CConstaterende datStein
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Ontwerpbestemmingsplan Meerdel.pdf

Beeldvormende bijeenkomst 21 april 2021, gemeente SteinBij agendapunt: Raadsvoorstel Woningbouwontwikkeling Meerdel25.252 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Conclusie Het aspect 'Geur' vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

4.6

Luchtkwaliteit

Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen inzake de luchtkwaliteit opgenomen in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna ook: Wm). Omdat de luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in titel 5.2 van de Wm, staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Het doel van titel 5.2 Wm is om de mensen te beschermen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op hun gezondheid. In de wet- en regelgeving zijn de richtlijnen uit de Europese regelgeving opgenomen, waaraan voorgenomen ontwikkelingen dienen te voldoen.

bestemmingsplan Meerdel

35

Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid van een bestuursorgaan ex. artikel 5.16 Wm: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde; een project leidt, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) of een regionaal programma van maatregelen. Het besluit NIBM Deze Algemene maatregel van Bestuur (AmvB) legt vast wanneer een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de toename van concentraties van bepaalde stoffen in de lucht. Een project is NIBM wanneer het aannemelijk is dat het een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Het NSL is vanaf augustus 2009 van kracht, zodat de 3% grens aangehouden dient te worden.

In de regeling NIBM is (onder andere) aangegeven dat een plan tot 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg niet in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de concentratie fijnstof en stikstofdioxide in de lucht.

Onderhavig planvoornemen voorziet in de realisatie van 15 woningen en valt daarmee ruimschoots binnen de norm van 1.500 woningen. Gesteld kan worden dat het planvoornemen daardoor niet in betekende mate bijdraagt aan de toename van de concentratie fijnstof en stikstofdioxide in de lucht. Er is geen nader onderzoek naar luchtkwaliteit benodigd.

Fijn stof Voor wat betreft de beoordeling van het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit dient er gelet te worden op de fijnstofconcentraties ter plaatse. Hiervoor is de NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) geraadpleegd. Direct nabij het plangebied zijn geen rekenpunten gelegen. Om alsnog een beeld te krijgen van de luchtkwaliteit ter plaatse, zijn daarom de fijnstofconcentraties nabij het dichtstbij gelegen rekenpunt aan de Steinderweg beoordeeld. Uit de NSL-monitoringskaart blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 hier respectievelijk maximaal 24,67 ìg/m3, 19,15 ìg/m3 en 12,16 ìg/m3 zijn (zie onderstaande afbeelding). De jaargemiddelde grenswaarde voor NO2, PM10 (beide 40 ìg/m3) en PM2,5 (20 ìg/m3) wordt niet overschreden. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uur gemiddelde concentratie is maximaal 6,95 waardoor het maximum van 35 dagen niet wordt overschreden. De concentratie fijnstof heeft geen negatieve gevolgen voor het woon- en leefklimaat ter plekke van de locatie. Het aspect fijnstof vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

36

bestemmingsplan Meerdel

Uitsnede NSL-monitoringskaart met rekenpunt bij rode contour en plangebied bij oranje contour

Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is gericht op de beperking van vestiging in de nabijheid van provinciale en rijkswegen van gevoelige bestemmingen, zoals gebouwen voor kinderopvang, scholen, verzorgings- of verpleegtehuizen. Een woning wordt op basis van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) niet aangemerkt als gevoelige bestemming. Daarnaast is het plangebied niet in de directe nabijheid van de provinciale of rijksweg gelegen. Het besluit is derhalve niet van toepassing op onderhavig planvoornemen.

Conclusie Het planvoornemen wordt aangemerkt als NIBM. Op basis van de NSL-monitoringstool is vastgesteld dat de fijnstofconcentraties in de omgeving van het plangebied geen belemmering vormen voor een goed woon- en leefklimaat. Verder geldt dat woningen niet worden aangemerkt als gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. Geconcludeerd wordt dat het aspect 'Luchtkwaliteit' geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen.

4.7

Externe veiligheid

Met externe veiligheid wordt bedoeld de kans op overlijden van mensen buiten de grenzen van een bedrijf of transportmedium, als rechtstreeks gevolg van een ongeval met (gevaarlijke) stoffen binnen de grenzen van het bedrijf dan wel het transportmedium. In de externe veiligheid worden twee risicobegrippen gehanteerd: 1.

Plaatsgebonden Risico (PR): de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij een risicovolle activiteit.

bestemmingsplan Meerdel

37

2.

Groepsrisico (GR): is de kans dat in een keer een groep mensen van tenminste een bepaalde grootte komt te overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongeval met (gevaarlijke) stoffen. De norm voor het GR is een oriënterende waarde.

Onderhavig planvoornemen voorziet in de realisatie van 15 woningen. Een woning wordt aangemerkt als kwetsbaar object. Om die reden worden, met behulp van de risicokaart, rsicovolle objecten en inrichtingen in de omgeving van het plangebied geïnventariseerd en beoordeeld.

Uitsnede risicokaart met planlocatie bij oranje contour (bron: www.risicokaart.nl)

Op de risicokaart is te zien dat het plangebied niet is gelegen in de directe nabijheid of binnen de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van risicovolle bedrijven, transportroutes of buisleidingen. Het plangebied is wel gelegen binnen het invloedsgebied van de volgende risicobronnen.

Transport door Buisleidingen De dichtstbijzijnde geprojecteerde woning in het plangebied is op een afstand van circa 65 meter gelegen tot de ARG- (ethyleen) en MVC-leiding (monovinylchloride) van PPS-Pipelines. Op basis van de overlegde gegevens door PPS-Pipelines heeft de MVC-leiding geen PR 10-6 risicocontour. De ARG-leiding heeft wel een PR 10-6 risicocontour, deze is inzichtelijk gemaakt in onderstaande afbeelding(rode lijn). Het plangebied ligt, zoals eerder gesteld, buiten deze PR 10-6 risicocontour. Als zodanig vormen beide leidingen geen belemmering voor de planlocatie.

