CConstaterende datStein
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Ontwerpbestemmingsplan Meerdel.pdf

Beeldvormende bijeenkomst 21 april 2021, gemeente SteinBij agendapunt: Raadsvoorstel Woningbouwontwikkeling Meerdel25.252 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De varianten 'Boog' en 'Eclips' worden hierna afzonderlijk nader toegelicht.

bestemmingsplan Meerdel

11

2.4.1 Variant Boog In de stedenbouwkundige variant 'Boog' wordt de straat Meerdel in een boog doorgetrokken, waarna deze doodloopt tegen de tuinen van de woningen gelegen aan de Elserheggen. De bebouwing is in deze variant grotendeels binnen het aangewezen bestemmingsvlak 'Wonen-Uit te werken' gesitueerd. Wel wordt op de met 'Groen' bestemde grond, aan de bestaande bebouwing aan de noordzijde van de Meerdel, uitgeweken waardoor de als 'Groen' bestemde grond wordt bebouwd en de karakteriserende groene wig hier verdwijnt. Onderstaande afbeelding geeft de variant weer.

Stedenbouwkundige variant 'Boog' (ontwerp door Casper Slijpen)

De bebouwing is, in tegenstelling tot de bebouwingstructuur van Elsloo Noord, niet naar de straatzijde gericht maar van de straat af. Hierdoor is de voorkant van de bebouwing aan de parkzijde gesitueerd langs één rooilijn, waardoor er visueel gezien een contrast wordt gevormd tussen de lijnbebouwing en organische structuur van het park. Aan de straatzijde van de Meerdel is ter hoogte van de nieuwe woningen sprake van een achterkant situatie, waaraan de tuinen en parkeerplaatsen gesitueerd zijn. Hierdoor ontstaan aan de Meerdel, ter hoogte van de nieuwe woningen, een wisseling van de oriëntatie van de woningen.

Door de noordwestelijke oriëntatie van de tuinen kan lang geprofiteerd worden van de avondzon. In iedere tuin is één parkeerplaats ingetekend. Voor de rest van de parkeerplaatsen is een centrale parkeerplek aan het overzijde van de doodlopende straat voorzien.

In de (rest)hoeken tussen de straat en bebouwing aan de overzijde van de boogvormige weg is groen opgenomen, waardoor een groene overgang naar de bestaande woningen wordt gerealiseerd. Door de situering van parkeergelegenheden aan de straatzijde en de onzekerheid of de tuinen ook werkelijk een

12

bestemmingsplan Meerdel

dergelijke groene uitstraling (erfafscheidingen) zullen krijgen, is echter het risico aanwezig op een 'rommelige' situatie. 2.4.2 Variant Eclips In de stedenbouwkundige variant 'Eclips' wordt juist aan de bestaande noordelijke bebouwing van het wooncluster Meerdel aangesloten. De bebouwing is hierbij in eclips vorm gesitueerd rond een centraal plein. Onderstaande afbeelding geeft de variant weer.

Stedenbouwkundig ontwerp 'Eclips' (ontwerp door Casper Slijpen)

In tegenstelling tot de variant 'Boog', ontstaat bij de variant 'Eclips' een groter verhard oppervlak in de vorm van een plein. Hierbij vindt, net als elders in Meerdel, parkeren deels plaats in een verharde voortuin. Het overig deel van de parkeerplaatsen wordt gesitueerd aan de westzijde van de planlocatie, ten oosten van Meerdel 24. Ook hier behoeft de verkeerskundige situatie extra aandacht, omdat in deze variant maar geringe ruimte overblijft tussen de straat en de parkeerplaatsen.

Door de situering van de huizen naar de straatzijde ontstaat er geen achterkant situatie en is de sociale controle op het plein groter. Het feit dat de afstand van de huizen tot het plein kleiner is, draagt hier ook aan bij. De tuinen zijn over het algemeen groter dan in de variant 'Boog'. Dit komt doordat de tuinen minder diep, maar wel breder zijn opgezet. Verder zijn met name voor de zuidelijke woningen de tuinen op het zuiden georiënteerd, wat over het algemeen als een gunstige ligging kan worden gezien.

Door de gecreëerde eclips sluiten de woningen beter aan op de bestaande woningen. Ook ontstaat er aan de zuidzijde van de planlocatie meer ruimte voor groen. Er is hierdoor sprake van een betere overgang richting de woningen ten zuiden van de Elserveldstraat. Dit betekent tevens dat het groen nadrukkelijker de wijk in

bestemmingsplan Meerdel

13

komt, namelijk van 'buiten' naar 'binnen'. 2.4.3 Variant CPO Natuurlijk is binnen een CPO-project het ontwikkelen van een stedenbouwkundige variant geen taak van de gemeente en Zaam Wonen, maar een taak van de CPO-vereniging zelf. De CPO kon zich in mindere mate vinden in beide op initiatief van de gemeente en Zaam Wonen ontwikkelde varianten. De CPO-vereniging heeft, in samenspraak met een architectenbureau, een variant uitgewerkt die wel voldoet aan de wensen van de leden van de CPO-vereniging. Belangrijke uitgangspunten waren hierbij: unieke locatie; Urdal verbinding; natuurlijk groen; wonen in het groen; eigenwijs wijkje; losgekoppeld van bestaande stuctuur; gehuchtje met eigen identiteit. Op basis hiervan is de stedenbouwkundige inrichting nader uitgewerkt (zie paragraaf 2.5)

2.5

Planvoornemen

Het planvoornemen betreft de realisatie van 15 woningen als afronding van het wooncluster Meerdel ter plaatse van voormalige woonwagenstandplaatsen en is primair gericht op jongeren en starters. Het project beslaat 10 koopwoningen en vijf sociale huurwoningen, die worden ontwikkeld door Zaam Wonen. Duurzame woningen vormen hierbij een uitgangspunt: woningen die in ieder geval gasloos worden gerealiseerd.

In aansluiting op het bestaande wooncluster Meerdel krijgt het planvoornemen een meer organisch karakter als overgang van de bestaande woningen naar het aangrenzende groen van de holle weg. Hierdoor is sprake van een geleidelijke en natuurlijke overgang, waarbij de nieuwe ontsluitingsweg in het verlengde van de Meerdel het plangebied in twee delen opsplitst. Aan de westzijde van de ontsluitingsweg de vijf sociale huurwoningen en twee halfvrijstaande koopwoninen, die met hun achtertuinen aansluiten op de achtertuinen van de bestaande wonignen. Aan de oostzijde van de ontsluitingsweg worden de overige woningen twee aan twee in vier afzonderlijke 'wooneilandjes' gesitueerd. De nieuwe ontsluitingsweg ligt hier als een slinger tussen.

14

bestemmingsplan Meerdel

Definitief stedenbouwkundig ontwerp (zie tevens Bijlage 1)

Doordat de woningen aan de oostzijde in vier 'wooneilandjes' zijn gesitueerd komt het groen nadrukkelijk het plangebied in en loopt helemaal door tot aan de 7 woningen ten westen van de nieuwe ontsluitingsweg en tot aan de bestaande woningen aan de overzijde van de Elserveldstraat. Hiermee komt het groen aan deze zijde het wooncluster in in plaats dat het achter de woningen blijft. Dit groen draagt sterk bij aan de kwaliteit van de inrichting van het plangebied en is vrij toegankelijk. Om geen verrommeling van het groen te krijgen is het wenselijk dat op de perceelsgrenzen uitsluitend groene erfafscheidingen worden geplaatst met aansluitend opgande beplanting zodat de 'wooneilandjes' in het groen komen te legen. Voor de rest heeft het groen een open karakter om de zichtlijnen naar het achterterrein c.q. holle weg te waarborgen. Verder wordt parallel aan de holle weg een wadi voor de opvang van het hemelwater aangelegd.

