CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

1.3 Archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek.pdf

Raad 27 januari 2026, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: 10: Verklaring van geen bedenkingen voor 21 woningen aan de Dudok de Witstraat in Breukelen20.771 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

RAPPORTAGE Archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek Dudok de Witstraat, Breukelen, gemeente Stichtse Vecht

Rapport archeologisch bureau- en booronderzoek Dudok de Witstraat in Breukelen Gemeente Stichtse Vecht Opdrachtgever

Accent Adviseurs Luchthavenweg 13E 5657 EA Eindhoven

Rapportnummer Versienummer

1

21244.002 1

Datum

8 augustus 2024

Opsteller2

De heer E. Steijsiger, MSc en de heer ir. E.M. ten Broeke

Kwaliteitscontrole

De heer H.J. Geurts, MSc

1

Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid. 2 Vrijgave In onze rapportages wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. Conform protocol en eisen uit het kwaliteitssysteem wordt het rapport aantoonbaar vrijgegeven.

Econsultancy Archeologisch Rapport

KWALITEITSZORG Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Ook is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteitsen milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Daarnaast staat veilig werken bij Econsultancy voorop en zijn we gecertificeerd voor VCA*. BETROUWBAARHEID Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn.

Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie. Al onze rapportages worden opgesteld conform de ‘Handreiking omgaan met AVG in bodemonderzoeken’ opgesteld door de VKB (29 juni 2022). Hiermee voldoet de rapportage aan de eisen die de wet, NEN en KNA protocollen ons stellen en wordt tevens voldaan aan de AVG. Hierbij wordt opgemerkt dat wetgeving, waaronder wettelijke eisen uit de Erfgoedwet, prevaleert boven de AVG. In het kader van de AVG dient, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, bijlagen met kadastrale uittreksels en namen van opdrachtgevers, door de publicerende instantie, verwijderd dan wel zwart gelakt te worden. RECHTEN © Econsultancy bv, Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld.

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot)

Econsultancy Archeologisch Rapport

INHOUDSOPGAVE ADMINISTRATIEVE GEGEVENS PLANGEBIED SAMENVATTING 1

INLEIDING .................................................................................................................................................. 1

2

BUREAUONDERZOEK ................................................................................................................................. 2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9

3

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK ..................................................................................................... 20 3.1 3.2 3.3

4

Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................................. 2 Methoden ...................................................................................................................................... 2 Afbakening en huidige situatie van het plangebied ....................................................................... 3 Toekomstige situatie ...................................................................................................................... 4 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................................. 4 Archeologische waarden .............................................................................................................. 10 Beschrijving van het historische gebruik ...................................................................................... 12 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ...................................................................... 17 Conclusie bureauonderzoek ......................................................................................................... 19

Doelstelling en onderzoeksvragen ............................................................................................... 20 Methoden .................................................................................................................................... 20 Resultaten .................................................................................................................................... 21

CONCLUSIE EN ADVIES ............................................................................................................................ 23

LITERATUUR BRONNEN KAARTEN BIJLAGEN

TABELLEN Tabel 2.1 Tabel 2.2 Tabel 2.3 Tabel 2.5 Tabel 3.1

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Gespecificeerde archeologische verwachting Hoofdlijn bodemopbouw

FIGUREN Figuur 2.1 Figuur 2.2

Holocene paleogeografische ontwikkeling van het Vecht rivierensysteem. De omgeving van het plangebied op enkele historische kaarten

KAARTEN Kaart 1. Kaart 2. Kaart 3. Kaart 4. Kaart 5. Kaart 6. Kaart 7. Kaart 8. Kaart 9. Kaart 10. Kaart 11. Kaart 12. Kaart 13. Kaart 14. Kaart 15. Kaart 16. Kaart 17.

Het plangebied op de topografische kaart (1:25.000) Het plangebied op de kadastrale kaart Het plangebied op een luchtfoto uit 2023 Het plangebied op de gemeentelijke verwachtingskaart Het plangebied op de Geomorfologische kaart 1: 50.000 van Nederland Het plangebied op paleogeografische kaarten Het plangebied op het actueel hoogtebestand (AHN4) Het plangebied op de bodemkaart Archeologische waarden en onderzoeken rondom het plangebied Het plangebied op historische kaarten Het plangebied op de militaire topografische kaart uit 1880 Het plangebied op de militaire topografische kaart uit 1899 Het plangebied op de militaire topografische kaart uit 1943 Het plangebied op de topografische kaart uit 1948 Het plangebied op de topografische kaart uit 1962 Het plangebied op de topografische kaart uit 1970 Boorpuntenkaart

BIJLAGEN Bijlage 1. Bijlage 2. Bijlage 3. Bijlage 4. Bijlage 5. Bijlage 6. Bijlage 8.

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken AMK-terreinen Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Boorstaten

ADMINISTRATIEVE GEGEVENS PLANGEBIED Projectcode

21244.002

Opdrachtgever

Accent Adviseurs

Toponiem

Dudok de Witstraat

Plaats

Breukelen

Gemeente

Stichtse Vecht

Provincie

Utrecht

Kadastrale gegevens

gemeente Breukelen-Nijenrode, sectie B: percelen 3649, 3650

Omvang plangebied

circa 1700 m2

Kaartblad

31E (1:25.000)

Centrumcoördinaten (X/Y)

128.491/464.813

Archeoregio NOaA

12: Hollands veen- en kleigebied

Bevoegde overheid

Gemeente Stichtse Vecht Endelhovenlaan 1 3601 GR Maarssen Tel: 14 0346 info@stichtsevecht.nl

Deskundige namens de bevoegde overheid

Mevr. Drs. L. Bruning Gemeentelijk Archeoloog Omgevingsdienst Regio Utrecht Postbus 13101 3507 LC Utrecht 088 – 022 50 00 L.Bruning@odru.nl

Uitvoeringsperiode

Juli/augustus 2024

Uitvoerders

Econsultancy, De heer E. Steijsiger, MSc (KNA Prospector Ma) en De heer ir. E.M. ten Broeke (Senior KNA Prospector)

Onderzoeksmelding ARCHIS3

5628215100

Beheer en plaats documentatie

Econsultancy en op termijn het provinciaal depot van de provincie Utrecht

SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Accent Adviseurs in juli/augustus een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) door middel van boringen uitgevoerd. Het plangebied is gelegen aan de Dudok de Witstraat te Breukelen in de gemeente Stichtse Vecht. In het plangebied wordt de bestaande bebouwing gesloopt en er zal nieuwbouw worden gerealiseerd. Voor de ontwikkeling is een omgevingsvergunning nodig. Bij de aanvraag van deze vergunning is gebleken dat voor het plangebied een archeologische onderzoeksplicht geldt. Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om vast te stellen of er archeologische waarden aanwezig kunnen zijn binnen het plangebied en om te bepalen of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. De onderzoeksplicht vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992), de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, 2010) en de Erfgoedwet (2016). Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden.

Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. Het plangebied is namelijk gelegen binnen het Breukelen veenmeer dat vlak voor het begin van de IJzertijd in 2800 jaar geleden is opgevuld met fluviatiele opvullingslagen door de Vecht. Mogelijk is op deze opvullingslagen een oeverwal van de Vecht en/of Oude Aa aanwezig. Bewoning is vanaf de IJzertijd mogelijk, al was de rivieractiviteit van de Vecht in deze periode te hoog voor langdurige bewoning. Er geldt daarom een middelhoge archeologische verwachting voor de IJzertijd en Romeinse tijd.

In de Vroege- en Late-Middeleeuwen lag waarschijnlijk circa 100 meter ten oosten van het plangebied de hofsteden Attingahem en De Poel. In de tweede helft van de 17e eeuw is waarschijnlijk op dezelfde plek een herberg gebouwd. Hoewel er binnen dit terrein al archeologische onderzoeken zijn uitgevoerd, zijn de hofsteden nog niet aangetroffen. Het plangebied behoorde waarschijnlijk tot het landgoed van deze hofsteden en was waarschijnlijk een akker. Het is echter niet uitgesloten dat (een van) de hofsteden of een ander (boeren)erf binnen het plangebied lagen. Voor de Vroegeen Late-Middeleeuwen geldt daarom een hoge archeologische verwachting. Vanaf het begin van de 17 e eeuw is het plangebied in agrarisch gebruik en geldt er een lage archeologische verwachting. In de tweede helft van de 20e eeuw is de huidige bebouwing gebouwd. Hiervoor is mogelijk het maaiveld opgehoogd.

21244.002 versie 1

Resultaten inventariserend veldonderzoek Uit het verkennend booronderzoek is gebleken dat de bodemopbouw binnen het plangebied bestaat uit de fluviatiele opvullingslagen met daarboven oeverwalafzettingen van de Vecht/Oude Aa. In de top van de oeverwalafzettingen is een intacte cultuurdek aangetroffen. Deze begint op circa 0,2 à 0,4 m NAP en is 10 tot 40 cm dik. De bovenste 40 tot 50 cm van de bodemopbouw bestaat uit een recente ophogingslaag dat waarschijnlijk tijdens de bouw van de huidige bebouwing is aangebracht. Er zijn geen bodemlagen aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van een woerd binnen het plangebied. Binnen één boring zijn fosfaatvlekken aangetroffen binnen dit cultuurdek. Binnen een andere boring is een fragment Hessens-Schortens aardewerk uit de VroegeMiddeleeuwen, 500-800 na Chr. in het cultuurdek aangetroffen. Conclusie en advies Deze archeologische indicatoren laten zien dat het plangebied waarschijnlijk al vanaf Vroege-Middeleeuwen in agrarisch gebruik is geweest. Het gebrek van een woerd laat zien dat het waarschijnlijk niet (langdurig) bewoond is geweest. Hiermee blijft de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, gelden. De bestaande bebouwing is tot circa 80 cm -mv (circa -0,05 m NAP) gefundeerd, tot in of onder het cultuurdek.

Daarom is de vondstenlaag binnen de contouren van de bebouwing niet meer aanwezig. De (diepe) sporenlaag kan hier nog wel intact aanwezig zijn. Gezien de in dit onderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek. Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het plangebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Bovenstaand advies is van Econsultancy. Er is, op grond van de gebruikte onderzoeksmethode, geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven. Over de aan- of afwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig uitsluitsel worden gegeven. Aan dit advies kunnen geen rechten worden ontleend. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Stichtse Vecht), die vervolgens het advies over neemt of niet.

Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Stichtse Vecht wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen, moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het is verder raadzaam om ook de gemeente Stichtse Vecht op de hoogte te stellen.

21244.002 versie 1

1

INLEIDING

Econsultancy heeft in opdracht van Accent Adviseurs een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied aan de Dudok de Witstraat in Breukelen, gemeente Stichtse Vecht. De initiatiefnemer heeft voornemens de bestaande bebouwing te slopen en nieuwbouw te realiseren. Voor de ontwikkeling is een omgevingsvergunning nodig. Bij de aanvraag van deze vergunning is gebleken dat voor het plangebied een archeologische onderzoeksplicht geldt. Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om vast te stellen of er archeologische waarden aanwezig kunnen zijn binnen het plangebied en om te bepalen of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. De onderzoeksplicht vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992), de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, 2010) en de Erfgoedwet (2016). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 3). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4). Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in juli/augustus door de heer E. Steijsiger, MSc (KNA Prospector Ma) en de heer ir. E.M. ten Broeke Senior KNA Prospector). Het rapport is gecontroleerd door De heer H.J. Geurts, MSc.

21244.002 versie 1

1 / 24

2

BUREAUONDERZOEK

2.1 Doelstelling en onderzoeksvragen Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Hiervoor wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld.

2.2 Methoden Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 19‑02‑2018) en volgens de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 19‑02‑2018, protocol 4002), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven volgens specificatie LS06.3 Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht: • • • • •

afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).

Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • • • • • • • •

het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; een recente topografische kaart; recente luchtfoto’s;

3 SIKB.

21244.002 versie 1

2 / 24

• • •

het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN4); de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Stichtse Vecht; Historische Kring Breukelen.

2.3 Afbakening en huidige situatie van het plangebied Afbakening plan- en onderzoeksgebied Het plangebied is het gebied waarbinnen de ruimtelijke ontwikkeling plaats vindt. Het onderzoeksgebied is het gebied waarbinnen voor het bureauonderzoek relevante informatie wordt verzameld. Dit is het gebied in een straal van circa 500 m rondom het plangebied. Het plangebied ligt aan de Dudok de Witstraat, in de bebouwde kom van Breukelen, in de gemeente Stichtse Vecht (zie kaart 1) en heeft een oppervlak van circa 1700 m2. Het maaiveld ligt volgens het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN4) rond 0,50 m NAP en de centrumcoördinaten van het plangebied zijn X: 128.491 en Y: 464.813. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Breukelen-Nijenrode, sectie B en beslaat percelen 3649 en 3650 (zie kaart 2). Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens. Binnen het plangebied staan momenteel woningen met eromheen gras (zie kaart 3). Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied.

Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan Parapluplan Archeologie. Volgens dit bestemmingsplan heeft het plangebied een dubbelbestemming Archeologie – Waarde 4. Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan: 500 m2 en dieper dan 30 cm beneden maaiveld.4 De dubbelbestemming is afgeleid van de Archeologische verwachtingskaarten en de bijbehorende beleidsnota. Volgens de verwachtingskaart (zie kaart 4) ligt het plangebied in een zone met een middelhoge tot hoge archeologische verwachting.5

4 Portaal voor Ruimtelijke Plannen. 5 Hogenboom et al., 2021

21244.002 versie 1

3 / 24

Milieuhygiënische situatie Voorafgaand aan het archeologisch bureauonderzoek is er voor het plangebied een milieuhygiënisch bodemonderzoek uitgevoerd door Econsultancy.6 Uit het bodemonderzoek is gebleken dat in de bovengrond zijn de parameters nikkel, cadmium, lood in een licht verhoogd gehalte aangetroffen. In de ondergrond zijn de parameters cadmium, kwik, lood in een licht verhoogd gehalte aangetroffen. In het grondwater zijn alleen licht verhoogde gehaltes barium aangetroffen. Gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek. Er zijn op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten. De bovengrond is plaatselijk zwak tot matig betonhoudend, zwak baksteenhoudend en zwak kolengruishoudend.

2.4 Toekomstige situatie Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. In het plangebied is de sloop van de bestaande bebouwing en de realisatie van nieuwbouw gepland. Het oppervlak en de diepte van verstoring ten behoeve van de nieuwbouw is onbekend. De geplande werkzaamheden kunnen tot gevolg hebben dat eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord.

2.5 Aardwetenschappelijke gegevens Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel 2.1

6

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied

Type gegevens

Gegevensomschrijving

Geologie7

Formatie van Echteld

Stroomgordel8

Oud-Aa stroomgordel, actief tussen 2875 – 1877 BP9/925 v. Chr. – 73 na Chr. Vechts stroomgordel, acitef 2300 – 828 BP/350 v. Chr. – 1122 na Chr. circa 300 meter ten oosten van het plangebied

Geomorfologie10

Niet gekarteerd vanwege ligging in bebouwde kom

Weststrate, 2024.

7 De Mulder et al., 2003. 8 Cohen et al., 2012. 9 BP: Before Present (dat is voor 1950). 10 NGR/Wageningen Environmental Research (2019).

21244.002 versie 1

4 / 24

Bodem11

Niet gekarteerd vanwege ligging in bebouwde kom

Grondwatertrap

Niet gekarteerd vanwege ligging in bebouwde kom

Landschappelijke ontwikkeling12 Pleistoceen De basis van de relevant landschappelijke ontwikkeling binnen rond het plangebied vond plaats in het einde van het Pleistoceen. Deze periode werd afgesloten met de laatste ijstijd, het Weichselien glaciaal (116.000 tot 11.560 BP). Dit glaciaal was minder koud dan voorgaande glacialen met als gevolg dat het Scandinavische landijs Nederland niet bereikte. Wel was het tijdens het Midden-Weichselien, ook wel bekend als het Pleniglaciaal (73.000 – 15.500 BP) dermate koud dat er nagenoeg geen vegetatie aanwezig was in Nederland en het landschap veranderde in een periglaciaal poolwoestijn. In dit landschap lag er los zand aan het maaiveld waar de wind vrij spel op had. Hierdoor zijn grote delen van Nederland verstoven en bedekt geraakt door dekzand. Het Weichselien werd afgesloten met het korte en koude Jonge-Dryas (12.850 – 11.560 BP) waarin opnieuw een poolwoestijn ontstond en het dekzand opnieuw verstoof. Beide dekzandafzettingen behoren tot de Laagpakket van Wierden van de Formatie van Boxtel. Rond Beuningen liggen de dekzandafzettingen ongeveer 6 meter onder het huidige maaiveld. Lokaal kan een dekzandrug/-kop aanwezig zijn waardoor het dekzand dichter bij het maaiveld aanwezig is. Holoceen Na het Weichselien (vanaf 11.560 BP), trad het huidige geologische tijdperk het Holoceen aan.

Dit tijdperk wordt gekenmerkt met aanhoudende hoge temperaturen en een toename aan neerslag. Het landijs van het Weichselien smolt af waardoor de zeespiegel steeg. De kustlijn, dat aan het begin van het Holoceen nog ten westen van het Nauw van Calais lag, bewoog naar het oosten. Hiermee stegen de grondwaterstanden binnen het Pleistocene dekzandlandschap en ontwikkelde er veen. Dit veen wordt gerekend tot het Basisveen van de Formatie van Nieuwkoop. Rond Breukelen is dit veen rond 8000 tot 6000 BP, in het Mesolithicum, ontstaan. Tot circa 5000 BP steeg het zeeniveau snel, waardoor ook de kustlijn snel naar het oosten bewoog. Op de kustlijn waren waarschijnlijk al strandwallen gevormd, maar deze werden onderbroken door zeegaten. Achter de strandwallen ontstonden uitgestrekte lagunes en waddengebieden. De sediment aanvoer van de rivieren lang niet genoeg om de verdieping van de deze getijde gebieden als gevolg van de snelle zeespiegelstijging te niet te doen. Na 5000 BP nam de snelheid van de zeespiegelstijging af. En slibden de meeste zeegaten dicht. Vervolgens vond er een omslag plaats van terugtrekkende naar een uitbouwende kustbarrière, de kust bewoog weer naar het westen. De lagunes achter de strandwallen raakten merendeels afgesneden van de zee en verzoette. Hierdoor kon er veen ontwikkelen in de lagunes.

Alles eerste groeide dit veen op de oevers, en verspreidde zich langzaam aan naar de diepere delen van de lagunes. Dit veen wordt gerekend tot het Hollandveen van de Formatie van Nieuwkoop. Het veengebied rondom de Utrechtse Vecht is in deze periode ontstaan en bestond uit een uitgestrekt veengebied met enkele veenmeren. Tussen deze meren lagen enkele kleine beken die het overtollige water afvoerden (zie figuur 2.1B).

11

NGR/Wageningen Environmental Research (2018).

12

Bos, 2010/de Boer et al., 2010/Hogenboom et al., 2021.