38

bestemmingsplan Meerdel

Contouren plaatsgebonden risico (rood PR 10-6 , geel PR 10-7 , groen PR10-8 )

Het invloedsgebied (1% letaliteitsafstand) van de ARG-leiding bedraagt 140 meter. Een groot gedeelte van het plangebied ligt binnen deze afstand. Uit de gegevens van PPS-Pipelines blijk dat het hoogste groepsrisico niet ter plaatse van het plangebied is berekend. Het hoogst berekende groepsrisico van deze buisleiding ligt ruim onder de oriëntatiewaarde. Voor de MVC-leiding geldt hetzelfde; het hoogst berekende groepsrisico ligt ruim onder de oriëntatiewaarde en is niet gelegen ter hoogte van de planlocatie.

In artikel 12 lid 3 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) juncto artikel 8 van de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) is opgenomen wanneer sprake is van het verantwoorden van het groepsrisico. Volstaan kan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico indien: Het plangebied betrekking heeft op het gebied tussen de 1%-letaliteitszone en de afstand waarop het plaatsgebonden risico gelijk is aan 10-8 , of Als het groepsrisico onder 0.1 keer de oriëntatiewaarde blijft en/of het groepsrisico minder dan 10% toeneemt. In onderhavige situatie blijft het groepsrisico onder de 0,1 maal de oriëntatiewaarde en zal als gevolg van de ontwikkeling (toename van 10 naar 15 woningen) het groepsrisico met minder dan 10% toenemen. Op basis hiervan is sprake van een beperkte verantwoordingsplicht .

Transport over het spoor De spoorlijn Lutterade – Visé (B) is op meer dan 1.000 m gelegen van het plangebied. De spoorlijn Lutterade – Visé (B) (route 100 Lutterade – Visé (B)) is aangewezen als Basisnetroute. Uit de tabel Basisnet spoor van bijlage II van de Regeling basisnet volgt dat over deze spoorlijn A, B2, C3, en B2 stoffen worden getransporteerd. De grootste 1% letaliteitsafstand bedraagt 995 meter, veroorzaakt door het transport van gasvormige toxische stoffen (B2). Hiermee ligt het plangebied buiten het invloedsgebied van het spoor en vormt dit als zodanig geen belemmering.

bestemmingsplan Meerdel

39

Transport over de A2 en A76 Op circa 1.160 meter van het plangebied is de rijksweg A2 gelegen. De rijksweg A2 is aangewezen als Basisnetroute. Uit de telgegevens van Rijkswaterstaat blijkt dat over het wegvak L42 van de rijksweg A2 transporten met LF1, LF2, LT1, LT2, LT3, GF1, GF2, GF3, GT3 en GT4 plaatsvinden. De stoffen LT3 (toxische vloeistof) en GT4 (toxisch gas) hebben hierbij de grootste 1% letaliteitsafstand, meer dan 4.000 meter. Het plangebied ligt derhalve binnen het toxisch invloedsgebied van de A2. Op circa 880 meter van het plangebied is de rijksweg A76 gelegen. De rijksweg A76 is aangewezen als Basisnetroute. Uit de telgegevens van Rijkswaterstaat blijkt dat over het wegvak L62 van de rijksweg A76 transporten met LF1, LF2, LT1, LT2, LT3, LT4, GF1, GF2, GF3 en GT3 plaatsvinden. De stof LT3 (toxische vloeistof) heeft hierbij de grootste 1% letaliteitsafstand, meer dan 4.000 meter. Het plangebied ligt derhalve binnen het toxisch invloedsgebied van de A76. Gelet op de ruimtelijke scheiding, van het plangebied tot de rijkswegen, van meer dan 200 meter, is het conform artikel 8, lid 1 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de Handleiding Risicoberekeningen Bevt (HART) niet noodzakelijk om de invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico kwantitatief inzichtelijk te maken.

Voor beide wegen kan volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico en dient conform artikel 7 van het Bevt ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.

Transport over het water Het plangebied is gelegen op circa 670 meter ten oosten van de Maas. De Maas maakt onderdeel uit van de Maascorridor, waarover structureel transporten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Ter hoogte van het plangebied wordt de Maascorridor gevormd door het Julianakanaal. Uit de Tabel Basisnet water van bijlage III van de Regeling basisnet blijkt dat over het onderhavige traject de stoffen LF1, LF2, LT1, GF3 en GT3 vervoerd worden. Als gevolg van de transporten GT3 (toxische gassen) is sprake van een invloedsgebied van 1.070 meter. Gelet op de ruimtelijke scheiding, van het plangebied tot het Julianakanaal, van meer dan 200 meter, is het conform artikel 8, lid 1 Bevt en de HART niet noodzakelijk om de invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico kwantitatief inzichtelijk te maken. Volstaan kan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico en dient conform artikel 7 van het Bevt ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.

Risicovolle inrichtingen Op een afstand van 1.200 meter is het industrieterrein Chemelot gelegen. Zoals reeds eerder gesteld valt het plangebied niet binnen de plaatsgebonden risicocontour 10-6 /jr van de site Chemelot. Het plangebied is wel gelegen binnen het toxisch invloedsgebied van de site Chemelot. Maar gelet op de ligging buiten de PR 10-8 contour en de geringe toename van het aantal personen (5 x 2,4 = 12) zal deze uitbreiding geen significante invloed hebben op de hoogte van het groepsrisico van de site Chemelot. Voor de ligging binnen het toxisch invloedsgebied van de site Chemelot geldt overeenkomstig artikel 13 van het Bevi wel een verantwoording van het groepsrisico. De toename van de hoogte van het groepsrisico kan in dit geval kwalitatief beschouwd worden.