In het groen ten westen van de ontsluitingsweg aan de voorzijde van de vijf sociale huurwoningen en twee halfvrijstaande wonignen worden tevens de benodigde ontsluitingspaden en parkeerplaatsen aangelegd. Er

bestemmingsplan Meerdel

15

wordt in de openbare ruimte voorzien in 18 parkeerplaatsen. Tevens wordt aan de noordzijde van deze woningen voorzien in een achterom pad zodat de tuinen van de sociale huurwoningen bereikbaar zijn.

Verkeer Door toevoeging van 15 woningen is ter plaatse van het plangebied en de directe omgeving ervan een lichte toename in de verkeersdruk te verwachten. Echter, de bestaande infrastructuur en de nieuwe ontsluitingsweg zijn in staat deze lichte toename in verkeersdruk probleemloos op te vangen. Derhalve zijn geen negatieve gevolgen ten aanzien van de verkeersveiligheid te verwachten.

De nieuwe ontsluitingsweg bestaat enkel uit een rijbaan met aan weerszijde een rabatstrook

Parkeren Gemeente Stein heeft, gebaseerd op een parkeerstudie uitgevoerd door Royal Haskoning, de nota Gemeentelijk Parkeerbeleid opgesteld. De nota Gemeentelijk Parkeerbeleid dient als belangrijk instrument in het realiseren van het beleid op gebied van verkeer en vervoer, milieu en ruimtelijke ordening. In de nota zijn o.a. parkeernormen voor nieuwbouw opgenomen met als doel het parkeren en stallen van auto's zodanig te organiseren dat leefbaarheid, verkeersveiligheid en bereikbaarheid niet in het gedrang komen.

Op basis van de parkeernormen als opgenomen in de 'Nota Parkeerbeleid Gemeente Stein' geldt voor een 'woning nieuw gemiddelde prijs' een parkeernorm van 1,85 parkeerplaats per woning. Voor een 'woning nieuw goedkoop' geldt een parkeernorm van 1,55 parkeerplaats per woning. Tot slot geldt dat rekening moet worden gehouden met het parkeren door bezoekers. Voor het bezoekersparkeren geldt een norm van 0,3 parkeerplaats per woning. Gelet op bovenstaande parkeernormen in relatie tot de te realiseren woningen, wordt uitgekomen op een totale parkeerbehoefte van 31 parkeerplaatsen (zie ook onderstaande tabel).

Norm Aantal Woning nieuw gemiddelde 1,85 pp per woning 9 prijs Woning nieuw goedkoop 1,55 pp per woning 6 Totaal Bezoekersparkeren 0,3 pp per woning 15 Berekening parkeerbehoefte o.b.v. parkeernormen gemeente Stein

Totaal 16,65 9,30 25,95 (afgerond 26 pp) 4,5 (afgerond 5 pp)

Er worden 20 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. In de openbare ruimte worden 17 parkeerplaatsen gerealiseerd. In totaal betreffen dit 37 parkeerplaatsen. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de vereiste parkeernorm en het bezoekersparkeren. Er wordt zelf voorzien in enige overcapaciteit. Dit betreft met namde de 'parkeerkoffers' aan de noordzijde van het plangebied en aan de Elserveldstraat. Deze parkeerplaatsen zijn met name bedoeld voor het parkeren van auto's die hier nu ook al geparkeerd worden van woningen buiten het plangebied.

Groeninrichting Zoals hiervoor aangegeven worden de woningen in het groen gesitueerd en omkaderd door groene erfafscheidingen en opgaande beplanting. De ruimte met het open karakter wordt als gransland ingericht.

16

bestemmingsplan Meerdel

Woningen omkaderd met groen en graslandschap

Impressie groene omzooming 'wooneilandjes'

bestemmingsplan Meerdel

17

Impressie graslandschap

De ontsluitingspadden en parkeerplaatsen in het groen worden in een halfopen verharding aangelegd zodat deze het groen karakter niet verstoren.

Imprssie verhardingen

Privacy en bezonning De woningen gesitueerd twee aan twee in de 'wooneilandjes' (ten oosten van de ontsluitingsweg) zijn solitaire gesitueerd in het groen. Het betrefffen nieuwe situaties. Door de ligging het het groen en de afstand tot de bestaande woningen is geen sprake van inbreuk op de privacy en aantasting van de bezonning van bestaande woningen. Tussen het meest noordelijke 'wooneilandje' en de bestaande woning is een scheiding van groen. Daarnaast zijn de bestaande woning en de nieuwe woning met de zijkanten naar elkaar gesitueerd. Door de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens en het tussenliggende groen is sprake van een regulier woonsituatie. Hetzelfde geldt voor de 2 meest zuidelijk gelegen 'wooneilandjes'. Echter hier is sprake van een voorkant-voorkant situatie met de bestaande woningen aan de overzijde van de weg. Door een zodanige positionering van de nieuwe woningen in combinatie met het groen ontstaat de stuatie dat de bestaande woningen overwegend op het groen uitkijken.

De woningen ten westen van de nieuwe ontsluitings weg liggen met hun tuinen ruggelings aan de bestaande woningen aan de Elserhegge. Echter door de afstand en het tussenligende groen blijft de privacy en bezonning van deze bestaande wonignen gewaarborgd.

18

bestemmingsplan Meerdel

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Inleiding

Bij ieder plan vindt inkadering binnen het beleid van de overheid plaats. Door een toetsing aan rijks-, provinciaal, en gemeentelijk beleid ontstaat een duidelijk beeld van de marges waarbinnen het bestemmingsplan wordt opgezet. De beleidsinkadering dient een compleet beeld te geven van de ruimtelijke overwegingen en het relevante planologisch beleid.

Gemeenten zijn niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincies geven met het door hen gevoerde en vastgelegde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. De belangrijkste kaders van Rijk en de provincie Limburg worden in het kort weergegeven, omdat deze zoals gezegd randvoorwaarden geven voor het lokale maatwerk in het bestemmingsplan. Tevens komt de ladder voor duurzame verstedelijking en het gemeentelijk beleid in dit hoofstuk aan bod.

3.2

Rijksbeleid

3.2.1 Nationale omgevingsvisie (NOVI) De nationale omgevingsvisie (NOVI) is op 11 september 2020 vastgesteld. Deze visie is door het rijk opgesteld in het kader van de nieuwe omgevingswet, die per 1 januari 2022 in werking treedt. Aan de aan van een toekomstperspectief is hierin de langetermijnvisie in beeld gebracht. Op nationale belangen wil het Rijk (net als nu) sturen en richting geven. Hiervoor worden de volgende vier prioriteiten onderscheiden: 1. 2. 3. 4.

Ruimte voor klimaat adaptatie. Duurzaam economisch groeipotentieel. Sterke en gezonde steden en regio's. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Om invulling te kunnen geven aan deze vier prioriteiten hanteert het rijk de volgende drie afwegingsprincipes: 1. 2. 3.

Combinaties van functies gaat voor enkelvoudige functies. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Afwentelen wordt voorkomen.

