Ontwerpomgevingsvisie Steenwijkerland 2025
Tekst van het document
23 3.2.3 Op de grens van het Oude en Nieuwe Land 3.2.3.1 Deelgebiedskaart 3.2.3.2 Identiteit en kernkwaliteiten Het gebied ‘Op de grens van het Oude en Nieuwe Land’ vormt de overgangszone tussen het 'oude land' langs de historische Zuiderzeekust en het 'nieuwe land' van de Noordoostpolder, drooggelegd in de 20e eeuw. Het gebied weerspiegelt een rijke geschiedenis van natuurlijke processen en menselijke ingrepen. De vorming van de Zuiderzee en de inpoldering (1937 -1942) transformeerden dit ooit welvarende kustgebied met havenstadjes tot een landinwaarts gelegen gebied met verdrogingsproblemen door het ontbreken van een randmeer. Dit unieke landschap draagt sporen van veenontginningen, heeft een maritiem verleden en heeft een abrupte overgang naar polderland. Steenwijkerland lag ooit aan de Zuiderzee. Dit gebied was toen de kust, een overgangszone tussen land en water. Klei en zand werden over elkaar en over veenmoerassen afgezet. Het veen in het achterland klonk door ontginning in, en kwam lager te liggen terw ijl de zeespiegel steeg. Om het land te beschermen werd de Zuiderzeedijk aangelegd. Er ontwikkelden zich Zuiderzeestadjes: Vollenhove, Blokzijl en Kuinre. In 1918 werd de Zuiderzeewet aangenomen, waarmee werd besloten tot de aanleg en inpoldering van de Zu iderzee tot de IIsselmeerpolders.
Quote participatietraject: “Het is hier echt mooi, met natuur, landbouw en toerisme, maar je merkt wel dat die balans begint te schuiven.”
24 Hierdoor veranderde het karakter van het gebied: de stadjes lagen niet langer aan zee. Doordat het veen is ingeklonken, is de voormalige zeekust een hoger gelegen zone in het landschap geworden. Dit gebied kenmerkt zich nu door een open landschap met een uitgesproken agrarisch karakter. De door het gebied slingerende en nog steeds herkenbare voormalige Zuiderzee dijk markeert de grens tussen het Oude en Nieuwe Land. Ook nog aanwezig in het landschap zijn een groot aantal kolken, restanten van dijkdoorbraken. De grens van Steenwijkerland ligt aan de westzijde van de dijk, waardoor ook een klein deel van het nieuwe land in de gemeente ligt. Het hoofdgebruik van dit deelgebied is agrarisch. Daarnaast zijn er verspreid ook de functies wonen, recreatie, natuur en niet-agrarische bedrijvigheid te vinden. Het open landschap van dit gebied is van belang voor weidevogels. 3.2.3.3 Ambitie Een klimaatbestendig, leefbaar en economisch vitaal gebied met een duurzaam agrarisch toekomstperspectief en een zorgvuldige inpassing van wonen, recreatie en natuur. 3.2.3.4 Richting voor de toekomst a) Er is ruimte voor de doorontwikkeling naar een innovatieve en circulaire landbouw sector, waarbij economische rendabiliteit hand in hand gaat met natuurbehoud, leefbaarheid en landschapskwaliteit.
b) We zetten in op het behoud van bestaande agrarische bedrijven en stimuleren multifunctionele landbouw. Initiatieven voor schaalvergroting buiten het bouwvlak moeten aansluiten bij de kernkwaliteiten en het water- en bodemperspectief van het gebied 'Op de g rens van het oude en nieuwe land', dit vraagt om zuinig ruimtegebruik en een zorgvuldige afweging. c) Vrijkomende erven kunnen een andere functie krijgen, zoals voor nieuwe woonfuncties of voor toeristische functies. We houden hierbij rekening met een toekomstbestendig agrarisch perspectief van het gebied. d) Bij ontwikkelingen houden we de beleving van de oude Zuiderzeedijk in stand. Hierdoor blijft het contrast tussen het oude en nieuwe land beleefbaar, en daarmee ook de geschiedenis van dit landschap. e) De entreekernen naar ons Nationaal Park Nieuwe Stijl binnen dit deelgebied, de kernen Kuinre, Blokzijl en Vollenhove, zetten we gerichter in voor het stimuleren van verblijfsrecreatie en het beleven van het gebied, mede gelet op de goede bereikbaarheid over provinciale wegen en de mogelijke aanleg van de Lelylijn. f) Bij ontwikkelingen houden we rekening met de weidevogelgebieden en andere natuurwaarden. Ontwikkelingen passen binnen dat kader. We houden rekening met het streven naar grotere aaneengesloten weidevogelgebieden met actief weidevogelbeheer om de grutto en andere soorten weidevogels te beschermen.
g) We streven naar een agrarisch grondgebruik dat past in een gezonde leefomgeving , voor inwoners en recreanten. Op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voor met name lelieteelt zijn we kritisch. h) Het rijke cultuurhistorisch erfgoed, met de voormalige Zuiderzeestadjes, de oude Zuiderzeedijk en de kolken, vormt een uitstekende basis voor de ontwikkeling van duurzaam erfgoedtoerisme. Het verbinden van deze toeristische elementen, het uitbreiden van he t recreatieve aanbod in de kernen en de ontwikkeling van de voormalige Zuiderzeedijk als bloemrijk lint door het landschap, kan de aantrekkelijkheid van de regio als toeristische en ecologisch waardevolle bestemming vergroten. i) Door in te zetten op bezoekers die geïnteresseerd zijn in cultuur en natuur kan een duurzame vorm van toerisme worden ontwikkeld. Het verbeteren van de kwaliteit en toegankelijkheid van jachthavens en het ontwikkelen van belevingsconcepten langs het water bieden eveneens mogelijkheden. Daarnaast kan de herbestemming van vrijkomende agrarische bebouwing voor recreatieve doeleinden een nieuwe dynamiek in het gebied creëren. j) We houden rekening met de noodzaak om op termijn het weglekken van (grond)water naar de lager gelegen gronden van het nieuwe land en de grote veenpolder in Friesland te beperken.
Dit betekent onder andere dat we bij initiatieven voor nieuwbouw of uitbreiding van bestaande bebouwing initiatiefnemers informeren over de keuzes die voorliggen in het kader van de veenweidestrategie.
25 3.2.3.5 Toelichting ad a. Het rapport Bouwstenen Veenweidestrategie 2.0 biedt inzicht in mogelijke keuzes of ‘structurerende maatregelen’ om de bestaande problemen met bodemdaling en veenoxidatie in het gebied aan te pakken. Door te investeren in circulaire en natuurinclusieve landbouw ontstaat ruimte voor economische rendabiliteit en herstel van bodem en waterkwaliteit. ad b. We willen dat het platteland leefbaar en vitaal blijft. Daarbij hoort een robuuste grondgebonden agrarische sector die zorgt voor voedselproductie, beheer van het landschap, maatschappelijke diensten, en bredere werkgelegenheid. De agrarische sector in het gebied 'Op de grens van het oude en nieuwe land' zal zich moeten doorontwikkelen om zich aan te kunnen passen aan de huidige en toekomstige milieueisen op het gebied van met name natuur (weidevogels), stikstof, klimaat en veenweide. We zien daarbij kansen in multifunctionele landbouw. Boeren combineren de productie van voedsel en grondstoffen met andere diensten aan de samenleving, zoals natuurbeheer, recreatie en zorglandbouw. Dit is goed voor de economische vitaliteit van de bedrijven, maar ook goed voor een (be)leefbaar duurzaam platteland. Doorontwikkeling (zowel in de primaire productie als in de verbreding) kan gepaard gaan met schaalvergroting. Met initiatieven voor nieuwe bebouwing of activiteiten buiten het bouwvlak gaan we zorgvuldig om.
