Toelichting bestemmingsplan Steenwijk, Jan Steenstraat en omgeving.pdf
Tekst van het document
(vastgesteld) De voorgenomen ontwikkeling past binnen het gemeentelijk woonbeleid en de prestatieafspraken. Met name in Steenwijk wordt een toename in de vraag naar sociale huurwoningen verwacht. Met het plan wordt een bijdrage geleverd aan passende huisvesting voor mensen met een laag inkomen. Het betreffen duurzame woningen op een binnenstedelijke locatie. 3.3.8 Duurzaamheid In maart 2013 heeft de gemeenteraad de Notitie Nieuwe Energie vastgesteld. De inzet van deze notitie luidt: 'De gemeente Steenwijkerland zet met verve een ambitie neer dat in 2020 in de gemeente een volume aan nieuwe energie wordt opgewekt ter grootte van het huishoudeli jk energiegebruik in de gemeente'. In het Coalitieakkoord 2018 - 2022 wordt veel aandacht besteed aan het onderwerp duurzaamheid. De ambitie is gericht op een energieneutrale gemeente. Steenwijkerland kiest voor een duurzame ontwikkeling van woon-, leef- en werkomgeving van de huidige en toekomstige generaties. Daarbij worden natuurlijke hulpbronnen duurzaam gebruikt en is de gemeente minder afhankelijk van fossiele energie. In het akkoord staan twee belangrijke speerpunten als het gaat om duurzaamheid: afhankelijkheid van gas verminderen; opwekking duurzame energie aanjagen.
De ambitie om afspraken te maken over het moment wanneer gasloos bouwen de norm wordt, is ingehaald door de inwerkintreding van de Wet Voortgang Energietransitie (VET) waardoor geen verplichting meer geldt voor het realiseren van een gasaansluiting voor nieuwbouw woningen en andere kleinverbruikers. Voor nieuwbouwwoningen en kleinverbruikers met een aansluitcapaciteit tot 40m³/uur betekent dit dat deze niet meer standaard worden aangesloten op het aardgasnetwerk. Daarnaast worden initiatiefnemers, zoals corporaties, gestimuleerd om te investeren in goede isolatie van woningen. Daarnaast wordt ruimte geboden voor het opwekken van energie. Hiervoor geldt een 'ja, mits' principe. In paragraaf 4.4 wordt verder ingegaan op hoe het begrip 'duurzaamheid' in het plan tot uitdrukking komt. Adviesbureau Haver Droeze BNT 25 Hoofdstuk 4 MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN In het kader van een ruimtelijke procedure dient voor diverse milieu- en omgevingsaspecten te worden aangetoond dat het plan uitvoerbaar is. Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden of er vanuit milieuhygiënisch oogpunt belemmeringen en/of beperkingen aanwezig zijn voor de directe omgeving en de beoogde ontwikkeling zelf. In dit hoo fdstuk wordt voor de beoogde ontwikkeling nader ingegaan op de verschillende aspecten. Indien noodzakelijk is aanvullend onderzoek uitgevoerd.
De betreffende rapportages zijn als bijlage aan deze toelichting toegevoegd. 4.1 Archeologie en cultuurhistorie Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Deze wet bundelt de daarvoor bestaande wet - en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomge ving betreffen gaan naar de Omgevingswet die in 2021 in werking treedt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen totdat de nieuwe Omgevingswet in werking treedt. 4.1.1 Archeologie Het Verdrag van Malta (ook wel het verdrag van Valletta genoemd) regelt de omgang met Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft dit verdrag in 1992 ondertekend en sinds 2007 is het verdrag omgezet in Nederlandse regelgeving: de Wet archeologische monumentenzorg (Wamz). Belangrijkste doel van de wet is het borgen van een zorgvuldige omgang met archeologische waarden door het archeologisch belang van meet af aan te laten meewegen in de besluitvorming. Deze uitgangspunten staan ook centraal in de Erfgoedwet. Uitgangspunt van het verdrag is het zoveel mogelijk ter plekke (in situ) bewaren van het archeologisch erfgoed en het nemen van beheersmaatregelen om dit te bewerkstelligen. Daar waar behoud in situ niet mogelijk is, dienen de bodemverstoorders archeologisch onderzoek te laten verrichten.
De kosten daarvan komen voor rekening van de initiatiefnemer. 4.1.1.1 Gemeentelijk archeologie beleid De verantwoordelijkheid voor het behoud en het beheer van het archeologisch erfgoed rust bij gemeenten. De gemeenteraad is op grond van de Erfgoedwet en het Besluit ruimtelijke ordening verplicht bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden en de cultuurhistorie van een gebied. De archeologische waarden zijn vastgelegd op een gemeentelijke archeologische beleidskaart en de Erfgoedverordening 2010. Raadpleging van de gemeentelijke archeologische beleidskaart (zie afbeelding 5) leert dat het plangebied deel uitmaakt van 'de bebouwde kom'. Bebouwde kommen (grijze gebieden): zij n gebieden waarvan niet bekend is wat de archeologische waarden of verwachtingen zijn. Hier zal per geval in overleg met de gemeente bepaald moeten worden of een archeologisch onderzoek nodig is. 26 bestemmingsplan Steenwijk - Jan Steenstraat e.o.
(vastgesteld) Afbeelding 5: Uitsnede beleidsadvieskaart gemeente Steenwijkerland Bron: Lycens, Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (BO en IVO -O), Jan Steenstraat, Steenwijk, 1 juni 2021 4.1.1.2 Archeologisch onderzoek In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een archeologisch onderzoek uitgevoerd in de v orm van een bureauonderzoek en een veldonderzoek door middel van boringen (Lycens, Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (BO en IVO-O), Jan Steenstraat, Steenwijk, 27 augustus 2021, zie bijlage 1). Uit het onderzoek blijkt dat het plangebied zich aan de rand van een stuwwal, ten zuiden van Steenwijk, bevindt. Voor de top van de pleistocene afzettingen geldt een hoge archeologische verwachtingswaarde. In het bureauonderzoek is de archeologische verwachting verder gespecificeerd naar een hoge verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum - Middeleeuwen en een middelhoge verwachting voor de Nieuwe Tijd. De omvang van de verwachte vindplaatsen varieert sterk, van puntlocaties en kleine kampjes tot omvangrijkere nederzettingsterreinen. De verwachtin g is getoetst door middel van boringen. Tijdens het veldonderzoek is geconcludeerd dat gezien de hoge mate van bodemverstoring geen intacte archeologische resten binnen het plangebied worden verwacht.
