Bijlage 1 B&W nota BC Fase 2-Bijlage 3 RVS BC Fase 2 EindrapportLarideDefinitief
Tekst van het document
Het contract wordt gebaseerd op de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor Geïntegreerde Contractvormen (in het kort : UAV-GC 2005). De opdrachtsom voor OBS De Maaskei is kleiner dan het Europese drempelbedrag van €5. 538. 000 excl. BTW , waardoor dit contract via een nationale procedure kan worden aanbesteed. Voor de hand ligt om vanwege eventuele latere aanpassing door verwachte variaties in de omvang van de school te overwegen om
ook gebouwonderhoud en -exploitatie bij dit consortium onder te brengen. Op die manier kunnen betrokken bouwpartners gezamenlijk sturen op de totale levenscycluskosten van het gebouw (TCO-benadering). Bij modulaire bouw zijn de volgende aspecten goed belegd: -
Voldoende ontwerpvrijheid;
-
Nb. Deze is minder groot dan bij traditioneel bouwen Hoge bereikbare gebouwkwaliteit (in relatie tot ENG , Frisse Scholen)
-
Flexibel: eenvoudig aanpasbaar , uit te breiden en zelfs verplaatsbaar; Kortere bouwtijd dan traditioneel bouwen;
43
-
-
Minder CO2-uitstoot tijdens de bouw , minder bouwafval; Circulariteit is haalbaar (losmaakbaarheid) Relatief hoge inzetbaarheid van non-virgin (hergebruikte) en biobased materialen haalbaar (tot ongeveer 50%); Niet duurder dan traditioneel bouwen; Restwaarde bij einde levensduur (tenminste de hergebruikswaarde van materialen);
Tegelijkertijd zijn zaken nog onduidelijk: Financiële consequenties op de langere termijn (Netto Contante Waarde); Regelgeving van gemeenten rondom administratieve voorwaarden; Risico’s door continuïteit van consortiumpartners , in geval ook onderhoud en exploitatie wordt ondergebracht bij het consortium; 08-7
Alternatief 2: Duurzaam door continuïteit
Naast de in de vorige paragraaf beschreven ontwikkeling naar standaardisatie via modulaire bouw is er een trend naar duurzaamheid en circulariteit door een keuze voor het realiseren van voorzieningen voor de langere termijn. Op diverse plekken worden gebouwen ontwikkeld , die in hun kern beogen om langjarig beschikbaar te blijven. Daarbij wordt gekozen voor duurzame kwaliteit en materiaalgebruik , die inzet op langjarig gebruik voor een periode van 70 jaar of langer. Voor de ontwikkeling van een moderne , flexibele en duurzame voorziening in het hart van
de gemeenschap kan worden gekozen voor de realisatie van een gebouw voor de langere termijn. Aan de basis ligt dan de continuïteit van het realiseren van een kernvoorziening voor onderwijs voor de langere termijn op grond van de observatie dat de leerlingenontwikkeling in Urmond ook een stabiel element heeft. Tegelijkertijd blijft de noodzaak om flexibel te kunnen inspelen op veranderende omstandigheden overeind. Schoolbestuur kan die verantwoordelijkheid niet alleen dragen maar moet daarin een zekere basis hebben in de samenwerking met gemeente en andere partners. Uitgangspunt voor een voorziening voor de langere termijn is dat een gebouw uit zes verschillende ‘lagen’ bestaat met elk een eigen levenscyclus. Per laag kan een “eigen” keuze worden gemaakt met betrekking tot de duurzaamheid. Dit worden de “Layers of Brand” genoemd. Doordachte keuzes van te gebruiken materialen en van detaillering kunnen ertoe leiden dat specifieke materialen met verschillende cycli steeds op de best mogelijke en duurzame manier worden aangewend in het gebouw. En waar materialen met een verschillende levensduur bij elkaar komen , dienen ze zo vormgegeven te worden , dat demontage en vervanging op een efficiënte wijze kan
44
gebeuren. Natte aansluitingen worden zoveel mogelijk voorkomen , evenals instorten van voorzieningen: kitten , lijmen en schuimen maken plaats voor schroef , klik- en boutverbindingen. Door deze wijze van bouwen wordt bevorderd dat belangrijke onderdelen van het gebouw
