CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Voortoets Wet natuurbescherming.pdf

Politieke Markt 14 april 2020, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Bestemmingsplan loswal Giethoorn20.973 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Voortoets Wet natuurbescherming Loswal Kerkweg Giethoorn Opdrachtgever: Buro Noord Projectcode: BNO04219 Project: Loswal Giethoorn Datum: 06-04-2020 Status: Definitief, V5 Auteur: A.S.J. van Proosdij Gecontroleerd: L.J. de Haan Bedrijvenpark Twente 412 7602 KM Almelo Huismanstraat 6 6851 GT Huissen M 06 – 55 47 65 53 a.vanproosdij@grasadvies.nl www.grasadvies.nl Naam: Voortoets Wet natuurbescherming Project: Loswal Kerkweg Giethoorn Projectnummer: BNO04219 Blad 2 Colofon Opdracht Voortoets Wet natuurbescherming loswal Kerkweg Giethoorn. Opdrachtgever Buro Noord Tukseweg 75 8331 LB Steenwijk Uw kenmerk: GST00216 Contactpersoon: De heer G. Oord Tel: 06-15329653 Email: gerard@buronoord.nl Opdrachtnemer GRAS Advies Huismanstraat 6 Bedrijvenpark Twente 412 6851 GT Huissen 7602 KM Almelo Ons kenmerk: BNO04219 \ 20191204 Datum: 06-04-2020 Versie: Definitief, V5 Contactpersoon: de heer A.S.J. van Proosdij Naam: Voortoets Wet natuurbescherming Project: Loswal Kerkweg Giethoorn Projectnummer: BNO04219 Blad 3 Inhoudsopgave 1. Inleiding ................................................................................................................................................................. 5 1.1 Aanleiding ............................................................................................................................................................

5 1.2 Uitgangspunt ....................................................................................................................................................... 5 1.3 Samenvatting ....................................................................................................................................................... 6 2. Huidige en toekomstige situatie ............................................................................................................................ 7 2.1 Huidige situatie .................................................................................................................................................... 7 2.2 Toekomstige situatie ........................................................................................................................................... 8 3. Natuurwetgeving ................................................................................................................................................. 10 3.1 Bescherming van soorten .................................................................................................................................. 10 3.2 Bescherming van Natura 2000-gebieden ..........................................................................................................

10 3.3 Bescherming van bosopstanden ....................................................................................................................... 10 4. Natura 2000-gebied De Wieden .......................................................................................................................... 11 4.1 Natura 2000 ....................................................................................................................................................... 11 4.2 Gebiedsbeschrijving De Wieden ........................................................................................................................ 11 4.3 Instandhoudingsdoelen De Wieden .................................................................................................................. 12 5. Voorkomen van beschermde natuurwaarden .................................................................................................... 14 5.1 Habitattypen ...................................................................................................................................................... 14 5.2 Habitatsoorten ..................................................................................................................................................

15 5.3 Broedvogelsoorten ............................................................................................................................................ 18 5.4 Niet-broedvogelsoorten .................................................................................................................................... 21 6. Effectenbeoordeling realisatiefase ...................................................................................................................... 23 7. Effectenbeoordeling gebruiksfase ....................................................................................................................... 24 7.1 Habitattypen ...................................................................................................................................................... 24 7.2 Habitatsoorten .................................................................................................................................................. 27 7.3 Broedvogelsoorten ............................................................................................................................................ 28 7.4 Niet-broedvogelsoorten ....................................................................................................................................

30 7.5 Cumulatie .......................................................................................................................................................... 31 8. Conclusies en advies ............................................................................................................................................ 32 8.1 Realisatiefase loswal en molen ......................................................................................................................... 32 Naam: Voortoets Wet natuurbescherming Project: Loswal Kerkweg Giethoorn Projectnummer: BNO04219 Blad 4 8.2 Gebruiksfase loswal en molen ............................................................................ 32 8.3 Aanbeveling ....................................................................................................................................................... 32 9. Geldigheid onderzoek.......................................................................................................................................... 33 10. Bronnen ............................................................................................................................................................. 33 Bijlage 1 Luchtfoto met grenzen plangebied ..............................................................................................................

34 Bijlage 2 NDFF plangebied .......................................................................................................................................... 35 Bijlage 3 Instandhoudingsdoelen ................................................................................................................................ 37 Bijlage 4 Memo akoestisch onderzoek rietkragen ...................................................................................................... 39 Bijlage 5 AERIUS berekening toekomstige gebruiksfase ............................................................................................. 39 Bijlage 6 AERIUS berekening huidige gebruiksfase ..................................................................................................... 39 Bijlage 7 AERIUS verschilberekening huidige en toekomstige gebruiksfase ............................................................... 39 Naam: Voortoets Wet natuurbescherming Project: Loswal Kerkweg Giethoorn Projectnummer: BNO04219 Blad 5 1. Inleiding 1.1 Aanleiding De huidige loswal ligt aan de Kerkweg te Giethoorn, grenzend aan de Wieden. Een deel van de activiteiten die hier plaats vindt, het mechanisch verladen van goederen van een vrachtwagen op een ponton, is geregeld via een tijdelijke omgevingsvergunning.

Met een nieuw bestemmingsplan wordt dit gebruik planologisch vastgelegd en geborgd voor de langere tijd. Tegenover de loswal bevindt zich een molen. In het bestemmingplan wordt ook de functie van deze molen gewijzigd, van wonen naar kantoor. Uit de resultaten van het verkennend onderzoek (quickscan) flora en fauna (de Haan, 2020) blijkt dat verslechtering van habitattypen en verstoring van soorten in Natura 2000 -gebieden door licht, geluid, verontreiniging en/of optische verstoring niet op voorhand kan worden uitgesloten. Daarnaast is een substantieel, negatief effect van de voorgenomen ontwikkeling op de stikstofemissie en daarmee op Natura 2000 -gebieden aannemelijk. Doelstelling rapportage In deze nadere rapportage worden de resulta ten van de uitgevoerde voortoets gepresenteerd. Middels een voortoets zijn de mogelijke effecten van de voorgenomen activiteiten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelopgaven van dit Natura 2000 -gebied getoetst. Daarnaast is middels AERIUS-berekeningen het effect van de voorgenomen ontwikkeling op de stikstofemissie en daarmee op de depositie in Natura 2000 -gebieden onderzocht. GRAS Advies GRAS Advies voert aanvullende onderzoeken uit volgens de geldende (soort)protocollen. De heer Dr. Ir. A.S.J. van Proosdij en de heer L.J. de Haan zijn middels opleiding en ervaring bevoegd voor de verrichte werkzaamheden.

Daarnaast is het project uitgevoerd volgens het kwaliteitshandboek van GRAS Advies. Het kwaliteit managementsysteem van GRAS Advies is ISO NEN-EN-ISO 9001:2015 gecertificeerd. 1.2 Uitgangspunt Als uitgangspunt voor deze rapportage is het verzoek van de heer H. Kloosterman van de gemeente Steenwijkerland. Giethoorn, provincie Overijssel

Naam: Voortoets Wet natuurbescherming Project: Loswal Kerkweg Giethoorn Projectnummer: BNO04219 Blad 6 1.3 Samenvatting Realisatiefase loswal en molen  De realisatiefase bestaat uit het in gebruik nemen van de reeds aanwezige loswal en verandering van het gebruik van de molen van woning naar kantoor. Hierbij vinden geen ruimtelijke ingrepen of andere veranderingen aan het plangebied of directe omgeving pl aats. Van negatieve effecten van het in gebruik nemen van de loswal op voor De Wieden aangewezen natuurwaarden is geen sprake. Gebruiksfase loswal en molen  Een negatief effect als gevolg van de toename van vaar - en vrachtwagen- en lichtverkeersbewegingen op de oppervlakte en kwaliteit van habitattypes is niet aan de orde.  Het toekomstig gebruik van de molen en loswal genereert depositiewaarden van maximaal 0,01 mol/ha/jr in Natura 2000-gebied De Wieden. Door vervanging van de gasgestookte Cv -installatie van de molen door een volledig elektrische verwarming resulteert dit in een netto vermindering van de stikstofemissie. Van significant negatieve effecten m.b.t. stikstof is als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling op instandhoudingsdoelen voor Natura 2000-gebied De Wieden of andere Natura 2000-gebieden geen sprake.