Op grond van de uitkomsten van het onderzoek wordt geadviseerd het plangebied vrij te geven voor de geplande bodemingrepen. Adviesbureau Haver Droeze BNT 27 Ook in een vrijgegeven plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Er fgoedwet 2016 dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de gemeente, provincie of de Rijksdienst voor Cultureel Erfoed. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.1.2 Cultuurhistorie Op grond van artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Cultuurhistorie omvat vele aspecten zoals het archeologisch erfgoed, (archeologische) monumenten, landschappelijke elementen en structuren, stedenbouwkundige structuren en delen van de infrastructuur. Uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is om het binnen een gebied aanwezige cultuurhistorische erfgoed te behouden. Toets Om inzicht te krijgen in de cultuurhistorische waarde van het plangebied is een korte inventarisatie uitgevoerd naar de in het plangebied voorkomende cultuurhistorische waardevolle objecte n en structuren.
Zo is de Cultuurhistorische Waardenkaart van de Provincie Overijssel bekeken, de Rijksmonumentenlijst en de monumentenlijst van de gemeente Steenwijkerland. In het plangebied komen geen (rijks-)monumenten voor. Op de cultuurhistorische waardenkaart is Steenwijk ingedeeld op basis van historische bouwkunde. Het plangebied ligt in een gebied dat wordt geduid als 'historische dorpskernen met uitbreiding (1960)'. De kenmerken van dergelijke gebieden zijn: wederopbouwwijken, rationale opbouw, flatwijken, grootschalig. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.2 Bedrijven en milieuzonering Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven) en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). De VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) is een hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. De publicatie heeft bedrijven ingedeeld in categorieën met bijbehorende richtafstanden tot gevoelige functies. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de bestemmingsgrens van bedrijven en anderzijds de gevel van de gevoelige functie, zoals een woning.
De richtafstanden hangen samen met de gebiedskenmerken en eventuele functiemenging. Voor het plangebied wordt uitgegaan van een rustige woonwijk. Hierbij gelden de volgende richtafstanden: Categorie Richtafstand in meters 1 10 2 30 3.1 50 3.2 100 4.1 200 4.2 300 5.1 500 In de directe omgeving van het plangebied zijn de volgende relevante (bedrijfsmatige) functies aanwezig: Bedrijvenbestemming: Verlaatseweg 7: met de aanduiding opslag (categorie 1, richtafstand 10 m); Vondelstraat (ten oosten van Bilderdijkstraat 2): met de aanduiding opslag (categorie 1, richtafstand 10m); Verlaatseweg 160: rioolwaterzuiveringsbedrijf (categorie 4.1, richtafstand 200m ). 28 bestemmingsplan Steenwijk - Jan Steenstraat e.o. (vastgesteld) Maatschappelijke bestemming (milieucategorie 2, richtafstand 30m): Gasthuislaan 86: OBS De Samensprong Gasthuislaan 90: Basisschool De Wegwijzer Verlaatseweg 12: Woonzorgcentrum Voetelinkhuis Verlaatseweg 10: Tuba Moskee Gasthuislaan 109: Kerkgebouw van de Vrije Zendingsgemeente Admiraal de Ruyterstraat 6: Kindcentrum Willem Alexander Het plangebied ligt buiten deze richtafstanden. Daarnaast is op enkele percelen de bestemming 'Gemengd' van toepassing. Binnen deze bestemming zijn diverse functies toegestaan. Het gaat om kantoor, zakelijke dienstverlening, culturele voorzieningen, maatschappelijke voorzieningen en wonen.
Ten aanzien van deze bestemming geldt geen richtafstand. Paul Krugerstraat 34 Gasthuislaan 22 t/m 26 Vondelstraat 3 Gasthuislaan 30 Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.3 Bodem In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang om de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem in kaart te brengen. Duidelijk moet zijn of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde 'stand stillbeginsel'. Toets Er is een verkennend bodemonderzoek (Ecoreest, Verkennend bodemonderzoek ter plaatse van Jan Steenstraat te Steenwijk, 24 juni 2021, zie bijlage 2) uitgevoerd. Het doel van het onderzoek is een indruk te krijgen over de eventuele aanwezigheid van verontreinigingen in de grond en in het grondwater van het onderzoeksterrein. Dit gebeurt om te bepalen of er vanuit milieuhygiënisch oogpunt belemmeringen bestaan voor het toekomstige gebruik van de locatie (wonen met tuin).
Uit het onderzoek blijkt dat in de bovengrond plaatselijk licht verhoogde gehalten aan lo od, minerale olie en/of PCB zijn gemeten. Daarnaast zijn in de bovengrond plaatselijk gehalten aan PFOS gemeten die de maximale samenstellingswaarde van de kwaliteitsklasse wonen en/of die van industrie overschrijden. De gemeten waarden overschrijden de Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV) PFAS voor grond en grondwater niet. De onderzoekshypothese, zijnde een onverdachte locatie, is op basis van de plaatselijk licht verhoogd gemeten gehalten aan lood, minerale olie en/of PCB en de plaat selijk aangetroffen gehalten aan PFOS in de bovengrond, verworpen. Gezien de aard en de concentraties van de aangetoonde parameters in relatie tot de bestemming (wonen) van het terrein, wordt geconcludeerd dat verhoogde risico's voor de volksgezondheid en /of het milieu op basis van de aangetoonde milieuhygiënische kwaliteit, niet te verwachten zijn. De resultaten van het onderzoek vormen dan ook geen aanleiding tot nader onderzoek en zijn geen milieuhygiënische belemmering in relatie tot de woonbestemming van het terrein. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Adviesbureau Haver Droeze BNT 29 4.4 Duurzaamheid Het meenemen van duurzaamheid in nieuwbouwprojecten wordt door steeds meer partijen belangrijk gevonden.
Het integreren van duurzaamheid in nieuwbouwprojecten biedt kansen in iedere fase van een project. Zo kan met een slimme ruimtelijke planning het energieverbruik van gebouwen terug gedrongen worden, bijvoorbeeld door zongericht verkavelen. In het ontwerp van een gebouw kan bijvoorbeeld door de juiste materiaalkeuze de impact op milieu verlaagd worden, door bijvoorbeeld het vermijden van uitlogende materialen als zink of door het gebruik van gerecyclede materialen. Het gebruik van natuurvriendelijke materialen binnenshuis kan het binnenklimaat verbeteren. Dit resulteert in een gezonde en toekomst bestendige leefomgeving, met onder andere een hogere kwaliteit en comfort, alsook lagere vaste (energie)lasten. Het wettelijk kader ten aanzien van het aspect duurzaamheid is vastgelegd in het Bouwbesl uit. Toetsing hieraan vindt plaats bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen. De rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie.