langjarig (boven de nu gebruikelijke afschrijvingstermijnen uit) kunnen worden gebruikt. Binnen deze lagen kan dan steeds worden gekozen voor materialen , die de geldende regelgeving rondom circulariteit en klimaatneutraliteit zo goed mogelijk dient. Ook in deze aanpak is het van belang om tot een bredere samenwerking te komen. Daarbij zijn naast de realisatie ook het inpassen van mogelijkheden voor toekomstige aanpassingen en flexibiliteit met betrekking tot de capaciteit van het gebouw relevant. Voor de hand ligt om vanwege eventuele latere aanpassing door verwachte variaties in de omvang van de school te overwegen om ook gebouwonderhoud en -exploitatie bij dit consortium onder te brengen. Op die manier kunnen betrokken bouwpartners gezamenlijk sturen op de totale levenscycluskosten van het gebouw (TCO-benadering). Bij deze vorm van bouw , zijn de volgende aspecten goed belegd: -
-
-
-
Voldoende ontwerpvrijheid; Hoge bereikbare gebouwkwaliteit (ook met betrekking tot duurzaamheidsvraagstukken) Flexibel: binnen de vaste duurzame constructie (-laag) is een goed aan de veranderende wensen aanpasbaar gebouw te realiseren. Nb. : Voor eventuele latere uitbreidingsvraagstukken en tijdelijkheid zal een andere vorm gekozen (moeten) worden; Optimale circulariteit door een mengvorm van materialen per laag; Relatief hoge inzetbaarheid van non-virgin (hergebruikte) en biobased materialen haalbaar (tot ongeveer 50%) , per laag af te stemmen op de doorlooptijd; In eerste aanleg duurder dan traditioneel bouwen met de kanttekening dat de jaarlijkse lasten lager (kunnen) liggen door de langere afschrijvingstermijn van de constructielaag; Restwaarde bij einde levensduur (tenminste de hergebruikswaarde van materialen);
Tegelijkertijd zijn zaken nog onduidelijk: Financiële consequenties op de langere termijn (Netto Contante Waarde); Regelgeving van gemeenten rondom administratieve voorwaarden; 08-8
Innovatieprogramma Onderwijshuisvesting
In 2024 heeft het Ministerie van OCW samen met PO-raad , VO-raad en de VNG vanuit het
Nationaal Groeifonds een investeringsbudget voor het Innovatieprogramma Onderwijshuisvesting toegewezen gekregen van bijna 500 miljoen euro. Doel van dit
45
programma is om
moderne schoolgebouwen te ontwikkelen die de volgende eigenschappen hebben: gezond binnenklimaat , flexibel , inclusief en klimaatneutraal. Intentie van het innovatieprogramma is dat via zogenaamde ‘leerlabs’ in drie verschillende thema’s , standaarden , werkwijzen en bouwtechnische oplossingen worden ontwikkeld op het gebied van onder andere functionaliteit , bouw- en installatieconcepten en processen. Eén focuspunt is het ontwikkelen van een standaard voor geüniformeerde , modulaire scholenbouwsystemen op basis van een parametrisch basisontwerp. Ook de keuze voor een meer gelaagde aanpak kan onderdeel zijn van de voorgestelde aanpak en kan subsidiabel zijn. De voorwaarden waar een project aan moet voldoen om in aanmerking te komen voor
deelname aan het programma , worden momenteel uitgewerkt en de regeling wordt nog in 2024 gepubliceerd. De precieze aanpak van de subsidieverstrekking is nog onderwerp van studie. Gedurende 2025 zal dit worden uitgewerkt in voortdurend gesprek door Ruimte OK met de sector (gemeenten en schoolbesturen). Wat wel al duidelijk is , is dat de leerlabs ontwikkelkracht en samenwerking moeten realiseren. Daarom wordt ervoor gekozen om aanvragen alleen in teamverband aan te pakken. In een leerlab moeten verschillende schoolbesturen en/of gemeenten betrokken zijn om de uitstralende werking van de verzamelde kennis te maximaliseren. Nb. : Één van de voorwaarden voor deelname is de technische staat van het gebouw. Hierbij wordt gekeken naar de NEN2767 en een conditiescore van 3 of slechter. Daarnaast moet het gebouw een Energielabel van C of slechter hebben.