 Significant negatieve effecten van lichtverstoring op de meervleermuis kunnen worden uitgesloten indien laden en lossen alleen overdag en zonder gebruik van kunstlicht wordt toegestaan.  Van significant negatieve effecten op andere voor De Wieden aangewezen habitatrichtlijnsoorten is geen sprake.  Van significant negatie ve effecten door geluid-, licht - en optische verstoring op voor De Wieden aangewezen broedvogelsoorten is geen sprake.  Van s ignificant negatie ve effecten door geluid-, licht - en optische verstoring op voor De Wieden aangewezen niet-broedvogelsoorten is geen sprake.  Andere ontwikkelingen in de Wieden waarbij cumulatie met de loswal aan de orde zijn, zijn niet bekend. Cumulatie speelt geen rol bij de ontwikkeling van de loswal. Aanbeveling Aanbevolen wordt om:  Deze toetsing voor te leggen aan het bevoegde gezag, in dit geval Provincie Overijssel.  De beperkingen met betrekking tot het gebruik van de loswal, waaronder het maximum aantal laad/los- bewegingen en beperking van het gebruik van de loswal tot de uren met daglicht op te nemen in het bestemmingsplan. Naam: Voortoets Wet natuurbescherming Project: Loswal Kerkweg Giethoorn Projectnummer: BNO04219 Blad 7 2. Huidige en toekomstige situatie 2.1 Huidige situatie De huidige loswal ligt aan de Kerkweg te Giethoorn, grenzend aan de Wieden (Afb. 2.1.1).

Een groot deel van Giethoorn is niet over de weg bereikbaar voor gemotoriseerd verkeer. Vervoer van zwaarder materiaal vindt daarom voor een belangrijk deel over water plaats. De loswal aan de Kerkweg wordt gebruikt door zowel particulieren als ondernemers voor het laden en lossen van goederen. Ook transport van stacaravans en chalets en van bouwmaterialen vindt plaats over het water van en naar de loswal. Op basis van het huidige bestemmingsplan is handmatig laden en lossen toegestaan. Mechanisch verladen van goederen van een vrachtwagen op een ponton, is geregeld via een tijdelijke omgevingsvergunning. Met een nieuw bestemmingsplan wordt dit mechanisch verladen planologisch vastgelegd en geborgd voor de langere tijd. Tegenover de loswal bevindt zich een molen (Kerkweg 50A) die momenteel als woonhuis gebruikt wordt. De molen wordt verwarmd middels een gasgestookte installatie en genereert 7 lichte verkeersbewegingen per dag. In de directe omgeving bevinden zich woonhuizen, bomen en watergangen (Afb. 2.1.2). Afbeelding 2.1.1. Ligging van het plangebied (rode kader).

Naam: Voortoets Wet natuurbescherming Project: Loswal Kerkweg Giethoorn Projectnummer: BNO04219 Blad 8 Afbeelding 2.1.2. Luchtfoto van het plangebied (binnen het rode kader). 2.2 Toekomstige situatie De gemeente Steenwijkerland is voornemens om een nieuw bestemmingsplan voor de loswal aan de Kerkweg op te stellen. Er zullen geen ruimtelijke ingrepen plaatsvinden, aangezien de loswal reeds bestaat. Vanaf deze loswal vindt bevoorrading van particulieren en ondernemers plaats via transport over water. Ook zwaar transport van onder meer bouwmaterialen, stacaravans en chalets gebeurt over water van en naar de loswal. Hierbij is het volgende gebruik voorzien waarvoor bepalingen in het bestemmingsplan worden o pgenomen. Handmatig verladen is reeds toegestaan binnen het huidige bestemmingsplan.  Per jaar zijn maximaal 100 vrachtwagens toegestaan die mechanisch worden geladen en gelost, waarvan maximaal 50 aangemerkt als zwaar vrachtverkeer.  Het mechanisch verladen vindt plaats met elektrische aangedreven laad - en losvoertuigen, met uitzondering van 10 verladingen per jaar met een zelflader op een vrachtwagen.  Per dag worden maximaal 6 vrachtwagens mechanisch verladen, waarvan maximaal 2 vrachtwagen s met behulp van een zelflader.  De pontons en andere vaartuigen die worden gebruikt ten behoeve van het mechanisch verla den zijn elektrisch aangedreven.

Naam: Voortoets Wet natuurbescherming Project: Loswal Kerkweg Giethoorn Projectnummer: BNO04219 Blad 9  Het verladen vindt alleen plaats tussen 8: 30 en 16:00 uur in de periode 1 november tot en met 31 maart en tussen 7:30 en 10:30 uur in de periode 1 april tot en met 31 oktober.  Bij het verladen mag geen gebruik worden gemaakt van kunstlicht.  De tijdsduur van het mechanisch verladen bedraagt maximaal 1,5 uur per dag.  Vrachtwagens mogen niet stationair draaien tijdens het verl aden, met uitzondering van de vrachtwagens die gebruik maken van een zelflader.  Degene die mechanisch wil verladen dient dit vooraf te melden bij de gemeente Steenwijkerland en mag dit alleen doen met een schriftelijke toestemming van de gemeente Steenwijk erland. In het bestemmingplan wordt ook de functie van de molen gewijzigd, van wonen naar kantoor. Fysieke ingrepen aan de bebouwing zijn niet aan de orde, waardoor op dit punt vanuit ecologisch perspectief geen sprake is van een negatieve invloed op flor a en fauna. Wel is sprake van een toename van het aantal verkeersbewegingen en een wijziging van gasgestookt verwarmen naar elektrisch verwarmen. In deze voortoets zijn de effecten van een verandering van stikstofemissie en de effecten van een toename van het aantal verkeersbewegingen onderzocht. Bij de molen is het volgende toekomstig gebruik voorzien:  Electrische verwarming.

 12 lichte verkeersbewegingen per dag. Naam: Voortoets Wet natuurbescherming Project: Loswal Kerkweg Giethoorn Projectnummer: BNO04219 Blad 10 3. Natuurwetgeving De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van Natura 2000-gebieden en de bescherming van bosopstanden. 3.1 Bescherming van soorten Het uitgangspunt bij het onderdeel soortenbescherming is dat geen schade mag worden toegebracht aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en beschermingsregime andere soorten. Daarnaast z ijn landelijk van een aantal vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd. Elk beschermingsregime heeft zijn eigen verbodsbepalingen. Voor ieder ruimtelijk plan is het verplicht te toetsen of deze leiden tot overtreding van verbodsbepalingen. Wanneer er sprake is van een overtreding dient onderzocht te worden of er een vrijstelling geldt. Indien dit niet mogelijk blijkt, is het nodig om na te gaan of een ontheffing kan worden verkregen. De g evolgen van het voorgenomen gebruik van de loswal op beschermde soor ten is getoetst middels een verkennend onderzoek (quickscan) flora en fauna. Uit deze quickscan blijkt dat er geen verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming m.b.t.

beschermde soorten worden overtreden (de haan, 2019). Nader onderzoek en/of een ontheffing voor beschermde soorten is niet aan de orde. 3.2 Bescherming van Natura 2000-gebieden Met het onderdeel gebiedenbescherming worden binnen de Wet natuurbescherming de Natura 2000 -gebieden beschermd. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebie den in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Voor alle gebieden gelden instandhoudingsdoelstellingen. Daarnaast kunnen er ontwikkelopgaven van toepassing zijn. De kern van de bescherming is dat de instandhoudingsdoelstellingen en ontwikkelopgaven niet geschaad mogen worden gebracht. Activiteiten mogen geen negatieve effecten hebben op de waard en waarvoor het gebied is aangewezen. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. De mogelijke effecten van het voorgenomen gebruik van de loswal op de instandhoudingsdoelstellingen en ontwikkelopgaven voor het Natura 2000-gebied de Wieden is hier getoetst middels een voortoets. 3.3 Bescherming van bosopstanden Het omhakken of rooien van bossen is niet zomaar toegestaan in de Wet natuurbescherming.