Met de NOVI wordt gebouwd aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden, waarbij wordt gestreefd naar de verdere ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. De wens is om daar naar toe te groeien en een goed bereikbaar netwerk van steden en regio’s te realiseren. De grote actuele woningbehoefte vraagt tegelijkertijd om oplossingen op korte termijn. Het kabinet heeft voor de korte termijn daarom een pakket aan maatregelen voorgesteld om de woningbouw een nieuwe, stevige impuls te geven. De locaties bevinden zich in het Stedelijk Netwerk Nederland. Het planvoornemen vindt plaats in lijn met de ambities van de integrale verstedelijkingsstrategie, zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied, klimaatbestendig en natuurinclusief. Grote open ruimten tussen de steden houden hun groene karakter. Het aanbod en de kwaliteit van het groen in de stad worden versterkt en de aansluiting op het groene gebied buiten de stad wordt verbeterd.

De opgave is daarbij om de veiligheid en gezondheid van onze leefomgeving zodanig te verbeteren dat in 2050 negatieve omgevingseffecten op onze gezondheid naar een verwaarloosbaar laag niveau zijn gebracht.

bestemmingsplan Meerdel

19

Daarnaast streeft het kabinet ernaar om in 2030 te voldoen aan de huidige WHO-advieswaarden. Ook het tot een verwaarloosbaar niveau terugbrengen van omgevingsrisico's als gevolg van industriële activiteiten en transport (omgevingsveiligheid) is onderdeel van de opgave'

In dat kader wordt voortgeborduurd op de SVIR en voorziet het planvoornemen in de ontwikkeling van 15 grondgebonden woningen in stedelijk gebied te plaatse van een voormalige woonwagenlocatie. De woningen worden klimaatbestendig en duurzaam gerealiseerd. Daarnaast wordt nadrukkelijk aangesloten op het aangrenzende landschap waarbij het landschap onderdeel is van het planvoornemen en daarmee ter plaatse versterkt wordt. Het planvoornemen draagt daarmee bij aan de afronding van de bebouwingsrand en aan de ontwikkeling van een sterke, aantrekkelijke en gezonde stad. 3.2.2 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 vastgesteld en in werking getreden. De SVIR vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de Mobiliteits Aanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving en vervangt enkele ruimtelijke doelen en uitspraken uit andere documenten. In deze visie schetst het Rijk de ambities tot 2040 en de doelen, belangen en opgaven tot 2028. Daarmee moet Nederland concurrerend, bereikbaar en veilig worden.

Anders dan in de voormalige Nota Ruimte gaat de structuurvisie uit van het adagium 'decentraal, tenzij'. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap (waaronder het beleid voor Nationale Landschappen) laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol. Het Rijk borgt dat het rivierensysteem ruimte houdt om water over Rijntakken en Maas veilig af te voeren, ook voor de lange termijn, mede ter bescherming van het binnendijkse plangebied. Het belang van bescherming van de buisleidingen is in een aparte structuurvisie vastgelegd.

Onderhavige ontwikkeling is niet gelegen in of nabij een gebied waarin het rijk een nationaal belang heeft aangewezen. Derhalve heeft de SVIR geen consequenties voor voorliggend plan. Het is aan de gemeente zelf om medewerking te verlenen voor kleinschalige natuurlijke groen en voor het bouwen van huiszen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Hier is in onderhavige situatie sprake van. Middels een CPO-constructie wordt onderhavig planvoornemen helemaal afgestemd op de woonwensen van de deelnemers. 3.2.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel bekend als de AMvB Ruimte, zijn 13 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen met het oog op een goede ruimtelijke ordening.

Het Barro is op 30 december 2011 deels in werking getreden en met enkele onderwerpen aangevuld per 1 oktober 2012. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Dit betreft onder meer Natuurnetwerk Nederland en Erfgoederen van uitzonderlijke

20

bestemmingsplan Meerdel

universele waarde.

Onderhavige ontwikkeling heeft geen gevolgen voor aangewezen nationale belangen. Er zijn geen nationale belangen van toepassing op het plangebied, derhalve heeft het Barro geen consequenties voor voorliggend bestemmingsplan. 3.2.4 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening Naast het Barro is ook de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) in werking getreden. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen, gebieden, objecten en zones worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen/wijzigingsplannen rekening mee moeten houden. In de Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven.

Onderhavige ontwikkeling heeft geen gevolgen voor aangewezen nationale belangen. Er zijn geen nationale belangen van toepassing op het plangebied, derhalve heeft de Rarro geen consequenties voor voorliggend bestemmingsplan. 3.2.5 Besluit ruimtelijke ordening: ladder voor duurzame verstedelijking Op grond van artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening dienen overheden nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren. Per 1 juli 2017 zijn de 3 treden van de Ladder losgelaten en geldt dat de toelichting bij een bestemmingsplan die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaande stedelijk gebied, een motivatie waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Zoals gezegd is de Ladder-onderbouwing verplicht voor 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen'. Onder stedelijke ontwikkeling wordt de ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, zeehaventerrein, kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen verstaan. Deze laatste categorie is in de handreiking bij de Ladder voor duurzame verstedelijking (ministerie van Infrastructuur en Milieu) nader gespecificeerd in accommodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoor sport en leisure.

In de definitie voor stedelijke ontwikkeling (artikel 1.1.1 lid 1 sub i van het Bro) is geen ondergrens opgenomen. Hieruit zou men kunnen concluderen dat iedere stedelijke ontwikkeling, hoe kleinschalig dan ook, valt binnen het toepassingsbereik van de Ladder. Echter, uit vaste jurisprudentie van de Afdeling blijkt dat er wel sprake kan zijn van een voorziene ontwikkeling die te kleinschalig is om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. Volgens vaste jurisprudentie zijn 11 woningen (welke op één en dezelfde locatie worden gerealiseerd) het maximale aantal woningen wat door de Afdeling als te kleinschalig wordt geacht om als een stedelijke ontwikkeling te kunnen worden gekwalificeerd. Het minimale aantal woningen wat gerealiseerd moet worden (op dezelfde locatie) om als stedelijke ontwikkeling te worden gekwalificeerd is aldus 12.

Het planvoornemen voorziet in de realisatie van 15 woningen. Van deze woningen zijn er 10 reeds planologisch-juridisch geregeld door middel van een uitwerkingsverplichting in het vigerend bestemmingsplan. Op basis hiervan zou beoordeeld kunnen worden dat met onderhavig planvoornemen slechts vijf 'nieuwe' woningen extra planologisch-juridisch mogelijk worden gemaakt en dat daarom geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Echter, de tien voorziene woningen in het vigerend

bestemmingsplan Meerdel

21

bestemmingsplan vallen niet onder de harde planvoorraad. Om deze reden dienen ook de tien, middels een uitwerkingsverplichting, bestemde woningen als nieuwe ontwikkeling te worden beschouwd. In zijn geheel is daarmee sprake van de realisatie van 15 nieuwe woningen, aldus sprake van een stedelijke ontwikkeling. Gezien met onderhavig planvoornemen sprake is van een stedelijke ontwikkeling, dient aangetoond te worden dat aan de Ladder wordt voldaan. In dit kader wordt in onderstaande nader op de behoefte aan de 15 woningen en de ligging van de woningen ingegaan.

