Bestemmingsplan BTL.pdf
Tekst van het document
Voor beide niveaus geldt dat de (middel)hoge archeologische verwachting voor (vooralsnog) alle perioden en alle complextypen dient te worden gehandhaafd. Daarnaast kan de aanwezigheid van jongere (post-Romeinse) off-site grondsporen en resten in het jongere colluvium niet worden uitgesloten; hiervoor geldt een middelhoge verwachting. Naar aanleiding van het archeologisch onderzoek wordt aanbevolen om binnen het plangebied een proefsleuvenonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid en behoudenswaardigheid van archeologische resten indien de toekomstige graafwerkzaamheden binnen het westelijke deel van het plangebied dieper gaan dan het ophogingspakket c.q. beneden het niveau van 68,2 m +NAP. Voor het oostelijke deel van het plangebied wordt een proefsleuvenonderzoek aanbevolen indien de toekomstige graafwerkzaamheden tot in de laag met oud colluvium reiken, i.c. tot beneden het niveau van 66,0 m +NAP worden uitgevoerd. Door middel van een selectieadvieskaart is aangegeven binnen welke delen van het plangebied een proefsleuvenonderzoek nodig is, indien de verstoringsdiepte van het bouwplan dieper reikt dan 68.2 resp. 66.0 meter boven NAP. De noodzaak voor een proefsleuvenonderzoek is afhankelijk van de wijze van funderen van het bouwplan alsook de kabel- en leidingstroken. Dit dient nog nader te worden uitgewerkt.
Op basis van de Erfgoedwet geldt echter de verplichting dat, indien tijdens toekomstige graafwerkzaamheden desondanks archeologische materialen en/of sporen aangetroffen worden aangetroffen, deze per direct gemeld dienen te worden bij de gemeente Stein.
5.2
Kabels en leidingen Door het plangebied lopen geen boven- en/of ondergrondse leidingen. Er is op dat gebied derhalve geen sprake van bijbehorende (planologische) beschermingszones en/of belangen van derden op dit punt. De aanwezigheid van kabels en leidingen met betrekking tot de nutsvoorzieningen in de omgeving is evident. Bij het nader uitwerken van de aansluitingen, dient met de verschillende
Bestemmingsplan Woningbouw locatie BTL Elsloo Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
26 Sjabloonversie feb. 2021
M217388.002/PSO
netwerkbeheerders contact te worden opgenomen.
5.3
Verkeer en parkeren Met betrekking tot onderhavige planontwikkeling dienen de (eventuele) gevolgen voor de verkeersstructuur alsmede het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt.
5.3.1
Verkeersstructuur Het plangebied is ontsloten via de Stationsstraat te Elsloo. Dit betreft een erftoegangsweg met een snelheidsregime van 30 km per uur. De beoogde planontwikkeling heeft betrekking op het realiseren van 12 nultredenwoningen. De verwachte verkeersgeneratie van een ontwikkeling kan worden bepaald met behulp van de kengetallen van het CROW (Kennisplatform voor infrastructuur, openbare ruimte, verkeer en vervoer). Ingevolge de kencijfers van CROW kan het woonmilieutype van Elsloo worden aangeduid als 'centrum-dorps' (woonplaats met minder dan 10.000 huishoudens en minder dan 75% groen oppervlak). Hiervoor geldt een verkeersproductie van 5,8 voertuigbewegingen per woning per etmaal, hetgeen voor onderhavig planvoornemen een verkeersproductie van circa 70 voertuigbewegingen per etmaal oplevert. De Stationsstraat is recent gereconstrueerd en kan deze extra verkeersgeneratie probleemloos afwikkelen.
5.3.2
Parkeren Voor wat betreft het parkeren beschikt de gemeente Stein over een eigen 'Nota Parkeerbeleid Gemeente Stein'. De gemeente valt volgens dit beleid onder de categorie 'weinig stedelijk'. Bij het vaststellen van de parkeernormen is aansluiting gezocht bij de landelijke cijfers. De volgende parkeernormen zijn relevant.
Tabel met parkeernormen voor nieuwe woningen uit de Nota Parkeerbeleid Gemeente Stein
Met onderhavig planvoornemen worden 12 woningen gerealiseerd, met een middenhuurprijsniveau of een gemiddelde koopprijs. Dit betekent dat ingevolge het parkeerbeleid van de gemeente Stein een parkeernorm van 1,6 voertuig per woning wordt gehanteerd. Voor de realisatie van 12 woningen dienen dan ook minimaal 20 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Het planvoornemen voorziet in 15 parkeerplaatsen in de openbare ruimte en 10 parkeergelegenheden
Bestemmingsplan Woningbouw locatie BTL Elsloo Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
27 Sjabloonversie feb. 2021
M217388.002/PSO
bij woningen, in de vorm van een oprit of garage. Het planvoornemen voldoet daarmee ruimschoots aan de parkeernormen uit de 'Nota Parkeerbeleid Gemeente Stein'. De gemeente Stein faciliteert waar mogelijk elektrisch rijden en laadpunten binnen het openbaar gebied. Omdat het realiseren van een laadpunt voor een elektrische auto vergunningvrij is op basis van artikel 2 lid 18 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, zijn in voorliggend bestemmingsplan geen specifieke planregels opgenomen om dit te reguleren.
5.4
Waterhuishouding
5.4.1
Nationaal Waterplan 2016-2021 In het Nationaal Waterplan 2016-2021 zijn de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid beschreven. Met dit Nationaal Waterplan voldoet Nederland aan de Europese eisen die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingsrisico`s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS).
5.4.2
Provinciaal beleid De provincie Limburg kent als uitgangspunt dat verdroging zo veel mogelijk moet worden tegengegaan en dat de waterkwaliteit, met het oog op een duurzaam gebruik in de toekomst, erg belangrijk is. Verder sluit de provincie aan bij het beleid van de Vierde Nota Waterhuishouding om infiltratie van water in de bodem te bevorderen en water meer terug te brengen in stedelijk gebied. Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Ook hier speelt verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van (specifiek) ecologische functies stelt het Waterschap onder andere dat, ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (daar waar dat mogelijk is) verhoogd moeten worden door peilbeheer. Ook dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en plassen toegekende functies, afgestemd te worden. Naast die ecologische functie dienen er ook mensgerichte hoofdfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater ingepast te worden. Tevens dient er plaats te zijn voor mensgerichte nevenfuncties.