Beperkte verantwoording groepsrisico Op basis van voorgaande inventarisatie van de risicobronnen ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van de MVC- en ARG-leiding, binnen het invloedsgebied van de A2, A76, de Maas en de site Chemelot waarvoor een (beperkte) verantwoording van het groepsrisico geldt. Bij een beperkte verantwoording kan worden volstaan met het vermelden van:

40

bestemmingsplan Meerdel

de personendichtheid in het invloedsgebied van de buisleiding; het GR per kilometer buisleiding vergeleken met de oriënterende waarde; de mogelijkheden tot bestrijding en beperking van rampen; de mogelijkheden tot zelfredzaamheid van personen in het plangebied. In verleden was het plangebied in gebruik als woonwagenlocatie met 8 standplaatsen. In de tussenliggende periode is het plangebied in gebruik als speeltuin/-terrein. Nu is het voornemen om binnen het plangebied 15 woningen te realiseren. Hiermee neemt het aantal personen dat langdurig binnen het plangebied verblijft slecht in beperkte mate toe. Als gevolg hiervan neemt het groepsrisico met minder dan 10% waarbij de oriëntatie waarde niet wordt overschreden. Daarnaast is het groepsrisico kleinder dan 0,1 maal de oriëntatie waarde. Derhalve kan volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsriscio.

In dat kader kan ten aanzien van de bereikbaarheid, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid het volgende gesteld worden. Het plangebied is binnen de huidige infrastructuur goed bereikbaar voor hulpdiensten. De bestaande infrastructuur wordt met dit planvoornemen afgerond waardoor de Meerdel een directe aansluiting krijgt op de Elserhegge en hierdoor geen sprake meer is van een doodlopende weg. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende bluswater aanwezig voor de bestrijding van eventuele calamiteiten. De woningen zijn met name bedoeld voor jongeren en starters. Dit zijn geen hulpbehoevende en voldoende instaat om zich zelf in veiligheid te brengen bij een eventuele calamiteit. Door de aanleg van de nieuwe ontsluitingsweg is het in voldoende mate mogelijk om van de bron af te vluchten in zuidelijk richting bij een eventuele calamiteit.

Conclusie Gezien de afstand tot de geïnventariseerde risicobronnen, de eventuele beperkte toename van personen en de verantwoording van het groepsrisico vorm het aspect externe veiligheid geen belemmering voor het planvoornemen.

Advies Brandweer Het planvoornemen is tevens voor advies voorgelegd aan de brandweer. In dat kader heeft de brandweer advies uitgebracht omtrent de bestrijdbaarheid van incidenten die invloed hebben op het plangebied. Tevens is geadviseerd over maatregelen om de zelfredzaamheid van de in het plangebied aanwezige personen te verhogen. In haar advies adviseert de brandweer een aantal maatregelen om de effecten van eventuele scenario's te minimaliseren en/of de zelfredzaamhedi van aanwezigen te vergroten.

Deze maatregelen hebben met name betrekking op bouwtechnische maatregelen van de woningen zelf. Waar mogelijk zal bij de nadere uitwerking van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen hier rekening mee worden gehouden. Verder wordt de bereikbaarheid van het wooncluster Meerdel verbeterd. Door het planvoornemen wordt de weg Meerdel doorgettrokken en aangesloten op de Elserveldstraat. Het plangebied maar ook het wooncluster Meerdel wordt daardoor vanaf twee zijden bereikbaar. Verder is in de directe omgeving van het plangebied, volgens opgave van de Waterleidingmaatschappij Limburg, een primaire bluswatervoorziening van voldoende capaciteit aanwezig.

bestemmingsplan Meerdel

41

4.8

Bedrijven en milieuzondering

Vanuit het aspect 'goede ruimtelijke ordening' dient er voldoende ruimtelijke scheiding te zijn tussen hinderveroorzakende (o.a. bedrijven) en hindergevoelige functies (waaronder woningen). Hiervoor worden de afstanden uit de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' als maatgevend beschouwd. De richtafstanden opgenomen in de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit, zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij milieu-inrichtingen of drukke wegen, al een hogere milieubelasting kent. De publicatie biedt geen wettelijk vastgestelde norm, maar biedt een handreiking voor maatwerk. De publicatie geeft vier factoren (geur, stof, geluid en gevaar) op basis waarvan bepaald wordt in welke categorie een activiteit geplaatst kan worden. Voorgaande moet op twee manieren getoetst worden. Enerzijds wordt er gekeken of het perceel zelf veroorzaker is van hinder en anderzijds wordt bekeken of het perceel kwetsbaar is voor hinder. Woningen worden niet aangemerkt als hinderveroorzakende functie en kennen derhalve geen milieuzonering.

Daarentegen geldt dat woningen wel worden aangemerkt als hindergevoelige functie. Om die reden dienen hinderveroorzakende functies in de omgeving en de afstand tot de beoogde woningen te worden beoordeeld. Hiervoor wordt uitgegaan van het omgevingstype 'rustig woongebied'. Voor wat betreft de omgeving van het plangebied kan globaal een onderscheid worden gemaakt tussen het zuidelijk gelegen woongebied en het noordelijk gelegen natuurgebied. Er bevinden zich in de omgeving van het plangebied dan ook geen hinderveroorzakende functies binnen een straal van 300 meter. Ter plaatse van het plangebied kan derhalve worden gesproken over een goed woon- en leefklimaat.