Onderhavig planvoornemen ziet toe op de realisatie van 15 woningen. De woningen worden, met uitzondering van een gedeelte aan de oostelijke zijde van het plangebied, gerealiseerd binnen bestaand stedelijk gebied van de gemeente Stein. De woningen zijn primair gericht op jongeren en starters: een specifieke doelgroep waar de behoefte aan dergelijke woningen groot is. De realisatie van deze woningen wordt dan ook ondersteund door een subsidie van de Provincie. Verder geldt dat alle 15 woningen reeds als dusdanig zijn opgenomen (en vastgesteld) in de regionale woningbouwprogrammering. De 10 woningen die waren voorzien in het vigerend bestemmingsplan, zijn ook al sinds lange tijd opgenomen in de gemeentelijke woningprogrammering. De woningen voorzien daarmee in een concrete behoefte. De 5 extra woningen dienen nog wel gecompenseerd te worden. Aangezien sprake is van een 'harde' toevoeging, moeten deze extra woningen gecompenseerd worden in de verhouding 1:4. Dit is conform de structuurvisie zoals die gold op moment dat met het project is gestart. Dit betekent dat er elders 20 woningen aan de woningvoorraad onttrokken moeten worden. In dit kader zijn er 20 bouwtitels, behorend bij de restcapaciteit het Centrumplan Stein, ingeleverd.

Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd dat het plan voorziet in een concrete woonbehoefte binnen stedelijk gebied. Door compensatie in de vorm van het inleveren van bouwtitels elders in de verhouding 1:4 (conform de structuurvisie zoals die gold op moment dat met het project is gestart) , wordt voorkomen dat het plan tot onnodig nieuw ruimtebeslag leidt. Tevens zal het plan geen zodanige leegstand tot gevolg hebben dat dit tot een, uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, onaanvaardbare situatie in het verzorgingsgebied van de voorziene ontwikkeling zal leiden. Geconcludeerd wordt dat aan de Ladder wordt voldaan.

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 Op 12 december 2014 is door Provinciale Staten het Provinciaal OmgevingsPlan 2014 (POL2014) vastgesteld. Het POL2014 is per 16 januari 2015 in werking getreden. Het POL 2014 heeft vier wettelijke functies: structuurvisie (Wet ruimtelijke ordening), provinciaal milieubeleidsplan (Wet milieubeheer), regionaal waterplan (Waterwet), Provinciaal Verkeer- en Vervoersplan (Planwet verkeer en vervoer).

In het POL 2014 komen alleen die zaken aan bod, die er op provinciaal niveau echt toe doen en die vragen om regionale oplossingen. Dat sluit aan bij de basisfilosofie en ook bij aanpak van de Rijksoverheid die zich beperkt tot een 13-tal nationale ruimtelijke belangen. Zo veel mogelijk ligt de verantwoordelijkheid bij gemeenten en andere partners die met hun lokale kennis prima maatwerk kunnen leveren.

In het POL staan de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat centraal. Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, het versnellen van de energietransitie, de fundamenteel veranderde opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op de klimaatverandering. De belangrijke principes in het Limburgs omgevingsbeleid zijn:

22

bestemmingsplan Meerdel

Kwaliteit staat centraal. Dat komt tot uiting in het koesteren van de gevarieerdheid van Limburg onder het motto 'meer stad, meer land', het bieden van ruimte voor verweving van functies, in kwaliteitsbewustzijn, en in dynamisch voorraadbeheer dat moet resulteren in een nieuwe vorm van groeien. Algemene principes voor duurzame verstedelijking sluiten hierop aan, zoals de ladder van duurzame verstedelijking en de prioriteit voor herbenutting van cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen. Uitnodigen staat centraal. Dat gaat meer over de manier waarop we samen met onze partners dat voortreffelijke leef- en vestigingsklimaat willen realiseren. Met instrumenten op maat en ruimte om te experimenteren. De provincie wil hierbij selectief zijn: het POL richt zich alleen op die zaken die er op provinciaal niveau echt toe doen en vragen om regionale oplossingen. De grote variatie in omgevingskwaliteiten is een kenmerk en sterk punt van Limburg. Om daaraan recht te doen, onderscheiden we in dit POL zeven globaal afgebakende gebiedstypen. Dit zijn zones met elk een eigen karakter, herkenbare eigen kernkwaliteiten, en met heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden.

Uitsnede kaart Zoneringen POL 2014

Zoals weergeven op bovenstaande kaart is het plangebied grotendeels gelegen in de zone 'Overig bebouwd gebied'. Deze zone beslaat alle gronden die in het stedelijk gebied en buiten stedelijke centra zijn gelegen. Het betreft gemengde woon/werkgebieden met voorzieningen, deels met een stedelijk karakter, deels met een dorpskarakter. De provinciale beleidsaccenten zijn hierbij gericht op: transformatie van de regionale woningvoorraad; bereikbaarheid; balans in voorzieningen en detailhandel; stedelijk groen en water; kwaliteit van de leefomgeving.

bestemmingsplan Meerdel

23

Een klein gedeelte van twee woonpercelen aan de oostelijke zijde van het plangebied is gelegen in de zone 'Buitengebied'. De zone 'Buitengebied' omvat een breed scala aan gebieden variërend van landbouwgebieden in algemene zin, glastuinbouwgebieden, ontwikkelingsgebieden intensieve veehouderij, verblijfsrecreatieve terreinen, stadsrandzones tot linten en clusters van bebouwing. De buitengebieden hebben vaak een agrarisch karakter met ruimte voor doorontwikkeling van agrarische bedrijven. Voor deze gebieden ligt het accent op het bieden van ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw en het terugdringen van de milieubelasting vanwege de landbouw. Daarnaast gaat de aandacht uit naar de kwaliteit en het functioneren van de ondergrond.

Gedeelte woonpercelen in zone 'buitengebied'

Tot slot geldt dat het plangebied in het noordoosten grenst aan het gebied dat is aangeduid als 'Goudgroene natuurzone'. Gebieden met de aanduiding 'Goudgroene natuurzone' betreffen gebieden waar natuur en natuurontwikkeling het primaat hebben vanwege de voorkomende waardevolle flora en fauna, vaak van (inter)nationale betekenis (zoals de Natura2000-gebieden). De landschappelijke waarden en natuurwaarden zijn hier op provinciaal niveau gewaarborgd. Het is om deze reden gewenst om met de situering van de woonpercelen buiten dit gebiedstype te blijven.

In dat kader heeft toetsing aan de kernkwaliteiten van het Zuid Limburgse landschap plaatsgevonden. Uit deze toetsing blijkt dat er op de juiste wijze conserverend wordt omgegaan met de meest belangrihjke waarden, te weten de holleweg met bijbehorende reliëfranden en gebiedseigen en karakteristieke belendende beplanting. Er worden geen kernkwaliteiten aangetast. Daarnaast wordt in aansluiting op en in samenbang met in het plangebied de groenstructuur versterkt zodat de holle weg met beplanting niet op zich zelf staat maar aan zal sluiten bij de groene dooradering van het plangebied. Dit versterkt de potentiele kwaliteit ter plaatse. Er wordt aldus invulling gegeven aan de beleidsdoelen en ambites op gebied van natuur, landschap en

24

bestemmingsplan Meerdel

occupatiegeschiedenis. De toetsing aan de kernkwaliteiten is bijgevoegd als Bijlage 2.

