aan te merken als een stroomgordel. Binnen de stroomgordels (oeverwallen) is met name het behoud van het bodemreliëf, de bestaande landschapselementen, het halfopen landschapsbeeld en het plaatselijk weidevogelgebied van belang. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal het totale (maximale) ruimtebeslag in het landschap toenemen. Het bouwvlak wordt vergroot, echter is er met een bouwvlak van circa 1 hectare nog steeds sprake van een kleinschalige locatie. Daarmee zal geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van de openheid van het (half)open landschap. De impact op het landschap blijft daarmee (zeer) beperkt. Op de plaats waar de sloop en bouw zal plaatsvinden is geen sprake van een zichtbaar bodemreliëf. Daarmee zal het bodemreliëf in het landschap niet worden aangetast. Ten slotte worden met de voorgenomen ontwikkeling geen van de aanwezige landschappelijke elementen en/of weidevogelgebieden aangetast. Tevens wordt er met de landschappelijke inpassing aanzienlijk waarde toegevoegd aan het gebied. Hiermee worden de kernkwaliteiten van het landschap versterkt.
De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een mogelijke aantasting van de kernkwaliteiten van het landschap rivierengebied. Daarnaast streeft de provincie naar het behoud en de versterking van de waarden van de Cultuurhistorische hoofdstructuur als dragers en aanjagers van ruimtelijke kwaliteit. Een onderdeel daarvan is de bescherming van het UNESCO Werelderfgoed. Bij ontwikkelingen in het UNESCO-gebied mag de uitzonderlijke universele waarde in principe niet worden aangetast. De locatie is gelegen binnen De Stelling van Amsterdam. De Stelling van Amsterdam staat op de wereldefgoedlijst van UNESCO. De Nieuwe Hollandse Waterlinie is als uitbreiding van de SvA genomineerd. Reden is, dat de NHW een buitengewoon compleet voorbeeld is van een negentiende eeuwse waterlinie. Het ingenieuze hydrologische verdedigingssysteem vormt een lijn van met elkaar verbonden elementen in het landschap. De homogeniteit en de positie van de NHW in het landschap zijn nagenoeg ongewijzigd en herkenbaar gebleven door de tijd heen. De NHW heeft de structuur van het landschap gevormd. Er zijn voor de NHW een drietal uizonderlijke universele waarden geformuleerd: Strategisch landschap 25
Watermanagement Militaire werken De Stelling van Amsterdam (SvA) is een voormalige militaire verdedigingslinie rond Amsterdam, aangelegd aan het eind van de negentiende eeuw. De linie is een unieke, 135 kilometer lange (grotendeels in Noord-Holland gelegen) gesloten ring van dijken, dammen, sluizen, forten en inundatiegebieden. De ligging van de onderdelen van de Stelling is bepaald door het onderliggende landschap van het Groene Hart voor het deel in provincie Utrecht. Het gebied buiten de stelling kon in geval van nood onder water worden gezet. Door de beperkte toegankelijkheid van het gebied en door het verbod om in de schootsvelden te bouwen, is op veel plaatsen rond Amsterdam de kenmerkende openheid bewaard gebleven. De zwakke punten (accessen) in de inundatie (niet inundeerbare zones) zijn veelal dijken langs rivieren en droogmakerijen. De forten liggen in de oksel van acces en hoofdverdedigingslijn. De dijkaccessen vormen strakke randen met de inundatievelden. Bij ontwikkelingen in het landschap van de Stelling van Amsterdam stellen we het waarborgen en herstellen van de samenhang tussen de elementen van de Stelling van Amsterdam centraal. Met de geringe omvang van het project waarbij het bouwvlak van het agrarische bedrijf wordt uitgebreid tot 1 hectare is de impact op het werelderfgoed nihiel.
Tevens wordt er met de landschappelijke inpassing voorzien in een versterking van het landschap. Toekomstbestendige natuur en landbouw: De provincie streeft naar een robuust klimaatbestendig natuurnetwerk van hoge kwaliteit. Dat houdt in dat zij streven naar een gunstige staat van instandhouding van beschermde en bedreigde flora en fauna en een toename van de biodoversiteit zowel binnen als buiten het Natuurnetwerk Nederland. De provincie wil dat de natuur een hoge belevingswaarde heeft en wil in totaal ongeveer 3.000 hectare natuur in de Groene contour realiseren en toevoegen aan het Natuurnerwerk Nederland. Alle nieuwe natuur die nog nodig is voor het Natuurnetwerk Nederland heeft daarbij de functie natuur en is met hoogwaardige natuur ingericht. Daarnaast streeft de provincie naar een landbouwsector met economisch rendabele bedrijven die circulair, natuurinclusief, klimaatneutraal en diervriendelijk zijn (kringlooplandbouw), en dicht bij de inwoners staan. Daarbij worden de nutriëntenkringlopen op het laagst mogelijke niveau gesloten. Verder wil de provincie dat de agrarische sector zelfvoorzienend is in energie en daarnaast deels als groene energieproducent opereert voor derden. Verder is het behoud van het agrarisch cultuurlandschap dat toegankelijk en aantrekkelijk is om in te recreëren van belang. Planspecifiek De locatie is gelegen in het zogenaamde landbouwgebied.