Ook in de Omgevingsverordening Overijssel is bepaald dat in de toelichting op bestemmingsplannen aannemelijk wordt gemaakt dat de nieuwe ontwikkelingen toekomstbestendig zijn en dus de mogelijkheden van toekomstige generaties om in hun behoeften te voorzien niet in gevaar brengen, duurzaam en evenwichtig bijdragen aan het welzijn van mensen, economische welvaart en het beheer van natuurlijke voorraden en ook op lange termijn toegevoegde waarde hebben. Toets In het plan komt het begrip 'duurzaamheid' op de volgende manieren tot uitdrukking; zowel op stedenbouwkundig en architectonisch niveau. Zo wordt de buurt vergroend voor meer verblijfskwaliteit. Het aanwezige groen wordt opgenomen in een groenstructuur in het hart van de buurt en er wordt extra groene ruimte toegevoegd. Daarnaast wordt een groene verbinding gelegd met andere groen-/speelgebieden. Door inheemse soorten toe te passen, kan de biodiversiteit een impuls krijgen. Daarnaast geven bomen schaduw en verkoelen ze de luchttemperatuur samen met het gras door middel van evapotranspiratie. Het regenwater kan bij de groene zone ook de grond in sijpelen; het water van de daken en de verharde oppervlakken wordt verzameld bij de wadi. De wadi voert het hemelwater in een gereguleerd tempo af, waardoor het rioolsysteem niet overbelast wordt tijdens piekbuien.
In de architectuur worden natuurinclusieve maatregelen opgenomen in de vorm van voorzieningen ten behoeve van diverse soorten, waaronder huismus en de gewone dwergvleermuis. Ten slotte zijn in het Convenant Energiebesparing Huursector van 28 juni 2012 afspraken gemaakt over energiebesparing tussen het Rijk en woningcorporaties, waarbij gestreefd wordt naar een gemiddelde Energie-Index < 1,40 (gemiddeld energielabel B) voor de totale huurwoningvoorraad van de woningcorporaties. Alle partijen zien het belang van energiebesparing, vanwege het klimaat, de eindigheid van de voorraad fossiele brandstoffen en de stijging van de energieprijzen in relatie tot de woonlastenontwikkeling: energiebesparing draagt bij aan een betere betaalbaarheid van het huren, wat vooral van belang is voor de koopkracht van huurders met lagere inkomens. Ook Woonconcept heeft zich ten doel gesteld om haar totale huurwoningvoorraad op gemiddeld energielabel B te brengen. De huidige energielabels van de woningen variëren van label D tot G. De nieuwbouwwoningen voldoen aan de huidige eisen voor woningen zodat een gezond woon- en leefklimaat ontstaat en krijgen een A label. Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 30 bestemmingsplan Steenwijk - Jan Steenstraat e.o.
(vastgesteld) 4.5 Ecologie De bescherming van natuur in Nederland is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Gebiedsbescherming is vastgelegd in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming (Wnb) en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het NNN is een netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Soortenbescherming is geregeld in hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen aangewezen worden als Europese Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden zijn in Nederland opgenomen in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming. Op grond van deze wet is het verboden projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten kunnen verslechteren, of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Een andere vorm van gebiedsbescherming komt voort uit aanwijzing van een gebied als onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur).
Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN (nee, tenzij-beginsel). Anders dan bij gebieds- en soortenbescherming is de status als Natuurnetwerk Nederland niet verankerd in de Wet natuurbescherming, maar dient het belang in de planologische afweging een rol te sp elen. Dit valt onder de verantwoordelijkheid van de Provincie. Soortenbescherming Soortenbescherming is altijd aan de orde. Hiervoor is hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming bepalend. Soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van s oorten in hun natuurlijk leefgebied. Er wordt onderscheid gemaakt tussen internationaal beschermde soorten en nationaal beschermde soorten. Van de nationaal beschermde soorten kan de beschermde status per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor (algemeen voorkomende) soorten. Het beschermingsregime is verschillend voor zowel de internationaal beschermde soorten (Vogel- en Habitatrichtlijn soorten) als de nationaal beschermde soorten. Tevens kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht (artikel 1.11 Wnb), zowel voor soorten als hun (beschermde) leefgebied.
Toets Gebiedsbescherming - Natura 2000 Het plangebied ligt niet in of in de directe nabijheid van Natura 2000-gebied. Het dichtsbijzijnde Natura 2000-gebied is 'De Wieden' (zie afbeelding 6). Dit gebied ligt op circa 1,5 km afstand. Op ongeveer 6 km ligt Natura 2000-gebied Weerribben en Natura 2000-gebied Holtingerveld ligt in de omgeving op ongeveer 7 kilometer. Adviesbureau Haver Droeze BNT 31 Afbeelding 6: Natura 2000 Bron: www.natura2000.nl/gebieden In de Natura 2000-gebieden De Wieden, Weerribben en Holtingerveld en andere omliggende Natura 2000-gebieden zijn stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden aanwezig. De gevolgen van de uitvoering van een project voortvloeiend uit het bestemmingsplan zijn daarom in beeld gebracht aan de hand van een modelberekening met AERIUS Calculator (2020, release 15 oktober 2020) en getoetst aan de huidige kaders van de Wet natuurbescherming (Ecogroen, Stikstofberekening verkaveling Jan Steenstraat, Steenwijk, 14 september 2021, zie bijlage 4). De hoofdvraag is of sprake is van een stikstofdepositie >0,00 mol/ha/jaar op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden in Natura 2000-gebieden. Voor voorliggende situatie zijn zowel de aanlegfase als de gebruiksfase doorgerekend. De benodigde berekeningen zijn gemaakt in het kader van de plantoets.
Dit houdt in dat de huidige, feitelijke, planologisch, legale situatie is vergeleken met de toekomstige maximale planinvulling. Di t komt neer op een vergelijking tussen de huidige situatie waarin 66 grondgebonden woningen aanwezig zijn en de toekomstige situatie waarin 60 grondgebonden woningen en 18 appartementen aanwezig zullen zijn. De verschilberekening tussen de huidige situatie en de aanlegfase toont aan dat er geen sprake is van een toename (<0,00 mol/ha/jaar) van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten in omliggende Natura 2000-gebieden. De verschilberekening tussen de huidige situatie en de gebruiksfase toont aan dat er geen sprake is van een toename (<0,00 mol/ha/jaar) van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten in omliggende Natura 2000-gebieden. Daarmee kan geconcludeerd worden dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn op stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden ten gevolge van het plan. Er is daarmee voor het aspect stikstofdepositie geen sprake van vergunningplicht in het kader van de Wet natuurbescherming. 32 bestemmingsplan Steenwijk - Jan Steenstraat e.o. (vastgesteld) Gebiedsbescherming - Natuur Netwerk Nederland (NNN) De provincie Overijssel heeft in haar Omgevingsvisie en Omgevingsverordening uitwerking gegeven aan het NNN.
