CConstaterende datStein
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting

Besluitvormende raadsvergadering 25 april 2024, gemeente SteinBij agendapunt: Raadsvoorstel inzake Vaststellen bestemmingsplan Veldschuurdijk ong. te Meers17.930 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Voorbeelden van risicobronnen zijn bedrijven, wegen en spoorlijnen. De 10-6-contour is de maatgevende grenswaarde. Dit houdt in dat er een kans van 1 op 1 miljoen is op overlijden.

30

bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers

Uitsnede Risicokaart met aanduiding plangebied

(Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan de richtlijnen voor vervoer van gevaarlijke stoffen, waarbij de realisatie van (beperkt) kwetsbare objecten wordt toegestaan. Voorbeelden van dergelijke objecten zijn woningen, ziekenhuizen, scholen, hotels en restaurants. Risicovolle bronnen Uit de risico-informatie van de Signaleringskaart EV (geraadpleegd d.d. 27 juni 2023) blijkt dat op een afstand van ongeveer 660 meter een propaantank aanwezig is (Maatschap Houben-Brouns, Maasbanderkerkweg 1 Stein). Gelet op de grote ruimtelijke scheiding ligt het plangebied niet binnen de invloedssfeer van deze tank. Deze risicovolle stationaire bron vormt dan ook geen belemmering voor het plangebied. Site Chemelot Ten noordoosten van het plangebied bevindt zich de site Chemelot. De site Chemelot valt onder het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015). In onderstaand figuur is de ligging van het plangebied ten opzichte van de risicocontouren van de site Chemelot weergegeven

bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers

31

Uit bovenstaande afbeelding blijkt dat het plangebied buiten de PR 10-6 en PR 10-8 contour van de site Chemelot ligt en daarmee geen harde belemmeringen gelden voor de planvorming. Het plangebied ligt daarentegen wel binnen het invloedsgebied van de site Chemelot. In de ruimtelijke onderbouwing dient ingegaan te worden op de aspecten genoemd in artikel 13, lid 1 van het Bevi. Aangezien het plangebied buiten de PR 10-8 contour ligt, zal de planvorming geen relevante bijdrage leveren aan de rekenkundige hoogte van het groepsrisico van de site Chemelot; een kwantitatieve beschouwing van de hoogte van het groepsrisico is dan ook niet nodig. Conform artikel 13 lid 1 van het Bevi dient het bevoegd gezag bij de besluitvorming de invloed van de planvorming op het groepsrisico te verantwoorden. De voorgaande constatering dat de planvorming geen relevante bijdrage zal leveren aan de rekenkundige hoogte van het groepsrisico van de site Chemelot geeft reeds invulling aan de onderdelen a t/m g: de bijdrage van toe te laten kwetsbare objecten aan de hoogte van het groepsrisico als gevolg van de site Chemelot is verwaarloosbaar. Het onderzoeken van maatregelen of alternatieven ter beperking van het groepsrisico is binnen de besluitvorming dan ook niet zinvol.

Het bevoegd gezag dient daarnaast bij de besluitvorming in te gaan op de bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en de mogelijkheden voor personen om zichzelf in veiligheid te brengen. Artikel 13, lid 3 van het Bevi bepaalt dat het bevoegd gezag de Veiligheidsregio Zuid-Limburg in de gelegenheid dient te stellen om advies uit te brengen over deze onderdelen van de verantwoording. Voorliggend plan is reeds aan de brandweer voorgelegd, waardoor advies is ingewonnen over dit aspect. 5.5.4 Transportassen Transport over waterwegen Ten aanzien van de veiligheidsrisico's in het plangebied als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het water zijn uitsluitend waterwegen van belang waar vervoer van gevaarlijke stoffen in bulkvervoer is toegestaan. De Maascorridor ligt op ongeveer 650 meter van het plangebied. Uit het Basisnet water blijkt dat voor de gehele Maascorridor een PR10-6 risicocontour geldt van 0 meter. De PR10-6 risicocontour reikt derhalve niet tot aan het plangebied. Het maximale invloedsgebied ten gevolge van het transport van gevaarlijke stoffen over waterwegen bedraagt 1.070 meter. Derhalve reikt het invloedsgebied van deze waterweg wel tot de planlocatie.

32

bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers

Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de Maascorridor waardoor op grond van artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) het groepsrisico verantwoord dient te worden bij de besluitvorming. Omdat het plangebied op meer dan 200 meter van de Maascorridor (en daarmee tevens buiten de PR 10-6 contour), is het conform artikel 8, lid 1 van het Bevt en de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) niet noodzakelijk om de invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico kwantitatief inzichtelijk te maken. Er kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Het bevoegd gezag dient bij de besluitvorming in te gaan op de bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en de mogelijkheden voor personen om zichzelf in veiligheid te brengen. Conform artikel 9 van het Bevt dient het bevoegd gezag de Veiligheidsregio Zuid-Limburg in de gelegenheid te stellen om advies uit te brengen inzake de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Transport over spoor Rond het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig. Transport over wegen Het plangebied ligt op een afstand van 1,5 km van de A76 en op een afstand van 3,3 km van de A2. Door de grote afstanden reiken de invloedsgebieden van deze wegen niet tot aan het plangebied.

5.5.5 Transport-/buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking getreden. Deze AMvB regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen, zoals aardgas. Op een afstand van 320 meter ten noordwesten van het plangebied bevindt zich een buisleiding van Air Liquide voor het transport van gevaarlijke stoffen. De PR 10-6-risicocontour rond de leiding bedraagt 0 meter. Door de desbetreffende leidingen wordt stikstof getransporteerd. Voor deze leidingen blijkt de 1% letaliteitsafstand (invloedsgebied) 0 meter te bedragen. Deze buisleidingen vormen dan ook geen belemmering voor het plangebied. Het plaatsgebonden risico vormt derhalve geen belemmering voor het realiseren van de kampeerplaatsen. 5.5.6 Verantwoordingsplicht Gebleken is dat voor de Maascorridor een beperkte verantwoordingsplicht geldt conform artikel 7 en 8 van het Bevt en voor de site Chemelot een verantwoordingsplicht conform artikel 13 lid 1 van het Bevi. Bij voorkeur wordt de initiatiefnemer gevraagd een voorzet te doen voor de invulling van deze verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag dient bij de besluitvorming de invloed van de planvorming op het groepsrisico te verantwoorden.

Hierbij moet het bevoegd gezag de Veiligheidsregio Zuid-Limburg in de gelegenheid stellen om advies uit te brengen inzake de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. 5.5.7 Doorkijk Omgevingswet Met de komst van de Omgevingswet veranderen een aantal zaken met betrekking tot externe veiligheid. Zo krijgen, conform bijlage 7 onderdeel C van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl), alle basisnetroutes een brandaandachtsgebied (BAG) en een explosieaandachtsgebied (EAG). Voor het BAG geldt een vaste afstand van 30 meter en voor het EAG een vaste afstand van 200 meter. Basisnetroutes kennen (nog) geen gifwolkaandachtsgebieden (GAG) in het Bkl. Echter wanneer deze wel worden toegewezen zullen deze naar verwachting begrenst worden op circa 300 meter. Aangetoond is dat het plangebied op enkele kilometers afstand is gelegen van de basisnetroutes voor weg en spoor en daarmee niet is gelegen binnen een toekomstig BAG, EAG en/of GAG. Hetzelfde geldt voor de Maascorridor: deze ligt op meer dan 300 meter afstand van het plangebied en daarmee zal het toekomstig

bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers

33

BAG, EAG en/of GAG niet tot over de plangrens reiken. Voor buisleidingen met gevaarlijke stoffen moeten, conform bijlage 7 onderdeel D van het Bkl de aandachtsgebieden berekend worden. De omvang van de aandachtsgebieden zijn nog niet bekend. Echter gelet op de grote ruimtelijke scheiding kan op voorhand worden geconcludeerd dat het plangebied ruimschoots buiten de (mogelijke) aandachtsgebieden van buisleidingen is gelegen. Een bovengrondse propaantank krijgt, conform bijlage 7 onderdeel A van het Bkl, een vast BAG en een EAG, afhankelijk van de inhoud van de tank en het aantal verladingen per jaar. De maximale reikwijdte van de aandachtsgebieden voor een bovengrondse propaantank is 160 meter. Uit voorgaande uiteenzetting blijkt dat het plangebied op meer dan 160 meter afstand is gelegen van de propaantank en daarmee niet is gelegen binnen een toekomstig BAG en/of EAG. Het plangebied ligt op een afstand van circa 1.000 meter van de site Chemelot. Uit figuur 3.4 blijkt dat het plangebied buiten het voorlopige berekende EAG, het berekende BAG en het beleidsmatig begrensde GAG van 1,5 kilometer (zwarte lijn) is gelegen (artikel 5.12 lid 4 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)). De berekende aandachtsgebieden hebben momenteel nog geen rechtskracht en zijn enkel ter illustratie opgenomen.

Ligging voorlopige aandachtsgebieden site Chemelot t.o. v. het plan Veldschuurdijk ongenummerd te Meers. 5.5.8 Resultaten en conclusies externe veiligheid Als gevolg van onderhavige planontwikkeling ontstaan er geen (extra) risico's in het kader van externe veiligheid. Daarbij kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid in casu goed te noemen is. Ook is de bereikbaarheid van de locatie bij een eventuele calamiteit goed. Hierdoor is de planontwikkeling in het kader van de externe veiligheid verantwoord te noemen. Gelet op vorenstaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.

34

bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers

Hoofdstuk 6

Overige ruimtelijke aspecten

Naast de diverse milieutechnische aspecten, zoals uiteengezet in Hoofdstuk 5, dient tevens te worden gekeken naar de overige ruimtelijke aspecten. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de aspecten archeologie, kabels en leidingen, verkeer en parkeren, waterhuishouding, natuur- en landschap, flora en fauna en duurzaamheid.

6.1

Archeologie en cultuurhistorie

6.1.1 Archeologische monumentenzorg (Erfgoedwet) Archeologische waarden zijn bij wet beschermd (Monumentenwet 1988, hoofdstuk vijf 'Archeologische monumentenzorg'). Gemeenten zijn verantwoordelijk voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag indien het gaat om het toetsen van de archeologische onderzoeken en Programma's van Eisen. Voorheen werd dit door de provincie gedaan, maar deze beperkt zich momenteel tot zaken die van provinciaal belang zijn. Voor (gemeentelijke) bestemmingsplannen betekent dit concreet het volgende: de gemeenteraad dient bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden en monumenten; in een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologie een vergunningenstelsel worden opgenomen. Zowel de aanvrager van een vergunning, waarbij bodemverstoring plaats vindt, kunnen langs de weg van het bestemmingsplan de verplichting krijgen tot het laten uitvoeren van een archeologisch (voor)onderzoek. Zo nodig kunnen aan dergelijke vergunningen regels worden verbonden ter bescherming van de archeologische waarden en monumenten.

6.1.2 Archeologische verwachtingswaarden en bestemmingsplan 'Erfgoed Stein' De gemeente Stein beschikt over een archeologische beleidskaart (geactualiseerd in 2019). De archeologische verwachtingswaarden zijn vertaald in het ter plekke van onderhavig facetbestemmingsplan 'Erfgoed Stein'. Binnen het plangebied is deels de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' met de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - middelhoge archeologische verwachting'. Voor gronden met deze aanduiding dient archeologisch onderzoek te worden verricht als het verstoringsoppervlak van de bodemingreep groter is dan 2.500 m² of de diepte van de bodemingreep groter is dan 40 cm. Buiten deze aanduiding is binnen het plangebied sprake van een lage verwachtingswaarde waarvoor geen ondergrenzen zijn vastgesteld.

bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers

35

Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart Limburg met aanduiding plangebied

In voorliggend voornemen is beperkt sprake van bodemverstorende werkzaamheden. Naast de sloop van de agrarische bedrijfsbebouwing met op dezelfde plek herbouw van een sanitairgebouw zijn verder geen verstorende activiteiten aan de orde. In totaal wordt 590 m² aan bebouwing gesloopt. Ter plekke van de gesloopte bebouwing wordt een sanitairgebouw van ongeveer 84 m² gerealiseerd. Het verstoringsoppervlak blijft daarmee ruim onder de 2.500 m², zoals vastgelegd in het bestemmingsplan 'Erggoed Stein'. Een archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. In alle gevallen geldt dat indien bij toekomstig graafwerk archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, deze direct gemeld dienen te worden bij de minister conform de Erfgoedwet 2015, artikel 5.10 & 5.11. In de praktijk dienen meldingen gedaan te worden bij de gemeente Stein die verantwoordelijk is voor het archeologische beleid. 6.1.3 Cultuurhistorie De gemeente Stein heeft op 21 maart 2019 het ‘Erfgoedbeleid 2019’ vastgesteld. Dit beleid heeft betrekking op de aspecten nederzettingsstructuren, gebouwen, klein gebouwd erfgoed, groen- en landschap, infrastructuur en archeologie.

Uit de inventarisatie van dit erfgoedbeleid blijkt dat het plangebied ligt in een zeer waardevol kleinschalig uiterwaardenlandschap met oude meidoornheggen en hoogstamboomgaarden waarvan de structuren teruggaan tot voor 1850. De heggen bestaan uit eenstijlige meidoorn met verspreid hondsroos, beklierde hondsroos, beklierde heggenroos, gewone vlier, wilde kardinaalsmuts, es (deels met vlechtwerk), gladde iep en opgaande zomereik.

36

bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers

Uitsnede kaart Cultuurhistorische inventarisatie landschappelijk groen erfgoed Deze landschapselementen zijn in het facetbestemmingsplan 'Erfgoed Stein' met de dubbelbestemming 'Waarde - Historisch groen en landschap' met de functieaanduidingingen 'specifieke vorm van waarde historisch waardevol groenelement', 'specifieke vorm van waarde - historisch waardevol groengebied' en 'specifieke vorm van waarde - historisch waardevol groenobject'. Ten behoeve van het landschappelijk inpassingsplan wordt rekening gehouden met deze elementen en waar nodig versterkt. Inhoudelijk wordt dan ook verder verwezen naar paragraaf 6.5.4 (Landschappelijk Inpassingsplan). 6.1.4 Conclusie archeologie en cultuurhistorie Gelet op vorenstaande vormt het aspect archeologie en cultuurhistorie geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.