Deze moten aansluiten bij de kernkwaliteit en perspectief van het gebied. De kernkwaliteit van het gebied 'Op het oude en nieuwe land' is de wijdsheid en cultuurhistorisch waardevolle verkaveling. Het perspectief voor water en bodem is dat water moet worden vastgehouden, om verbranding van het veen en verdroging van de natuur in de Weerribben te voorkomen. De provincie stelt dit perspectief vast met de actualisatie van het beheerplan Natura2000 en de Veenweidestrategie 2.0. De nieuwe ontwikkeling mag geen afbreuk doen aan deze kernkwaliteiten en perspectief. Dit staat los van de kwaliteitimpuls die wordt gevraagd. ad c. Er wordt meer leegstand van agrarische bebouwing verwacht. Herbestemming naar wonen of recreatie is kansrijk, mits het toekomstperspectief van de landbouw behouden blijft en ruimtelijke kwaliteit wordt geborgd. ad d. Het behoud van het open karakter van het polderlandschap en het zicht op de oude Zuiderzeedijk is essentieel voor het beleefbaar houden van het cultuurhistorische contrast tussen oud en nieuw land. Dit draagt bij aan de identiteit van het gebied en versterkt de landschappelijke samenhang. ad e. Het verbeteren van verbindingen tussen bestaande recreatieve voorzieningen en het toevoegen van nieuwe, onderscheidende recreatieve functies in de kernen draagt bij aan de aantrekkelijkheid van het gebied.
De ligging aan provinciale wegen en de mogelijke komst van de Lelylijn versterken dit potentieel. ad f. Weidevogelgebieden staan onder druk door verdroging. Actief weidevogelbeheer en het streven naar grotere aaneengesloten weidevogelgebieden zijn noodzakelijk om soorten als de grutto te beschermen. ad g. We streven naar agrarisch grondgebruik dat past in een gezonde leefomgeving. Gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, met name bij lelieteelt, wordt kritisch bekeken. Inwoners maken zich zorgen over gezondheidsrisico’s; we volgen richtlijnen van Rijk en provincie en sturen bij op basis van nieuwe inzichten. Op gemeentelijke pachtgronden staan we geen bollenteelt toe.
26 ad h. Het cultuurhistorisch erfgoed, zoals de voormalige Zuiderzeestadjes, de kolken en de Zuiderzeedijk, biedt kansen voor duurzaam toerisme. Door deze elementen te verbinden en te versterken ontstaat een ecologisch en recreatief waardevolle bestemming. ad i. Bezoekers met interesse in cultuur en natuur kunnen bijdragen aan een duurzame toeristische ontwikkeling. Herbestemming van agrarische bebouwing en het verbeteren van jachthavens en belevingsconcepten langs het water zorgen voor nieuwe dynamiek. ad j. Het weglekken van (grond)water van het oude naar het nieuwe land is een probleem, omdat dit in perioden van langdurige droogte het proces van veenoxidatie op het oude land versnelt. Veenoxidatie leidt tot bodemdaling (met verzakkingen van wegen, riolering en mogelijk ook gebouwen tot gevolg) en uitstoot van CO2 (een broeikasgas dat bijdraagt aan de klimaatverandering). Het weglekken van het (grond)water wordt veroorzaakt door het verschil in peil tussen het oude land en het enkele meters lager gelegen nieuwe land, dat grotendeels gelegen is in de gemeente Noordoostpolder. De intensieve ontwatering voor de landbouw hier versterkt dit effect.
Om de schade te beperken is aanvoer van ‘vreemd’ IJsselmeerwater nodig om het veen vochtig te houden, een situatie die steeds lastiger wordt bij toenemende droogte/toename van het aantal droge zomers en druk op de zoetwaterbuffer van het IJsselmeergebied. De in beeld gebrachte ‘structurerende maatregelen’ om het weglekken van (grond)water van het oude naar het nieuwe land te remmen, hebben impact op het toekomstig gebruik van de ruimte hier. Door initiatiefnemers te informeren over de keuzes die voorliggen, willen we ondernemers hierover informeren zodat ze dit mee kunnen nemen in de overweging al dan niet te gaan investeren. Naar verwachting nemen Provinciale Staten eind 2026 een besluit over de structurerende maatregelen.
27 3.2.4 Slagenlandschap zonder Veen 3.2.4.1 Deelgebiedskaart 3.2.4.2 Identiteit en kernkwaliteiten Het Slagenlandschap zonder Veen ligt aan de oostzijde van de gemeente en is van oorsprong een nat landschap. Waar de veenlaag verdwenen is, kunnen de gronden nu tamelijk droog zijn. Het landschap heeft echter wel nog duidelijk de kenmerken van de veenontginningen, zoals de strokenstructuur en de lintbebouwingen. Het landschap wordt gekenmerkt door weidse vergezichten. De belangrijkste gebruiksfunctie van het slagenlandschap is agrarisch. Daarnaast zijn ook wonen, recreatie en niet -agrarische bedrijvigheid verspreide functies in het gebied. Er bestaat een concentratie van verblijfsrecreatie rond Wanneperveen. Oorspronkelijk was dit gebied een veenmoeras. Vanaf de 10e eeuw is het planmatig ontgonnen voor de landbouw. Loodrecht op de Sethe, nu het Meppelerdiep, werden honderden meters lange sloten in het veen gegraven. De sloten zorgden ervoor dat het water uit het veen liep, waardoor het begaanbaar en bewerkbaar werd. Zo ontstonden de langgerekte, smalle percelen die nu nog vrijwel overal in het landschap te herkennen zijn. Mogelijk werden er al voor de grootschalige veenontginningen ook veengronden ontgonnen van af de stuwwallen. Vaak waren dit kortere stroken de laagte in. In dit deelgebied is dit te zien bij Zuidveen.
Quote participatietraject: “Dit gebied is met de handen opgebouwd, met hardwerken en met de natuur. We zijn eigenwijs en nuchter, maar we staan voor elkaar klaar en weten van aanpakken.”
28 De ontginners maakten gebruik van geringe, van nature aanwezige hoogteverschillen in het veenmoeras. De lintbebouwingen van de veenontginningen, vaak aangeduid als streekdorpen, komen vooral voor op plekken waar de veenlaag is verdwenen of waar deze dun is. Een voorbeeld is Wanneperveen op de iets hogere en drogere gedeelten, ongeveer 0,5m boven NAP. De wegen hebben een licht kronkelend verloop. Waarschijnlijk stonden de eerste boerderijen van de veenontginning Wanneperveen op korte afstand van de Sethe en vormden ze daar een bebouwingslint. Naarmate het veen natter werd, werden stroken verder naar het noorden het veen in verlengd, en werden ook d e boerderijen verplaatst. Langs de verplaatste boerderijen werd een weg aangelegd, en zo ontstond een lintbebouwing. Het huidige Wanneperveen is de laatste fase van deze dorpsverschuiving. Iets ten noordoosten hiervan werden ook nog enkele boerderijen gebouwd. De gronden waren daar droger. 3.2.4.3 Ambitie Het slagenlandschap wordt behouden als een open en cultuurhistorisch waardevol landschap waarbij de landbouw en de waterhuishouding word en verbeterd. Kleinschalige en goed ingepaste recreatieve - en woonmogelijkheden worden omarmd, mits deze de unieke ruimtelijke structuur van het slagenlandschap respecteren.