Bestemmingsplannen in NNN wijzen geen bestemmingen aan of stellen geen regels die activiteiten mogelijk maken die leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden of van de samenhang tussen die gebieden. Er zijn uitzonderingen mogelijk wanneer onder meer spr ake is van dwingende redenen van groot openbaar belang én er geen reële alternatieven zijn en voor zover de negatieve effecten ten gevolge van de beoogde activiteit niet kunnen worden voorkomen. Het plangebied ligt niet in NNN (zie afbeelding 7). Het 'nee, tenzij-beginsel' is daarom niet van toepassing. Afbeelding 7: Natuur Netwerk Nederland Bron: Atlas van Overijssel Soortenbescherming In het kader van de zorgplicht zoals opgenomen in de Wet Natuurbescherming is een quickscan ecologie uitgevoerd naar de aanwezigheid en de effecten van het plan voor beschermde soorten. Uit de quickscan natuurtoets is naar voren gekomen dat de woningen geschikt zijn voor vleermuizen en (in beperkte mate) voor gierzwaluw. Jaarrond beschermde nestplaatsen van huismus ontb reken. Daarnaast zijn verblijfplaatsen van egel en mogelijk steenmarter te verwachten in aanwezige tuinen behorend tot de woningen en voor steenmarter de woningen zelf. Ecogroen heeft in 2019 ecologisch onderzoek uitgevoerd naar deze soorten.
Dit onderzoe k heeft aangetoond dat binnen het plangebied vaste verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis aanwezig zijn. Verblijfplaatsen van overige vleermuissoorten, egel, steenmarter en jaarrond beschermde nesten van vogels zoals gierzwaluw zijn tijdens het onderzoek niet binnen het projectgebied vastgesteld. Er wordt ontheffing aangevraagd voor de gewone dwergvleermuis. Ten behoeve van de aanvraag is een activiteitenplan opgesteld (Ecogroen, Activiteitenplan sloop complex 389.02, Steenwijk, 18 mei 2021, zie bijlage 3). In dit Activiteitenplan zijn ook de resultaten van de quickscan en het ecologisch onderzoek opgenomen. Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Adviesbureau Haver Droeze BNT 33 4.6 Externe veiligheid Voor bestemmingsplannen is wet- en regelgeving over veiligheidsrisico's aan de orde. Dit kunnen risico's zijn die zware bedrijven kunnen veroorzaken, maar ook door transport van gevaarlijke stoffen (over weg, spoor en water en door buisleidingen). Kwetsbare bestemmingen, zoals bijvoorbeeld woningen, moeten voldoende afstand houden tot dergelijke bedrijven en transportroutes. Ook kunnen er beperkingen aan de bebouwingsdichtheid gewenst zijn.
De normen en richtlijnen voor risico's komen uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Raadpleging van de risicokaart (zie afbeelding 8) leert dat in de nabijheid van het plangebied geen risicobronnen aanwezig zijn die van invloed zijn op het plangebied. Afbeelding 8: Risicokaart Bron: www.risicokaart.nl Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.7 Geluid Geluid beïnvloedt vaak de kwaliteit van de leef- en woonomgeving. De belangrijkste geluidsbronnen die in het kader van de ruimtelijke ordening van belang zijn, zijn wegverkeer, railverkeer en bedrijven. De mate van acceptatie en hinder is onder meer afhankelijk van de functie van het geluidbelaste object – hiervoor kent de wet geluidgevoelige bestemmingen, zoals wonen, zorg en onderwijs. In het kader van dit bestemmingsplan is uitsluitend het aspect wegverkeerslawaai van toepassing. Er zijn geen gezoneerde bedrijventerreinen aanwezig en ook de spoorlijn ligt op een dusdanig grote afstand dat het geen effect heeft op het voorliggende plangebied. De Wet geluidhinder (Wgh) kent voorkeursgrenswaarden waarbinnen een geluidgevoelige bestemming altijd kan worden gerealiseerd.
Onder voorwaarden kan een ontheffing van de voorkeursgrenswaarden worden verleend ('hogere waarde') tot aan een zekere maximale ontheffingswaarde. Bij een geluidbelasting boven de maximale ontheffingswaarde zijn geluidgevoelige bestemmingen niet toegestaan. 34 bestemmingsplan Steenwijk - Jan Steenstraat e.o. (vastgesteld) Toets Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Kragten, Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, herontwikkeling Jan Steenstraat te Steenwijk, 10 oktober 2021, zie bijlage 5). Hieruit blijkt dat het plangebied niet binnen een zone van zoneringsplichtige geluidbronnen (Wet geluidhinder) ligt. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de revelante 30 km/uurwegen in de directe nabijheid van het plan in het onderzoek betrokken. De berekende geluidbelasting (inclusief aftrek artikel 110g Wet geluidhinder) ten gevolge van het wegverkeer op de Admiraal de Ruyterstraat, de Paul Krugerstraat en de Rembrandtstraat voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder. De berekende geluidbelasting (inclusief aftrek artikel 110g Wet geluidhinder) ten gevolge van het wegverkeer op de Vondelstraat voldoet niet aan de voorkeurswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder voor de twee rijen woningen langs de Vondelstraat. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt wel gerespecteerd. De overige gebouwen voldoen wel aan de voorkeurswaarde.
Aangezien het 30 km/uur-wegen betreft en het plan stedelijk is gelegen is het niet mogelijk of wenselijk om bronmaatregelen (stiller wegdek) of overdrachtsmaatregelen (afscherming) te treffen die de geluidbelastingen terugbrengen tot waarden die lager zijn dan de voorke ursgrenswaarde van 48 dB. De maatregelen die kunnen worden genomen bij de ontvanger (woning) zijn erop gericht om te voldoen aan de binnenwaarde van 33 dB. Hiermee kan een goed akoestisch woon - en leefklimaat worden gegarandeerd. Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van de 30 km/uur-wegen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de cumulatieve geluidbelasting ten gevolge van alle wegen inzichtelijk gemaakt. De cumulatieve geluidbelastingen (exclusief aftrek artikel 110g van de Wet geluidhinder) voor de woningen langs de Vondelstraat en het noordelijke blok woningen aan de Admiraal de Ruyterstraat bedragen ten hoogste 55 dB. Dit komt volgens de methode Miedema overeen met een 'redelijk' akoestisch woon- en leefklimaat. Voor de overige gebouwen bedraagt de cumulatieve geluidbelasting (exclusief aftrek artikel 110g van de Wet geluidhinder) ten hoogste 50 dB. Dit komt overeen met een 'goed' akoestisch woon- en leefklimaat. Daarmee is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.8 Kabels en leidingen Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een KLIC-melding in kaart gebracht. In of nabij het plangebied liggen geen kabels of leidingen die moeten worden voorzien van een planologische regeling. 4.9 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer (Wm) zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wm milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. Projecten waarvan aannemelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit.