46
09
Conclusie
en
advies
Gevraagd is een objectief oordeel ten aanzien van vijf mogelijke scenario’s. Deze betreffen de renovatie en uitbreiding van de bestaande school. Daarvan is in hoofdstuk 5 op grond van een quickscan van het gebouw en een financiële analyse op hoofdlijnen van de te nemen maatregelen vastgesteld dat dat geen verstandige maatregel is. Dat is een herbevestiging van de eerdere conclusie in het Integrale huisvestingsplan door ICS consultants. Daarna zijn de verschillende scenario’s voor vervangende nieuwbouw onderzocht om te komen tot een nieuw kindcentrum in Urmond. De locaties zijn objectief beoordeeld aan de hand van de toetsingscriteria , die bestuurlijk zijn vastgesteld en die zijn beschreven in hoofdstuk 2 van dit rapport. De beschrijvende analyses zijn te vinden in hoofdstuk 7. In bijlage 2 zijn de gedetailleerde scores opgenomen waarin kleurcodes de beoordelingen weergeven. In onderstaande tabel is het scoreblad in gecomprimeerde vorm weergegeven. Daarmee is in één oogopslag zichtbaar hoe de verschillende kansen en risico’s zich ten
opzichte van elkaar verhouden. School
Pleinscenario - nieuwbouw
Sportcomplex
Bramert Noord
Samenwerken in kindcentrum Toekomstbestendigheid Bijdrage aan leefbaarheid Ruimtelijke inpassing Ruimtelijk (omgeving) Financieel Duurzaamheid Risico’s Toelichting op de kleurcodes: Uitstekend; optimaal kansrijk Goed: positieve mogelijkheden en kansen zijn aanwezig Neutraal: geen/nauwelijks belemmeringen aanwezig/ risico geen of zeer gering Matig negatief: belemmeringen aanwezig van beperkende aard / risico matig Zeer negatief: belemmeringen aanwezig van zwaarwegende aard / risico hoog
09-1
Bevindingen
De onderzochte locaties bieden in ruimtelijk-technisch opzicht voldoende mogelijkheden om tot vervangende nieuwbouw te komen. Er zijn op voorhand geen factoren vastgesteld , die zondermeer een ‘no-go’ vormen. Er zijn wel evidente verschillen tussen de scenario’s. Hierna zijn deze uitgewerkt tot een advies.
47
Bramert Noord Deze locatie ligt dicht bij de kern Berg en heeft mogelijk impact op de leerlingenaantallen en de continuïteit van kindcentrum De Avonturijn. De realisatie is procedureel en inhoudelijk verbonden met de invulling van het gebiedsplan en de haalbaarheid hiervan is onzeker: het moment waarop het ter hand wordt genomen kan nog jaren duren. De planvorming , die de ruimte voor de school definieert en de bereikbaarheid regelt zal tijd in beslag nemen. Mocht de wijk uiteindelijk niet worden gerealiseerd dan ontstaat een IKC als stand-alone locatie aan de rand van het dorp en dat is een onwenselijke situatie. Tenslotte is ook de onzekerheid met betrekking tot de contouren van Chemelot een risicofactor. Advies RO groep: Een keuze voor deze locatie is af te raden omdat (1) de locatie slechts beperkte maatschappelijke toegevoegde waarde heeft en (2) er sprake is van een hoog risicoprofiel is door de aanwezigheid van Chemelot. Sportcomplex De locatie bij de sportvelden scoort op de meeste inhoudelijke onderdelen goed tot uitstekend: ze biedt goede kansen voor samenwerking en deze ontwikkeling kan de leefbaarheid en toekomstbestendigheid van voorzieningen vergroten. Er zijn ruimtelijk kansen , het terrein is goed bereikbaar en er kan een goede aansluiting bij de dorpskern tot stand worden gebracht. Financieel voordelig is dat tijdelijke huisvesting kan worden voorkomen.
