CConstaterende datStein
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 2d Bramert-Noord Fase 1 Toelichting.pdf

Beeldvormende bijeenkomst 15 juni 2022, gemeente SteinBij agendapunt: Raadsvoorstel Fase 1 Bramert - Noord22.249 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

30

bestemmingsplan Bramert-Noord Fase 1

doelgroepen als starters, senioren en kenniswerkers. De (gedeeltelijke) ontwikkeling van Bramert-Noord is nogmaals regionaal afgestemd en (blijft) passend binnen de gemeentelijke structuurvisie. 3.5.2 Omgevingsvisie gemeente Stein 2040 De gemeente Stein heeft als voorbereiding op de inwerkingtreding van de Omgevingswet in januari 2022 een gemeentelijke omgevingsvisie (GOVI) vastgesteld. Met deze omgevingsvisie ligt er voor de gemeente Stein een strategische visie voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. De omgevingsvisie is een uitwerking van de strategische toekomstvisie 2018-2022 en geeft verder richting aan de gemeente die Stein wil zijn op het gebied van de fysieke leefomgeving. De gemeentelijke Omgevingsvisie (GOVI) is geen optelsom van verschillende beleidsvisies, maar een samenhangende integrale visie op strategisch niveau waarin een koers wordt bepaald voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. De fysieke leefomgeving is breder dan alleen ruimtelijke aspecten. Ook ontwikkelingen op het gebied van o.a. cultureel erfgoed, economie, veiligheid en gezondheid, duurzaamheid, landschap, landbouw, milieu, natuur, water, verkeer, krijgen een plek in deze visie. De omgevingsvisie werkt door in beleid, programma’s, plannen en projecten van de gemeente Stein.

Net als in de strategische toekomstivisie 2018-2022 is in de omgevingsvisie het beleid gericht op sociale en vitale wijken en kernen. Hierin staat het volgende voorop: De transformatie van de woningvoorraad wordt kwantitatief en kwalitatief afgestemd op de toekomstige samenstelling van de bevolking waarbij oog is voor de specifieke kenmerken van een wijk of kern. Ontmoeting en verbinding tussen (groepen) inwoners zorgt voor het dorps samenleven. Inwoners en ondernemers meer zeggenschap geven over de leefkwaliteit van de eigen omgeving. Trots en bewust van de eigen(zinnige) identiteit door cultuurhistorische waarden te koesteren en uit te dragen. Sociale en vitale kernen worden voor een belangrijk deel gevormd door de identiteit van de kern in combinatie met de inwoners en ondernemers zelf. Het is daarbij belangrijk om bewust en trots te zijn op de eigen identiteit en kwaliteiten en dit ook te etaleren. Dit neemt niet weg dat ook samenwerking tussen de kernen onderling belangrijk is en gestimuleerd moet worden. Dit is in de toekomst van groot belang om de kracht van Stein te behouden. Het planvoornemen draagt nadrukkelijk bij aan de sociale en vitale kern Urmond. De realisatie van de 50 woningen in een parkachtige woonomgeving draagt tevens bij aan een veilige, gezonde en groene leefomgeving. De woningen worden ingepast in haar omgeving en duurzaam ontwikkeld.

Er wordt nadrukkelijk rekening gehouden met de aanwezige landschappelijke waarden en waar mogelijk wordt dit versterkt. Bij de realisatie van de woningen wordt gekeken hoe technologische ontwikkelingen een verdere bijdrage kunnen leveren aan een veilige, gezonde en groene leefomgeving. Gelet op bovenstaande wordt geconcludeerd dat het planvoornemen bijdraagt aan ambities en uitgangspunten zoals geformuleerd in de omgevingsvisie gemeente Stein 2040. 3.5.3 Groenbeleidsplan Gemeente Stein Op 5 oktober 2016 is het Groenbeleidsplan Gemeente Stein vastgesteld. Het groenbeleidsplan geeft een integrale visie voor de lange termijn op de ontwikkeling van het openbaar groen binnen de gemeente (groenstructuur en bomenstructuur), zowel voor het groen van de verschillende kernen als voor het groen in het buitengebied. In het groenbeleidsplan is opgenomen dat de achterkanten van de stedelijke rand aan de noordzijde van Stein en Urmond op landschappelijke wijze ingepast dienen te worden. De uitbreidingslocatie Bramert-Noord zal de nieuwe stedelijke rand aan de noordzijde van Urmond vormen. Bij het ontwerp van het woongebied Bramert-Noord is nadrukkelijke aandacht besteed aan de inrichting van de (groene) openbare ruimte. Zodoende wordt er een landelijke, parkachtige woonomgeving gecreëerd, waarbij tevens wordt ingezet op

bestemmingsplan Bramert-Noord Fase 1

31

verhoging van de biodiversiteit. Er worden binnen het plangebied woningbouw gerealiseerd in een parkachtige c.q. groene setting. Het planvoornemen sluit daarmee aan op de ambities van het groenbeleidsplan. 3.5.4 Energievisie gemeente Stein 2018-2021 Op 31 januari 2019 heeft de gemeenteraad de Energievisie gemeente Stein 2018-2021 vastgesteld. De gemeente werkt met de visie en het bijbehorende uitvoeringsprogramma aan een energieneutraal Stein. Gasloos-wonen vormt binnen de visie een belangrijk aandachtspunt. Onderhavig planvoornemen voorziet in de realisatie van 50 woningen die niet worden aangesloten op het gasnet. Verder zal de uitwerking van de woningen ten behoeve van de aanvraag omgevingsvergunning ten behoeve van de activiteit bouwen zoveel mogelijk rekening gehouden worden met de energievisie om te komen tot energieneutrale woningen. Het planvoornemen is daarmee passend binnen de Energievisie.

32

bestemmingsplan Bramert-Noord Fase 1

Hoofdstuk 4 4.1

Milieu- en omgevingsaspecten

Inleiding

Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien de beleidsvelden naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies (zoals bepaalde bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies zoals woningen. Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende situaties moeten voorkomen worden. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op verschillende onderzoeks- en milieuaspecten welke van belang zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De woningbouwlocatie Bramert-Noord is zoals eerder aangegeven sinds 2010 planologisch-juridisch aangemerkt als een uitbreidingslocatie. Bij de totstandkoming van het globale bestemmingsplan in 2010 is de haalbaarheid getoetst en is geconcludeerd dat er geen miliebeperkingen aanwezig zijn voor de realisering van woningen in dit gebied.

Voor dit nieuwe bestemmingsplan zijn alle milieuonderzoeken opnieuw geactualiseerd en toegesneden op de voorgenomen bouw van 50 woningen.

4.2

M.e.r.-beoordeling

4.2.1 Algemeen Beoordeeld moet worden of het planvoornemen kan leiden tot opstellen van een milieueffectrapport (MER). Op grond van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit mer) wordt getoetst of het bestemmingsplan voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Hiervoor zijn in de bijlage bij het Besluit mer lijsten opgenomen waarin activiteiten zijn aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben (C-lijst) of ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (D-lijst). In de lijsten zijn (indicatieve) drempelwaarden opgenomen. Een belangrijke wijziging die in het Besluit m.e.r. is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Dit is het indicatief maken van de gevaldefinities in kolom 2 in de D-lijst. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de Europese richtlijn milieubeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig.