Het begrip 'in betekenende mate' is verder uitgewerkt in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM). Adviesbureau Haver Droeze BNT 35 Bij toepassing van NIBM is artikel 2 van het Besluit NIBM relevant. Dat artikel geeft aan dat aannemelijk gemaakt moet worden, dat de toename van de fijn stof en stikstofdioxide niet de 3% grens overschrijdt. Als aannemelijk is dat de grens niet wordt overschreden, dan is het project al NIBM. Het hoeft dus niet tot in detail te worden aangetoond. De Regeling NIBM geeft verder nog categorieën van gevallen en getalsmatige grenzen waarbinnen een project altijd NIBM is, ongeacht de bijdrage ervan op de concentraties. Voor dergelijke gevallen mag er zonder meer van worden uitgegaan dat de bijdrage van het project NIBM is. Voor woningbouwlocaties is de grens minder dan 1.500 woningen bij minimaal 1 ontsluitingsweg. De ontwikkelingen in het plangebied zijn dermate kleinschalig (78 woningen), dat ze vallen binnen de randvoorwaarden van het Besluit Niet in Betekenende Mate Bijdragen. De invloed van deze kleinschalige ontwikkelingen hoeven niet in beeld te worden gebracht. In het verlengde van een goede ruimtelijke ordening, gebaseerd op de Wet milieubeheer, is het Besluit gevoelige bestemmingen van kracht. Dit besluit is gericht op functies voor gevoelige groepen voor langdurig verblijf.
Hierbij kan worden gedacht aan zorginstellingen, kinderopvang, scholen en bejaardentehuizen. Deze functies mogen niet worden gerealiseerd in gebieden met overschrijdingen van de wettelijke grenswaarden ten gevolge van provinciale wegen en rijkswegen. In dit geval is geen sprake van een plan waar een gevoelige bestemming in de zin van het Besluit gevoelige bestemmingen mogelijk wordt gemaakt. Toetsing aan dit besluit hoeft niet plaats te vinden. Toetsing aan grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5) is gezien het voorgaande niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt hierna kort ingegaan op de luchtkwaliteit in het plangebied, in relatie tot de geldende grenswaarden. Uit de atlas voor de leefomgeving (peiljaar 2019, bron: www.atlasleefomgeving.nl) blijkt dat de achtergrondconcentratie stikstofdioxide/NO2 (11 µg/m 3) en fijn stof / PM10 (15 µg/m3) zich beneden de wettelijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m 3 bevinden. De concentratie zeer fijn stof / PM2,5 (8 µg/m3) bevindt zich beneden de wettelijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde van 25 µg/m3. Aan de grenswaarden wordt in het plangebied ruimschoots voldaan. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.10 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.) is bedoeld om vooraf de mogelijke milieueffecten van plannen en besluiten in beeld te brengen en deze een volwaardige rol te laten spelen bij de besluitvorming over plannen en besluiten. Het maken van een milieueffectrapport (m.e.r.) of m.e.r.- beoordeling is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die (aanzienlijke) nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Dit betekent dat de plannen of activiteiten ook een bepaalde omvang moeten hebben om m.e.r.-(beoordelings)plichtig te zijn. Aan de hand van de in het Besluit milieueffectrapportage omschreven m.e.r.-plichtige activiteiten met de bijbehorende drempelwaarden, kan worden bepaald of een project m.e.r.-plichtig (C-lijst) dan wel m.e.r.-beoordelingsplichtig (D-lijst) is. De drempelwaarden in het Besluit m.e.r. zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Dat hoeft echter niet altijd het geval te zijn: in bepaalde gevallen kan een activiteit met een kleinere omvang ook belangrijke nadelige milieugevolgen hebben.
Om te voorkomen dat er bij projecten met een kleinere omvang belangrijke milieugevolgen over het hoofd worden gezien is het voor alle projecten die voorkomen op de D-lijst en die onder de drempelwaarden liggen verplicht om vormvrije m.e.r.-beoordeling uit te voeren. In onderdeel D van het Besluit m.e.r. is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.- beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen' (activiteit D11.2). Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig in geval deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of wanneer het gaat om een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer betreft. 36 bestemmingsplan Steenwijk - Jan Steenstraat e.o. (vastgesteld) Toets De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van 78 woningen. Ondanks dat de ontwikkeling naar aard en omvang beperkt is, is sprake is van een 'stedelijk ontwikke lingsproject' zoals bedoeld in categorie D 11.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. De ontwikkeling blijft onder de drempel van de m.e.r.-plicht. Er is wel sprake van een informele m.e.r.-beoordeling. Dit wordt ook wel de vorm-vrije m.e.r.-beoordeling genoemd.
In het kader van de 'vormvrije' m.e.r.-beoordeling dient te worden ingegaan op de criteria genoemd in Bijlage III bij de Europese richtlijn m.e.r.: I. Kenmerken van het project II. De plaats van het project III. Kenmerken van het potentiele effect Op basis van de 'vormvrije' m.e.r.-beoordeling (art. 7.17, derde lid, jo. art. 7.16 Wm) zal een m.e.r.- beoordelingsbesluit (voorbereidingsbesluit) genomen moeten worden door het bevoegd gezag voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan (art. 7 .19 lid 1 Wm) (Adviesbureau Haver Droeze, Aanmeldnotitie vormvrije merbeoordeling, 12 juli 2021, zie bijlage 6). 4.11 Water In het plangebied is het Waterschap Drents Overijsselse Delta verantwoordelijk voor het regionale waterbeheer, de waterveiligheid en de zuivering van afvalwater. Het beleid van waterschap Drents Overijsselse Delta is beschreven in het Waterbeheerplan 2016-2021 en de Beleidsnotitie stedelijk waterbeheer Water Raakt! (2015). In het Waterbeheerplan heeft het waterschap naast doelen en maatregelen ook de ontwikkelingen beschreven die voor waterbeheer van belang zijn. Voor het voorliggende plan is van belang dat het waterschap inzet op 'inspelen op klimaatontwikkeling'. Doel is om door concrete initiatieven in de stad om te gaan met de g evolgen van klimaatverandering en deze waar mogelijk te verminderen.
Ruimtelijke aanpassingen kunnen bijdragen aan het voorkomen van wateroverlast en de eventuele gevolgen daarvan beperken. Afstemming hierover vindt plaats in de vorm van de 'watertoets'. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de gemeente en waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. De inzet daarbij is om in elk afzonderlijk plan met maatwerk het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren. Het watertoetsproces voor het plangebied Jan Steenstraat is op 17 mei 2021 digitaal doorlopen via www.dewatertoets.nl. Het Waterschap Drents Overijsselse Delta heeft een uitgangspuntennotitie opgesteld. De notitie is in deze waterparagraaf verwerkt. 4.11.1 Bestaande waterhuishouding Het plan ligt in het stroomgebied Boezem NW. Rond het plangebied ligt primaire watergang 10832 die in het beheer van het waterschap is. Het peilgebied heeft een maximumpeil van NAP -0,4m. Dit peil is de instelhoogte van het kunstwerk. Lokaal kunnen er verschillen optreden in het peil afhankelijk van de afstand tot de instelhoogte. De hoogte van het maaiveld ligt gemiddeld op ongeveer NAP +3,50 m.
