Toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan - Toelichting -
Veldschuurdijk ong. te Meers Gemeente Stein
Bestemmingsplan Veldschuurdijk ong. te Meers Gemeente Stein
Onderdeel:
Toelichting
IDN-nummer:
NL.IMRO.0971.BPveldschuurdong-VG01
Projectnummer: Status:
vastgesteld
Datum:
7 maart 2024
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding
5
Hoofdstuk 2 Plangebied en planontwikkeling
7
2.1 2.2 2.3
7 9 11
Ligging plangebied Beoogde planontwikkeling Ruimtelijk-visuele effecten
Hoofdstuk 3 Planologisch-juridische situatie
13
3.1 3.2
13 13
Bestemmingsplan ‘Grensmaas 2016' Overige bestemmingsplannen en voorbereidingsbesluiten
Hoofdstuk 4 Beleid
15
4.1 4.2 4.3
15 17 23
Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid
Hoofdstuk 5 Milieutechnische aspecten
25
5.1 5.2 5.3 5.4 5.5
25 26 27 28 30
Bodem Geluid Milieuzonering Luchtkwaliteit Externe veiligheid
Hoofdstuk 6 Overige ruimtelijke aspecten
35
6.1
Archeologie en cultuurhistorie
35
6.2 6.3 6.4 6.5 6.6
Kabels en leidingen Verkeer en parkeren Waterhuishouding Natuur en landschap Duurzaamheid
37 38 38 40 48
Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid
49
7.1 7.2 7.3
49 49 50
Grondexploitatie Planschade Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Hoofdstuk 8 Planstukken
51
8.1 8.2
51 51
Algemeen Toelichting, regels en verbeelding
Hoofdstuk 9 Vooroverleg, inspraak en formele procedure
bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers
55
3
9.1 9.2 9.3 9.4
Inleiding Vooroverleg Inspraak Formele procedure
55 55 57 57
Toelichting
4
bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers
Hoofdstuk 1
Inleiding
Op de locatie Veldschuurdijk 6 te Meers wordt door de initiatiefnemers momenteel een agrarisch bedrijf uitgeoefend. De locatie is reeds tientallen jaren geëxploiteerd als veehouderij. De varkenshouderij is inmiddels afgebouwd, de rundveetak behelst nog 35 Groot Vee Eenheden. De wens bestaat om het bedrijf toekomstbestendig te maken en geschikt voor opvolging. Met het oog op de huidige ontwikkeling van krimp in de agrarische sector in combinatie met de visie van de gemeente Stein voor het uitbreiden van de vrijetijdseconomie in combinatie met kansen van de doorontwikkeling van het nabijgelegen RivierPark Maasvallei, zien de initiatiefnemers nieuwe economische dragers voor het bedrijf. Het voornemen is om het agrarisch bedrijf om te vormen naar een kleinschalige kampeerplaats tot 25 plaatsen. Hierbij is sprake van seizoensexploitatie in de periode 1 april tot 31 oktober.
Uitsnede topografische kaart met aanduiding plangebied Voorliggend voornemen past niet binnen de regels van het bestemmingsplan 'Grensmaas 2016'. Het college heeft op 2 juli 2019 onder voorwaarden een postief standpunt ingenomen over het initiatief. Dit positieve standpunt werd d.d. 23 juni 2021 verlengd. Ten behoeve van voorliggend voornemen dient een bestemmingsplanwijziging plaats te vinden. Voorliggend document voorziet in een toelichting op bijbehorende regels en verbeelding voor de bestemmingsplanwijziging.
bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers
5
6
bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers
Hoofdstuk 2
Plangebied en planontwikkeling
In dit hoofdstuk worden het plangebied, de huidige situatie en het project beschreven. Tevens wordt in dit hoofdstuk ingegaan op de ruimtelijke effecten van het project.
2.1
Ligging plangebied
Het plangebied ligt aan de Veldschuurdijk ong., achter de bestaande bedrijfswoning van het agrarisch bedrijf ter plekke (huisnummer 6) en bevindt zich op de overgang van de kern Meers naar het buitengebied nabij de Grensmaas, tussen de Maas en het Julianakanaal. Het plangebied omvat de agrarische bouwkavel en enkele aangrenzende gronden aan de noordwestzijde.
Luchtfoto met aanduiding plangebied
bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers
7
Uitsnede kadastrale kaart met aanduiding plangebied
De bestaande situatie wordt weergegeven aan de hand van navolgende foto's.
Vogelvluchtfoto plangebied met indicatief ligging van kampeerterrein
8
bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers
Foto ligging kampeerterrein vanaf Veldschuurdijk (bron: Google Streetview, september 2021)
2.2
Beoogde planontwikkeling
Initiatiefnemers exploiteren momenteel op de locatie Veldschuurdijk 6 te Meers een agrarisch bedrijf. Echter, met het oog op de huidige ontwikkeling van krimp in de agrarische sector zijn initiatiefnemers genoodzaakt op zoek te gaan naar alternatieven om het bedrijf toekomstbestendig en geschikt voor opvolging te maken, passend bij de veranderende karakteristieke kenmerken van het gebied. Daartoe zien initiatiefnemer kansen op basis van de visie van de gemeente Stein voor het uitbreiden van de vrijetijdseconomie in combinatie met kansen van de doorontwikkeling van het nabijgelegen RivierPark Maasvallei. De kern Meers ligt midden in het RivierPark Maasvallei. Onderhavige locatie ligt op 5 minuten wandelen van de Maas en fiets- en wandelroutes lopen langs het plangebied. Momenteel blijkt grote behoefte te zijn aan het realiseren van verblijfsaccommodaties in het gebied. Nu bevindt zich ten zuiden van Maaseik/Roosteren geen enkele camping aan de Nederlandse zijde van RivierPark Maasvallei. Vanuit het RivierPark is meegegeven om vooral in te zetten op kleinschalige logiesplekken met focus op duurzaamheid. Initiatiefnemers beogen het agrarische bedrijf om te vormen naar een kleinschalige kampeerplaats. De kampeerplaats wordt ingericht met 25 ruime camper- en caravanplaatsen en voorzien van een sanitairgebouw, afwasgelegenheid, gelegenheid tot lozen van afvalwater, elektra en wifi.
Op de beoogde kampeerplaats worden alleen campers, caravans en/of tenten toegelaten. Het is niet de bedoeling op het kampeerterrein vaste (plaatsgebonden) kampeermiddelen als chalets, stacaravans of glampingtenten te realiseren. Het oprichten van dergelijke bouwwerken doet afbreuk aan de landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten die initiatiefnemers beogen. De nadruk ligt op kwaliteit van de voorzieningen en daarbij is veel aandacht voor duurzaamheid. Concreet kan worden gedacht aan het opwekken en gebruik van duurzame energie door op de bestaande bedrijfsgebouwen zonnepanelen te installeren, etc.. De doelgroep betreft volwassenen welke op zoek zijn naar rust, natuur, actieve recreatie in de vorm van wandelen en fietsen. Initiatiefnemers voorzien in een seizoensgebonden exploitatie in het kampeerseizoen van 1 april tot 31 oktober. Dit is mede ook mogelijk omdat de initiatiefnemers de kampeerplaats als nevenactiviteit beogen; beiden hebben de hoofdwerkzaamheden elders. Een jaarronde exploitatie is derhalve niet nodig om geheel rond te komen. Initiatiefnemers beogen met de kampeerplaats de huidige (agrarische) bedrijfsvoering op een duurzame manier om te vormen naar een beter passende functie op de locatie. De beoogde 25 plaatsen is dan ook het maximale wat het terrein aankan. Een verdere groei van de kampeerplaats is dan ook niet aan de orde.
bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers
9
Ten behoeve van het voornemen worden de onderkomens voor vee deels gesaneerd. De bestaande bedrijfsbebouwing heeft geen monumentale of beeldbepalende status en is toe aan grootschalige renovatie of sloop. De volgende objecten worden gesaneerd: Stal met dierenverblijven (oppervlakte: 330 m²/inhoud: 1.040 m³); Werktuigenberging (110 m²/280 m³); Overkapping (20 m²); Romneyloods (130 m²/270 m³). Totaal: 590 m²/1.590 m³ Daarmee wordt een verdere landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteitsverbetering beoogd. Ter plekke wordt momenteel nog een aantal stuks vee gehouden. Deze agrarische activiteiten, uitgevoerd door de vader van de initiatiefnemers worden afgebouwd naar een hobbymatige basis, waarbij nog enkele dieren (als kippen, geiten etc.) worden gehouden. Het is niet de bedoeling dat hier een inkomen uit wordt gehaald. Voor het houden van deze dieren is echter wel huisvesting noodzakelijk. De bestaande stal ten zuidoosten van de woning (oppervlakte: 280 m²/ inhoud: 770 m³) zal worden behouden met het doel voor het huisvesten van enkele dieren. De bestaande bedrijfsbebouwing aan de achterzijde van het terrein (voormalige stal; oppervlakte: 456 m²/inhoud: 1.760 m³; aanbouw 55 m²/120 m³) zal worden gebruikt voor de opslag en stalling van materiaal en materieel ten behoeve van het onderhouden van het kampeerterrein en de omliggende gronden.
Deze bebouwing wordt deels gerenoveerd (o.a. verwijderen van asbestdaken) waarna de daken kunnen worden gebruikt voor het opwekken van duurzame energie door middel van zonnepanelen.
Inrichtingstekening beoogde camping
10
bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers
2.3
Ruimtelijk-visuele effecten
Ieder ruimtelijk plan waarbij de mogelijkheid wordt gecreëerd om nieuwe voorzieningen te realiseren, gaat gepaard met het optreden van ruimtelijk-visuele effecten. Ter plekke is momenteel een agrarisch bedrijf aanwezig. Dit bedrijf met enkel nog een rundveetak zal worden beëindigd, waarmee de negatieve milieueffecten die gepaard gaan met een rundveehouderij teniet worden gedaan. Initiatiefnemers zijn voornemens een kleinschalige kampeerplaats, passend in maat en schaal in de omgeving, te realiseren. De kampeerplaats wordt landschappelijk ingepast en het terrein zelf wordt met veel groen aangeplant, om zowel de vakantieganger als voor de omwonenden kwaliteitsgevoel te bieden. Als totaalbeeld wordt gestreefd naar een landschappelijke kwaliteitsverbetering te plekke. Ten behoeve van de plannen zullen de overbodige (bedrijfs)bebouwing worden gesaneerd. Te behouden bebouwing: Woning Veldschuurdijk 6: 86 m² / 730 m³ Te behouden stal: 280 m² / 770 m³ Servicegebouw 15 m² / 35 m³ Voormalige stal/opslag materieel: 510 m² / 1.880 m³ Totaal: 891 m² / 3.415 m³
Te slopen bebouwing: Stal met dierenverblijven: 330 m²/ 1.040 m³ Werktuigenberging: 110 m² / 280 m³ Overkapping: 20 m² Romneyloods: 130 m² / 270 m³ Totaal: 590 m² / 1.590 m³
Nieuwbouw: Sanitairgebouw: 84 m² / 210 m³ In totaal is sprake van een afname van bebouwing van ongeveer 506 m² (inhoud: 1.380 m³). De te behouden bebouwing zal tevens worden gerenoveerd, waardoor deze bebouwing visueel en kwalitatief naar een hoger niveau worden getild. In combinatie met het landschappelijk inpassen van de locatie wordt het plangebied verder vergroend waardoor de landschappelijke waarden worden versterkt. De ruimtelijk-visuele effecten worden dan ook aanvaardbaar geacht.
bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers
11
12
bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers
Hoofdstuk 3 3.1
Planologisch-juridische situatie
Bestemmingsplan ‘Grensmaas 2016'
Ter plekke van de locatie Veldschuurdijk ong. is het bestemmingsplan 'Grensmaas 2016', onherroepelijk vastgesteld door de gemeenteraad van Stein d.d. 11 mei 2017, van kracht. De locatie is deels bestemd tot 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' en deels tot 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden'. Verder zijn (deels) de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1', 'Waterstaat - Beschermingszone waterkering', 'Waterstaat - Waterbergend rivierbed' en 'Waterstaat - Waterkering' van kracht. Tevens zijn deels de gebiedsaanduidingen 'geluidzone - industrie 0-55 dB(A)' en 'geluidzone - industrie 50-55 dB(A)' van toepassing.
Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Grensmaas 2016' met aanduiding plangebied
Zowel binnen de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' als 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden' zijn geen mogelijkheden om kampeerplaatsen of overige vormen van verblijfsrecreatie mogelijk te maken. Om voorliggend voornemen planologisch mogelijk te maken, dient het bestemmingsplan te worden gewijzigd.
3.2
Overige bestemmingsplannen en voorbereidingsbesluiten
3.2.1 Bestemmingsplan 'Erfgoed Stein' Ter plekke van onderhavig plangebied is tevens het bestemmingsplan 'Erfgoed Stein', vastgesteld op 22 juli 2021, van kracht. Dit (paraplu)bestemmingsplan is opgesteld ten behoeve van het planologisch verankeren van het erfgoedbeleid in de gemeente Stein, voor wat betreft de onderwerpen archeologie, historisch waardevolle gebouwde elementen, beschermde gezichten, landschappelijke en infrastructurele elementen. Op basis van dit bestemmingsplan zijn binnen het plangebied deels de (dubbel)bestemmingen 'Waarde -
bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers
13
Archeologie' met de functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde - middelhoge archeologische verwachting' en 'Waarde - Historisch groen en landschap' met de functieaanduidingen 'specifieke vorm van waarde - historisch waardevol groenelement', 'specifieke vorm van waarde - historisch waardevol groengebied' en 'specifieke vorm van waarde - historisch waardevol groenobject' van toepassing. Bij voorliggend plan is sprake van sloop- en bouwwerkzaamheden waarbij sprake is van bodemverstorende werkzaamheden. In paragraaf 6.1 wordt verder toegelicht dat aan de regels ten aanzien van deze dubbelbestemming wordt voldaan. Op de landschappelijke elementen op en rond het plangebied is de dubbelbestemming 'Waarde - Historisch groen en landschap' van toepassing. Deze elementen vormen de basis van het landschappelijk uitwerken van de plannen. De aanleg en instandhouding dient te geschieden op basis van het landschapsplan zoals opgenomen in paragraaf 6.5.4 en Bijlage 6. 3.2.2 Voorbereidingsbesluit 'Supermarkten Stein' Tevens is een voorbereidingsbesluit van toepassing waarbij wordt aangegeven dat het verboden is het gebruik van de gronden of bouwwerken te wijzigingen voor nieuwvestiging van supermarkten.