Onder bos wordt verstaan: • alleen bossen die buiten de ‘bebouwde kom Boswet’ liggen • alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are (1.000 m2) • bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat Indien een bos wordt gekapt, dient een melding te worden gedaan bij de b etreffende provincie. In het voorliggende plan worden geen bomen gekapt. Toetsing aan de bescherming van bosopstanden is niet nodig. Naam: Voortoets Wet natuurbescherming Project: Loswal Kerkweg Giethoorn Projectnummer: BNO04219 Blad 11 4. Natura 2000-gebied De Wieden 4.1 Natura 2000 Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/ 43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de wet natuurbescherming beschermd. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de mogelijke effecten van de ontwikkeling op de relevante Natura 2000-gebieden. Voor Natura 2000-gebieden is een aantal algemene instandhoudingsdoelen geformuleerd:  Behoud van de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de biologische diversiteit en aan de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie.

 Behoud van de bijdrage van het N atura 2000-gebied aan de ecologische samenhang van het Natura 2000 - netwerk zowel binnen Nederland als binnen de Europese Unie.  Behoud en waar nodig herstel van de ruimtelijke samenhang met de omgeving ten behoeve van de duurzame instandhouding van de in Nederland voorkomende natuurlijke habitattypen en soorten.  Behoud en waar nodig herstel van de natuurlijke kenmerken en van de samenhang van de ecologische structuur en functies van het gehele gebied voor alle habitattypen en soorten waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn geformuleerd.  Behoud of herstel van gebied specifieke ecologische vereisten voor de duurzame instandhouding van de habitattypen en soorten waarvoor instandhoudings-doelstellingen zijn geformuleerd. 4.2 Gebiedsbeschrijving De Wieden Het plangebied ligt net buiten het Natura 2000-gebied De Wieden op een afstand van iets meer dan 10 m (Afb. 4.2.1). Het gebied is definitief aangewezen als Vogel- en Habitatrichtlijngebied. Binnen het aanwijzingsbesluit van dit gebied zijn voor 9 habitattypen, 12 habitatsoorten, 13 broedvogelsoorten en 12 niet -broedvogelsoorten instandhoudings- doelen vastgelegd (bijlage 3 ). De Wieden is een uitgestrekt laagveenmoeras met meren en kanalen, daartussen gelegen natte graslanden, natte heiden, trilvenen, galigaanmoerassen, rietland en moerasbos.

Het gebied is een restant van het laagveengebied dat zich ooit van Zwolle tot ver in F riesland uitstrekte. Een groot deel bestaat uit uitgeveende petgaten. Alle successiestadia van open water tot en met moerasheide en veenbos zijn aanwezig. Het gebied de Wieden is beïnvloed door het oude rivierstelsel van de Overijsselse Vecht. Er komen ond iepe kleiafzettingen voor. Door vervening met bredere petgaten zijn er grote meren ontstaan. Het Giethoornse - en het Duiningermeer zijn natuurlijke meren. De herstelmaatregelen voor de Natura 2000-gebieden De Wieden en Weerribben richten zich vooral op het afgraven van grond, het ontwikkelen van moerasgronden en blauwgrasland, het schrapen van rietland en het ontbossen van dichtgegroeide petgaten. Verder is het de bedoeling om nieuwe petgaten te graven, waardoor de verschillende stadia van ‘verlanding’ van het laagveen in het landschap worden behouden. Hiervoor wordt het cyclisch beheer op grote schaal weer ingevoerd waarmee voorkomen wordt dat De Wieden en Weerribben veranderen in uitsluitend moerasbos. Naam: Voortoets Wet natuurbescherming Project: Loswal Kerkweg Giethoorn Projectnummer: BNO04219 Blad 12 Afbeelding 4.2.1. Ligging plangebied (rood kader) ten opzichte van Natura 2000-gebied De Wieden. 4.3 Instandhoudingsdoelen De Wieden Voor De Wieden zijn gebied specifieke instandhoudingsdoelen voor beschermde natuurwaarden vastgelegd.

Er zijn 9 habitattypen, 12 habitatsoorten, 13 broedvogelso orten en 12 niet -broedvogelsoorten (tabel 4.1). Voor deze beschermde waarden gelden instandhoudingsdoelen op het gebied van oppervlakte, kwaliteit en populatieomvang. Deze instandhoudingsdoelen zijn opgenomen in bijlage 3. Voor het Natura 2000-gebied De Wieden gelden enkele specifieke ontwikkelopgaven:  De oppervlakte en/of kwaliteit van verschillende habitattypen vergroten: kranswierwateren, meren met krabbenscheer, vochtig heiden (laagveengebied), blauwgraslanden, overgangs - en trilvenen (trilvenen), galigaanmoerassen en hoogveenbossen.  Het leefgebied voor verschillende habitatrichtlijnsoorten vergroten in oppervlakte en/of versterken in kwaliteit: gevlekte witsnuitlibel, grote vuurvlinder, gestreepte waterroofkever, geel schorpioenmos en groenknolorchis.  Het leefgebied voor verschillende broedvogels vergroten in oppervlakte en/of versterken in kwaliteit: kwartelkoning, zwarte stern, paapje en grote karekiet.

Naam: Voortoets Wet natuurbescherming Project: Loswal Kerkweg Giethoorn Projectnummer: BNO04219 Blad 13 Tabel 4.1. Beschermde waarden De Wieden. Habitattypen Habitatsoorten Broedvogelsoorten Niet- broedvogelsoorten H3140 Kranswierwateren H1016 Zeggekorfslak A017 Aalscholver A005 Fuut H3150 Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden H1042 Gevlekte witsnuitlibel A021 Roerdomp A017 Aalscholver H4010B Vochtige heiden (laagveengebied) H1060 Grote vuurvlinder A029 Purperreiger A037 Kleine zwaan H6410 Blauwgraslanden H1082 Gestreepte waterroofkever A081 Bruine kiekendief A210041 Kolgans H6430A Ruigten en zomen (moerasspirea) H1134 Bittervoorn A119 Porseleinhoen A043 Grauwe gans H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen) H1145 Grote modderkruiper A122 Kwartelkoning A050 Smient H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) H1149 Kleine modderkruiper A153 Watersnip A051 Krakeend H7210 Galigaanmoerassen H1163 Rivierdonderpad A197 Zwarte Stern A059 Tafeleend H91D0 Hoogveenbossen H1318 Meervleermuis A229 IJsvogel A061 Kuifeend H1393 Geel schorpioenmos A275 Paapje A068 Nonnetje H1903 Groenknolorchis A292 Snor A070 Grote zaagbek H4056 Platte schijfhoren A295 Rietzanger A094 Visarend A298 Grote karekiet Naam: Voortoets Wet natuurbescherming Project: Loswal Kerkweg Giethoorn Projectnummer: BNO04219 Blad 14 5.

