Toelichting bestemmingsplan Kerkweg 56, Giethoorn (1).pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan Giethoorn - Kerkweg 56 Overheid: Gemeente Steenwijkerland Plantype: bestemmingsplan Document: Toelichting Planstatus: ontwerp Datum: 2021-02-04 Plan identificatie: NL.IMRO.1708.GHNkerkweg56BP-ON01 2 Inhoudsopgave Inhoudsopgave ........................................................................................................................................................ 1 1 Inleiding ................................................................................................................................................................ 4 1.1 Aanleiding ..................................................................................................................................................... 4 1.2 Doel ............................................................................................................................................................... 4 1.3 Plangebied ..................................................................................................................................................... 4 1.4 Geldend bestemmingsplan ........................................................................................................................... 6 1.5 De bij het plan behorende stukken ...............................................................................................................
7 1.6 Leeswijzer ...................................................................................................................................................... 8 2 Planbeschrijving ................................................................................................................................................... 9 2.1 Huidige situatie ............................................................................................................................................. 9 2.2 Toekomstige situatie ................................................................................................................................... 10 3 Beleidskader ....................................................................................................................................................... 11 3.1 Algemeen .................................................................................................................................................... 11 3.2 Rijksbeleid ................................................................................................................................................... 12 3.3 Provinciaal beleid ........................................................................................................................................
14 3.4 Gemeentelijk beleid .................................................................................................................................... 17 4 Onderzoek .......................................................................................................................................................... 20 4.1 Algemeen .................................................................................................................................................... 20 4.2 Cultuurhistorie en archeologie.................................................................................................................... 20 4.3 Ecologie ....................................................................................................................................................... 22 4.4 Watertoets .................................................................................................................................................. 24 4.5 Milieu .......................................................................................................................................................... 25 4.6 Kabels en leidingen .....................................................................................................................................
37 4.7 Verkeer en parkeren ................................................................................................................................... 38 5 Juridische aspecten ............................................................................................................................................ 39 5.1 Opzet van het plan ...................................................................................................................................... 39 6 Economische uitvoerbaarheid ........................................................................................................................... 44 7 Inspraak, overleg en zienswijzen ........................................................................................................................ 45 7.1 Inspraak ....................................................................................................................................................... 45 7.2 Vooroverleg ................................................................................................................................................. 45 7.3 Zienswijzen ..................................................................................................................................................
45 Bijlagen bij toelichting ........................................................................................................................................... 46 Bijlage 1 Watertoets .......................................................................................................................................... 46 3 4 1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is eigenaar van het perceel aan de Kerkweg 56 in Giethoorn. Op dit perceel is een vrijstaande woning met bijgebouwen gesitueerd. In het geldend bestemmingsplan is dit perceel bestemd voor bedrijven en het uitoefenen van bedrijfsact iviteiten die staan vermeld bij milieucategorie 1 en 2. Er vinden echter geen bedrijfsmatige activiteiten meer plaats op het perceel, het perceel wordt gebruikt voor woondoeleinden. Om het gebruik van het perceel voor woondoeleinden te formaliseren zal er een wijziging van het bestemmingsplan moeten plaatsvinden. Het initiatief is voorgelegd aan de gemeente Steenwijkerland, deze is po sitief over de gewenste ontwikkeling. Het college van burgemeester en wethouders heeft aangegeven in principe planologisch e m edewerking te willen verlenen aan dit initiatief, onder voorwaarden dat er een bouwvlak voor de bestaande woning wordt opgenomen. Het voorliggende bestemmingsplan is de juridisch -planologische regeling die de voorgenomen ontwikkeling mogelijk maakt.
1.2 Doel Het belangrijkste doel van het op te stellen bestemmingsplan Kerkweg 56 Giethoorn is het huidige gebruik voor woondoeleinden planologisch mogelijk te maken. Ter plaatse van het plangebied vervangt het bestemmingsplan Kerkweg 56 Giethoorn bij inwerkingtreding het: • Bestemmingsplan 'Giethoorn' (NL.IMRO.1708.Giethoorn-VA01) • Bestemmingsplan 'Correctieve herziening wonen Giethoorn, Dwarsgracht en Jonen en overige plannen' (NL.IMRO.1708.STWcorwonenCBP-VA01) 1.3 Plangebied Het plangebied bevindt z ich ten noorden van de kern Giethoorn en ten westen van het meer ‘Bovenwijde’. Het plangebied wordt aan de noord - en westzijde begrenst door agrarische weidegronden, aan de zuidzijde door het perceel Kerkweg 58-60 en aan de oostzijde door de Kerkweg. De navolgende afbeeldingen tonen de ligging van het plangebied. 5 Ligging plangebied Kerkweg 56 6 Begrenzing plangebied Kerkweg 56 1.4 Geldend bestemmingsplan Voor het plangebied aan d e Kerkweg 56 is het bestemmingsplan ‘Giethoorn’, vastgesteld op 17 oktober 2017, van toepassing. Het plangebied is in het bestemmingsplan bestemd als ‘Bedrijf’ met een bouwvlak en de functieaanduiding ‘bedrijfswoning’. Deze gronden zijn bestemd voor bedrij ven en/of het uitoefenen van bedrijfsactiviteiten die staan vermeld bij milieucategorie 1 en 2.
Er is één bedrijfswoning toegestaan binne n het bouwvlak en de oppervlakte aan bebouwing binnen het bouwvlak bedraag maximaal 80 %. In h et plangebied zijn ook de dubbelbestemmingen ‘Leiding – Riool’, ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde – Zuideinde Binnenpad’ en de gebiedsaanduiding ‘overige zone – beschermd dorpsgezicht Giethoorn’ van toepassing. Daarnaast is het bestemmingsplan ' Correctieve herziening wonen Giethoorn, Dwarsgracht en Jonen en overige plannen' van toepassing. Aanleiding voor deze correctie van de bestemmingsplannen is een u itspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 januari 2019 waarui t is gebleken dat in de bestemmingsplannen geen juridische koppeling is gemaakt tussen de bestemming wonen en het begrip woning. 7 Uitsnede bestemmingsplan ‘Giethoorn’ met plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl) Toets aan geldend bestemmingsplan Het perceel Kerkweg 56 is bestemd voor bedrijfsdoeleinden, het feit elijk gebruik voor woondoeleinden is niet in overeenstemming met het geldend bestemmingsplan. Het bestemmingsplan dient t er plaatse gewijzigd te worden om het gebruik voor wonen te formaliseren. Het voorliggende bestemmingsplan is de juridisch -planologische regeling die de voorgenomen ontwikkeling mogelijk maakt.