De locatie is in gemeentelijk eigendom en (gemeentelijke) planprocedures worden als weinig risicovol ingeschat en er is voldoende ruimte voor flexibiliteit bij toekomstige ontwikkelingen of ruimtelijke aanvullingen. Tegelijkertijd geeft de Omgevingsdienst Zuid-Limburg in berekeningen en eerste analyses aan dat de nabijheid van Chemelot en de A2 een hoge geluidsbelasting veroorzaakt. Omdat het een onderwijsfunctie betreft is ook de externe veiligheid een aandachtpunt. De maatschappelijke consequenties vragen een goede evaluatie door gemeente en schoolbestuur. Aanvullend aandachtpunt is dat realisatie op deze locatie niet alleen door gemeentebestuur aan lokale regelgeving zal worden getoetst. Ook externe partijen zullen de ontwikkeling beoordelen en die zullen aanvullend kijken naar de mogelijke consequenties voor de continuïteit voor Chemelot. Pleinscenario Dit scenario heeft grote maatschappelijke waarde. Het past binnen en kan zelfs een centraal element worden in de Transformatie-agenda voor Urmond. Het zou leiden tot de gewenste centrale verbindende maatschappelijke voorziening , die bijdraagt aan de gemeenschapsontwikkeling. Een kindcentrum op deze locatie krijgt inbedding op een relevante plek en kan profiteren van functies en activiteiten in de nabijheid. Op inhoudelijk en stedenbouwkundig vlak liggen er grote kansen voor een aansluiting bij de woningbouwopgave.
Het pleinscenario heeft als nadeel dat realisatie complex is en veel (bestuurlijke) aandacht , toewijding en continuïteit vraagt. De opgave kent veel spelers met verschillende maatschappelijke , economische en financiële belangen. De belangrijke partijen werken al samen in de transformatieopgave van het gebied. Met name de woningstichting moet rekening houden met de positie van haar (soms kwetsbare) bewoners. Keuze voor dit
48
scenario leidt daardoor mogelijk tot (1) een opgave voor de langere termijn , waarbij (2) ook risico’s aan de orde zijn.
Huidige schoollocatie Dit is een geschikte plek voor vervangende nieuwbouw. Er is al sprake van een passende eigendomssituatie en bestemming. De locatie scoort in brede zin goed , zonder echte uitschieters naar boven of beneden. De locatie is bekend en kent weinig risico’s. Tegelijkertijd biedt de plek weinig toegevoegde waarde voor de leefbaarheid van de gemeenschap als geheel: het betreft een solitaire ontwikkeling zonder echte verbinding met de dorpskern. De latere of gelijktijdige toevoeging van een nieuwe sportzaal op deze plek is niet inpasbaar. Bijkomend aandachtpunt en belangrijk verschilmakend element is dat het noodzakelijk is dat gedurende de sloop- en bouwfase voor de school tijdelijke huisvesting moet worden gerealiseerd. Dat zal de bijkomende kosten aanzienlijk verhogen. 09-2
Advies locatie
Voor de hand ligt dat partners een keuze maken tussen drie scenario’s: de sportvelden , het pleinscenario en vervangende nieuwbouw op de huidige locatie. De afwegingen daarbij zijn van een zeer verschillende orde. Daarbij is aan te tekenen dat de exacte consequenties nog niet gedetailleerd in beeld zijn gebracht. Dit viel buiten de scoop van de locatiestudie. Onder andere de volgende aandachtpunten zijn nog te adresseren: De doorlooptijd van de planontwikkeling van zowel het pleinscenario , de sportvelden als
-
-
-
-