Ontwikkelingen dragen bij aan het beschermen van h et culturele en natuurlijke erfgoed, en het verbeteren van de klimaatbestendigheid. 3.2.4.4 Richting voor de toekomst a) We vergroten de beleving van het slagenlandschap voor de recreant. Door wandel - en fietspaden aan te leggen langs bestaande wegen en sloten, maken we dit historische landschap toegankelijk zonder de kenmerkende openheid te verstoren. b) We zetten in op het behoud van bestaande agrarische bedrijven en stimuleren multifunctionele landbouw. Initiatieven voor schaalvergroting buiten het bouwvlak moeten aansluiten bij de kernkwaliteiten en het water- en bodemperspectief van het Slagenlandschap zonder veen, dit vraagt om zuinig ruimtegebruik en een zorgvuldige afweging. c) Mogelijkheden voor woningbouw zien we in de bestaande kernen of op vrijkomende agr arische erven. Inbreiding in de kernen en transformatie van vrijkomende agrarische bebouwing of maatschappelijk vastgoed zoals scholen, gaan voor uitbreiding buiten de kern. Er wordt gebouwd naar behoefte en voor de juiste doelgroep, zoals opgenomen in het woonbeleid. Natuurinclusief bouwen is nodig om te zorgen dat het voortbestaan van gebouwbewonende soorten, zoals vogels en vleermuizen, gewaarborgd wordt.
d) Woningbouw in de vorm van stedelijke ontwikkeling in de agrarische linten is alleen mogelijk als er binnen de bestaande kernen geen mogelijkheden meer zijn . Nieuwbouw kan hier alleen met inachtneming van de landschapsstructuur van erven, afgewisseld met open ruimte en doorzichten. e) We koesteren de bestaande linten aan de Veneweg in Wanneperveen, en zien woningbouwontwikkelingen in de vorm van bijvoorbeeld ‘generatie -erven’ als een positieve ontwikkeling. Op deze wijze blij ft de kenmerkende open ruimte tussen de erven behouden, maar kan er wel worden gewerkt aan de ontwikkeling van woningen. f) Uitgangspunt is dat recreatieve bebouwing ook recreatief wordt gebruikt. We bieden ruimte voor een mogelijke omzetting van solitaire recreatieve bebouwing naar een woonfunctie. g) Vrijkomende verblijfsrecreatieterreinen kunnen worden getransformeerd naar een andere functie, waarbij een goed woon- en leefklimaat en een goede ruimtelijke inpassing altijd het uitgangspunt is. h) Subtiele toevoegingen maken de verkaveling en het waterbeheer beleefbaar. Het lineaire patroon van het gebied leent zich goed voor recreatieve routes die de schoonheid van het slagenlandschap benadrukken.
Dit biedt niet alleen een waardevolle ervaring voor inwoners en bezoekers, maar stimuleert ook lokale betrokkenheid en creëert mogelijkheden voor kleinschalige economische activiteiten, zoals recreatieve voorzieningen. d i) Door het bestaande slotenpatroon slim te benutten voor natuurlijke wateropvang en -afvoer ontstaan er kansen voor klimaatadaptatie. Dit historische stelsel van watergangen, ooit ontworpen voor watermanagement, kan worden geoptimaliseerd om water te bergen bij hevige regenval en vast te houden tijdens droge periodes. Kleine aanpassingen, zoals bredere greppels of retentiegebieden, maken het landschap klimaatbestendig zonder dat deze het landschap ingrijpend veranderen.
29 Dit versterkt de weerbaarheid van het landschap tegen klimaatverandering, terwijl de natuurlijke functie van het slagenlandschap intact gehouden wordt. j) In het slagenlandschap zonder veen houden we bij initiatieven rekening met de noodzaak om op termijn water langer vast te houden. Bij initiatieven voor nieuwbouw of uitbreiding van bestaande bebouwing gebruiken wij de maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving. 3.2.4.5 Toelichting ad a. De aanleg van nieuwe wandel- en fietspaden langs bestaande wegen en sloten verhoogt de toegankelijkheid van het slagenlandschap zonder het historische vergezicht aan te tasten. Door routes nauwkeurig in het verkavelingspatroon in te passen, blijft de open structuur intact en krijgen dagrecreanten een direct ervaarbare verbinding met de eeuwenoude greppels en percelen. ad b. We willen dat het platteland leefbaar en vitaal blijft. Daarbij hoort een robuuste grondgebonden agrarische sector die zorgt voor voedselproductie, beheer van het landschap, maatschappelijke diensten, en bredere werkgelegenheid. De agrarische sector in het gebied 'Slagenlandschap zonder veen' zal zich moeten doorontwikkelen om zich aan te kunnen passen aan de huidige en toekomstige milieueisen op het gebied van met name natuur, stikstof en klimaat. We zien daarbij kansen in multifunctionele landbouw.
Boeren combineren de productie van voedsel en grondstoffen met andere diensten aan de samenleving, zoals natuurbeheer, recreatie en zorglandbouw. Dit is goed voor de economische vitaliteit van de bedrijven, maar ook goed voor een (be)leefbaar duurzaam platteland. Doorontwikkeling (zowel in de primaire productie als in de verbreding) kan gepaard gaan met schaalvergroting. Met initiatieven voor nieuwe bebouwing of activiteiten buiten het bouwvlak gaan we zorgvuldig om. Deze moeten aansluiten bij de kernkwaliteit en perspectief van het gebied. De kernkwaliteit van het gebied 'Slagenlandschap zonder veen' is de kleinschalige verkaveling. Het perspectief voor water en bodem is dat water moet worden vastgehouden om verdroging van de natuur in de Weerribben te voorkomen. De provincie stelt dit perspectief vast met de actualisatie van het beheerplan Natura2000 en de Veenweidestrategie 2.0. De nieuwe ontwikkeling mag geen afbreuk doen aan deze kernkwaliteiten en perspectief. Dit staat los van de kwaliteitimpuls die wordt gevraagd. ad c. De kernen in het slagenlandschap, met hun compacte bebouwing, vormen de beste locaties voor nieuwe woningen. Inbreiding en hergebruik van vrijkomende schuren, stallen of schoolgebouwen voorkomen uitbreiding in open veld en maximaliseren het gebruik van bestaande infrastructuur.
