Ruimtelijke onderbouwing.pdf
Tekst van het document
P r o j e c t g e r e l a t e e r d 16 december 2020 BG1754TPRP2012160709 24 4 Omgevingsaspecten In dit hoofdstuk wordt het project gemotiveerd op de diverse, aan de orde zijnde omgevingsaspecten. Tot het project (en tot de motivering) behoren niet alleen de installatie(s), maar ook de inpassingsmaatregelen (singels, hekken, waterlopen). Tevens wordt rekening gehouden met bestaande en eventueel andere vormen van extensief (en indien mogelijk recreatief) medegebruik. 4.1 Milieuzonering In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Door middel van de milieuwet- en regelgeving wordt (milieu)hinder in woongebieden zo veel mogelijk voorkomen. Bedrijven en instellingen moeten voldoen aan de eisen van een AMvB, dan wel dienen een milieuvergunning te hebben voor de exploitatie van het bedrijf, waarbij men rekening moet houden met de omliggende woonbebouwing. Noodzakelijk is om aan te tonen dat een plan buiten de invloedssfeer van bedrijvigheid in de nabije omgeving valt. Tevens zal men moeten aantonen dat het plan geen belemmering vormt voor de nabijgelegen functies.
De publicatie “Bedrijven en milieuzonering” (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) hanteert de richtafstandenlijst voor milieubelastende activiteiten, zowel voor bedrijven als maatschappelijke instellingen als scholen en sportvoorzieningen. Afweging Normaliter kan men op basis van de publicatie van de VNG nagaan of een ruimtelijke ontwikkeling op voldoende afstand ligt van bijvoorbeeld woningen en dus de eventuele hinder binnen de aanvaardbare normen blijft. Een zonnepark vormt echter geen milieuhinderlijke bedrijfsactiviteit in termen van milieuzonering. Eventuele geluidhinder zou door transformatoren kunnen ontstaan. Het betreft transformatoren die vergelijkbaar zijn aan die in woonwijken. Voor transformatorstations (een buitengewoon conservatieve benadering van de te plaatsen transformatoren) geldt een te hanteren afstand van 30 m ten opzichte van een rustige woonwijk. Binnen een straal van 30 meter rondom het zonneveld zijn echter geen gevoelige functies aanwezig, de agrarische bedrijfswoningen en dichtstbijzijnde woning (op de Woldberg) liggen allemaal op grotere afstand. Conclusie Het project is uit het oogpunt van bedrijven en milieuzonering inpasbaar en uitvoerbaar. De in de buurt liggende woon- en bedrijfsfuncties vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Omgekeerd belemmert de voorgenomen ontwikkeling het functioneren van de omliggende functies niet. 4.2 Geluid Een zonnepark vormt een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Het zonnepark is een type A- inrichting. De inrichting valt daarmee onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit maar er is geen melding of omgevingsvergunning voor het onderdeel milieu nodig. Op voorhand kan worden geconstateerd dat deze inrichting geen relevante geluidbelasting veroorzaakt. Specifiek geluidsonderzoek is dan ook niet aan de orde. Een zonnepark is tevens geen geluidgevoelig object, waardoor onderzoek in het kader van de Wet geluidhinder achterwege blijft. In de omgeving van het zonnepark zijn geen andere (zodanige) geluidbronnen aanwezig waarvan het geluid door de zonnepanelen zou kunnen reflecteren naar bijvoorbeeld woningen. In de aanleg-/opruimfase worden in een korte periode de zonnepanelen met vrachtwagens aan- /afgevoerd en in de gebruiksfase zal er in verband met toezicht/onderhoud periodiek een onderhoudsbus naar het zonnepark rijden. Er zal zoveel mogelijk met elektrisch aangedreven machines gewerkt worden. P r o j e c t g e r e l a t e e r d 16 december 2020 BG1754TPRP2012160709 25 In paragraaf 4.8 is in het kader van de luchtkwaliteit een raming gedaan van de verkeersstroom door het zonnepark.