21244.002 versie 1

5 / 24

Rond 6370 BP ontstond de Oude Rijn op ongeveer zijn huidige loop en is werd verschillende opeenvolgende riviertakken gevoed. De jongste, de Kromme Rijn ontstond bij Wijk bij Duurstede ongeveer vanaf 3200 BP en is verbonden met de Oude Rijn bij Utrecht. Rond 2800 BP vlak voor het begin van de IJzertijd ontsprong op dit punt het Vecht rivieren systeem. Dit systeem omvat de Vecht, Oude Aa en Angstel rivieren. Na het ontstaan van het Vecht systeem stroomde de rivier tussen de bestaande veenmeren in met als gevolg dat deze na elkaar geleidelijk aan opvulden met fluviatiele afzettingen13. Naast de actieve geul ontstonden op het bestaande veen zandige oeverwallen die als natuurlijke dijken functioneerden. Verder verwijderd van de actieve geul werden komklei afzettingen afgezet (zie figuur 2.1C). De Breukelen en Loenen meren waren waarschijnlijk in enkele tientallen jaren opgevuld met relatief grove fluviatiele afzettingen. Deze opvullingsafzettingen lijken qua textuur, structuur en ruimtelijke verspreiding op crevasse afzettingen. Nadat deze meren opgevuld waren, volgde de rivier de huidige loop van de Angstel rivier om in het Aertseveldse Meer te monden. Vervolgens werd deze geleidelijk aan opgevuld met het fluviatiele materiaal.

Figuur 2.1 Holocene paleogeografische ontwikkeling van het Vecht rivierensysteem. Het plangebied ligt nabij de groene cirkel. Vervolg op volgende bladzijde. Naar Bos, 2010.

13

Dit zijn rivierafzettingen zoals klei en zand.

21244.002 versie 1

6 / 24

21244.002 versie 1

7 / 24

Rond 2440 BP en 2260 BP in de IJzertijd, vonden er twee rivieraftakkingen plaats. Hiermee werden de oude lopen van de Angstel en Oude Aa afgesneden en ontstond de loop van de huidige Vecht (zie figuur 2.1D: 17 en 20). Vlak hierna nam de afvoer in het Vecht rivierensysteem sterk af. Hiermee verloor de Angstel geleidelijk aan een directe verbinding met de actieve Vecht geul (zie figuur 2.1E 28). De Oude Aa bleef wel nog verbonden met de actieve Vecht geul. Door de afname van sediment toevoer in de rivieren ontwikkelden er minder hoge en brede oeverwallen. Ook binnen de komgebieden nam de sediment toevoer sterk af met als gevolg dat het veengebied zich weer konden uitbreiden (zie figuur 2.1D en E). Zowel in 300 en 700 na Chr. nam de afvoer van de Lek toe. Hiermee verminderde het water dat bij Wijk bij Duurstede naar de Kromme Rijn stroomde met als gevolg dat ook de afvoer van de Vecht afnam. In de Vroege-Middeleeuwen vormde de Vecht de verbinding tussen de Rijn bij Utrecht en de Zuiderzee. Vanaf de 6e eeuw na Chr. was de rivier een belangrijke route voor handel tussen handelssteden langs de Rijn (zoals Wijk bij Duurstede en Utrecht) en noordelijke regio’s (zoals Scandinavië). In 1122 na Chr. werd echter de Kromme Rijn bij Wijk bij Duurstede afgedamd.

Hierdoor bestond de afvoer van de Vecht alleen uit lokaal (kwel)water en werd het mogelijk om de omringende veengebieden te ontwateren voor ontginning en turfwinning. Na de ontwatering begonnen de klei en veen gebieden in te klinken waardoor het maaiveld hier lager kwam te liggen. De zandige oeverwallen langs de (oude) riviergeulen staken hiermee nog hoger boven het landschap uit. De verdere afname van de afvoer van de Vecht had achter ook tot gevolg dat de Zuiderzee tijdens stormen meer gebieden overstroomden (zie figuur 2.1F). Het plangebied ligt binnen het voormalige Breukelen meer dat vlak na 2900 BP is opgevuld met fluviatiele afzettingen. Vervolgens lag het plangebied in het stroomgebied van de Oude Aa, nabij de afsplitsing van de Vecht. In de ondergrond van het plangebied worden daarom de fluviatiele opvullingsafzettingen en/of geulvullingen van de Oude Aa. Mogelijk bestaat de bovenkant van de bodemopbouw uit oeverwalafzettingen van de Vecht. DINO Het Dinoloket14 is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland.

Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket zijn enkele boringen bestudeerd.15 Hieruit blijkt dat de ondergrond tot ongeveer 1,10 à 1,20 m -mv bestaat uit (matig siltige) klei. Het gaat hier mogelijk om de oeverwalafzettingen van de Vecht. Hieronder bestaat de bodemopbouw binnen sommige boringen uit zandige klei en binnen andere uit (sterk) siltige (fijn) zand. Het gaat hier waarschijnlijk om de fluviatiele opvullingsafzettingen die tijdens de opvulling van het Breukelen meer zijn afgezet. Er zijn geen veenlagen aangetroffen. Ook zijn er geen dekzandafzettingen aangetroffen binnen deze boringen. Aangezien deze boringen tot 6 m -mv gezet zijn, liggen de dekzandafzettingen dieper.

14 Dinoloket. 15 DINO boornummers B31E0263, B31E2287, B31E0656, B31E0262.

21244.002 versie 1

8 / 24

Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Doordat het plangebied zich binnen de bebouwde kom van Breukelen bevindt, is de geomorfologie niet gekarteerd (zie kaart 5). Uit extrapolatie van geomorfologische gegevens buiten het plangebied is het aannemelijk dat het plangebied ligt binnen een stroomrug of stroomgordel van de Oude Aa. Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Het Actueel Hoogtebestand Nederland16 vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Uitgaande van het AHN ligt het plangebied op ongeveer 0,75 m NAP (zie kaart 7). Op het AHN zijn de hoger gelegen oeverwallen langs de Vecht en Oude Aa duidelijk herkenbaar. Hieruit is op te maken dat het plangebied op deze oeverwallen ligt. Binnen de woerd waarop de historische kern van Breukelen is gelegen, ligt het maaiveld ongeveer op 1,30 m NAP. Het maaiveld binnen het plangebied ligt ongeveer 55 cm lager dan binnen de woerd, wat betekend dat het plangebied waarschijnlijk niet binnen de contouren van deze woerd ligt. Bodemkunde Doordat het plangebied zich binnen de bebouwde kom van Breukelen bevindt, is de bodemopbouw niet gekarteerd (zie kaart 8).