De bodem (deklaag) bestaat voornamelijk uit bebouwing jh BE. De maximale grondwaterstand onbekend door bebouwing. Bij extreme neerslag wordt geen wateroverlast in of nabij het plangebied verwacht (zie Klimaatatlas WDODelta). Adviesbureau Haver Droeze BNT 37 4.11.2 Uitgangspunten voor het plan op inrichtingsniveau Wateroverlast Bij kortstondige buien van geringe of enige intensiteit mag hemelwater dat niet lokaal kan worden verwerkt worden afgevoerd, zonder dat dit leidt tot water-op-straat of wateroverlast benedenstrooms van het plangebied. Bij extreme kortstondige buien, verblijft water voor korte tijd op het maaiveld, zonder dat dit tot overlast leidt. Bij het ontwerpen van het plan dient rekening te worden gehouden met de randvoorwaarden die zowel het waterschap als de gemeente stelt aan het voorkomen van wateroverlast: het benutten, lokaal verwerken of vertraagd afvoeren van hemelwater op percelen en in de openbare ruimte; het gescheiden houden van hemelwater; de capaciteitseisen voor de afvoer van hemelwater; de eisen die aan woningen, andere kwetsbare functies en openbare ruimte worden gesteld ter voorkoming van wateroverlast. Bij een herstructurering neemt vaak per saldo het verharde oppervlak niet toe of af.
Toch zal het toekomstige gebied moeten voldoen aan het watersysteem zoals dat tegenwoordig wordt voorgesteld waarin rekening is gehouden met klimaatverandering. Het waterschap adviseert onderstaande stappenplan te doorlopen bij herstructurering of reconstructies in bestaande stedelijk gebied: toon kwantitatief aan hoeveel hemelwater er binnen het plangebied vrijkomt bij een gebeurtenis die minimaal eenmaal in de 10 jaar voor komt; geef aan hoe in de huidige situatie met het hemelwater wordt omgegaan in het plangebied; geef aan of er in de huidige situatie knelpunten in het plangebied voorkomen met betrekking tot de afvoer van hemelwater; geef aan hoe in de nieuwe situatie hemelwater lokaal wordt benut, verwerkt en/of afgevoerd en beschrijf hoe hierbij aan de door gemeente en waterschap gestelde eisen wordt voldaan; beschrijf hoe de aanvoer van hemelwater op het watersysteem door de ontwikkeling wijzigt en stem met het waterschap af of dit mogelijk is. Bij nieuwbouw / uitbreidingslocaties worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: Bij het ontwerp van het watersysteem wordt rekening gehouden met toenemende neerslagintensiteit als gevolg van klimaatverandering. Op basis van de KNMI'14-klimaatscenario's adviseert het waterschap rekening te houden met minimaal 10% meer neerslag in 2050.
Het waterschap toetst het plan op basis van de werknormen die zijn vastgesteld in het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). Voor de bebouwde omgeving betekent dit dat in een neerslagsituatie die eens in de 100 jaar plaatsvindt er geen water in woningen mag stromen en dat belangrijke ontsluitingswegen vrij blijven van water. Andere kapitaalintensieve functies, zoals elektriciteits- of communicatievoorzieningen mogen ook niet onder water staan. Ontwerp in de dagelijkse beheersituatie: Hoe hoog het waterpeil kan stijgen is afhankelijk van de beschikbare ruimte voor water en de toegestane afvoer. Om ervoor te zorgen dat bij nieuwe ruimtelijke plannen de versnelde afvoer van water naar het omliggende gebied wordt beperkt, hanteert het waterschap een afvoernorm. De te hanteren afvoernorm voor een si tuatie die 1 of 2 dagen per jaar optreedt is gemiddeld 0,8 L/s/ha. Bij het ontwerp van het oppervlaktewatersysteem in de dagelijkse beheersituatie is het van belang rekening te houden met de hydraulische afvoercapaciteit van het rioolstelsel. De dagelijkse rioleringsbui moet zonder problemen kunnen uitstromen. Daarom wordt de peilstijging van het oppervlaktewater in de normale beheersituatie onder andere bepaald door de hoogte van drempels in de riolering.
Toetsbui voor extreme neerslagsituatie: Het watersysteem wordt getoetst op basis van een hoeveelheid neerslag die eens in de 100 jaar wordt overschreden. Er wordt rekening gehouden met een bui van 111 mm in 48 uur. De toegestane afvoer in deze neerslagsituatie is 1,6 L/s/ha. Er mag bij deze bui geen water in woningen komen en belangrijke ontsluitingswegen blijven vrij van water. Onderstaande tabel toont aan dat STOWA statistieken op basis van deze uitgangspunten leiden tot een bergingsopgave van 80 mm. 38 bestemmingsplan Steenwijk - Jan Steenstraat e.o. (vastgesteld) Neerslagstatistiek Nieuwe statistiek volgens STOWA rapport 2015- 10 Klimaatscenario Huidig klimaat +10% Afvoer (L/s/ha) T=1 0,8 Afvoer (L/s/ha) T=100 (maatgevend) 1,6 Maatgevende buiduur (uur) 48 Totale neerslaghoeveelheid (mm) 111 (100,9*1,1) Afvoer via oppervlaktewater (mm) 28 Berging dak/straat/etc (mm) 3 Benodigde berging (mm) 80 Tabel 1: Overzicht van hoeveelheden en benodigde berging Bron: Uitgangspuntennotitie Waterschap Drenst Overijsselse Delta Hoosbui (bovennormatieve situatie): Verder wordt geadviseerd een stress-test uit te voeren met een bui die boven de genoemde normen uitgaat. Deze hoosbui kan zeer lokaal tot veel wateroverlast leiden en het is belangrijk dat de gevolgen hiervan in beeld worden gebracht. Het gaat in deze situatie vooral om de afstroming van het hemelwater over het maaiveld.
De keuze welke bovennormatieve situatie wordt bekeken ligt bij de initiatiefnemer. Te denken valt aan een range van 60 mm tot 150 mm in een uur. Dat zijn zeer grote hoeveelheden, maar deze kunnen zeker met de verandering van klimaat voorkomen. De gemeente kan ook ervaring hebben met extreme gebeurtenissen en van daaruit een referentiekader hebben. In de huidige situatie is in het plangebied sprake van een gemengd rioolstelsel. Bij de nieuwe ontwikkeling wordt een gescheiden rioolstelsel gerealiseerd. Het hemelwater wordt dan op het oppervlaktewater geloosd. Om wateroverlast richting bestaande waterlopen en vijvers te voorkomen, wordt in de wijk (extra) bergingscapaciteit gerealiseerd. Deze extra bergingscapaciteit wordt gerealiseerd in de vorm van een zogenaamde wadi. Dit is een bufferings- en infiltratievoorziening die tijdelijk kan worden gevuld met hemelwater. Deze wadi wordt vormgegeven in het groen assenkruis: In het plan wordt de Jan Steenstraat omgevormd naar een groene, autovrije en ecologi sche zone die de verschillende groene plekken in de omgeving met elkaar en het buitengebied verbindt. Een nieuwe groenzone tussen de Admiraal de Ruyterstraat en de Jan Steenstraat zorgt voor een verbinding met de speeltuin aan de Admiraal de Ruyterstraat.