6.2

Kabels en leidingen

Door het plangebied lopen geen boven- en/of ondergrondse leidingen. Er is op dat gebied derhalve geen sprake van bijbehorende (planologische) beschermingszones en/of belangen van derden op dit punt. De aanwezigheid van kabels en leidingen met betrekking tot de nutsvoorzieningen in de omgeving is evident. Bij het eventueel nader uitwerken van de aansluitingen, dient met de verschillende netwerkbeheerders contact te worden opgenomen. Gelet op het vorenstaande vormt het aspect kabels en leidingen geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.

bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers

37

6.3

Verkeer en parkeren

Met betrekking tot onderhavige planontwikkeling dienen de (eventuele) gevolgen voor de verkeersstructuur alsmede het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt. 6.3.1 Verkeersstructuur Voorliggend voornemen voorziet in het realiseren van een kampeerterrein met 25 plaatsen. Op basis van de publicatie 'CROW 381 Toekomstbestendig parkeren' kan de verkeersgenererende werking van het het voornemen worden bepaald. Per standplaats wordt uitgegaan van een verkeersgeneratie van 0,4 bewegingen per etmaal. In totaal wordt kan worden uitgegaan van een toename van 10 verkeersbewegingen per etmaal door voorliggend voornemen. Daarbij aangetekend is dat de initiatiefnemers een doelgroep beoogd van ook langeafstandwandelaars en -fietsers die na één nacht verder trekken langs de route langs de Maas. Hierdoor zullen de aantal bewegingen van motorvoertuigen in de praktijk lager liggen. De ontsluiting van het terrein verloopt via de bestaande inrit nabij de bedrijfswoning. De bestaande verkeersstructuur kan deze beperkte aantal verkeersbewegingen moeiteloos aan. Daarbij moet nog in overweging worden genomen dat op basis van de voorheen geldende agrarische bestemming in combinatie met de milieuvergunning het maximum aantal verkeersbewegingen intensiever zou kunnen zijn.

Desalniettemin is de gemeente Stein zich ervan bewust dat de verkeerssituatie in Veldschuur door de smalle wegen niet altijd en overal optimaal is. Derhalve wordt een goede routing en signing onderzocht en wordt bekeken hoe om te gaan met vrachtverkeer in Veldschuur. Dit staat echter los van - en overstijgt - onderhavige ontwikkeling. 6.3.2 Parkeren Op 25 mei 2023 is door de raad van de gemeente Stein het 'Parkeerbeleidsplan gemeente Stein' vastgesteld. In dit beleidsplan is opgenomen dat aan de hand van de CROW-richtlijnen wordt bepaald welke parkeernorm bij welk gebied hoort. Hierbij is het uitgangspunt om de gemiddelde bandbreedte van het CROW te hanteren. De kern Meers behoort tot het gebied 'dorpslinten', dat tot de 'rest bebouwde kom' volgens de CROW-richtlijnen wordt gerekend. Per standplaats wordt in de publicatie 'CROW 381 Toekomstbestendig parkeren' uitgegaan van een parkeerbehoefte van 1,1 tot 1,3 plaatsen per standplaats. Omdat initiatiefnemers onder meer wandelaars en fietsers die via lange-afstandroutes langs de Maas trekken als doelgroep hebben, en deze recreanten niet met de auto met caravan komen, is in het kader van een groene uitstraling en zuinig ruimtegebruik uitgegaan van de minimale behoefte van 1,1 parkeerplaatsen per standplaats. In totaal moeten ter plekke 27,5 plaatsen worden gerealiseerd.

Rond het sanitairgebouw worden, omzoomd door hagen, de benodigde parkeerplaatsen gerealiseerd. In het landschappelijk inpassingsplan zijn de 28 parkeerplaatsen ingetekend. 6.3.3 Conclusie verkeer en parkeren Gelet op vorenstaande uiteenzetting vormt het aspect verkeer en parkeren geen belemmering voor onderhavige planontwikkeling.

6.4

Waterhuishouding

6.4.1 Nationaal Waterplan 2016-2021 In het Nationaal waterplan is het (strategische) waterbeleid van het Rijk vastgelegd. De hoofdlijnen van het Nationaal waterplan luiden als volgt (artikel 4.1, lid 2 Waterwet): a.

een aanduiding, in het licht van de wettelijke doelstellingen en normen, van de gewenste ontwikkeling,

38

bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers

werking en bescherming van de watersystemen, alsmede van de bijbehorende termijnen; een uiteenzetting van de maatregelen en voorzieningen, die met het oog op die ontwikkeling, werking en bescherming nodig zijn; c. een aanduiding van de redelijkerwijze te verwachten financiële en economische gevolgen van het te voeren beleid; d. een visie op de gewenste ontwikkelingen in verband met de voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen en waterschaarste, voor een periode van ten minste veertig jaren mede in verband met de verwachte klimaatveranderingen. Het Nationaal waterplan kent een looptijd van 2016 tot 2021 en vormt het kader voor de regionale waterplannen en de beheerplannen. b.

6.4.2 Provinciaalbeleid De provincie Limburg kent als uitgangspunt dat verdroging zo veel mogelijk moet worden tegengegaan en dat de waterkwaliteit, met het oog op een duurzaam gebruik in de toekomst, erg belangrijk is. Verder sluit de provincie aan bij het beleid van de Vierde Nota Waterhuishouding om infiltratie van water in de bodem te bevorderen en water meer terug te brengen in stedelijk gebied. Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Ook hier speelt verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van (specifiek) ecologische functies stelt het Waterschap onder andere dat, ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (daar waar dat mogelijk is) verhoogd moeten worden door peilbeheer. Ook dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en -plassen toegekende functies, afgestemd te worden. Naast die ecologische functie dienen er ook mensgerichte hoofdfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater ingepast te worden. Tevens dient er plaats te zijn voor mensgerichte nevenfuncties.

6.4.3 Watertoets Waterschap Limburg Vanaf 1 november 2003 zijn de overheden wettelijk verplicht om alle ruimtelijke plannen, die van invloed zijn op de waterhuishouding, voor advies voor te leggen aan de waterbeheerders, in dit geval het Waterschap Limburg (Voorheen Waterschap Roer en Overmaas). Alle aanvragen worden afgehandeld via één loket, het zogenaamde watertoetsloket. Niet alle ruimtelijke plannen behoeven de watertoets te doorlopen. Daartoe heeft het waterschap een stroomschema, met daarbij behorende notitie ondergrens, opgesteld waaruit het toepassingsbereik van de watertoets blijkt. Ook zijn per gemeente waterkaarten opgesteld waaruit de verschillende waterbelangen op een bepaalde locatie zijn af te lezen. Aan de hand van het ‘meldformulier watertoets’ kunnen (ruimtelijke) plannen vervolgens voor advies worden voorgelegd aan het betreffende waterschap. 6.4.4 Afvalwater en hemelwater Op welke wijze wordt omgegaan met het afval- en hemelwater binnen het onderhavige plangebied wordt hierna uiteengezet. Afvalwater Ten opzichte van de afvoer van afvalwater vinden geen wijzigingen plaats. De kampeerplaatsen krijgen geen eigen aansluiting voor het afvoeren van afvalwater. Wel wordt een sanitairgebouw gerealiseerd ten behoeve van de kampeerplaatsen. Het afvalwater zal worden geloosd op de gemeentelijke riolering van de gemeente Stein.

Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het afvoeren van afvalwater via de gemeentelijke riolering vereist en daarmee tevens de beste optie. Hemelwater De enige nieuwe bebouwing is het te realiseren sanitairgebouw. Deze wordt gerealiseerd ter plekke van de te slopen bebouwing. In totaal wordt 590 m² gesloopt, het beoogde sanitairgebouw heeft een oppervlakte van 72

bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers

39

m². Concreet is sprake van een afname van verharding. Bij nieuwbouw dient 100% van het verharde oppervlak afgekoppeld te worden. Door de beperkte oppervlakte van de bebouwing is het aanleggen van een (grootschalige) hemelwaterinfiltratievoorziening niet noodzakelijk. De beste optie is dat hemelwater vallend op de nieuwe dakverharding oppervlakkig wordt afgevoerd waarna het via de omliggende weilanden kan infiltreren in de bodem. De beoogde ontsluitingsweg naar de kampeerplaatsen wordt uitgevoerd als halfverharding. Hemelwater vallend op deze halfverharding kan rechtstreeks infiltreren in de bodem. De kampeerplaatsen liggen in de bestaande weide; de plaatsen zelf worden vanwege het groene en landschappelijke karakter van de beoogde camping niet verhard. 6.4.5 Conclusie Gelet op vorenstaande vormt het aspect waterhuishouding geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.