Natuurinclusieve bouwmethoden zoals geïntegreerde nestvoorzieningen borgen het voortbestaan van gebouwbewonende soorten. ad d. Alleen wanneer kernen volledig benut zijn, komt kleinschalige uitbreiding in de lintbebouwing in beeld. Door nieuwe clusters bewust af te wisselen met open ruimte en doorzichtlijnen blijven de lineaire lijnen en historische doorzichten bewaard, waardoor het typische veldpatroon volledig herkenbaar blijft. ad e. ‘Generatie-erven’ langs de Veneweg bieden ruimte voor meerdere huishoudens op één erf zonder concessies te doen aan het originele vergezicht. Door erfclusters te ontwerpen met behoud van brede doorzichten blijft de kenmerkende openheid voelbaar en ontstaat tegelijkertijd woonruimte voor verschillende leeftijden en gezinsvormen.
30 ad f. Solitaire vakantiewoningen zijn bestemd voor seizoensverhuur, maar kunnen worden omgezet naar permanente bewoning. Deze omzetting beperkt de druk op het landschap. ad g. Vrijkomende verblijfsrecreatieterreinen bieden kansen voor transformatie naar woongebieden, mits ze zorgvuldig in het landschap worden ingepast met ruime groenvoorzieningen en hoge eisen aan woon- en leefklimaat. Zo krijgen vakantieparken een tweede leven zonder dat het open karakter van het slagenlandschap verloren gaat. ad h. Informatiepunten, uitzichtplatforms en rustbanken langs routes bieden recreanten context en verdieping bij hun bezoek aan het landschap. Deze subtiele toevoegingen maken de lineaire verkaveling beleefbaar en stimuleren de betrokkenheid van omwonenden. Dit biedt niet alleen een waardevolle ervaring voor inwoners en bezoekers, maar stimuleert ook lokale betrokkenheid en creëert mogelijkheden voor kleinschalige economische activiteiten, zoals recreatieve voorzieningen. ad i. Het historische slotenstelsel, dat al eeuwen fungeert als fijnmazig waterbeheer, wordt geoptimaliseerd door gerichte verbredingen, de aanleg van retentiezones en oeverherstel. Hierdoor ontstaat zonder het herkenbare slotenpatroon aan te tasten extra bergings- en zuiveringscapaciteit, die zowel piekbuien opvangt als gewassen ondersteunt in droge perioden. ad j.
De toename van het aantal droge zomers maakt het noodzakelijk water langer vast te houden in Steenwijkerland, ook in dit deelgebied. Dit helpt om droge periodes - ook in de toekomst - te (kunnen) overbruggen. De maatlat laat zien hoe klimaatadaptief gebouwd kan worden.
31 3.2.5 De Beekdalen 3.2.5.1 Deelgebiedskaart 3.2.5.2 Identiteit en kernkwaliteiten In de gemeente bevinden zich twee gebieden die tot de Beekdalen behoren: het gebied rond Ossenzijl en het gebied tussen Kallenkote, Eesveen en Steenwijk. Kallenkote en Eesveen vallen gedeeltelijk binnen het Beekdal. Het Beekdal bij Ossenzijl grenst aan de Rottige Meente. De Beekdalen kenmerken zich door open laagtes waar het water van nature naartoe stroomt. Hier hebben zich in het verleden waterstromen gevormd, zoals in het stroomdal van de Steenwijker Aa en de Linde. We zien hier hoogteverschillen en meanderende waterlopen. Het landschap wordt sterk gekenmerkt door de openheid en weidse vergezichten, en door het contrast tussen de open laagtes en de hogere verdichte randen. De laagtes van de beekdalen zijn van groot belang voor de weidevogelpopulaties in het gebied. Door deze ruimtelijke verschillen is de landschappelijke kwaliteit van de beekdalen hoog. De waterlopen vormen belangrijke verbindingen voor mens, plant en dier. Bovendien hebben ze een belangrijke afvoerfunctie bij grote hoeveelheden neerslag, en spelen ze daarmee een rol bij het voorkomen van wateroverlast elders. De kenmerkende bodemopbouw en waterhuishouding uiten zich in specifieke flora en fauna. Quote participatietraject: “De druk op het watersysteem neemt toe.
Water vasthouden en bodemdaling tegengaan vraagt om meer dan technische oplossingen, het begint bij ruimtelijke keuzes.”
32 Het beekdalengebied was van oorsprong een dynamisch landschap. ‘s Winters traden de Linde en de Steenwijker Aa geregeld buiten hun oevers. Bij hoogwater reikte het water van de Steenwijker Aa tot Eesveen, en het water van de Linde tot de Ossenzijlerweg. Door de tijd heen zijn deze oorspronkelijk meanderende waterstromen deels rechtgetrokken en gereguleerd om gronden sneller te ontwateren ten behoeve van de moderne landbouw . Direct aan de rechte wegen door het gebied bevinden zich enkele moderne erven, als eilanden in het open weidelandschap. Er is sprake van regelmatige strokenverkaveling. De Beekdalen zijn gro tendeels agrarisch in gebruik. 3.2.5.3 Ambitie De Beekdalen vormen een belangrijk onderdeel van een robuust waterstelsel voor de berging en afvoer van water, in het bijzonder in situaties van extreme neerslag. Oude waterlopen worden op een eigentijdse manier ingezet als natuurlijke waterafvoer en waar mogelijk hersteld. De Beekdalen vormen beleefbare verbindingen voor mens, plant en dier. Hiermee dragen ze bij aan de basiskwaliteit natuur en de Groenblauwe Dooradering. 3.2.5.4 Richting voor de toekomst a) In de beekdalen van de Linde en de Steenwijker Aa houden we rekening met de noodzaak w ater langer vast te houden. Dit betekent onder andere dat we hier geen ruimte zien voor gebruik en functies die het waterbergend vermogen beperken.
b) We zetten in op het behoud van bestaande agrarische bedrijven en stimuleren multifunctionele landbouw. Initiatieven voor schaalvergroting buiten het bouwvlak moeten aansluiten bij de kernkwaliteiten en het water- en bodemperspectief van de Beekdalen, dit v raagt om zuinig ruimtegebruik en een zorgvuldige afweging. c) In de laaggelegen gronden in de Beekdalen voegen we geen woningen toe. Op de grens van de Beekdalen is verdichting mogelijk langs de bestaande hoger gelegen linten. Dit gaat samen met de inzet op energieopgaven en natuurinclusief bouwen. d) Op vrijkomende erven in de laagte van de Beekdalen zien we geen ruimte om bij sloop terug te bouwen op hetzelfde erf. Daarvoor maken we een kwaliteitsimpuls ter plaatse mogelijk tegen het ruimte bieden van een ontwikkeling op een andere, meer geschikte locatie, zoals op percelen in het Hoge Land. e) In Ossenzijl willen we ruimte maken voor eventuele verplaatsing van functies naar de randen van het dorp om zo mogelijkheden te creeëren voor inbreiding in de kern. f) Het versterken van de ecologische structuur in het beekdal van de Linde is een belangrijke opgave. Naast het opnieuw laten meanderen van de Linde is hierbij ook aandacht voor het ontwikkelen van recreatieve voorzieningen in het gebied. g) De aanleg van de ecologische verbinding tussen de Weerribben en de Rottige Meente biedt kansen voor mens en natuur.