1.5 De bij het plan behorende stukken Het bestemmingspla n Kerkweg 56 Giethoorn heeft als IMRO -idn NL.IMRO.1708.GHNkerkweg56BP-ON01 en bestaat uit een gml -bestand, regels en een toelichting. Het gml-bestand kent een analoge en digitale verbeelding. De analoge versie van het plan betreft een boekje met kaarten (PDF of hardcopy). De digitale 8 versie is te raadplegen via de landelijke voorzie ning (www.ruimtelijkeplannen.nl). De verbeelding en de rege ls vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan en dienen in samenhang gelezen te worden. Indien er verschil bestaat tussen de analoge en de digitale verbeelding, gaat de di gitale verbeelding voor. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plangebied begrepen gronden en opstallen aangegeven. Aan deze bestemmingen zijn regels gekoppeld. De toelichting van dit bestemmingsplan heeft geen rechtskracht, maar vormt nie ttemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichtin g geeft aan wat de beweegredenen en achtergronden zijn die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen en doet verslag v an het onderzoek dat aan het bestemmingsplan vooraf is gegaan. Tot slot is d e toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
1.6 Leeswijzer De toelichting van het bestemmingsplan Kerkweg 56 Giethoorn bestaat uit de volgende hoofdstukken: • in hoofdstuk 2 wordt de huidige en toekomstige situatie beschreven. • in hoofdstuk 3 wordt een schets gegeven van het beleidskader dat van belang is voor het functioneren en de ontwikkeling van het plangebied; • in hoofdstuk 4 komt de uitvoerbaarheid van het plan aan bod. Aan de orde komen zaken als archeologie, ecologie, water en milieu; • in hoofdstuk 5 worden kort de verschillende neergelegde bestemmingen en de juridische planopzet behandeld; • in hoofdstuk 6 wordt ingegaan op het kostenverhaal en de economische uitvoerbaarheid van het plan; • de toelichting wordt afgesloten met hoofdstuk 7 waarin wordt ingegaan op het proces van inspraak en overleg in relatie tot dit bestemmingsplan. 9 2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie Het betreffende perceel bevindt zich ten noorden van de kern Giethoorn, in het bebouwingslint langs de Kerkweg. De Kerkweg kenmerkt zicht door de afwisseling van woonpercelen, bedrijfspercelen, horecapercelen en recreatiepercelen. Deze ruimtelijke divers iteit, met name bepaald door het afwisselende spel tussen pad en gracht en d e variatie in bebouwingsdichtheid, is zeer beeldbepalend e n typerend voor Giethoorn. De Kerkweg dient als ontsluitingsweg ten behoeve van lokaal wegverkeer.
Ten hoogte van het plan gebied gaat de Kerkweg over in het Binnenpad en loopt deze weg uiteindelijk dood voor gemotoriseerd verkeer. Hier gaat de weg over in een fiets- en voetpad. Het perceel Kerkweg 56 (kadastraal bekend als 539) heeft een oppervlakte van 2.629 m2. De bebouw ing bestaat uit een vrijstaande woning met schuur in combinatie met een wage n-/kap schuur. De totale oppervlakte aan bijgebouwen bedra agt 285 m2. Daarnaast is op het perceel nog een zwembad aanwezig. Er vinden geen bedrijfsactiviteiten meer plaats op het p erceel. Het perceel heeft een ontsluiting op de Kerkweg. Het perceel is landschappelijk ingepast met gebiedseigen houtsingels en hagen. Bestaande situatie perceel Kerkweg 56 10 Streetview vrijstaande woning met schuur op het perceel Kerkweg 56 (bron: google) 2.2 Toekomstige situatie In de nieuwe situatie verandert er niets aan de bebouwde situatie van het perceel Kerkweg 56. Er wordt niet gebouwd of gesloopt. Het f eitelijke gebruik voor woondoeleinden wordt juridisch planologisch vastgelegd met een bestemmingsplanwijziging van ‘Bedrijf’ naar ‘Wonen’. 11 3 Beleidskader 3.1 Algemeen Het (inter)nationale en provinciale beleid is neergelegd in verschillende nota's betreffende de ruimtelijke ordening, alsmede in de verschillende omgevingsvisies.
Een "doorzetting" van dit beleid vindt veelal plaats in verschillende gemeentelijke en provinciale uitwerkingsnota's, beleidsplannen en bestemmingsplannen. Het beleid zoals dat door de hogere overheden wordt voorgestaan, is veelal van een andere schaal en aard dan de schaal die noodzakel ijk is voor het opstellen van ee n (kleinschalig) bestemmingsplan. In dit hoofdstuk wordt dan ook uitsluitend ingegaan op de voor de ontwikkeling van het plangebied relevante beleid. 12 3.2 Rijksbeleid 3. 2.1 Stru ctuurv isie Infr astru ctuur en Ru imt e De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is van kracht sinds 13 maart 2012. Deze structuurvisie vormt sindsdien het integrale kader voor het rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. De SVIR vervangt de Nota Ruimte uit 2005. De SVIR geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en vormt het kader voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelij ke consequenties. Nederland heeft ruimte nodig om te leven en te bewegen, om economisch te kunnen blijven groeien en voor burgers en bedrijven om initiatief te nemen. Het Rijk kan en wil niet alles zelf doen, en geeft daarom meer ruimte aan provincies en gemeenten om in te spelen op de eigen situatie, zelf beslissingen te nemen en geven ruimte aan burgers en bedrijven voor initiatief en ontwikkeling.
Infrastructuur en ruimte worden door alle overheden in samenhang opgepakt. Om Nederland concurrerend, berei kbaar, leefbaar en veilig te houden zijn in de SVIR drie hoofddoelen voor de voor de middellange termijn (2028) benoemd: • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk- economische structuur van Nederland; • Het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid, waarbij de gebruiker voorop staat; • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden blijven. De drie rijksdoelen zijn in het SIVR uitgewerkt tot dertien (thematische) 'onderwerpen van nationaal belang'. 3. 2.2 Besluit algemen e r egels ru imt elijk e o rd ening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden en omva t alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor on der meer het bundelen van verste delijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivie ren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duide lijk waar provinciale verordenin gen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen.
Uit de regels en kaarten behorende bij het Barro kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit. In het bestemmingsplan voor het buitengebied dient met name rekening te worden gehouden met de door het Rijk geformuleerde belangen inzake natuur (Ecologische Hoofdstructuur en Natura 2000-gebieden). 3. 2.3 Lad der voo r duu rz ame v erst ed elij kin g Op 1 oktober 2012 is de ‘ladder voor duurzame ver stedelijking’ toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De ladder voor duurzame verstedelijking is opgezet met als prima ir doel het tot stand brengen van een goede ruimtelijke ordening, door mid del van een optimale benutting van de ruimte in s tedelijke gebieden. Concreet houdt dit in dat de ladder als ondersteuning dient voor decentrale overheden (provincies en gemeenten) b ij d e vraaggerichte programmering van hun grondgebied. Hierdoor kan er een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorm ing plaatsvinden bij ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Daarbij mogen dus enkel criteria een rol spelen die ruimtelijk relevant zijn. 13 De juridische grondslag van de ladder voor duurzame verstedeli jking ligt in het Bro (artikel 3.1.6 lid 2), beleidsmatig is de ladder geïntroduceerd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR).
De ladder is daarmee kaderstellend voor al le juridisch verbindende ruimtelijke plannen van de decentrale overheden, zoals de gemeentelijke bestemmingsplannen en de p rovinciale inpassingsplannen. Voorheen bestond de ladder uit drie treden die doorlopen moesten worden ter verantwoording van een nieu we stedelijke ontwikkeling, maar per 1 juli 2017 zijn er enkele wijziginge n van kracht geworden. Eén van de belangrijkste i s dat de drie treden worden losgelaten. Feitelijk is er nog maar één trede: "er dient gemotiveerd worden dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte." Het betreft ontwikkelingen zowel binnen als buiten stedelijk gebied. Het realiser en van een ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied moet nadrukkelijk gemotiveerd worden. Bij de motivering moet een goede ruimt elijke ordening het oogpunt zijn. Dit betekent concreet het tegengaan van ongewenste leegstand en het stimuleren van zorgvu ldig ruimtegebruik. De behoefte moet worden onderbouwd op het niveau van het ruimtelijk verzorgingsgebied van de ontwikkeling zelf. B ij d e ene ontwikkeling is het ruimtelijk verzorgingsgebied groter dan bij de andere ontwikkeling. Bij elk plan hoort met andere woorden een bij die ontwikkeling passende onderbouwing.
Daarbij moet opgemerkt worden dat als de stedelijke ontwikkeling zie t op de vestiging van een dienstenactiviteit, het onderzoek naar de actuel e regionale behoefte geen betrekking mag hebben o p de economische behoefte, de marktvraag, de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen of een beoordeling in relat ie tot de door de gemeenteraad vastgestelde doelen van economische plannin g. Het onderzoek heeft slechts tot doel om na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. In het Bro is geen ondergrens voor d e minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de o ntwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt volgens de overzichtsuitspraak dat 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Voor wonen is daarmee de lijn, dat er v anaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling 3. 2.4 Conclusie Rijksb eleid Het perceel Kerkweg 56 is bestemd voor bedrij fsdoeleinden, het feitelijk gebruik voor woondoeleinden is niet in overeens temming met het geldend bestemmingsplan. In het v oorliggend bestemmingsplan wordt het perceel Kerkweg 56 voorzien van een nieuwe bestemmingsregeling.
In de nieuwe situatie verandert er niets aan de bebouwde situatie van het perceel Kerkweg 56. Er wordt nie t gebouwd of gesloopt. Het feitelijke gebruik voor woondoeleinden wordt juridisch planologisch vastgelegd met een bestemmingsplanwijziging van ‘Bedrijf’ naar ‘Wonen’. • de ontwikkeling raakt geen nationale belangen, om die reden is de Structuurvisie I nfrastructuur en Ruimte niet van belang; • de regels die zijn opgenomen in het Barro zijn niet van toepassing op onderhavig plangebied. Het Barro vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied; • Er worden geen woningen gerealiseerd in het plangebied. De ladder voor duurzame verstedelijking is niet van toepassing. 14 3.3 Provinciaal beleid 3. 3.1 O mgev in gsvisie Ov er ijss el en O mgev ingsv erord en ing Ov er ijssel De Omgevingsvisie Overijssel 2017 'Beken kleur’ en de Omgevingsverordening O verijssel 2017 worden elk jaar bijgewerkt. Dit ge beurt in een jaarlijkse actualisatieronde. Het gaat om alle eerder vastgestelde wijzigingen in het beleid die nog moeten worden doorvertaa ld i n de Omgevingsvisie en/of Omgevingsverordening. Ook worden omissies hersteld. De laatste actualisatie van de Omgev ingsvisie en Omgevingsverordening is van 2021. Hieraan wordt het plan dan ook getoetst. In de omgevingsvisie staat het uit voeringsmodel centraal.
In dit model draait het om drie vragen die a ntwoord geven op of, waar en hoe ontwikkelingen u itgevoerd worden. Bij de eerste vraag zijn generieke en gebied specifieke beleidskeuzes van belang. Bij de tweede vraag zijn ontwikkelingsp erspectieven richtinggevend en bij de derde vraag gaat het om de inp assing in de kenmerken van het gebied. Onderstaan d wordt op deze drie niveaus van het uitvoeringsmodel ingegaan. 3.3.1.1 Generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes bepalen óf ontwikkelingen nodig, dan wel mogelijk zijn. In heel Overijssel is een aantal beleidskeuzes van toepassing op nagenoeg alle thema’s en locaties. Dit zijn: • integraliteit; • toekomstbestendigheid; • concentratiebeleid; • (boven)regionale afstemming; • zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Samen geven deze beleidskeuzes invulling aan de Overijsselse ladder voor duurzame verstedelij king. Deze Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking geeft een nadere invulling aan de stappen die gemeenten in de onderbouwing van nieuwe stedelijke ontwikkelingen op grond van de Ladder voor duurzame verstedelijking moeten doorlopen. Dit betekent dat voor ontwikkelingen eerst bestaande bebouwing of herstructurering wordt benut, voordat er uitbreiding plaatsvindt.
Toetsing initiatief aan de generieke beleidskeuzes Binnen het plangebied Kerkstraat 56 worden geen woningen gerealiseerd, de bestaa nde situatie in het plangebied veranderd niet. Het feitelijke gebruik voor woondoeleinden wordt juridisch planologisch vastgelegd met een bestemmingsplanwijziging van ‘Bedrijf’ naar ‘Wonen’. Er is dan ook geen sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling', de ladder voor duurzame verstedelijking is niet van toepassing. 3.3.1.2 Ontwikkelingsperspectief De ontwikkelingsperspectieven geve n zo richting aan wáár w at ontwikkeld zou kunnen worden. Volgens de overzichtskaart 'ontwikkelingsperspectieven' ligt het plangebied binnen het gebied 'woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken'. 15 Wat betreft het gebied 'woon - en werklocaties buiten de ste delijke net werken' mogen de steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructu rering en transformatie van de woon -, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorb eeld door rui mte voor gr oen, natuur en water te reserveren).
Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te st emmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld in laaggelegen gebieden bij bouw - en evacuatieplannen rekening houden met risico’s op overstrom ing of wateroverlast. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie (do or het nemen van energie -efficiënte maatregelen en/of het opwekken van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanwezige dakoppervlak te benutten). Toetsing initiatief aan het ontwikkelingsperspectief Binnen het plangebied Kerkstraat 56 worden geen woningen of nieuwe bebouwing gerealiseerd, de bestaande situatie in het plangebied veranderd niet. Het feitelijke gebruik voor woondoeleinden wordt juridi sch planologisch vastgelegd met een bestemmingsplanwijziging van ‘Bedrijf’ naar ‘Wonen’. De transformati e van 'Bedrijf' naar 'Wonen' is passend binnen het ontwikkelingsperspectief dat in de Omgevingsvisie Overijssel voor het gebied is neergelegd. 3.3.1.3 Gebiedskenmerken De provincie wil ruimtelijke kwaliteit realiseren door, naast bescherming, vooral in te zetten op het verbinden van bestaande kwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen. Hierbij zijn de gebiedskenmerken van provinciaal belang het uitgangspunt. Hierna wor dt een korte samenvatting gegeven van de in het plangebied voorkomende gebiedskenmerken volgens de lagenbenadering: a.
de natuurlijke laag: Laagveengebied (in cultuur gebracht) Het plangebied ligt in het in cultuur gebrachte laagveen gebied. Van b elang is dat de kwaliteiten van de natuurlijke laag, zoals aardkundige waarden en natuurlijk reliëf behouden dienen te blijven. b. de laag van het agrarisch cultuurlandschap: Laagveenontginningen De gebiedskenmerken van de laagveenontginningen is een open, laag en nat landschap, ontstaan door occupatie vanuit de bewoonde hogere randen. De ambitie is de cultuurhistorische kwaliteiten van het laagveenlandschap zoveel als mogelijk in stand te houden en beleefbaar te maken. De grote open ruimtes, h et patroon va n sl oten met beplantingen, de vochtige bloemrijke weides met weidevogels geven dit landschap grote belevingswaarde. c. de stedelijke laag: Woongebied 1955 - nu De woonwijken van 1955 tot nu zijn planmatig opgezette uitbreidingswijken op basis van een collectief idee en grotere bouwstromen. De functies (wonen, werken, voorzieningencentra) zijn uitee ngelegd en de wijken zijn opgedeeld in buurten met een homogeen bebouwingskarakter: buurten met eengezinswoningen, flatwijken, villawijken, wijk (winkel)centra. N ieuwbouwwijkjes bij kleinere plaatsen zijn niet altijd afgeronde eenheden, 16 omdat de bouwopgave d aarvoor te klein was.
Vaak is er een buurtje aangeplakt aan de oudere bebouwingsstructuur, zonder relatie met de oorspronkelijke structuur van het dorp of het v oormalige agrarische cultuurlandschap. Als ontwikkelingen plaats vinden de naoorlogse woonwijken , dan voegt nieuwe bebouwing zich in de aard, maat en het karakter van het grotere geheel (patroon van o.a. wooneenheden en parken), maar is als onderdeel daarvan wel herkenbaar. d. Laag van de beleving In de laag van de beleving wordt het plangebied aangeduid als 'donkerte'. Donkerte wordt een te koesteren kwaliteit. De ambitie is de huidige ‘donkere’ gebieden, ten minste zo donker te houden, maar bij ontwikkelingen ze liever nog wat donkerder te maken. Dit betekent op praktisch niveau terughoudend zij n met verlichting van wegen, bedrijventerreinen e.d. en verkennen waar deze ‘s nachts uit kan of anders lichtbronnen selectiever richten. De provincie Ove rijssel wil i n donkere gebieden alleen minimaal nood zakelijke toepassing van kunstlicht. Dit vereist het selectief inzetten en 'richten' van kunstlicht. Toetsing initiatief aan de gebiedskenmerken Binnen het plangebied Kerkstraat 56 worden geen woninge n of nieuwe b ebouwing gerealiseerd, de besta ande situatie in het plangebied veranderd niet. • Dit bestemmingsplan voorziet slechts in een wijziging van gebruik.
Er vinden geen (nieuwe) ingrepen plaats waardoor geen sprake is van een aantasting van het laagveengebied; • De ontwikkelingen in het plangebied doen geen afbreuk aan het agrarisch cultuurlandschap. Het perceel is landschappelijk ingepast met gebiedseigen houtsingels en hagen en vormt daarmee een fraaie overgang van de bebouwingsrand naar het open natte landschap; • Er is geen sprake van een nieuwe ontwikkeling die de bebouwingstructuur van dit gebied kan veranderen. • Het initiatief wijzigt de beleving van donkerte niet, er wordt geen extra verlichting toegevoegd. Doordat de bedrijfsactiviteiten zijn beëindigd is het waarschijnlijker dat het 'donkerder' zal worden binnen het plangebied. 3. 3.2 Conclusie p rov inciaal b eleid Het perceel Kerkweg 56 is bestemd voor bedrijfsdoeleinden, het feitelijk gebruik voor woondoeleinden is niet in overeenstemming m et het gelden d be stemmingsplan. In het voorliggend bestemmingsplan wordt het perceel Kerkweg 5 6 voorzien van een nieuwe bestemmingsregeling. In de nie uwe situatie verandert er niets aan de bebouwde situatie van het perceel Kerkweg 56. Er wordt niet gebouwd of gesloopt. Het feitelijke gebruik voor woondoeleinden wordt juridisch planologisch vastgele gd met een bestemmingsplanwijziging van ‘Bedrijf’ naar ‘Wonen’. In de omgevingsvisie en omgevingsverordening Overijssel staat het uitvoeringsmodel centraal.
I n dit model draait het om drie vragen die antwoord geven op of, waar en hoe ontwikkelingen uit gevoerd worden. In de vorige paragrafen zijn deze drie n iveaus van het uitvoeringsmodel behandeld. De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten zoals verwoord in de p rovinciale omgevingsvisie en de omgevingsverordening. 17 3.4 Gemeentelijk beleid 3. 4.1 O mgev in gsvisie St een wij kerla nd Op 20 juni 2017 heeft de raad de Omgevingsvisie Steenwijkerland vastgesteld. De gemeente wil met de Omgevingsvisie de o mgevingskwaliteit van Steenwijkerland naar een hoger plan tillen. Omgevingskwaliteit is gedefinieerd als de integrale kwaliteit van ruimtes; het ga at er niet alleen om hoe deze ruimtes eruitzien, maar ook waartoe en op welke manier ze functioneren, hoe ze gebruikt worden en hoe de (functies van de) ruimtes met elkaar samenhangen en bijdragen aan het beter functioneren van de samenleving. De schoonhei d van de natuur en de bevaarbaarheid van het water in de Weerribben, het stationsplein van Steenwijk met de verbinding naa r werk en voorzieningen, de culturele waarde van Giethoorn en de beleving erva n door grote aantallen buitenlandse toeristen. De vis ie draagt bij aan het versterken van de omgevingskwaliteit. Deze kwaliteit is niet te meten. Alleen elementen ervan zijn m eetbaar (zoals geluidswaarden) of aanwijsbaar (cultureel erfgoed).
Een deel va n de omgevingskwaliteit kun je slechts ervaren (sfeer, v eiligheid). Het is de som der delen die de uiteindelijke kwaliteit bepaalt. Deze nieuwe definitie is betekeni svol: omgevin gskwaliteit is het centrale doel van al het ruimtelijk handelen. Elke kern heeft zijn eigen karakter. De opgaven in de kernen luide n: leegkomend vastgoed krijgt een nieuwe functie; leefbaarheid krijgt prioriteit; herbezinning uitbreiding ca paciteit bedr ijventerreinen; aantrekkingskracht Giethoorn zorgvuldig benutten; en kleine kernen bereikbaar houden. Toetsing initiatief aan de Omgevingsvisie Steenwijkerland De bedrijfsactiviteiten op het perceel Kerkweg 56 zijn beëindigd, de bedrijfsbe stemming wordt met voorliggend bestemmingsplan gewijzigd in woo nbestemming. De bedrijfswonin g wordt daarmee omgezet in een reguliere woning. Het aantal woningen blijft gelijk. He t perceel is landschappelijk ingepast met gebiedseigen houtsingels en hagen. Het plan vold oet hiermee aan de uitgangspunten van de omgevingsvisie. Leegkomend vastgoed kri jgt een nieuwe functie, verpaupering wordt daarmee tegengegaan. Het herkenbaar cultuu rhistorisch profiel blijft behouden met deze ontwikkeling. 3. 4.2 Wo ona genda St eenwijk er l and 2022 -2026 In de Woonagenda Steenwijkerland 2022 -2026 staat verwoord waar, voor wat betreft wonen, de gemeente in de periode 2022 -2026 op in willen zetten.
Met 33 concrete acties wil de gemeente voorzien in de woonbehoefte van de inwoners van Steenwijke rland met een passende woning voor iedereen. De gemeente wil het huidige aantrekkelijke woonklimaat behouden en versterken en inzetten op sterke kernen en een vitaal buitengebied. Een belangrijke ambitie in de woonagenda is om de woningbouw te versnellen e n in de komende vijf jaren 2/3 van de lokale woningbehoefte tot 2031 te realiseren. De Woonagenda Steenwijkerland 2022 -2026 volgt de Woonvisie Steenwijkerland 2017 -2021 op en heeft het Woningmarktonderzoek Steenwijkerland 2021 - 2031-2041 als onderlegger. De woonagenda dient als basis voor het maken van nieuwe prestatieafspraken met de woningcorporaties en is input voor de gemeentelijke omgevingsvisie en het omgevingsplan. 18 Toetsing initiatief aan de Woonagenda Steenwijkerland 2022-2026 Er worden geen w oningen gerealiseerd of toegevoegd in het plangebied. De bedrijfswoning wordt omgezet in een reguliere woning. Leegstand en verpaupering wordt hiermee voorkomen. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen gevolgen voor het woningprogramma van de gemeente. 3. 4.3 W els tandsno ta St een wijk erland De gemeente Stee nwijkerland heeft haar gemeentelijke welstandsbeleid opgenomen in de Welstandsnota.
Deze geeft de gemeente de mogelijkheid om de cultuurhistorische, ste denbouwkundige en architectonische waarden die in ee n bepaald gebied aanwezig zijn, te benoemen en een r ol te laten spelen bij de ontwikkeling en beoordeling van bouwplannen. Het welstandsbeleid is uitgewerkt in de gebiedsgerichte welstandscriteria. Naa st de gebiedsgericht criteria kunnen ook meer object gerichte criteria of specifieke cri teria gelden. Daa rnaast is er één algemeen criterium dat geldt in alle gebieden: bi j nieuwbouw, wijziging en uitbreidingen dient de architectonische kwaliteit minimaal gelijkwaardig te zijn aan de bestaande architectonische kwaliteit. Het plangebied li gt in het deelgeb ied 'Kraggenlandschap /Giethoorn beschermd dorpsgezicht'. Dit geb ied beslaat het beschermde dorpsgezicht van Giethoorn. Het heeft veel historische bebouwing, die beeldbepalend is voor het gebied. De struct uur en de histor ische bebouwing die nen dan ook te wo rden gehandhaafd en met zorg behandeld te worden. De bebouwing i s echter in de loop van de eeuwen gegroeid met daardoor veel verschillen binnen het kader van de beschreven karakteristieken. Ook nu kan er met nieuwbouw ve rder worden gebouwd aan Giethoorn. D eze nieuwbouw dient dan wel met respect voor het oude te worden ontworpen. Een aantal karakteristieken is daarbij van wezenlijk belang en zullen dan ook in de criteria worden benoemd.
Beleidsuitgangspunten 1. De bebouwingskarakteristieken zoals die in de gebiedsbeschrijving zijn omschreven dienen te worden behouden en waar mogelijk hersteld. 2. Vernieuwing is onder voorwaarden mogelijk. 3. Uitbreiding van de woonfunctie in een bestaande of voormalige boerderij mag niet ten koste gaan van de uiterlijke verschijningsvorm. Toetsing initiatief aan de Welstandsnota Steenwijkerland Dit bestemmingsplan voorziet slechts in een wijziging van gebruik. Er vinden geen (nieuwe) ingrepen plaats waardoor geen sprake is van een aantasting van de bebouwingskarakteristieken. 3. 4.4 Conclusie gemeen telijk b eleid Het perceel Kerkweg 56 is bestemd voor bedrijfsdoeleinden, het feitelijk gebruik voor woondoeleinden is niet in overeenstemming met het geldend bestemmingsplan. In het voorliggend bestemmingsplan wordt het perceel Kerkweg 56 voorzien van een nieuwe bestemmingsregeling. In de nieuwe si tuatie verandert er niets aan de bebouwde situatie van het perceel Kerkweg 56. Er wordt niet gebouwd of gesloopt. Het feitelijke gebruik voor woondoeleinden wordt juridisch planologisch vastgelegd met een bestemmingsplanwijziging van ‘Bedrijf’ naar ‘Wonen’. 19 • de ontwikkeling is passend binnen de omgevingsvisie Steenwijkerland; • de ontwikkeling is passend binnen de woonvisie Steenwijkerland 2017-2021; • de ontwikkeling is passend binnen de welstandsnota Steenwijkerland.
Het voorliggend bestemmingsplan voldoet aan de uitgangspunten zoals verwoord in het gemeentelijk beleid. 20 4 Onderzoek 4.1 Algemeen In gevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruim telijke ordening wordt in dit hoofdstuk een beschrijving opgenomen van het verrichte onderzoek naar relevante f eiten en af te wegen belangen (artikel 3.2. Algemene wet bestuursrecht). Per onderzoeksaspect wordt een beschrijving gegeven van de situatie ter plaatse. 4.2 Cultuurhistorie en archeologie 4. 2.1 I n leiding Op 1 januari 2012 is het Besluit ruimtelijke ordeni ng aangepast als uitwerking van het in 2009 door het rijk ingezette beleid Modernisering Monumentenzorg (MoMo). Voor de ruimtelijke ordening bet ekent dit ee n omschakeling van een objectgerichte na ar omgevingsgerichte benadering. Door deze modernisering moe t bij het opstellen van een bestemmingsplan meer rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden. Dit betekent dat naast archeologie, oo k een beschr ijving moet worden gege ven van de histor ische (steden)bouwkunde en historische geografie en hoe in h et bestemmingsplan rekening is gehouden met de aanwezige cultuurhistorische waarden. 4. 2.2 Ond erzo ek 4.2.2.1 Cultuurhistorie Voor het plangebi ed aan de Kerkweg 56 is het bestemm ingsplan ‘Giethoorn’, vastgesteld op 17 oktober 2017, van toepassing.
In het p langebied is de dubbelbestemming ‘Waarde – Zuideinde Binnenpad’ en de gebiedsaanduiding ‘overige zone – beschermd dorpsgezicht Giethoorn’ van toepassing. Waarde – Zuideinde Binnenpad Ten behoeve van bescherming en behoud van de cultuurhistorisch en o udheidkundig waardevolle elementen en structuren van het beschermd dorpsgezicht zijn de specifieke ruimtelijke kwaliteiten bes chreven die de identiteit van Giethoorn bepalen. Op de voor 'Waarde - Zuideinde Binnenpad' aangewezen gronden gelden in aanvulling op en/of in afwijking van de bouwregels van die onderliggende bestemming de regels van dit artikel. Overige zone – beschermd dorpsgezicht Giethoorn Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beschermd dorpsgezicht Giethoor n' zijn de gronden mede bedoeld voor behoud, herstel en ontwikkeling van het beschermd dorpsgezicht, zoals dit nader tot uitdr ukking komt in het artikel 'Waarde - Zuideinde Binnen pad', conform het aanwijzingsbesluit besche rmd dorpsgezicht Giethoorn. Het perceel Kerkweg 56 is bestemd voor bedrijfsdoeleinden, het feitelijk gebruik voor woondoeleinden is niet in overeenstemming me t het geldend bestemmingsplan. In het voorl iggend be stemmingsplan wordt het perceel Kerkweg 56 voorzien van een nieuwe bestemmings regeling. In de nieuwe situatie verandert er niets aan de bebouwde situatie van het perceel Kerkweg 56. Er wordt niet gebouwd of gesloopt.
Het feitelijke gebruik voor wo ondoeleinden wordt juridisch planologisch vastgelegd met een bestemmingsplanwijziging v an ‘Bedrijf’ naar ‘Wonen’. De ontwikkeling in het plangebied doen geen afbreuk aan het agrarisch 21 cultuurlandschap. Het perceel is landschappelijk ingepast met gebiedseig en houtsi ngels en hagen en vormt daarmee een fraaie overgang van de bebouwingsrand naar het open natte landschap. Er is geen sprake van een nieuwe ontwikkeling die de bebouwingstructuur van dit gebied kan verander en, de identiteit van het gebied blijft ongewijzigd. In het plangebied zijn geen beschermde rijks- en/of gemeentelijke monumenten aanwezig. 4.2.2.2 Archeologie Voor het plangebied aan de Kerkweg 56 is het bestemmingsplan ‘Giethoorn’, vastgesteld op 17 okto ber 2017, van toepassing. Het plangebied ligt binnen de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 2’. De bestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ is gericht op bescherming van gebieden met een hoge archeologische verwachting. In deze gebieden geldt op basis va n geologische en bodemkundige opbouw en aangetroffen archeologische vondsten en relicten een ho ge archeologische verwachting. Voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 250 m² dient de aanvrager een aanvullend en/of definitief archeologisch rapport te overleggen. In het plangebied vinde n geen bodemingrepen plaats.
In de n ieuwe situatie verandert er niets aan de bebouwde situatie van het perceel Kerkweg 56. Er wordt niet gebouwd of gesloopt. Arch eologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. 4. 2.3 Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 22 4.3 Ecologie Wet natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natu urbescherming van kracht. Deze wet vervan gt drie w etten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Bo swet en de Flora - en Faunawet. Het do el van de wet is het behouden en herstellen van de natuur. Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten - en diersoorten zijn. Sommige soorten zij n kwetsba ar. Een goede natuurbescherming is belangri jk. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. De wet kent twee soorten bescherming: gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming Natura 2000 Binnen de Wet natuur bescherming zijn de Natura 2000 -gebieden beschermd. Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden en vormt daarmee de basis voor het Europees b eleid voor behoud en herstel van biodiver siteit. Natura 2000 is niet alleen ter bescherming v an gebieden, maar draagt ook bij aan soortenbescherming.
Natura 2000 omvat alle gebieden die zijn beschermd op grond van de Vogel - en Habitatrichtlijn. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen ge formuleerd. Voor de Natura 2000 - gebieden geldt ook d e zogenaamde externe werking. Dit bet ekent dat ook gekeken moet worden of er negatieve effecten zijn van ontwikkelingen die plaatsvinden buiten de begrenzing van h et Natura 2000 - gebieden maar die toch van invloed kunnen zijn op dit gebied. Soortenbescherming De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van dier - en plantensoorten. In grote lijnen blijft de bescherming gelijk aan d e oude Flora- en Faunawet. Het doel van d eze wet is het in stand houden en beschermen van in het wild voorkomende dier - en planten soorten. De wet hanteert het 'nee, tenzij'-principe. Dit betekent dat alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten in principe verbo den zijn. Alleen onder strikte voorwaarden zijn afwi jkingen van de verbodsbepalingen mogelijk. Hiervoor moet een ontheffing worden aangevraagd bij de provincie. De aanvraag moet onderbouwd worden met een onderzoek n aar het voorkomen van en de effecten op b eschermde soorten. In de nieuwe wet is daarnaast een zogenaamde 'algemene zorgplicht' opgenomen. De zorgplicht is van toepassing op alle planten en dieren, ongeacht of ze wettelijk beschermd zijn.
De zorgplicht houdt in dat er bij ingrepen, zoals bouwac tiviteiten, altijd zor gvuldig moet worden omgegaan m et aanwezige planten en dieren. Schadelijke activiteiten moeten zoveel mogelijk worden voorkomen. 4. 3.1 Ond erzo ek Het perceel Kerkweg 56 is bestemd voor bedrijfsdoeleinden, het feitelijk gebruik voor w oondoeleinden is niet in overeenstemming met het gel dend bestemmingsplan. In het voorligg end bestemmingsplan wordt het perceel Kerkweg 56 voorzien van een nieuwe bestemmingsregeling. In de nieuwe situatie verandert er niets aan de bebouwde situatie van het perceel Kerkweg 56. E r wordt niet gebouwd of gesloo pt. Het feitelijke gebruik voor woond oeleinden wordt juridisch planologisch vastgelegd met een bestemmingsplanwijziging van ‘Bedrijf’ naar ‘Wonen’. Door de realisatie van het plan neemt het aantal verkeersbewegingen in de omgeving van het plangebied niet toe. Het aantal woningen blijft gelijk. Er vindt geen verstoring plaats van mogelijk aanwezige beschermde planten en dieren. Het plangebied is niet gelegen in het Natura 2000 -gebied, op nabije 23 afstand is het Natura 2000 -gebied ‘De Wieden’ gelegen. De stikstofdepositie in de gebruiksfase zal niet toenemen bij deze bestemmingswijziging. Het voorgenomen plan m aakt geen ontwi kkeling of activiteiten mogelijk die een negatief effect hebben op deze thema’s. 4.
3.2 Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 24 4.4 Watertoets 4. 4.1 In leiding Op grond v an artike l 3.1.6 Bro dien t in de toelichting op ruim telijke plannen, een waterparagraaf te w orden opgenomen. Hierin staat de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan op de waterhuishouding. In die paragraaf dient uiteengezet te worden of en in welke mate het plan gevolgen heeft voor de waterhuishouding (waaronder grondwater en waterveiligheid). Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets: 'het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren (door de waterbeheerder), afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten'. De watertoets is niet alleen een toets, maar is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van ruimtelijke pla nnen en besluiten. Via de digitale watertoets is beo ordeeld of en welke waterbelangen voor h et plan relevant zijn (zie bijlage 1 van deze toelichting). 4. 4.2 Ond erzo ek Het perceel Kerkweg 56 is bestemd voor bedrijfsdoeleinden, het feitelijk gebruik voor woondoeleinden is niet in overeenstemming met het g eldend bestemmingsplan. In het voorligg end bestemmingsplan wordt het perceel Kerkweg 56 voorzien van een nieuwe bestemmingsregeling.
In de nieuwe situatie verandert er niets aan de bebouwde situatie van h et percee l Kerkweg 56. E r wordt niet gebouwd of gesl oopt. Het feitelijke gebruik voor woond oeleinden wordt juridisch planologisch vastgelegd met een bestemmingsplanwijziging van ‘Bedrijf’ naar ‘Wonen’. De ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gem aakt met dit bestemmings plan heeft geen gevolgen voo r het watersysteem. De watertoets (bijlage 1 van deze toelichting) is ui tgevoerd, het waterschap heeft aangegeven dat er geen waterschapsbelang is bij deze ruimtelijke activiteit. 4. 4.3 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 25 4.5 Milieu 4. 5.1 In leiding In dit hoofdstuk kome n de relevante milieu - en omgevingsaspecten aan bod. Het betreffen hier de randvoorwaarden en beperkingen die voorkomen uit het belei d en wetgeving op het gebied van: geluid ( Wet geluidhinder), luchtkwaliteit (Wet luchtkwaliteit), bodem (Wet bodembeschermi ng), bedrijvigheid (Wet milieubeheer) en externe veiligheid (BRZO, REVI, Bevi, Wet milieubeheer). 4. 5.2 Geluidhind er De mate waarin geluid, veroorzaakt door het wegverkeer en/of door een industrieterrein, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder zijn normen opgenomen voor de toelaatbare geluidbelasting als gevolg van de verschillende ge luidbronnen.
De Wgh maakt een onderscheid tussen de voorkeursgrenswaarde en de hoogst toelaatbare geluidbelasting. Wanneer de geluidbelasting onder de voorkeursgrenswaarde valt, worden de effecten van geluid zonder meer toelaatbaar geacht. Indien de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, maar de geluidbelasting de ten hoogste toelaatbare geluidwaarde niet te boven gaat, is de overschrijding na een afweging, toelaatbaar. Wegverkeerslawaai Artikel 76 Wgh verplicht ertoe om bij de vaststelling van een bes temmingsplan dat betrekking heeft op gronden binnen een geluidzone terzake van de geluidsbelasting van de gevel van geproje cteerde geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) de grenswaard en uit de Wgh in acht te nemen. Bij het voorbereiden van de vasts telling van zo’n bestemmingsplan moet akoe stisch ond erzoek worden gedaan naar die geluidsbelasting. Op grond van artikel 74 Wgh heeft iedere weg van rechtswege een geluidzone, met uitzondering van: • wegen die liggen binnen een tot woonerf bestemd gebied; • wegen waarop een wettelijke snelheid geldt van ten hoogste 30 kilometer per uur De breedte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de ligging van de weg in binnen - of buitenstedelijk gebied. Wanneer woningen worden geprojecteer d binnen een geluidzone moet akoestisch on derzoek wo rden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op de gevels van die woningen.
De voorkeursgrenswaarde bedraagt 48dB. Bij een hogere geluidsbelast ing moet worden gekeken of er maatregelen getroffen kunnen worden om de geluidbelasting te reduceren. Indie n maatrege len onvoldoende effect geven en/of onmogelijk zijn en de geluidsbelasting niet hoger is dan de maximale grenswaarde van 53dB (buitenstedeli jke en 63dB (binnenstedelijk) kunnen burgemeester en wethouders e en hogere waarde vaststellen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moeten in een akoestisch onderzoek ook de weg en zonder geluidzone worden beschouwd. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de kaders van de Wgh. Industrielawaai Gezoneerde indu strieterreinen hebben een vaste geluidzone die wordt vastgelegd door middel van een bestemmingsplan. Buiten de geluidszone wordt de voorkeurswaarde van 50 dB(A) niet overschreden. De 26 maximale ontheffingswaarde binnen de geluidszone bedraagt 55 dB(A) etmaal waarde voor nieuwe situaties. In tegenstelling tot weg- en railverkeer wordt voor industrielawaai niet getoetst aan de Lden waarde maar aan de etmaalwaarde. De dosismaat Lden is voor wegverke erslawaai en spoorweglawaai met ingang van 1 januari 2007 in de gewijzigde Wgh vastgelegd. Voor industrielawaai wordt Lden in het kader van de Wgh voorlopig niet ingevoerd. De voorkeursgrenswaarde vanwege een gezoneerd industrieterrein is 50 dB(A) en de te n hoogst toelaatbare waarde is 55 dB(A).
4.5.2.1 Onderzoek Het perceel Kerkweg 56 is bestemd voor bedrijf sdoeleinden, het feitelijk gebruik voor woondoeleinden is niet in overeenstemming met het geldend bestemmingsplan. In het voorliggend bestemmingsplan wordt het perceel Kerkweg 56 voorzien van een nieuwe bestemmings regeling. In de nieuwe situatie verandert er niets aan de bebouwde situatie van het perceel Kerkweg 56. Er wordt niet gebou wd of gesloopt. Het feitelijke gebruik voor woondoeleinden wordt jur idisch planologisch vastgelegd met een bestemmingsplanwijziging v an ‘Bedrijf’ naar ‘Wonen’. De Kerkweg is een weg waarop een wettelijke snelheid geldt van ten hoogste 30 kilometer per uur, deze weg heeft geen geluidzone. Het plangebied is niet gelegen in de zone van een spoorweg of van een gezoneerd bedrijventerrein. 4.5.2.2 Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 27 4. 5.3 Lu chtk wa litei t De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet Milieubeheer hoofdstuk 5, titel 2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen o mtrent luchtkwaliteit, waarin ter bescherm ing van me ns en milieu onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht (o.a. fijn stof en stikstofdioxide) zijn vastgesteld.
De wet stelt bij een (dreigende) grenswaardenoverschrijding aanvull ende eisen en beperkingen voor ruimtelijke plannen die "in betekenende mate" (IBM) leiden tot verslechtering van de lucht kwaliteit. Daarnaast moet uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening afgewogen worden of het aanvaardbaar is het plan op deze p laats te realiseren. Hierbij speelt de blo otstelling aan luchtverontreiniging een rol, ook als het plan "niet in betekenende mate" (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. 4.5.3.1 Onderzoek Het perceel Kerkweg 56 is bestemd voor bedrijfsdoeleinden, h et feitelijk gebruik voor woondoeleinden i s niet in overeenstemming met het geldend bestemmingsplan. In het voor liggend bestemmingsplan wordt het perceel Kerkweg 56 voorzien van een nieuwe bestemmingsregeling. In de nieuwe situatie verandert er niets aan d e bebouwde situatie van het perceel Kerkwe g 56. Er w ordt niet gebouwd of gesloopt. Het feitelijke gebruik voor w oondoeleinden wordt juridisch planologisch vastgelegd met een best emmingsplanwijziging van ‘Bedrijf’ naar ‘Wonen’. Er worden geen extra woningen toegevoegd. De verkeersaantrekkende werki ng in het plangebied zal niet toenemen. Daarmee staat vast dat de ontw ikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging en is het niet nodig luchtkwaliteitsonderzoek uit te voeren.
Wat betreft de toets ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening worden bij woningen, op grond van de regeling Beoordeling luchtkwaliteit 2007, mensen blootgesteld aan luchtverontre iniging gedurende een significante periode ten opzichte van een etmaal. De Atlas Leefomgeving geeft een goede indicatie van de achtergrondconcentraties ter plekke. Uit de kaarten blijkt da t de achtergrondconcentraties luchtvervuilende stoffen ter plaatse van het plangebied relatief laag te zijn. Ook liggen ze ver onder de grenswaar den. De cijfers zijn van 2019. Achtergrondconcentratie Grenswaarde Fijnstof PM 2,5 8-10 ug/m3 25 ug/m3 Fijnstof PM 10 15-17 ug.m3 40 ug/m3 Stikstofdioxide 12-14 ug/m3 40 ug/m3 Een algemene trend is evenwel dat de emissiefactoren van weg verkeer en de concentratie fijn stof al ja ren afnemen. Het RIVM verwacht dat dit ook in de komende jaren het ge val zal zijn. De blootstelling aan luchtverontreiniging in het plangebied is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's. Op grond van de Wet Luchtkwaliteit worden er binnen het plangebied geen grenswaarden overschreden ook zijn er geen dreigende grenswaardenoverschrijdingen. In het kader van dit bestemmingsplan worden er geen nieuwe ontwikkelingen of uitbreidingen mo gelijk gemaakt, die in betekenende mate lei den tot een verbetering of verslechtering van de luchtkwaliteit.
Zowe l vanuit de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt de luchtkwaliteit geen belemmering voor het bestemmingsplan. 28 4.5.3.2 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 29 4. 5.4 Bo d emk walit eit Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het be treffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er gezondheidsrisico's of ecologische risico's daardoor zijn en wa t de mogelijkheden zijn om er tijdig iets a an te doen. Hiervoor is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor ge volgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de ui tvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe best emming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschik t (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een dee l van) de bodem in het plangebied verontreinigd is, moet w orden aangetoond dat het bestemmingsplan, r ekening h oudend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Bodemonderzoeken mogen in de regel niet ouder dan 5 jaar zijn.
Uitzondering hierop z ijn plannen waar de bodem niet verdacht is op bodemverontr einiging en/of bodemonderzoeken de bodemkwa liteit vo ldoende weergeven en er geen onoverkomelijke problemen te ver wachten zijn bij de bestemmingsplanwijziging. Indien er sprake is van bouwactiviteite n, is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoe k naar de kwaliteit van de bodem nodig. Deze bodemonderzoeken mogen wettelijk niet ouder zijn dan 5 jaar. Volgens artikel 3.1.6 van het Besluit op de ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan onderzoek te worden verricht naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Er dient bepaald te worden of de aanwezige bodemkwaliteit past bij he t toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. 4.5.4.1 Onderzoek Het perceel Kerkweg 5 6 is bestemd voor bedrijfsdoeleinden, het f eitelijk gebruik voor woondoeleinden is niet in overeenstemming met he t geldend bestemmingsplan. In het voorliggend bestemmingsplan wordt het perceel Kerkweg 56 voorzien van een nieuwe bestemm ingsregeling. In de n ieuwe situatie verandert er niets aan de be bouwde si tuatie van het perceel Kerkweg 56. Er wordt niet gebouwd of g esloopt. Het feitelijke gebruik voor woondoeleinden wordt juridisch planologisch vastgelegd met een bestemmingsplanwijzigi ng van ‘Bedrijf’ naar ‘Wonen’.
Dit plan betreft de functiewijziging van de bestemming 'bedrijf' in de bestemming 'wonen'. Hierbij vinden geen bodemingrepen plaats. Dit plan voorziet niet in de bouw of sloop van gebouwen. Er vindt op het buitenterrein geen grondverzet plaats. Gelet op de gegevens in de Melding Besluit Opslag goederen (later overgegaan in het Activiteitenbesluit) uit 1999 en het contro lebezoek uit 2001 is aannemelijk dat op de locatie ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten geen bodembedreigende activiteiten he bben plaatsgevonden. Aangezien er geen bodemwerkzaamheden worden verricht en de feitelijke situatie op het perceel niet verander d, levert het aspect bodem geen belemmeringen op voor het voorliggend plan. 4.5.4.2 Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 30 4. 5.5 Bed rijv en en milie uzon ering Om bedrijfsvestigingen te kunnen toetsen op milieuhygiënische aspecten wordt het instrument milieu-zonering gehanteerd. Hieronder wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheid ing tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds hindergevoelige functies, zoals woningen. Algemeen wordt h iervoor de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten gebruikt. Hierin zi jn aan bedrijven milieucategorieën toegekend.
Per bedrijf is aangegev en wat de gewenste afstand is tot een rustige woonwijk. Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. De feitelijke emissies (geluid, geur, stof et cetera) van een bedrijf kunnen aanleiding zijn om een andere afstand aan te houden. In de VNG -uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ wordt een tweeta l gebiedstypen onderscheiden; ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is in gericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbeb ouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvi gheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren even eens tot het omgevings -type gemengd gebied. Hier kan de verhoogde mil ieubelasting voor bijvoorbeeld geluid de toepassing van kleinere richta fstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige vee houderijen, als het gaat om geurhinder.
Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoo rdelingskader met een indeling in twee categorieën. Voo r diercate - gorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbe lasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binn en een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur units per kubieke meter l ucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht. Op grond van de Wet geurhinder en veeho uderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per di er geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en • ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.