Voorkomen van beschermde natuurwaarden 5.1 Habitattypen In de directe omgeving van de loswal aan de Kerkweg bevinden zich enkele deelgebieden in de Wieden die kwalificeren voor een habitattype (Afb. 5.1.1). Het dichtstbijzijnde habitattype is H7140B Overgangs- en trilvenen – veenmosrietlanden (nummer 1 op Afb. 5.1.1). Dit habitattype bevindt zich in een perceel op circa 75 m ten oosten van de loswal en wordt hiervan gescheiden door de watergang langs de Kerkweg en een woonhuis met tuin. Het habitattype H6430A Ruigten en zomen – subtype met moerasspirea (nummer 2 op Afb. 5.1.1) bevindt zich op circa 175 m ten noordoosten van de loswal en wordt hiervan gescheiden door de watergang langs de Kerkweg en enkele percelen natuur zonder kwalificatie als habitattype. Het H3150 Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden (nummer 3 op Afb. 5.1.1) bevindt zich op circa 200 m ten oosten van de loswal en wordt hiervan gescheiden door de watergang langs de Kerkweg en naar de Bovenwijde en door enkele percelen natuur zonder kwalificatie als habitattype. Op circa 250 m ten noorden van de loswal bevindt zich een zoekgebied voor het habitattype H6430A Ruigten en zomen – subtype met moerasspirea (nummer 4 op Afb. 5.1.1). Afbeelding 5.1.1.

Habitattypen in de directe omgeving van het plangebied (paars vlak in paarse cirkel ): H7140B Overgangs- en trilvenen – veenmosrietlanden (1), H6430A Ruigten en zomen – subtype met moerasspirea (2), H3150 Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden (3) en ZGH6430A Zoekgebied Ruigten en zomen – subtype met moerasspirea (4). Bron: Natura 2000-beheerplan De Wieden en Weerribben, 30-03-2017. Conclusies habitattypen In de directe omgeving van de loswal bevinden zich de habitattypen Overgangs- en trilvenen – veenmosrietlanden (H7140B), Ruigten en zomen – subtype met moerasspirea (H6430A) en Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden (H3150) op een afstand van 75 tot 200 m afstand van de loswal. Daarnaast bevindt zich op 200 m afstand een zoekgebied voor habitattype Ruigten en zomen – subtype met moerasspirea (ZGH6430A). Andere voor De Wieden aangewezen habitattypen komen voor op grotere afstand (> 1 km) van de loswal.

Naam: Voortoets Wet natuurbescherming Project: Loswal Kerkweg Giethoorn Projectnummer: BNO04219 Blad 15 5.2 Habitatsoorten Voor De Wieden zijn 12 habitatsoorten aangewezen (tabel 4.1) die hieronder worden behandeld. Grote modderkruiper (H1145)  Gunstige staat van instandhouding: Matig gunstig.  Instandhoudingsdoelstelling: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied.  Doelstelling populatie: Behoud van de populatie. De grote modderkruiper is bekend van de We erribben en Wieden en is waargenomen in de omgeving van het plangebied (NDFF, 0-1 km, bijlage 2). Recent is eDNA onderzoek uitgevoerd naar de grote modderkruiper. Hierbij zijn watermonsters van diverse locaties in Giethoorn onderzocht, waaronder de waterga ng langs de Kerkweg op circa 100 m ten zuiden en op circa 300 m ten noorden van de loswal. In geen enkel watermonster is DNA van de grote modderkruiper aangetroffen (van Bochove, 2017). De grote modderkruiper heeft een voorkeur voor wateren met een dikke modderlaag en goed ontwikkelde ondergedoken vegetaties met een groot aandeel aan verlandingsvegetaties of ophoping van drijvende plantenmassa. Deze condities ontbreken in de watergang langs de Kerkweg, waarmee het voorkomen van grote modderkruiper nabij de loswal naar verwachting beperkt blijft tot passerende individuen.

Conclusie: Het voorkomen van grote modderkruiper nabij de loswal blijft naar verwachting beperkt tot passerende individuen. Kleine modderkruiper (H1149)  Gunstige staat van instandhouding: Gunstig.  Instandhoudingsdoelstelling: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied.  Doelstelling populatie: Behoud van de populatie. Van de kleine modderkruiper zijn geen recente verspreidingsgegevens bekend in de NDFF (NDFF data, bijlage 2). De kleine modderkruiper komt voor in stilstaand en langzaam stromend water, (polder)sloten, greppels, beken, kanalen en oeverzones van meren en plassen. De soort mag gezien de habitateisen verwacht worden in de watergang langs de Kerkweg. Conclusie: De watergang langs de Kerkweg is geschikt als leefgebied voor de kleine modderkruiper. Bittervoorn (H1134)  Gunstige staat van instandhouding: Matig gunstig.  Instandhoudingsdoelstelling: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied.  Doelstelling populatie: Behoud van de populatie. De bittervoorn leeft bij voorkeur in schone en stilstaande tot langzaam stromende wateren met een gevarieerde onderwater- en oevervegetatie. De soort is kenmerkend voor laagveengebieden, overstromingsvlakten van rivieren en rustige delen van beken. Ze worden v ooral aangetroffen in plantenrijke oeverzones of in de zachte stroom voor duikers.

Dit is tevens het geschikte habitat van grote zoetwatermosselen, waaronder vooral de grote schildersmossel en zwanenmossel. Deze mosselen dienen als gastheer voor de embryon ale ontwikkeling van de bittervoorn. Dikke lagen modder en slib, maar ook bodems met harde klei worden door zoetwatermossels gemeden, dus zijn ook voor bittervoorns weinig geschikt. Een goed ontwikkelde watervegetatie levert bij uitstek beschutting en het opgroeigebied voor jonge bittervoorns. Ook het aanbod aan overwinteringsplaatsen (zoals diepere slootdelen) is bepalend voor de overleving. De bittervoorn is niet bekend in het kraggenlandschap rondom de Bovenwijde (NDFF data, bijlage 2), waarschijnlijk is hier nog weinig onderzoek gedaan naar het voorkomen van de soort. De watergang langs de Kerkweg is gelet op het vrijwel ontbreken van onderwatervegetatie niet geschikt als leefgebied voor de bittervoorn, waarmee het voorkomen van grote modderkruiper nabij de loswal naar verwachting beperkt blijft tot passerende individuen. Conclusie: Het voorkomen van bittervoorn nabij de loswal blijft naar verwachting beperkt tot passerende individuen. Naam: Voortoets Wet natuurbescherming Project: Loswal Kerkweg Giethoorn Projectnummer: BNO04219 Blad 16 Meervleermuis (H1318)  Gunstige staat van instandhouding: Matig ongunstig.  Instandhoudingsdoelstelling: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied.

 Doelstelling populatie: Behoud van de populatie. De meervleermuis komt voor in waterrijke gebieden, oevers, vochtige weilanden en bosranden binnen een straal van 500 meter van het water. De meervleermuis jaagt in snelle rechtlijnige trajecten op insecten. De meervleermuis jaagt voornamelijk in de zomer boven deze waterrijke gebieden. De verblijfplaatsen van deze soort zijn vrijwel altijd in gebouwen; kerkzolders, spouwmuren en ond er dakpannen. In de winter verdwijnen de meervleermuizen naar overwinteringslocaties in Nederland; mergelgroeven, bunkers, forten, vestingwerken, oude steenfabrieken en kelders. Deze soort is bekend van de omgeving van het plangebied (NDFF 0-1 km, bijlage 2). De watergang langs de Kerkweg is een duidelijk lijnvormig element en het is aannemelijk dat de meervleermuis de vaart gebruikt voor migratie- en foerageeractiviteiten. Conclusie: De watergang langs de Kerkweg is geschikt als foerageergebied en vliegroute voor de meervleermuis. Gevlekte witsnuitlibel (H1042)  Gunstige staat van instandhouding: Zeer ongunstig.  Instandhoudingsdoelstelling: Uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied.  Doelstelling populatie: Behoud van de populatie. De gevlekte witsnuitlibel prefereert laagveenmoerassen met vegetatierijk water. De meeste witsnuitlibellen zijn te vinden bij verlandingszones van laagveenmoerassen.