Het vergroten van het opvangvermogen van de Linde kan samengaan met herstel van de dynamiek van het landschap, en daarmee van de beleving van de Linde. h) Er liggen kansen om de oude Steenwijker Aa weer te herstellen. Hiermee kan de kwaliteit van de leefomgeving worden vergroot, de biodiversiteit worden versterkt en de effecten van klimaatverandering worden beperkt. Bovenal biedt dit kansen om de historische Vestingstad Steenwijk op verschillende schaalniveaus weer te verbinden met het water. i) In het beekdal van de Linde houden we rekening met de noodzaak om op termijn het weglekken van (grond)water naar de lager gelegen grote veenpolder in Friesland te beperken. Dit betekent onder andere dat we bij initiatieven voor nieuwbouw of uitbreiding van bestaande bebouwing initiatiefnemers informeren over de keuzes die voorliggen in het kader van de veenweidestrategie.
33 3.2.5.5 Toelichting ad a. Klimaatverandering zorgt wereldwijd voor natter, droger, warmer en extremer weer. Dit betekent aan de ene kant dat het risico op wateroverlast toeneemt, aan de andere kant ook het risico op schade door droogte. Denk aan schade aan infrastructuur, gebouwen, dieren en planten, onze voedselvoorziening, en onze gezondheid. Met de toename van het aantal droge zomers waarin er geen of nauwelijks neerslag valt, meer verdamping plaatsvindt en de grondwaterstanden dalen (ook door beregening van landbouwgronden) neemt het risico op droogteschade en het risico op natuurbranden toe. Bij aanhoudende droogte hebben we bovendien geen garantie dat er in de toekomst altijd voldoende drinkwater beschikbaar is. De beekdalen van de Steenwijker Aa en de Linde zijn open laagtes waar het water van nature naartoe stroomt en mogelijkheden liggen om het water langer vast te houden, bijvoorbeeld door herstel van oorspronkelijke meanders. Mogelijk kunnen delen van de beekdalen van de Steenwijker Aa en Linde op termijn ook structureel worden ingezet om water te bergen, dat dan gebruikt kan worden in perioden van droogte. De gedachte is dat dit in het beekdal van de Linde bovendien een bijdrage kan leveren in de aanpak van de veenweideproblematiek.
Door gebruik en functies te weren die het waterbergend vermogen beperken, blijft niet alleen de bestaande ruimte beschikbaar om water te bergen om droge periodes te overbruggen, we voorkomen tegelijkertijd ook een toename van het risico op wateroverlast en behouden de afvoerfunctie van de beekdalen van de Steenwijker Aa en de Linde. Zeker gezien de toename van het aantal extreme buien is het van belang dat de bestaande ruimte in stand blijft en niet verder ingesnoerd wordt door bijvoorbeeld bebouwing. Om wateroverlast in Steenwijk te voorkomen, heeft de provincie Overijssel het overgrote deel van het stroomdal van de Steenwijker Aa aangewezen als primair watergebied. Primaire watergebieden zijn als zodanig aangewezen laaggelegen gebieden die bij hevige neerslag ruimte bieden voor waterberging. Het vollopen van deze gebieden voorkomt dat waterafvoersystemen overbelast raken en wateroverlast optreedt op plaatsen waar dit meer schade veroorzaakt, bijvoorbeeld in delen van Steenwijk. ad b. We willen dat het platteland leefbaar en vitaal blijft. Daarbij hoort een robuuste grondgebonden agrarische sector die zorgt voor voedselproductie, beheer van het landschap, maatschappelijke diensten, en bredere werkgelegenheid.
De agrarische sector in de Beekdalen zal zich moeten doorontwikkelen om zich aan te kunnen passen aan de huidige en toekomstige milieueisen op het gebied van met name natuur (weidevogels), stikstof, klimaat, waterberging en veenweide. We zien daarbij kansen in multifunctionele landbouw. Boeren combineren de productie van voedsel en grondstoffen met andere diensten aan de samenleving, zoals natuurbeheer, recreatie en zorglandbouw. Dit is goed voor de economische vitaliteit van de bedrijven, maar ook goed voor een (be)leefbaar duurzaam platteland.
34 Doorontwikkeling (zowel in de primaire productie als in de verbreding) kan gepaard gaan met schaalvergroting. Met initiatieven voor nieuwe bebouwing of activiteiten buiten het bouwvlak gaan we zorgvuldig om. Deze moeten aansluiten bij de kernkwaliteit en perspectief van het gebied. De kernkwaliteit van de Beekdalen is het weidse open landschap. Het perspectief voor water en bodem is dat water moet kunnen worden opgevangen in de laagste delen en dat op de veenweidegronden water moet worden vastgehouden om verbranding van het veen en verdroging van de natuur in de Weerribben te voorkomen. De provincie stelt dit perspectief vast met de actualisatie van het beheerplan Natura2000 en de Veenweidestrategie 2.0. De nieuwe ontwikkeling mag geen afbreuk doen aan deze kernkwaliteiten en perspectief. Dit staat los van de kwaliteitsimpuls die wordt gevraagd. ad c. In de laaggelegen delen van de Beekdalen komen geen nieuwe woningen, vanwege de kwetsbaarheid voor wateroverlast en kwel. Op de hogere linten is langs de randen juist verdichting mogelijk, gekoppeld aan energieopgaven en natuurinclusief bouwen. Zo behoudt het stroomdal zijn waterfunctie en groeit de woonkwaliteit op drogere, beter beheersbare locaties. ad d. Wanneer een boerenerf vrijkomt, stimuleren we geen directe herbouw op dezelfde plek.
In plaats daarvan bieden we een kwaliteitsimpuls op het oude erf in ruil voor herontwikkeling op een beter passende locatie, bijvoorbeeld in het Hoge Land. Dit versterkt zowel de ruimtelijke samenhang van het landschap als de robuustheid van het watersysteem. ad e. Klimaatadaptatie en economische ontwikkeling verbinden we als drijvende kracht voor gebiedsvernieuwing. Bijvoorbeeld door Steenwijk op verschillende schaalniveaus opnieuw met het water te verbinden of door langs het water multifunctionele randen in te richten. Waterfuncties kunnen zo fungeren als kwaliteitsimpuls en nieuwe economische kansen bieden. ad f. Het beekdal van de Linde krijgt meer ecologische samenhang door herstel van meanders. Voorbeelen daarvan zijn recreatieve routes voor wandelen, fietsen en boottochten, zodat inwoners en bezoekers de dynamiek en beleving van de rivier herontdekken. ad g. De nieuwe koppeling tussen Weerribben en Rottige Meente draagt bij aan de Natura2000 doelstelling voor natte habitats. Het ondersteunt de migratie van flora en fauna en versterkt de beleving van natte natuur voor recreanten. De integratie van riet en bufferzones vergroot de robuustheid tegen piekbuien en draagt bij aan weidevogelherstel. ad h. Het herstel van de oorspronkelijke loop van de Steenwijker Aa verbetert de waterkwaliteit, biodiversiteit en cultuurhistorische beleving van het gebied.