Dit betreft een aaneengesloten groen en autovrij gebied, waar ook ruimte is voor natuur en, zoals gezegd, in de noord-zuidas opvang van hemelwater in een wadi. Daarnaast wordt er gedacht om de parkeerkoffers deels in halfverharding uit te voeren. In het plan zijn geen andere oppervlaktewateren, waterkeringen of gebieden aanwezig die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Evenmin voorziet het plan in het dempen van bestaande watergangen. Met het oog op de watertoets is het relevant om te vermelden dat het plangebied reeds grotendeels mag worden bebouwd en verhard. De bebouwingsmogelijkheden in de nieuwe situatie zijn vergelijkbaar met de bestaande bebouwing. In het nieuwe plan wordt echter meer groen gerealiseerd dan in de huidige situatie aanwezig is. Riolering Bij het aspect riolering gaat het om het optimaliseren van het aanvoeren van afvalwater naar de rioolwaterzuivering, het verminderen van hydraulische belasting van de rioolwaterzuivering en het beperken van riooloverstorten op het oppervlaktewater. Specifiek voor het plan is van belang dat er geurzones zijn rondom rioolgemalen en rioolwaterzuiveringsinstallaties. Binnen een geurzone mogen geen geurgevoelige objecten worden opgericht. Binnen 30m van een rioolgemaal is het oprichten van geurgevoelige objecten niet toegestaan. Binnen 30m rondom het plangebied is geen rioolgemaal gesitueerd.
Op het perceel Verlaatseweg 160 zit een rioolwaterzuiveringsbedrijf. Dit betreft een bedrijf in categorie 4.1, waarbij een richtafstand geldt van 200m. Het plangebied ligt buiten de richtafstand. Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Adviesbureau Haver Droeze BNT 39 Hoofdstuk 5 JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING 5.1 Planvorm 5.1.1 Algemeen Doel van dit bestemmingsplan is het opstellen van een adequate en actuele juridisch-planologische regeling ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied Jan Steenstraat e.o.. Een bestemmingsplan is een instrument dat zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien. De toelichting op de regels en verbeelding is niet juridisch bindend, maar biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de toekenning van bestemmingen heeft geleid. In dit hoofdstuk wordt aangegeven op welke wijze de voorkomende functies in het bestemmingsplan worden geregeld. Omdat dit plan een herziening betreft van het bestemmingsplan 'Steenwijk en Tuk' is ervoor gekozen het bestemmingsplan inhoudelijk zoveel mogelijk te laten aansluiten op dat bestemmingsplan. Wel zijn de bestemmingen waar nodig aangepast aan de systematiek van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012.
5.1.2 De verbeelding Op de verbeelding (plankaart) is de bestemming van de betreffende percelen aangegeven. De verbeelding bestaat uit een verzameling van geografisch bepaalde objecten, die samen met de regels zijn opgeslagen in een digitaal ruimtelijk informatiesysteem. De objecten zijn voorzien van bestemmingen met bijbehorende doeleinden en regels. Verklaringen zijn de overige in de verbeelding van het bestemmingsplan voorkomende zaken. Verklaringen hebben geen juridische betekenis, maar zijn bedoeld om nadere informatie te verschaffen en de raadpleegbaarheid te verbeteren. 5.1.3 De regels De planregels geven inhoud aan de op de verbeelding toegekende bestemmingen. Ze geven aan waarvoor gronden en opstallen al dan niet mogen worden gebruikt en wat en hoe er gebouwd mag worden. Bij de opzet van de planregels is het aantal regels zo beperkt mogelijk gehouden. Alleen datgene wat werkelijk noodzakelijk is, is geregeld. Toch kan het in een concrete situatie voorkomen dat een afwijking van de planregels gewenst is. Daarom zijn er in het bestemmingsplan afwijkingsmogelijkheden opgenomen. De bevoegdheid om middels een omgevingsvergunning een afwijking van bepaalde regels te verlenen, is gebaseerd op artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De uitvoering hiervan berust bij burgemeester en wethouders.
Deze bevoegdheid maakt kleine afwijkingen mogelijk binnen de aan de grond toegekende bestemming. De bij dit plan behorende planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken, te weten: 1. Inleidende regels; 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels; 4. Overgangs- en slotregels. In Hoofdstuk 1 Inleidende regels worden de in de planregels gehanteerde begrippen nader gedefinieerd, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze gemeten moet worden. In Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels zijn specif ieke regels opgenomen voor de op de verbeelding gegeven bestemmingen. De artikelen bestaan uit een bestemmingsomschrijving en bouwregels, en zo nodig uit regels voor afwijkingen en specifieke gebruiksregels. De bestemmingsomschrijving is bepalend voor het (toegestane) gebruik van de betreffende gronden. De hoofdstukken Hoofdstuk 3 Algemene regels en Hoofdstuk 4 Overgangs - en slotregels bevatten respectievelijk regels die van toepassing zijn op meerdere bestemmingen en overgangs- en slotregels. 5.2 Artikelsgewijze toelichting Voor de artikelen is aangesloten bij de regels uit het bestemmingsplan 'Steenwijk en Tuk'. 40 bestemmingsplan Steenwijk - Jan Steenstraat e.o. (vastgesteld) 5.2.1 Inleidende regels Begrippen In het eerste artikel zijn definities opgenomen van de belangrijkste begrippen die in de planregels voorkomen.
Door het opnemen van begrippen wordt de interpretatievrijheid ten aanzien van de planregels verkleind, waardoor de rechtszekerheid wordt vergroot. Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe de in het plan voorgeschreven maten dienen te worden gemeten of berekend. Door het opnemen van aanwijzingen voor het meten wordt de interpretatievrijheid ten aanzien van de planregels verkleind, waardoor de rechtszekerheid wordt vergroot. 5.2.2 Bestemmingsregels Groen De hoofdgroenstructuur in het plan heeft de bestemming 'Groen' gekregen. Naast groenvoorzieningen zijn binnen deze bestemming ook waterbergingsvoorzieningen (zoals wadi's) en speelveldjes toegestaan. Om het verbreden van wegen of het aanleggen van parkeerplaatsen mogelijk te maken is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen. Voor het vergroten van tuinen van aangrenzende woningen is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Tuin De gronden binnen deze bestemming zijn bedoeld voor onbebouwde tuinen bij woningen. Het betreft (delen van) percelen behorende bij een woning, maar waarop bebouwing niet gewenst is, meestal de voortuinen. Op deze gronden mogen alleen bijbehorende bouwwerken in de vorm van erkers, luifels, balkons en dergelijke worden gebouwd en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Andere bebouwing is op dez e gronden niet wenselijk. Verkeer Alle wegen in het plangebied hebben de bestemming 'Verkeer'.