Conclusie Geconcludeerd wordt dat het plangebied niet is gelegen nabij hinderveroorzakende functies en derhalve uitgegaan kan worden van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen. Tevens zal de realisatie van de woningen niet leiden tot milieuhinder voor de omgeving. Het aspect 'Bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

4.9

Kabels en Leidingen

Binnen of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen hoofdtransportleidingen of persleidingen van water, olie, gas, brandstof en/of hoogspanningsleidingen gelegen, die van invloed zijn op de realisatie van het project. Dit is met uitzondering van het invloedsgebied van de AGR leiding ten noorden van het plangebied (zie paragraaf 4.7). In het straatprofiel van de Meerdel zijn wel de reguliere leidingen c.q. nutsvoorzieningen aanwezig zoals gas, electra en telefonie. Deze worden doorgetrokken in de nieuwe ontsluitingsweg om de nieuwe woningen hierop aan te sluiten.

4.10

Zoneringen

Op het plangebied zijn verder geen zoneringen zoals vrijwaringszones, stiltegebieden, waterwin-/grondwaterbeschermingsgebieden, luchtvaartverkeer e.d. van toepassingen die een mogelijke belemmering vormen voor de realisatie van de 15 woningen.

42

bestemmingsplan Meerdel

4.11

Archeologie en cultuurhistorie

4.11.1 Archeologie Als wettelijk toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming.

Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. Deze wet is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta uit 1992. De Wamz is in zijn geheel opgenomen in de Monumentenwet 1988 (Mw art. 38 t/m 60). In de Wamz is vastgelegd dat Rijk, provincies en gemeenten in ruimtelijke plannen rekening houden met het aspect 'archeologie'. De wet beoogt het archeologische erfgoed in hoofdzaak in situ te beschermen.

Ter plekke van de planlocatie geldt dat er sprake is van een archeologische dubbelbestemming van de archeologische waarden. Het betreft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' met aanduiding 'specifieke vorm van waarde - archeologie 2'. Op basis hiervan is het op de locatie verboden bodemverstorende ingrepen met een oppervlakte groter dan 2.500 m2 en dieper dan 0,4 m uit te voeren, tenzij vooraf middels archeologisch onderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, dan wel de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast.

De planlocatie beslaat een oppervlak van ca. 5.500 m2 . Tevens is het waarschijnlijk dat de benodigde bodemingrepen de maximale verstoringsdiepte van 0,40 meter beneden maaiveld overschrijden. Op basis van vorenstaande wordt gesteld dat de grenswaarden van de archeologische dubbelbestemming worden overschreden. Om deze reden dient middels een archeologisch onderzoek aangetoond te worden dat geen archeologische waarden worden geschaad. Hiertoe heeft Econsultancy (rapportnr. 12144.001, d.d. 19 maart 2020) een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd. De betreffende onderzoeksrapportage is als Bijlage 5 bij de toelichting opgenomen. In onderstaande zijn de conclusies en het advies van het rapport opgenomen.

Uit het archeologisch bureauonderzoek is gebleken dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. Daarom is er aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd.

Op basis van de waargenomen bodemverstoringen in het noorden van het plangebied en de aanwezigheid van grotendeels intacte radebrikgronden in het zuiden van het plangebied, kan worden geconcludeerd dat er nog in situ archeologische waarden in het plangebied kunnen worden verwacht.

Voor het plangebied wordt het opleggen van een dubbelbestemming archeologie geadviseerd, waarbij de mogelijke archeologische waarden in situ worden bewaard. Hiertoe dienen beschermende regels in het bestemmingsplan te worden opgenomen. Behoud van eventueel aanwezige archeologische waarden is mogelijk als er archeologievriendelijk gebouwd wordt en er niet dieper ontgraven wordt dan 30 cm onder het huidige maaiveld. Voor de delen van het plangebied waar de bodem wel dieper dan 40 cm -mv zal worden verstoord is, gezien de geringe diepteligging en de kwetsbaarheid van de archeologische resten,

bestemmingsplan Meerdel

43

vervolgonderzoek noodzakelijk. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek.

Uit een uitgevoerd proefsleuvenonderzoek (Econsultancy, rapportnummer 12144.004, 29 januari 2021, Bijlage 6) is gebleken dat in het plangebied hoofdzakelijk een bodemopbouw is aangetroffen van een lemige bouwvoor, op een roodbruine, kleiige Bt-horizont, op een bruine BC-horizont met een horizontaal gelaagde structuur in de löss. In het noorden van het plangebied lagen op de lössafzettingen (sub)recent opgebrachte leemlagen. In dit deel van het plangebied is een lösswand aanwezig, die naar alle waarschijnlijkheid in recente tijden door ophoging is afgevlakt. Ook in het westelijke deel van het plangebied, binnen de bosschages, zijn lemige en zandige ophooglagen aangebracht op de lössafzettingen. Deze laatsten kunnen in verband gebracht worden met het hier tot recent aanwezige woonwagenkamp. Daarnaast is op verschillende locaties door het plangebied heen een soort akkerdek waargenomen beneden de bouwvoor en direct op de lössafzettingen. Tot slot is een globaal zuidnoord georiënteerde erosiegeul, gevuld met colluvium, aangetroffen, die mogelijk in verband gebracht kan worden met een vroeger aanwezige holle weg.

In totaal zijn binnen de proefsleuven 18 sporen gedocumenteerd. Het merendeel van de sporen kan geïnterpreteerd worden als natuurlijke sporen (wortel- en plantgaten), (sub)recente verstoringen en leidingsleuven. Een spoor (Spoor 16, Werkput 12) kan mogelijk als een houtskoolmeiler uit de Nieuwe tijd geïnterpreteerd worden. Eventueel zou dit spoor samen met de erosiegeul (restant holle weg) gerelateerd kunnen worden aan de historisch gedocumenteerde aanwezigheid van een boeren-schans in het oostelijke deel van het plangebied vanaf de Vroege-Nieuwe tijd tot mogelijk in de 19e eeuw.