Uit extrapolatie van bodemgegevens buiten het plangebied is het aannemelijk dat het plangebied ligt binnen een gebied met een poldervaaggrond. Deze kan kalkhoudend of kalkloos zijn en bestaat waarschijnlijk uit zware zavel en lichte klei. Ooivaaggronden zijn gronden die zich voornamelijk ontwikkelen in rivierafzettingen. Deze gronden behoren tot de vaaggronden wat betekend dat er geen tot weinig bodemvorming heeft plaatsgevonden. De ooivaaggronden kennen relatief lage grondwaterstanden. Hierdoor kan er boven het grondwaterpeil bioturbatie optreden. Door dit proces wordt de bodemopbouw gehomogeniseerd en heeft een egale bruingrijze/grijsbruine kleur. Dit verschijnsel wordt daarom verbruining genoemd. Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. Het grondwaterpeil is een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten; hoe beter de ontwatering, hoe slechter de conservering. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven.

16 PDOK/Rijkswaterstaat (2023) ‘Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) WCS.

21244.002 versie 1

9 / 24

Tabel 2.2 geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen. Tabel 2.2

Grondwatertrappenindeling17

Grondwatertra I p

II'

III'

IV

V'

VI

VII"

VIII

GHG (cm -mv)

-

<40

<40

>40

<40

40-80

>80

> 140

GLG (cm -mv)

<50

50-80

80-120

80-120

>120

>120

>120

-

') Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden ") Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld

Doordat het plangebied zich binnen de bebouwde kom van Breukelen bevindt, is de grondwatertrap niet gekarteerd. Uit extrapolatie van grondwater gegevens buiten het plangebied is het aannemelijk dat het plangebied in een gebied ligt dat wordt gekenmerkt met een grondwatertrap IV.18 De conservering van metalen en organische resten zal in het plangebied, vanwege de grondwaterstand, goed zijn.

2.6 Archeologische waarden 2.6.1

AMK-terreinen, onderzoeksmeldingen en vondsmeldingen

Om inzicht te krijgen in bekende archeologische waarden in de omgeving van het plangebied is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), de online database van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. 19 Deze database bevat onder meer informatie over archeologische onderzoeken, vondstmeldingen en archeologische monumentterreinen. In kaart 9 zijn de archeologische waarden en onderzoeken in de omgeving van het plangebied weer gegeven. Voor het onderzoek wordt vooralsnog gekeken naar de waarden binnen een straal van 500 m rondom het plangebied. Aangezien de gemeentelijke beleidskaart een hoger detailniveau heeft dan de landelijke IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd.

17 Locher & De Bakker, 1990. 18 BRO Grondwaterspiegeldiepte Model, NGR/WER, 2021. 19 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort

21244.002 versie 1

10 / 24

AMK-terreinen De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Het plangebied ligt niet binnen een AMK-terrein. Binnen het onderzoeksgebied liggen twee AMK-terreinen van hoge archeologische waarden (zie bijlage 2 en kaart 9). De AMK-terreinen betreffen het historisch centrum van Breukelen (AMK-terrein 11.923) en Gunterstein (AMK-terrein 11.926). Het historisch dorp van Breukelen stampt uit de Late-Middeleeuwen en nieuwe tijd, ook bestaan aanwijzingen dat er resten aanwezig zijn uit de VroegeMiddeleeuwen. Binnen het terrein van het Gunterstein waren drie huizen aanwezig. Van het oudste huis is niets bekend, maar is mogelijk in de 14e eeuw gebouwd en in 1511 afgebroken. Het tweede huis werd in 1673 door de Fransen afgebroken. Het laatste huis is in 1680 gebouwd. Deze AMK-terreinen laten zien dat de omgeving van het plangebied in de Late-Middeleeuwen en Nieuwe Tijd bewoond zijn geweest.

Ook zijn er aanwijzingen voor bewoning uit de Vroege-Middeleeuwen.20 Onderzoeksmeldingen Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal 28 archeologische onderzoeken uitgevoerd (zie bijlage 3 en kaart 9). Er worden verschillende typen archeologische onderzoeken onderscheiden. Voor ons onderzoek zijn met name de archeologische veldonderzoeken van belang, dus de booronderzoeken, proefsleuvenonderzoeken, archeologische begeleidingen en opgravingen. Als er tijdens archeologisch onderzoek vondsten worden gedaan, dan kunnen er één of meerdere vondstlocaties worden geregistreerd. Circa 100 meter ten oosten van het plangebied zijn twee verkennende booronderzoeken en een archeologische begeleiding uitgevoerd21 op de rand het AMK-terrein 11.923 van de oude dorpskern van Breukelen. Tijdens deze onderzoeken is gebleken dat de basis van de bodemopbouw bestaat uit crevasse-achtige afzettingen die tijdens de opvulling van het Breukelen Meer in de IJzertijd zijn afgezet. Omdat er geen horizonten zijn aangetroffen in deze afzettingen, is de conclusie getrokken dat er geen aanwijzing zijn op menselijk gebruik. Op deze natuurlijke afzettingen is een menselijke ophooglaag aangetroffen bestaande uit verschillende lagen.

In deze lagen zijn archeologische rest aangetroffen die dateren tot de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Deze ophoogslaag is geïdentificeerd als een oude woongrond dat door de eeuwen heen is opgehoogd als onderdeel van de oude dorpskern van Breukelen. Het huidige plangebied ligt niet binnen dit AMK-terrein. Er kunnen echter wel archeologische waarden voorkomen die gerelateerd zijn aan de periferie van het oude drop.22 Ook binnen de andere archeologische onderzoeken die binnen het onderzoeksgebied zijn uitgevoerd hebben enkel geleidt tot het vinden van archeologische waarden uit de Late-Middeleeuwen Nieuwe tijd. Dit toont aan dat het gebied rondom het plangebied pas in de Late-Middeleeuwen intensief bewoond is geweest.

20 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 21 ARCHIS zaaknummer 5316479100, 3979097100 en 4012118100 22 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort

21244.002 versie 1

11 / 24

Vondstmeldingen In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd die niet tijdens archeologische onderzoeken zijn aangetroffen. Binnen het plangebied zijn geen losse vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan drie losse vondstmeldingen geregistreerd (zie bijlage 4 en kaart 9). Vondsmelding 2842690100 staat geregistreerd aan de zuidzijde van de markt in het historisch dorpskern van Breukelen en heeft geresulteerd tot vondstmeldingen die dateren tot de Vroege-Middeleeuwen D tot Late-Middeleeuwen. Deze losse vondstmelding laat zien dat de kern van Breukelen mogelijk al sinds het einde van de VroegeMiddeleeuwen bewoond was. De andere twee losse vondstmeldingen zijn ongeveer 200 meter ten westen van het plangebied aangetroffen en bevat vondsten uit de Late-Middeleeuwen en de Nieuwe tijd. Deze vondsmeldingen laten zien dat dit deel van Breukelen pas later in menselijk gebruik is geweest dan de kern van Breukelen. Alle drie de losse vondstmeldingen zijn binnen ARCHIS gemeld vanuit een archief. Daarbij is de exacte vondstlocatie niet zeker.23

2.6.2

Andere bronnen

Wetenschappelijke publicaties, archieven en provinciaal archeologisch depot In het kader van dit bureauonderzoek is de publicatie Distale deltavlakte-afzettingen: Architectuur en lithofacies van organische accumulaties en meer opvullingen in de Holocene Rijn-Maasdelta, Nederland van Bos (2010) geraadpleegd voor aanvullende informatie over de vorming van de Vecht en omringende veengebieden. Er heeft in het kader van dit bureauonderzoek geen archiefonderzoek plaats gevonden, aangezien verwacht werd dat dit voor dit plangebied geen meerwaarde zou hebben.