In de provinciale Omgevingsverordening (zie volgende paragraaf, 3.3.2) is er meer concreet invulling gegeven aan de kaders die in de Omgevingsvisie worden geschetst. Toetsing van het planvoornemen aan deze kaders vindt in deze paragraaf plaats. 3.3.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 Bij het POL2014 hoort de Omgevingsverordening Limburg. De juridische doorwerking van het omgevingsbeleid wordt in deze verordening geregeld. Naast bepalingen die voor iedereen gelden (gedragsregels), bevat de Omgevingsverordening ook een hoofdstuk "Ruimte", waarin instructieregels naar gemeenten zijn opgenomen. De te maken regionale bestuursafspraken worden in de Omgevingsverordening Limburg geborgd. De Omgevingsverordening Limburg 2014 is, net als het POL, op 12 december 2014 vastgesteld door Provinciale Staten en is per 16 januari 2015 in werking getreden.

De Omgevingsverordening Limburg was een samenvoeging van de Provinciale milieuverordening, de Wegenverordening, de Waterverordening en de Ontgrondingenverordening. De Omgevingsverordening Limburg is op 1 januari 2011 in werking getreden. In 2014 is de Omgevingsverordening opnieuw gewijzigd, vanwege de vaststelling van POL 2014, waarin is bepaald dat er een nieuw hoofdstuk "Ruimte" aan de Omgevingsverordening wordt toegevoegd. Dat hoofdstuk "Ruimte" is gericht op de doorwerking van het ruimtelijke beleid van POL 2014 naar gemeentelijke ruimtelijke plannen.

Het POL 2014 zet sterk in op het zoveel mogelijk concentreren van nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stedelijk gebied. In de omgevingsverordening komt dit tot uiting in de Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 2). Daarin wordt gesteld dat een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening houdt met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. In paragraaf 3.2.5 (ladder voor duurzame verstedelijking) is reeds besproken dat onderhavig planvoornemen een stedelijke ontwikkeling binnen hoofdzakelijk bestaand stedelijk gebied betreft en dat aan de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt voldaan. Hiermee wordt ook voldaan aan de kaders voor duurzame verstedelijking zoals opgenomen in het POL.

Verder is ten aanzien van het onderwerp 'Wonen' in het POL opgenomen dat een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Zuid-Limburg niet voorziet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg. Zoals beschreven in paragraaf 3.4.1, is de realisatie van de 15 woningen op onderhavige locatie passend binnen de Regionale Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg. Daarnaast dienen de 5 extra woningen zoals eerder aangegeven nog wel gecompenseerd te worden. Aangezien sprake is van een 'harde' toevoeging, moeten deze extra woningen gecompenseerd worden in de verhouding 1:4. Dit is conform de structuurvisie zoals die gold op moment dat met het project is gestart. Dit betekent dat er elders 20 woningen aan de woningvoorraad onttrokken moeten worden. In dit kader zijn er 20 bouwtitels, behorend bij de restcapaciteit het Centrumplan Stein, ingeleverd.

Het gedeelte van de woonpercelen die gelegen zijn binnen de zone 'buitengebied' betreffen met name het tuingedeelte van deze percelen. In totaal gaat het om 406 m2 . Gezien de opzet van het plan in de vorm van veel kwalitatief groen wordt nadrukkelijk aangesloten bij de natuurwaarden van de holle weg. Met de beoogde inrichting en de opbouw van het groen worden deze woonpercelen, maar ook de andere 'wooneilandjes' aan

bestemmingsplan Meerdel

25

de oostzijde van de ontsluitsweg, groen omkaderd. De woonpercelen en 'wooneilandjes' worden daarmee in optimale vorm landschappelijk ingepast. Daarnaast wordt het wooncluster Meerdel hiermee op een kwalitatieve wijze afgerond in aansluiting op het aangrenzende buitengebied zodat daardoor sprake is van een samenhangend geheel.

Tot slot dient nog kort aandacht besteed te worden aan de mogelijke ligging van het plangebied binnen de Goudgroene natuurzone. De Goudgroene natuurzone vormt het Limburgse deel van het Nationale Natuurnetwerk. Op basis van artikel 2.6.2 geldt dat een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied dat deel uitmaakt van de Goudgroene natuurzone, geen nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten mogelijk maakt die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten. Dit verbod is niet van toepassing op nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten, indien: 1. 2. 3.

er sprake is van een groot openbaar belang; er geen reële alternatieven zijn en uit het ruimtelijk plan blijkt dat en hoe negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en voor het overige worden gecompenseerd, waarbij: a. de compensatie niet mag leiden tot verlies van areaal, samenhang en kwaliteit van de wezenlijke kenmerken en waarden; en b. de compensatie plaatsvindt: op financiële wijze of in natura in nog niet gerealiseerde delen van de Goudgroene natuurzone

Vanwege een logische plangrens aan de oostzijde is een gedeelte van de goudgroene zone gelegen binnen het plangebied. Hierbinnen zijn geen woonpercelen gesitueerd. Er zijn hier geen nieuwe activiteiten voorzien dan wel vindt geen wijziging van bestaande activiteiten plaats. De bestemming 'Natuur' blijft voor dit gedeelte gehandhaafd.

Conclusie Onderhavig planvoornemen ziet toe op de realisatie van 15 woningen primair gericht op jongeren en starters. De woningen worden, mogelijk met uitzondering van een klein gedeelte van twee woonpercelen aan de oostelijke zijde van het plangebied, gerealiseerd binnen bestaand stedelijk gebied. Daarbij geldt dat met het planvoornemen wordt voorzien in een concrete (woon)behoefte, waardoor gesteld kan worden dat het planvoornemen voldoet aan de eisen voor duurzame verstedelijking. Tevens is het planvoornemen passend binnen de kaders van de Regionale Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg. Verder geldt dat het wooncluster Meerdel op een kwalitatieve wijze wordt afgerond in aansluiting op het aangrenzende buitengebied zodat daardoor sprake is van een samenhangend geheel. Er is sprake van een optimale landschappelijke inpassing. Tot slot is, vanwege een logische plangrens, voor gekozen om een gedeelte van de goudgroene natuurzone meer te nemen in dit plangebied. Echter de natuurbestemming blijft hier ongewijzigd.

Geconcludeerd wordt dat het plan passend is binnen de beleidskaders van het POL en de omgevingsverordening.

26

bestemmingsplan Meerdel

3.4

Regionaalbeleid

3.4.1 Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (SVWZL) De Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (SVWZL) is een gezamenlijke, Zuid-Limburgse visie op de woningmarkt. De visie is opgesteld door 18 gemeenten, waaronder de gemeente Stein. De visie vormt de basis voor het gemeentelijk woonbeleid. In de SVWZL staat de transformatieopgave centraal, dat wil zeggen de totale woningbehoefte op basis van het aantal huishoudens, rekening houdend met de huidige woningvoorraad en de leegstand. Een belangrijk aandachtspunt binnen de visie wordt gevormd door krimp. De gemeenten hebben daarom afgesproken reeds bestaande harde plancapaciteit in de subregionale woningmarktprogrammering te schrappen. Hierbij is afgesproken dat de minimale verhouding toe te voegen woningen versus te schrappen harde plannen 1:4 dient te zijn. Dit is conform de structuurvisie zoals die gold op moment dat met het project is gestart.

Het planvoornemen voorziet in de realisatie van 15 woningen, primair gericht op jongeren en starters. De behoefte aan woningen onder deze doelgroep is groot. In het vigerend bestemmingsplan zijn 10 van de 15 woningen reeds planologisch-juridisch geregeld door middel van een uitwerkingsverplichting. Deze 10 woningen zijn hierdoor al sinds lange tijd opgenomen in de woningprogrammering van de gemeente Stein en voorzien daarmee in een concrete behoefte. Hierdoor dient enkel de toevoeging van de 5 extra woningen, die met een bestemmingsplanherziening mogelijk worden gemaakt, gecompenseerd te worden conform de verhouding 1:4 (conform de structuurvisie zoals die gold op moment dat met het project is gestart). Dit betekent dat er elders 20 woningen aan de woningvoorraad onttrokken moeten worden.