5.4.3
Watertoets Waterschap Limburg Vanaf 1 november 2003 zijn de overheden wettelijk verplicht om alle ruimtelijke plannen, die van invloed zijn op de waterhuishouding, voor advies voor te leggen aan de waterbeheerders. De Limburgse waterbeheerders hebben afgesproken om alle aanvragen in het hun betreffende gebied af te handelen via één loket: het zogenaamde watertoetsloket. Het loket is ondergebracht bij het Waterschap Limburg.
5.4.4
Afvalwater en hemelwater Op welke wijze wordt omgegaan met het afval- en hemelwater binnen het onderhavige plangebied wordt hierna uiteengezet. Afvalwater Het afvalwater als gevolg van onderhavige planontwikkeling zal worden geloosd op de gemeentelijke
Bestemmingsplan Woningbouw locatie BTL Elsloo Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
28 Sjabloonversie feb. 2021
M217388.002/PSO
riolering van de gemeente Stein. Tijdens de reconstructie van de Stationsstraat is een nieuw gescheiden rioolstelsel aangelegd met ruim voldoende capaciteit om het vuilwater van de beoogde planontwikkeling op aan te sluiten. Gezien het hoogteverloop van het terrein zal dit via een pomp en persleiding worden uitgevoerd. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het afvoeren van afvalwater (vuilwater) via de gemeentelijke riolering vereist en daarmee tevens de beste optie. Hemelwater van onverhard en semi-verhard terrein Het hemelwater dat valt op de onverharde en semi-verharde terreindelen binnen het plangebied zal, zo nodig na beperkte oppervlakkige afstroming, rechtstreeks infiltreren in de bodem. Hemelwater (dak)verhardingen Het hemelwater dat valt op de nieuwe (dak)verharding zal worden opgevangen en oppervlakkig worden afgevoerd, hetzij via aanwezige paden hetzij via goten, naar een te realiseren hemelwatervoorziening. Deze is beoogd ter plekke van de centrale groenvoorziening in de openbare ruimte. Capaciteit hemelwatervoorziening Het streven is om bij nieuwbouw 100% van het verharde oppervlak af te koppelen.
Om te beoordelen hoe groot de te realiseren hemelwatervoorziening moet zijn, dient op basis van de nieuwe Keur van het Waterschap Limburg per 1 april 2019 een te realiseren hemelwatervoorziening te worden gedimensioneerd op een extreme bui van met een neerslaghoeveelheid van 80 millimeter in 2 uur, met een noodoverlaat en een ledigingstijd van maximaal 24 uur. Om de capaciteit van de beoogde hemelwatervoorziening te kunnen berekenen, dient te worden uitgegaan van het te bebouwen oppervlak. Op basis van de situatietekening van het beoogd bouwplan, bedraagt de oppervlakte van de beoogde woonbebouwing circa 1.250 m². tevens is circa 1.050 m² aan openbare verharding beoogd, in de vorm van de ontsluitingsweg en parkeerplaatsen. De oppervlakte aan (dak)verharding van de beoogde woningen kan rechtstreeks worden aangesloten op een hemelwatervoorziening. In de hemelwatervoorziening wordt alleen schoon hemelwater opgevangen, waaraan geen verontreinigende stoffen zijn toegevoegd. Uitloging bij infiltratie wordt voorkomen door het gebruik van niet-uitlogende materialen in de bouw toe te passen. Gelet op de ‘Voorkeurstabel afkoppelen’ wordt geadviseerd een bodemfilter toe te passen, zodat de kwaliteit van de bodem maximaal wordt beschermd tegen verontreiniging.
Het bovengronds of ondergronds infiltreren van hemelwater met toepassing van een bodemfilter betreft een acceptabele wijze van afkoppelen. Zie de tabel op de volgende pagina.
Bestemmingsplan Woningbouw locatie BTL Elsloo Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
29 Sjabloonversie feb. 2021
M217388.002/PSO
De oppervlakte aan verharding van de toegangsweg en parkeerplaatsen kan niet rechtstreeks op een infiltratievoorziening worden aangesloten, omdat het risico bestaat dat deze oppervlaktes licht verontreinigd zijn met bijvoorbeeld zware metalen, rubberdeeltjes en olie. Met name na langere periodes van droogte kan dit zich voordoen. Vandaar dat wordt voorgesteld het hemelwater te filteren. Dit kan bijvoorbeeld met een ondergronds filter in de leidingen naar de hemelwatervoorziening. De filter heeft één toekomende leiding waarop meerdere regenwaterafvoerleidingen kunnen worden aangesloten, en twee afvoerende leidingen. Eén leiding leidt gefilterd water naar de infiltratievoorziening, een andere leiding voert het vuil, samen met een deel van het regenwater, naar het vuilwaterriool. De verharde oppervlakte binnen het plangebied bedraagt maximaal (1.415m² bouwvlakken) + (900 m² bijbehorende bouwwerken en oprit/terrasverharding) + (982 m² asfaltverharding) = 3.297 m². Uitgaande van een verharde oppervlakte van in totaal 3.300 m², impliceert dit een hoeveelheid te bufferen en af te voeren hemelwater van (3.300 x 80 =) 264,0 m³. Voor de civieltechnische uitwerking van de hemelwatervoorziening is inzicht in de infiltratiecapaciteit van de bodem vereist. Vandaar dat Aelmans Eco BV een infiltratieonderzoek heeft uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 8.