6.5

Natuur en landschap

Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. 6.5.1 Kernkwaliteiten Kernkwaliteit reliëf De basis van het landschap en van de drie landschapstypen wordt gevormd door het reliëf. De rijkdom aan reliëf in Zuid-Limburg is het gevolg van de insnijding van de Maas en de vorming van Maasterrassen door een stijgende bodem én de daaropvolgende versnijding van aanliggende met löss bedekte vlakke landschappen door beken (Geul, Gulp, Geleenbeek, Roode Beek, Worm Jeker en Voer). Op deze manier is de driedeling van het hooggelegen plateau, de tussenliggende helling en het lage dal ontstaan. Een helling vormt de overgang tussen het hoge plateau en het lage dal. In het type helling is er een onderscheid tussen een steile (>8°) en een flauwe hellingen (1°-4°). Steile hellingen zijn voornamelijk te vinden aan de plateaurand terwijl flauwe hellingen vaak op de grens van het dal liggen. Het dal is het laagste deel in het landschap en vormt het vertakte natuurlijke afwateringssysteem van het landschap. Watervoerende dalen hebben een vlakke dalbodem waarin de beek of rivier stroomt. Niet-watervoerende dalen, oftewel droogdalen, voeren slechts incidenteel water af. Het plangebied ligt in het oorspronkelijk vlakke dalbodem van het Maasdal.

Ten behoeve van het beschermen tegen de overstromingen zijn ter plekke dijken aangelegd rond en tussen de dorpen in het Maasdal. Deze dijken, samen met de door de werkzaamheden van de Grensmaas ontstaande waterplassen, zijn de belangrijkste vormen van reliëf. De weg 'Veldschuurdijk' ligt op een dijk en steekt bijna 2 meter boven het omliggende maaiveld uit. Ten behoeve van voorliggend plan is geen sprake van het wijzigen van het reliëf. Van een aantasting van deze kernkwaliteit is geen sprake.

40

bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers

Uitsnede kaart kernkwaliteit reliëf Kernkwaliteit contrast tussen open-besloten Het contrast tussen de openheid en beslotenheid van het landschap in Zuid-Limburg is in de basis bepaald door het reliëf. Het hoogteverschil tussen het hooggelegen plateau en het lage dal zorgt voor een scala aan verschillende zichtwerkingen. Doordat het plateau relatief vlak ligt en grootschalig ontgonnen is, heeft dit samen met de verschillende ruilverkavelingen tot het huidige open beeld geleid. De contrasten tussen de weidse openheid van de glooiende hoge plateaus enerzijds en intieme ruimtes op de steile hellingen of in de dalbodems anderzijds vormen een afwisselend landschapsbeeld. Van invloed op de openheid in het landschap is ook de aanwezigheid van opgaande elementen zoals bomen en heggen. Deze spelen een belangrijke rol in het begrenzen van zichten. De helling vormt het kader van het plateau en de begrenzing van het dal. De aanwezigheid van dichte opgaande beplanting zoals hellingbossen of graften geven steile hellingen een besloten karakter ter plekke. Op de flauwe hellingen, waar landbouw plaatsvindt, is door het halfopen karakter vanzelfsprekend een breder zicht richting het dal mogelijk. Rond het plangebied is sprake van een besloten landschap.

Dit wordt veroorzaakt door het reliëf (Veldschuurdijk) langs het plangebied en de vele landschapselementen (hagen, houtsingels, hoogstamfruitboomgaarden en solitaire bomen) en bebouwing binnen en direct rond het plangebied. Door voorliggend plan is geen sprake van het aantasten van het schaalcontrast, mede door de vele landschapselementen.

bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers

41

Uitsnede kaart kernkwaliteit contrast open-besloten Kernkwaliteit cultuurhistorie Het Nationaal Landschap Zuid-Limburg kent een lange bewoningsgeschiedenis die teruggaat tot de prehistorie. In het landschap zijn de verschillende relicten en elementen een tastbare herinnering aan verschillende fases in de geschiedenis van dit heuvellandschap. De fasen in de geschiedenis hangen nauw samen met het reliëf en het natuurlijke landschap. In combinatie met het groene karakter vormt cultuurhistorie de huidige aanblik van het pittoreske landschap. Hellingen vergden meer moeite om bruikbaar te worden gemaakt voor de mens. Flauwe hellingen zijn door de kap van het bosgeschikt gemaakt voor landbouw terwijl de steile hellingen deels onontgonnen zijn gebleven en functioneerden als houtopslag of graasgebieden. Met de ontginning van het plateau vormden zich langzaam maar zeker steeds meer holle wegen in de helling. Het dal vormt de basis van de bewoningsgeschiedenis van Zuid-Limburg. De vroegste nederzettingen zijn ontstaan op smalle hoger gelegen zones tussen dalbodem en helling. De nabijheid van water voor hooiland en vruchtbare akkergrond onderaan de helling vormden een ideale vestigingsplek. In het dal vindt men veruit de oudste elementen van het Zuid-Limburgse cultuurlandschap. Wegen- en nederzettingspatronen ontstonden evenwijdig aan de waterloop.

Het plangebied ligt in een gebied met verkavelingspatroon van bouwlanden van voor 1500, afgewisseld met graslanden richting de oude kern van Meers. Een aantal wegen is terug te voeren als cultuurhistorisch element uit de periode 1815 - 1910. De bebouwing binnen en direct rond het plangebied is van latere datum en is heeft nauwelijks tot geen cultuurhistorische waarden. Door voorliggend plan is derhalve geen sprake van het aantasten van oude cultuurhistorische elementen. Op basis van het Facetbestemmingsplan 'Erfgoed Stein' (zie paragraaf 2.4.3) zijn enkele omliggende landschapselementen beschermd. Deze elementen vormen dan ook de basis voor het inpassen van de kampeerplaatsen. Verder wordt beoogd de kampeerplaatsen in te passen door het terrein vorm te geven als een hoogstamfruitgaard, passend rond de kernen. Voorliggende ontwikkeling is derhalve cultuurhistorische verantwoord en versterkt de cultuurhistorische waarden ter plekke.

42

bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers

Uitsnede kaart kernkwaliteit cultuurhistorie

Kernkwaliteit groen karakter Waar het reliëf de abiotische, oftewel, de niet-levende ondergrond is van het landschap, vormt de kernkwaliteit groen karakter de biotische, oftewel de levende laag in het landschap. Het groene karakter van het Nationaal Landschap Zuid-Limburg is een combinatie van natuurlijke invloeden van flora en fauna en menselijke activiteit sinds de prehistorie. Het groene karakter is hierbij niet alleen belangrijk voor de ecologie van het landschap maar heeft ook een visueel aspect. In het verleden was het gehele landschap bedekt met bos. De mens vestigde zich in het begin vooral langs de beken, maar verplaatste zich in de loop der tijd steeds meer richting plateaus. In dit landschapstype is het belangrijk onderscheid te maken tussen steile en flauwe hellingen. Steile hellingen zijn ongeschikt voor ontginning en daardoor voor een groot gedeelte bedekt met bos. Flauwe hellingen zijn geschikt gemaakt voor landbouw door het kappen van het bos, het beplanten van graften en het planten van heggen. Het onderscheid tussen de warme zuidhelling en de relatief koude noordhelling speelt ook een rol in het groene aanzien van het hellinggebied. Het groene beeld van het dal wordt bepaald door verdichte begeleidende beplanting langs de beekloop en op de steilranden.