Op basis van experts view kan zonder berekening worden aangegeven dat de geluidsbelasting daardoor beperkt is en in alle fasen tijdelijk dan wel incidenteel van aard. Conclusie Het project is wat betreft geluidhinder inpasbaar en uitvoerbaar. 4.3 Water Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro is het verplicht om in de toelichting op ruimtelijke ontwikkeling een waterparagraaf op te nemen. Deze waterparagraaf doet verslag van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie, dat wil zeggen voor het grondwater en het oppervlaktewater. Analyse • Het project heeft een beperkte invloed op waterhuishouding in het gebied. De bestaande waterhuishoudkundige situatie verandert niet of nauwelijks. • Het regenwater van de zonnepanelen stroomt af omdat er een vrije ruimte tussen de zonnepanelen aanwezig is en zo kan het water infiltreren in de onderliggende grond. • Er wordt geen gesloten verharding aangelegd: het regenwater kan onbelemmerd infiltreren. Compensatie van verharding is daardoor niet aan de orde. • Binnen het zonnepark wordt een aantal bestaande sloten gedempt. Dit heeft geen negatieve gevolgen voor de afwatering (integendeel, het regenwater wordt langer vastgehoud en in het gebied). • Het plangebied ligt volgens de provinciale verordening 2017 in primair watergebied.
Deze gebieden kunnen vanwege hun natuurlijk lage ligging bij hevige neerslag onderlopen. Voor de aanleg van het zonnepark is dat geen belemmering aangezi en de panelen op stellingen staan en overige watergevoelige objecten verhoogd worden aangelegd. • De toe te passen zonnepanelen en constructies zijn gemaakt van niet-uitloogbare materialen. Overleg met het waterschap Over het planontwerp is op 19 december 2018 en 3 december 2019 met het waterschap gesproken. Het waterschap heeft beoordeeld dat het plan geohydrologisch geen negatieve effecten heeft. Met de wijzigingen die gaan optreden kan mogelijk het gemaal aan de Eesveenseweg vervallen (dit is echter geen onderdeel van het plan). In de fase van de civieltechnische uitwerking zal een watervergunning aangevraagd worden. Conclusie Gelet op het voorgaande is het project uit oogpunt van een goede waterhuishouding aanvaardbaar en uitvoerbaar. 4.4 Bodem Voor de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) besluit bodemkwaliteit. Gestreefd wordt naar een duurzaam gebruik van de bodem. Bij een ruimtelijk plan dient de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt.
Het uitgangspunt wat betreft de bodem in het plangebied is, dat de kwaliteit ervan zodanig moet zijn dat er geen risico's zijn voor de volksgezondheid bij het gebruik van het plangebied voor de voorgenomen functie en dat het de financiële haalbaarheid van het plan niet in gevaar brengt. Op basis van de gegevens van het Bodemloket worden ter plaatse geen ernstige verontreinigingen verwacht. Bij dit projectvoornemen gaat het om de bouw van een zonnepark dat wordt gevormd door bouwwerken, waar geen personen verblijven. Grootschalige bodemingrepen zijn niet aan de orde. Enkele bestaande P r o j e c t g e r e l a t e e r d 16 december 2020 BG1754TPRP2012160709 26 kavelsloten worden gedempt en enkele nieuwe watergangen gegraven. Binnen het project zal gestreefd worden naar een gesloten grondbalans. Bij eventuele aan- of afvoer van grond binnen het project zal indien nodig een melding binnen het Besluit Bodemkwaliteit worden gedaan en/of andere regels (bijvoorbeeld inzake PFAS) in acht worden genomen. Conclusie Het project is uit oogpunt van bodemkwaliteit uitvoerbaar. 4.5 Archeologie en cultuurhistorie Archeologie Door ondertekening van het verdrag van Malta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet zichtbare deel van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden.
De Monumentenwet en haar opvolger, de Erfgoedwet, regelen hoe met archeologische vindplaatsen en zichtbare monumenten moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij de planvorming te betrekken. De gemeente Steenwijkerland beschikt over een archeologische waarden- en beleidskaart welke op 22 januari 2008 is vastgesteld. Op deze kaart (welke hieronder is ingevoegd) zijn de gronden onder de aanduidingen 'Lage archeologische verwachting' (groen), 'Hoge archeologische verwachting' (oranje) en 'Archeologische waarde' (rood) gebracht. De archeologische monumenten zijn met een arcering aangeduid. De archeologische verwachtingswaarde geeft een indicatie van de mogelijke archeologische waarden in een gebied. Figuur 14. Archeologische beleidskaart gemeente Steenwijkerland (projectgebied ter hoogte van gele cirkel). Voor een deel van het projectgebied geldt op basis van de geldende beheersverordening de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. Deze dubbelbestemming is een vertaling van de in de archeologische waarden- en beleidskaart opgenomen aanduiding 'Hoge archeologische verwachting' (oranje). De dubbelbestemming bepaalt dat indien er bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500
P r o j e c t g e r e l a t e e r d 16 december 2020 BG1754TPRP2012160709 27 m2 buiten de bebouwde kom worden gebouwd, de desbetreffende aanvrager een aanvullend en/of definitief archeologisch rapport te worden overgelegd waarin, naar het oordeel van het bevoegd gezag: a) de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld en b) in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard of gedocumenteerd, dan wel: c) in voldoende mate is aangegeven dat de archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, dan wel niet (meer) aanwezig zijn. Overweging Het uitvoeren van archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Het plangebied grenst aan een al onderzocht gebied. De conclusie uit dat onderzoek, inhoudende dat het plangebied te te nat is om geschikt te zijn voor bewoning, geldt ook voor de voorliggende locatie. Er is een kans op het voorkomen van overdekte zandkoppen, met daarop wellicht resten van menselijke bewoning uit de steentijd. Het advies uit 2003 is om de uit te voeren werkzaamheden archeologisch te begeleiden. De werkzaamheden bestonden toen uit het verwijderen van de bouwvoor en veenlagen. Bij de aanleg van het zonnepark is er geen sprake van het weghalen van de bouwvoor en/of veenlagen. De panelen worden geplaatst op palen.
Het plaatsen van de palen vormt een zeer kleine verstoring van een eventuele aanwezige archeologische vindplaats. Een zonnepark is tijdelijk. De verwachtte levensduur is circa 25 jaar. Na de exploitatietermijn worden de opstellingen met zonnepanelen en de bekabeling verwijderd. Daarmee vinden ten opzichte van de realisatiefase geen bodemverstorende werkzaamheden plaats. Cultuurhistorie Als gevolg van het rijksbeleid ten aanzien van de monumentenzorg, is per 1 januari 2012 een wijziging van het Bro van kracht. De wijziging betreft artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a, als gevolg waarvan alle cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk dienen te worden meegewogen bij het vaststellen van ruimtelijke plannen. Dit betekent dat in aanvulling op de archeologische aspecten nu ook de overige cultuurhistorische waarden moeten worden betrokken in het onderzoek. Om inzicht te krijgen in mogelijke archeologische waarden in het projectgebied is de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel geraadpleegd. Zoals reeds in hoofdstuk 2 besproken, maakt het projectgebied voornamelijk deel uit van het type veenontginningslandschap. De invloeden van deze veenontginning zijn nog zichtbaar in de opstrekkende strokenverkaveling, waarin kavels van elkaar zijn afgescheiden door sloten en houtwallen.
Ook zijn de smalle strokenverkaveling, de lintvormige bebouwing en de aanwezigheid van een achterkade, zijkaden en leidijken kenmerkend voor de veenontginning. Het landschap wordt nu nog gedomineerd door houtwallen die de langgerekte strokenverkaveling markeren. De geraadpleegde cultuurhistorische waardenkaart geeft voor het projectgebied geen specifieke cultuurhistorisch waardevolle kenmerken. Uiteraard bezit het gebied bepaalde landschappelijke kenmerken die verwijzen naar historisch gebruik. Deze kenmerken en de wijze waarop er in dit project mee wordt omgegaan, zijn reeds uitvoerig beschreven in paragraaf 2.3 van deze ruimtelijke onderbouwing. Conclusie Gelet op het bovenstaande is project op het aspect cultuurhistorie uitvoerbaar. P r o j e c t g e r e l a t e e r d 16 december 2020 BG1754TPRP2012160709 28 4.6 Ecologie Het project is getoetst aan de Wet natuurbescherming door een natuurtoets uit te voeren. De resultaten zijn beschreven in de rapportage "Natuurtoets zonnepark Eeserwold"2. Hierna zijn de conclusies weergegeven. Resultaten natuurtoets In deze natuurtoets zijn de mogelijke effecten van realisatie en gebruik van het zonnepark Eeserwold op beschermde natuurwaarden beschreven. De conclusies zijn als volgt: • Met behulp van de nieuwe Aerius-calculator is het project doorgerekend.
Om dat voldaan wordt aan 0,00 mol N/ha/j is verder geen ecologische beoordeling meer nodig. • Andere storingsfactoren dan stikstof reiken minder ver en hebben geen negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. • In het projectgebied en de directe omgeving kunnen broedende (weide)vogels voorkomen. Verstoring van broedende vogels moet voorkomen worden door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Het broedseizoen loopt globaal van 1 maart t/m 15 juli (afhankelijk per soort en klimatologische omstandigheden). • Er is een in gebruik zijnde dassenburcht (hoofdburcht) aanwezig op het voormalige erf. Daarnaast is er naar alle waarschijnlijkheid een verblijfplaats van steenmarter op het voormalige erf aanwezig. Het er f valt buiten het plangebied. Om (onnodige) verstoring van dassen en steenmarters te voorkomen moeten de werkzaamheden bij daglicht (tussen zonsopkomst en zonsondergang) worden uitgevoerd. Daarnaast mogen geen werkzaamheden plaatsvinden op het voormalige e rf (dus ook geen opstelplaatsen voor materieel of draaipunt voor voertuigen). • Het zonnepark dient bereikbaar te blijven voor zoogdieren om te foerageren en te passeren. • De projectlocatie is op ruime afstand van het Natuurnetwerk Nederland gelegen en heeft daarom geen invloed op het NNN.
Conclusie Gelet op de bovenstaande resultaten is het project uit het oogpunt van natuurbescherming uitvoerbaar met in achtneming van de genoemde voorzorgsmaatregelen. Opgemerkt wordt dat ten aanzien van gebiedsbescherming de conclusies uit de Aerius-berekening in beginsel ook van toepassing zijn op de opruimfase. Om het panelenveld te verwijderen (en eventueel een watergang terug te graven) zal niet meer voertuig- en machine-inzet nodig zijn dan voor de aanleg. Tevens mag verwacht worden dat voertuigen machines tegen die tijd aanmerkelijk schoner en elektrisch aangedreven zullen zijn. 4.7 Externe veiligheid Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Voor inrichtingen is dit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), voor transportroutes het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en voor hogedruk aardgastransportleidingen het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen het beleidskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
2 Natuurtoets zonnepark Eeserwold, Royal HaskoningDHV met kenmerk BG1754TPRP2012160709 15 december 2020 P r o j e c t g e r e l a t e e r d 16 december 2020 BG1754TPRP2012160709 29 Overweging Een zonnepark is geen kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object in de zin van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (er zijn geen personen aanwezig). Daarnaast ligt het geprojecteerde zonnepark ver buiten in de invloedssfeer van risicovolle objecten of gebieden in de omgeving (zie figuur 15, waarin in rood het projectgebied bij benadering is aangegeven). Een zonnepark is geen risicovolle inrichting. Figuur 15. Uitsnede Risicokaart Overijssel (projectgebied binnen rode vlak). Conclusie De conclusie is dat uit het oogpunt van externe veiligheid er geen belemmeringen aan de orde zijn, waardoor het project op dit aspect uitvoerbaar is. 4.8 Luchtkwaliteit Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur.
Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. De ministerraad heeft op voorstel van de voormalige minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 μg/m³ NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd.
P r o j e c t g e r e l a t e e r d 16 december 2020 BG1754TPRP2012160709 30 Het project gaat in de gebruiksfase niet gepaard met verbranding van (fossiele) brandstoffen. Ook is er geen sprake van een significante verkeersaantrekkende werking. In de gebruiksfase vindt incidenteel verkeer plaats die samenhangt met het beheer en onderhoud van de zonneparken. Er vinden verkeersbewegingen plaats in de aanlegfase. Deze bestaan uit: a. vrachtverkeer vanwege de levering van de panelen en stellages; b. vrachtverkeer vanwege de levering van overige installaties, leidingen, hekwerken en vanwege grondverzet (watergangen); c. normaal verkeer in verband met aanleg en montage enz. Daarbij wordt benadrukt dat genoemde verkeersbewegingen van tijdelijke aard zijn. Voor de berekening wordt uitgegaan van een reëel haalbare (minimale) aanlegperiode van 50 werkdagen. Vrachtverkeer ad a. Circa 58.000 panelen / 700 panelen per vrachtauto = 83 vrachtauto's. 83 vrachtauto's / 50 dagen x 2 bewegingen (heen en weer) = 3,31. Afgerond: gemiddeld 4 vrachtautobewegingen per dag. Vrachtverkeer ad b. Dit aantal is op voorhand niet exact te bepalen, maar reëel is een om het gemiddelde ad a. ook hiervoor aan te houden, dus aanvullend 4 vrachtautobewegingen per dag gemiddeld. Normaal verkeer ad c.
Reëel is om uit te gaan van 50 ter plaatse werkzame personen per dag, van gemiddeld 1,5 personen per auto en van twee bewegingen per auto. 50 / 1,5 x 2 = gemiddeld 67 autobewegingen per dag. Voor de berekening in de NIBM-tool wordt daarom uitgegaan van: • 75 voertuigbewegingen per etmaal; • waarvan 12% vrachtverkeer. Conclusie Gelet op het bovenstaande leidt het project niet tot een verslechtering van de (lokale) luchtkwaliteit (in betekenende mate). De conclusie is dat het project op het aspect (lokale) luchtkwaliteit uitvoerbaar is.
P r o j e c t g e r e l a t e e r d 16 december 2020 BG1754TPRP2012160709 31 4.9 Milieueffectrapportage In bijlage C en D van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast moet het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Realisatie van projecten met zonne-energie worden niet in het Besluit milieueffectrapportage genoemd. Zonneparken staan als zodanig niet op de D-, of C-lijst. Wel zijn er twee activiteiten op de D-lijst waar een zonnepark onder zou kunnen vallen: • D9: Een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan; • D11.2: Een stedelijk ontwikkelingsproject; • D22.1: De oprichting, wijziging of uitbreiding van een industriële installatie bestemd voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water. Er is geen sprake van een landinrichting als bedoeld in de Wet inrichting landelijk gebied.
De ontwikkeling van een zonnepark wordt niet onder categorie D9 geschaard, behalve in het geval dat een zonnepark onderdeel uitmaakt van een groter landinrichtingsproject. Er is ook geen sprake een functiewijziging van in het landelijk gebied (de agrarische akker is met zonnepark nog steeds een akker). Ook de landschappelijke inpassings- en inrichtings-maatregelen (aanleg groen, dempen en graven water) zijn niet van zodanige aard en omvang dat sprake is van een mer-plichtig project als bedoeld in categorie D9 van het Besluit. Gelet op landelijke ligging van het zonnepark is hier geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. Opgemerkt wordt dat de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State heeft aangegeven dat voor de aanleg van een zonnepark geen vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is (jurisprudentie 19-09-2018 ECLI:NL:RVS:2019:2770). De Afdeling bevestigt dat een zonnepark (als het onderhavige) geen landinrichtingsproject (D-9) en geen stedelijk ontwikkelingsproject (D-11.2) is. Maar een zonnepark, zo oordeelt de Afdeling, is evenmin een industriële installatie bestemd voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water (D-22.1). De Afdeling motiveert waarom de onderliggende mer-richtlijn niet ziet op zonneparken.
De mer-richtlijn (bijlage I, onder 2, en bijlage II, onder 3) en D-22.1 van het Besluit mer, gaan over industriële (verbrandings-)installaties waarbij een brandstof wordt ingezet en op thermische centrales. Bij zonneparken wordt geen brandstof ingezet. Verder is er geen sprake van opwekking van thermische energie, maar wordt stralingsenergie (zonlicht) rechtstreeks omgezet in elektrische energie. Conclusie Gelet op de kenmerken en ligging van het project en de aard van de milieueffecten (zeer beperkt), wordt geconcludeerd dat er geen aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling. 4.10 Reflectie en duisternis Zonnepanelen worden vaak in verband gebracht met reflectie van licht. Moderne zonnepanelen hebben echter niet veel reflecties om de eenvoudige reden dat licht dat gereflecteerd wordt niet effectief is voor het opwekken van elektriciteit. Het percentage reflecties gaat om 3 à 5% bij een normale lichtinval. De reflecties (voor zover nog aanwezig) hangen daarbij af van de locatie (stand en hoogte spiegelend vlak) P r o j e c t g e r e l a t e e r d 16 december 2020 BG1754TPRP2012160709 32 en de stand van de zon (de tijd en de tijd van het jaar). De hoek van de invallende lichtstraal bepaalt de hoek van de uitvallende lichtstraal. Hoe steiler de helling van de panelen, hoe groter de kans op hinder.
Wanneer de panelen vrij vlak (35 graden of minder) worden opgesteld, gaat de reflectie omhoog. Dan is er voor de omgeving geen hinder door reflectie. Logischerwijs is achter de zonnepanelen (noordzijde) ook geen sprake van een spiegelend effect. De zonnepanelen op deze locatie worden gerealiseerd in een hellingshoek van 10 tot 15 graden. Hinder door reflectie is bij de gekozen opstelling daarom niet te verwachten. Opgemerkt wordt dat het park geen hinder veroorzaakt voor vliegverkeer (ligt niet in een laagvliegroute). Conclusie Met betrekking tot duisternis kan worden opgemerkt dat het project geen lichtuitstraling veroorzaakt. Er is op het terrein geen sprake van verlichting. 4.11 Magnetische velden Zowel bij de omvormers als de transformatoren zullen extreem laagfrequente elektromagnetische velden (ELF) vrijkomen. Ten aanzien van elektromagnetische straling bij hoogspanningsmasten hanteert de overheid een voorzorgprincipe waarbij een grens wordt aangehouden van 0,4 micro Tesla (μT). De GGD- en adviseren om ook bij ander bronnen van ELF-EM velden, zoals transformators, dit voorzorgsprincipe te hanteren.
Vandaar het advies om dit voorzorgsprincipe ook te hanteren bij de ontwikkeling van een zonnepark door de afstand van een zonnepark tot woningen en gevoelige bestemmingen zodanig te laten zijn dat de magnetische veldsterkte bij de gevoelige bestemmingen niet boven de advieswaarde van 0,4 μT komt. Dit wordt hoofdzakelijk gedaan door een zonnepark intern te zoneren. Transformatoren en omvormers zijn gepositioneerd in het midden van velden. Gezien de relatief grote afstand van zowel omvormers als de transformatoren tot de randen van het zonnepark en het zonnepark tot de dichtstbijzijnde woningen (zie ook paragraaf 4.1.) zijn magneetvelden van 0,4 μT op woningen door het zonnepark uitgesloten. Conclusie Het project is uit oogpunt van voldoende bescherming tegen elektromagnetische straling uitvoerbaar. P r o j e c t g e r e l a t e e r d 16 december 2020 BG1754TPRP2012160709 33 5 Procedure en uitvoerbaarheid 5.1 Procedure Artikel 3.1.1 van het Bro en artikel 6.18 van het Bor verplicht om bij de voorbereiding van een omgevingsvergunning overleg te voeren met het Rijk, de provincie en het waterschap. Dit overleg is vormvrij en de betreffende instanties kunnen ook aangeven wanneer overleg niet nodig is. Burgers en maatschappelijke instanties worden tijdens de termijn van terinzagelegging van het ontwerpbesluit in de gelegenheid gesteld hun zienswijze kenbaar te maken.
5.2 Participatie / overleg met de omgeving Voor het betrekken van de omgeving bij de voorfase en het ontwerp van het zonnepark zijn een aantal bijeenkomsten en gesprekken gevoerd met bewoners en belanghebbenden in de afgelopen drie jaren. Het Participatieverslag geeft de werkwijze en de uitkomsten van de gesprekken met bewoners en organisaties uit de omgeving weer. De verslaglegging van de voorfase en de voorbereiding van de aanvraag omvat een aantal notities die geanonimiseerd worden opgenomen in het Participatieverslag. Het Participatieverslag wordt als apart document bij de aanvraag ingediend. Informatie momenten Het project is vanaf 2017 in ontwikkeling, eerst als ‘zon op water’ en later bijgesteld naar ‘zon op land’. Het feit dat nog niet alle woonhuizen van de Woldberg, waar de dichtstbijzijnde woningen zijn gevestigd, zijn gebouwd en de wijziging van de projectontwikkelaar, heeft in de voorfase geleid tot verschillende informatiemomenten voor toenmalige bewoners en toekomstige kopers. Tot op heden zijn er nog steeds nieuwe kopers op komst, die zodoende op een later tijdstip geïnformeerd zijn of worden. Vanuit de projectontwikkelaar De Woldberg B.V. worden de nieuwe kopers geïnformeerd over het zonnepark. In 2018 zijn er twee bijeenkomsten georganiseerd voor de bewoners van Eesveen.
In overleg met de Stichting Dorpsbelang Eesveen De Bult zijn gesprekken gestart over de mogelijke uitvoering van landschapsbeheer. Er is een brief aan omwonenden gezonden met de aanbieding om zonnepanelen tegen inkoopsprijs of een financieel aanbod. Er zijn meerdere persoonlijke gesprekken met omwonenden gevoerd. Het projectgebied is gewijzigd van 36 ha naar 23.1 ha. De aanvraag omgevingsvergunning voor het tijdelijk afwijken van de agrarische bestemming is op 24 juni 2019 ingediend. De gesprekken met Stichting Dorpsbelang Eesveen de Bult zijn voortgezet. Op een Open kaveldag van “Landgoed de Woldberg” heeft GroenLeven informatie over het zonnepark verstrekt. Overleggen met provincie en gemeente hebben in 2020 geleid tot een aanvulling op het rapport Ruimtelijke onderbouwing van het zonnepark. In de raadsvergadering van 4 juni 2020 is door een aantal bewoners bezwaar kenbaar gemaakt. Hierop heeft de raad het onderwerp van de agenda gehaald. Op 9 juli 2020 is een inloopavond georganiseerd met uitleg en informatie. Vervolgens is een verslag en een notitie met beantwoording van vragen opgesteld. In het najaar van 2020 zijn een dertigtal persoonlijke gesprekken gevoerd met omwonenden van het zonnepark. Er is een brief aan omwonenden rondgezonden met informatie over de regeling rondom planschade en een aanbod voor zonnepanelen.
Eind oktober heeft een online bijeenkomst plaatsgevonden. Het verslag, de presentatie en een Vraag-en Antwoordlijst (zie bijlage Participatieverslag) is rondgezonden aan alle betrokkenen. Informatie over de laatste stand van zaken van het zonnepark is eind november in de Steenwijkercourant geplaatst. P r o j e c t g e r e l a t e e r d 16 december 2020 BG1754TPRP2012160709 34 In december 2020 is het participatieverslag afgerond en aan de gemeente gezonden. Op de website van Groenleven is een webpagina voor het project Eeserwold beschikbaar met informatie over het project. https://groenleven.nl/zonnepark-eeserwold Wijzigingen naar aanleiding van de reacties Naar aanleiding van de reacties van bewoners zijn de volgende wijzigingen in het ontwerp van het zonnepark aangebracht: • Aanpassing van de begroeiing op de wal met wilgenstruweel (vervangt de rietzoom), aan de zijde van de Eesveenseweg; • Aanpassing van de pluktuin en wandelpad en wandelpad naar beplanting met ‘bosplantsoen’; • Het kijkpunt wordt zodanig ingericht dat men alleen richting het zonneveld kan kijken (richting woonwijk zal afscherming plaatsvinden); • Nader onderzoek om inwoners van Steenwijkerland de gelegenheid te geven om financieel te participeren in het project: o Het voorstel om een postcoderoosproject op te starten, dit is mogelijk als er een lokale energie coöperatie wordt gevormd.
o Mocht er geen postcoderoosproject gerealiseerd (kunnen) worden dan is het voorstel om financiële participatie mogelijk te maken via ZonnepanelenDelen. Zo participeer je dan in ZonneDelen van zonne-energieprojecten. Je krijgt hierbij jaarlijks rendement uitgekeerd op basis van de productie van het zonne-energieproject - hetzelfde principe als dat je zelf de zonnepanelen op jouw dak hebt. Daarnaast wordt de eigen investering weer volledig afgelost, net zoals bij een obligatie. Conclusie Uit de bijeenkomsten en gesprekken met de bewoners van De Woldberg kan geconcludeerd worden dat er weinig draagvlak is voor het project bij hen, zij willen geen zonnepark naast hun woonwijk. De Stichting Dorpsbelang Eesveen de Bult heeft aangegeven dat zij geen standpunt innemen omdat er zowel bewoners voor als tegen het zonnepark zijn. Omwonenden aan de Eesveenseweg hebben hun bezorgdheid uitgesproken over de eventuele zichtbaarheid van het zonnepark. Zij hebben aangegeven dat hun bezwaren ondervangen kunnen worden door de begroeiing rondom het park hoger te maken en daarmee de zichtbaarheid te verminderen. Bovendien zou een redelijke planschadevergoeding ook bijdragen aan het verminderen van hun bezwaren. Aan deze bezwaren is tegemoet gekomen door de landschappelijke inpassing aan te passen.
Tevens is in een brief aan bewoners een aanbieding voor de planschade inclusief het maatschappelijk risico van 2% gedaan. Hiermee kan aan de bezwaren tegemoet gekomen worden. 5.3 Economische uitvoerbaarheid Er zijn geen gemeentelijke kosten (met uitzondering van de kosten voor het in procedure brengen van de omgevingsvergunning) aan het plan verbonden. De kosten die de gemeente Steenwijkerland maakt voor de procedure kunnen worden gedekt uit de leges. Met de gemeente wordt een anterieure overeenkomst afgesloten die ingaat op de vergoeding van planschade, de realisatie van de bij de bij het project behorende inrichtingsmaatregelen en de uitvoering van de omgevingsbijdrage. Gelet op de aard (geen gebouw) en omvang van het voornemen kan een exploitatieplan achterwege blijven. De kosten voor de uitvoering van het voornemen en daarmee samenhangende kosten komen voor rekening van de initiatiefnemer. P r o j e c t g e r e l a t e e r d 16 december 2020 BG1754TPRP2012160709 35 5.4 Crisis- en herstelwet, zienswijzen en beroep Sinds 25 april 2013 heeft de Crisis- en herstelwet (Chw) een permanent karakter gekregen. Voor deze omgevingsvergunning is deze wet relevant. In Bijlage I bij de Chw is een aantal categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten opgenomen. Eén daarvan is "Duurzame energie".
Als een project onder één van de (sub)categorieën (en de bijbehorende voorwaarden) valt, dan is voor alle besluiten en dus ook besluiten op grond van de Wabo de stroomlijning van procedures voor projecten van afdeling 2, hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing (onder meer de toepassing van het relativiteitsbeginsel bij het beoordelen van beroepsgronden). Na kennisgeving en terinzagelegging van de ontwerp omgevingsvergunning (inclusief deze ruimtelijke onderbouwing) kan iedereen een zienswijze op het betreffende ontwerpbesluit indienen (art. 3.12 lid 5 Wabo). Daarna kunnen alleen belanghebbenden die een zienswijze hebben ingediend, bezwaar maken en in beroep gaan. Na publicatie en terinzagelegging van de verleende omgevingsvergunning kan een belanghebbende in beroep bij de Rechtbank. Na de beroepsprocedure bij de Rechtbank staat hoger beroep open bij de Raad van State. P r o j e c t g e r e l a t e e r d 16 december 2020 BG1754TPRP2012160709 36 6 Conclusies In voorliggende ruimtelijke onderbouwing is de voorgenomen bouw van het zonnepark getoetst aan het ruimtelijk beleid en wet- en regelgeving ten aanzien van relevante sectorale aspecten.
Uit de toetsing blijkt het volgende: • de beoogde ontwikkeling is niet in strijd met het rijks-, provinciaal en gemeentelijk ruimtelijk beleid; • de beoogde ontwikkeling past binnen de bestaande ruimtelijke en functionele structuur; • Het landschapsontwerp vormt een verbeelding van de wenssituatie. De inrichting biedt een kansrijke uitwerking om te komen tot een zonnepanelenpark ten noorden van Steenwijk. Het landschappelijk inpassingsplan volgt in belan grijke mate het vigerende beleid van gemeente en provincie. Het landschap blijft open, randen worden minder nadrukkelijk zichtbaar door afkadering met grondlichaam van minimaal benodigde hoogte of groeninrichting op veendijken. Panelenvelden volgen de oorspronkelijke kavelrichting en grenzen; • ook de diverse andere omgevingsaspecten staan de uitvoering van het project niet in de weg; • er is sprake van een economisch uitvoerbaar project; • er is uitvoerig overleg gevoerd met omwonenden en andere belanghebbenden; • het project levert een bijdrage aan de ambities met betrekking tot het opwekken van duurzame energie.