De criteria als bedoeld betreffen: de kenmerken van de activiteit (onder andere omvang en cumulatie); de plaats waar de activiteit wordt verricht (de kenmerken van het plangebied in relatie tot de kwetsbaarheid van de omgeving); de kenmerken van de gevolgen van de activiteit (mogelijke effecten van de activiteit, onder andere bereik, waarschijnlijkheid en omkeerbaarheid).

bestemmingsplan Bramert-Noord Fase 1

33

4.2.2 Kenmerken van de activiteit Het planvoornemen voorziet ter plaatse van de uitbreidingslocatie Bramert-Noord in de realisatie van 50 grondgebonden woningen in een landelijke en natuurrijke omgeving. Het planvoornemen voorziet in dermate veel groen, dat een geleidelijke overgang naar het aangrenzende buitengebied wordt gecreëerd en de biodiversiteit binnen het plangebied wordt bevorderd door het gebruik van bloemrijke bermen, een diversiteit aan bomen, boomgaarden en Limburgse gemengde hagen. Ter plaatse van het plangebied is in het vigerend bestemmingsplan reeds een uitwerkingsplicht opgenomen ten behoeve van de realisatie van 400 woningen. Met de ontwikkeling van de 50 grondgebonden woningen wordt de eerste fase van de ontwikkeling van Bramert-Noord gerealiseerd. De begrenzing van het stedenbouwkundig plan voor de 50 woningen is passend binnen het bestemmingsvlak waar de uitwerkingsplicht, zoals opgenomen in het bestemmingsplan 'Bramert-Noord', geldt. Doordat er planologisch-juridisch gezien geen sprake is van nieuw ruimtebeslag, wordt de ontwikkeling niet aangemerkt als een ontwikkeling op de C-lijst en/of D-lijst. Er is daardoor geen sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht. 4.2.3 Plaats waar de activiteit wordt verricht Het plangebied is gesitueerd aan de noordzijde van de kern Urmond en vormt de overgang naar het buitengebied.

De relatie met het buitengebied wordt door dit planvoornemen versterkt door de parkachtige setting in combinatie met de landschappelijke inpassing van het woongebied binnen de omgeving. Er is nadrukkelijk sprake van het zorgvuldig creeren van een nieuw dorpsrand als overgang naar het aangrenzende buitengebied. Een uitgebreidere beschrijving van de omgeving en de inpassing daarin van het planvoornemen is opgenomen in Hoofdstuk 2 van deze toelichting. In de Wet natuurbescherming is de bescherming van de Natura 2000-gebieden vastgelegd. Natura 2000 betreft de natuurparels die vanwege hun natuurwaarden Europese bescherming genieten, hetgeen in Nederland inhoudt, dat werkzaamheden of ontwikkelingen in (de nabijheid van) deze gebieden getoetst dienen te worden aan de Natuurbeschermingswet 1998. Het plangebied ligt niet in, noch in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft enerzijds 'Grensmaas' op circa 410 meter afstand van het plangebied en anderzijds 'Bunder- en Elsloöerbos' en 'Geleenbeekdal' op respectievelijk 5 km en 7 km. Het Natura 2000-gebied 'Grensmaas' is weinig stiksof gevoelig. De Natura 2000-gebieden 'Bunder- en Elsloöerbos' en 'Geleenbeekdal' zijn in dat geval gevoeliger voor stikstof.

Gezien deze afstand en de tussenliggende bebouwing, zijn er geen siginificante effecten op Natura 2000-gebieden te verwachten ten aanzien van geluid, licht en trillingen. Ook leidt het planvoornemen niet tot een toename van stikstofdepositie op dit gebied (zie ook 4.13.1). De instandhoudings- en ontwikkelingsdoelstellingen voor de aangewezen habitattypen en doelsoorten blijven gewaarborgd. Verder maakt het plangebied geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Door de voorgenomen plannen binnen het plangebied in combinatie met de de afstand tot het Natuurnetwerk Nederland (ca. 300 meter), zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland niet worden aangetast. 4.2.4 Kenmerken van de gevolgen van de activiteit Alle relevante milieuaspecten zijn in het kader van dit bestemmingsplan uitvoerig onderzocht en hieruit zijn geen belangrijke nadelige milieueffecten naar voren gekomen die een belemmering kunnen opleveren voor het planvoornemen. In onderhavig hoofdstuk zijn de betreffende milieuaspecten, alsmede de uitgevoerde onderzoeken nader beschreven.

34

bestemmingsplan Bramert-Noord Fase 1

4.2.5 Conclusie Door de realisatie van 50 woningen en (groen)voorzieningen ter realisatie van het landelijke en natuurrijke woongebied Bramert-Noord, wordt niet verwacht dat er negatieve effecten zullen optreden op de in de directe omgeving aanwezige waarden en belangen of op aanwezige beschermde gebieden en (te verwachten) beschermde soorten. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de in dit plan besloten ontwikkeling in voldoende mate is afgewogen en dat er geen nadelige significante effecten zijn te verwachten. Het plan is niet binnen een kwetsbaar of waardevol gebied gelegen en heeft ook geen belangrijke nadelige milieugevolgen voor de omgeving. Een verdere (vormvrije) m.e.r.-beoordeling wordt niet noodzakelijk geacht gezien de aard van het planvoornemen en er geen nadelige significante effecten te verwachten zijn.

4.3

Bodem

4.3.1 Wettelijk kader Op basis van artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening zijn gemeenten verplicht om in de toelichting bij een bestemmingsplan een paragraaf over de bodemkwaliteit op te nemen. In deze paragraaf dient gemotiveerd te worden of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem. Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Zo mag een eventuele aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem en mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet. 4.3.2

Verkennend bodem- en asbestonderzoek

Om de bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied inzichtelijk te maken, is door Aelmans Eco B.V. een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd (rapportnr. E204464.010/HWO, d.d. 22 maart 2021). De rapportage is bijgevoegd als Bijlage 2. Uit het verkennend bodemonderzoek is, uit de analyseresultaten van de grondmengmonsters van de bovengrond (tot een diepte van 0,5 m-mv), gebleken dat voornamelijk licht verhoogde concentraties cadmium worden aangetroffen en een incidenteel verhoogde concentratie zink. Deze concentraties zijn van dien aard dat deze veelal de achtergrondwaarden overschrijden, doch niet de bodemindex en/of interventiewaarden. Vorenstaande betekent, dat er sprake is van lichte/marginale overschrijdingen. De aangetroffen concentraties zijn van dien aard, dat deze weliswaar de achtergrondwaarden overschrijden, doch niet de maximale waarden voor de klasse wonen. Op basis van vorenstaande kan de bovengrond op basis van een indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit, ondanks de lichte overschrijdingen, alsnog als klasse AW2000 grond bestempeld worden. Uit de analyseresultaten van de ondergrond c.q. onderlaag (vanaf 0,5 tot 2,0 m-mv) blijkt dat geen van de onderzochte parameters de achtergrondwaarden (AW2000) overschrijden. Op basis van een indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit kan de ondergrond als klasse AW2000 grond bestempeld worden.