Compensatie van de 5 extra woningen die met het planvoornemen worden gerealiseerd, heeft plaatsgevonden door de restcapaciteit van het Centrumplan Stein in te zetten in de verhouding 1 staat tot 4 (conform de structuurvisie zoals die gold op moment dat met het project is gestart). . Hiervoor zijn 20 bouwtitels ingeleverd. De 5 'extra' woningen zijn op deze manier in voldoende mate gecompenseerd. Dit is regionaal afgestemd. De ontwikkeling past daarmee binnen de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg.

3.5

Gemeentelijk beleid

3.5.1 Ruimtelijke Structuurvisie Stein 2015-2025 De gemeente Stein heeft op 26 februari 2015 de 'Structuurvisie bijdrage Ruimtelijke ontwikkeling 2011' vastgesteld. In de structuurvisie heeft de gemeente de hoofdlijnen voor voorgenomen ontwikkelingen en het door de gemeente te voeren beleid vastgelegd. De structuurvisie geeft invulling op de strategische toekomstvisie 'Het Stein van morgen' dat het strategische beleid voor de periode 2011-2021 vormt. In deze visie verlegt de gemeente de ambitie van groei naar kwaliteitsborging. De structuurvisie is tot stand gekomen door de inbreng van vele mensen. Het samenspel tussen overheden, inwoners, ondernemers en andere belanghebbenden wordt als belangrijk punt voor de ruimtelijke ontwikkelingen van Stein aangemerkt.

Als belangrijkste opgave voor de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Stein wordt de vergrijzing en ontgroening genoemd. Investeren in de kwaliteit en leefbaarheid van de dorpen binnen de gemeente wordt hierbij als één van de drie kernopgaven genoemd.

In de gemeentelijke beleidskaart is de provinciale beleidskaart (POL 2014) als onderlegger gebruikt. De provinciale beleidskaart is in paragraaf 3.3.1 reeds toegelicht en wordt daarom hier niet verder besproken.

bestemmingsplan Meerdel

27

Uitsnede Structuurvisie Totaalkaart met het plangebied bij witte stippellijn

Op de Structuurvisie Totaalkaart is het plangebied aangeduid als 'herstructurering/ verdunningsgebied'. Op de Projectenkaart Structuurvisie is het plangebied hierbij aangeduid als puntlocatie project, genaamd Herstructurering Meerdel (nr. 49). Het project Herstructurering Meerdel betreft een ontwikkeling voor de middellange termijn die voorziet in de herstructurering van de voormalige woonwagenstandplaatsen. Met onderhavig planvoornemen wordt invulling gegeven aan deze specifieke herstructureringsopgave. Het plan is daarmee passend binnen de gemeentelijke structuurvisie. 3.5.2 Strategische toekomstvisie:2018-2022 De strategische toekomstvisie 2018-2022 is een actualisatie van de visie uit 2011. In deze geactualiseerde visie is de strategische koers van de gemeente stein voor de komende jaren vastgelegd aan de hand van een missie: 'een eigenzinnige woongemeente in de Zuid-Limburgse Maasvallei waar het mogelijk is dorps te wonen in een verstedelijkt gebied met kwalitatief hoogwaardige voorzieningen en ruimte voor ondernemerschap en particulier initiatief'.

Drie kernwaarden vormen de ruggengraat van deze strategische toekomstvisie 2018-2022. Deze kernwaarden vormen in onderlinge samenhang het DNA, de identiteit van de gemeente Stein en zijn de bouwstenen voor de missie. De kernwaarden betreffen: Kernwaarde 1: Sociale en vitale kernen. Kernwaarde 2: Duurzame leefomgeving met unieke waarden. Kernwaarde 3: Een bereikbare en bedrijvige gemeente. Het planvoornemen heeft met name betrekking op de kernwaarden 1 en 2 en in mindere mate op kernwaarde 3. Sociale en vitale kernen worden voor een belangrijk deel gevormd door de identiteit van de kern in combinatie met de inwoners en ondernemers zelf. Het is daarbij belangrijk om bewust en trots te zijn op de eigen identiteit en kwaliteten en dit ook te etaleren. Dit neemt niet weg dat ook samenwerking tussen de kernen onderling belangrijk is en gestimuleerd moet worden. Dit is in de toekomst van groot belang om de kracht van Stein te behouden. Het planvoornemen draagt nadrukkelijk bij aan de sociale en vitale kern Stein. De realisatie van de 15 woningen door een CPO-vereninging zorgt voor de afronding van het wooncluster Meerdel. Het planvoornemen is door de toekomstige bewoners zelf ontwikkeld. Daarnaast worden de woningen ingepast in haar omgeving en duurzaam ontwikkeld. Er wordt nadrukkelijk rekening gehouden met de aanwezige landschappelijke waarden en waar mogelijk wordt dit versterkt.

Bij de realisatie van de woningen wordt gekeken hoe technologische ontwikkelingen een verdere bijdrage kunnen leveren aan een

28

bestemmingsplan Meerdel

duurzame leefomgeving met unieke waarden. Het planvoornemen voor wat betreft de kernwaarde 1 en 2 zeker passend binnen de strategische visie 2018-2022. 3.5.3 Groenbeleidsplan gemeente Stein Op 5 oktober 2016 is het groenbeleidsplan gemeente Stein vastgesteld. In Groenbeleidsplan is het groenbeleid per kern nader uitgewerkt. Voor Elsloo Noord zijn de volgende doelen c.q. ambities beschreven: Duurzame instandhouding van de groenstructuur van de Driekoulenweg Toepassen van een verspringende boomstructuur aan de Hieberweg Interne noord-zuid verbinding voorzien van enkel begeleidende bomenrij Starten van een vergroeningsactie met bewoners Herziening van de groen- en bomenstructuur van de vogeltjesbuurt Bomen vervangen en rijen aanvullen in de wijken van de Elserveld Het planvoornemen heeft geen betrekking op bovenstaande punten. Wel wordt met het planvoornemen in algemene zin bijgedragen aan het versterken van de groenstructuur door de groene uitstraling van het planvoornemen in aansluiting op de natuurwaarden van de holle weg. De woningen worden daarbij omkaderd door groene erfafscheidingen en een groene omkadering, waardoor de woning op een goede wijze landschappelijk worden ingepast. Er ontstaat hierdoor een goede afronding van het wooncluster Meerdel, waardoor er een goede samenhang met het aangrenzende buitengebied ontstaat.

3.5.4 Energievisie gemeente Stein 2018-2021 Op 31 januari 2019 heeft de gemeenteraad de Energievisie gemeente Stein 2018-2021 vastgesteld. De gemeente werkt met de visie en het bijbehorende uitvoeringsprogramma aan een energieneutraal Stein. Gasloos-wonen vormt binnen de visie een belangrijk aandachtspunt.

Onderhavig planvoornemen voorziet in de realisatie van 15 woningen die niet worden aangesloten op het gasnet. Verder zal de uitwerking van de woningen ten behoeve van de aanvraag omgevingsvergunning ten behoeve van de activiteit bouwen zoveel mogelijk rekening gehouden worden met de energievisie om te komen tot energieneutrale woningen. Het planvoornemen is daarmee passend binnen de Energievisie.

bestemmingsplan Meerdel

29

30

bestemmingsplan Meerdel

Hoofdstuk 4 4.1

Milieu- en sectorale aspecten

Inleiding

Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien de beleidsvelden naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies (zoals bepaalde bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies zoals woningen. Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende situaties moeten voorkomen worden. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op verschillende onderzoeks- en milieuaspecten welke van belang zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening.