14
bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers
Hoofdstuk 4
Beleid
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het Rijks-, provinciale en gemeentelijke beleid. Het Rijksbeleid wordt besproken aan de hand van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Voor de beschrijving van het provinciale beleid is gebruik gemaakt van het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POVI). Het gemeentelijke beleid is ontleend aan de Omgevingsvisie Gemeente Stein 2040.
4.1
Rijksbeleid
4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. In de NOVI staat de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal, waarmee wordt bedoeld dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. In de NOVI wordt gebruik gemaakt van afwegingsprincipes bij het maken van keuzes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies, 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en 3. Afwentelen wordt voorkomen. In de NOVI zijn de volgende belangrijkste keuzes opgenomen: een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Dat betekent dat Nederland zodanig wordt ingericht dat het land de klimaatveranderingen aankan. Daarvoor is nodig dat functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) worden ingepast; de verandering van de energievoorziening.
Bij de inpassing van duurzame energie dient oog te zijn voor omgevingskwaliteit; de overgang naar een circulaire economie, waarbij Nederland tegelijk goed kan blijven concurreren en een aantrekkelijk vestigingsklimaat kan bieden; de ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland, waarmee wordt gestuurd op een goed bereikbaar netwerk van steden; het bij elkaar plaatsen van zogenaamde logistieke functies (bijvoorbeeld distributiecentra, datacenters) om hiermee de openheid en de kwaliteit van het landschap te behouden; het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en landschap. Daarbij wordt bijvoorbeeld gewerkt aan de overgang naar de kringlooplandbouw zodat gebruik van de grond meer wordt afgestemd op de natuurlijke water- en bodemsystemen. Ter uitvoering van de in de NOVI gemaakte keuzes is een Uitvoeringsagenda opgesteld. Daarin staat hoe samen met medeoverheden en de samenleving uitvoering zal moeten worden gegeven aan de NOVI. In de Uitvoeringsagenda staat een overzicht van instrumenten voor de verschillende beleidskeuzes uit de NOVI. De NOVI wordt uitgewerkt in algemene rijksregels, bestuurlijke afspraken, beleidsprogramma's, inzet van financiële middelen en kennisontwikkeling. Daarnaast wordt gebiedsgericht gewerkt met Omgevingsagenda's en NOVI-gebieden.
In de NOVI wordt ten aanzien van Zuid-Limburg aangegeven dat de regio sociaaleconomische en fysieke opgaven heeft die van betekenis zijn in een bijzondere grensoverschrijdende omgeving (met regio's rond het Duitse Aken, het Waalse Luik en het Vlaamse Hasselt). De opgaven die te maken hebben met bereikbaarheid (drielandentrein), circulaire economie (Chemelot) en bevolkingsdaling (voormalige mijnstreek) zijn stuk voor stuk fors en vragen alle drie internationale afstemming en overleg. Een rijksrol is daarbij noodzakelijk.
bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers
15
4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Barro voorziet in de juridische borging van het nationale ruimtelijke beleid. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. Navolgende onderwerpen met nationaal belang zijn opgenomen in het Barro en de eerste aanvulling (Stb. 2012, nr. 388): project Mainportontwikkeling Rotterdam; kustfundament en de daarbuiten gelegen primaire waterkeringen; grote rivieren en rijksvaarwegen en de veiligheid daarom heen; toekomstige rivierverruiming van de Maastakken; Waddenzee en Waddengebied, en IJsselmeergebied; verstedelijking in het IJsselmeer; defensie; erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde; hoofdwegen en landelijke spoorwegen; elektriciteitsvoorziening; ecologische hoofdstructuur. Onderhavig plangebied is gelegen in het waterbergend rivierbed van de Maas, welke is opgenomen binnen artikel 2.4 (Grote rivieren) in het Barro. In artikel 2.4.3 in opgenomen dat: 1.
2. 3.
Een bestemmingsplan wijst ten opzichte van het daaraan voorafgaande bestemmingsplan alleen nieuwe bestemmingen in een rivierbed aan in het geval er sprake is van: a. een zodanige situering van de bestemming dat het veilig en doelmatig gebruik van het oppervlaktewaterlichaam gewaarborgd blijft; b. geen feitelijke belemmering voor de vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier optreden; c. een zodanige situering van de bestemming dat de waterstandverhoging of de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is, en; d. een zodanige situering van de bestemming dat de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam niet verslechtert. Bij toepassing van het eerste lid worden resterende waterstandeffecten of afname van het bergend vermogen gecompenseerd. In een bestemmingsplan wordt vastgelegd hoe de effecten op de waterstand en de afname van het bergend vermogen worden gecompenseerd.
Aan de voorwaarden genoemd in artikel 2.4.3 kan worden voldaan door de mogelijke uitbreiding van de bebouwing (en de daarmee gepaard afname van het waterbergend vermogen) te compenseren binnen het plangebied. Door voorliggend voornemen worden enkele bedrijfsgebouwen gesaneerd en wordt een nieuw sanitairgebouw opgericht. Concreet zal het bebouwd oppervlak afnemen. In totaal is sprake van een afname van 506 m² met een inhoud van 1.380 m³ aan bebouwing. Deze afname komt ten goede aan het waterbergend vermogen. Het voornemen heeft dan ook geen negatieve gevolgen voor het waterbergend vermogen ter plekke. Een compensatie is dan ook niet aan de orde. Daarmee wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in het Barro. In het Barro zijn ook beschermingszones en voorkeurstracés rondom buisleidingen van nationaal belang opgenomen. In dat kader is de Vlaamse overheid bezig met de leidingstraat Antwerpen - Geleen - Ruhr. In het eind november 2021 aangeboden Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat van de Rijksoverheid wordt de Delta Corridor aangeduid als project van Nationaal Belang. Dit is een buisleidinginitiatief tussen de Rotterdamse haven, het Duitse achterland en Chemelot. Beide initiatieven wensen gebruik te maken van het aangeduide "voorkeurstracés buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen".
16
bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers
Hoewel de beoogde leidingstraat Antwerpen - Geleen - Ruhr in de nabijheid is gelegen, reikt de beschermingszone van deze leidingstraat niet tot aan onderhavig plangebied.
Kaart Voorkeurstracé Buisleidingen Barro 4.1.3 Regeling algemene regels ruimteljike ordening (Rarro) Naast het Barro is ook de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) in werking getreden. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen, gebieden, objecten en zones worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In de Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven. 4.1.4 Conclusie Rijksbeleid De beoogde planontwikkeling levert geen strijd op met de Nationale Omgevingsvisie, het Barro en de Rarro. Het Rijksbeleid is niet aan de orde, omdat sprake is van een kleinschalige ontwikkeling en er geen onderwerpen vanuit de NOVI en Barro op het plangebied van toepassing zijn. Ook gelden er vanuit de Rarro geen beperkingen ten aanzien van het planvoornemen.