Door meanders terug te brengen en verbindingszones te creëren, koppelen we de vestingstad Steenwijk weer aan het water, wat zowel toeristisch als ecologisch waardevol is. ad i. Het weglekken van (grond)water is een probleem omdat dit in perioden van langdurige droogte het proces van veenoxidatie in het beekdal van de Linde versnelt. Veenoxidatie leidt tot bodemdaling (met verzakkingen van wegen, riolering en mogelijk ook gebouwen tot gevolg) en uitstoot van CO2 (een broeikasgas dat bijdraagt aan de klimaatverandering). Het weglekken van het (grond)water wordt veroorzaakt door het verschil in peil met het aangrenzende lager gelegen gebied. Eén van de in beeld gebrachte ‘structurerende maatregelen’ om het weglekken van (grond)water naar de lager gelegen grote veenpolder in Friesland te remmen, heeft impact op het toekomstig gebruik van de ruimte in de Broekpolders. Door initiatiefnemers te informeren over de keuzes die voorliggen, willen we voorkomen dat initiatiefnemers desinvesteringen doen. Naar verwachting nemen Provinciale Staten eind 2026 een besluit over de structurerende maatregelen.
35 3.2.6 De Polders rondom Scheerwolde 3.2.6.1 Deelgebiedskaart 3.2.6.2 Identiteit en kernkwaliteiten In het laagstgelegen deel van het buitengebied van Steenwijkerland, waar het maaiveld soms op wel -2,5 NAP ligt, liggen de Polders rond Scheerwolde. Rond 1900 bestond dit gebied uit veenmoeras dat werd ontgonnen voor de landbouw. Later is het gebied vrijwel geheel verveend, waarna het rond 1925 werd drooggelegd en voor de tweede keer werd ontgonnen. In deze periode is het gebied omgevormd tot de planmatig inger ichte polders met goede landbouwgrond zoals we deze nu kennen. De hoofdfunctie in dit gebied is ag rarisch gebruik. Daarnaast is er verspreid ook ruimte voor de functies wonen, recreatie en niet-agrarische bedrijvigheid. De polders bestaan uit een jong ontginningslandschap met lange rechte lijnen, lanen en karakteristieke domeinboerderijen. Deze staan op regelmatige afstand van elkaar als groene bewoonde eilanden in het open landschap. De boerderijen zijn georiënteerd op de door bomen gemarkeerde lanen, en bieden ruimte aan zowel veeteelt als akkerbouwbedrijven. Rond de polders liggen kades met daaromheen ringsloten. Daar waar buiten de polders nog een kraggenlandschap ligt, is het markante contrast zichtbaar tussen het lager gelegen droge land van de polder en het hoger gelegen natte landschap met riet, water en moerasbos.
Oorspronkelijk bestonden er plannen om in dit gebied bewoningskernen te realiseren voor de landarbeiders die in de nieuwe polders in de omgeving Quote participatietraject: “Er is behoefte aan een balans tussen bereikbaarheid, recreatie en bescherming van het landschap, met oog voor de leefkwaliteit van bewoners en bezoekers.”
36 zouden gaan werken. Als gevolg van de daling van de behoefte aan arbeidskrachten door de gelijktijdig intredende landbouwmechanisatie is het aantal bewoningskernen beperkt gebleven. Alleen de ontworpen kleine kern Scheerwolde kwam tot stand. De lange lijnen van de polder Giethoorn komen voort uit de ontginningsgeschiedenis van het oorspronkelijke veengebied en verwijzen naar het ontstaan van de vaardorpen Giethoorn, Dwarsgracht en Jonen. De historische grachten uit de tijd van de oorspronkelij ke vervening van het gebied zijn grotendeels nog zichtbaar. Daarmee is het gebied cultuurhistorisch en landschappelijk van grote waarde. De openheid en weidse vergezichten van het landschap, de innovatieve ondernemers en inrichting voor de voedselproductie zijn karakteristiek voor deze polders. 3.2.6.3 Ambitie Een gezond, vitaal en klimaat robuust voedselproductielandschap waar vernieuwende initiatieven, technologieën en samenwerkingen samenkomen om duurzame oplossingen te ontwikkelen voor maatschappelijke, economische of ecologische uitdagingen, met economische perspectief en leefbaarheid als belangrijkste speerpunten. 3.2.6.4 Richting voor de toekomst a) We zetten in op het versterken van het landschappelijk raamwerk en zien ruimte voor meervoudig ruimtegebruik. b) We zetten in op het behoud van bestaande agrarische bedrijven en stimuleren multifunctionele landbouw.
Initiatieven voor schaalvergroting buiten het bouwvlak en kapitaalintensieve functies moeten aansluiten bij de kernkwaliteiten en het water- en bodemperspectief van de Polders rondom Scheerwolde, dit vraagt om zuinig ruimtegebruik en een zorgvuldige afweging. . c) In de polders zien we mogelijkheden voor het opwekken van energie. De benodigde verduurzaming van akkerbouw en veeteelt kan gecombineerd worden met de opwek van duurzame energie. De opbrengsten uit deze opwek kunnen daarmee op bedrijfsniveau geïnvesteerd worden in de verduurzaming van de landbouw. d) Het gebied Weerribben-Wieden, waaronder de polders rondom Scheerwolde, is een populaire bestemming voor toerisme en recreatie, met mogelijkheden voor varen, wandelen en fietsen. De focus op natuurontwikkeling en waterbeheer kan de ecotoeristische aantrekkelijkheid van het gebied vergroten. De ontwikkeling van nieuw water kan de aantrekkelijkheid van het landschap versterken. Het creëren van nieuwe recreatieve routes en voorzieningen, zoals fietspaden, kan de lokale toeristische economie stimuleren. e) In de polders rondom Scheerwolde ligt een kans om de bodem - en wateropgaven te combineren met andere grote ruimtelijke opgaven. Hydrologische bufferzones kunnen bijvoorbeeld gestapeld worden met seizoensbergingen, recreatie en de teelt van riet of lisdodde.
f) We stimuleren innovatieve teelten in het kader van de eiwittransitie en biobased-bouwen. g) Ook in de polders rondom Scheerwolde is het ontwikkelen van een nieuw recreatiegebied in combinatie met water een bijzondere kans. Boeren in dit gebied kunnen hun bedrijfsvoering doorontwikkelen met recreatie als neven- of hoofdactiviteit. h) In de polders rondom Scheerwolde houden we rekening met de noodzaak op termijn het weglekken van (grond)water uit het aangrenzende natuurgebied richting de polders te beperken en water te bergen. Dit betekent onder andere dat we bij initiatieven voor nieuwbouw of uitbreiding van bestaande bebouwing initiatiefnemers informeren over de keuzes die voorliggen in het kader van de veenweidestrategie. 3.2.6.5 Toelichting ad a. De polders rondom Scheerwolde kennen een open, vlak landschap met een lage ligging en intensieve ontwatering. Dit maakt het gebied kwetsbaar voor bodemdaling, wateroverlast en ecologische schade. Door het landschappelijk raamwerk te versterken en ruimte te bieden voor meervoudig ruimtegebruik zoals natuur, landbouw en recreatie, ontstaat een robuuster en toekomstbestendiger landschap. Dit draagt bij aan het behoud van de sociale en culturele waarde van het gebied en biedt perspectief voor bewoners die zich verbonden voelen met het polderlandschap.