Uit de resultaten van het PFAS onderzoek blijkt dat diverse licht verhoogde concentraties PFAS worden aangetroffen. De aangetroffen concentraties overschrijden de rapportagegrenzen, doch niet de achtergrondwaarden. Dit impliceert dat voornoemde overschrijdingen van dien aard zijn dat deze geen invloed hebben op de uiteindelijke kwalificatie van de onderzochte bodemlagen. Tijdens het verrichten van het bodemonderzoek zijn zintuiglijk geen specifieke asbestverdachte materialen of bijmengingen aangetroffen. Op basis van voornoemde bevindingen is geen verder onderzoek naar asbest verricht. Op basis van vorenstaande kan de hypothese "onverdacht" met betrekking tot asbest worden bevestigd.

bestemmingsplan Bramert-Noord Fase 1

35

Conclusie Dit betekent dat de hypothese "onverdacht" op basis van de onderzoeksresultaten wordt bevestigd. Naar aanleiding van voornoemde bevindingen zijn er geen beperkingen en/of belemmeringen verbonden aan de beoogde bestemmingsplanwijziging en het voorgenomen gebruik van onderhavig perceel ten behoeve van woondoeleinden. Voor wat betreft het plangebied zijn er geen aanleidingen om over te gaan tot het uitvoeren van een nader onderzoek. 4.3.3 Mijnverleden Op 15 december 2016 heeft het Ministerie van Economische Zaken diverse rapporten over 'Na-ijlende gevolgen steenkolenwinning Zuid-Limburg' openbaar gemaakt. Hierin staan mogelijke gevolgen van de voormalige steenkolenmijnbouw beschreven. De mogelijke gevolgen zijn ingedeeld in categorieën (EK) van EK1 (relatief hoge kans van optreden), EK2 (relatief gemiddelde kans) tot EK3 (relatief lage kans). In de eerste twee zones is bij ontwikkelingen een nader onderzoek naar de geotechnische situatie noodzakelijk. Indien dat uit het betreffende onderzoek blijkt, dan zijn technische, stabiliserende maatregelen nodig bij een ontwikkeling. Voor de zone EK3 gelden in principe geen verplichtingen of belemmeringen, maar wordt een nader onderzoek of het inwinnen van advies van een deskundige omtrent de beoogde constructie van bebouwing wel geadviseerd.

36

bestemmingsplan Bramert-Noord Fase 1

Uitsnede kaartmateriaal EK-zones rapport IHS (2016)

Onderhavig plangebied is gelegen binnen de concessiegrens van de mijn Maurits. Uit de rapportage Na-ijlende gevolgen steenkolenwinning Zuid-Limburg, d.d. 31 augustus 2016, opgesteld door Ingenieurbüro Heitfeld Schetelig GmbH (IHS), volgt dat binnen het plangebied geen gebieden zijn aangeduid met één van voornoemde categorieën (EK1-EK2-EK3). Wel blijkt uit het kaartmateriaal bij voornoemd rapport dat tijdens de periode van mijnbouw enkele kleine drempels zijn geconstateerd en zijn er rondom het plangebied enkele zogenoemde opwaartse boringen vanuit mijngangen naar de bovenkant van het Carboon-gesteente opgetekend. Deze informatie geeft echter geen aanleiding te twijfelen aan de uitvoerbaarheid van het plan. Wel zijn dit geografisch zwakke(re) zones, iets om bij de constructie en fundering van nieuwe bebouwing rekening mee te houden. Ook vanwege eventueel mijngas of ongelijkmatige bodemstijging door stijgend grondwater zijn binnen het plangebied geen belemmeringen te verwachten, aangezien de mijnen in dit deel van Zuid-Limburg reeds volledig zijn ondergelopen en het plangebied niet wordt doorkuist door of is gelegen direct grenzend aan een breuklijn.

bestemmingsplan Bramert-Noord Fase 1

37

Conclusie Ondanks de geografische zwakke(re) zones vormen voornoemde aspecten geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Hiermee moet bij de concrete uitwerking van de bouwplannen voor de woningen eventueel rekening mee worden gehouden.

4.4

Geluid

Ten aanzien van geluid zijn de regels uit de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. De Wgh voorziet rond (gezoneerde) industrieterreinen, langs wegen en langs spoorwegen in zones en bevat tevens geluidsnormen en richtlijnen met betrekking tot de toelaatbare geluidsniveaus van de voorgenoemde geluidsbronnen. Indien een omgevingsvergunning een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron, of indien het plan een nieuwe geluidsbron of wijziging van een bestaande geluidsbron (aanpassing weg) mogelijk maakt, dient volgens de Wgh een akoestisch onderzoek plaats te vinden bij het voorbereiden van de vaststelling van het bestemmingsplan of een ruimtelijke onderbouwing.

Wegverkeer Dit plan voorziet in de realisatie van 50 woningen. In het kader van de Wet geluidhinder wordt een woning aangemerkt als een geluidsgevoelig object. De woningen worden gerealiseerd binnen de geluidszone van een weg (Molenweg Zuid). Vanuit de Wet geluidhinder geldt er hier dan ook een onderzoeksplicht naar de geluidbelasting veroorzaakt wegverkeer. Ook dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening de geluidbelasting te worden beoordeeld om te kunnen waarborgen dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai is hiervoor noodzakelijk.

Industrie Verder geldt dat de woningen worden gerealiseerd binnen een geluidszone van een gezoneerd industrieterrein. Vanwege de ligging binnen de geluidszone van Chemelot dient middels een akoestisch onderzoek naar wegverkeers- en industrielawaai de geluidbelasting op de gevels inzichtelijk te worden gemaakt. Op basis hiervan kan eventueel een benodigde hogere grenswaarde voor de te realiseren woningen worden bepaald.

Akoestisch onderzoek Door Aelmans is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai en industrielawaai uitgevoerd (rapportnummer M203572.001.002/GGO, d.d. 24 februari 2022). De samenvatting en conclusie van dit onderzoek zijn in onderstaande weergegeven. De rapportage is bijgevoegd als Bijlage 3. Op basis van dit akoestisch onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken met betrekking tot de hoogste geluidbelastingen.

38

bestemmingsplan Bramert-Noord Fase 1

Tabel met hoogste geluidbelastingen

Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) of het toepassen van stiller wegdek (bronmaatregel) om de geluidbelasting terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde ontmoet overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke, civieltechnische, verkeerskundige en financieële aard. Derhalve wordt onderbouwd verzocht hogere waarde te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder. Ter bepaling van de gecumuleerde waarde dient de totale geluidbelasting (exclusief aftrek artikel 110g Wet geluidhinder) te worden berekend van alle zoneplichtige (spoor)wegen, industrie en luchtvaart met een geluidbelasting boven de voorkeursgrenswaarde. In onderhavige situatie betreft dit de Molenweg Zuid en industrieterrein Chemelot. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de cumulatie bepaald inclusief alle gemodelleerde geluidbronnen. Ter bepaling van de milieukwaliteit in de omgeving is deze geccumuleerde waarde getoetst aan de 'methode Miedema'. De maximale gecumuleerde waarde, welke voornamelijk wordt bepaald door de Molenweg Zuid, bedraagt 59 dB, waarmee gesteld kan worden dat er sprake is van de kwalificatie 'matig' en daarmee bezien dient te worden of maatregelen mogelijk zijn.