4.2
Provinciaal beleid
4.2.1 Provinciale Omgevingsvisie Limburg (POVI) Op het moment dat de nieuwe omgevingswet in werking treedt, dient de provincie te beschikken over een Provinciale Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. De POVI is 1 oktober 2021 door de Provinciale Staten vastgesteld en richt zich op de langere termijn (2030-2050) en beschrijft onderwerpen zoals wonen, bodem, infrastructuur, milieu, ruimtelijke economie, water, natuur, luchtkwaliteit, landschap en cultureel erfgoed. Maar ook het aspect gezondheid en een gezonde leefomgeving wordt in de Omgevingsvisie meegenomen. De zoneringen op grond van het POL2014 zijn in de POVI overgenomen op de kaart 'Limburgse principes'. In de POVI ligt onderhavig plangebied in de zone 'groenblauwe mantel'.
bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers
17
Uitsnede kaart 'Limburgse principes' POVI met aanduiding plangebied Groenblauwe mantel Het Maasdal, de beekdalen en steilere hellingen - voorheen de bronsgroene landschapszone en zilvergroene natuurzone - vormen samen de circa 36.000 hectaren grote groenblauwe mantel binnen de landelijke gebieden van Limburg. De gebieden liggen als een soort mantel tussen en om het Natuurnetwerk Limburg. Het zijn gebieden waar de provincie goede combinatiemogelijkheden ziet voor duurzame vormen van (kringloop) land- en tuinbouw en andere economische functies, vooral door hergebruik van reeds aanwezige monumentale en beeldbepalende gebouwen.
Vrijetijdseconomie POVI De vrijetijdseconomie vormt een belangrijke economische pijler in Limburg. Voor een florerende vrijetijdseconomie zijn de kwaliteit van landschap en natuur, aantrekkelijke steden en een goede bereikbaarheid van belang. Een stabiele balans is nodig: tussen beleving en bescherming van landschap en natuur; tussen belangen van toeristen, recreanten en inwoners; tussen uiteenlopende wensen van verschillende groepen recreanten; tussen de verschillende groepen in het landelijk gebied die gebruik maken van dezelfde infrastructuur. Vraag en aanbod van verblijfsaccommodaties dienen beter in balans gebracht te worden, zowel kwantitatief als kwalitatief. Meer van hetzelfde leidt tot verdringing en leegstand. Een voortdurende kwaliteitsslag is nodig om nieuw en bestaand aanbod aan te passen aan de veranderende vraag van zowel vaste als nieuwe gasten. Bij de herbestemming van vrijkomende agrarische bebouwing wordt verblijfsrecreatie vaak, zonder nadere kwantitatieve en kwalitatieve onderbouwing, als mogelijke nieuwe functie gezien. Dit is geen realistische oplossing wanneer dan sprake is van enkel een kwantitatieve toevoeging. Oneigenlijk gebruik van
18
bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers
verblijfsaccommodaties, (zoals permanent of tijdelijk wonen), leidt tot vertroebeling van de recreatieve identiteit en is ongewenst. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor handhaving, maar dat blijkt niet eenvoudig. De provicie heeft de volgende (relevante) ambities/speerpunten met betrekking tot vrijetijdseconomie: De provicie kiest voor het verhogen van de kwaliteit van het aanbod. Een kwantitatieve uitbreiding van het aanbod is alleen mogelijk als dit niet leidt tot verdringing en leegstand. Dit geldt zowel voor verblijfsals dagrecreatie; Het blijft wenselijk harde planvoorraad voor vrijetijdseconomie waarvoor geen zicht op realisatie is, te schrappen. De harde planvoorraad belemmert goede nieuwe initiatieven; De provincie blijft voorstander van afspraken over kwantiteit en kwaliteit van verblijfsrecreatie en hotels op regionale schaal; De kwaliteitsslag die is ingezet voor bungalowparken en kampeerterreinen moet worden voortgezet en aangevuld met een kwaliteitsslag voor hotels. Bij deze kwaliteitsslag wordt in een maatwerkaanpak per individuele onderneming de gewenste doorontwikkeling bepaald.
Mogelijke opties zijn daarbij onder meer: een verdere doorontwikkeling van het bedrijf, eventueel in combinatie met een kwaliteitsverbetering; een herontwikkeling van de bestaande locatie binnen de vrijetijdseconomie; een transformatie/sanering van de bestaande locatie naar een andere functie. Hier kan sprake zijn van een nieuwe functie voor bestaande gebouwen, sloop van die gebouwen of een combinatie daarvan; De provincie continueert het beleid om het gebruik van recreatieverblijven voor andere functies dan verblijfsrecreatie, zoals permanent en tijdelijk wonen, te verbieden. In afwijking van het voorgaande blijft, in het kader van de revitalisatie c.q. sanering van vakantieparken en kampeerterreinen, onder voorwaarden tijdelijke huisvesting van short-stay internationale werknemers toegestaan voor maximaal tien jaar. Indien nodig zal de provincie, in datzelfde kader en onder nader te bepalen voorwaarden, ook tijdelijke huisvesting van woonurgenten toestaan. 4.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014/Ontwerp Omgevingsverordening Limburg 2022 Naast de indeling in zoneringen is tevens sprake van diverse provinciale beschermingsgebieden, waartoe op grond van de Omgevingsverordening Limburg 2014 specifieke regelgeving geldt. Echter, onderhavig plangebied ligt niet binnen een van de beschermingszones.
Instructieregel na-ijlende effecten steenkoolwinning De voormalige steenkoolwinning in Zuid-Limburg leidt tot na-ijlende effecten, met name in de vorm van bodembeweging. Deze brengen mogelijk belemmeringen met zich mee in het gebruik van de fysieke leefomgeving, bijvoorbeeld in geval van verzakkingen. Het is van belang goed met deze risico's om te gaan. In de Provinciale Omgevingsvisie Limburg is daarom de ambitie opgenomen dat de Provincie Limburg ernaar streeft negatieve effecten als gevolg van voormalige steenkoolwinning samen met haar partners te voorkomen, en daar waar deze optreden adequaat te handelen. Om hier mede invulling aan te geven is een instructieregel opgenomen voor de gemeenten in de voormalige mijnbouwregio die bepaalt dat de motivering van een omgevingsplan dat het bouwen van een nieuw bouwwerk in deze gemeenten mogelijk maakt, beschrijft op welke wijze rekening is gehouden met de na-ijlende effecten van de voormalige steenkoolwinning. Onderhavig plangebied ligt binnen de concessiegrens van de mijn Maurits. Uit de rapportage Na-ijlende gevolgen steenkolenwinning Zuid-Limburg, d.d. 31 augustus 2016, opgesteld door Ingenieurbüro Heitfeld Schetelig GmbH (IHS), volgt dat binnen het plangebied geen gebieden zijn aangeduid met één van voornoemde categorieën (EK1-EK2-EK3).
bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers
19
Uitsnede kaart met risicogebied 4.2.3 Vrijetijdseconomie Zuid-Limburg In artikel 2.4.6 van de Omgevingsverordening Limburg is voorgeschreven dat een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Zuid-Limburg niet voorziet in de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor voorzieningen voor vrijetijdseconomie aan de bestaande voorraad vrijetijdseconomie alsmede aan de bestaande planvoorraad vrijetijdseconomie ànders dan in overeenstemming met de thematische principes zoals beschreven in paragraaf 6.4 van het POL2014 en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Zuid-Limburg. In paragraaf 6.4 van het POL2014 is de ambitie van de provincie ten aanzien van vrijetijdseconomie aangegeven: een gezonde vrijetijdseconomie die het A-merk imago van Limburg behoudt, versterkt en benut. Zij biedt haar gasten en bewoners: een uitgebreid, aantrekkelijk en gevarieerd aanbod aan verblijfsaccommodatie, voorzieningen, een samenhangende recreatieve infrastructuur, evenementen en recreatief-toeristische concepten; een florerende werkgelegenheid; binnensteden die als koopcentra aantrekkelijk zijn voor consumenten uit de regio en ver daarbuiten; een voor beleving toegankelijke natuur en landschap. In de basis wordt ingezet op het doorvoeren van een kwaliteitsslag van verblijfsaccommodaties, en het behoud en versterking van voorzieningen.