37 ad b. We willen dat het platteland leefbaar en vitaal blijft. Daarbij hoort een robuuste grondgebonden agrarische sector die zorgt voor voedselproductie, beheer van het landschap, maatschappelijke diensten, en bredere werkgelegenheid. De agrarische sector in de Beekdalen zal zich moeten doorontwikkelen om zich aan te kunnen passen aan de huidige en toekomstige milieueisen op het gebied van met name natuur (weidevogels), stikstof, klimaat, waterberging en veenweide. We zien daarbij kansen in multifunctionele landbouw. Boeren combineren de productie van voedsel en grondstoffen met andere diensten aan de samenleving, zoals natuurbeheer, recreatie en zorglandbouw. Dit is goed voor de economische vitaliteit van de bedrijven, maar ook goed voor een (be)leefbaar duurzaam platteland. Doorontwikkeling (zowel in de primaire productie als in de verbreding) kan gepaard gaan met schaalvergroting. Met initiatieven voor nieuwe bebouwing of activiteiten buiten het bouwvlak gaan we zorgvuldig om. Deze moeten aansluiten bij de kernkwaliteit en perspectief van het gebied. De kernkwaliteit van de Beekdalen is het weidse open landschap. Het perspectief voor water en bodem is dat water moet kunnen worden opgevangen in de laagste delen en dat op de veenweidegronden water moet worden vastgehouden om verbranding van het veen en verdroging van de natuur in de Weerribben te voorkomen.
De provincie stelt dit perspectief vast met de actualisatie van het beheerplan Natura2000 en de Veenweidestrategie 2.0. De nieuwe ontwikkeling mag geen afbreuk doen aan deze kernkwaliteiten en perspectief. Dit staat los van de kwaliteitimpuls die wordt gevraagd. ad c. In de drogere delen van de polder kan de verduurzaming van akkerbouw gecombineerd worden met duurzame energieopwek. Kantelbare zonnepanelen kunnen goed geïntegreerd worden in landbouwpercelen, met beperkt verlies aan landbouwareaal. De opbrengsten uit zonne-energie kunnen worden ingezet voor verduurzaming van landbouwbedrijven. Dit biedt een duurzaam toekomstperspectief voor boeren, zeker in een gebied waar traditionele landbouw onder druk staat door bodemdaling en veranderende waterstanden. ad d. Het gebied Weerribben-Wieden, inclusief de polders rondom Scheerwolde, is een populaire bestemming voor ecotoerisme. Klimaatverandering en waterbeheeropgaven bieden kansen om de aantrekkelijkheid van het landschap te vergroten. Nieuwe recreatieve routes, waterontwikkeling en voorzieningen als fietspaden kunnen de lokale toeristische economie stimuleren. Tegelijkertijd draagt dit bij aan het behoud van de biodiversiteit en het unieke karakter van het landschap, dat bezoekers nu soms als leeg en onsamenhangend ervaren. ad e. De polders liggen ruim een meter lager dan de omgeving en kennen weinig neerslagbuffering.
Bij extreme neerslagpieken kan het afvoersysteem overbelast raken. Hydrologische bufferzones kunnen gecombineerd worden met seizoensbergingen, rietteelt, lisdodde-teelt en recreatie. Deze gestapelde functies bieden een integrale oplossing voor waterretentie, bodemdaling en ecologische versterking. Dit draagt bij aan een robuust watersysteem dat bestand is tegen extremere weersomstandigheden. ad f. Er zijn kansen voor innovatieve landbouwpraktijken die passen bij nieuwe omstandigheden. Alternatieve teelten kunnen helpen om bodemdaling te remmen en CO₂-uitstoot te verminderen, en tegelijkertijd nieuwe inkomstenbronnen voor boeren mogelijk maken. De overgang naar een circulaire voedselketen biedt daarbij ook nieuwe perspectieven. ad g. In de polders rondom Scheerwolde ligt een bijzondere kans om recreatie te combineren met water en rietontwikkeling. Boeren kunnen hun bedrijfsvoering doorontwikkelen met recreatie als neven- of hoofdactiviteit. Dit biedt perspectief in een gebied waar traditionele landbouw onder druk staat. Tegelijkertijd draagt het bij aan het behoud van het landschap en versterkt het de toeristische aantrekkelijkheid van de regio.
38 ad h. Het weglekken van (grond)water uit het aangrenzende natuurgebied is een probleem omdat dit in perioden van langdurige droogte het proces van veenoxidatie in het natuurgebied versnelt. Daar heeft niet alleen de bijzondere natuur in de Weerribben-Wieden onder te lijden: veenoxidatie leidt ook tot bodemdaling (met verzakkingen van wegen, riolering en mogelijk ook gebouwen tot gevolg) en uitstoot van CO2 (een broeikasgas dat bijdraagt aan de klimaatverandering). Om de schade te beperken is aanvoer van ‘vreemd’ IJsselmeerwater nodig om het veen vochtig te houden, een situatie die steeds lastiger wordt bij toenemende droogte/toename van het aantal droge zomers en druk op de zoetwaterbuffer van het IJsselmeergebied. De gedachte is dat eventuele maatregelen om het weglekken van (grond)water te beperken in de polders rondom Scheerwolde samen kunnen gaan met het bergen van water om zo een buffer te hebben voor periodes van langdurige droogte. De toename van het aantal droge zomers en de druk op de zoetwaterbuffer van het IJsselmeergebied maakt namelijk ook dat de landbouw in de polders bij langdurige droogte kwetsbaar is. Dit onder andere omdat de grondwaterstanden hier door de intensieve ontwatering voor de landbouw al relatief laag zijn en in droge perioden, als de beregening uit grondwater toeneemt, dat nog een extra verlagende impact heeft op de grondwaterstanden.
Dit kan betekenen dat beregening tijdelijk ingeperkt wordt, zeker als de bovenstroomse aanvoer van water dan ook laag is. Andersom, bij piekneerslag, zijn de polders door de lage ligging kwetsbaar voor wateroverlast. Wateroverlast kan in het gebied verder vergroot worden door toekomstige aanpassingen aan het peilbeheer in het IJsselmeergebied. Dit heeft invloed op de belasting en afwatering van het stroomgebied Stroink. Het bergen van water heeft dus niet alleen betrekking op het bergen van water om droge periodes te overbruggen, maar ook op het bergen van water om wateroverlast te voorkomen op plaatsen waar dit meer schade veroorzaakt. De in beeld gebrachte ‘structurerende maatregelen’ om het weglekken van (grond)water te remmen/stoppen, hebben impact op het toekomstig gebruik van (een deel van) de ruimte in de polders. Door initiatiefnemers te informeren over de keuzes die voorliggen, willen we voorkomen dat initiatiefnemers hier investeringen doen die op termijn desinvesteringen blijken te zijn. Naar verwachting nemen Provinciale Staten eind 2026 een besluit over de structurerende maatregelen.