Daar maatregelen aan de bron en overdrachtsmaatregelen op overwegende bezwaren stuiten, dient de oplossing gezocht te worden in geluidwerende maatregelen in de gevel en/of dak. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen is een binnenniveau van 33 dB gewaarborgd. Tevens beschikt het bouwplan over een geluidluwe gevel/buitenruimte. Daarmee is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Aangezien de cumulatieve geluidbelasting hoger is dan 53 dB dient er een nader onderzoek te worden uitgevoerd ter bepaling van de geluidwering van de gevel. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform dat nader onderzoek) is een binnenniveau van 33 dB en daarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd.

Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het planvoornemen en de realisatie van de woningen. Wel is een hogere grenswaarde noodzakelijk. Deze is dan ook aangevraagd en verleend voor alle woningen. Daarnaast dienen de juiste geluidwerende maatregelen te worden getroffen om het binnenniveau te waarborgen.

bestemmingsplan Bramert-Noord Fase 1

39

4.5

Geur veehouderijen

Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. Deze wet vormt het toetsingskader voor vergunningen op grond van de Wet milieubeheer waar het gaat om stank veroorzaakt door het houden van dieren. Daarnaast is de wet van belang in verband met de zogenoemde 'omgekeerde werking' in het kader van de ruimtelijke ordening. Bij de 'omgekeerde werking' gaat het om de vraag of ter plaatse van geurgevoelige objecten sprake is van een goed woon en/of leefklimaat. Verder hebben gemeenten de mogelijkheid gekregen om binnen een wettelijk bepaalde bandbreedte van de standaardnormen van de Wgv af te wijken. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen en vastleggen in een geurverordening dat is afgestemd op de plaatselijke situatie. Onderhavig planvoornemen voorziet in de realisatie van 50 woningen. Een woning geeft geen geuroverlast voor de nabije omgeving, maar wordt gekwalificeerd als geurgevoelig object. Om deze reden dient aandacht besteed te worden aan aspecten ten aanzien van geurhinder in de omgeving. De veehouderijen die het dichtst bij het plangebied zijn gelegen betreffen: Een varkenshouderij aan de Bergerweg 10, gelegen op ca. 500 meter ten noorden van het plangebied. Een melkveehouderij aan Molenweg Zuid 2a, gelegen op ca.

95 meter ten westen-noordwesten van het plangebied Het hobbymatig houden van dieren (zoogkoeien en vleeskalveren) aan de Louisegroeveweg ong., gelegen op ca. ca. 200 meter ten oosten-noordoosten van het plangebied. Vanwege het hobbymatige karakter kan deze locatie buiten beschouwing worden gelaten. Ter beoordeling van de mogelijke gezondheidseffecten door veehouderijen in de omgeving van het plangebied, is door Pouderoyen Tonnaer het woon- en leefklimaat beoordeeld evenals de omgekeerde werking (rapportnr. J203572.003, d.d. 8 maart 2021/9 februari 2022). De rapportage is bijgevoegd als Bijlage 4. Omdat er binnen een straal van 2 km rond het plangebied zich geen geitenhouderijen bevinden, wordt hier niet specifiek op getoetst. Voor de Bergerweg 10 kan geconcludeerd worden dat met een berekende voorgrondbelasting (tevens achtergrondbelasting) van maximaal 2,2 ouE/m3 wordt voldaan aan de streefwaarde van maximaal 12% geurgehinderden en dat daarmee binnen het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omgekeerd blijkt uit de geurberekening van de vergunde situatie dat voor het bedrijf aan de Bergerweg 10 geen sprake is van beperkingen ten gevolge van het planvoornemen (geen omgekeerde werking). Het bedrijf wordt niet in zijn belangen geschaad. Het planvoornemen tast de vergunde rechte van Bergerweg 10 niet aan.

Voor de melkveehouderij aan de Molenweg Zuid 2a geldt een minimale vaste afstand van 100 meter vanaf de buitenzijde van de stallen tot de rand van het plangebied. De grens van het plangebied ligt op de grens van het kadastrale perceel 790. De buitenzijde van de stallen ligt op ongeveer 116 meter respectievelijk 123 meter van de grens van het plangebied. Op basis van de Wgv wordt voldaan aan de minimale afstand van 100 meter waardoor sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Tevens is het planologisch-juridisch gezien niet mogelijk om stallen of voorzieningen dichterbij het plangebied te situeren. Het plangebied ligt daarmee niet binnen de vaste afstand van 100 meter, waardoor er geen beperkende werking is voor de ontwikkelingsmogelijkheden van deze melkveehouderij. Bestaande rechten van dit bedrijf worden niet aangetast.

Conclusie Het planvoornemen leidt niet tot extra beperkingen voor de ontwikkeling van veehouderijen in de omgeving (geen omgekeerde werking) en ter plaatse van het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en

40

bestemmingsplan Bramert-Noord Fase 1

leefklimaat. Het aspect geur vormt hiermee geen belemmering voor het planvoornemen.

4.6

Agrarisch gebruik en spuitzones

De toekomstige woningen grenzen aan het (huidige) feitelijk in gebruik zijnde buitengebied. Het reguliere agrarische gebruik middels het bewerken c.q. bemesten van de gronden en het telen van gewassen komt met de realisatie van de woningen niet in het geding. Dit agrarisch gebruik vormt geen belemmering voor de woningen en omgekeerd vormen de nieuwe woningen geen belemmering voor het agrarisch gebruik van de gronden. Daarnaast kan het regulier agrarische gebruik van de gronden conform het overgangsrecht van het bestemmingsplan Bramert-Noord niet worden geïntensiveerd. Nader onderzoek naar hydrologie, landbouwverkeer en de ontsluiting van deze agarische gronden is dan ook niet aan de orde. Er is bij de uitwerking van het stedenbouwkundig plan voor de realisatie van de woningen wel gekeken naar de bereikbaarheid van de aangrenzende agrarische gronden, die feitelijk in gebruik zijn bij agrariërs. Tevens heeft de nodige afstemming met de betreffende agrariërs plaats gevonden. De gronden in het aangrenzende buitengebied zijn agrarisch (akkerbouw, weiland) in gebruik. Er zijn in de directe omgeving (op een afstand van minimaal 50 meter) geen boomgaarden aanwezig en kunnen deze planologisch-juridisch ook niet alsnog worden opgericht. Er zijn daarmee geen spuitzones van invloed op het plangebied.

De aan te leggen hoogstamboomgaarden als onderdeel van het planvoornemen zijn niet bedrijfsmatig. Deze worden enkel aangelegd als onderdeel van de landschappelijke inpassing en dienen enkel een visueel effect om de overgang tussen de woningen en het buitengebied aan te kleden. Wel worden de gronden ten noorden en oosten van het plangebied agrarisch gebruikt. Het betreft regulier agrarisch gebruik waarbij sprake is van 'normale' gewasbescherming. Hiervoor gelden geen richtlijnen dan wel concrete zones. Akkerlanden worden bespoten met een veldspuit waarbij de gewasbestrijdingsmiddelen neerwaarts uitstromen waardoor de ontstane hoeveelheid drift tot een minimum wordt beperkt. Ook de ontwikkelingen in de landbouw staan niet stil. Dit betekent dat de landbouwmachines (qua spuitkoppen) steeds geavanceerder worden waardoor er sprake is van minder spuitnevel. Ook dienen de machines jaarlijks gecontroleerd te worden zodat deze machines optimaal blijven functioneren om dit te waarborgen. Daarnaast wordt voor het merendeel aan de randen voorzien in een groenbestemming waardoor er een zekere afstand c.q. buffering wordt aangehouden tussen het bestaande agrarische gebruik en de tuinen van de toekomstige woningen. In totaal grenzen slechts twee woningen met de zijgevel aan de agrarische gronden en 3 achtertuinen.