4.2

M.e.r.-beoordeling

4.2.1 Algemeen Beoordeeld moet worden of het planvoornemen kan leiden tot opstellen van een milieueffectrapport (MER). Op grond van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit mer) wordt getoetst of het bestemmingsplan voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Hiervoor zijn in de bijlage bij het Besluit mer lijsten opgenomen waarin activiteiten zijn aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben (C-lijst) of ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (D-lijst). In de lijsten zijn (indicatieve) drempelwaarden opgenomen. Een belangrijke wijziging die in het Besluit m.e.r. is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Dit is het indicatief maken van de gevaldefinities in kolom 2 in de D-lijst. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de Europese richtlijn milieubeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig.

De criteria als bedoeld betreffen: de kenmerken van de activiteit (onder andere omvang en cumulatie); de plaats waar de activiteit wordt verricht (de kenmerken van het plangebied in relatie tot de kwetsbaarheid van de omgeving); de kenmerken van de gevolgen van de activiteit (mogelijke effecten van de activiteit, onder andere bereik, waarschijnlijkheid en omkeerbaarheid). 4.2.2 Kenmerken van de activiteit Het planvoornemen voorziet ter plaatse van voormalige woonwagenstandplaatsen, binnen bestaand stedelijk gebied, in de realisatie van 15 woningen en verschillende (groen)voorzieningen. Ter plaatse van het plangebied is in het vigerend bestemmingsplan reeds een uitwerkingsplicht opgenomen ten behoeve van de realisatie van 10 woningen. Wegens een gewijzigde woonbehoefte bestaat inmiddels de wens om, naast de tien voorziene woningen, vijf extra woningen te realiseren. Met de realisatie van de in totaal 15 woningen, wordt het wooncluster Meerdel afgerond.

bestemmingsplan Meerdel

31

De begrenzing van het stedenbouwkundig plan voor de 15 woningen wijkt af van het bestemmingsvlak waar de uitwerkingsplicht geldt. Echter het planvoornemen voorziet in dermate veel groen als overgang naar het aangrenzende buitengebied en de holle weg in het bijzonder dat er nauwelijks sprake is van extra ruimtebeslag voor de woonpercelen. Dergelijke ontwikkelingen komen niet voor de C-lijst en/of D-lijst. Er is daardoor geen sprake van m.e.r-beoordelingsplicht. 4.2.3 Plaats waar de activiteit wordt verricht Het plangebied is gesitueerd aan de oostzijde van het wooncluster Meerdel en vormt de overgang naar het buitengebied. De relatie met dit buitengebied is beperkt door de aanwezige bomenrijen en bosschages van de aangrenzende holle weg. Een uitgebreidere beschrijving van de omgeving en de inpassing daarin van het planvoornemen is opgenomen in Hoofdstuk 2 van deze toelichting.

In de Natuurbeschermingswet 1998 is de bescherming van de Natura 2000-gebieden vastgelegd. Natura 2000 betreft de natuurparels die vanwege hun natuurwaarden Europese bescherming genieten, hetgeen in Nederland inhoudt, dat werkzaamheden of ontwikkelingen in (de nabijheid van) deze gebieden getoetst dienen te worden aan de Natuurbeschermingswet 1998. Het plangebied ligt niet in, noch in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft enerzijds 'Grensmaas' op circa 1,1 km afstand van het plangebied en anderzijds 'Bunder- en Elsloöerbos' en 'Geleenbeekdal' op respectievelijk 1 km en 5 km. Het natura 2000-gebied 'Grensmaas' is weinig stiksof gevoelig. De natura 2000-gebieden 'Bunder- en Elsloöerbos' en 'Geleenbeekdal' zijn in dat geval gevoeliger voor stikstof.

Gezien deze afstand zijn er geen siginificante effecten op dit gebied te verwachten ten aanzien van geluid, licht en trillingen. Ook leidt het planvoornemen niet tot een toename van stikstofdepositie op dit gebied (zie ook 4.12.1). De instandhoudings- en ontwikkelingsdoelstellingen voor de aangewezen habitattypen en doelsoorten blijven gewaarborgd. Verder maakt het plangebied geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland, maar grenst het er wel aan. Door de voorgenomen plannen binnen het plangebied in combinatie met de beoogde overgang en de afstand tot het Natuurnetwerk Nederland, zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland echter niet worden aangetast. 4.2.4 Kenmerken van de gevolgen van de activiteit Alle relevante milieuaspecten zijn in het kader van dit bestemmingsplan uitvoerig onderzocht en hieruit zijn geen belangrijke nadelige milieueffecten naar voren gekomen die een belemmering kunnen opleveren voor het planvoornemen. In onderhavig hoofdstuk zijn de betreffende milieuaspecten, alsmede de uitgevoerde onderzoeken nader beschreven.

4.2.5 Conclusie Door de realisatie van 15 woningen en bijbehorende (groen)voorzieningen ter afronding van het wooncluster Meerdel, wordt niet verwacht dat er negatieve effecten zullen optreden op de in de directe omgeving aanwezige waarden en belangen of op aanwezige beschermde gebieden en (te verwachten) beschermde soorten. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de in dit plan besloten ontwikkeling in voldoende mate is afgewogen en dat er geen nadelige significante effecten zijn te verwachten. Het plan is niet binnen een kwetsbaar of waardevol gebied gelegen en heeft ook geen belangrijke nadelige milieugevolgen voor de omgeving. Een verdere (vormvrije) m.e.r.-beoordeling wordt niet noodzakelijk geacht gezien de kleinschaligheid van het planvoornemen en er geen nadelige significante effecten te verwachten zijn.

32

bestemmingsplan Meerdel

4.3

Bodem

Op basis van artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening zijn gemeenten verplicht om in de toelichting bij een bestemmingsplan een paragraaf over de bodemkwaliteit op te nemen. In deze paragraaf dient gemotiveerd te worden of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem. Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Zo mag een eventuele aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem en mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet.

Om de bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied inzichtelijk te maken is in opdracht van RUD Zuid-Limburg door Lievense Milieu B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (rapportnr. SOM013977.RAP001.MH.GP (versie 1.0), d.d. 24 september 2020). De rapportage is bijgevoegd als Bijlage 3.

Uit het verkenned bodemonderzoek is het volgende gebleken De bodem bestaat tot de maximaal geboorde diepte van 5,0 m-mv uit zand of leem. Op het westelijke terreindeel, nabij de voormalige verharding, zijn in de bovengrond plaatselijk stollagen aangetroffen. Behoudens een spoortje puin in de bovengrond van boring B7 zijn er geen afwijkingen waargenomen die kunnen duiden op het voorkomen van een bodemverontreiniging. De bovengrond is plaatselijk (gele en groene gebied, zie bijlage 2) licht verontreinigd met zware metalen, PAK en minerale olie. De ontgravingskwaliteit varieert tussen 'altijd toepasbaar' en 'klasse industrie'. Ter plaatse van boring 1 en 3 (onderzoek 2020) is de ondergrond licht verontreinigd met enkele zware metalen (klasse industrie). Op de rest van de locatie zijn in de ondergrond geen verontreinigingen aangetroffen. De gehalten PFOA en PFAS overschrijden de bepalingsgrens doch liggen beneden de (voorlopige) achtergrondwaarden. De bodemkwaliteitsklasse verandert niet. Er gelden wel toepassingsvoorwaarden: toepassing van grond op landbodem in grondwater-beschermingsgebieden is niet toegestaan. Visueel en analytisch is geen asbest aangetroffen. De locatie is onverdacht voor asbest. Tijdens het bodemonderzoek is in de ondergrond een lichte verhoging aangetroffen van nikkel en zink. Door deze verhoging valt de kwaliteit van deze grond in de klasse industrie.