Uit het onderzoek blijkt dat infiltratie van neerslagwater slechts beperkt tot de mogelijkheden. De doorlatendheid van de ondiepe ondergrond, ter hoogte van boorpunt IP01, is voldoende en dat amper. Het infiltreren zou aldaar direct in de ondiepe ondergrond (beneden circa maaiveld -2,5 meter) moeten kunnen plaatsvinden. Een gereguleerde voeding / afvloeiing middels bijvoorbeeld een wadi en / of grindkoffers in combinatie met grindpalen (tot beneden maaiveld min 10 meter) is echter zeer aanbevelenswaardig en kan dan ook ter hoogte van boorpunt IP02 toepassing vinden. De diepte van 10 meter beneden maaiveld is gebaseerd op het representatief profiel uit de Basisregistratie ondergrond. Bij de civieltechnische uitwerking van de hemelwatervoorziening dient hier rekening mee te worden gehouden. Centraal in het plangebied is voldoende ruimte om de infiltratievoorziening te realiseren. Dit kan zowel binnen de bestemming ‘Groen’ als onder de te realiseren infrastructuur plaatsvinden. Voorkomen van wateroverlast Door bij het bepalen van het bouwpeil en afschot hiermee rekening te houden, wordt voorkomen dat water in de te realiseren gebouwen kan vloeien. De hemelwatervoorziening wordt gedimensioneerd op de laatste inzichten van de waterbeheerders en krijgt een noodoverlaat naar het hemelwaterriool van de Stationsstraat. Wateroverlast voor derden wordt dan ook zo veel als
Bestemmingsplan Woningbouw locatie BTL Elsloo Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
30 Sjabloonversie feb. 2021
M217388.002/PSO
mogelijk voorkomen. 5.4.5
Conclusie Gelet op het vorenstaande vormt het aspect waterhuishouding geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.
5.5
Flora en fauna
5.5.1
Algemeen Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In deze wet zijn de onderdelen uit de Europese Habitatrichtlijn en onder meer de Vogelrichtlijn, die de bescherming van soorten betreft, geïmplementeerd. De wet biedt ook het kader voor de bescherming van inheemse dier- en plantensoorten die geen bescherming genieten op grond van de Habitatrichtlijn. Er gelden een aantal verboden ter bescherming van beschermde dier- en plantensoorten. Artikel 1.11 Wet natuurbescherming voorziet in een algemene verplichting voor een ieder om voldoende zorg te dragen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.
5.5.2
Gebiedsbescherming Natura2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Natura2000 gebieden worden bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd door de biodiversiteit te behouden. Natura2000 gebieden worden beschermd door de ‘Wet Natuurbescherming’. Het meest nabijgelegen Natura2000-gebied is het Bunder- en Elslooërbos. Dit beschermde natuurgebied bevindt zich op een afstand van circa 530 meter van het plangebied. Gezien de relatief korte afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het niet uit te sluiten dat negatieve effecten ontstaan op Natura 2000-gebieden als gevolg van de voorgenomen plannen. Echter kunnen de gevolgen van deze effecten verwaarloosbaar geacht worden vanwege de ligging van het plangebied binnen de bebouwde kom. Gezien de korte afstand tot het Natura 2000-gebied dient een AERIUS-berekening voor de gebruiksfase gemaakt te worden om negatieve effecten op Natura 2000gebieden door stikstofdepositie als gevolg van de voorgenomen plannen uit te sluiten. De Aeriuscalculatie is uitgevoerd door Aelmans ROM BV. De berekening en verantwoording zijn bijgevoegd in Bijlage 9.
De voorgenomen plannen hebben door de afstand tot het dichtstbijzijnde Natuur Netwerk Nederland (NNN-gebied, Goudgroene natuurzone) en de ligging van het plangebied binnen de bebouwde kom geen (significant) negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuur Netwerk Nederland.
Bestemmingsplan Woningbouw locatie BTL Elsloo Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
31 Sjabloonversie feb. 2021
M217388.002/PSO
5.5.3
Verricht onderzoek Gelet op de algemene zorgplicht van de Wet natuurbescherming is door ecologisch adviesbureau Staro een quickscan flora en fauna verricht. De rapportage van de quickscan is bijgevoegd in bijlage 10. Uit de quickscan blijkt het volgende: Beschermde soorten In het plangebied komen mogelijk verschillende soorten voor die zijn beschermd onder paragrafen 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. Het is uit te sluiten dat in het plangebied beschermde flora, vlinders, libellen, kevers, weekdieren, vissen en reptielen voorkomen. Wel geldt voor alle aanwezige soorten in het plangebied de algemene zorgplicht. Soorten van paragraaf 3.1 van de Wet natuurbescherming Bij het snoeien of kappen van bomen en struiken en bij het slopen van de open gebouwtjes kunnen vogelnesten worden vernietigd en broedende vogels worden verstoord. Gedurende het broedseizoen zijn nesten strikt beschermd. Het snoeien of kappen van bomen en struiken (indien nodig) en het slopen van de gebouwen dient daarom uitgevoerd te worden wanneer geen broedgeval aanwezig is. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot en met juli. In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen echter geen standaardperiode gehanteerd.
De voorgenomen werkzaamheden hebben geen (significant) negatief effect op het foerageergebied van algemene vogelsoorten, doordat voldoende alternatief foerageergebied aanwezig is in de omgeving. Soorten van paragraaf 3.2 van de Wet natuurbescherming Door tijdens de voorgenomen werkzaamheden (eventuele) zandhopen af te dekken en geen ondiepe waterplassen in het terrein te laten liggen, wordt voorkomen dat geschikt land- en overwinteringsbiotoop voor rugstreeppad ontstaat en worden negatieve effecten op rugstreeppad en knelpunten met de Wet natuurbescherming voorkomen. Soorten van paragraaf 3.3 van de Wet natuurbescherming Bij de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied kunnen verblijfplaatsen van algemene spits-, woel- en ware muizensoorten en egel worden vernietigd. Voor algemene spits-, woel- en ware muizensoorten en egel geldt in provincie Limburg een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Voor het verstoren van deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel geldt altijd de Algemene zorgplicht. Om het verwonden van dieren te voorkomen kan bij het verwijderen van de vegetatie één kant op worden gewerkt, zodat aanwezige dieren kunnen vluchten.