de huidige locatie kunnen substantieel van elkaar verschillen en dus ook de daaraan gerelateerde realisatietermijn van de nieuwe school. Daarbij lijkt ook nog optimalisatie binnen de verschillende scenario’s mogelijk. De wenselijkheid van het toevoegen van een sportzaal; De (financiële en bestuurlijke) ruimte voor en wenselijkheid van aanvullende voorzieningen in het pleinscenario , zoals benoemd in voorliggende rapportage; Bestuurlijk commitment om de school in het pleinscenario te realiseren en met voorrang aan te pakken; De (financiële) inspanning om gedurende de realisatietijd van het pleinscenario de andere school in stand te houden (sterk afhankelijk van de uiteindelijke realisatietermijn); De beschikbaarheid van locaties voor tijdelijke huisvesting van de school gedurende de realisatiefase en de kosten , die daarmee zijn gemoeid;
Aanpak: Het ligt voor de hand ligt om voor de overgebleven scenario’s in hun samenhang snel en voortvarend aanvullend onderzoek te doen naar de nog onbekende aspecten , zodat een goed zicht ontstaan op de consequenties. Dat moet nog in dit voorjaar leiden tot een definitieve locatiekeuze. Besliskader: Ingebruikname IKC De Maaskei in zomervakantie 2029 Voor het vervolgonderzoek moet de realisatietermijn een bepalende factor zijn. Gemeente (-raad) , schoolbestuur en kindpartner hebben samen besloten dat het wenselijk is om het IHP-traject voor OBS De Maaskei te vervroegen om antwoord te bieden op de kwaliteits- en capaciteitsissues van de school. Daarom is het belangrijk om bij het vervolgonderzoek in de
49
aanpak ingebruikname in de zomer van 2029 als meetpunt te hanteren. Als deze termijn substantieel overschreden wordt , dan valt een scenario af. 09-3
Advies aanbesteding
In hoofdstuk 8 is beschreven op welke wijze de realisatie van de school op een moderne wijze kan worden aangepakt en welke consequenties dit heeft. Gekeken is naar de wenselijkheid om in Urmond een flexibel , duurzaam gebouw in te richten dat meer dan in het verleden (en de wet) over tijd een gedeelde verantwoordelijkheid is van gemeente ,
schoolbestuur en eventuele andere maatschappelijke partners samen. Het ligt vanuit het concept voor de hand dat gemeente en schoolbestuur in exploitatie en instandhouding de belangen delen. Daarbij kunnen de principes van total cost of ownership (TCO) zoals beschreven in paragraaf 8. 5 waardevol zijn. Daarbij past de principekeuze om voor IKC De Maaskei in Urmond niet te werken volgens een traditionele aanbestedingsstructuur. Gemeente en schoolbestuur hebben er eerder over gesproken om te realiseren volgens de beginselen van “modulair bouwen”. Deze werkwijze heeft voordelen ten opzichte van traditionele bouw in de realisatietermijn en de belasting (daardoor) voor de omgeving. Door toepassing van standaardisatie kan het gebouw bij wijzigende omstandigheden snel worden aangepast , vergroot , verkleind of zelfs verplaatst. Door de mogelijkheid van hergebruik van delen van het gebouw voldoet deze werkwijze aan de hoogste duurzaamheidseisen. Tegelijkertijd is een trend in scholenbouw om in tegenstelling tot de (meer) op flexibiliteit , vervangbaarheid en hergebruik van bouwcompartimenten gerichte aanpak van modulair bouwen juist te kiezen voor een voorziening voor de langere termijn (exploitatietermijn van 70 jaar of meer). Daarbij wordt gekozen voor realisatie van een hoogwaardig gebouw dat in zijn fundament voldoende kwaliteit heeft.