Echter door de afstand van het bouwvlak tot de grens van het plangebied zal dit niet tot problemen te leiden. Het agrarisch bewerken van de gronden vormt hiermee geen belemmering voor deze toekomstige woningen.

4.7

Luchtkwaliteit

Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen inzake de luchtkwaliteit opgenomen in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna ook: Wm). Omdat de luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in titel 5.2 van de Wm, staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Het doel van titel 5.2 Wm is om de mensen te beschermen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op hun gezondheid. In de wet- en regelgeving zijn de richtlijnen uit de Europese regelgeving opgenomen, waaraan voorgenomen ontwikkelingen dienen te voldoen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid van een bestuursorgaan ex. artikel 5.16 Wm: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde; een project leidt, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit;

bestemmingsplan Bramert-Noord Fase 1

41

een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) of een regionaal programma van maatregelen. Het besluit NIBM Deze Algemene maatregel van Bestuur (AmvB) legt vast wanneer een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de toename van concentraties van bepaalde stoffen in de lucht. Een project is NIBM wanneer het aannemelijk is dat het een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Het NSL is vanaf augustus 2009 van kracht, zodat de 3% grens aangehouden dient te worden. In de regeling NIBM is (onder andere) aangegeven dat een plan tot 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg niet in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de concentratie fijnstof en stikstofdioxide in de lucht. Dit planvoornemen voorziet in de realisatie van 50 woningen en valt daarmee ruimschoots binnen de norm van 1.500 woningen. Gesteld kan worden dat het planvoornemen daardoor niet in betekende mate bijdraagt aan de toename van de concentratie fijnstof en stikstofdioxide in de lucht. Er is geen nader onderzoek naar luchtkwaliteit benodigd.

Fijn stof Voor wat betreft de beoordeling van het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit dient er gelet te worden op de fijnstofconcentraties ter plaatse. Hiervoor is de NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) geraadpleegd. Direct nabij het plangebied, aan de Molenweg Zuid, zijn rekenpunten gelegen. Om een beeld te krijgen van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied, zijn daarom de fijnstofconcentraties nabij deze rekenpunten aan de Molenweg Zuid beoordeeld. Uit de NSL-monitoringskaart blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 hier respectievelijk maximaal 15,67 ìg/m3, 17,58 ìg/m3 en 11,28 ìg/m3 zijn (zie onderstaande afbeelding). De jaargemiddelde grenswaarden voor NO2, PM10 (beide 40 ìg/m3) en PM2,5 (20 ìg/m3) wordt niet overschreden. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uur gemiddelde concentratie is maximaal 6,16 waardoor het maximum van 35 dagen niet wordt overschreden. De concentratie fijnstof heeft geen negatieve gevolgen voor het woon- en leefklimaat ter plekke van het plangebied. Het aspect fijnstof vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

42

bestemmingsplan Bramert-Noord Fase 1

Uitsnede NSL-monitoringskaart met plangebied bij rode contour

Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is gericht op de beperking van vestiging in de nabijheid van provinciale en rijkswegen van gevoelige bestemmingen, zoals gebouwen voor kinderopvang, scholen, verzorgings- of verpleegtehuizen. Een woning wordt op basis van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) niet aangemerkt als gevoelige bestemming.

Conclusie Het planvoornemen wordt aangemerkt als NIBM. Op basis van de NSL-monitoringstool is vastgesteld dat de fijnstofconcentraties in de omgeving van het plangebied geen belemmering vormen voor een goed woon- en leefklimaat. Verder geldt dat woningen niet worden aangemerkt als gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. Geconcludeerd wordt dat het aspect 'Luchtkwaliteit' geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen.

4.8

Externe veiligheid

Met externe veiligheid wordt bedoeld de kans op overlijden van mensen buiten de grenzen van een bedrijf of transportmedium, als rechtstreeks gevolg van een ongeval met (gevaarlijke) stoffen binnen de grenzen van het bedrijf dan wel het transportmedium. In de externe veiligheid worden twee risicobegrippen gehanteerd:

bestemmingsplan Bramert-Noord Fase 1

43

1.

2.

Plaatsgebonden Risico (PR): de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij een risicovolle activiteit. Groepsrisico (GR): is de kans dat in een keer een groep mensen van tenminste een bepaalde grootte komt te overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongeval met (gevaarlijke) stoffen. De norm voor het GR is een oriënterende waarde.

4.8.1 Inventarisatie Dit planvoornemen voorziet in de realisatie van 50 woningen. Een woning wordt aangemerkt als kwetsbaar object. Om die reden worden, met behulp van de risicokaart, risicovolle objecten en inrichtingen in de omgeving van het plangebied geïnventariseerd en beoordeeld. Zie tevens bijgevoegd onderzoek met betrekking tot externe veiligheid (Econsultancy, rapportnr. 14505.007, d.d. 10 februari 2022, Bijlage 5).

Uitsnede risicokaart

Transport Op circa 620 meter ten oosten van het plangebied is de A2 (1) gelegen. Conform de Regeling basisnet heeft wegvak L85 een PR 10-6 risicocontour van 17 meter en geldt er een plasbrandaandachtsgebied (PAG) van 30 meter. De PR 10-6 risicocontour en het PAG reiken niet tot aan de grens van het plangebied. Op circa 92 ten westen van het plangebied is de transportroute Maascorridor (2) gelegen. Het plangebied is daardoor gelegen binnen de invloedsgebieden van een aantal stofcategorieën. Omdat het plangebied niet binnen 200 meter tot de A2 is gelegen, wordt alleen een beperkte verantwoording van het groepsrisico gegeven van het scenario ‘toxisch’. Voor de vaarroute is het wel noodzakelijk een kwantitatieve risicoanalyse uit te voeren.

44

bestemmingsplan Bramert-Noord Fase 1

Uit deze kwantitatieverisicoanalyse blijkt dat de realisatie van 50 woningen geen invloed heeft op het aantal te verwachten slachtoffers en het groepsrisico. Conform artikel 8 lid 2 kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico, omdat het groepsrisico lager is dan 0,1 x de oriëntatiewaarde.

Buisleidingen Ten oosten van het plangebied zijn meerdere leidingen (3) gelegen. Het betreft een PRB leiding van SABIC Pipelines B.V., brandstofleiding van defensie (DPO-leiding), hogedruk aardgastransportleiding van de Gasunie, en een ARG leiding (ethyleen). Voor de PRB leiding geldt, volgens de gegevens van de EV-signaleringskaart, een invloedsgebied van 55 meter aan weerszijden van de leiding. De DPO-leiding is niet buiten gebruik gesteld, maar staat op lichte stikstofdruk en heeft een belemmeringenstrook van 5 meter. Daarnaast is er ook een hogedruk aardgastransportleiding van de Gasunie gelegen. Deze heeft een diameter van 8 inch en een druk van 66,2 bar. De buisleiding heeft een inventarisatieafstand van 120 meter aan weerszijden van de leiding. De ARG leiding heeft op basis van de EV-signaleringskaart een invloedsgebied van 200 meter. De afstand van het plangebied tot de leidingen is ruim 600 meter. Gezien de afstand worden er geen belemmeringen verwacht.