Volgens de waardering op KNA, versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018), voorgeschreven wijze krijgt de vindplaats een lage waardering en is niet behoudenswaardig. Het selectieadvies is daarom dan ook om het plangebied vrij te geven voor verdere ontwikkeling. Vervolgonderzoek lijkt niet noodzakelijk. Het definitieve selectiebesluit zal worden genomen door de bevoegde overheid (gemeente Stein). De gemeente Stein heeft dit selectiebesluit genomen.

Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed). 4.11.2 Cultuurhistorie Vanaf 1 januari 2012 dient in ruimtelijke plannen rekening te worden gehouden met cultuurhistorie. Dit is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg.

Het plangebied is onbebouwd en er zijn door de gemeente Stein geen cultuurhistorisch waardevolle elementen binnen het plangebied aangeduid. Het aspect 'Cultuurhistorie' vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

44

bestemmingsplan Meerdel

4.12

Natuur

Bij elk ruimtelijk plan moet, met het oog op beschermenswaardige natuurwaarden, rekening worden gehouden met de regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming en soortenbescherming. Dit wordt geregeld in de Wet natuurbescherming die op 1 januari 2017 in werking is getreden. Het natuurbeschermingsrecht is verder te vinden in verdragen, Europese en nationale regelgeving en in nationaal en provinciaal beleid. Vanuit de Europese regelgeving wordt met name nadruk gelegd op de bescherming van plant- en diersoorten (Vogelrichtlijn) en leefgebieden (Habitatrichtlijn). Ten behoeve hiervan zijn dan ook diverse beschermingsgebieden aangewezen. De belangrijkste beschermingszones zijn Natura 2000-gebieden.

Om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep, is door Econsultancy (rapportnr. 12144.003, d.d. 20 oktober 2020) een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Tevens is in de quickscan beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Het rapport is bijgevoegd als Bijlage 7. Tevens zijn conclusies van het rapport in onderstaande opgenomen. 4.12.1

Gebiedsbescherming

Natura 2000 De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft enerzijds 'Grensmaas' op circa 1,1 km afstand van het plangebied en anderzijds 'Bunder- en Elsloöerbos' en 'Geleenbeekdal' op respectievelijk 1 km en 5 km. Het natura 2000-gebied 'Grensmaas' is weinig stiksof gevoelig. De natura 2000-gebieden 'Bunder- en Elsloöerbos' en 'Geleenbeekdal' zijn in dat geval gevoeliger voor stikstof.

bestemmingsplan Meerdel

45

Ligging plangebied (gele pijl) ten opzichte van Natura 2000 (geel gearceerd)

De onderzoekslocatie ligt binnen de invloedsfeer van het Natura-2000 gebied Grensmaas. Indien er een effect te verwachten valt dan zal dit een extern effect zijn. Vastgesteld zal moeten worden of er op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat het plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen, significante gevolgen kan hebben voor de aangewezen gebieden. Significante gevolgen bij Natura 2000-gebieden zijn gevolgen die in strijd zijn met de instandhoudingsdoelen van het gebied. Om deze reden zijn middels een Aeriusberekening de effecten van stikstofdepositie door de voorgenomen ingreep op het Natura 2000-gebied onderzocht. De berekening en toelichting hierop zijn toegevoegd als Bijlage 8. Uit de berekening blijkt dat het realiseren van de woningen en het in gebruik nemen van de woningen niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten ten gevolge van stikstof op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden kunnen op basis van het voorgaande met zekerheid worden uitgesloten. Een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is derhalve niet vereist.

Natuurnetwerk Nederland Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. Het plangebied grenst echter wel aan een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Dit gebied is aangewezen als Goudgroene natuurzone binnen het Natuurnetwerk Nederland (vastgesteld omgevingsverordening Limburg 2014). In onderstaand figuur is de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven. Door de voorgenomen plannen binnen het plangebied in combinatie met de afstand, zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht.

Ligging onderzoekslocatie (gele pijl) ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (groen gearceerd)

46

bestemmingsplan Meerdel

4.12.2 Houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In deze paragraaf wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. De bomen binnen het plangebied vallen niet onder de definitie houtopstanden als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. De houtopstand binnen het plangebied is gelegen binnen de bij besluit van gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Voor deze houtopstand geldt daarom geen meldingsplicht en herplantplicht. 4.12.3 Soortenbescherming Als gevolg van de voorgenomen ingrepen kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. De aanwezigheid van geschikt habitat binnen het plangebied voor de verschillende soorten en soortgroepen is daarom weergegeven in onderstaande tabel.

In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.

bestemmingsplan Meerdel

47

Overzicht geschiktheid plangebied voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen (bron: Econsultancy)

Op basis van onderhavige quickscan dient voor uitvoering van de plannen duidelijkheid te zijn verkregen over het gebruik van het plangebied door hazelworm, levendbarende hagedis en in het geval dat de bomenlaan aan de oostzijde van het plangebied niet zijn aaneengesloten struktuur behoudt vliegroutes van vleermuizen. Dit kan middels een nader onderzoek waarbij de aanwezigheid van deze soorten en/of de aanwezigheid van een vliegroute kan worden vastgesteld dan wel uitgesloten. Voor de hazelworm en levendbarende hagedis geldt dat werkzaamheden ook kunnen worden uitgevoerd in de vrijstellingsperiode. Aanbevolen wordt om in dat geval voor uitvoering van de verstorende werkzaamheden een inspectie te laten uitvoeren door een ter zake kundige ecoloog. Echter het planvoornemen voorziet niet in aantasting van de bomenlaan aan de oostzijde van het plangebied en blijft de aaneengelsoten struktuur behouden voor vliegroutes van vleermuizen. Met het planvoornemen wordt de groenstructuur juist versterkt. Verder worden de werkzaamheden uitgevoerd buiten de vrijstellingsperiode van de hazelworm en levenbarende hagedis, zodat nader onderzoek verder niet noodzakelijk is.

Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen van algemene broedvogels de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen.

Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht.

In aanvulling op de quickscan flora en fauna heeft er op 22 oktober 2020 een inspectiebezoek aan het plangebied plaats gevonden (Bureau Meervelt, d.d. 21 janauri 2021 Bijlage 9). Het veldbezoek betrof onderzoek naar de aanwezigheid van beschermde planten en diersoorten. Uit dit onderzoek is gebleken dat nader onderzoek verder niet noodzakelijk is. Het veldbezoek is afdoende om een goede inschatting te maken van de geschiktheid voor beschermde soorten. Op basis van de aard en het gebruik van het plangebied en van de omgeving, de inrichting, de uitgevoerde inspectie en de gegevenscheck kan geconcludeerd worden dat door de voorgenomen kap van bomen geen overtredingen op grond van de Wet natuurbescherming plaatsvinen, mits rekening gehouden wordt met eventueel aanwezige in gebruik zijnde resten en aanwezige dieren. Wel wordt geadviseerd om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren, de kans op aanwezigheid van in gebruik zijnde nesten is dan verwaarloosbaar.

4.13

Waterparagraaf

Het doel van de waterparagraaf is om water een uitgesproken en inhoudelijk betere plaats te geven bij het opstellen en beoordelen van alle waterhuishoudkundig relevante plannen. De waterparagraaf vraagt niet alleen om een beschrijving van de waterhuishoudkundige situatie en de invloed die de voorgestane ruimtelijke ontwikkelingen hebben, maar ook een vroegtijdig overleg met waterbeheerders. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt de waterparagraaf gebruikt om de beoogde gebruiksfuncties en waterbelangen op elkaar af te stemmen. 4.13.1 Nationaal Waterplan 2016-2021 Algemeen

48

bestemmingsplan Meerdel

Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan (Wind op Zee buiten 12 nautische mijl en verankering rijksbeleid Deltabeslissingen). Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is in Nederland verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast.

Vanuit de verantwoordelijkheid voor het watersysteem verankert het Rijk de volgende principes: Integraal waterbeheer: Het kabinet houdt vast aan een integrale aanpak van de wateropgaven, door opgaven op het gebied van waterkwantiteit (waterveiligheid en wateroverlast), waterkwaliteit en gebruik van (zoet) water in natte en droge situaties in samenhang te beschouwen. Afwenteling voorkomen: Het kabinet wil voorkomen dat waterkwantiteits- en waterkwaliteitsproblemen worden afgewenteld in de ruimte en de tijd, zoals het afwentelen van bovenstrooms veroorzaakte waterkwaliteitsproblemen op benedenstrooms gelegen wateren. Omafwenteling te voorkomen,maken beheerders onderling afspraken over acceptabele hoeveelheden en de kwaliteit van het te ontvangen water. Om afwenteling te voorkomen gelden ook de volgende tritsen: 1. vasthouden-bergen-afvoeren 2. schoonhouden-scheiden-schoonmaken Ruimte en water verbinden: Bij de aanpak van wateropgaven en de uitvoering van maatregelen vindt vooraf afstemming plaats met de andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied. Het doel is dat de scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of elkaar versterken. Met deze anpak is het vaak mogelijk het waterbeheer te verbeteren en tegelijk de economie en de leefomgeving te versterken tegen lagere kosten.

Rijn-Maasdelta Het plangebied is gelegen binnen het gebied aangeduid als Rijn-Maasdelta. Het hoofdwatersysteem in de Rijn-Maasdelta is onder te verdelen in drie gebieden. De aanpak verschilt per gebied. Waar de waterstanden hoofdzakelijk bepaald worden door de waterstand op zee, kiest het kabinet ervoor om de waterveiligheid vooral te borgen door dijkversterking in combinatie met de inzet van de stormvloedkeringen. In het deel van het rivierengebied waar de waterstand hoofdzakelijk wordt bepaald door de (piek)afvoer van de rivieren, wordt de waterveiligheid vooral geborgd door de combinatie van dijkversterking en –waar relevant en mogelijk- rivierverruimende maatregelen. In het overgangsgebied tussen het zee- en het riviergedomineerde gebied geldt een combinatie van beide benaderingen.

Onderhavig plangebied maakt deel uit van het rivierengebied van de Rijn-Maasdelta. Het waterveiligheidsbeleid berust hier op twee pijlers: rivierverruiming en dijkversterking. Rond het plangebied zijn vanuit het Nationaal Waterplan geen specifieke maatregelen met betrekking tot het aspect water gepland aangezien het op ruime afstand is gelegen van de nabijgelegen Maas. 4.13.2 Waterschap Limburg De wijze waarop Waterschap Limburg adviseert over de wateraspecten rondom ruimtelijke ontwikkelingen is beschreven in het Waterbeheerplan 2016-2021. Dit is nader geconcretiseerd in de zogenoemde Keur van het waterschap. Uitgangspunten van het Waterschap Limburg met betrekking tot het waterbeheer zijn onder andere: 1. 2. 3.

Circa 10% van het plangebied reserveren voor water Rekening houden met hoogteverschillen in plangebied en omgeving Uitvoeren van bodem- en infiltratieonderzoek en bepalen grondwaterstand

bestemmingsplan Meerdel

49

4. 5. 6. 7. 8. 9.

Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwaliteit Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwantiteit Toepassen voorkeurstabel afkoppelen Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren op 80 mm per twee uur (ten zuiden van Sittard), met een beschikbaarheid van de gehele berging binnen 24 uur Beheer en onderhoud regelen. Denk aan bereikbaarheid, controlemogelijkheid, verantwoordelijkheid Watersysteem verankeren in het bestemmingsplan

Uitsnede Legger met globale aanduiding plangebied

Op basis van de Legger wordt geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied geen oppervlaktewateren of andere waterstaatwerken aanwezig zijn. Ook is het plangebied niet gelegen in een beschermingszone, zoals bijvoorbeeld een beschermingszone van een watergang of een grondwaterbeschermingsgebied. 4.13.3 Invloed planvoornemen Onderhavig planvoornemen ziet toe op de bouw van 15 woningen met bijbehorende voorzieningen zoals opritten, terrassen, tuinpaden en een ontsluitingsweg. Het plangebied is nu nog onbebouwd. Ten gevolge van het planvoornemen neemt het verhard oppervlak dan ook toe. De toename aan verhard oppervlak ten gevolge van het planvoornemen wordt geschat op: bestrating 691 m2 ( 551 m2 + 140 m2) Half open bestrating 265,5 m2 (50% van 531 m2) Uitgeefbare gronden 2.004 m2 (50% van 4.008 m2) Totaal verharding 2.960,5 m2 Uitgaande van de bergingseis 80 mm van het waterschap voor Zuid Limburg bedraagt de benodigde bergingscapaciteit voor de opvang van het hemelwater 236,84 m3 (0.08 x 2.960,5m2 ). Dit is afgerond 240 m3 . De voorkeur gaat er naar uit om een gezamelijke wadi aan te leggen met voldoende capaciteit voor de opvang van het hemelwater van zowel de openbare ruimte als de woonpercelen. Hiermee wordt voorkomen dat iedereen afzonderlijk een dure voorziening op eigen terrein moet treffen voor de opvang van het hemelwater.

50

bestemmingsplan Meerdel

Deze wadi is voorzien aan de achterzijde van de 'wooneilandjes' parallel aan de holle weg. Deze wordt geintegreerd in de beoogde groene inrichting van deze rand als overgang naar het aangrenzende buitengebied en de holle weg in het bijzonder.

Voorkomen wateroverlast Door bij het bepalen van het bouwpeil en afschot hiermee rekening te houden, wordt voorkomen dat water in de te realiseren woningen kan vloeien. Daarnaast kan ten aanzien van wateroverlast voor derden worden gesteld dat hiervan geen sprake zal zijn. De beoogde infiltratievoorziening zal voldoende capaciteit hebben om het hemelwater te bergen, zodat het ter plaatse kan infiltreren in de bodem. Tevens is een overstort voorzien naar de bestaande buffers in het aangrenzende buitengebied, waardoor er voor derden geen wateroverlast te verwachten is.

Afvalwater Onder de nieuwe ontsluitingsweg wordt een gescheiden rioolstelsel aangegelegd. De nieuwe woningen worden voor de afvoer van het afvalwater hierop aangesloten. Het afvalwater als gevolg van onderhavige planontwikkeling zal verder afgevoerd worden via de gemeentelijke riolering van de gemeente Stein. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het afvoeren van afvalwater via de gemeentelijke riolering vereist en daarmee tevens de beste optie.

bestemmingsplan Meerdel

51

52

bestemmingsplan Meerdel

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische opzet

Inleiding

Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast.

5.2

Uitgangspunten

5.2.1 Wettelijk kader Het wettelijk kader voor de inhoud en de vaststellingsprocedure van een bestemmingsplan wordt sinds 1 juli 2008 gevormd door de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en is verder ingevuld door het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro). De Wro, het Bro en de Rsro bevatten regels ten aanzien van de (digitale) vormgeving, inhoud en raadpleegbaarheid van bestemmingsplannen, met als doel bestemmingsplannen uniform vergelijkbaar en uitwisselbaar te maken. 5.2.2 Planonderdelen Een bestemmingsplan bestaat in elk geval uit een verbeelding (kaart) en planregels, die samen het juridisch deel van het bestemmingsplan vormen. Daarnaast gaat het bestemmingsplan vergezeld van een toelichting, die voorziet in de motivatie en onderbouwing van en de toelichting op de keuzes die zijn gemaakt om te komen tot de verbeelding en regels. Een bestemmingsplan kan ook bijlagen bevatten. Indien de bijlagen een relatie hebben met de regels worden ze opgenomen als bijlage bij de regels, zoals bijvoorbeeld een Staat van bedrijfsactiviteiten. Indien de bijlagen bijdragen aan de onderbouwing c.q. motivatie van het plan worden ze opgenomen als bijlage bij de toelichting, zoals rapporten van onderzoeken die ten behoeve van het plan zijn uitgevoerd.

5.2.3 Inhoud algemeen Bij het opstellen van de verbeelding en regels van het bestemmingsplan is voldaan aan het bepaalde in de Wro, Bro en de Rsro. Voor het overige is zoveel mogelijk aangesloten bij de gemeentelijke standaarden en plansystematiek. De structuur van het plan is zodanig dat de kaart de primaire informatie geeft over de van toepassing zijnde bestemming. In de regels kan vervolgens worden teruggelezen welke gebruiks- en bouwmogelijkheden voor de betreffende bestemming gelden. Behalve bestemmingen kan de verbeelding onder meer aanduidingen en maatvoeringsvlakken bevatten om binnen een bestemming te kunnen voorzien in maatwerk voor een bepaalde locatie. In dat geval zijn steeds ook regels verbonden aan deze aanduidingen en maatvoeringsvlakken.

bestemmingsplan Meerdel

53

5.3

Toelichting op de planregels

De regels zijn conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012), welke als bijlage onderdeel uitmaakt van de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro) opgebouwd en bevatten allereerst begripsomschrijvingen en meetvoorschriften om respectievelijk interpretatie- en meetverschillen uit te sluiten (hoofdstuk 1). Vervolgens zijn in hoofdstuk 2 de regels voor de afzonderlijke bestemmingen en dubbelbestemmingen opgenomen, waarbij voor elke bestemming is voorzien in een apart artikel. Voor zover behoefte bestaat aan het opnemen van regels die niet zijn gebonden aan een specifieke bestemming, maar gelden voor het gehele dan wel een gedeelte van het plangebied, dan zijn de betreffende regels opgenomen in hoofdstuk 3 van de regels. Indien de betreffende regels betrekking hebben op slechts een gedeelte van het plangebied, dan wordt dat op de verbeelding aangegeven door middel van een zogenoemde gebiedsaanduiding.