Binnen deze bestemming zijn naast wegen ook parkeerplaatsen toegestaan. In de bestemming 'Verkeer' zijn gebouwen voor nutsvoorzieningen en bouwwerken, geen ge bouwen zijnde toegestaan. Wonen De grondgebonden woningen in het plangebied hebben afhankelijk van de goot - en bouwhoogte de bestemming 'Wonen - 2' of 'Wonen - 3' gekregen. Voor het overige is de inhoud van de bestemmingen hetzelfde. Bij 'Wonen - 2' is een goothoogte van 5 meter en een bouwhoogte van 9 meter toegestaan. Bij 'Wonen - 3' is een goothoogte van 7 meter en een bouwhoogte van 11 meter toegestaan. Binnen het bestemmingsvlak zijn bouwvlakken aangegeven waarbinnen grondgebonden woningen mogen worden gebouwd. Wonen - Gestapeld Vanwege de afwijkende verschijningsvorm zijn de gestapelde woningen in een afzonderlijke bestemming opgenomen, namelijk 'Wonen - Gestapeld'. De goot- en bouwhoogtes zijn per bouwvlak aangeduid op de verbeelding. In overeenstemming met het gemeentelijke archeologie beleid is onderzoek verricht naar de mogelijke aanwezigheid van archeologische resten. Hieruit is naar voren gekomen dat het aannemelijk is dat in het plangebied geen archeologische resten meer aanwezig zijn. Het gebied is daarop vrijgegeven. De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' is daarom niet opnieuw opgenomen.
Adviesbureau Haver Droeze BNT 41 5.2.3 Algemene regels Anti-dubbeltelbepaling In dit plan zijn sommige bouwregels gerelateerd aan de oppervlakte van gronden, bijvoorbeeld aa n de oppervlakte van een bouwperceel. Indien dezelfde gronden meerdere keren in aanmerking worden genomen bij het verlenen van (verschillende) omgevingsvergunningen, zouden de bebouwingsmogelijkheden daardoor onbedoeld verruimd kunnen worden. De anti -dubbeltelregel voorkomt dit. Algemene bouwregels In dit artikel zijn de algemene bepalingen opgenomen die van toepassing zijn bij bouwwerkzaamheden. Dit artikel bevat regels voor ondergronds bouwen. Algemene gebruiksregels Dit artikel geeft voor dit plan een beperking met betrekking tot het toegestane gebruik van gronden. Het gaat hierbij om ongewenst gebruik of gebruik dat enige vorm van hinder kan veroorzaken, waardoor het woon- en leefklimaat onevenredig wordt aangetast. Algemene afwijkingsregels Dit artikel is een aanvulling op de regels voor afwijkingen uit de bestemmingen. In het artikel is een aantal algemene afwijkingen opgenomen, die middels een omgevingsvergunning kunnen worden toegestaan. De onderhavige regeling voorziet, in verband met de gewenste duidelijkheid, in een objectieve begrenzing van het toepassingsbereik van deze afwijkingen.
Overige regels In dit artikel een verwijzing opgenomen naar de geldende Nota Parkeernormen 2015 van de gemeente Steenwijkerland. Nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen aan de parkeereisen uit dit beleid. Overgangsrecht In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het bestemmingsplan, maar dat strijdig is met de hierin opgenomen regels. Onder bepaalde voorwaarden mogen deze strijdigheden qua bebouwing en/of gebruik worden voortgezet of gewijzigd. Slotregel In dit artikel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald. 42 bestemmingsplan Steenwijk - Jan Steenstraat e.o. (vastgesteld) Hoofdstuk 6 UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid De gronden waarop de voorgenomen nieuwbouw is geprojecteerd zijn grotendeels in eigendom van Woonconcept. Er vindt nog een grondruil tussen de gemeente en Woonconept plaats. De realisatie van de plannen vindt plaats voor rekening en risico van Woonconcept en maakt deel uit van de afspraken tussen de gemeente en Woonconcept. Daarbij zijn tevens afspraken gemaakt over de financiële risico's. In het kader van het bepaalde in afdeling 6.4 Wro zijn tussen Woonconcept en de g emeente afspraken gemaakt inzake kostenverhaal. De afspraken hierover worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst.
Gevolg hiervan is dat geen exploitatieplan wordt vastgesteld, aangezien de kosten anderszins verzekerd zijn. 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1 Maatschappelijk draagvlak De plannen voor de herstructurering van de Jan Steenstraat e.o. zijn het resultaat van een proces waarbij in samenspraak tussen de gemeente Steenwijkerland, Woonconcept en bewoners is gewerkt aan een visie voor Steenwijk - West. De planvorming voor de Jan Steenstraat e.o. is een uitwerking voor één van de in de Wijkvisie aangewezen deelgebieden. Op 22 april 2021 is het ontwerp van het plangebied gedeeld met de buurtbewoners. Ook is gevraagd of de bewoners willen meedenken met het plan. De buurtbewoners worden via brieven op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen. Het is de bedoeling om tijdens de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan een informatiebijeenkomst te organiseren. 6.2.2 Bestuurlijk vooroverleg Op grond van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening moet bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plaatsvinden met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in geding zijn. Het Waterschap Drents Overijsselse Delta is via de Watertoets bij het plan betrokken.
Daarnaast is het bestemmingsplan toegezonden aan de provincie Overijssel. 6.2.3 Ontwerpfase Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (gelezen in samenhang met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht) van toepassing. De kennisgeving van het ontwerpbesluit tot vaststelling van het bestemmingsplan moet in de Staatscourant worden geplaatst en moet ook via de elektronische weg geschieden (via www.ruimtelijkeplannen.nl). Het ontwerpbestemmingsplan wordt vervolgens gedurende zes weken ter inzage gelegd. Binnen deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze over het plan naar voren te brengen. De eventueel naar voren gebrachte zienswijzen worden bij het vast te stellen bestemmingsplan in deze paragraaf of in een s eparate bijlage van een gemeentelijke reactie voorzien. Het bestemmingsplan heeft van 24 november 2021 tot en met 4 januari 2022 ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen ingediend. Adviesbureau Haver Droeze BNT 43 Bijlagen bij de toelichting 44 bestemmingsplan Steenwijk - Jan Steenstraat e.o. (vastgesteld) Bijlage 1 Archeologisch onderzoek Adviesbureau Haver Droeze BNT 45 Bijlage 2 Bodemonderzoek 46 bestemmingsplan Steenwijk - Jan Steenstraat e.o.
(vastgesteld) Bijlage 3 Activiteitenplan sloop Adviesbureau Haver Droeze BNT 47 Bijlage 4 Stikstofberekening 48 bestemmingsplan Steenwijk - Jan Steenstraat e.o. (vastgesteld) Bijlage 5 Akoestisch onderzoek Adviesbureau Haver Droeze BNT 49 Bijlage 6 Aanmeldnotitie m.e.r.