Inrichtingen Op circa 530 meter afstand ten noorden van het plangebied ter plaatse van Bergerweg 10 is een inrichting (4) gelegen. Deze inrichting is op de risicokaart vermeld vanwege de opslag van een bovengrondse propaantank (5.000 liter). Er is een plaatsgebonden risicocontour van 10-6/jr aanwezig op 20 meter afstand. Gezien de afstand vormt de inrichting hiermee geen belemmering voor het plangebied. In de zuidoostelijke richting is het terrein van Chemelot (BRZO) gelegen. Het plangebied is buiten de plaatsgebonden risicocontour van 10-8/jr gelegen. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat het plangebied geen relevante bijdrage levert aan het groepsrisico. Het plan ligt wel binnen het invloedsgebied van Chemelot. Maatgevend is het scenario van een ‘toxische wolk’. 4.8.2 Beperkte verantwoording van het groepsrisico Met betrekking tot de A2 moet, in geval van een calamiteit, rekening gehouden worden met de stofcategorieën LT1 en LT2. Voor de Maascorridor geldt dat rekening moet worden gehouden met de stofcategorieën LT1 en GT3. Voor het industrieterrein Chemelot moet, in geval van een calamiteit, rekening worden gehouden met het vrijkomen van giftige gassen. De verantwoording zal gericht zijn op mogelijkheden ter bestrijding van calamiteiten, zelfredzaamheid en maatregelen. Hierna wordt aangegeven welke maatregelen in geval van een calamiteit getroffen kunnen worden.

Op basis van artikel 9 van het Bevt en artikel 13 van de Bevi dient de Veiligheidsregio Zuid-Limburg in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen. Het advies wordt als bijlage opgenomen in de toelichting van het bestemmingsplan.

Zelfredzaamheid Aanwezigen zullen via het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS) zoals NL-Alert worden gealarmeerd. In geval van een giftige wolk is het advies om ramen en deuren te sluiten en inpandig te schuilen. Bij voorkeur worden gebouwen uitgerust met ventilatievoorzieningen die eenvoudig centraal uitgeschakeld en/of dichtgezet kunnen worden.

Bereikbaarheid

bestemmingsplan Bramert-Noord Fase 1

45

Hulpdiensten kunnen binnen de gewenste aanrijtijd ter plaatse zijn. Binnen het plangebied zijn voldoende opstelplaatsen voor hulpdiensten aanwezig. Bij calamiteiten op de vaarweg zal de eerste aandacht van hulpdiensten zich richten op de calamiteit zelf. Het plangebied is bereikbaar over twee verschillende routes vanuit tegengestelde windstreken via de Molenweg Zuid.

Bestrijdbaarheid Door een ongeval op het water breekt bij een binnenvaarttanker de aansluiting met de leiding op het dek af. In geval van toxische stoffen zullen alle vrijgekomen stoffen direct verdampen. Er ontstaat een giftige wolk die met de wind mee verspreidt. De brandweer kan door middel van waterscherm verspreiding van een gifwolk vertragen. Er is in de directe omgeving voldoende secundair bluswater (Julianakanaal) beschikbaar. 4.8.3 Advies Veiligheidsregio Zuid-Limburg Op basis van het onderzoek ten aanzien van externe veiligheid en de verantwoording van het groepsrisico is advies aan de Veiligheidsregio Zuid-Limburg gevraagd. Op 12 april 2022 heeft de veiligheidregio advies (Bijlage 6) uitgebracht. In dit advies wordt voor de verschillende scenario's het volgende geadviseerd: Hittestralingsscenario's 1. Pas tot een afstand van 510 meter materialen toe aan de zijde van de Maascorridor die de impact van de hittestraling op de woningen verlagen, zoals: o Toepassen van brandwerend metselwerk; o Gebruik maken van minerale wolisolatie; o Toepassen van brand- en hittewerende beglazing; o Gebruik maken van houten en stalen kozijnen; o Gebruik maken van dakpannen. 2. Het opnemen van blinde gevels en anders het reduceren van raamoppervlakken aan de kant van de Maascorridor tot een afstand van 510 meter. 3.

Bij de woningen binnen de afstand van 510 meter ruimtes waarin zich de minste mensen bevinden of slechts gedurende een klein gedeelte van de dag bevinden aan de zijde van de Maascorridor projecteren. Overdrukscenario's 1. Het toepassen van explosiewerend glas (ER1) binnen een afstand van 315 meter. Toxische scenario's 1. Voorzie in afsluitbare ventilatiesystemen per woning, waardoor de luchttoevoer van buitenaf kan worden uitgeschakeld. 2. Plaats het luchtinlaatsysteem niet aan de zijde van de A2, de Maascorridor of Chemelot Site Permit B.V., dus bij voorkeur aan de noordelijke zijde. Bestrijdbaarheid 1. Bij toekomstige ontwikkeling van omliggend gebied dient ermee rekening te worden gehouden dat er meerdere toegangswegen tot het bebouwde gebied dienen te worden gerealiseerd welke voldoen aan de vereisten voor een brandweervoertuig (zie rapportage voor nadere uitwerking hiervan). 2. Realiseren primaire bluswatervoorzieningen in het woongebied. De hiervoor geadviseerde maatregelen kunnen de effecten van ongevallen sterk reduceren tot een omvang die beter beheersbaar wordt geacht door de hulpverleningsdiensten. Hoewel het uitvoeren van maatregelen een positief effect zal hebben op de veiligheid, valt daarmee niet uit te sluiten dat zich een incident voor zal doen met slachtoffers op de planlocatie en de omgeving.

Het is aan het bevoegd gezag dit 'restrisico' expliciet te accepteren en in het besluit te verantwoorden binnen de verantwoordingsplicht voor het groepsrisico. Bij de nadere uitwerking van de woningen in het kader van de aanvraag van de omgevingsvergunning zal door de ontwikkelaar zoveel mogelijk rekening worden gehouden met deze adviezen van de veiligheidsregio. Bij de realisatie van de 50 woningen in deze eerste fase zal geen sprake zijn van meerdere toegangswegen. Dit zal worden meegenomen bij een eventuele toekomstige uitwerking van het geheel. In dat kader worden de mogelijkheden onderzocht om als onderdeel van het planvoornemen een 'noodweg' voor hulpdiensten door het groen vanaf de Limbrichterweg aan te leggen. Dit zal dan in de vorm van een (verbreed) grindpad zijn. Wel

46

bestemmingsplan Bramert-Noord Fase 1

wordt voorzien in de noodzakelijke primaire bluswatervoorzieningen. Gezien het lage groepsrisco en de zeer kleine kans dat een eventueel incident optreedt wordt het 'restrisico' acceptabel en verantwoord geacht door het bevoegd gezag

Conclusie Op basis van de uitgevoerde inventarisatie, de kwantitatieve risicoanalyse, de beperkte verantwoording van het groepsrisico en het advies van de veiligheidsregio kan geconcludeerd worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vorm voor het planvoornemen.