Het groene karakter wordt sterk beïnvloed door de vochtigheid van de bodem en de oriëntatie van de waterloop. Het gebied tussen deze groene verdichting is, door het vochtige karakter en het gebruik als weidegebied, grotendeels vrij van opgaande beplanting op enkele populierenproductiebosjes na. Rond het plangebied is sprake van vele landschapselementen (hagen, houtsingels, solitaire bomen en hoogstamfruitboomgaarden). Deze geven het plangebied een groen karakter. Ten behoeve van voorliggend plan wordt door de sloop van enkele gebouwen en het verder inpassen van de kampeerplaatsen het groene karakter verder versterkt.

bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers

43

Uitsnede kaart kernkwaliteit groen karakter 6.5.2 Natura2000 Natura2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Natura2000 gebieden worden bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd door de biodiversiteit te behouden. Natura2000 gebieden worden beschermd door de 'Wet Natuurbescherming'.

Uitsnede kaart 'Natura2000' met ligging plangebied Het meest nabijgelegen Natura2000-gebied is het op ongeveer 700 meter gelegen gebied ‘Grensmaas’. In het Grensmaasgebied vindt op grote schaal natuurontwikkeling plaats in het kader van het gelijknamige

44

bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers

Grensmaasproject, dat naast de vorming van nieuwe natuur ook hoogwaterbestrijding en grindwinning beoogt. Na voltooiing van de werkzaamheden kan hier een gevarieerd landschap ontstaan met voedselrijke plassen, ruigten, graslanden en rivierbossen. Gelet op de aard van onderhavig planvoornemen, namelijk het omvormen van het bestaande agrarisch bedrijf naar een recreatiebedrijf, heeft overwegend positieve effecten. De bestaande dierhuisvesting (runderen) wordt gestaakt. Tevens wordt het terrein landschappelijk ingepast voor een meer groenere uitstraling. Bijkomend voordeel is dat de beoogde beplanting kansen biedt voor flora en fauna. In mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beslist dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet gebruikt mag worden als basis om toestemming te verlenen voor activiteiten die leiden tot een stikstoftoename ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen en soorten in Natura 2000-gebieden. Deze beslissing heeft consequenties voor ruimtelijke ontwikkelingen welke een toename van de stikstofdepositie tot gevolg hebben. Het PAS mag immers niet meer gebruikt worden als basis voor toestemmingverlening voor activiteiten en plannen die kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie.

Met inachtneming van deze problematiek heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een 'Factsheet Woningbouwplannen, stikstof en Natura 2000-gebieden' geïntroduceerd. In dit rapport wordt aangegeven dat ook bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan moet worden beoordeeld of de met het plan mogelijk gemaakte ontwikkelingen significant negatieve effecten zouden kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Tevens wordt (bijvoorbeeld) aangegeven dat (kleinschalige) plannen kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen in een Natura 2000-gebied. Deze toename van de stikstofdepositie kan het gevolg zijn van bouwwerkzaamheden in de aanlegfase (bijvoorbeeld als gevolg van de aanvoer van bouwmaterialen naar en grondverzet op de bouwplaats). Het gebruik van de woningen (de gebruiksfase) kan ook leiden tot een toename van de stikstofdepositie. Deze toename kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van het gebruik van gas en het autoverkeer van bewoners en bezoekers van de woningen. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan, dient een voortoets te worden uitgevoerd.

In een voortoets moet de vraag beantwoord worden of op grond van objectieve gegevens op voorhand kan worden uitgesloten dat een plan of project op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten significant negatieve effectenkan hebben op gevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. Of er sprake is van significant negatieve effecten hangt onder andere af van de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden en de vraag welke gevolgen de toename van de stikstofdepositie heeft voor het bereiken van de instandhoudingsdoelen. Ten behoeve van voorliggend voornemen is een AERIUS-berekening uitgevoerd voor zowel de sloopfase van de bestaande bebouwing, de realisatiefase van nieuwe bebouwing en de gebruiksfase. De rapportage van het stikstofonderzoek is bijgevoegd als Bijlage 4. De depositie bedraagt 0,00 mol potentieel zuur/ha/jaar. Door deze positieve effecten alsmede de ruime afstand tot het onderhavig plangebied vormt dit Natura2000-gebied geen belemmeringen. 6.5.3 Flora en fauna Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In deze wet zijn de onderdelen uit de Europese Habitatrichtlijn en onder meer de Vogelrichtlijn, die de bescherming van soorten betreft, geïmplementeerd.

De wet biedt ook het kader voor de bescherming van inheemse dier- en plantensoorten die geen bescherming genieten op grond van de Habitatrichtlijn. Er geldt een aantal verboden ter bescherming van beschermde dier- en plantensoorten. Artikel 1.11 Wet natuurbescherming voorziet in een algemene verplichting voor een ieder om voldoende zorg te dragen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en

bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers

45

hun directe leefomgeving. Omdat de bouwtechnische staat van de te slopen schuur bebouwing matig is, kan niet worden uitgesloten dat ter plekke (beschermde) flora en fauna voorkomen. Tevens is het mogelijk dat in het weiland beschermde soorten aanwezig zijn. Derhalve is een quickscan flora en fauna verricht. De rapportage is bijgevoegd als Bijlage 5. Ten aanzien van de quickscan zijn de volgende conclusies gedaan: Effecten op beschermde vaatplanten zijn op voorhand uit te sluiten. Er zijn geen geschikte groeiomstandigheden aanwezig in welke omstandigheden deze soorten groeien; Effecten op broedvogels (al of niet met jaarrond beschermde nesten) zijn op voorhand uit te sluiten. Er zijn geen geschikte nestlocaties aanwezig die als zodanig dienst kunnen doen; Effecten op algemeen voorkomende soorten broedvogels die in de nabijheid van het gebied kunnen broeden zijn te voorkomen door de werkzaamheden uit te voeren buiten de broedperiode (dus buiten de periode half maart-half juli); Effecten op het leefgebied van steenuil (qua oppervlakte en aantasting van kleine elementen) treden geheel niet op. De soort is makkelijk in staat zich in dit gebied te handhaven, vanwege hun aanpassingsvermogen en vanwege het feit dat daar nu ook al bedrijvigheid is van bewoners; Effecten op beschermde soorten grondgebonden zoogdieren zijn geheel uit te sluiten.

De onderzoekslocatie herbergt geen verblijf- of foerageerplaatsen voor deze soorten. Daarmee treden er geen overtredingen van verbodsbepalingen op van de Wet natuurbescherming; Effecten op beschermde soorten amfibieën, vissen, dagvlinders, libellen, reptielen en andere ongewervelden treden geheel niet op, omdat er geen optimaal habitat ontwikkeld is; Op- en rondom het perceel zullen enkele vleermuizen voor een korte periode kunnen jagen. Essentieel foerageergebied is geheel niet aanwezig. Hiervoor is er geen optimale struiken en bomenvegetatie aanwezig. Er is ook geen sprake van aantasting van primair vliegroute, omdat deze niet aanwezig is op de locatie door het ontbreken van een opgaande bomenstructuur. Op de locatie zijn geen vaste rust- en verblijfplaatsen in bomen en bebouwing aanwezig, omdat deze niet aanwezig zijn. Nader onderzoek naar het gebruik van de planlocatie door vleermuizen is geheel niet noodzakelijk. Overtredingen van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming treden dan ook niet op. In het kader van de Wet natuurbescherming kan geconcludeerd worden dat de werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden zoals beoogd. 6.5.4 Inpassingsplan In het kader van voorliggende planontwikkeling is een landschapsplan vervaardigd. Het volledige plan is bijgevoegd als Bijlage 6.