De soort vliegt uit vanaf eind april tot en met eind juli. De gevlekte witsnuit libel vliegt boven het water, maar heeft behoefte aan beschutting (oevervegetatie of waterplanten). De ei -afzet gebeurt op plaatsten met veel waterplanten. Zowel vegetatieloze als dichtbegroeide wateren worden gemeden. Vooral kleine plassen (zoals petgaten ) met jonge verlandingsvegetaties met helder en ondiep water, matig voedselrijk en met voldoende beschutting zijn geschikte voortplantingswateren . De watergang langs de kerkweg bevat nauwelijks vegetatie en is daarom ongeschikt als biotoop voor de witsnuit libel. Vegetaties grenzend aan deze watergang bestaan voornamelijk uit dichte rietvelden en bevatten geen geschikt biotoop voor de witsnuitlibel. De soort is bekend uit de omgeving van het plangebied (NDFF 0-1 km, bijlage 2) , maar geschikte leefgebieden ontbreken in de eerste circa 200 m rondom de loswal. Conclusie: In de directe omgeving van de loswal is geen geschikt leefgebied voor de witsnuitlibel aanwezig. Grote vuurvlinder (H1060)  Gunstige staat van instandhouding: Zeer ongunstig.  Instandhoudingsdoelstelling: Uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied.  Doelstelling populatie: Behoud van de populatie. De grote vuurvlinder komt in Nederland voornamelijk voor in uitgestrekte laagveenmoerassen met de waardplant waterzuring.

De vegetatie dient voldoende open te zijn, zodat vlinders de waardplant kunnen vinden. In de directe omgeving van de loswal, zowel de watergang langs de Kerkweg als de aangrenzende rietvelden, ontbreken deze omstandigheden. De soort is op enige afstand van het plangebied waargenomen (NDFF data, 1 -5 km, bijlage 2). De soort is niet bekend van de directe omgeving van het plangebied en kolonisatie van het plangebied vanuit de dichtstbijzijnde bekende populaties is op korte termijn (0-6 jaar) niet waarschijnlijk. Conclusie: In de directe omgeving van de loswal is geen geschikt leefgebied voor de grote vuurvlinder aanwezig. Zeggekorfslak (H1016)  Gunstige staat van instandhouding: Zeer ongunstig.  Instandhoudingsdoelstelling: Behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied.  Doelstelling populatie: Behoud van de populatie. De zeggekorfslak leeft specifiek van algen en schimmels (roesten) die parasiteren op de bladeren van moerasplanten. De dieren worden aangetroffen in oeverzones, moerassen en broekbossen met een dichtbegroeide to t ijle ondergroei van moeraszegge (de primaire waardplant in Nederland). Moeraszegge is een algemene plantensoort in het plangebied, zowel in de graslanden als langs de oevers. Moeraszegge ontbreekt in de watergang langs de Kerkweg.

Het is aannemelijk dat de rietvegetaties aan de oostzijde van deze watergang moeraszegge bevatten en daarmee geschikt zijn als leefgebied voor de zeggekorfslak. Waarnemingen van de zeggekorfslak ontbreken in de Naam: Voortoets Wet natuurbescherming Project: Loswal Kerkweg Giethoorn Projectnummer: BNO04219 Blad 17 NDFF voor de wijdere omgeving van het plangebied. De soort is echter in veel gebieden slecht bekend en wordt vaak over het hoofd gezien. Conclusie: De rietvegetaties aan de oostzijde van de watergang langs de Kerkweg zijn mogelijk geschikt als leefgebied voor de zeggekorfslak. Platte schijfhoren (H4056)  Gunstige staat van instandhouding: Matig gunstig.  Instandhoudingsdoelstelling: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied.  Doelstelling populatie: Behoud van de populatie. De platte schijfhoren leeft bij voorkeur in voedselrijk stilstaand water met een b egroeiing van waterplanten. Het leefgebied van deze soort omvat vrijwel uitsluitend stilstaande of zeer zwakstromende wateren. Milieufactoren als diepte, breedte, isolatie van de wateren lijken daarbij weinig of niet van invloed. Het kan zowel gaan om plassengebieden a ls om sloten en dergelijke. De p latte schijfhoren komt echter niet voor in water dat periodiek droogvalt. Deze soort is bekend van de wijdere omgeving van het plangebied (NDFF 1-5 km, bijlage 2).

De watergang langs de Kerkweg is niet geschikt als leefgebied voor de platte schijfhoren , vanwege het nagenoeg ontbreken van watervegetatie. Mogelijk bevatten de rietvegetaties aan de oostzijde van deze waterga ng geschikt leefgebied voor de platte schijfhoren. Conclusie: De rietvegetaties aan de oostzijde van de watergang langs de Kerkweg zijn mogelijk geschikt als leefgebied voor platte schijfhoren. Gestreepte waterroofkever (H1082)  Gunstige staat van instandhouding: Zeer ongunstig.  Instandhoudingsdoelstelling: Uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied.  Doelstelling populatie: Uitbreiding van de populatie. De gestreepte waterroofkever komt vooral voor in laagveengebieden in onvervuild, voedselarm tot matig voedselrijk (vrijwel) stilstaand water. Deze soort is één van de weinige waterkevers van grote, permanente wateren, al is hij in Nederland met name in sloten, kanalen en petgaten gevonden. Hij is een erg snelle zwemmer, zodoende kan hij dit milieu optimaal gebruiken. De wateren waarin hij leeft, zijn tussen de 50 en 150 cm diep, onbeschaduwd en bevatten helder water met een meestal vrij spaarzame vegetatie van drijvende en ondergedoken waterplanten. Deze soort is niet bekend uit de directe omgeving van het plangebied (NDFF 10-25 km, bijlage 2).

De watergang langs de Kerkweg is dieper dan 150 cm en bevat troebel water en is daarmee minder geschikt als leefgebied voor de gestreepte waterroofkever. Conclusie: In de directe omgeving van de loswal is geen geschikt leefgebied voor de gestreepte waterroofkever aanwezig. Rivierdonderpad (H1163)  Gunstige staat van instandhouding: Matig gunstig.  Instandhoudingsdoelstelling: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied.  Doelstelling populatie: Behoud van de populatie. De rivierdonderpad komt voor binnen de verharde oeverzones van meren en rivieren, zoals dijken, oeververdediging en kribben. De soort zwemt zelden in open water of boven een kale ondergrond; kleine stuwtjes en onbegroeide bodems vormen al gauw een onoverkomelijke hindernis. De soort is niet bekend uit de wijdere omgeving van het plangebied (NDFF, bijlage 2). De stenige kade van de loswal is geheel verticaal en bevat geen ruimtes die geschikt zijn als schuilplaats voor rivierdonderpadden en is daarmee niet geschikt als leefgebied voor deze soort. Conclusie: In de directe omgeving van de loswal is geen geschikt leefgebied voor de rivierdonderpad aanwezig. Geel schorpioenmos (H1393)  Gunstige staat van instandhouding: Zeer ongunstig.  Instandhoudingsdoelstelling: Uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied.  Doelstelling populatie: Uitbreiding van de populatie.

Geel schorpioenmos groeit in moskussens op venig substraat, vooral in bronveentjes en op plekk en in hoog - en laagveen waar kwel optreedt van mineraalrijk water uit de diepere ondergrond. Ook is de soort aangetroffen in Naam: Voortoets Wet natuurbescherming Project: Loswal Kerkweg Giethoorn Projectnummer: BNO04219 Blad 18 depressies in blauwgrasland. De soort groeit vooral op plekken waar de waterstand in augustus ongeveer tot op het maaiveld st aat, maar die later in het seizoen overstromen. Waarschijnlijk is de soort gebonden aan plekken waar regenwater zich mengt met oppervlaktewater. Maaibeheer is voor deze soort op deze plek essentieel. De soort is volgens de herstelstrategie voor soorten gebonden aan trilvenen (H7140A), maar komt in De Wieden voor in eutrofere vegetaties (overgangen tussen Dotterbloemverbond en Verbond van Zwarte zegge). De soort is bekend van de wijdere omgeving van het plangebied (NDFF 1-5 km, bijlage 2) en groeit i n De Wieden in de boezemlanden van het Meppelerdiep en in het Kiersche Wijde . Het specifieke habitat van de soort is niet aanwezig in de omgeving van het plangebied vanwege de te lage waterstanden. Conclusie: In de directe omgeving van de loswal is geen geschikt leefgebied voor de geel schorpioenmos aanwezig. Groenknolorchis (H1903)  Gunstige staat van instandhouding: Zeer ongunstig.

 Instandhoudingsdoelstelling: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied.  Doelstelling populatie: Behoud van de populatie. Dit is een kenmerkende soort van het habitattype H7140A overgangs- en trilvenen. In dit habitattype komt de soort relatief stabiel voor. Hiernaast kan Groenknolorchis tijdelijk optreden in vegetaties die 1 – 2 jaar geleden zijn geïnundeerd; bij afwezigheid van nieuwe inundatie s is deze soort hier weer snel verdwenen. In alle vegetatietypen is de soort afhankelijk van de toevoer van basenrijk water, minireliëf en een zomermaaibeheer. Groenknolorchis is bekend van de omgeving van het plangebied (NDFF 0 -1 km, bijlage 2). Het speci fieke habitat waarin de groenknolorchis groeit, is (potentieel) aanwezig in de veenmosrietlanden op ruimere afstand (> 75 m) van de loswal. Conclusie: In de veenmosrietlanden op ruimere afstand (> 75 m) van de loswal is mogelijk geschikt biotoop aanwezig voor de groenknolorchis. 5.3 Broedvogelsoorten De Wieden kent 13 aangewezen broedvogelsoorten, zie t abel 4.1. Voor de kwartelkoning, zwarte stern, paapje en grote karekiet geldt de doelstelling uitbreiding van de populatie en omvang van het leefgebied en ve rbetering van het leefgebied. Voor alle andere broedvogelsoorten geldt een doelstelling tot behoud van de omvang en kwaliteit van het leefgebied en behoud van de populatie.

Aalscholver (A017)  Gunstige staat van instandhouding: Gunstig.  Instandhoudingsdoelstelling: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied. De aalscholver broedt in moerasbossen en foerageert in het water . Het Vollenhovermeer en de Bakkerskooi zijn bekende slaapplaatsen in de Wieden. De watergang langs de Kerkweg is te smal en te druk bevaren om geschikt te zijn als leefgebied voor de aalscholver. De Bovenwijde en de brede watergang naar de Bovenwijde zijn geschikt foerageergebied voor de aalscholver. Conclusie: De Bovenwijde en de watergang naar de Bovenwijde zijn geschikt foerageergebied voor de aalscholver. Roerdomp (A021)  Gunstige staat van instandhouding: Zeer ongunstig.  Instandhoudingsdoelstelling: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied. De roerdomp heeft zijn nestplaats in periodiek overstroomd of permanent in water stilstaand rietland van enkele jaren oud. De rietkraag moet minimaal 10 meter breed zijn en voor 20% uit overjarig riet bestaan. De rietvegetaties aan de oostzijde van de watergang langs de Kerkweg zijn potentieel geschikt als foerageergebied voor de roerdomp. Roerdomp is gevoelig voor verstoring met een verstoringsafstand van 100-300 meter (bron: Synbiosys).

Gelet op het intensieve gebruik van deze watergang door omwonenden en recreanten en de verstoringsgevoeligheid van de roerdomp, is een gebruik van deze rietvegetaties als broedlocatie minder waarschijnlijk. Conclusie: De rietvegetaties aan de oostzijde van de watergang langs de Kerkweg zijn mogelijk geschikt als leefgebied voor de roerdomp. Een gebruik van deze rietvegetaties als broedlocatie is minder waarschijnlijk. Naam: Voortoets Wet natuurbescherming Project: Loswal Kerkweg Giethoorn Projectnummer: BNO04219 Blad 19 Purperreiger (A029)  Gunstige staat van instandhouding: Zeer ongunstig.  Instandhoudingsdoelstelling: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied. De purperreiger is gebonden aan natte gebieden met hoge en dicht opgaande vegetatie, waarin nesten gebouwd worden. De rietvegetaties aan de oostzijde van de watergang langs de Kerkweg zijn mogelijk geschikt als foerageer- en/of broedbiotoop, al zal dat gelet op de verstor ingsgevoeligheid van deze soort en het intensieve gebruik van de watergang alleen gelden voor de delen die verder van de watergang af liggen. Conclusie: De rietvegetaties aan de oostzijde van de watergang langs de Kerkweg zijn mogelijk geschikt als foerageer- en/of broedbiotoop voor de purperreiger, uitgezonderd de zone grenzend aan de watergang . Bruine kiekendief (A081)  Gunstige staat van instandhouding: Gunstig.

 Instandhoudingsdoelstelling: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied. Bruine kiekendief is een soort van open landschappen met water- en moeraselementen. De soort broedt bij voorkeur in uitgestrekt rietland en in mindere mate langs sloten met riet of op bouwland. De rietvegetaties aan de oostzijde van de watergang langs de Kerkweg zijn mogelijk ges chikt als foerageer- en/of broedbiotoop, al zal dat gelet op de verstoringsgevoeligheid van deze soort (100-300 m, bron: Synbiosys) en het intensieve gebruik van de watergang alleen gelden voor de delen die verder van de watergang af liggen. Conclusie: De rietvegetaties aan de oostzijde van de watergang langs de Kerkweg zijn mogelijk geschikt als foerageer- en/of broedbiotoop voor de bruine kiekendief, uitgezonderd de zone grenzend aan de watergang. Porseleinhoen (A119)  Gunstige staat van instandhouding: Zeer ongunstig.  Instandhoudingsdoelstelling: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied. Het broedbiotoop van het porseleinhoen bestaat uit open, moerassige terreinen van minimaal 1 tot 2 hectare met matig voedselrijk water, een permanent (of periodiek) natte s ituatie van ongeveer 10 tot 35 centimeter diep water en een weelderige vegetatie van biezen, zeggen, lisdodden en andere moerasplanten. Deze omstandigheden zijn in directe omgeving van het plangebied niet aanwezig.

Conclusie: In de directe omgeving van de loswal is geen geschikt leefgebied voor het porseleinhoen aanwezig. Kwartelkoning (A122)  Gunstige staat van instandhouding: Matig ongunstig.  Instandhoudingsdoelstelling: Uitbreiding omvang en kwaliteit leefgebied. De kwartelkoning nestelt meestal in extensief gebruikt hooiland langs de rivieren en in beekdalen. De s oort heeft een voorkeur voor vrij hoge en gesloten grasvegetaties. Dergelijke vegetaties ontbreken in de directe omgeving van het plangebied. Conclusie: In de directe omgeving van de loswal is geen geschikt leefgebied voor de kwartelkoning aanwezig. Watersnip (A153)  Gunstige staat van instandhouding: Zeer ongunstig.  Instandhoudingsdoelstelling: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied. Het broedgebied van de watersnip bestaat uit natte grasla nden en moerassen. Dekking is voor de soort van groot belang. Dit habitat is niet aanwezig in de omgeving van het plangebied. Conclusie: In de directe omgeving van de loswal is geen geschikt leefgebied voor de watersnip aanwezig. Zwarte stern (A197)  Gunstige staat van instandhouding: Zeer ongunstig.  Instandhoudingsdoelstelling: Uitbreiding omvang en kwaliteit leefgebied. De zwarte stern is een koloniebroeder en broedt in laagveenmoerassen, laagveengraslanden en moerassen in rivierkleigebieden. De nesten worden gebouwd daar waar veel drijvende vegetatie te vinden is.

De zwarte stern maakt vaak zijn nesten op krabbenscheer ( Stratiotes aloides). Over het algemeen foerageert de zwarte stern bij de Naam: Voortoets Wet natuurbescherming Project: Loswal Kerkweg Giethoorn Projectnummer: BNO04219 Blad 20 broedplaats. In de omgeving van plangebied zijn geen geschikte broedlocaties aanwezig. Ook foerageergebied is niet aanwezig. Conclusie: In de omgeving van de loswal is geen geschikt broe dbiotoop of foerageergebied voor de zwarte stern aanwezig. IJsvogel (A229)  Gunstige staat van instandhouding: onbekend.  Instandhoudingsdoelstelling: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied. IJsvogels zijn vooral vogels van beken en rivieren met zoet, stromend water, maar broeden ook aan stilstaand water (vooral in Nederland). Hun nesttunnel graven ze zandige of lemige steile oeverrande n. Zowel geschikte broed - als foerageermogelijkheden ontbreken in de omgeving van het plangebied. Conclusie: In de omgeving van de loswal is geen geschikt broedbiotoop of foerageergebied voor de ijsvogel aanwezig. Paapje (A275)  Gunstige staat van instandhouding: Zeer ongunstig.  Instandhoudingsdoelstelling: Uitbreiding omvang en kwaliteit leefgebied. Het paapje is een broedvogel van kruidenrijke, open graslanden , die op de grond een meestal goed verborgen nest bouwt.

Het voedsel bestaat uit insecten, die vaak vanaf een zitplaats op een hoge plant, een paaltje of prikkeldraad opgespoord worden. Geschikte broed- en foerageermogelijkheden ontbreken in de omgeving van het plangebied. Conclusie: In de omgeving van de loswal is geen geschikt broed- of foerageergebied voor het paapje aanwezig. Snor (A292)  Gunstige staat van instandhouding: Zeer ongunstig.  Instandhoudingsdoelstelling: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied. De voorkeur van de snor gaat uit naar opgaande, overjarige rietvegetaties met een goed ontwikkelde onderlaag van oud plantenmateriaal (een ‘kniklaag’) in ondiep water. Het zijn natte, structuurrijke rietvegetaties die op een ondergrond van minerale bode m en (laag)veen groeien e n minimaal 1,5 meter hoog zijn. De rietvegetaties aan de oostzijde van de watergang langs de Kerkweg zijn mogelijk geschikt als foerageer - en/of broedbiotoop, al zal dat gelet op de verstoringsgevoeligheid van deze soort en het int ensieve gebruik van de watergang alleen gelden voor de delen die verder van de watergang af liggen. Conclusie: De rietvegetaties aan de oostzijde van de watergang langs de Kerkweg zijn mogelijk geschikt als foerageer- en/of broedbiotoop voor de snor, uitgezonderd de zone grenzend aan de watergang. Rietzanger (A295)  Gunstige staat van instandhouding: Matig ongunstig.

 Instandhoudingsdoelstelling: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied. Het broedbiotoop van de r ietzanger bestaat uit rietlanden en kruidenrijke ruigten, zoals deze te vinden zijn in moerassen en langs sloten en broekbossen . De rietvegetaties aan de oostzijde van de watergang langs de Kerkweg zijn mogelijk geschikt als foerageer - en/of broedbiotoop, al zal dat gelet op de verstoringsgevoeligheid v an deze soort en het intensieve gebruik van de watergang alleen gelden voor de delen die verder van de watergang af liggen. Conclusie: De rietvegetaties aan de oostzijde van de watergang langs de Kerkweg zijn mogelijk geschikt als foerageer- en/of broedbiotoop voor de rietzanger, uitgezonderd de zone grenzend aan de watergang. Grote karekiet (A298)  Gunstige staat van instandhouding: Zeer ongunstig.  Instandhoudingsdoelstelling: Uitbreiding omvang en kwaliteit leefgebied. Grote karekiet is gebonden aan stevig, overjarig riet aan de rand van open water. De rietvegetaties aan de oostzijde van de watergang langs de Kerkweg zijn niet geschikt als foerageer - en/of broedbiotoop, vanwege de verstoringsgevoeligheid van deze soort en het intensieve gebruik van de watergang. Conclusie: In de omgeving van de loswal is geen geschikt leefgebied voor de grote karekiet aanwezig.

Naam: Voortoets Wet natuurbescherming Project: Loswal Kerkweg Giethoorn Projectnummer: BNO04219 Blad 21 5.4 Niet-broedvogelsoorten Voor de volgende twaalf niet -broedvogelsoorten zijn instandhoudingsdoelen vastgesteld i n De Wieden: fuut, aalscholver, kleine zwaan, kolgans, grauwe gans, smient, krakeend, tafeleend, kuifeend, nonnetje, grote zaagbek en visarend. Voor alle niet -broedvogelsoorten geldt een doelstelling tot behoud van omvang en van kwaliteit van het leefgebied. Fuut, aalscholver, nonnetje, grote zaagbek en visarend Fuut (A005)  Gunstige staat van instandhouding: Matig ongunstig.  Instandhoudingsdoelstelling: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied. Aalscholver (A017)  Gunstige staat van instandhouding: Gunstig.  Instandhoudingsdoelstelling: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied. Nonnetje (A068)  Gunstige staat van instandhouding: Matig ongunstig.  Instandhoudingsdoelstelling: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied. Grote zaagbek (A070)  Gunstige staat van instandhouding: Zeer ongunstig.  Instandhoudingsdoelstelling: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied. Visarend (A094)  Gunstige staat van instandhouding: Gunstig.  Instandhoudingsdoelstelling: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied. Dit zijn met name visetende soorten die primair gebruik maken van de grote wateren in de wijdere omgeving van het plangebied voor hun foerageeractiviteiten.

Dit geldt met name voor het Bovenwijde maar ook de Belter- en Beulakerwiede, Duiningermeer en Giethoornsche Meer. Nonnetje, grote zaagbek en visarend zullen zich niet in het plangebied of de omliggende vaarten begeven, daarvoor zijn deze wateren te klein. Fuut en aalscholver kunnen incidenteel in de watergang langs de Kerkweg en de watergang naar de Bovenwijde op vis jagen. Conclusie: De watergang langs de Kerkweg en de watergang naar de Bovenwijde vormen potentieel foerageergebied van fuut en aalscholver. Kolgans, grauwe gans, kleine zwaan en smient Kolgans (A041)  Gunstige staat van instandhouding: Gunstig.  Instandhoudingsdoelstelling: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied. Grauwe gans (A043)  Gunstige staat van instandhouding: Gunstig.  Instandhoudingsdoelstelling: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied. Kleine zwaan (A037)  Gunstige staat van instandhouding: Matig ongunstig.  Instandhoudingsdoelstelling: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied. Smient (A050)  Gunstige staat van instandhouding: Gunstig.  Instandhoudingsdoelstelling: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied. Deze soorten zijn graseters. De kolgans foerag eert vooral op uitgestrekte productiegraslanden. Grauwe gans foerageert naar gras, oogstresten en in de winter naar rietresten. De kleine zwaan leeft in weidse , open gebieden en foerageert in waterrietzones, kruiden en struikachtige vegetaties.

Smient foerageert b uiten het broedseizoen voornamelijk op waterrijke graslandgebieden en rust overdag op grote meren. In de directe omgeving van h et plangebied ontbreken geschikte foerageergebieden voor deze soorten. Conclusie: In het plangebied en de directe omgeving is geen geschikt foerageergebied voor de kolgans, grauwe gans, kleine zwaan en smient aanwezig. Naam: Voortoets Wet natuurbescherming Project: Loswal Kerkweg Giethoorn Projectnummer: BNO04219 Blad 22 Krakeend, tafeleend, kuifeend Krakeend (A051)  Gunstige staat van instandhouding: Gunstig.  Instandhoudingsdoelstelling: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied. Tafeleend (A059)  Gunstige staat van instandhouding: Zeer ongunstig.  Instandhoudingsdoelstelling: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied. Kuifeend (A061)  Gunstige staat van instandhouding: Matig ongunstig.  Instandhoudingsdoelstelling: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied. Tafeleend en kuifeend zijn duikeenden die voor hun foerageeractiviteiten grote en doorgaans diepe wateren nodig hebben. Ook krakeend zoekt buiten de broedperiode grote wateren op. De Bovenwijde is ten opzichte van het plangebied het dichtstbijzijnde geschikte foerageergebied van deze soorten buiten de broedperiode. Conclusie: In het plangebied en de directe omgeving is geen geschikt foerageergebied voor de krakeend, tafeleend en kuifeend aanwezig.

Naam: Voortoets Wet natuurbescherming Project: Loswal Kerkweg Giethoorn Projectnummer: BNO04219 Blad 23 6. Effectenbeoordeling realisatiefase De realisatiefase bestaat uit het in gebruik nemen van de reeds aanwezige loswal en herbestemming van de molen van woning tot kantoor . Hierbij vinden geen ruimtelijke ingrepen of andere veranderingen aan het plangebied of directe omgeving plaats. Er is daarmee geen sprake van oppervlakteverlies van habitattypen. Er is in de realisatiefase ook geen sprake van verontreiniging, toename van stikstofdepositie, verdroging, verstoring door licht, geluid of optische verstoring. Voor de habitattypen waarvoor een ontwikkelopgave geldt, staat het in gebruik nemen van de loswal een eventuele uitbreiding van het betreffende habitattype niet in de weg. Naam: Voortoets Wet natuurbescherming Project: Loswal Kerkweg Giethoorn Projectnummer: BNO04219 Blad 24 7. Effectenbeoordeling gebruiksfase In deze paragraaf wordt per habitattype of soort de effecten beschreven van het gebruik van de loswal. 7.1 Habitattypen Oppervlakteverlies en kwaliteitsverlies Er is geen sprake van oppervlakteverlies als gevolg van het gebruik van de loswal. De toename van maximaal 6 vaarbewegingen per dag is niet significant in verhouding tot het huidige, intensieve vaarverkeer door omwonenden, ondernemers en recreanten.

De toename van maximaal 100 vrachtwagenbewegingen per jaar met een maximum van 6 per dag voor de loswal en 5 lichte verkeersbewegingen per dag voor de molen is niet significant in verhouding tot het huidige, intensieve wegverkeer door omwonenden, ondernemers en recreanten. Een negatief effect als gevolg van de toename van vaar- en vrachtwagenbewegingen op de oppervlakte en kwaliteit van habitattypes is niet aan de orde. Stikstofeffecten In de beoogde toekomstige situatie heeft het plangebied een gebruik als loswal. Vanaf deze loswal vindt bevoorrading van particulieren en ondernemers plaats via transport over water. Ook zwaar transport van o nder meer bouwmaterialen, stacaravans en chalets gebeurt over water van en naar de loswal. Met behulp van de AERIUS Calculator zijn de emissies en deposities berekend. Bij gebruik van de loswal is het volgende gebruik voorzien . Handmatig verladen is reeds toegestaan binnen het huidige bestemmingsplan.  Per jaar zijn maximaal 100 vrachtwagens toegestaan die mechanisch worden geladen en gelost, waarvan maximaal 50 aangemerkt als zwaar vrachtverkeer.  Het mechanisch verladen vindt plaats met elektrische aangedre ven laad - en losvoertuigen, met uitzondering van 10 verladingen per jaar met een zelflader op een vrachtwagen.

 Per dag worden maximaal 6 vrachtwagens mechanisch verladen, waarvan maximaal 2 vrachtwagens met behulp van een zelflader.  De pontons en andere va artuigen die worden gebruikt ten behoeve van het mechanisch verladen zijn elektrisch aangedreven.  Het verladen vindt alleen plaats tussen 8:30 en 16:00 uur in de periode 1 november tot en met 31 maart en tussen 7:30 en 10:30 uur in de periode 1 april tot en met 31 oktober.  De tijdsduur van het mechanisch verladen bedraagt maximaal 1,5 uur per dag.  Vrachtwagens mogen niet stationair draaien tijdens het verladen, met uitzondering van de vrachtwagens die gebruik maken van een zelflader.  Degene die mechanisch wil verladen, dient dit vooraf te melden bij de gemeente Steenwijkerland en mag dit alleen doen met een schriftelijke toestemming van de gemeente Steenwijkerland. De rijroutes van de vrachtwagens die in AERIUS Calculator getekend dienen te worden voor het toekomstig gebruik zijn gebaseerd op hoofdstuk 2, paragraaf 6.2 “Verkeersaantrekkende werking” uit de Instructie gegevensinvoer AERIUS Calculator, BIJ12, 2019 A: “Projecten kunnen ook leiden tot extra verkeer en vervoer (onder andere wegverkeer en scheepva art) van en naar het plangebied.

Hierbij kan worden gedacht aan de aan - en afvoer van grondstoffen en producten, het personenautoverkeer van en naar een inrichting of binnenvaartschepen over de vaarwegen naar een nieuwe haven. Bij projecten met een dergeli jke verkeersaantrekkende werking, moeten ook de (indirecte) projecteffecten worden meegenomen. Wanneer verkeer - en vervoersbewegingen van en naar de inrichting worden meegenomen als emissiebron, dan moet vervolgens bepaald worden tot welke afstand deze moeten worden meegenomen in het onderzoek. Hier zijn in de praktijk geen harde criteria voor. Er dient in alle gevallen een onderbouwde afweging gemaakt te worden tot waar het verkeer meegenomen wordt. In deze paragraaf worden voorbeelden gegeven voor de afba kening hiervan.” De rijlijnen van het de loswal zijn derhalve gemodelleerd tot de kruising met De Deukten waar het verkeer ten gevolge van het bedrijf direct opgenomen wordt in het heersend verkeersbeeld (Bijlage 4). Immers, na 300 m (kruising met De Deukten) is het voldoende aannemelijk dat het verkeer van en naar de loswal kan worden geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Dit verkeer onderscheidt zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag niet van het overige verkeer dat zich op de Kerkweg kan bevinden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/58abf943-81a3-4999-81ee-72828359fd5e?agendaItemId=29480ce0-580c-4e66-8a50-2557dbed4781