2.7 Beschrijving van het historische gebruik In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Korte bewoningsgeschiedenis van Breukelen24 In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 5. Met het ontstaan van het Vecht rivierensysteem aan het einde van de Late-Bronstijd ontstonden er langs de rivieren relatief hoge en droge oeverwallen in het veenlandschap. Op deze oeverwallen was menselijke bewoning mogelijk vanaf de IJzertijd. Binnen de gemeente Breukelen zijn er echter maar weinig archeologische vondsten bekend die wijzen op bewoning in de IJzertijd.

23 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 24 de Boer, 2010/ Hamsvoord, 1992

21244.002 versie 1

12 / 24

Tijdens een proefsleuvenonderzoek dat circa 1 km ten westen van het plangebied is uitgevoerd zijn er enkele vondsten gedaan die dateren uit de Vroege- en Midden IJzertijd in de afzettingen van de Oude Aa stroomgordel25. Dit onderzoek heeft echter uitgewezen dat de bewoners in deze periode vaak last hadden van wateroverlast waardoor er geen stabiele woonplaats is geweest. De eventuele bewoningssporen zijn hierdoor verspoeld geraakt. Ook de akkers bevonden zich op een tamelijk natte grond. In de IJzertijd was de activiteit van het Vecht rivierensysteem te groot voor een langdurige bewoning. Ook gedurende de Romeinse tijd was de activiteit van de Vecht te groot voor langdurige bewoning op de oeverwallen. Hoewel de Vecht ten noorden van de Romeinse grens ligt, was de rivier een belangrijke vaarroute naar het noorden toe. Om deze route te beschermen werd het castellum Fectio in 5 na Chr. gebouwd bij de afsplitsing van Rijn, bij het huidige Vechten (Bunnik). Aan de Oer-IJ lagen Romeinse hevenfort bij het huidige Velsen. Deze versterkingen bij de Oer-IJ werden in 47 na Chr. opgegeven toen de Rijn de noordgrens van het Romeinse Rijk werd. Tussen 5 en 47 na Chr. zullen waarschijnlijk troepen en materiaal over het de Vecht tussen beiden forten zijn verplaatst.

Doordat de activiteit van de Vecht in het einde van de Romeinse tijd en in het begin van de VroegeMiddeleeuwen afnam, werd het mogelijk om op de oeverwallen langs de Vecht langdurig te wonen, al bleef het gevaar op overstromingen bestaan. Daarom werden er lage woonheuvels, woerden, opgeworpen. Dicht bij elkaar gelegen woerden vormden zich tot kleine permanente leefgemeenschappen. Breukelen is waarschijnlijk ook als een woerden dorp ontstaan. Tot in de Late-Middeleeuwen werd er ook gesproken over het ‘Ronde Dorp’, wat mogelijk een verwijzing is naar de oorsprong als een woerddorp. Tussen circa 650 en 718 was de Vechtstreek onderdeel van het Friese koninkrijk. In 718 werd het gebied volledig veroverd door de Franken. Een jaar later, in 719, begon Bonifatius de Vechtstreek vanuit Woerden te bekeren tot het Christendom. In Breukelen stichtte hij een kerk, de huidige St. Pieter kerk. Mogelijk stond er op deze plek een Fries heiligdom. Tegenover de kerk lag waarschijnlijk de hofstede Attingahem, het hof van de Attinga familie die de omgeving van Breukelen beheerde. Het is mogelijk dat deze hofstede op dezelfde plek stond als de hofstede De Poel uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd, circa 100 meter ten oosten van het plangebied. Van de hofstede Attingahem zijn echter nog geen archeologische resten van gevonden. De heer en het dienstpersoneel woonde op de hofstede zelf.

Het grootste deel van het landgoed werd verpacht. In geval van dreiging konden de boeren van de hofstede terugtrekken op de omheinde of omgreppelde woning. In de 11e eeuw na Chr. kwamen de ontginning van de moerasgebieden ten westen van de Vecht en Oude Aa bij Breukelen op gang. De polders Otterspoor en Otterbroek behoorden tot de eerste ontginningen. In de 12e eeuw werd de westelijke Vechtdijk aangelegd, waarop later de Kleiweg of ’s Herenweg werd aangelegd. De dijk boog om de oude kern van Breukelen heen, waardoor deze buitendijks kwam te liggen. De kerk en de hofstede De Poel lagen binnendijks. Breukelen werd lang vanuit de hofstede De Poel door de familie Van Den Poel bestuurd. Wel ging bij een boedelscheiding binnen de familie een deel naar de tak die tussen de Vecht en de Klapstraat een nieuwe villa had laten bouwen. Beide takken van de familie werden opgevolgd door de Van Rijn familie.

25 ARCHIS zaaknummer: 2037541100

21244.002 versie 1

13 / 24

In de 13e eeuw ging handel over de Oude Aa sterk achteruit doordat de Vecht steeds meer door de huidige rivierarm tussen Breukelen en Nieuwesluis stroomde. De heerser van Nieuwer ter Aa (langs de Oude Aa) probeerde zijn invloed op de scheepsvaart te behouden en bouwde langs de hoofdstroom van Vecht een nieuw kasteel. Op de westoever ten zuiden van Breukelen liet hij de nog woeste grond ontginnen en bouwde het kasteel Nijenrode voor zijn derde zoon, circa 1 km ten zuidoosten van het plangebied. In de tweede helft van de 14e eeuw huwde de heer van Nijnrode met de erfdochter van de toenmalige heer van de hofstede De Poel waardoor het machtscentrum van Breukelen naar Nijnrode verhuisde. In 1672 werd het gehele dorp Breukelen geplunderd en verwoest door de Fransen, met uitzondering van de Pieterskerk. Vervolgens deed het dorp dienst als een militaire vestiging van de Fransen en werden er twee schansen opgeworpen aan weerszijden van de Vecht. Na 1672 werd het dorp weer herbouwd. Nijnrode kwam na vier eeuwen adellijk bezit in handen van rijke kooplieden.