4.9

Bedrijven en milieuzonering

Vanuit het aspect 'goede ruimtelijke ordening' dient er voldoende ruimtelijke scheiding te zijn tussen hinderveroorzakende (o.a. bedrijven) en hindergevoelige functies (waaronder woningen). Hiervoor worden de afstanden uit de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' als maatgevend beschouwd. De richtafstanden opgenomen in de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit, zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij milieu-inrichtingen of drukke wegen, al een hogere milieubelasting kent. De publicatie biedt geen wettelijk vastgestelde norm, maar biedt een handreiking voor maatwerk. De publicatie geeft vier factoren (geur, stof, geluid en gevaar) op basis waarvan bepaald wordt in welke categorie een activiteit geplaatst kan worden. Voorgaande moet op twee manieren getoetst worden. Enerzijds wordt er gekeken of het perceel zelf veroorzaker is van hinder en anderzijds wordt bekeken of het perceel kwetsbaar is voor hinder. Woningen worden niet aangemerkt als hinderveroorzakende functie en kennen derhalve geen milieuzonering.

Daarentegen geldt dat woningen wel worden aangemerkt als hindergevoelige functie. Om die reden dienen hinderveroorzakende functies in de omgeving en de afstand tot de beoogde woningen te worden beoordeeld. Hiervoor wordt uitgegaan van het omgevingstype 'rustig woongebied'. Voor wat betreft de omgeving van het plangebied kan globaal een onderscheid worden gemaakt tussen het zuidelijk gelegen woongebied en het noordelijk gelegen buitengebied. In de directe omgeving van het plangebied zijn twee veehouderijlocaties (Bergerweg 10 en Molenweg Zuid 2a) gelegen. Daarnaast wordt aan de Louisegroeveweg ong. hobbymatig dieren gehouden. Vanwege het hobbymatige karakter kan deze locatie buiten beschouwing worden gelaten. In paragraaf 4.5 is reeds onderbouwd dat de veehouderijen in de omgeving van het plangebied het woon- en leefklimaat niet onevenredig aantasten. Ook is de omgekeerde werking onderzocht, waarbij geldt dat de veehouderijen niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd als gevolg van de realisatie van de 50 woningen binnen het plangebied. De ontwikkelingsmogelijkheden van de bestaande agarische bedrijven welke actief zijn in het gebied Bramert-Noord zijn 'bevroren'. In het geldende bestemmingsplan 'Bramert-Noord' zijn geen nieuwe bouwmogelijkheden ten aanzien van agrarische bedrijfsbebouwing opgenomen.

Daarnaast wordt het agrarische gebruik van de naastgelegen gronden niet belemmerd. Dit betreft enkel het reguliere agrarische gebruik bestaande uit het telen van gewassen dan wel het gebruik als grasland. Dit agrarische gebruik valt formeel onder het overgangsrecht omdat het gehele gebied de bestemming 'Wonen - Uit te werken' heeft. Verder bevindt zich ten zuidwesten van het plangebied (op ca. 80 meter afstand) een veldsportcomplex. Op basis van de VNG-publicatie geldt voor deze functie een richtafstand van 50 meter. Hier wordt ruimschoots aan voldaan. Tevens bevindt zich aan de Louisegroeveweg 4 een bedrijfsbestemming van het voormalig straatreinigings- en grondverzetbedrijf Diederen (aan de noordzijde). Dit bedrijf is inmiddels verhuisd maar

bestemmingsplan Bramert-Noord Fase 1

47

de bedrijfsbestemming is hier nog van kracht. Op basis van deze bestemming kunnen zich ter plaatse bedrijven vestigen in milieucategorie 3.1 met een richtafstand van 50 meter. De afstand tot de te realiseren woningen in Bramert-Noord is echter groter. Er bevinden zich in de omgeving van het plangebied verder geen hinderveroorzakende functies. Ter plaatse van het plangebied kan derhalve worden gesproken over een goed woon- en leefklimaat. Andersom zijn voor zowel de (agrarische) bedrijven als het sportcomplex reeds woningen op kortere afstand van de deze bedrijven c.q. sportcomplex gelegen. De nieuwe woningen zullen deze bedrijven c.q. sportcomplex niet in zijn of haar bedrijvigheid dan wel functie belemmeren.

Conclusie Geconcludeerd wordt dat het plangebied niet is gelegen binnen de milieuzonering van hinderveroorzakende functies en derhalve uitgegaan kan worden van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen. Tevens zal de realisatie van de woningen niet leiden tot milieuhinder voor de omgeving of tot een beperking in de bedrijfsvoering van omliggende hinderveroorzakende functies. Het aspect 'Bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

4.10

Kabels en Leidingen

Binnen of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen hoofdtransportleidingen of persleidingen van water, olie, gas, brandstof en/of hoogspanningsleidingen gelegen, die van invloed zijn op de realisatie van de woningbouwontwikkeling. In het straatprofiel van de Molenweg Zuid zijn wel de reguliere leidingen c.q. nutsvoorzieningen aanwezig zoals gas, electra en telefonie. Deze worden (met uitzondering van gas) doorgetrokken in de nieuwe ontsluitingsweg om de nieuwe woningen hierop aan te sluiten. In België is een verkenning gedaan naar een buisleidingstrook tussen Antwerpen en Chemelot/Duitsland. Hierbij zijn twee mogelijke grensovergangen naar Nederland in beeld, waarvan 1 ter hoogte van de gemeente Stein. Het is daarbij niet wenselijk dat de uiteindelijk gekozen route op Nederlands grondgebied door het plangebied van Bramert-Noord loopt. Het betreft hier immers een woningbouw- c.q. gebiedsontwikkeling die al sinds 2010 planologisch-juridisch is geregeld.

4.11

Zoneringen

Op het plangebied zijn verder geen zoneringen zoals vrijwaringszones, stiltegebieden, waterwin-/grondwaterbeschermingsgebieden, luchtvaartverkeer e.d. van toepassingen die een mogelijke belemmering vormen voor de realisatie van de 50 woningen.

4.12

Archeologie en cultuurhistorie

4.12.1 Archeologie Als wettelijk toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. Deze wet is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta uit 1992. De Wamz is in zijn geheel opgenomen in de Monumentenwet 1988 (Mw art. 38 t/m 60). In de Wamz is vastgelegd dat Rijk, provincies en gemeenten in ruimtelijke plannen rekening houden met het aspect 'archeologie'. De wet beoogt het archeologische erfgoed in hoofdzaak in situ te beschermen.

48

bestemmingsplan Bramert-Noord Fase 1

Ter plekke van het plangebied geldt dat er (gedeeltelijk) sprake is van archeologische dubbelbestemmingen ter bescherming van de archeologische waarden. Het betreft de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1' en 'Waarde - Archeologie 2'. Ter plaatse van 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden geldt een archeologische onderzoeksplicht bij bodemverstorende ingrepen met een oppervlak van minimaal 250 m2 en een verstoringsdiepte van minimaal 40 centimeter beneden maaiveld. Ter plaatse van 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden geldt een archeologische onderzoeksplicht bij bodemverstorende ingrepen met een oppervlak van minimaal 2.500 m2 en een verstoringsdiepte van minimaal 40 centimeter beneden maaiveld. Het plangebied beslaat een oppervlak van ca. 5 ha. Tevens is het waarschijnlijk dat de benodigde bodemingrepen de maximale verstoringsdiepte van 0,40 meter beneden maaiveld overschrijden. Op basis van vorenstaande wordt gesteld dat de grenswaarden van de archeologische dubbelbestemming worden overschreden. Om deze reden dient middels een archeologisch onderzoek aangetoond te worden dat geen archeologische waarden worden geschaad. Hiertoe heeft Econsultancy (rapportnr. 14505.002, d.d. 23 november 2021) een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd. De betreffende onderzoeksrapportage is als Bijlage 7 bij de toelichting opgenomen.