46

bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers

Uitsnede landschappelijk inpassingsplan Veldschuurdijk ong. te Meers Binnen het plangebied zijn zeer waardevolle kleinschalige landschapselementen aanwezig, welke zijn vastgelegd in het facetbestemmingsplan 'Erfgoed Stein'. Deze elementen worden in het landschappelijk inpassingsplan overgenomen, zodat deze waardevolle groenstructuren bewaard en waar zo nodig versterkt worden. De aanvullende beplanting, zoals opgenomen in dit plan, dient aan te sluiten aan deze groenstructuren. Een gedeelte van de bedrijfsbebouwing ter plaatse, met een totale oppervlakte van ongeveer 590 m², wordt gesloopt. Deze bebouwing verkeert in mindere bouwkundige staat en is niet (meer) passend bij het beoogde gebruik. De bebouwing heeft geen monumentale status en draagt dus niet bij aan de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteiten ter plekke. Het volledige kampeerterrein wordt omsloten door beplanting. Aan de oostzijde, tussen het (huidige) agrarische bouwvlak en het beoogde kampeerterrein is reeds een robuuste houtsingel aanwezig. Deze singel is als groenelement opgenomen in het facetbestemmingsplan 'Erfgoed Stein'. Aan de noordwestzijde en langs de Veldschuurdijk is momenteel geen beplanting aanwezig. Voor een goede robuuste inpassing worden langs deze perceelsgrenzen een doorschietende veekerende gemengde haag opgenomen van een gemengd inheems sortiment.

Deze haag biedt, in combinatie met de aan te planten fruitbomen op het kampeerterrein zelf, en het feit dat de kampeerplaatsen niet tot aan de dijk liggen, dat vanaf de Veldschuurdijk het zicht op de kampeerplaatsen wordt afgeschermd. Tevens is hiermee de privacy van de kampeergasten gewaarborgd. Ter plekke van het kampeerterrein zijn enkele fruitbomen aanwezig. Voor een groene en landschappelijke uitstraling van het kampeerterrein en het idee van het kamperen in een hoogstamfruitgaard, wordt in een strak raster nieuwe fruitbomen aangeplant. In combinatie met de bestaande beplanting zorgen de bomen ervoor dat de kampeerplaatsen goed zijn ingepast. In totaal wordt 22 bomen aangeplant. Nabij de entree van het kampeerterrein, nabij het beoogde sanitairgebouw, worden in totaal 28 parkeerplaatsen beoogd ten behoeve van de kampeerplaatsen. Deze parkeerplaatsen worden, net als de

bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers

47

kampeerplaatsen, landschappelijk ingepast met een haag. Gemeentelijke Adviescommissie Het plan is door de Gemeentelijke Adviescommissie getoetst aan de kadernota ruimtelijke kwaliteit Zuid-Limburg en Visie Welstandsbeleid district Stein, het gemeentelijke erfgoedbeleid en de Erfgoedwet. Het plan is gelegen in het deelgebied Meers, woonbuurten en valt onder het welstandsniveau 2 (Potentieel welstandsgebied). Erfgoed Stein, Historisch groen en landschap De gronden op onderhavig perceel zijn volgens het bestemmingsplan Erfgoed Stein aangewezen met de bestemming 'Waarde - Historisch groen en landschap'. Deze gronden zijn bestemd voor het behoud, herstel en versterken van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden, meer in het bijzonder voor: a. b.

c.

een historisch waardevol natuur- of cultuurlandschap ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - historisch waardevol groengebied'; historisch waardevolle groenelementen en groenstructuren (o.a. houtwallen, bomenlanen, bos(restanten), (restanten van) boomgaarden en huisweiden, begraafplaatsen, park- en tuinaanleggen) ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - historisch waardevol groenelement'; historisch waardevolle groenobjecten (o.a. bomen, hagen, struiken en andere beplanting) ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - historisch waardevol groenobject'.

Het plan is op 29 november 2023 beoordeeld door de Gemeentelijke Adviescommissie. De Gemeentelijke Adviescommissie acht het voorgelegde plan aanvaardbaar. De Gemeentelijke adviescommissie wil nog enkele aanbevelingen meegeven: Op de plantekening de aanduiding struweelhaag wordt vervangen door een gemengde haag; de aanduiding op de plantekening en in de plantlijst moet op elkaar worden afgestemd; Geadviseerd wordt om de fruitbomen, zoals de zoete kers, peer, appel en pruimen te vervangen door notenbomen en\of kastanjebomen. Dit om te voorkomen dat de campergasten overlast kunnen krijgen van afgevallen rottend fruit en\of ongewenste insecten (wespen, etc) die op het vallend fruit afkomen. Daarbij blijven pruimenbomen klein; Er dient afstemming te nog gebeuren voor het vluchten en bereikbaarheid bij calamiteiten in het kader van brandveiligheid en ander hulpdiensten. Voorliggende aanbevelingen zijn in het landschappelijk inpassingsplan verwerkt. Tevens is het plan ter advies voorgelegd aan de brandweer. Deze reactie is opgenomen in 9.2.4.

6.6

Duurzaamheid

Duurzame stedenbouw verbreedt de aandacht naar meer aspecten dan alleen de verkaveling en ontsluiting. Duurzaamheid gaat ook om een zuinig ruimtegebruik, milieuvriendelijkheid, veilig verkeer en vervoer en natuur en rekening houden met het waterhuishoudingsysteem, omgevingsinvloeden, landschapsstructuren en landschapselementen. Dit betekent in de praktijk dat gelet moet worden op het materiaalgebruik, de vormgeving, gebruik van alternatieve energiebronnen, compact bouwen, intensief ruimtegebruik en flexibel bouwen (levensloopbestendig). Duurzaam bouwen heeft een volwaardige plaats in het ontwerp, het bouwen en beheren van de bebouwing. Tijdens de bouw kan door zuinig om te gaan met bouwmaterialen worden voorkomen dat er onnodig afval ontstaat.

48

bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers

Hoofdstuk 7

Uitvoerbaarheid

De uitvoerbaarheid van de planontwikkeling dient in relatie tot de gemeentelijke financiën te zijn gewaarborgd. Daarbij dient ook te worden onderzocht of en in hoeverre de voorgenomen afwijkingen ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan aanleiding kunnen geven tot aanspraken om planschade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening.

7.1

Grondexploitatie

7.1.1 Algemeen Afdeling 6.2 van de Wet ruimtelijke ordening draagt de titel 'Grondexploitatie'. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de mogelijkheden voor gemeenten (en ook provincie en Rijk indien deze als planwetgever optreden) om langs publiekrechtelijke weg eisen te stellen aan het in exploitatie brengen van gronden. Het gaat dan onder andere om eisen op het gebied van kostenverhaal, sociale woningbouw, particulier opdrachtgeverschap en fasering van de invulling van den openbare ruimte. Ook zijn in afdeling 6.2 Wro twee bepalingen opgenomen over de wijze waarop langs privaatrechtelijke weg eisen gesteld kunnen worden aan het in exploitatie brengen van gronden. 7.1.2 Exploitatieplan Afdeling 6.4 Wro beschrijft een publiekrechtelijk stelsel waarbinnen door gemeenten (en in voorkomend geval provincie of Rijk) eisen gesteld kunnen worden aan de grondexploitatie. Dit publiekrechtelijk instrumentarium is aanvullend van aard. Het primaat ligt bij vrijwillige civielrechtelijke afspraken. Deze civielrechtelijke afspraken worden gemaakt in hetzij een anterieure overeenkomst (er is nog geen exploitatieplan vastgesteld) hetzij een posterieure overeenkomst (er is al een exploitatieplan vastgesteld).