Voor de juiste doorvertaling van het provinciale beleid zijn regionale bestuursafspraken met de gemeenten in Zuid-Limburg gemaakt over onder andere de vrijetijdseconomie. Naar aanleiding van de gemaakte afspraken is in december 2019 de Visie Vrijetijdseconomie 2030 van de Zuid-Limburgse gemeenten en de provincie Limburg aangeboden aan de diverse gemeenten. In deze visie wordt verwoord op welke wijze de gemeenten gezamenlijk willen werken aan een toekomstbestendige toeristisch-recreatieve bestemming Zuid-Limburg. De geformuleerde ambities voor de vrijetijdseconomie in Zuid-Limburg in 2030 zijn als volgt: toerisme blijft bijdragen aan duurzame economische structuurversterking van de regio; kwalitatieve groei gaat boven kwantitatieve groei gaat; landschappelijke en stedelijke kwaliteiten moeten elkaar versterken;
20
bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers
de vrijetijdseconomie helpt om natuur en landschap te ontwikkelen; inwoners en gasten kunnen heel Zuid-Limburg beleven. De strategie om de geformuleerde ambities ook daadwerkelijk te gaan realiseren is opgebouwd uit vijf pijlers: 1. Kwaliteit De focus van de vrijetijdseconomie ligt op groei in kwaliteit. Bescherming en verbetering van landschappelijke kwaliteiten, toeristisch-recreatieve voorzieningen en erfgoed staat hierbij centraal. 2. Verleiden De wens is om inwoners en gasten te verleiden om ook de minder bekende locaties in de regio te bezoeken. Het doel hiervan is langer te verblijven en vaker terug te komen. 3. Beleving van Zuid-Limburgse Grote Verhalen Om ervoor te zorgen dat inwoners en gasten geraakt worden door de bijzondere verhalen van Zuid-Limburg en zich daarmee verbonden voelen, zet de regio in op het ontwikkelen, ontsluiten en vervolgens promoten van de belangrijke Zuid-Limburgse verhalen. 4. Duurzame vernieuwing Om nieuwe doelgroepen aan te (blijven) trekken en economisch vitaal te blijven, richt deze pijler zich op continue vernieuwing van het toeristisch-recreatief product. 5. Ondernemerschap en innovatie Deze pijler richt zich o.a. op het stimuleren van innovatie en cross-overs, thema- en doelgroepgericht werken, het opleiden van geschikt personeel en het verbinden van ondernemers met de streekidentiteit.
Om te toetsen of recreatieve ontwikkelingen voldoen aan uitgangspunten en ambities van de Visie Vrijetijdseconomie 2030 is de themagroep Vrijetijdseconomie Zuid-Limburg in het leven geroepen. Voorliggende ontwikkeling maakt nieuwe (vormen van) verblijfsrecreatie (nachtverblijf) mogelijk. In de 'Tabel regionale afstemming initiatieven vrijetijdseconomie Zuid-Limburg' is inzichtelijk gemaakt wanneer regionale afstemming dient plaats te vinden over een initiatief op het gebied van vrijetijdseconomie.
Tabel regionale afstemming initiatieven vrijetijdseconomie Zuid-Limburg
bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers
21
Voorliggend voornemen is op basis van de bestuursafspraken d.d. 13 juli 2022 voorgelegd aan de themagroep vrijetijdseconomie (VTE). De themagroep staat positief tegenover het dit initiatief naar aanleiding van de volgende overwegingen: De themagroep stelt vast dat het bestaande agrarisch bedrijf al deels is afgebouwd door de ouders van initiatiefnemer. Zij wenst het agrarisch bedrijf niet voort te zetten maar verder af te bouwen en de bedrijfslocatie en de aangrenzende percelen te gebruiken voor een kleinschalige camping; Voor het realiseren van een sanitairgebouw zal een deel van de bestaande bebouwing worden gesloopt. De themagroep vindt dit positief; Voor het realiseren van het initiatief is een herziening van het bestemmingsplan nodig; Uit de toelichting van de gemeente blijkt dat het initiatief beoogd is als nevenactiviteit voor initiatiefnemer en haar partner. Beiden hebben hoofdwerkzaamheden elders; Een doorgroei van de camping wordt niet beoogd. Dat past naar opvatting van de gemeente ook niet binnen het gemeentelijke beleid. Het huidige kleinschalige initiatief past daar wel prima in; Uit informatie van de organisatie RivierPark Maasvallei blijkt dat in dit (Nederlandse) deel van het Rievierpark Maasvallei geen vergelijkbare bedrijven bestaan.
Een aanvulling op de bestaande bedrijven in het Vlaamse deel is welkom, te meer daar deze hoge bezettingscijfers kennen; Doelgroep zijn onder meer wandelaars en fietsers die via lange-afstandroutes langs de Maas trekken en niet veel faciliteiten nodig hebben; De themagroep constateert dat hier sprake is van een 'witte vlek' in de bestaande verblijfsrecreatieve structuur, die met realisering van dit initiatief wordt ingevuld. Dit initiatief versterkt de toeristisch-recreatieve structuur in dit specifieke deelgebied van Zuid-Limburg; De themagroep stelt vast dat het initiatief past binnen de visie Vrijetijdseconomie Zuid-Limburg; De themagroep gaat er van uit dat met het realiseren van dit initiatief de bestaande landschapselementen behouden en mogelijk versterkt worden; De themagroep verzoekt de gemeente de ruimtelijke regels in het bestemmingsplan zo op te stellen dat alleen tenten, campers en caravans op de kampeerplaatsen mogen staan. Dit om het plaatsen van chalets te voorkomen; Het advies van de themagroep had een geldigheidsduur van een jaar. Derhalve is deze ontwikkeling opnieuw voorgelegd en is het positieve advies op 5 januari 2024 herbevestigd.
4.2.4 Ladder voor duurzame verstedelijking De zogenaamde ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is opgenomen in artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening en luidt als volgt: 'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.' De ladder voor duurzame verstedelijking is door de provincie verankerd in de Omgevingsverordening Limburg 2014 (OvL2014) in artikel 2.2.2, lid 1. Aanvullend op deze ladder heeft de provincie daarin bepaald dat tevens de mogelijkheden van herbenutting van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen moet worden onderzocht. Uitgangspunt voor toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking is dat sprake dient te zijn van een stedelijke ontwikkeling. Conform artikel 2.2.1 van de OvL2014 is de definitie van een stedelijke ontwikkeling een ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’.
Met inachtneming van deze begripsbepaling moet voorop worden gesteld dat het begrip 'stedelijke ontwikkeling' geen afgebakend karakter heeft omdat ook 'andere stedelijke voorzieningen' kunnen worden
22
bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers
geschaard onder het begrip stedelijke ontwikkeling. In de Nota van Toelichting (2017) worden aangegeven dat onder 'andere stedelijke voorzieningen' het volgende wordt verstaan: accommodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoorsport en leisure. Op basis van de jurisprudentie wordt een kampeerterrein van ongeveer 3 ha, waar ruimte wordt geboden aan uitsluitend tenten, tentwagens, kampeerauto’s, caravans of stacaravans, dan wel andere daarmee vergelijkbare voertuigen of onderkomens (uitspraak Raad van State d.d. 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:943 niet als een stedelijke ontwikkeling aangemerkt, maar een recreatiepark (uitspraak Raad van State d.d. 23 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3931) wel. Onderhavig plangebied omvat in totaal 2,01 hectare, waarvan 0,6 hectare is gereserveerd voor de 25 kampeerplaatsen. Door de kleinschaligheid van het voornemen wordt voorliggende ontwikkeling niet aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling waardoor artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing is. 4.2.5 Limburgs Kwaliteitsmenu Voor (ruimtelijke) ontwikkelingen buiten de zogenaamde 'rode contouren' is het Limburgs Kwaliteitsmenu van kracht. In dit Kwaliteitsmenu geeft de provincie de Limburgse gemeenten een handreiking op welke wijze deze om moeten gaan met ontwikkelingen in het buitengebied.