Alle onderdelen in het gebouw staan los van dit fundamentele deel en kunnen snel , eenvoudig en tegen relatief lage kosten worden vervangen , aangepast en gemoderniseerd met als doel om steeds een modern en passend gebouw te hebben. Ook deze aanpak voldoet aan de hoogste duurzaamheidseisen. Vaststelling Een keuze om voor IKC De Maaskei te kiezen voor een moderne aanpak voor aanbesteding en realisatie betekent dat er een afwijkende structuur ontstaat , waarbij veel nog onbekend is , zowel bij lokale partners als bij potentiële bouwpartners. Ook in regelgeving (technisch , juridisch , financieel-administratief) zijn veel aspecten nog te onderzoeken.
Daarom heeft het rijk een innovatieprogramma in voorbereiding , dat als doel heeft om samen met gemeenten en schoolbesturen in de praktijk de belangrijke openstaande vragen te beantwoorden , die ook voor De Maaskei aan de orde zijn: Welke praktische mogelijkheden zijn er of kunnen ontstaan om de financiële consequenties van een op TCO gebaseerde werkwijze in de administratie van de verschillende partijen te verwerken; Op welke wijze kunnen partijen op lange termijn blijven verbinden aan eerder gemaakte afspraken en hoe kunnen risico’s in kaart worden gebracht en in overeenkomsten worden verwerkt; Welke mogelijkheden zijn er om , over de grenzen van de wettelijke beperkingen heen , financiële bijdragen te leveren (vanuit schoolbestuur in de investering en vanuit
50
gemeente in de instandhouding) om recht te blijven doen aan een op TCO gerichte aanpak; Advies: Het ligt voor de hand ligt om , toegespitst op de te kiezen locatie , snel en voortvarend aanvullend onderzoek te doen naar de nog onbekende aspecten in de meer moderne wijze van scholenrealisatie. Daarbij ligt het voor de hand om waar mogelijk coördinatie te zoeken met het innovatieprogramma en het programmabureau van Ruimte OK. Intentie moet zijn om parallel aan de definitieve locatiekeuze ook een gespecificeerde (per locatie) aanbestedingsbeslissing te kunnen nemen , waarbij bij voorkeur in het innovatieprogramma geparticipeerd wordt , als dat in besluitvormingstermijnen mogelijk blijkt. Nb. : Te verwachten is dat in het innovatieprogramma ook vervolgtranches aan de orde zullen zijn. In ieder geval is het mogelijk om mee te liften in de kennis , die in de leerlabs worden ontwikkeld. 09-4
Inspraak van omwonenden
Het slagen van de verschillende scenario’s en de te realiseren realisatietermijn is mede afhankelijk van draagvlak. In de nieuwe regelgeving van het omgevingsplan is het betrekken van omwonenden ook formeel , in de wet vastgelegd onderdeel van het proces. Ook gemeentelijk , door de raad vastgesteld , participatiebeleid legt inspraakmogelijkheden dwingend vast. Het is belangrijk om omwonenden en belanghebbenden in een zo vroeg mogelijk stadium bij de planvorming te betrekken. Daarbij zijn de trajecten complex. Vooral het pleinscenario vraagt samenwerking met veel verschillende partners , ook buiten de primaire kring van het IKC. Het is belangrijk dat deze partijen al vroeg in het proces betrokken worden en daarvoor kan een intentieovereenkomst met alle betrokken partijen een goed instrument zijn.
51
Bijlage 1 Ruimteprogramma Het globaal ruimtelijk Programma van Eisen is samengesteld op basis van (wettelijke) normen en eisen , zoals de VNG-modelverordening onderwijshuisvesting , het kwaliteitskader kinderopvang en CROW-richtlijnen. 1. Ruimtebehoefte onderwijs Aantal leerlingen Basisschool permanent Basisschool tijdelijk
204 27
Ruimtebehoefte in m 2 bvo (genormeerd) 1. 226 136
Specificatie
Normatief (200+ 503 x ll. , Normatief 503 , x ll.
2. Ruimtebehoefte opvang POV en KDV elk 1 groepsruimte à 70 m 2 bvo (35, m 2 per kind nvo) met nevenruimten zoals slaapkamers en sanitair. Voor de BSO wordt uitgegaan van volledig medegebruik van ruimten voor onderwijs of POV. Facilitaire ruimten eveneens zo veel mogelijk in gedeeld gebruik met onderwijs. Volgens opgave MIK Spelenderwijs.
Basisvariant Soort opvang POV
Aantal kindplaatsen 16
Ruimtebehoefte in m 2 bvo 90
Specificatie
BSO
22-24
-
O. b. v. aannames 2 (1 groepsruimte 35, m/kind) Volledig medegebruik
Facilitair
10
Grotendeels medegebruik
TOTAAL
100
Varianten met aanvullend KDV Soort opvang KDV 1 groep KDV 2 groepen KDV 3 groepen
Aantal kindplaatsen
Ruimtebehoefte in m 2 bvo
16
104
32
218
48
319
Specificatie Optioneel , o. b. v. . aannames 2 (1 groepsruimte 35, m/kind) Optioneel , ov. aannames 2 (1 groepsruimte 35, m/kind) Optioneel , o. b. v. . aannames 2 (1 groepsruimte 35, m/kind)
52
3. Ruimtebehoefte terrein Terrein Speelterrein onderwijs verhard Speelterrein onverhard Berging en container Speelterrein POV Speelterrein KDV Speelterrein BSO in medegebruik Subtotaal speelterrein
Oppervlakte m 2 600 460 25 48 144
Aantal 200-400 ll. 230 ll. 16 kp. 48 kp. -
-
1. 277
4. Ruimtebehoefte parkeren
Uitgangspunt: gemeente Stein , omgevingsadressendichtheid 500 per km 2 , weinig stedelijk. Volgens CROW normen. Auto- en fietsparkeren: Onderwijs (230 ll / 9 gr) POV/KDV (419 m2 ) SUBTOTAAL AUTOPARKEREN Fietsparkeren leerlingen (230 ll) Fietsparkeren personeel onderwijs en opvang (230 ll + 64 kp) SUBTOTAAL FIETSPARKEREN TOTAAL
Kencijfers CROW 08, parkeerplaats per groep 1 pp. per 100 m² bvo 43, plek per 10 leerlingen 04, plek per 10 kinderen
Behoefte in aantal 7
Oppervlakte 25 m²
Ruimtebehoefte 175 m²
4
25 m²
11 99 12
08, m² 08, m²
100 m² 275 m² 80 m² 10 m²
90 m² 365 m 2
111
Kiss & ride:
Aantal kinderen groep 1 t/m 3 Aantal kinderen groep 4 t/m 8 Aantal kinderen pov en kdv TOTAAL
% met auto
Factor parkeerduur
Aant. parkeerplekken
Ruimtebehoefte
05,
Reductiefactor aant. kinderen / auto 075 ,
86
40
13
325 m²
144
30
025 ,
085 ,
9
225 m²
64
50
025 ,
075 ,
6
150m²
28
700 m²
5. Ruimteprogramma kindcentrum Het globale ruimteprogramma is inzichtelijk gemaakt. Het gaat om minimale (genormeerde) afmetingen. Er is geen rekening gehouden met toevoeging van andere functies of extra (multifunctionele) ruimten aan het kindcentrum. Voor kinderopvang is uitgegaan van maximaal gewenst aanbod. Voor de BSO is het uitgangspunt dat dit waar mogelijk in medegebruik van ruimten in de school plaatsvindt. Voor peuteropvang is gerekend met gedeeld gebruik van bv. sanitair in de school. Synergievoordelen zijn in de PvE-fase te
onderzoeken.
53
6. Samenvatting ruimtevraag Functie Kindcentrum footprint Buitenterrein spelen en fietsenstalling Parkeren plus Kiss and Ride Sportzaal (optioneel)
Oppervlakte/footprint m 2 bvo 950 1. 277 1. 065 1. 040
TOTAAL m 2 cumulatief 2. 227 3. 292 4. 332
54
Bijlage 2
Scoreblad afwegingskader
55