In onderstaande zijn de conclusies en het advies van het rapport opgenomen.

Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Uit het bureauonderzoek blijkt dat de gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische waarden uit alle perioden vanaf het Laat Paleolithicum middelhoog tot hoog is voor de lössplateaus in het westen en oosten van het plangebied en laag voor de lösswand hier tussen in. Mogelijk is de bodem in delen van het plangebied verstoord door het (voormalig) gebruik als boomgaard.

Resultaten inventariserend veldonderzoek Uit het verkennend veldonderzoek komt een beeld naar voren dat in grote lijnen overeenkomt met de resultaten van het archeologisch onderzoek uit 2008, maar dat op details toch wat afwijkt. In grote lijnen bestaat de geologische opbouw uit Maasterrasafzettingen, afgedekt door lössafzettingen en plaatselijke een colluviumdek. In het westelijke deel van het plangebied is de top van de lössafzettingen grotendeels verdwenen door erosie. Plaatselijk is echter nog wel een (onderkant van een) briklaag aangetroffen, wat er op wijst dat de erosie sterk wisselend is geweest. Het westelijke deel van het plangebied is verder afgedekt met een colluviumdek. In het centrale deel van het plangebied bleek de erosie op de terrassenovergang minder intensief dan verwacht te zijn. In verschillende profielen en boringen is nog een lösspakket met in de top een briklaag aangetroffen boven de Maasterrasafzettingen. Het colluviumdek was hier sterk wisselend van dikte en plaatselijk afwezig. In het oostelijke deel van het plangebied is geen intacte briklaag aangetroffen. Wel is er in twee profielen een grijze laag waargenomen welke mogelijk een oude akkerlaag betreft. Er is bij het veldonderzoek geen aanwijzing voor een door de (voormalige) boomgaarden veroorzaakte bodemverstoring die dieper rijkt dan de bouwvoor aangetroffen.

Conclusie De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, is door het veldonderzoek iets aangepast. De oostelijke zone met een middelhoge verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Laat Paleolithicum, Mesolithicum, Middeleeuwen en Nieuwe tijd en een hoge verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Neolithicum tot en met de Romeinse tijd behoudt dezelfde verwachtingswaarde, maar is wel wat verder in westelijke richting uitgebreid. De centrale zone met een lage verwachtingswaarde voor alle perioden wordt hierdoor wat kleiner van oppervlakte. Voor de westelijke zone wordt op basis van de aangetroffen bodemprofielen de hoge verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Neolithicum tot en met de Romeinse tijd bijgesteld naar middelhoog.

bestemmingsplan Bramert-Noord Fase 1

49

Op basis van het behoud van een middelhoge tot hoge trefkans voor grote delen van het plangebied blijft de kans reëel dat archeologische resten binnen het plangebied aanwezig zijn.

Advies Voor de westelijke en oostelijke delen van het plangebied, waar nog archeologische waarden worden verwacht, wordt een dubbelbestemming archeologie geadviseerd, waarbij de mogelijke archeologische waarden in situ worden bewaard. Hiertoe dienen beschermende regels in het bestemmingsplan te worden opgenomen. Behoud van eventueel aanwezige archeologische waarden is mogelijk als er archeologievriendelijk gebouwd wordt en er niet dieper ontgraven wordt dan 30 cm onder het huidige maaiveld. Als het niet mogelijk is om archeologie vriendelijk te bouwen is, gezien de geringe diepteligging en de kwetsbaarheid van de archeologische resten, vervolgonderzoek noodzakelijk. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek. Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het plangebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Voor de centrale zone van het plangebied wordt geadviseerd om deze vrij te geven.

Resultaten verkennen veldonderzoek

50

bestemmingsplan Bramert-Noord Fase 1

De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Stein). De bevoegde overheid neemt vervolgens een besluit. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden in de vrijgegeven delen van het plangebied toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).

Proefsleuvenonderzoek Voor de delen van het plangebied waar nog archeologische waarden worden verwacht dient nog een nader archeologisch onderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek te worden uitgevoerd. Om te waarborgen dat de archeologische waarden in voldoende mate worden beschermd is voor deze delen van het plangebied een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie opgenomen. Hiervoor is aangesloten op de regeling van het onlangs vastgestelde bestemmingsplan 'Erfgoed Stein'. Deze delen zijn dan ook bestemd als 'Waarde Archeologie' in combinatie met respectievelijk de functieaanduidingen 'specifieke vorm van waarden - hoge arcehologische verwachting' en 'specifieke vorm van waarden - middelhoge archeologische verwachting'. 4.12.2 Cultuurhistorie Vanaf 1 januari 2012 dient in ruimtelijke plannen rekening te worden gehouden met cultuurhistorie. Dit is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. Het plangebied is onbebouwd en er zijn door de gemeente Stein geen cultuurhistorisch waardevolle elementen binnen het plangebied aangeduid. Dit wordt bevestigd door het bestemmingsplan 'Erfgoed Stein'. Binnen het plangebied is de dubbelbestemming Waarde - Historische bebouwing en gezichten' namelijk niet van toepassing. Het aspect 'Cultuurhistorie' vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

4.13

Natuur

Bij elk ruimtelijk plan moet, met het oog op beschermenswaardige natuurwaarden, rekening worden gehouden met de regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming en soortenbescherming. Dit wordt geregeld in de Wet natuurbescherming die op 1 januari 2017 in werking is getreden. Het natuurbeschermingsrecht is verder te vinden in verdragen, Europese en nationale regelgeving en in nationaal en provinciaal beleid. Vanuit de Europese regelgeving wordt met name nadruk gelegd op de bescherming van plant- en diersoorten (Vogelrichtlijn) en leefgebieden (Habitatrichtlijn). Ten behoeve hiervan zijn dan ook diverse beschermingsgebieden aangewezen. De belangrijkste beschermingszones zijn Natura 2000-gebieden. Om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep, is door Econsultancy (rapportnr. 14505.003, d.d. 23 februari 2021) een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Tevens is in de quickscan beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Het rapport is bijgevoegd als Bijlage 8.

Tevens zijn conclusies van het rapport in onderstaande opgenomen. 4.13.1 Gebiedsbescherming Natura 2000 Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, de Grensmaas, bevindt zich op circa 410 meter afstand ten westen van het plangebied. Tevens bevinden zich de Natura 2000-gebied het Bunder- en Elslooërbos en het Geleenbeekdal op respectievelijk circa 6 en 7,2 km afstand van het plangebied (zie onderstaand figuur).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Stein&id=8efc25f3-e659-4ef7-a2b4-5430134ee39d