Gemeenten dienen in een structuurvisie dit provinciale beleidskader te verwerken en aan te geven op welke wijze zij toepassing geven aan het Limburgs Kwaliteitsmenu. De gemeente Stein had het Limburgs Kwaliteitsmenu verankerd in een gemeentelijke kwaliteitsmenu dat middels een uitvoeringsparagraaf was opgenomen in de Ruimtelijke Structuurvisie 2015. Dit kwaliteitsmenu is momenteel als een apart programma opgenomen in de op 17 februari 2022 vastgestelde Omgevingsvisie Stein 2040. Hierop wordt nader ingegaan in paragraaf 4.3.1 4.2.6 Conclusie provinciaalbeleid Gelet op vorenstaande uiteenzetting van het vigerende provinciale beleid, bestaan er geen onoverkomelijke belemmeringen met betrekking tot voorliggende planontwikkeling. De ter plekke van onderhavig plangebied van toepassing zijnde provinciale zonering 'groenblauwe mantel' impliceert geen belemmeringen vanuit beleidsoogpunt. Ook voldoet onderhavige planontwikkeling aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Voor wat betreft de van toepassing zijnde provincie beleidsregel 'Limburgs Kwaliteitsmenu' heeft de gemeente Stein deze vertaald in de 'Omgevingsvisie Stein 2040'. Daarop wordt in paragraaf 4.3.1 van voorliggende toelichting nader ingegaan.
4.3
Gemeentelijk beleid
4.3.1 Omgevingsvisie Gemeente Stein 2040 Op 17 februari 2022 heeft de gemeenteraad van Stein de 'Omgevingsvisie Gemeente Stein 2040' vastgesteld. De gemeente Stein heeft unieke omgevingskwaliteiten. Inwoners waarderen deze omgevingskwaliteiten zoals de groene verbindingen, de beleving van Stein als gemeente aan het water (Grensmaas), de cultuurhistorische waarden van de verschillende kernen en de kwaliteit van de openbare ruimte. Stein vormt het 'Hart van de Maasvallei'. In dit hart van het grensoverschrijdende RivierPark Maasvallei, onderscheidt onze gemeente zich door een eigen unieke, stille belevingswereld binnen het druk bezochte Zuid-Limburg. De gemeente Stein is sinds enkele jaren bezig met het verder uitbouwen van de toeristische mogelijkheden door deze met elkaar te verbinden. Het gaat dan met name om verbindingen tussen water- en natuurrecreatie, cultuurhistorie, wandelen en fietsen met kleinschalige horeca. Hierbij wordt tevens samenwerking gezocht met aangrenzende gemeenten (inclusief gemeenten gelegen in België) in de Maasvallei om deze verbindingen te realiseren. Een van de doelen is het verbeteren van de kwaliteit van de verblijfsaccommodaties en
bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers
23
dagrecreatieve voorzieningen en zorgen voor een betere match tussen vraag en aanbod waarbij kwalitatieve groei boven kwantitatieve groei gaat. Tevens dient het belang van de vrijetijdseconomie goed te worden meegewogen in belangrijke keuzes in andere domeinen. Zo helpt de vrijetijdseconomie om natuur en landschap te ontwikkelen. Initiatiefnemers beogen met een kleinschalige kampeerplaats, zorgvuldig ingepast in het landschap en goed afgestemd op de beoogde doelgroep bij te dragen aan kwalitatieve verblijfsrecreatie in de gemeente Stein en daarmee de landschappelijke en recreatieve waarden van het buitengebied van Stein en het RivierPark Maasvallei te verhogen. Daarnaast wordt door voorliggend plan een kwaliteitsverbetering gerealiseerd doordat de bestaande agrarische bedrijfsactiviteiten wordt beëindigd. De negatieve milieueffecten komen daarmee te vervallen. Ter plekke wordt door voorliggend voornemen een beter passende functie gerealiseerd. Hiermee wordt de belevingswaarde en de landschappelijke waarden ter plekke verhoogd. 4.3.2 Conclusie gemeentelijk beleid Gelet op het vorenstaande uiteenzetting van het gemeentelijke beleid wordt geconcludeerd dat onderhavige planontwikkeling niet strijdig is met dit beleid en juist bijdraagt aan de beleidsdoelstellingen.
24
bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers
Hoofdstuk 5
Milieutechnische aspecten
Bij de realisering van een planontwikkeling moet in de eerste plaats rekening worden gehouden met aspecten uit de omgeving die een negatieve invloed kunnen hebben op het plangebied. Dit geldt omgekeerd ook voor de uitwerking die het project heeft op zijn omgeving. Voor de locatie zijn in dit hoofdstuk de milieuaspecten bodem, geluid, milieuzonering, luchtkwaliteit en externe veiligheid onderzocht.
5.1
Bodem
5.1.1 Algemeen Indien sprake is van een planologische functiewijziging of het toevoegen van verblijfsruimten, dient te worden bezien of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Bij voorliggende ontwikkeling wordt ter plaatse van de agrarische bestemmingen 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' en 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden' een kampeerterrein beoogd. Ten behoeve van het voornemen wordt de bestemming gewijzigd naar 'Recreatie - Verblijfsrecreatie'. Dit is een gevoeligere functie, omdat ter plekke de recreanten langer zullen verblijven. Derhalve dient een bodem- en asbestonderzoek te worden verricht. 5.1.2 Verricht verkennend bodem- en asbestonderzoek Het bodem- en asbestonderzoek is verricht door Aelmans ECO B.V.. De rapportage van dit verrichte onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 1. In de rapportage worden de volgende conclusie getrokken: Uit de voorhanden zijnde historische informatie, zijn aanwijzingen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van mogelijke bodemverontreinigingen en/of bodembedreigende activiteiten; Door de aanwezigheid van asbesthoudende daken zonder dakgoten op de stallen is het mogelijk, dat er ter plaatse van de drupzones asbesthoudend materiaal in de bodem terecht is gekomen.
Ter plaatse van de voormalige boven- en ondergrondse HBO tank, kunnen door morsen en eventuele lekkages bodemverontreinigingen met minerale olie en zijn ontstaan; Omdat er verder geen aanleidingen bestaan, behoudens de drupzones en de voormalige boven- en ondergrondse tank, voor het aantreffen van bodemverontreinigingen, wordt de hypothese: “onverdacht met verdachte deellocaties” voor de onderzoekslocatie aangehouden; Gezien de asbestverdachte deellocaties en de voormalige onder- en bovengrondse tank, wordt geadviseerd om een verkennend bodem- en asbestonderzoek alhier uit te voeren (conform NEN 5740 en NEN-5707), om eventuele verontreinigingen aan te tonen dan wel uit te sluiten. Voor het overige terrein gedeelte wordt het niet doelmatig geacht om een verkennend bodemonderzoek uit te voeren conform de NEN-5740 / 5707. Voor het uitvoeren van de plannen, waaronder voor de sloop van de bestaande bebouwing en de bouw van de sanitairgebouw zal in de vergunningfase een verkennend bodem- en asbestonderzoek worden aangeleverd. Voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor de bouw en de aanleg dient een het betreffende onderzoek uitgevoerd te worden voor de verdachte deellocaties.