Artikel 6.12, lid 1 Wro bepaalt dat de gemeenteraad wordt verplicht om de gronden, waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen, een exploitatieplan op te stellen. Artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening geeft aan om welke bouwplannen het gaat. Hoofdregel is dat er een plicht bestaat voor het opstellen van een exploitatieplan. Onder artikel 6.12, lid 2 Wro wordt hierop echter een aantal uitzonderingsmogelijkheden geboden: het verhaal van kosten over de in het plan of besluit begrepen kosten is anderszins verzekerd; het is niet nodig een tijdvak te bepalen waarbinnen de grondexploitatie zal plaatsvinden; het is niet nodig een fasering op te nemen waarbinnen werken, werkzaamheden en bouwplannen uitgevoerd moeten worden; het is niet nodig eisen en/of regels omtrent de uitvoering te stellen aan het bouwrijp maken en/of de inrichting van de openbare ruimte en/of de aanleg van nutsvoorzieningen; het is niet nodig regels te stellen omtrent de uitvoering van de in het bestemmingsplan opgenomen bepalingen omtrent sociale huur en/of koopwoningen, kavels voor particulier opdrachtgeverschap of branches in de detailhandel. De gemeente Stein heeft met initiatiefnemer een (privaatrechtelijke) anterieure overeenkomst gesloten. Het verhaal van kosten is hierdoor anderszins verzekerd.

7.2

Planschade

Artikel 6.1 Wet ruimtelijke ordening biedt de grondslag voor de vergoeding van zogenoemde planschade. Deze schadevergoeding wordt (in beginsel) door het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente toegekend aan degene die als gevolg van een planontwikkeling schade lijdt. Artikel 6.4a Wro bepaalt dat de gemeente de mogelijkheid heeft om met een initiatiefnemer van een

bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers

49

planontwikkeling een overeenkomst te sluiten. De strekking van dergelijke planschadeovereenkomst is dat de door derden geleden schade geheel (of gedeeltelijk) voor rekening komt van de initiatiefnemer, omdat de schade voortvloeit uit het op zijn of haar verzoek ten behoeve van een planontwikkeling wijzigen van het bestemmingsplan. In de met de gemeente Stein gesloten (privaatrechtelijke) anterieure overeenkomst is tevens het verhaal van planschade opgenomen. Eventuele tegemoetkomingen in planschade zijn voor rekening van de initiatiefnemer.

7.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Initiatiefnemer hecht veel waarde aan communicatie met de omgeving. In het kader van de maatschappelijke uitvoerbaarheid is een omgevingsdialoog gevoerd en hebben meerdere overlegmomenten met de directe buren en de overige buurtbewoners plaatsgevonden. Initiatiefnemer heeft de omgeving dan ook actief betrokken bij zijn plannen. 7.3.1 Omgevingsdialoogomwonenden Op 20 september 2023 is een brief (zie Bijlage 7) met de plannen bezorgd bij alle aanwonenden van het terrein, dat wil zeggen aan de aanwonenden aan de gehele Veldschuurdijk en Veldschuurweg. Op deze brief zijn geen offiële reacties binnengekomen. Vervolgens zijn de plannen informeel besproken op 23 september 2023 tijdens een burenbijeenkomst. De reacties van de buurtgenoten was overwegend positief en enthousiast. De enige aanmerking die werd gemaakt, is dat het aanrijden door de Veldschuurweg wel als een mogelijk struikelblok wordt gezien. De weg is erg smal waardoor er moeizaam gepasseerd kan worden. Daarbij rijden hier vaak agrarische voertuigen en die gaan niet aan de kant. Dit vraagt nogal wat van degene die moet manoeuvreren. De initiatiefnemer neemt deze reactie mee in de plannen door duidelijke aan-/ af-rijroutes aan te geven en te markeren, hetgeen moet leiden tot duidelijke verkeersstromen, zie verder paragraaf 6.3.1.

7.3.2 Omgevingsdialoogbedrijfslocatie l'Ortye Tevens is door initiatiefnemer op 5 oktober 2023 een overleg gevoerd met de uitvoerder van de bedrijfslocatie l'Ortye. In dit gesprek zijn de plannen voorgelegd en deze zijn door l'Ortye ook positief ontvangen. Volgens hen is er vanuit l'Ortye geen bezwaar tegen de ontwikkelingen. Vervolgens is ook nog even gesproken over de toekomst van l'Ortye op de huidige locatie (en het bijbehorende lawaai in de werkuren). Naar verwachting zal de groeve in gebruik blijven tot eind 2024/ midden 2025. Dan zijn de aanwezige voorraden aan grof materiaal op en het zou onwaarschijnlijk zijn om grondstoffen vanaf een andere locatie naar Meers aan te voeren. De vergunning loopt nog vele jaren, doch vanuit de bedrijfsvoering is het onwaarschijnlijk dat de werkzaamheden na het opraken van de aanwezige grondstoffen voorgezet worden. Er wordt door l'Ortye gezocht naar een andere locatie.

50

bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers

Hoofdstuk 8

Planstukken

Het bestemmingsplan 'Veldschuurdijk ong. te Meers' van de gemeente Stein bestaat uit voorliggende toelichting, regels en een verbeelding schaal 1:1000.

8.1

Algemeen

Op 1 juli 2008 is de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. Behalve een vernieuwd stelsel voor processen voor de ruimtelijke ordening in Nederland, worden met de inwerkingtreding van de nieuwe Wro ook de resultaten van DURP (Digitale Uitwisseling in Ruimtelijke Processen) wettelijk verankerd. Dit houdt in dat nagenoeg alle instrumenten uit de Wro door bronhouders digitaal beschikbaar zijn, waardoor de bestemmingsplannen onderling vergelijkbaar worden. Hiervoor is het pakket 'RO Standaarden 2008' ontwikkeld, dat wettelijk is vastgelegd in de bij de Wro behorende 'Regeling standaarden ruimtelijke ordening'. Vergelijkbaarheid van bestemmings- en inpassingsplannen wordt door de SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012) op drie manieren gerealiseerd: er is een begrippenkader gegeven dat in de plannen toegepast moet worden. Het gaat dan bijvoorbeeld om lijsten van bestemmingshoofdgroepen met mogelijke gebruiksdoelen, dubbelbestemmingen, aanduidingen, indeling van regels etc. Voor het hanteren van het begrippenkader is geen specifieke software vereist; er is een verplichte 'analoge verbeelding' voorgeschreven, hetgeen inhoudt de manier waarop het plan op papieren kaarten moet worden getoond. Er zijn dwingende regels inzake de opmaak van het plan.

Voor het opmaken van plannen is in de praktijk speciale software benodigd; er is een verplichte 'digitale verbeelding' voorgeschreven, waarmee wordt gedoeld op het tonen van het plan in een digitale omgeving (website). Vanaf 1 januari 2010 dient een bestemmingsplan digitaal raadpleegbaar en uitwisselbaar te zijn. Voorliggend bestemmingsplan voldoet aan deze digitaliseringverplichting.