Figuur 2.2 De omgeving van het plangebied op enkele historische kaarten: Prins Maurits’ kaart van Rijnland en omliggend gebied uit 1614; kaart van Hofstede de Poel uit 1656; kaart van Breukelen uit 1681; kaartboek van Rijnland uit 1746. Het plangebied ligt ongeveer bij de blauwe cirkel, de Hofstede de Poel is met een rode cirkel aangegeven. Naar Verschoof-van der Vaart & Warning, 2015.

21244.002 versie 1

14 / 24

Op de plek van de hofstede De Poel is waarschijnlijk in de tweede helft van de 17 e eeuw een herberg gebouwd. Door de ligging op de kruising van verschillende belangrijke wegen was deze positie zeer gunstig voor de herberg. Ook lag er op deze plek al voor 1696 een sluis, wat ook voor klanten zal hebben gezorgd. Binnen het terrein van De Poel is een archeologische begeleiding uitgevoerd. Binnen dit onderzoek zijn enkele sporen aangetroffen uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd, er is echter geen duidelijke structuur herkenbaar. De sporen uit de LateMidddeleeuwen lijkt een interpretatie als losse sporen in een agrarisch gebruik de meest voor de hand liggende. De sporen uit de Midden-Nieuwe tijd zijn van een hooimijt. Zeer waarschijnlijk behoren deze sporen tot een erf bij een elders gelegen gebouw, waarschijnlijk van de hofstede De Poel. Van de hofstede zelf zijn geen sporen aangetroffen. Het huidige plangebied was waarschijnlijk vanaf de Vroege-Middeleeuwen onderdeel van landerijen van de hofstede Attingahem en later van De Poel. Waarschijnlijk was het in agrarisch gebruik. Uit historisch kaartmateriaal uit de 17e en 18e eeuw blijkt dat het plangebied in deze perioden in agrarisch gebruik was (zie figuur 2.2). Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel 2.3

Geraadpleegd historisch kaartmateriaal

Bron

Periode

Kaartblad

Schaal

Omschrijving plangebied

Bijzonderheden/directe omgeving

Kadastrale minuut26

1811-1832 Gemeente BreukelenNijnrode, sectie C, Blad 01

1:2.500

Het plangebied is in gebruik als akker.

Het plangebied ligt ten 100 meter ten westen van een de herberg De Poel. De percelen ten zuiden en westen van het plangebied zijn ook in agrarisch gebruik. Ten noorden van het plangebied ligt de Kerkvaart op de huidige positie.

Militaire topografische kaart 27

1880

425 Kockengen

1:25.000

Geen veranderingen.

Geen significante veranderingen.

Bonneblad

1899

425 Kockengen

1:25.000

Geen veranderingen.

Het Amsterdam-Rijn kanaal is gerealiseerd.

Bonneblad

1943

425 Kockengen

1:25.000

Geen veranderingen.

Geen significante veranderingen.

Topografische kaart

1948

425 Kockengen

1:25.000

Geen veranderingen.

Uitbreiding van de bebouwde kom van Breukelen ten noorden, westen en zuiden van het plangebied.

26 Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. 27 Kadaster Topotijdreis (bron voor deze kaart en de hierop volgende kaarten in deze tabel).

21244.002 versie 1

15 / 24

Topografische kaart

1962

31E

1:25.000

Het plangebied is onderdeel van de bebouwde kom van Breukelen, maar grotendeels nog onbebouwd. Mogelijk staat er in het noordoostelijke deel een schuur.

Verdere uitbreiding van de bebouwde kom van Breukelen.

Topografische kaart

1970

31E

1:25.000

De huidige bebouwing is aanwezig.

Verdere uitbreiding van de bebouwde kom van Breukelen.

Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal (zie tabel 2.3) blijkt dat het plangebied tot in de tweede helft van de 20e eeuw in agrarisch gebruik was en circa 100 meter ten westen van de bebouwde kom van Breukelen lag. In de tweede helft van de 20e eeuw de bebouwde kom van Breukelen in de omgeving van het plangebied uitgebreid. In 1970 staat de huidige bebouwing aangegeven op de topografische kaarten. Bouwhistorische gegevens Bij het Regionaal Historisch Centrum Vecht en Venen is het archief geraadpleegd tot inzage van bouwdossiers voor de bebouwing binnen het plangebied. Hieruit blijkt dat de huidige bebouwing tot circa 85 cm -mv gefundeerd zijn. Bij het raadplegen van de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) van de bestaande bebouwing blijkt dat het oorspronkelijke bouwjaar 1972 is.28 Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd. 29 Het raadplegen van deze bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn.

Historische Kring Breukelen Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de plaatselijke Historische Kring Breukelen, maar dit heeft binnen het tijdsbestek van de uitvoering van dit onderzoek geen aanvullende informatie opgeleverd.

28 Kadaster, Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG). 29Warmerdam,

2017/Amersfoort & Kamphuis, 1990/Indicatieve kaart Militair Erfgoed/Jong, 1969 – 1994/ Klep & Schoenmaker, 1995/Ruimingskaart/VEO Bommenkaart/Zwanenburg, 1990/Luchtfoto’s RAF.

21244.002 versie 1

16 / 24

2.8 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel 2.4

Gespecificeerde archeologische verwachting

Archeologische periode

Gespecificeerde verwachting

Te verwachten complextype/resten

Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld

(Laat-)Paleolithicum

Hoog

Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen.

Onder de Holocene rivierafzettingen en/of veenlagen, in de top van de dekzandafzettingen.

Mesolithicum

Laag

Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen.

In een eventueel aanwezig veendek.

Neolithicum en Bronstijd

Laag

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen.

In een eventueel aanwezig veendek.

IJzertijd en Romeinse tijd

Middelhoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen.

In de top van de oeverwalafzettingen of meer opvullagen.

Vroege- en LateMiddeleeuwen

Hoog

Akkerlaag en/of bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen.

In de top van de oeverwalafzettingen, meer opvullagen of een eventueel aanwezige antropogene ophogingslaag

Nieuwe tijd

Laag

Akkerlaag en/of bewoningssporen van een (nabijgelegen) (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen.

Onder maaiveld, in de top van de oeverwalafzettingen, meer opvullagen of een eventueel aanwezige antropogene ophogingslaag

Door archeologisch onderzoek is er een goed beeld van waar de jagers en verzamelaars hun tijdelijke kampementen vestigden. De jagers en verzamelaars waren afhankelijk van een aantal ecologische factoren, zoals het voedselaanbod en de aanwezigheid van grondstoffen in de omgeving van de locatie. Ze leefden van de jacht, visserij en het verzamelen van onder andere noten, vruchten en wortels. Dit soort voedsel was met name te vinden op het overgangsgebied van hoge en droge gronden naar lage en natte gronden, de gradiëntzone, en dichtbij water, zoals vennen en beken. Op dit soort locaties was ook drinkwater bereikbaar. 30

30 Louwe Kooijmans et al., 2005.

21244.002 versie 1

17 / 24

Voor de landbouwers zijn andere factoren van belang bij de locatiekeuze. Vanaf het Neolithicum ging men zich vestigen op één locatie. Om te kunnen blijven wonen op één plek werd het kunnen uitvoeren van landbouw een belangrijke factor. Voor akkerbouw is onder andere een vruchtbare bodem en een goede afwatering van belang.31 Gedurende het (Late-)Paleolithicum lag het plangebied binnen het dekzandlandschap dat tegenwoordig ongeveer zes meter onder het huidige maaiveld ligt. Vanwege deze diepteligging is er weinig bekend over de topografie van het dekzandlandschap. Het is daarom mogelijk dat het plangebied in deze periode een geschikte vestigingslocatie vormde. Er geldt daarom een middelhoge archeologische verwachting. In het Mesolithicum ontwikkelde er de veengebieden en de veenmeren. Het plangebied kwam zeer waarschijnlijk binnen het Breukelen veenmeer te liggen. Er geldt daarom een lage archeologische verwachting voor de perioden Mesolithicum tot en met de Bronstijd. Ook als het plangebied niet binnen het veenmeer lag, maar binnen het veengebied, vormde het alsnog geen geschikte vestigingslocatie. Ook in deze situatie geldt er een lage archeologische verwachting. De eventueel aanwezige archeologische waarden worden dan binnen de eventueel aanwezige veenlagen verwacht, als deze niet tijdens de Middeleeuwse ontginningen zijn afgegraven.

Rond 2800 jaar geleden, vlak voor het begin van de IJzertijd, ontstond de Vecht rivieren systeem tussen de veenmeren, bestaande uit de Vecht, Oude Aa en Angstel stroomgordels. Als zijstroom van de Rijn werd er veel sediment getransporteerd en werden de veenmeren één voor één opgevuld met fluviatiele opvullingslagen. Het Breukelenmeer is waarschijnlijk in enkele decennia opgevuld. Naast de actieve geul ontstonden oeverwallen waarop bewoning mogelijk was. Archeologische onderzoeken die in de omgeving zijn uitgevoerd laten zien dat de oeverwallen bewoond waren. Door de hoge rivieractiviteit van de Vecht was langdurige bewoning niet mogelijk. Ook in Romeinse tijd bleef de rivieractiviteit te hoog voor (langdurige) bewoning op de oeverwallen. Binnen het plangebied worden de fluviatiele opvullingslagen verwacht, mogelijk is er ook een oeverwal aanwezig. Er geldt daarom een middelhoge archeologische verwachting voor de IJzertijd en Romeinse tijd. Aan het einde van de Romeinse tijd en in het begin van de Vroege-Middeleeuwen nam de rivieractiviteit van de Vecht af waardoor er wel langdurige bewoning mogelijk was. Vanaf de Vroege-Middeleeuwen is de omgeving van Breukelen dan ook bewoond.

Mogelijk stond er op de kruising van de huidige Stationsweg en Straatweg, circa 100 meter ten oosten van het plangebied, in de Vroege- en Late- Middeleeuwen de hofsteden Attingahem en later De Poel vanuit waar Breukelen tot in de tweede helft van de 14e eeuw werd beheerd. In de tweede helft van de 17e eeuw is waarschijnlijk op dezelfde plek een herberg gebouwd. Hoewel er binnen dit terrein al archeologische onderzoeken zijn uitgevoerd, zijn de Middeleeuwse hofsteden nog niet aangetroffen. Het plangebied behoorde waarschijnlijk tot het landgoed van deze hofsteden en was waarschijnlijk een akker. Het is echter niet uitgesloten dat (een van) de hofsteden of een ander (boeren)erf binnen het plangebied lagen. Er geldt daarom een hoge archeologische verwachting voor de Vroege- en Late-Middeleeuwen. Uit historisch kaartmateriaal blijkt dat het plangebied vanaf het begin van de 17e eeuw in agrarisch gebruik is. Er geldt daarom een lage archeologische verwachting voor de Nieuwe tijd. In de tweede helft van de 20e eeuw is de huidige bebouwing gebouwd. Hiervoor is mogelijk het maaiveld opgehoogd.

31 Louwe Kooijmans et al., 2005.

21244.002 versie 1

18 / 24

Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. Het plangebied is in het verleden in gebruik geweest als akker en in de 1972 bebouwd. Door ploegen en bouwactiviteiten kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden, die vanaf het maaiveld worden verwacht, mogelijk verloren zijn gegaan.

2.9 Conclusie bureauonderzoek Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Hieruit blijkt dat het plangebied is gelegen binnen het Breukelen veenmeer dat vlak voor het begin van de IJzertijd in 2800 jaar geleden is opgevuld met fluviatiele opvullingslagen door de Vecht. Mogelijk is op deze opvullingslagen een oeverwal van de Vecht en/of Oude Aa aanwezig. Bewoning is vanaf de IJzertijd mogelijk, al was de rivieractiviteit van de Vecht in deze periode te hoog voor langdurige bewoning. Er geldt daarom een middelhoge archeologische verwachting voor de IJzertijd en Romeinse tijd. In de Vroege- en Late-Middeleeuwen lag waarschijnlijk circa 100 meter ten oosten van het plangebied de hofsteden Attingahem en De Poel. In de tweede helft van de 17e eeuw is waarschijnlijk op dezelfde plek een herberg gebouwd. Hoewel er binnen dit terrein al archeologische onderzoeken zijn uitgevoerd, zijn de hofsteden nog niet aangetroffen. Het plangebied behoorde waarschijnlijk tot het landgoed van deze hofsteden en was waarschijnlijk een akker. Het is echter niet uitgesloten dat (een van) de hofsteden of een ander (boeren)erf binnen het plangebied lagen. Voor de Vroege- en Late-Middeleeuwen geldt daarom een hoge archeologische verwachting.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/3207/documents/63804