Daarop aansluitend zal in de planregels van voorliggend bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting worden opgenomen waarmee wordt geborgd dat voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning een verkennend bodemonderzoek wordt uitgevoerd en de plannen kunnen vervolgens worden gerealiseerd als uit dit onderzoek blijkt dat de bodem vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt is voor de beoogde functie. Geadviseerd wordt om dit verkennend bodemonderzoek uit te voeren na de verwijdering van de asbestdaken.
bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers
25
Daarnaast dient er rekening mee te worden gehouden dat de ondergrondse tank, na de uitvoering van het bodemonderzoek, door een KIWA-gecertificeerd bedrijf verwijderd dient te worden. 5.1.3 Conclusie aspect bodem Gelet op vorenstaande vormt het aspect bodem geen belemmeringen voor de beoogde planontwikkeling.
5.2
Geluid
5.2.1 Algemeen Met betrekking tot het aspect geluid kan sprake zijn van geluidbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai, industrielawaai en spoorweglawaai. Conform de Wet geluidhinder moeten woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen worden aangemerkt als geluidgevoelige bebouwing. Als geluidgevoelige terreinen zijn terreinen behorende bij gezondheidszorggebouwen (exclusief ziekenhuizen), terreinen behorende bij verpleeghuizen en woonwagenstandplaatsen aangewezen. Kampeerplaatsen zijn op basis van de Wet geluidhinder geen geluidgevoelig object(en). Een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai, industrielawaai of spoorweglawaai is in beginsel niet aan de orde. Tevens ligt het plangebied op basis van het geldende bestemmingsplan binnen de gebiedsaanduidingen ‘geluidzone- industrie 0-55 dB(A)/50-55 dB(A)’. Ter plaatse van deze aanduidingen zijn de gronden mede bestemd voor de bescherming c.q. instandhouding van de geluidsruimte in verband met de nabijheid van het industrieterrein Steenbrekerij/zeverij L’Ortye te Stein, als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder. Binnen de aanduidingen ‘geluidzone – industrie 0-55 dB(A)/50-55 dB(A)’ mogen in principe geen nieuwe woningen en andere in de zin van de Wet geluidhinder gevoelige gebouwen worden gebouwd.
5.2.2 Verricht akoestisch onderzoek Geluidzone L'Ortye Vanwege de ligging binnen de aanduidingen ‘geluidzone- industrie 0-55 dB(A)/50-55 dB(A)’, alsmede vanwege het feit dat de beoogde activiteiten op het nieuwe kampeerterrein geluidsbelasting op de omgeving kunnen veroorzaken is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Geluidzone L'Ortye Hoewel een kampeerterrein geen geluidgevoelige functie betreft, dient er door de ligging binnen de geluidzone in het kader van een goede ruimtelijke ordening wel een beoordeling plaats vinden van het woon- en leefklimaat. De memo industrielawaai L'Ortye is bijgevoegd als Bijlage 2. Op basis van de rapportage worden de volgende conclusies getrokken: De geluidniveaus ter hoogte van het kampeerterrein bedragen ten hoogste 54 dB, ter hoogte van het toekomstige sanitair gebouw bedragen de geluidniveaus ten hoogste 50 dB; Op basis van de website van L’Ortye blijkt het bedrijf enkel actief te zijn op werkdagen van 07.00 uur tot 17.00 uur. De bezoekers van de camping worden daardoor niet gestoord in hun nachtrust. In weekenden zal eveneens sprake zijn van een lager geluidniveau. In de dagperiode wanneer het bedrijf in werking is, zijn de bezoekers van de camping doorgaans elders recreëren. Met in acht neming van het bovenstaande wordt bij dergelijke geluidniveaus, ten hoogste 54 dB(A) etmaalwaarde, geen onaanvaardbare geluidhinder verwachten.
Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; De bedrijfsvoering wordt eveneens niet beperkt aangezien er geen nieuwe geluidsgevoelige objecten worden gerealiseerd. Vergunning L'Ortye Aanvullend kan worden onderbouwd dat de vergunning voor de bedrijfsacitiviteiten van L'Ortye afloopt in
26
bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers
2025. Volgens de planning zijn de werkzaamheden ten behoeve van het project Grensmaas rond de kern Meers dan afgerond. Voordat de beoogde camping wordt geopend, dient eerst voorliggende bestemmingsplanprocedure te worden doorlopen. Tevens dienen voordat de kampeerplaats kan worden geopend enkele andere werkzaamheden te worden uitgevoerd. Hierbij wordt gedacht aan de sloop van de bestaande stal en de daarbij behorende asbestsanering. Rekening houdend met de planning is de vraag of de kampeerplaats voor 2025 kan worden geopend. De verwachting is dat tegen die tijd dat de kampeerplaats wordt geopend de bedrijfsactiviteiten van L'Ortye zullen zijn gestaakt. 5.2.3 Akoestisch onderzoek industrielawaai Omdat ter plekke de agrarische bestemming wijzigt in een recreatieve bestemming ten behoeve van een (kleinschalig) kampeerterrein, dient de geluidsbelasting vanuit de (nieuwe) inrichting op de omgeving te worden onderzocht. Dit akoestisch onderzoek brengt de in de omgeving optredende geluidniveaus ten gevolge van de inrichting in de toekomstige situatie in kaart en toetst deze aan de geldende geluidnormen. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 3. Op basis van de rapportage worden de volgende conclusies getrokken: In het kader van het Activiteitenbesluit wordt overal voldaan aan de gestelde geluideisen voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau.
Tevens overschrijden de maximale geluidniveaus de te hanteren grenswaarde uit het Activiteitenbesluit niet; In het kader van goede ruimtelijke ordening wordt voldaan aan de gestelde geluideisen voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. Tevens overschrijden de maximale geluidniveaus de te hanteren grenswaarde van stap 2 uit de VNG-publicatie niet. Indirecte hinder als gevolg van af- en aanvoerend verkeer van en naar de inrichting voldoet ter plaatse van de gevels van geluidgevoelige objecten aan de voorkeursgrenswaarde; Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat de toekomstige situatie ten aanzien van de in dit onderzoek aangegeven randvoorwaarden akoestisch inpasbaar geacht kan worden. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 5.2.4 Conclusie aspect geluid Gelet op vorenstaande vormt het aspect geluid geen belemmeringen voor de beoogde planontwikkeling.
5.3
Milieuzonering
Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat (andersom) nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar mogelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; het tegelijk daarmee aan de bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. De gemeente beslist zelf of zij op een bepaalde locatie bedrijven of woningen wil mogelijk maken. Dit besluit dient echter wel zorgvuldig te worden afgewogen en te worden verantwoord. Met betrekking tot de geluidbelasting van onderhavige ontwikkeling op geluidgevoelige objecten in de omgeving dient aangetoond te worden dat de ontwikkeling geen onevenredige toename van de geluidbelasting op gevoelige objecten met zich meebrengt. Met betrekking tot dit aspect wordt verwezen naar paragraaf 5.2 Geluid. De milieuhinder die door bedrijfsactiviteiten wordt veroorzaakt, kan worden beoordeeld met behulp van de methodiek van de VNG-handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ (editie 2009). In deze handreiking is een bedrijvenlijst opgenomen, die informatie geeft over de milieukenmerken van verschillende typen bedrijven.