De bestemmingsregels zijn in beginsel steeds op dezelfde manier opgebouwd: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.

Bestemmingsomschrijving; Bouwregels; Nadere eisen; Afwijken van de bouwregels; Specifieke gebruiksregels; Afwijken van de gebruiksregels; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; Wijzigingsbevoegdheid.

Hoe gronden met een bepaalde bestemming mogen worden gebruikt is primair beschreven in de bestemmingsomschrijving. Eventuele aanvullingen of uitzonderingen zijn opgenomen in de specifieke gebruiksregels. De bouwregels bevatten de regels ten aanzien van de mogelijkheden om gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde op te richten. Zowel ten aanzien van gebruik als bouwen geldt dat binnen een bepaalde marge kan worden voorzien in mogelijkheden om af te wijken van de bouw- en gebruiksregels. Deze mogelijkheden zijn opgenomen onder respectievelijk 'Afwijken van de bouwregels' en 'Afwijken van de gebruiksregels'. Voor zover gewenst kan in de regels voor een bestemming worden voorzien in een vergunningstelsel voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden. Deze vergunningstelsels dienen dan veelal ter bescherming van binnen de bestemming voorkomende waarden of ter bescherming van bijvoorbeeld ondergrondse leidingen. Indien gewenst kan ook worden voorzien in een bevoegdheid om een bestemming geheel dan wel gedeeltelijk te wijzigingen in een andere bestemming. Dergelijke bevoegdheden worden opgenomen onder het kopje 'Wijzigingsbevoegdheid'. Naast voornoemde veel voorkomende onderdelen van bestemmingsregels kan worden voorzien in een vergunningstelsel voor het slopen van bebouwing en specifieke procedureregels.

5.4

Bestemmingen

5.4.1 Groen Ter plaatse van de bestemming 'Groen' zijn gronden bestemd voor het handhaven van groenzones/-elementen om daarmee de woon- en omgevingskwaliteit te waarborgen. Binnen de bestemming 'Groen' is de aanleg van voet- en fietspaden, speelvoorzieningen, kunstobjecten, voorzieningen van openbaar nut, alsmede waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan. De bouwmogelijkheden zijn beperkt tot de noodzakelijke bouwwerken ten behoeve van het functioneren van de openbare ruimte.

54

bestemmingsplan Meerdel

In onderhavige situatie zijn aan de bestemming 'Groen' de aanduidingen 'ontsluiting' en parkeerterrein toegevoegd ten behoeve van de aanleg van inritten/opritten door het groen voor de ontsluiting van de woningen vanaf de nieuwe ontsluitingsweg. Het zelfde geldt voor de aanleg van parkeerplaatsen in het groen. 5.4.2 Natuur De voor natuur aangewezen gronden zijn bestemd voor: instandhouding, versterking en ontwikkeling van natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden, alsmede wandel-, voet- en fietspaden. Op deze gronden geldt een bouwverbod met uitzondering van ondergeschikte c.q. kleinschalige bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van de bestemming 'Natuur'. 5.4.3 Verkeer Deze bestemming is gericht op de afwikkeling van het verkeer. Naast wegverkeer zijn onder meer ook voet- en fietspaden, groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en parkeervoorzieningen toegestaan. De (ontsluitings)wegen en paden, alsmede de parkeervoorzieningen binnen het plangebied krijgen de bestemming 'Verkeer'. De bouwmogelijkheden zijn beperkt tot de noodzakelijke bouwwerken ten behoeve van het functioneren van de openbare ruimte.

5.4.4 Wonen Deze gronden zijn bestemd voor wonen, met daaraan ondergeschikt aan huis verbonden beroepen, een webshop aan huis en de (overige) daarbij behorende voorzieningen, zoals parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en verhardingen. Per bouwvlak is het aantal woningen toegestaan zoals op de verbeelding ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' aangegeven. Bijgebouwen mogen enkel gebouwd worden ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' tot een maximaal oppervlakte van 75 m2 . In de bouwregels is de verdere maatvoering binnen het plangebied uitgewerkt. Tevens zijn in de regels nadere bepalingen opgenomen voor gebouwen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Bijgebouwen ten behoeve van uitbreiding van de woning (aangebouwd) mogen ingericht en gebruikt worden als verblijfsruimtes ten dienste van de woonfunctie. Deze aangebouwde bijgebouwen moeten in bouwkundig en architectonisch opzicht ondergeschikt zijn aan het hoofdgebouw, maar maken functioneel onderdeel uit van de woning.

5.5

Algemene regels

5.5.1 Anti-dubbeltelregel Overeenkomstig het Besluit ruimtelijke ordening is de anti-dubbeltelregel opgenomen. Deze regel wordt opgenomen om bijvoorbeeld te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel of een bepaalde oppervlakte van een bouwperceel mogen beslaan, het resterende onbebouwde terrein ook nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. 5.5.2 Algemene bouwregels Voor het hele plangebied, en dus alle bestemmingen, gelden een aantal algemene bouwregels, conform de Bro. Deze hoeven dus niet opgenomen te worden in de afzonderlijke bestemmingen. In de algemene bouwregels van dit bestemmingsplan is een regeling opgenomen omtrent ondergronds bouwen ten behoeve van bijvoorbeeld kelders en zwembaden.

bestemmingsplan Meerdel

55

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Stein&id=ecf227ca-fc61-4cec-822b-059f3f7a79e9