5.5.4
Conclusie flora en fauna Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen plannen niet leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming, mits: 1. kap-, rooi- of snoeiwerkzaamheden van bomen en struiken worden uitgevoerd tussen augustus en half maart. Zo wordt rekening gehouden met de broedperiode van vogels; 2. voorkomen wordt dat geschikt land- en overwinteringshabitat voor rugstreeppad ontstaat door zandhopen af te dekken en geen ondiepe waterplassen te laten liggen;
Bestemmingsplan Woningbouw locatie BTL Elsloo Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
32 Sjabloonversie feb. 2021
M217388.002/PSO
3. bij het verwijderen van vegetatie in één richting wordt gewerkt zodat aanwezige dieren kunnen vluchten om zo het verwonden van algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren te voorkomen.
5.6
Duurzaamheid Duurzame stedenbouw verbreedt de aandacht naar meer aspecten dan alleen de verkaveling en ontsluiting. Duurzaamheid gaat ook om een zuinig ruimtegebruik, milieuvriendelijkheid, veilig verkeer en vervoer en natuur en rekening houden met het waterhuishoudingsysteem, omgevingsinvloeden, landschapsstructuren en landschapselementen. Dit betekent in de praktijk dat gelet moet worden op het materiaalgebruik, de vormgeving, gebruik van alternatieve energiebronnen, compact bouwen, intensief ruimtegebruik en flexibel bouwen (levensloopbestendig). Duurzaam bouwen heeft een volwaardige plaats in het ontwerp, het bouwen en beheren van de bebouwing. Tijdens de bouw kan door zuinig om te gaan met bouwmaterialen worden voorkomen dat er onnodig afval ontstaat. In onderhavig plan zijn met name de bouwkundige aspecten van belang. Deze zullen verder worden uitgewerkt in de aanvraag van de omgevingsvergunning/bouwvergunning. Voor het aspect duurzaamheid is relevant dat de beoogde woningen moeten voldoen aan de BENG-normen: nieuwe regelgeving die moet zorgen voor Bijna EnergieNeutrale Gebouwen. Deze strenge normen zorgen dat via nieuwbouw een verduurzaming van het woningaanbod wordt gerealiseerd.
Bestemmingsplan Woningbouw locatie BTL Elsloo Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
33 Sjabloonversie feb. 2021
M217388.002/PSO
6
Uitvoerbaarheid De uitvoerbaarheid van de planontwikkeling dient in relatie tot de gemeentelijke financiën te zijn gewaarborgd. Daarbij dient ook te worden onderzocht of en in hoeverre de voorgenomen afwijkingen ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan aanleiding kunnen geven tot aanspraken om planschade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening.
6.1
Grondexploitatie
6.1.1
Algemeen Afdeling 6.2 van de Wet ruimtelijke ordening draagt de titel ‘Grondexploitatie’. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de mogelijkheden voor gemeenten (en ook provincie en Rijk indien deze als planwetgever optreden) om langs publiekrechtelijke weg eisen te stellen aan het in exploitatie brengen van gronden. Het gaat dan onder andere om eisen op het gebied van kostenverhaal, sociale woningbouw, particulier opdrachtgeverschap en fasering van de invulling van den openbare ruimte. Ook zijn in afdeling 6.2 Wro twee bepalingen opgenomen over de wijze waarop langs privaatrechtelijke weg eisen gesteld kunnen worden aan het in exploitatie brengen van gronden.
6.1.2
Exploitatieplan Afdeling 6.4 Wro beschrijft een publiekrechtelijk stelsel waarbinnen door gemeenten (en in voorkomend geval provincie of Rijk) eisen gesteld kunnen worden aan de grondexploitatie. Dit publiekrechtelijk instrumentarium is aanvullend van aard. Het primaat ligt bij vrijwillige civielrechtelijke afspraken. Deze civielrechtelijke afspraken worden gemaakt in hetzij een anterieure overeenkomst (er is nog geen exploitatieplan vastgesteld) hetzij een posterieure overeenkomst (er is al een exploitatieplan vastgesteld). Artikel 6.12, lid 1 Wro bepaalt dat de gemeenteraad wordt verplicht om de gronden, waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen, een exploitatieplan op te stellen. Artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening geeft aan om welke bouwplannen het gaat. Hoofdregel is dat er een plicht bestaat voor het opstellen van een exploitatieplan. Onder artikel 6.12, lid 2 Wro wordt hierop echter een aantal uitzonderingsmogelijkheden geboden: -
het verhaal van kosten over de in het plan of besluit begrepen kosten is anderszins verzekerd; het is niet nodig een tijdvak te bepalen waarbinnen de grondexploitatie zal plaatsvinden; het is niet nodig een fasering op te nemen waarbinnen werken, werkzaamheden en bouwplannen uitgevoerd moeten worden; het is niet nodig eisen en/of regels omtrent de uitvoering te stellen aan het bouwrijp maken en/of de inrichting van de openbare ruimte en/of de aanleg van nutsvoorzieningen; het is niet nodig regels te stellen omtrent de uitvoering van de in het bestemmingsplan opgenomen bepalingen omtrent sociale huur en/of koopwoningen, kavels voor particulier opdrachtgeverschap of branches in de detailhandel.
Bestemmingsplan Woningbouw locatie BTL Elsloo Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
34 Sjabloonversie feb. 2021
M217388.002/PSO
De gemeente Stein sluit een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer van het project. Hiermee is het kostenverhaal anderszins geregeld.
6.2
Planschade Artikel 6.1 Wet ruimtelijke ordening biedt de grondslag voor de vergoeding van zogenoemde planschade. Deze schadevergoeding wordt (in beginsel) door het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente toegekend aan degene die als gevolg van een planontwikkeling schade lijdt. Artikel 6.4a Wro bepaalt dat de gemeente de mogelijkheid heeft om met een initiatiefnemer van een planontwikkeling een overeenkomst te sluiten. De strekking van dergelijke planschadeovereenkomst is dat de door derden geleden schade geheel (of gedeeltelijk) voor rekening komt van de initiatiefnemer, omdat de schade voortvloeit uit het op zijn of haar verzoek ten behoeve van een planontwikkeling wijzigen van het bestemmingsplan of verlenen van een omgevingsvergunning. De gemeente Stein sluit een planschadeverhaalsovereenkomst met de initiatiefnemer. Eventuele tegemoetkomingen in planschade zijn dan ook niet voor rekening van de gemeente Stein.
Bestemmingsplan Woningbouw locatie BTL Elsloo Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
35 Sjabloonversie feb. 2021
M217388.002/PSO
7
Planstukken Het bestemmingsplan ‘Woningbouw locatie BTL Elsloo’ van de gemeente Stein bestaat uit voorliggende toelichting, regels en een verbeelding.
7.1
Algemeen Op 1 juli 2008 is de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. Behalve een vernieuwd stelsel voor processen voor de ruimtelijke ordening in Nederland, worden met de inwerkingtreding van de nieuwe Wro ook de resultaten van DURP (Digitale Uitwisseling in Ruimtelijke Processen) wettelijk verankerd. Dit houdt in dat nagenoeg alle instrumenten uit de Wro door bronhouders digitaal beschikbaar zijn, waardoor de bestemmingsplannen onderling vergelijkbaar worden. Hiervoor is het pakket ‘RO Standaarden 2008’ ontwikkeld, dat wettelijk is vastgelegd in de bij de Wro behorende ‘Regeling standaarden ruimtelijke ordening’. Vergelijkbaarheid van bestemmings- en inpassingsplannen wordt door de SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012) op drie manieren gerealiseerd: -
-
-
er is een begrippenkader gegeven dat in de plannen toegepast moet worden. Het gaat dan bijvoorbeeld om lijsten van bestemmingshoofdgroepen met mogelijke gebruiksdoelen, dubbelbestemmingen, aanduidingen, indeling van regels etc. Voor het hanteren van het begrippenkader is geen specifieke software vereist; er is een verplichte ‘analoge verbeelding’ voorgeschreven, hetgeen inhoudt de manier waarop het plan op papieren kaarten moet worden getoond. Er zijn dwingende regels inzake de opmaak van het plan. Voor het opmaken van plannen is in de praktijk speciale software benodigd; er is een verplichte ‘digitale verbeelding’ voorgeschreven, waarmee wordt gedoeld op het tonen van het plan in een digitale omgeving (website).
Vanaf 1 januari 2010 dient een bestemmingsplan digitaal raadpleegbaar en uitwisselbaar te zijn. Voorliggend bestemmingsplan voldoet aan deze digitaliseringverplichting.
7.2
Toelichting, regels en verbeelding Een bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. De regels en verbeelding vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderling verband te worden bezien. De regels en de verbeelding zijn namelijk onlosmakelijk met elkaar verbonden, aangezien op de verbeelding de bestemmingen visueel zijn weergegeven en de regels onder andere het gebruik en de bouwmogelijkheden bij deze bestemmingen geven.
Bestemmingsplan Woningbouw locatie BTL Elsloo Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
36 Sjabloonversie feb. 2021
M217388.002/PSO
7.2.1
Toelichting De toelichting van het bestemmingsplan heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het totale plan. De toelichting geeft namelijk een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten zoals deze aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting een belangrijk hulpmiddel bij de interpretatie van het bestemmingsplan.
7.2.2
Regels Conform de SVBP2012 dienen de regels van een bestemmingsplan volgens een bepaalde opbouw te worden opgesteld, waarbij opgemerkt dient te worden dat niet elk bestemmingsplan alle elementen van navolgende opbouw bevat: -
-
-
-
Hoofdstuk 1: Inleidende regels o Begrippen o Wijze van meten Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels o Bestemmingen o Voorlopige bestemmingen o Uit te werken bestemmingen o Dubbelbestemmingen Hoofdstuk 3: Algemene regels o Anti-dubbeltelregel o Algemene bouwregels o Algemene gebruiksregels o Algemene aanduidingsregels o Algemene afwijkingssregels o Algemene wijzigingsregels o Verwezelijking in de naaste toekomst o Algemene procedureregels o Overige regels Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels o Overgangsrecht o Slotregel
De regels van de verschillende bestemmingen worden als volgt opgebouwd, waarbij eveneens geldt dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten: - Bestemmingsomschrijving - Bouwregels - Nadere eisen - Afwijken van de bouwregels - Specifieke gebruiksregels - Afwijken van de gebruiksregels - Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden - Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk - Wijzigingsbevoegdheid
Bestemmingsplan Woningbouw locatie BTL Elsloo Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
37 Sjabloonversie feb. 2021
M217388.002/PSO
Vorenstaande gestandaardiseerde opbouw is gehanteerd bij het opstellen van de regels behorende bij voorliggend bestemmingsplan. 7.2.3
Verbeelding De ‘vroegere’ plankaart wordt in het kader van het huidige planologische regime aangeduid als ‘verbeelding’. Op een verbeelding wordt de grens van het plangebied weergegeven waarbinnen onder meer de verschillende (dubbel)bestemmingen, bouwvlakken en bouw-/functie/maatvoeringsaanduidingen (en de ligging daarvan) visueel zijn weergegeven. De verbeelding met betrekking tot voorliggend bestemmingsplan is ingetekend op schaal 1:1000 en digitaal raadpleegbaar via www.ruimtelijkeplannen.nl. Verder voorziet bijbehorende verbeelding in de naam van voorliggend bestemmingsplan en een tekeningnummer. Dit zijn verplichtingen in het kader van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening. De verbeelding is direct (juridisch) verbonden met de bijbehorende regels. In deze regels worden de condities en voorwaarden gesteld behorende bij de verschillende bestemmingen.
Bestemmingsplan Woningbouw locatie BTL Elsloo Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
38 Sjabloonversie feb. 2021
M217388.002/PSO
8
Vooroverleg, inspraak en formele procedure
8.1
Inleiding De procedure voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerp bestemmingsplan ter visie kan worden gelegd. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.
8.2
Vooroverleg Artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg plegen met andere betrokken overheden en overheidsdiensten (wettelijke adviseurs). Daarbij moet worden gedacht aan naburige gemeenten, het waterschap, en de diensten van het Rijk en de provincie. De bedoeling van dit vooroverleg is voornamelijk om de opstellers van het plan tijdig de mogelijkheid te geven het plan desgewenst aan opmerkingen van andere overheden aan te passen. Voorliggende planontwikkeling is door de gemeente in het kader van artikel 3.1.1 Bro voorgelegd voor advies aan de betreffende instanties. Veiligheidsregio Zuid-Limburg Veiligheidsregio Zuid-Limburg geeft aan dat het plangebied zich bevindt binnen het invloedgebied van het spoortraject Lutterade – Visé (B) en de Maascorridor en binnen het effectgebied van de inrichting Chemelot Site Permit B.V.. Deze risicobronnen brengen hittestralings- en toxische scenario’s met zich mee. De Veiligheidsregio adviseert om rekening te houden met een aantal maatregelen ter verbetering van de beheersbaarheid, zelfredzaamheid en de bestrijdbaarheid. Deze worden in het advies uiteengezet, hetgeen is bijgevoegd als bijlage 11.
Provincie Limburg Provincie Limburg wijst in haar advies op een aantal aspecten, namelijk geluid, het provinciaal beleid, externe veiligheid, natuur en water. Het advies van Provincie Limburg is bijgevoegd als bijlage 12. Geluid Wat betreft het aspect geluid wordt aangegeven dat het ontwerpbesluit over hogere waarden gelijktijdig of voorafgaand aan het ontwerpbesluit voor het bestemmingsplan genomen dient te worden. Provinciaal beleid Ten aanzien van dit aspect wordt aangegeven dat het opgenomen provinciaal beleid in de toelichting
Bestemmingsplan Woningbouw locatie BTL Elsloo Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
39 Sjabloonversie feb. 2021
M217388.002/PSO
van voorliggend bestemmingsplan niet meer geheel actueel is. Inmiddels zijn namelijk de Omgevingsvisie Limburg en de Omgevingsverordening Limburg vastgesteld. Naar aanleiding daarvan zijn de paragrafen 3.2.1 en 3.2.2 van voorliggende toelichting aangepast. Externe veiligheid Wat betreft het aspect externe veiligheid merkt Provincie Limburg op dat zowel de Brandweer als de Veiligheidsregio Zuid-Limburg om advies moeten worden gevraagd en dat deze adviezen meegenomen dienen te worden in de besluitvorming. Natuur In de quickscan flora en fauna wordt aangegeven dat het plangebied niet geschikt is als foerageergebied voor vleermuizen doordat het plangebied vrijwel geheel verhard is. Bovendien wordt aangegeven dat vanwege het ontbreken van lijnvormige groenstructuren het plangebied tevens niet geschikt is als vliegroute voor vleermuizen. Daaromtrent merkt Provincie Limburg op dat het ontbreken van vliegroutes en/of fourageergebied in het plangebied niet betekent dat deze afwezig zijn buiten het plangebied. Mochten er bomen aanwezig zijn die geschikt kunnen zijn als verblijfplaats dan zouden daar eventueel vleermuizen kunnen leven die buiten het plangebied fourageren. Uit de quickscan blijkt niet of deze bomen wel gescand zijn op holtes.
Derhalve wordt verzocht om ten aanzien van vleermuizen na te gaan of er al dan niet geschikte verblijfplaatsen aanwezig zijn in de betreffende bomen. Naar aanleiding van deze opmerking van Provincie Limburg is de quickscan flora en fauna aangevuld. Water Tot slot merkt Provincie Limburg op dat uit het infiltratieonderzoek is gebleken dat het binnen het plangebied mogelijk is om het regenwater te infiltreren. Zij adviseert om voor het aspect grondwaterkwaliteit rekening te houden met de ‘Voorkeurstabel Afkoppelen’ en in dat verband een bodemfilter toe te passen. In paragraaf 5.4.4 van voorliggende toelichting wordt daar nader op ingegaan.
8.3
Inspraak Ingevolge artikel 1.3.1 Besluit ruimtelijke ordening dienen burgemeester en wethouders te besluiten en te publiceren of er terinzagelegging van het bestemmingsplan plaatsvindt, of er zienswijzen kunnen worden ingediend en of een onafhankelijke adviesinstantie advies uitbrengt. Ook is in voornoemd artikel bepaald dat het voornemen tot het voorbereiden van een bestemmingsplan, waarbij geen MER wordt opgesteld, dient te worden gepubliceerd conform artikel 3:12, lid 1 en 2 van de Algemene wet bestuursrecht en langs elektronische weg. De gemeente Stein heeft kenbaar gemaakt dat zij, alvorens de formele bestemmingsplanprocedure op te zullen starten, geen voorontwerp van voorliggend bestemmingsplan ter inzage zullen leggen. Bij deze afweging speelt mee dat de initiatiefnemer in een vroeg stadium van de planontwikkeling contact heeft opgenomen met de omgeving. De plannen zijn gepresenteerd en er is beoordeeld op welke wijze rekening kan worden gehouden met de wensen en aanbevelingen uit de omgeving.
Bestemmingsplan Woningbouw locatie BTL Elsloo Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
40 Sjabloonversie feb. 2021
M217388.002/PSO
8.4
Formele procedure
8.4.1
Algemeen De wettelijke (formele) bestemmingsplanprocedure, die circa 26 weken in beslag neemt, bestaat uit navolgende stappen: 1. 2.
3. 4. 5.
6. 7.
8.4.2
Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan. Ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan met alle bijbehorende stukken gedurende 6 weken. Tevens wordt de bekendmaking toegezonden aan Gedeputeerde Staten, belanghebbenden en betrokken Rijksdiensten. Gedurende de termijn van ter inzage legging kan een ieder zienswijzen naar voren brengen. Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken. Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door ter inzage legging met voorafgaande kennisgeving en toezending van het besluit tot vaststelling aan Gedeputeerde Staten en betrokken Rijksdiensten, Waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien Gedeputeerde Staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, binnen 6 weken na vaststelling. Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden. Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 16 maart 2022 gedurende zes weken, dat wil zeggen tot en met 26 april 2022, ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen tegen het plan ingediend. Wel zijn enkele ambtshalve wijzigingen doorgevoerd met betrekking tot het verwerken van de ingekomen vooroverlegreacties. Het bestemmingsplan is ten opzichte van het ontwerp dan ook gewijzigd vastgesteld in de raadsvergadering van 2 juni 2022.
Bestemmingsplan Woningbouw locatie BTL Elsloo Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
41 Sjabloonversie feb. 2021
M217388.002/PSO
9
Bijlagen 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12.
Raadsvoorstel inzake woningbouwlocaties Elsloo; Eindsituatie-bodemonderzoek; Asbestonderzoek bodem; Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai/industrielawaai; Quickscan externe veiligheid; Verantwoording hoogte groepsrisico; Archeologisch onderzoek; Infiltratieonderzoek; Aerius-berekening; Quickscan flora en fauna; Advies Veiligheidsregio Zuid-Limburg; Advies Provincie Limburg.
Bestemmingsplan Woningbouw locatie BTL Elsloo Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
42 Sjabloonversie feb. 2021
Eindsituatiebodemonderzoek Stationsstraat 61 te Elsloo
Titel Opdrachtgever Adviesbureau
Eindsituatiebodemonderzoek Stationsstraat 61 te Elsloo
Posthuis Haaren b.v. Postbus 24 5076 ZG Haaren
MILON bv Huygensweg 24 5482 TG Schijndel
Titel:
eindsituatiebodemonderzoek aan de Stationsstraat 61 te Elsloo
Status:
definitief
Datum:
5 maart 2018
Opdrachtgever:
Posthuis Haaren b.v. Postbus 24 5076 ZG
Contactpersoon: Telefoonnummer: E-mail:
de heer F. Crucq 06-3226155 frank.crucq@btl.nl
Projectnummer:
20172123
Auteur: Projectleider: Telefoonnummer: E-mail: Website:
Estelle ten Den Estelle ten Den 073-5477253 info@milon.nl/estelle@milon.nl www.milon.nl
Handtekening Projectleider: Estelle ten Den MSc
Handtekening Kwaliteitscontrole: Rolph Esselink
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of MILON bv. Op al onze leveringen en diensten zijn onze algemene voorwaarden, gedeponeerd ter griffie van de Rechtbank ’s-Hertogenbosch d.d. 3 juni 2010, en de RVOI-2001 van toepassing. De tekst en inhoud van deze voorwaarden zijn te raadplegen via www.milon.nl of worden op verzoek gratis toegezonden.
MILON bv is gecertificeerd conform ISO 9001 en VCA**, voldoet aan niveau 3 op de CO2 prestatieladder en is erkend door het ministerie van IenM voor: ▪ BRL SIKB 1000 “Monsterneming voor partijkeuringen”, protocol 1001, 1002 en 1003; ▪ BRL SIKB 2000 “Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek”, protocol 2001, 2002, 2003 en 2018; ▪ BRL SIKB 6000 “Milieukundige begeleiding van (water)bodemsaneringen, ingrepen in de waterbodem en nazorg” en protocol 6001 (processturing en verificatie).
Inhoudsopgave 1. Inleiding .................................................................................. 3 1.1. Opdrachtverlening .............................................................. 3 1.2. Aanleiding ......................................................................... 3 1.3. Doel .................................................................................. 3 1.4. Betrouwbaarheid ................................................................ 3 2. Vooronderzoek ........................................................................ 4 2.1. Algemeen, aanleiding en doel ............................................... 4 2.2. Onderzoeksvragen .............................................................. 4 2.3. Afbakening en locatiegegevens ............................................. 5 2.4. Gebruik, potentiële bronnen en uitgevoerde onderzoeken ........ 6 2.5. Bodemkwaliteitskaart, bodemopbouw en geohydrologie .......... 7 2.6. Conclusies en hypothese...................................................... 7 2.8. Conclusie en hypothese ....................................................... 8 3. Uitvoering bodemonderzoek .................................................... 9 3.1. Onderzoeksstrategie ........................................................... 9 3.2. Veldwerkzaamheden ........................................................... 9 3.3.
Zintuiglijke waarnemingen ................................................... 9 3.4. Laboratoriumwerkzaamheden ............................................ 10 4. Interpretatie en toetsing ....................................................... 11 4.1. Wijze van beoordeling en toetsing ...................................... 11 4.2. Toetsing van de analyseresultaten ...................................... 12 5. Bespreking resultaten ........................................................... 13 5.1. Grond ............................................................................. 13 5.2. Grondwater ...................................................................... 13 5.3. Hypothese ....................................................................... 13 6. Samenvatting en conclusies .................................................. 14
Bijlagen 1. Topografische overzichtskaart met ligging onderzoekslocatie 2. Situatietekening met boorpunten 3. Boorbeschrijvingen 4. Toetsing van de analyseresultaten 5. Analysecertificaten laboratorium 6. Verantwoording veldwerkzaamheden
1.
Inleiding
1.1.
Opdrachtverlening
Op 16 januari 2018 heeft MILON bv te Schijndel opdracht gekregen van de heer F. Crucq, namens Posthuis Haaren b.v. te Haaren, voor het uitvoeren van een eindsituatiebodemonderzoek. De onderzoekslocatie is gelegen aan de Stationsstraat 61 te Elsloo. Het onderzoek dient uitgevoerd te worden conform de onderzoeksprotocollen NEN 5725 (vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek), de NEN 5740 (strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek) en NTA 5755 (voor nader onderzoek).
1.2.
Aanleiding
De aanleiding voor het uitvoeren van het eindsituatiebodemonderzoek wordt gevormd door de voorgenomen verkoop van de locatie en de beëindiging van bedrijfsactiviteiten ter plaatse van de locatie. Er is geen nulsituatie onderzoek aanwezig.
1.3.
Doel
Het doel van het eindsituatiebodemonderzoek is het verkrijgen van inzicht in de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater en te beoordelen of het gebruik van de locatie de bodemkwaliteit negatief heeft beïnvloed.
1.4.
Betrouwbaarheid
De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd onder de BRL SIKB 2000 “Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek”, protocol 2001 “Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen”. MILON bv is gecertificeerd volgens dit procescertificaat. Het onderzoek is onafhankelijk uitgevoerd. MILON bv is geen eigenaar van de onderzoekslocatie en financieel niet gelieerd aan de opdrachtgever. Het onderzoek is met de grootst mogelijke nauwkeurigheid en conform de daarvoor opgestelde normen en richtlijnen uitgevoerd. Hierbij wordt opgemerkt dat een bodemonderzoek slechts bestaat uit een steekproef waarbij een relatief gering aantal boringen en analyses worden uitgevoerd. Daarom kan niet geheel uitgesloten worden dat er op de locatie een verontreiniging aanwezig is die bij dit onderzoek niet is aangetroffen. MILON bv acht zich niet aansprakelijk voor eventueel hieruit voortvloeiende (financiële) schade.
2.
Vooronderzoek
2.1.
Algemeen, aanleiding en doel
Voorafgaand aan het uitvoeren van een verkennend onderzoek dient een vooronderzoek uitgevoerd te worden. Voor de uitvoering van het vooronderzoek is gebruik gemaakt van de NEN 5725 (Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek) en de eerder uitgevoerde onderzoeken op de locatie. Aanleiding tot het vooronderzoek is het opstellen van een hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van het uit te voeren bodemonderzoek. Het doel van het vooronderzoek is inzicht krijgen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen op de onderzoekslocatie. Hierbij wordt een inschatting gemaakt van de aard, mate, oorzaak en ligging van mogelijke verontreinigingen. Ook kunnen de resultaten van het vooronderzoek worden gebruikt bij de interpretatie van de resultaten van het bodemonderzoek. Om dit doel te bereiken wordt relevante informatie over de onderzoekslocatie en eventueel de beïnvloeding vanuit de directe omgeving verzameld, geanalyseerd en geïnterpreteerd. De te verzamelen informatie is afhankelijk van de aanleiding en het doel van het vooronderzoek en heeft betrekking op locatiegegevens, bodemopbouw, geohydrologie, archeologische verwachting, te verwachten bodemkwaliteit en potentieel bodembedreigende activiteiten op de vooronderzoekslocatie.
Hiervoor worden onderzoeksvragen opgesteld en middels verzamelde relevante informatie worden onderbouwde antwoorden hierop geformuleerd.
2.2.
Onderzoeksvragen
De conform NEN 5725:2017 gemotiveerd te beantwoorden onderzoeksvragen voor het opstellen van de hypothese bij een verkennend onderzoek staan hieronder opgesomd met een verwijzing naar de paragraaf waarin deze vraag onderbouwd beantwoord is: a) Wat is de afbakening van de onderzoekslocatie en is deze voldoende? (§2.3) b) Is er sprake van potentiële bronnen van bodemverontreiniging, zowel vanuit het verleden als het heden? Zo ja, wat zijn de potentiële bronnen van bodemverontreiniging, waar liggen ze en wat zijn verdachte parameters? (§2.4) c) Is de bodem asbestverdacht? Wordt op de locatie of een deel daarvan (een geval van ernstige) bodemverontreiniging vermoed? Zo ja, waar bevindt deze zich? (§2.4) d) Welke kwaliteitsklasse is toegekend aan de bodem in de bodemkwaliteitskaart en welke lagen zijn daarbij onderscheiden? (§2.5) e) Is er sprake van beïnvloeding vanuit de omgeving van de bodemkwaliteit of de kwaliteit van het grondwater? Zo ja, welke beïnvloeding en waar? (§2.5) f) Wat is de bodemopbouw en geohydrologie en is er binnen het onderzoeksgebied sprake van verschillende fysische kwaliteiten en/of bodemvreemde lagen? Zo ja, welke fysische kwaliteiten en/of bodemvreemde lagen zijn er en waar bevinden deze zich? (§2.5) g) Is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem afdoende bekend of is bodemonderzoek noodzakelijk? Motiveer het antwoord. (§2.6)
Ten behoeve van het vooronderzoek zijn de volgende bronnen geraadpleegd: ▪ Informatie opdrachtgever en eigenaar; ▪ Gemeentelijke informatie (GISViewer Limburg) inzake bodemonderzoeken, ophooglagen, vergunningen, (voormalige) brandstoftanks en andere mogelijke relevante informatie; ▪ Historisch topografisch kaartmateriaal, website topotijdreis; ▪ Actuele luchtfoto’s (Google Earth en Bing Kaarten); ▪ Archeologie in Nederland (IMK en IKAW); ▪ VEO bommenkaart (Explosieven opsporing); ▪ Grondwaterkaart van Nederland/DINOloket; ▪ Kadaster.
2.3.
Afbakening en locatiegegevens
De onderzoekslocatie is kadastraal bekend als gemeente Elsloo, sectie B, nummer 4022 (gedeeltelijk) en 4023 en de oppervlakte bedraagt circa 5.142 m2. De locatie is gedeeltelijk bebouwd en door BTL in gebruik als opslag en werkplaats. BTL is een groene aannemer en heeft de locatie in 1990 aangekocht van de gemeente. Naar opgave van de opdrachtgever en Google Earth is het terrein verhard middels klinkers en inpandig is een vloeistof dichte betonvloer aanwezig zonder (puin)fundering. Op het terrein is een wasplaats met OBAS, bovengrondse tank en opslag van brandstoffen aanwezig. In onderstaande foto’s is een beeld van de onderzoekslocatie weergegeven (figuur 1 en 2). De onderzoekslocatie is geografisch afgebakend tot de onderzoekslocatie en de aangrenzende percelen tot 50 meter vanaf de grens van de onderzoekslocatie. In verticale richting is de locatie afgebakend tot 2 meter beneden maaiveld. Gezien de ligging en het gebruik van de locatie in relatie tot het doel van het onderzoek wordt deze afbakening voldoende geacht.
Figuur 1 en 2: Foto’s onderzoekslocatie.
Bron: MILON bv
Ten zuiden van de locatie is de openbare weg Stationsstraat gelegen en in de overige richtingen is de locatie omsloten door percelen welke in gebruik zijn als wonen met tuin met ten oosten een bedrijfspand. De regionale ligging van de onderzoekslocatie is weergegeven op de topografische overzichtskaart in bijlage 1 en de luchtfoto in figuur 3. Voor een indruk van de onderzoekslocatie wordt verwezen naar de situatietekening in bijlage 2.