In de lijst is op basis van een aantal factoren (waaronder geluid, geur en gevaar) een indicatie gegeven van de
bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers
27
afstand tussen bedrijven en hindergevoelige functies (zoals woningen) waarmee gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen in beginsel rekening dienen te houden. De indicatieve afstanden uit de bedrijvenlijst zijn de afstanden die moeten worden aangehouden tot de gevels van woningen in een ‘rustige woonwijk’. Deze afstand dient in principe te worden gemeten tussen de gevel van het hindergevoelige object (de woning) enerzijds en de perceelsgrens van de hinderveroorzakende activiteit anderzijds. In de VNG-handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ zijn voor kampeerterreinen specifieke richtafstanden opgenomen. De grootste afstand die in acht dient te worden genomen, bedraagt 50 meter ten aanzien van het aspect geluid. Daarnaast geldt een minimale afstand van 30 meter tot gevoelige objecten in het kader van het aspect geur. De afstand van onderhavig plangebied tot de (bedrijfs)woning van het agrarisch bedrijf op de locatie Veldschuurdijk 26 bedraagt ongeveer 35 meter. Aan de andere zijde grenzen diverse woonpercelen aan het plangebied. Echter, het beoogde kampeerterrein bevindt zich aan de noordwestzijde van het plangebied, waardoor de afstand tot de dichtstbijzijnde woning ongeveer 80 meter bedraagt. Op de verbeelding wordt de aanduiding 'kampeerterrein' opgenomen waarmee de ligging van het het kampeerterrein planologisch is vastgelegd en aan de afstanden wordt voldaan.
Het aspect geluid vormt het maatgevende aspect met betrekking tot milieuzonering. Echter, in de vorige paragraaf is reeds op basis van het akoestisch onderzoek geconcludeerd dat het aspect geluid geen belemmering vormt op de beoogde ontwikkeling. Voor de overige aspecten wordt wel voldaan aan de richtafstanden. Andersom mag het kampeerterrein geen belemmerende werking hebben op de ontwikkelmogelijkheden van de bedrijven rond het plangebied. De schuur met omliggende gronden aan de overzijde van de Veldschuurdijk heeft op basis van het geldend bestemmingsplan 'Grensmaas 2016' een bedrijfsbestemming met de functieaanduiding 'hovenier'. Voor een hovenier met een bedrijfsoppervlak van minder dan 500 m² (SBI-2008: 016) wordt de milieucategorie 2 gehanteerd, met een maximale richtafstand van 30 meter voor de aspecten geur en geluid. Aan deze richtafstand wordt niet voldaan, aangezien de grens van de inrichting aan de overzijde van de weg bevindt op ongeveer 5 meter. Op een dergelijke locatie van een hoveniersbedrijf wordt door de hovenier het materieel gestald. Dit wordt 's ochtends opgehaald en aan het eind van de werkdag teruggebracht. De werkzaamheden met de daarbij behorende apparaten en machines vindt op de locatie elders plaats. Op de eigen locatie zijn geen vaste geluidsbronnen aanwezig.
De meest relevante geluidsbron op voorliggende locatie is een (beperkt) aantal voertuigbewegingen. Echter, op basis van het handelsregister van de KvK is op het betreffende perceel geen bedrijf ingeschreven. Daarmee lijken op het perceel geen bedrijfsactiviteiten (meer) plaats te vinden. De activiteiten ter plekke lijken vooral op hobbymatige basis plaats te vinden, voornamelijk met het houden van dieren. Gelet op vorenstaande vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
5.4
Luchtkwaliteit
5.4.1 Algemeen Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen inzake de luchtkwaliteit opgenomen in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna ook: Wm). Omdat de luchtkwaliteitseisen op zijn genomen in titel 5.2 van de Wm, staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Het doel van titel 5.2 Wm is om de mensen te beschermen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op hun gezondheid. In de wet- en regelgeving zijn de richtlijnen uit de Europese regelgeving opgenomen, waaraan voorgenomen ontwikkelingen dienen te voldoen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen de luchtkwaliteitseisen in
28
bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers
beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid van een bestuursorgaan ex. artikel 5.16 Wm: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde; een project leidt al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) of een regionaal programma van maatregelen. 5.4.2 Het besluit NIBM Deze Algemene maatregel van Bestuur (AmvB) legt vast wanneer een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de toename van concentraties van bepaalde stoffen in de lucht. Een project is NIBM wanneer het aannemelijk is dat het een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM1 0) of stikstofdioxide (NO2 ). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM1 0 als NO2 . Het NSL is vanaf augustus 2009 van kracht, zodat de 3% grens aangehouden dient te worden. In de regeling NIBM is (onder andere) aangegeven dat een plan tot 1.500 woningen niet in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de concentratie fijn stof en stikstofdioxide in de lucht.
NIBM-tool InfoMil Ook zal het plan niet leiden tot een dusdanig aantal toenemende verkeersbewegingen dat de grenswaarde van de luchtkwaliteit daarmee wordt overschreden. InfoMil heeft een NIBM-tool ontwikkeld waarmee een 'worst-case' berekening kan worden verricht voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit. Dit rekenmodel toont aan dat tot 2.278 extra voertuigen (weekdaggemiddelde) niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Hierbij wordt uitgegaan van 0% vrachtverkeer.
Uitsnede NIBM-tool 5.4.3 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is gericht op de beperking van de vestiging in de nabijheid van provinciale en rijkswegen van gevoelige bestemmingen, zoals gebouwen voor kinderopvang, scholen, verzorgings- of verpleegtehuizen. Dit besluit is niet van toepassing op dit plan.
bestemmingsplanVeldschuurdijk ong. te Meers
29
5.4.4 Conclusie Gelet op vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.
5.5
Externe veiligheid
In het kader van exerne veiligheid wordt een kampeerterrein voor meer dan 50 personen gezien als een kwetsbaar object. Een kampeerterein voor minder dan 50 personen wordt gezien als een beperkt kwetsbaar object. Omdat ter plekke wordt voorzien in 25 kampeerplaatsen, is het aannemelijk dat meer dan 50 personen aanwezig zijn. Derhalve wordt uitgegaan van het realiseren van een kwetsbaar object. Het beleid is derhalve van toepassing en er is een afweging gemaakt of de planontwikkeling ertoe leidt dat er een onaanvaardbaar risico ontstaat in het kader van de externe veiligheid. 5.5.1 Beleid Het beleid in het kader van de externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving voor wat betreft handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen, als op het vervoer van deze stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de richtlijnen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, vloeit de verplichting voort om in het kader van ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het plangebied als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico's worden beoordeeld op twee soorten risico: het groepsrisico en het plaatsgebonden risico.
5.5.2 Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen tegelijkertijd komt te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek. In het Bevi is een verantwoordingsplicht binnen het invloedsgebied opgelegd, i.c. het gebied binnen de zogenaamde 1%-letaliteitsgrens, zijnde de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf. Voor elke verandering van het groepsrisico, dit kan een af- of toename zijn, in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd. Deze verantwoording ziet toe op de wijze waarop de toelaatbaarheid van de verandering van het groepsrisico in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico, worden ook andere aspecten meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Hieronder vallen onder meer de zelfredzaamheid en de bestrijdbaarheid van een calamiteit. 5.5.3 Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans dat een onbeschermd individu in een jaar komt te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron.