CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting - Ontwerpbestemmingsplan Steenwijkerwold, Oldemarktseweg 103 en 103a.pdf

Politieke Markt 28 maart 2023, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Steenwijkerwold, Oldemarktseweg 103 en 103a19.702 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Afbeelding 4.5 Laag van beleving (Bron: Provincie Overijssel) Bestemmingsplan “Steenwijkerwold, Oldemarktseweg 103 en 103a” Ontwerp BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 30 ‘Donkerte’ Lichte gebieden geven een beeld van de economische dynamiek van de provincie: de steden en dorpen, de autosnelwegen, de kassengebieden, de attractieparken, de grote bedrijventerreinen en de gebieden met veel bebouwing. De donkere gebieden geven een indicatie van de 'buitengebieden' van Overijssel. De natuurcomplexen en de grote landbouwgebieden. De donkere gebieden zijn de gebieden waar het 's nachts nog echt donker is, waar je de sterrenhemel kunt waarnemen. Het zijn de relatief 'luwe' dun bewoonde gebieden met een lage gebruiksdruk. Donkerte wordt een te koesteren kwaliteit. De ambitie is de huidige 'donkere' gebieden, ten minste zo donker te houden, maar bij ontwikkelingen ze liever nog wat donkerder te maken. Dit betekent op praktisch niveau terughoudend zijn met verlichting van wegen, bedrijventerreinen e.d. e n verkennen waar deze 's nachts uit kan of anders lichtbronnen selectiever richten. Structureel is het vrijwaren van donkere gebieden van verhoging van de dynamiek het perspectief. De ambitie is het rustige en onthaaste karakter te behouden, zodat passages van autosnelwegen en regionale wegen niet leiden tot stedelijke ontwikkeling aan eventuele op- en afritten.

Bundeling van stedelijke functies en infrastructuur in de 'lichte' gebieden. Toetsing van het initiatief aan de "Laag van beleving” Ten eerste wordt gesteld dat lichtuitstraling inherent is aan de woonfunctie. Er is echter geen sprake van een onevenredige toename van (kunst)licht in het buitengebied. Onnodige verlichting wordt zoveel mogelijk voorkomen. Opgemerkt wordt dat de mogelijkheid tot het exp loiteren van een agrarisch bedrijf middels voorliggend bestemmingsplan komt te vervallen en de daarbij horende lichtuitstraling daarmee ook. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de “Laag van de beleving”. 4.3.5 Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving Het KGO-beleid is ontstaan om ontwikkelingen in het landelijk gebied mogelijk te maken in ruil voor een impuls van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. De 'Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving' is ontwikkeld als een eenduidige bundeling van diverse regelingen waaronder het Rood voor Rood - beleid. Voor de toepassing van KGO is een werkwijze ontwikkeld om de principes van ontwikkelingsplanologie toepasbaar te maken voor sociaaleconomische ontwikkelingen in de groene omgeving. De basis van de KGO is in lijn met de ontwikkelperspectieven en de 'Catalogus Gebiedskenmerken' en richt zich op zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik.

Een belangrijke voorwaarde is dat in ruil voor de ontwikkelingsruimte een passende kwaliteitsimpuls wordt gedaan. Voor elke ontwikkeling geldt een basisinspanning. Dat wil zeggen dat elke ontwikkeling goed landschappelijk ingepast dient te worden door de juiste situering van gebouwen en erfbeplanting. De aanvullende prestaties die moeten worden gedaan voor de ruimtelij ke kwaliteit zijn afhankelijk van een drietal variabelen, namelijk: 1. Is de ontwikkeling gebiedseigen of gebiedsvreemd?; 2. Wat is de schaal van de ontwikkeling en de impact op de omgeving?; 3. Dient het initiatief alleen het eigen belang of zijn er ook maatschappelijke belangen? Randvoorwaarden vanuit KGO: • De ontwikkeling richt zich op zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik; • Bewaak evenwicht tussen ontwikkelruimte en landschappelijke en maatschappelijke tegenprestatie. Bestemmingsplan “Steenwijkerwold, Oldemarktseweg 103 en 103a” Ontwerp BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 31 Met de kwaliteitsimpuls Groene Omgeving biedt de provincie Overijssel beleidsruimte aan gemeenten voor ontwikkelingen in de groene ruimte. Nieuwe ontwikkelingen moeten mogelijk zijn onder voorwaarde dat ze bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving. In het buitengebied is ruimte voor grootschalige uitbreidingen en nieuwe ontwikkelingen mits die gelijk opgaan met verbeteringen van de ruimtelijke kwaliteit.

Ruimtelijke kwaliteit wordt gerealiseerd door naast bescherming vooral in te zetten op het verbinden van bestaande gebiedskwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen, waarbij bestaande kwaliteiten worden beschermd en versterkt en nieuwe kwaliteiten worden toegevoegd. De methodiek voor het bepalen van de balans tussen ontwikkelingsruimte en de gevraagde investering in de groene omgeving, is gericht op het volgende: hoe meer de ontwikkeling als gebiedsvreemd te beschouwen is en /of hoe groter de schaal en impact op de ruimtelijke kwaliteit is, des te zwaarder weegt dat aan de ontwikkelingskant van de balans en hoe hoger de aanvullende kwaliteitsprestaties dan dienen te zijn. Als het gaat om een gebiedsvreemde ontwikkeling van een grote schaal en met een grote impact op de omgeving, dan zal een forse investering in het landschap nodig zijn. Om te beoordelen of medewerking kan worden verleend aan het verzoek, wordt het volgende model gevolgd: Gebiedseigen ontwikkeling Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Steenwijkerland en kent de functie wonen en werken in het kleinschalig mixlandschap. Het plangebied zal in de toekomstige situatie een woonfunctie krijgen welke gebiedseigen is in het mixlandschap. Tevens draagt het initiatief bij aan het sociaal en economisch vitaal houden van het buitengebied.

Schaal en impact op de omgeving De schaal is klein en de impact op de omgeving is, door de sloop van l andschapsontsierende bebouwing met asbest zelfs positief te benoemen. Eigen belang en maatschappelijk belang Er is sprake van een eigen belang maar tevens ook een maatschappelijk belang. Op het erf aan de staan landschapsontsierende bebouwing met asbest. Middels de sloop van deze bebouwing, en het opruimen van de verharding zal de ruimtelijke kwaliteit van het erf en de directe omgeving verbeteren. Dit is goed voor de leefomgeving en het landschap. Daarbij wordt op korte afstand van de kern Steenwijkerwold een agrarisch bedrijf wegbestemd. Hierdoor zal de overlast hiervan afnemen ten opzichte van de aangrenzende kern. Tegenprestatie Al met al worden er boven op de basisinspanningen aanvullende kwaliteitsprestaties gevraagd, die bijdragen aan de versterking van de gebiedskenmerken. Zoals in hoofdstuk 2 en 3 is aangegeven bestaat het plangebied momenteel deels uit bebouwde en verharde bedrijfsgronden en deels uit onverharde agrarische cultuurgronden. Deze bebouwing en overtollige erfverharding is aan te merken als landschapsontsierend. Daarnaast bestaat een groot deel van het dakoppervlak uit asbest.

Samenvattend gaat het om de volgende concrete aanpassingen: • Sloop van de landschapsontsierende bebouwing en sanering van de asbestdaken; • Sanering van de overtollige erfverharding en hekwerken; • Realiseren van een twee-onder-een-kapwoning, vrijstaande schuurwoning en woningsplitsing van de bestaande woning welke geschikt zijn voor de doelgroepen starters en ouderen; • Landschappelijk inpassen van het nieuwe woonerf. Bestemmingsplan “Steenwijkerwold, Oldemarktseweg 103 en 103a” Ontwerp BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 32 Met bovenstaande herinrichting van het perceel is er sprake van een afname van de bebouwing en verharding in het buitengebied van de gemeente Steenwijkerland. Door het slopen van de landschapsontsierende bebouwing en de asbestdaken wordt een duidelijke kwa liteitsimpuls behaald voor de omgeving, met name voor de kern Steenwijkerwold. Daarnaast wordt het woon - en leefklimaat ter plaatse van de omgeving verbeterd aangezien de mogelijkheden voor het exploiteren van een agrarisch bedrijf worden wegbestemd. De bouwmogelijkheden namen in voorliggend geval af en het oppervlakte bebouwing wordt aanzienlijk verminderd. Hiermee wordt overlast en welzijn van de nabijgelegen kern verhoogd. Ook wordt een fors aantal vierkante meter aan erfverharding verwijderd en wordt een hekwerk verwijderd.

Met name het verwijderen van de erfverharding en het bijbehorende hekwerk is een forse investering waardoor de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse sterk wordt verbeterd. Deze ruimtelijke investering vallen onder de basisinspanning aanvullend wordt er extra geïnvesteerd in de landschappelijke inpassing en versterking van de biodiversiteit. Samenhangend met de benodigde fysieke ingrepen wordt het plangebied op basis van het inpassingsplan landschappelijk ingepast, hetgeen de ruimtelijke kw aliteit verder zal verbeteren. Er wordt een grote hoeveelheid en diversiteit aan gebiedseigen boomsoorten en struiksoorten aangeplant wat een impuls geeft aan de landschappelijke kenmerken van het gebied maar ook de biodiversiteit sterk verbeterd. Tevens wordt ingezet op een grote hoeveelheid bloemrijk grasland in combinatie met een nieuw aan te leggen waterpoel. Dit zijn investeringen die worden gedaan bovenop de basisinspanning. Dit geeft ook een forse impuls aan de verbetering en versterking van de biodiversiteit in en rond het plangebied. De landschappelijke inpassing en aanvullende kgo- investeringen worden geborgd in de regels van het bestemmingsplan door middel van een voorwaardelijke verplichting. In paragraaf 3.2 wordt de ruimtelijke inpassing van het erf beschreven. Na de realisatie wordt het gehele erf ruimtelijke ingepast.

Geconcludeerd wordt dat er ten opzichte van de huidige situatie geen grootschalige toename is van de belasting van de Groene ruimte met nieuwe functies. Met uitvoering van de ba sisinspanning en de aanvullende maatregelen zoals extra inspanning ten behoeve van landschappelijke inpassing en versterking van de biodiversiteit door de aanleg van de poel en kruidenrijk grasland is er voldoende balans. 4.3.6 Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid Geconcludeerd wordt dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het provinciaal beleid, zoals genoemd in de Omgevingsvisie en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel. Bestemmingsplan “Steenwijkerwold, Oldemarktseweg 103 en 103a” Ontwerp BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 33 4.4 Gemeentelijk beleid 4.4.1 Omgevingsvisie Steenwijkerland (2017) De Omgevingsvisie richt zich op de fysieke omgeving: de ruimte waarin bewoners, bezoekers, instellingen en ondernemingen van de gemeente zich bevinden en het leefgebied van mensen, planten en dieren. De gemeente Steenwijkerland wil met de Omgevingsvisie de omgevingskwaliteit van Steenwijkerland naar een hoger plan tillen.

Omgevingskwaliteit wordt gedefinieerd als de integrale kwaliteit van ruimtes; het gaat er niet alleen om hoe deze ruimtes eru itzien, maar ook waartoe en op welke manier ze functioneren, hoe ze gebruikt worden en hoe de (functies van de) ruimtes met elkaar samenhangen en bijdragen aan het beter functioneren van de samenleving. Voorloper van de Omgevingsvisie was de Strategische Toekomstvisie 2030. De strategische toekomstvisie bevatte een integrale (en globale) visie op de ontwikkeling van de hele gemeente tot 2030. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van de Toekomstvisie was dat de kwaliteit van Steenwijkerland leidend zijn voor de toekomstige ontwikkelingen. Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan de versterking van Steenwijkerland. De Toekomstvisie had als uitgangspunt dat ontwikkelingsruimte wordt geboden voor wonen, werken en recreëren. De Strategische Toekomstvisie is geïntegreerd in de Omgevingsvisie 2017. Doel van de Omgevingsvisie is de leefbaarheid en de economische kracht van de gemeente te vergroten door de omgevingskwaliteiten van de gemeente te behouden en te versterken. Deze ambitie is er niet een van verre horizonten, maar juist een van realisme en aansluiten bij de identiteit. In samenwerking tussen inwoners, ondernemers en overheid willen we de kansen benutten die Steenwijkerland biedt.

4.4.1.1 Toetsing aan de Omgevingsvisie Steenwijkerland (2017) De voorgenomen ontwikkeling gaat uit van de sloop van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen en de nieuwbouw van een twee-onder-een-kapwoning en vrijstaande schuurwoning aan de Oldemarktseweg 103. Daarnaast wordt de bestaande bedrijfswoning gesplitst in twee zelfsta ndige woningen. Dit omdat de agrarische bedrijfsactiviteiten op het perceel zijn gestaakt. Hierdoor wordt niet langer in de agrarische bedrijfsbebouwing geïnvesteerd. Door de sloop van de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen wordt verpaupering en leegstand voorkomen. Door de bouw van nieuwe woningen wordt op het perceel voorzien in een toekomstbestendige functie. Landschappelijk gezien is deze ontwikkeling ook passend, dit is gewaarborgd middels de uitvoering van het erfinrichtingsplan. Geconcludeerd wordt dat de in voorliggend bestemmingsplan besloten ontwikkeling aansluit bij de Omgevingsvisie Steenwijkerland. 4.4.2 Woonagenda Steenwijkerland 2022-2026 4.4.2.1 Algemeen In de woonagenda staat concreet verwoord waar de gemeente Steenwijkerland in de period e 2022- 2026 wat betreft wonen als gemeente op in wil zetten. De woonagenda dient ook als basis voor het maken van nieuwe prestatieafspraken met de woningcorporaties. Deze woonagenda is daarnaast input voor de gemeentelijke omgevingsvisie en het omgevingsplan.

De Woonagenda Steenwijkerland 2022-2026 volgt de Woonvisie Steenwijkerland 2017-2021 op. 4.4.2.2 Wonen in Steenwijkerland 2022-2026 Een passende woning voor iedereen Bestemmingsplan “Steenwijkerwold, Oldemarktseweg 103 en 103a” Ontwerp BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 34 De woningmarkt in Steenwijkerland wordt momenteel gedomineerd door schaarste, vooral op de koopmarkt. Dit is een compleet andere werkelijkheid dan was voorzien in de voorgaande beleidsperiode. In de woonvisie 2017-2021 werd slechts een beperkte groei voorzien en in een aantal kernen zelfs krimp. De huidige schaarste is het gevolg van een combinatie van factoren zoals achterblijvende woningbouw o.a. als gevolg van de crisis in het afgelopen decennium, maar ook door verdunning van huishoudens, o.a. door vergrijzing. Om aan de lokale woningvraag te kunnen voldoen moeten er de komende 10 jaren in Steenwijkerland nog 1.735 woningen worden toegevoegd, waarvan 1.435 koopwoningen. Als gevolg van de keuze voor faciliterend grondbeleid en een toename van de verkopen is de voorraad gemeentelijke kavels in grondexploitaties in de afgelopen vijf jaren gedaald van 450 naar 185 kavels. Voor enkele grondexploitaties zijn nu geen kavels meer beschikbaar. De vraag naar woningen is er in alle kernen, maar is het grootst in de kernen met dagelijkse en niet- dagelijkse voorzieningen: Steenwijk, Vollenhove en Oldemarkt.

In de meeste kernen zijn er onvoldoende woningbouwplannen om in de vraag te voorzien. Alleen voor Steenwijk geldt dat de plannen voor woningbouw, qua aantallen redelijk in lijn zijn met de vraag. Qua type woningen is er vooral vraag naar woningen voor kleine huishoudens: betaalbare woningen voor starters en vooral: grondgebonden woningen met slaap- en badkamer beneden en een kleine tuin (patiowoningen) voor ouderen en andere kleine 1 of 2-persoonshuishoudens. Door woningen voor kleine huishoudens toe te voegen zetten we in op doorstroming van kleinere huishoudens vanuit hun gezinswoning naar een meer compacte woning. Hierdoor komen er gezinswoningen vrij voor gezinnen: de laatste paar jaren neemt het aantal (jonge) gezinnen in Steenwijkerland weer toe. De verwachting is dat deze trend de komende jaren nog doorzet. Lokaal zijn er soms behoorlijke verschillen tussen de kernen. Zo wonen er in Blokzijl, Giethoorn en Steenwijkerwold redelijk veel 65 - plussers, terwijl er in een kern als Sint-Jansklooster relatief veel jongeren zijn. Het is belangrijk hier bij de woningprogrammering rekening mee te houden. Sterke kernen en een vitaal buitengebied Het woningmarktonderzoek toont aan dat in Steenwijkerland de woningvraag het grootst is in kernen met een goede bereikbaarheid en voldoende voorzieningen als supermarkt, basisschool of huisarts.

De groei concentreert zich daardoor in de ‘voorzieningenkernen’ Steenwijk (inclusief Tuk), Vollenhove en Oldemarkt en de ‘basiskernen’ Steenwijkerwold, Blokzijl, Sint Jansklooster en Giethoorn. De basiskernen kennen wel voorzieningen, maar minder dan de voorzieningenkernen. De ‘woonkernen’ zijn het kleinst, hebben vaak geen supermarkt en ook weinig andere voorzieningen. Deze kernen zijn in het woningmarktonderzoek ingedeeld in de clusters Noordoost, Noordwest en Zuid en de woningbehoefte voor deze kernen is per cluster aangegeven. Wat nieuwe ontwikkelingen betreft richten we ons zoveel mogelijk op woonmilieus die aansluiten bij het bijzondere karakter en landschap van Steenwijkerland. Woonmilieus die passen bij de identiteit van het gebied en de kwaliteiten van het landschap. Naast vitale kernen willen we ook inzetten op een vitaal buitengebied. Om verpaupering van vrijkomende agrarische bebouwing (VAB) tegen te gaan zien we kansen om deze in te zetten voor de invulling van de lokale woningvraag, zoals voor nieuwe woonvormen of meergeneratiewoningen op een erf. 4.4.2.3 Toetsing van het initiatief aan de Woonagenda Steenwijkerland 2022 -2026 De voorgenomen ontwikkeling gaat uit van de sloop van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen (VAB) en de nieuwbouw van een twee-onder-een-kapwoning en vrijstaande schuurwoning aan de Oldemarktseweg 103.

Daarnaast wordt de bestaande bedrijfswoning gesplitst in twee zelfstandige woningen. Door de bouw van nieuwe woningen wordt op het perceel voorzien in een toekomstbestendige functie. Middels de voorgenomen ontwikkeling wordt ingespeeld op de vraag naar grondgebonden woningen. De toe te voegen woningen komen in aanmerkingen voor slaap - en badkamers op de begane grond. Tot slot wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling Bestemmingsplan “Steenwijkerwold, Oldemarktseweg 103 en 103a” Ontwerp BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 35 kwantitatief gezien ook past binnen de aantallen. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling in lijn is met de Woonagenda Steenwijkerland 2022 -2026. 4.4.3 Welstandsnota Steenwijkerland De gemeente Steenwijkerland heeft haar gemeentelijke welstandsbeleid opgenomen in de Welstandsnota. Deze geeft de gemeente de mogelijkheid om de cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden die in een bepaald gebi ed aanwezig zijn, te benoemen en een rol te laten spelen bij de ontwikkeling en beoordeling van bouwplannen. Hiertoe zijn onder andere voor het plangebied van dit bestemmingsplan een aantal welstandscriteria opgesteld, waaraan het bouwplan zal moeten voldoen. Het uitgangspunt is dat het bouwplan een definitief positief welstandsadvies krijgt.

Het plangebied ligt in het welstandsgebied ‘Stuwwallenlandschap tussen Oldemarkt en De Eese’, in het deelgebied ‘Kampenlandschap’. In dit gebied zijn de oorspronkelijke boerderijen overheersend. Veel oorspronkelijke boerderijen en bijbehorende erven zijn ook nog gaaf in situering, hoofdvorm en gevelindeling. De bebouwingskarakteristieken van deze gebouwen zijn dan ook bepalend voor het aanzien van dit gebied waarmee het historische karakter van het gebied nog goed afleesbaar is. Het beleid is er dan ook op gericht het oorspronkelijke karakter van het gebied te bewaren en bij nieuwe ontwikkelingen voorzichtigheid te betrachten. De volgende welstandcriteria worden er gehanteerd voor plangebied: Situering 1. Bouwplannen aan of bij de oorspronkelijke boerderijen dienen gesitueerd te worden conform de bestaande karakteristieken zoals in de gebiedsbeschrijving beschreven. 2. De overige hoofdbebouwing dient in ieder geval op de weg te worden georiënteerd. 3. Bijgebouwen zijn ten opzichte van het hoofdgebouw zodanig gesitueerd dat zij met elkaar een samenhangend geheel vormen Vormgeving 1. Bij bouwplannen aan of bij de oorspronkelijke boerderijen dienen de bebouwingskarakteristieken zoals in de gebiedsbeschrijving beschreven te worden behouden. Daarbij is in ieder geval relevant: het boerderijtype, de dakvorm en schaal en maat. 2.

Waar nodig dienen de bebouwingskarakteristieken te worden versterkt. 3. Bij de overige bebouwing zijn geringe afwijkingen van de karakteristieken op onderdelen acceptabel. 4. Uitbreidingen dienen ondergeschikt zijn aan het bestaande gebouw en dienen daar qua vormgeving mee te harmoniëren. 5. De plaats, afmetingen en verhoudingen van de raam- en deuropeningen dienen goed op elkaar afgestemd te zijn. 6. Bij uitbreiding van de woonfunctie in een bestaande of voormalige boerderij dient in ieder geval het onderscheid tussen woon- en bedrijfsgedeelte herkenbaar te blijven Detaillering, kleuren en materialen 1. Er dienen kleuren toegepast te worden conform de gebiedsbeschrijving. 2. Er dienen materialen te worden toegepast gelijk aan of aansluitend bij de in de gebiedsbeschrijving genoemd materialen. Bestemmingsplan “Steenwijkerwold, Oldemarktseweg 103 en 103a” Ontwerp BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 36 4.4.3.1 Toetsing aan Welstandsnota Steenwijkerland De in voorliggend bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van de realisatie van drie woningen en een woningsplitsing van de bestaande woning. De vormgeving van de gewenste woningen sluiten aan bij de omgeving. De woningen hebben een eenvoudige hoofdvorm, met een gedekte kleurstelling. Een van de woningen wordt uitgevoerd in de vorm van een schuurwoning. Dit is passend in het landelijk gebied.

In het kader van de vergunningstraject zal het ontwerp door de welstand getoetst worden. 4.4.4 Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het gemeentelijk beleid zoals genoemd in de Omgevingsvisie Steenwijkerland en de Welstandsnota. Bestemmingsplan “Steenwijkerwold, Oldemarktseweg 103 en 103a” Ontwerp BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 37 HOOFDSTUK 5 PLANOLOGISCHE RANDVOORWAARDEN Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet - en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van de voor het nieuw op te st ellen bestemmingsplan relevante milieuaspecten. De resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid worden beschreven. Het betreffen de thema’s geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en het Besluit milieueffectrapportage.

5.1 Geluid (Wet geluidhinder) 5.1.1 Wettelijk kader De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2 Situatie plangebied Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de realisatie van vier geluidsgevoelige objecten, namelijk een twee-onder-een-kapwoning, schuurwoning en een woning in de bestaande bedrijfswoning (woningsplitsing). 5.1.2.1 Wegverkeerslawaai Het plangebied ligt binnen de wettelijke geluidszone van de Oldemarktseweg. Ten aanzien van de bestaande (bedrijfs)woning wordt opgemerkt dat de functie, namelijk ‘wonen’, niet wijzigt. Daarnaast is in artikel 76 van de Wgh bepaald dat de geluidsbelasting van een aanwezige weg op een bestaande woning niet getoetst hoeft te worden aan de grenswaarden.

Hieronder valt het omzetten van een agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning. Een nadere toetsing aan de Wg h is in dit geval niet noodzakelijk. Opgemerkt wordt dat de bestaande woning aan de zijde van de Oldemarktseweg is gelegen. De toe te voegen woning binnen de bestaande bebouwing wordt aan de achterzijde toegevoegd. Ten aanzien van de beoogde compensatiewoningen is in voorliggend geval een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. In bijlage 2 van deze toelichting is de rapportage bijgevoegd. Hieronder wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies, voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar de bijlage. In de nabijheid van het projectgebied ligt de Oldemarktseweg. Het betreft een weg met een snelheidsregime van 30 km/uur. De geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeerslawaai van de Oldemarktseweg bedraagt exclusief reductie hoogstens 50 dB. Bestemmingsplan “Steenwijkerwold, Oldemarktseweg 103 en 103a” Ontwerp BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 38 In het Bouwbesluit wordt gesteld dat een karakteristieke gevelwering van een gebouw minimaal 20 dB moet zijn. Daarnaast wordt er ook gesteld dat een woning een binnenniveau van maximaal 33 dB mag hebben. Dit betekent dat met een gevelbelasting van 50 dB er automatisch aan dit binnenniveau wordt voldaan en er sprake is van een waarborging van het binnenniveau van 33 dB.

In voorliggend akoestisch onderzoek is de geluidbelasting exclusief reductie hoogstens 50 dB. Met deze geluidbelasting wordt voor alle woningen en alle binnenruimtes voldaan aan het maximaal toegestane geluidniveau van 33 dB uit het Bouwbesluit 2012. Er is daarmee sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen wat betreft het aspect wegverkeerslawaai. Wel zal een hogere grenswaarde worden aangevraagd. 5.1.2.2 Industrielawaai In de omgeving van het plangebied is geen gezoneerd bedrijventerrein, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, aanwezig. Het aspect industrielawaai is niet van toepassing. Wat betr eft de invloed van individuele bedrijven op de woning wordt verwezen naar paragraaf 5.5 (milieuzonering). 5.1.2.3 Railverkeerslawaai Railverkeerslawaai wordt in dit geval buiten beschouwing gelaten omdat de dichtstbijzijnde spoorlijn op zeer ruime afstand van het plangebied is gelegen. 5.1.3 Conclusie De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 5.2 Bodemkwaliteit 5.2.1 Algemeen Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740.

In voorliggend geval is door Dumea een verkennend bodemonderzoek (inclusief asbest in grond en puin) (NEN 5740 en NEN 5707) ter plaatse van het plangebied uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport is opgenomen in bijlage 3 bij deze toelichting, hierna wordt ingegaan op de bevindingen. 5.2.2 Situatie plangebied NEN 5740 Gehele locatie In de bovengrondmengmonsters BM1 t/m BM5 zijn geen verhogingen aangetroffen. In de ondergrondmengmonsters OM1 en OM2 zijn eveneens geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster Pb4wm1 zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster Pb5wm1 is een lichte verhoging nikkel aangetroffen. In het grondwatermonster Pb6wm1 zijn lichte verhogingen zink en barium aangetroffen. Tevens zijn in het grondwatermonster Pb6wm1 de concentraties kobalt en nikkel verhoogd aangetroffen ten opzichte van de tussenwaarde. Bestemmingsplan “Steenwijkerwold, Oldemarktseweg 103 en 103a” Ontwerp BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 39 Naar aanleiding van deze verhogingen is de bestaande peilbuis opnieuw bemonsterd. Uit het analysecertificaat van het her-monster Pb6wm2 blijkt dat er lichte verhogingen kobalt en nikkel is aangetroffen in het grondwater. Zware metalen worden vaker verhoogd aangetroffen in het grondwater en kunnen van nature verhoogd voorkomen. Tevens kunnen zware metalen in concentratie sterk fluctueren.

Nader onderzoek naar de verhogingen kobalt en nikkel wordt niet zinvol geacht. Vml. dieseltank In het bovengrondmengmonster BM6 zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster Pb1wm1 zijn geen olie gerelateerde verhogingen aangetroffen. NEN 5707 Tijdens de maaiveld- inspectie zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie geen asbestverdachte= materialen op het maaiveld aangetroffen. Gehele locatie Ter plaatse van de locatie zijn meerdere inspectiegaten gegraven, bemonsterd en geanalyseerd opde aanwezigheid van asbest. In de mengmonsters MM1 t/m MM5 is analytisch geen asbest aangetoond. 5.2.3 Conclusie Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan. 5.3 Luchtkwaliteit 5.3.1 Beoordelingskader Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet Luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen.

Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); • Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); 5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtverontreiniging van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip ‘niet in betekenende mate’ is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO 2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor - en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; • woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; • kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Bestemmingsplan “Steenwijkerwold, Oldemarktseweg 103 en 103a” Ontwerp BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 40 Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds ni et in betekenende mate bijdragen.

De bijdrage aan NO 2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings -, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2 Situatie plangebied Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot de categorieën van gevallen zoals beschreven in 5.3.1.1 kan worden gesteld dat het voorliggend project ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging. Verder is in voorliggend geval geen sprake van een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 5.3.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.4 Externe veiligheid 5.4.1 Algemeen Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gev aarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet - en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); • de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); • het Registratiebesluit externe veiligheid; • het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); • het Vuurwerkbesluit; • het Activiteitenbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht.

De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); • de Regeling basisnet; Bestemmingsplan “Steenwijkerwold, Oldemarktseweg 103 en 103a” Ontwerp BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 41 • de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). De regelgeving omtrent buisleidingen is opgenomen in het Besluit externe veilighei d buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2 Gemeentelijk beleid externe veiligheid De gemeente Steenwijkerland wil haar burgers een veilige leefomgeving bieden. Om de verantwoordelijkheid in te vullen heeft de gemeente Steenwijkerland externe veiligheidsbeleid geformuleerd in haar ‘Externe veiligheidsbeleid 2015 – 2018’. Bij externe veiligheid gaat het om de risico's op de omgeving die samenhangen met het produceren, verwerken, opslaan en vervoeren van gevaarlijke stoffen.

Doel van het externe veiligheidsbeleid is om een toetsingskader te hebben dat duidelijk maakt welke externe veiligheidsrisico’s in de gemeente aanwezig zijn en hoe er met deze en toekomstige risico's dient te worden omgeg aan. De gemeente neemt bij besluiten in het kader van vergunningverlening en ruimtelijke ordening het externe veiligheidsbeleid in acht, zoals dat in de rapportage is beschreven. 5.4.3 Situatie in en bij het plangebied Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico’s, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (rode ster) en omgeving weergegeven.

Bestemmingsplan “Steenwijkerwold, Oldemarktseweg 103 en 103a” Ontwerp BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 42 Afbeelding 5.1 Uitsnede Risicokaart (Bron: Atlas Leefomgeving) Uit de inventarisatie blijkt verder dat het plangebied: • zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); • zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. 5.4.4 Conclusie Een en ander brengt met zich mee dat de ontwikkeling in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid. Bestemmingsplan “Steenwijkerwold, Oldemarktseweg 103 en 103a” Ontwerp BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 43 5.5 Milieuzonering 5.5.1 Algemeen Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functie s als wonen en recreëren anderzijds.

De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden.

De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis worden gezien door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2 Gebiedstypen Volgens de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot een met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.

Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Het plangebied ligt in een omgeving waar geen sprake is van menging van functies. Daarom wordt in dit geval uitgegaan van het omgevingstype ‘Rustige woonwijk’. Bestemmingsplan “Steenwijkerwold, Oldemarktseweg 103 en 103a” Ontwerp BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 44 Milieucategorie Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 1 10 m 0 m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m 5.5.3 Situatie plangebied 5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG - uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. In dit geval worden vier woningen gerealiseerd en blijft de bestaande bedrijfswoning behouden en wordt als reguliere woning bestemd. De functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving. Van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is dan ook geenszins sprake 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantast. In de omgeving van het plangebied zijn een aantal milieubelastende functies aanwezig waarmee rekening moet worden gehouden. In de onderstaande tabel zijn de bestemmingen benoemd welke eventueel van invloed kunnen zijn op het plangebied. Tevens is aangegeven onder welke categorie de functies in de bestemming valt, welke richtafstand geadviseerd wordt en wat de afstand van deze bestemmingen tot de woningen in het plangebied is. Aan de Gelderingen 59 is een melkveebedrijf gevestigd.

Op basis van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’, geldt de grootste richtafstand veelal voor het aspect geur. Bij agrarische bedrijven zijn echter niet de adviesafstanden, maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veebedrijven bepalend. In paragraaf 5.6 wordt dit verder uitgewerkt. Bestemmingsplan “Steenwijkerwold, Oldemarktseweg 103 en 103a” Ontwerp BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 45 Functie Categorie Richtafstand in meters Daadwerkelijke meters (Bestemmingsvlak – plangebied) Begraafplaats Oldemarktseweg 86 1 10 m 101 m Sportvelden Oldemarktseweg 92 3.1 50 m 33 m Kerkgebouw Oldemarktseweg 94 2 30 m 161 m Begraafplaats Oldemarktseweg 90 1 10 m 31 m Autobedrijf Oldemarktseweg 82 2 30 m 144 m Grondgebonden agrarisch bedrijf Gelderingen 59 3.2 30 m 300 m Opgemerkt wordt dat tussen het sportcomplex ten noorden en het plangebied een parkeerplaats is gelegen. De sportvelden met verlichting liggen op een afstand van circa 51 meter van het plange bied. Het is niet aannemelijk dat de sportvelden op kortere afstand tot het plangebied worden gerealiseerd omdat dit niet inpasbaar is. Vanwege bestaande woningen op kortere afstand zullen de sportvelden ook niet verder belemmerd worden. Geconcludeerd wordt dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

5.5.4 Conclusie milieuzonering Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 5.6 Geur 5.6.1 Wet geurhinder en veehouderij & Activiteitenbesluit De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën w aarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: Bestemmingsplan “Steenwijkerwold, Oldemarktseweg 103 en 103a” Ontwerp BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 46 • ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en • ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. De Wgv bevat een regeling (art. 14, lid 2 en 3) voor onder meer voormalige bedrijfs woningen en compensatiewoningen in het kader van Rood voor rood.

Het tweede lid van artikel 14 luidt: Voor de toepassing van de artikelen 3, 4 en 6 bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een woning die op of na 19 maart 2000 is gebouwd: • op een kavel die op dat tijdstip in gebruik was als veehouderij • in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de veehouderij, en; • in samenhang met de sloop van de bedrijfsgebouwen die onderdeel hebben uitgemaakt van de veehouderij; ten minste 100 meter indien de woning binnen de bebouwde kom is gelegen en ten minste 50 meter indien de woning buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. 5.6.2 Situatie plangebied Met dit plan worden vier extra geurgevoelige objecten toegestaan en een bestaande behouden, namelijk de bestaande woning aan de Oldemarktseweg 103. Het agrarisch bedrijf (zijnde een melkveehouderij aan de Gelderingen 59) is gelegen op een afstand van circa 300 meter. Uitgaande van artikel 3, lid 2 en artikel 14, lid 2 van de Wgv, dient de afstand tussen een veehouderij en een voormalige agrarische bedrijfswoning en een compensatiewoning buiten de bebouwde kom minimaal 50 meter te zijn. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan.

Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van het plangebied een aanvaardbaar woon - en leefklimaat is te verwachten. Gelet op de afstanden en de bestaande situatie wordt de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van de nabijgelegen (potentiële) veehouderij niet onevenredig belemmerd. 5.6.3 Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor dit plan. 5.7 Ecologie Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier - en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds - en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. 5.7.1 Gebiedsbescherming 5.7.1.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet Natuurbescherming beschermd.

Bestemmingsplan “Steenwijkerwold, Oldemarktseweg 103 en 103a” Ontwerp BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 47 Kern van de Natura 2000 zijn de instandhoudingsdoelstellingen die per Natura 2000 -gebied zijn geformuleerd. Een project of plan mag er niet toe leiden dat de instandhoudingsdoelstellingen niet meer gehaald (kunnen) worden. Dan is sprake van significante gevolgen. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstof-depositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets, waarin wordt getoetst of significante gevolgen voor Natura 2000 -gebied op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een vergunning noodzakelijk op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming. In afbeelding 5.3 is de ligging van het plangebied (rode ster) weergegeven ten opzichte van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘De Wieden’ en ‘De Weerribben’.

Afbeelding 5.3 Ligging van het plangebied ten opzichte van de Natura 2000 (Bron: Provincie Overijssel) Woningbouwplannen of vergelijkbare projecten kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen in een Natura 2000-gebied. Deze toename van de stikstofdepositie kan het gevolg zijn van zowel de aanleg als ook de gebruiksfase. De meest nabijgelegen Natura 2000 gebieden (Wieden en Weerribben) zijn stikstofgevoelige natuurgebieden, welke overbelast zijn. Ten behoeve van het plan zijn Aerius – berekeningen uitgevoerd. De berekeningen en de bijbehorende toelichting zijn als bijlage 5 bij het bestemmingsplan gevoegd. Hierna volgt het resultaat van het uitgevoerde onderzoek. Er is geen sprake van een toename van stikstof groter dan 0,00 mol/hectare/jaar. Gelet op het vorenstaande is er sprake van een afname van stikstofuitstoot, hetgeen een positief effect heeft op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. 5.7.1.2 Natuur Netwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij' Bestemmingsplan “Steenwijkerwold, Oldemarktseweg 103 en 103a” Ontwerp BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 48 - principe.

In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. In afbeelding 5.4 is de ligging van het plangebied (rode ster) weergegeven ten opzichte van het NNN. Afbeelding 5.4 Ligging van Natuurnetwerk Nederland ten opzichte van het plangebied (Bron: Provincie Overijssel) In afbeelding 5.4 is de locatie van het plangebied ten opzichte van het NNN weergegeven. Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 1,5 kilometer van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. 5.7.2 Soortenbescherming 5.7.2.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. In voorliggend geval is een quickscan natuurwaarden uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten van dit onderzoek opgenomen. In bijlage 4 bij deze toelichting is de volledige onderzoeksr apportage opgenomen.

5.7.2.2 Situatie plangebied Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van bezette vogelnesten en het verstoren van vogels dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het Bestemmingsplan “Steenwijkerwold, Oldemarktseweg 103 en 103a” Ontwerp BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 49 broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied. Mogelijk gebruiken ze het plangebied wel als foerageergebied, echter wordt het plangebied door de inrichting (erfverharding en bebouwing) niet als hoogwaardig foerageergebied beschouwd. De te slopen bebouwing vormt ook geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement, er wor den geen vliegroutes aangetast. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën geldt dat ze niet (opzettelijk) gedood mogen worden.

Er worden geen beschermde grondgebonden zoogdieren of amfibieën in het plangebied verwacht, het naleven van de zorgplicht wordt hierbij als voldoende geacht. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Tot slot wordt benadrukt dat te allen tijde rekening dient te worden gehouden met de zorgplicht zoals opgenomen in de Wet natuurbescherming. De zorgplicht houdt in dat eenied er voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. 5.7.3 Conclusie Er worden geen negatieve effecten op het NNN en Natura 2000-gebieden verwacht. Daarnaast worden geen negatieve effecten op beschermde soorten in het plangebied verwacht en wordt nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. 5.8 Archeologie & Cultuurhistorie 5.8.1 Archeologie 5.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bi j projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

5.8.1.2 Situatie plangebied De archeologische verwachtingskaart is doorvertaald in de beheersverordening “Buitengebied Steenwijkerland 2014”. Het plangebied heeft in de beheersverordening de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 2 in verband met mogelijke archeologische waarden in de grond. Voor de gronden geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 2.500 m². Deze oppervlakte lijkt niet overschreden te worden. De bodemingrepen ten behoeve van het realiseren van de nieuwe woningen overschrijdt de voorgenoemde oppervlakte niet. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Mocht onverwachts toch wat aangetroffen worden geldt, volgens de Erfgoedwet, art. 5.10 en 5.11, een meldingsplicht bij de minister (www.cultureelerfgoed.nl). Bestemmingsplan “Steenwijkerwold, Oldemarktseweg 103 en 103a” Ontwerp BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 50 5.8.2 Cultuurhistorie 5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundig e aspecten en cultuurhistorische aspecten. De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet.

Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2023 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. 5.8.2.2 Onderzoeksresultaten cultuurhistorie Er bevinden zich in het plangebied geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor onderliggend plan. 5.8.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden. 5.9 Besluit milieueffectrapportage 5.9.1 Kader De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: • Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.

• Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings - of bestemmingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit gehe el of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit.

Bestemmingsplan “Steenwijkerwold, Oldemarktseweg 103 en 103a” Ontwerp BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 51 Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. 5.9.2 Situatie plangebied 5.9.2.1 Artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming Het plangebied ligt op ruime afstand van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden (ten minste 3,6 kilometer). Gezien de aard en omvang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in relatie tot de ruime afstand tot Natura 2000-gebieden worden geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van het voornemen dan ook niet noodzakelijk. Daarom is geen sprake van een m.er. -plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 5.9.2.3 Drempelwaarden Besluit m.e.r.

Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor het voldoet aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten mogelijk worden gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en daarmee geen sprake van een directe m.e.r.-plicht. In onderdeel D 11.2 van het besluit wordt de “aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen” genoemd. Indien geoordeeld wordt dat sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' is mogelijk een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag om er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage.

Uit jurisprudentie (ABRvS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2414) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aa nzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van het toevoegen van slechts vier grondgebonden woningen in het buitengebied van de gemeente Steenwijkerland. Daarnaast wordt in het plangebied bebouwing gesloopt. Het gaat om een (zeer) kleinschalige ontwikkeling waarbij het aantal verkeersbewegingen niet toeneemt. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een nieuwe functie die niet leidt tot een aantasting va n het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Tevens blijkt uit dit hoofdstuk en hoofdstuk 6 dat dit bestemmingsplan geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/8552febc-5cf1-49c4-ad83-0af24612cfd1?agendaItemId=0988cd8a-557e-45c7-828f-b44d14e39a7f