Het betreft de bodemlaag van 1,4 – 4,9 m-mv. Dit is ongeroerde grond. Op meerdere plaatsen binnen de gemeente Stein worden verhoogde waarden voor nikkel en zink aangetroffen in onbelaste gebieden. Dit wordt toegeschreven aan de invloed van de Maas in het verleden. Deze verhogingen zijn van natuurlijke aard en niet antropogeen. Van de beide boringen die in het mengmonster, waar de verhogingen gemeten zijn, zijn samengevoegd valt er één binnen de bestemming 'Wonen' ter plaatse van de kavels met de sociale huurwoningen en de andere binnen de bestemming 'groen'. Verder betreft het een verontreiniging op meer dan 1,4 meter diepte. Aangezien er ter plaatse van de gecontateerde verhoogde verontreining ter plaatse van de woonbestemming sociale huurwoningen worden gerealiseerd zonder kelder en een fundering ongeveer o,8 meter diep is, zal deze laag niet vergraven worden. Daarmee zijn contactmogelijkheden uitgesloten. Een sanering van deze bodemlaag is dan ook niet doelmatig.

Conclusie Vanuit milieuhygiënisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor het voorgenomen gebruik van het

bestemmingsplan Meerdel

33

plangebied. Op grond van het uitgevoerde onderzoek kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een bodemverontreiniging van betekenis en de onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek en/of sanerende maatregelen.

Het aspect 'Bodem' vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.4

Geluid

Ten aanzien van geluid zijn de regels uit de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. De Wgh voorziet rond (gezoneerde) industrieterreinen, langs wegen en langs spoorwegen in zones en bevat tevens geluidsnormen en richtlijnen met betrekking tot de toelaatbare geluidsniveaus van de voorgenoemde geluidsbronnen. Indien een omgevingsvergunning een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron, of indien het plan een nieuwe geluidsbron of wijziging van een bestaande geluidsbron (aanpassing weg) mogelijk maakt, dient volgens de Wgh een akoestisch onderzoek plaats te vinden bij het voorbereiden van de vaststelling van het bestemmingsplan of een ruimtelijke onderbouwing.

Wegverkeer Onderhavig plan voorziet in de realisatie van 15 woningen. In het kader van de Wet geluidhinder wordt een woning aangemerkt als een geluidsgevoelig object. De woningen worden niet gerealiseerd binnen de geluidszone van een weg. Vanuit de Wet geluidhinder geldt er hier dan ook geen onderzoeksplicht naar de geluidbelasting veroorzaakt wegverkeer. Echter, in het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt deze geluidbelasting wel beoordeeld om te kunnen waarborgen dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai is hiervoor noodzakelijk.

Industrie Verder geldt dat de woningen worden gerealiseerd binnen een geluidszone van een gezoneerd industrieterrein. In het vigerend bestemmingsplan 'Kern Elsloo' is daarom ter plaatse van het plangebied de aanduiding 'geluidszone - industrie' opgenomen. Ter plaatse van deze aanduiding mogen geen geluidsgevoelige objecten, zoals woningen, worden opgericht. Het bevoegd gezag kan hier echter door middel van een omgevingsvergunning van afwijken op voorwaarde dat de geluidsbelasting vanwege industrielawaai aan de gevels van de te realiseren geluidsgevoelige objecten niet hoger is dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een verleende hogere grenswaarde. Vanwege de ligging binnen de geluidszone van Chemelot dient middels een akoestisch onderzoek naar industrielawaai de geluidbelasting op de gevels inzichtelijk te worden gemaakt om de daadwerkelijk benodigde hogere grenswaarde voor de te realiseren woningen te bepalen.

Akoestisch onderzoek Door Aelmans is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai en industrielawaai uitgevoerd (rapportnummer M201326.002.001/GGO). De samenvatting en conclusie van dit onderzoek zijn in onderstaande weergegeven. De rapportage is bijgevoegd als Bijlage 4.

Uit het akoestisch onderzoek is gebleken dat ten aanzien van het wegverkeer op geen enkele gevel van het bouwplan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden. Ten aanzien van het industrieterrein Chemelot betreft voor het plangebied van deze 15 te realiseren woningen dat de geluidbelasting maximaal 54 dB(A) bedraagt. Hiervoor is een HGW-procedure als gevolg van industrielawaai voor dit planvoornemen

34

bestemmingsplan Meerdel

doorlopen.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de cumulatie bepaald inclusief alle gemodelleerde geluidbronnen. Ter bepaling van de milieukwaliteit in de omgeving is deze gecumuleerde waarde getoetst aan de 'methode Miedema'. De maximale gecumuleerde waarde, welke voornamelijk wordt bepaald door het industrieterrein Chemelot, bedraagt 55 dB, waarmee gesteld kan worden dat er sprake is van de kwalificatie 'redelijk' en daarmee van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bij toepassing van standaard bouwmaterialen is een binnenniveau van 33 dB gewaarborgd. Daarmee is er sprake van een aanvraardbaar woon- en leefklimaat.

Aangezien de cumulatieve geluidbelasting hoger is dan 53 dB dient er formeel een nader onderzoek te worden uitgevoerd ter bepaling an de geluidwering van de gevel. Het is echter aannemelijk dat een gevel van een nieuwbouwwoning een grotere geluidwering heeft dan de minimale 20 dB uit het Bouwbesluit. Derhalve is een nader onderzoek ter bepaling van de gevel niet aan de orde. Bij toepassing van standaard bouwmaterialen is een binnenniveau van 33 dB en daardaarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd.

4.5

Geur

Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. Deze wet vormt het toetsingskader voor vergunningen op grond van de Wet milieubeheer waar het gaat om stank veroorzaakt door het houden van dieren. Daarnaast is de wet van belang in verband met de zogenoemde 'omgekeerde werking' in het kader van de ruimtelijke ordening. Bij de 'omgekeerde werking' gaat het om de vraag of ter plaatse van geurgevoelige objecten sprake is van een goed woon en/of leefklimaat. Verder hebben gemeenten de mogelijkheid gekregen om binnen een wettelijk bepaalde bandbreedte van de standaardnormen van de Wgv af te wijken. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen en vastleggen in een geurverordening dat is afgestemd op de plaatselijke situatie.

Onderhavig planvoornemen voorziet in de realisatie van 15 woningen. Een woning geeft geen geuroverlast voor de nabije omgeving, maar wordt gekwalificeerd als geurgevoelig object. Om deze reden dient aandacht besteed te worden aan aspecten ten aanzien van geurhinder in de omgeving.

In de omgeving van het plangebied (binnen een straal 300 meter) bevinden zich geen inrichtingen in de vorm van agrarische bedrijven die stank- of geuroverlast tot gevolg hebben. Ter plaatse van het plangebied is ten aanzien van het aspect geur dan ook geen overlast te verwachten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Stein&id=ecf227ca-fc61-4cec-822b-059f3f7a79e9