8.2

Toelichting, regels en verbeelding

Een bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. De regels en verbeelding vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderling verband te worden bezien. De regels en de verbeelding zijn namelijk onlosmakelijk met elkaar verbonden, aangezien op de verbeelding de bestemmingen visueel zijn weergegeven en de regels onder andere het gebruik en de bouwmogelijkheden bij deze bestemmingen geven. 8.2.1 Toelichting De toelichting van het bestemmingsplan heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het totale plan. De toelichting geeft namelijk een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten zoals deze aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting een belangrijk hulpmiddel bij de interpretatie van het bestemmingsplan. 8.2.2 Regels Conform de SVBP2012 dienen de regels van een bestemmingsplan volgens een bepaalde opbouw te worden opgesteld, waarbij opgemerkt dient te worden dat niet elk bestemmingsplan alle elementen van navolgende opbouw bevat: Hoofdstuk 1: Inleidende regels o Begrippen

bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers

51

o Wijze van meten Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels o Bestemmingen o Voorlopige bestemmingen o Uit te werken bestemmingen o Dubbelbestemmingen Hoofdstuk 3: Algemene regels o Anti-dubbeltelregel o Algemene bouwregels o Algemene gebruiksregels o Algemene aanduidingsregels o Algemene afwijkingssregels o Algemene wijzigingsregels o Verwezelijking in de naaste toekomst o Algemene procedureregels o Overige regels Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels o Overgangsrecht o Slotregel De regels van de verschillende bestemmingen worden als volgt opgebouwd, waarbij eveneens geldt dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten: Bestemmingsomschrijving Bouwregels Nadere eisen Afwijken van de bouwregels Specifieke gebruiksregels Afwijken van de gebruiksregels Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk Wijzigingsbevoegdheid Vorenstaande gestandaardiseerde opbouw is gehanteerd bij het opstellen van de regels behorende bij voorliggend bestemmingsplan. Hierbij zijn de regels van het bestemmingsplan ‘Grensmaas 2016' als uitgangspunt genomen. 8.2.3 Verbeelding De 'vroegere' plankaart wordt in het kader van het huidige planologische regime aangeduid als 'verbeelding'.

Op een verbeelding wordt de grens van het plangebied weergegeven waarbinnen onder meer de verschillende (dubbel)bestemmingen, bouwvlakken en bouw-/functie-/maatvoeringsaanduidingen (en de ligging daarvan) visueel zijn weergegeven. De verbeelding met betrekking tot voorliggend bestemmingsplan is ingetekend op schaal 1:1000 en digitaal raadpleegbaar via www.ruimtelijkeplannen.nl. Verder voorziet bijbehorende verbeelding in de naam van voorliggend bestemmingsplan en een

52

bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers

tekeningnummer. Dit zijn verplichtingen in het kader van de Wet ruimtelijke ordening. De verbeelding is direct (juridisch) verbonden met de bijbehorende regels. In deze regels worden de condities en voorwaarden gesteld behorende bij de verschillende bestemmingen.

bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers

53

54

bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers

Hoofdstuk 9 procedure 9.1

Vooroverleg, inspraak en formele

Inleiding

De procedure voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerp bestemmingsplan ter visie kan worden gelegd. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.

9.2

Vooroverleg

Artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg plegen andere betrokken overheden en overheidsdiensten (wettelijke adviseurs). Daarbij moet worden gedacht aan naburige gemeenten, het waterschap, en de diensten van het Rijk en de provincie. Overleg met het waterschap is altijd verplicht, terwijl het tot de verantwoordelijkheid van de gemeente behoort om te beoordelen of overleg met de desbetreffende diensten van het Rijk en de provincie nodig is. Artikel 3:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is van overeenkomstige toepassing. De bedoeling van dit vooroverleg is voornamelijk om de opstellers van het plan tijdig de mogelijkheid te geven het plan desgewenst aan opmerkingen van andere overheden aan te passen. Voorliggende planontwikkeling is door de gemeente in het kader van artikel 3.1.1 Bro voorgelegd voor advies aan de betreffende instanties. 9.2.1 Provincie Limburg Het plan is beoordeeld op de adequate doorwerking van de provinciale belangen. De beoordeling van het plan geeft aanleiding tot het maken van opmerkingen. Indien u in het plan onderstaande opmerkingen adequaat verwerkt, zal er geen aanleiding zijn om in de verdere procedure van het plan een zienswijze in te dienen.

De opmerkingen betreffen de volgende aspecten: Landschap Het plangebied is gelegen binnen de groenblauwe mantel. Zoals bepaald in de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening Limburg 2021 hebben Gemeenten een motiveringsplicht om in de toelichting op nieuwe omgevingsplannen of omgevingsplanactiviteiten in de groenblauwe mantel aan te geven hoe met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten in de betreffende gebieden wordt omgegaan. In de vigerende Omgevingsverordening Limburg van 2014 wordt het plangebied (nog) aangeduid als Bronsgroene landschapszone. Conform artikel 2.7.2 van deze Omgevingsverordening dient het plan een beschrijving te bevatten van de kernkwaliteiten in het plangebied, de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. Een nadere uitwerking van de kernkwaliteiten (zijnde het groene karakter, het visueel-ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf) is opgenomen in het Handvat Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg (https://www.handvatnationaallandschap.nl/handvat-viewer/).

Verder kan ook gebruik worden gemaakt van Atlas Limburg (https://portal.prvlimburg.nl/viewer) en de website https://topotijdreis.nl (in het kader van de historische ontwikkeling van het plangebied en de omgeving ten aanzien van de kernkwaliteit cultuurhistorisch erfgoed).

bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers

55

Wij verzoeken u de motivering conform artikel 2.7.2 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 toe te voegen in de toelichting van het plan (onder 4.2 Provinciaal beleid) en de analyse inzake kernkwaliteiten tevens te betrekken bij (de verdere uitwerking van) het landschappelijk inpassingsplan. Vrijetijdseconomie In de toelichting van het plan ontbreekt bij het onderdeel 'Provinciaal beleid' (paragraaf 4.2) een inhoudelijke beschrijving van het provinciaal beleid en de regels voor vrijetijdseconomie zoals opgenomen in de Omgevingsvisie Limburg en de Omgevingsverordening Limburg (2014). Ook ontbreekt de motivering zoals bepaald in de Omgevingsverordening Limburg 2014 (artikel 2.4.6 lid 3 en 4). Wij verzoeken u deze motivering toe te voegen in de toelichting (onder 4.2 Provinciaal beleid). Verder wordt de beoogde ontwikkeling passend en goed geacht voor deze locatie uit oogpunt van de gewenste lokale en regionale toeristisch-recreatieve structuur. Wel verzoeken wij om in de toelichting expliciet op te nemen dat het initiatief beoogd is als nevenactiviteit en dat er geen doorgroei wordt voorzien. Tot slot verzoeken wij u om, conform toelichting, in de regels (hoofdstuk 2, artikel 3) te specificeren dat: enkel niet-plaatsgebonden kampeermiddelen worden toegestaan; enkel seizoenskamperen wordt toegestaan.

In het advies van de ambtelijke themagroep Vrijetijdseconomie Zuid-Limburg is dit ook reeds als verzoek opgenomen. Water Gelet op de locatie van het plangebied verzoeken wij u om in het plan de afstemming met Waterschap Limburg en/of Rijkswaterstaat te borgen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Stein&id=c1db125c-5651-4676-9bd9-7f419ee8e5d5