39 4. Leefbare steden en kernen 4.1 Leefbare kernen en steden in Steenwijkerland 4.1.1 Introductie In dit hoofdstuk gaan we nader in op de kernen in Steenwijkerland. De gemeente kent een tal van waardevolle dorpen, steden, buurtschappen en andere woonkernen, ieder met hun eigen identiteit en kwaliteiten. In dit hoofdstuk beschrijven we waar we ruimte voor willen houden en maken in de kernen binnen onze gemeente. In paragraaf 4.2 De kernen en steden van de stedelijke laag gaan we nader in op deze deelgebieden en hun gebiedseigen kwaliteiten. We schetsen een perspectief op de opgaven, kansen en ambities die we per deelgebied zien voor de fysieke leefomgeving. 4.1.2 De kernen, elk met een eigen kleur Op weg naar 2050… In 2050 wil Steenwijkerland met een verscheidenheid aan ontspannen woonmilieus een belangrijke aanvulling vormen op de regio. We streven naar steden, dorpen en buurtschappen die elk een eigen kleur en profiel hebben , met een karakteristieke ruimtelijke, sociale en functionele opbouw, eigen kwaliteiten en een eigen inbedding in het landschap. Hier werken we bewust aan. We blijven zuinig op het bestaande, maar benutten tegelijkertijd ruimte voor het toevoegen van nieuwe kwaliteiten. We sorteren voor op veranderingen in ons woonmilieu. Zo realiseren we samen met innovatieve ontwikkelaars en corporaties onderscheidende, klimaatadapt ieve en gezonde woonmilieus.
Creativiteit en innovatie kenmerken deze ontwikkelingen, bijvoorbeeld door het realiseren van levensloopbestendige woningen door nieuwbouw en transformatie. Een mix van activiteiten laat onze woonwijken bruisen, onder andere door het sterke verenigingsleven dat onze woonkernen nog altijd kenmerkt. Onze inwoners, van jong tot oud, vinden hier ee n passende woning, maar ook voor nieuwe bewoners is er voldoende te kiezen. We zetten goed in op de bouw van voldoende sociale huurwoningen en betaalbare koopwoningen, zodat iedereen nog steeds zijn of haar plek vindt in Steenwijkerland. Wonen als vliegwiel voor de aanpak van andere maatschappelijke opgaven Ruimte voor het toevoegen van nieuwe woningen zoeken we zoveel mogelijk binnen bestaand bebouwd gebied of in aansluiting daarop . We versterken hiermee de bestaande kernen in het hart. Daarmee gebruiken we de woonopgave als vliegwiel voor de aanpak van andere maatschappelijke opgaven in het bebouwd gebied. Zo pakken we transitieopgaven op thema’s als klimaat, energie, circulariteit en mobiliteit samen aan. Nieuwbouw zetten we ook in als vliegwiel voor verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving. We zetten sterk in op vergroening en verduurzaming in kernen. De succesvolle omslag naar duurzaam vervoer draagt bij aan het schoonhouden van onze lucht, en creëert bovendien ruimte voor groen, ontmoeting en beweging in onze straten.
Met duurzame en natuurinclusieve bouwmethoden creëren we in onze woonbuurten meer ruimte voor flora en fauna. Buurten zijn divers, zowel in hun bevolkingsopbouw als in de typen eigendom. Voorzieningen op niveau We zetten ons in voor toekomstbestendige voorzieningen, omdat de druk op de gezondheidszorg toeneemt en de beschikbaarheid van huisartsen in alle kernen niet vanzelfsprekend is. Daarom zetten we ons in om deze essentiële zorg toegankelijk te houden voor al onze inwoners. Tegelijkertijd investeren we in duurzame onderwijshuisvesting, waarbij we inzetten op de samenhang tussen onderwijs en opvang. Door te bouwen aan kindcentra en slimme clustering van functies, spelen we in op veranderende behoeften en versterken we de leefbaarheid in onze dorpen en stad. Meeste woningbouw op het hoge land, elders ook ruimte voor de lokale vraag
40 Onze ambitie is te voldoen aan de lokale woningvraag , en daarnaast een bijdrage te leveren aan de regionale behoefte. Ruimte voor de regionale opgave vinden we vooral in de goed bereikbare kernen op het Hoge Land, met het accent op Steenwijk. In de kleine kernen buiten het Hoge Land zoeken we ruimte voor de lokale woningvraag, zodat bewoners ook in de toekomst kunnen blijven wonen in hun eigen dorp of kern. We bouwen klimaatadaptief en natuurinclusief. Bovendien versterken we de diversiteit aan woonomgevingen in onze gemeente door nieuwe milieus te verbinden met bestaande buurten. Daarbij sluiten we aan op het eigen karakter van de buurt. In 2045 is Steenwijkerland aardgasvrij Stappen zetten op de energie- en klimaatopgaven is noodzakelijk. In het Klimaatakkoord is vastgelegd dat Nederland in 2050 van het aardgas af moet zijn. Gemeenten houden de regie en bepalen welke wijk wanneer aan de beurt is en wat de alternatieve voorkeursbron wordt voor aardgas. De Wet Gemeentelijke Instrumenten Warmte geeft ons daarbij handvatten. In onze gemeente ligt de weg naar een aardgasvrije gebouwde omgeving bij individuele oplossingen. Dit betekent dat huiseigenaren zelf verantwoordelijk zijn voor het stapsgewijs verduurzamen van hun woning. Met input van netbeheerders en woningcorporaties scherpen we de uitgangspunten uit de Transitievisie Warmte 2021 aan.
Deze uitgangspunten dienen als leidraad voor de warmtetransitie; we beoordelen elke stap hierop om een duurzame toekomst te waarborgen. 1. Focus op besparen: isoleren en gedrag Het terugdringen van de warmtevraag is een noodzakelijke stap om de overstap naar duurzame warmte mogelijk te maken. Goede isolatie vormt daarbij de basis: alleen met voldoende isolatie kunnen gebouwen op een comfortabele manier verwarmd worden met duurzame, aardgasvrije oplossingen. Daarnaast speelt gedrag een steeds belangrijkere rol. Een graadje lager stoken of bewuster omgaan met energieverbruik zijn eenvoudige maar effectieve maatregelen die direct verschil maken, zowel voor het energieverbruik als voor de belasting van het energienet. De gemeente ondersteunt inwoners met zowel grote als kleine stappen om hiermee aan de slag te gaan. We bieden passende ondersteuning, zowel op individueel niveau als over de hele gemeente, waarbij kennisdeling, begeleiding en het wegnemen van drempels centraal staan. Zo zorgen we ervoor dat iedereen stapsgewijs de warmtevraag kan verlagen en zich kan voorbereiden op een toekomst zonder aardgas. 2. De juiste energiedrager op de juiste plek In Steenwijkerland is een grootschalig collectief warmtenet niet haalbaar.
De woningdichtheid is te laag en de variatie in bebouwing, van historische kernen tot het uitgestrekte buitengebied, maakt een uniforme grootschalige aanpak lastig. Daarom ligt de focus in het grootste deel van de gemeente op individuele oplossingen. In wijken met een complexe opbouw, zoals historische centra, blijft klimaatneutraal gas naar verwachting nodig. De route richting aardgasvrij verschilt per buurt en woningtype. In nieuwbouwwijken stimuleren we de directe overstap naar duurzame warmte, omdat deze snel haalbaar is. In oudere wijken zetten we eerst in op het 'aardgasvrij-ready' maken van woningen, met prioriteit voor isolatie. Een hybride warmtepomp biedt daarvoor een praktische tussenoplossing: deze vermindert het aardgasverbruik en de CO₂- uitstoot aanzienlijk, en ontlast bovendien het elektriciteitsnet tijdens piekmomenten. De gemeente ondersteunt en faciliteert lokale initiatieven, zoals kleinschalige warmtenetten, die bijdragen aan een toekomstbestendige energievoorziening en die het energienet ontlasten. 3. Iedereen kan meedoen De betaalbaarheid van de warmtetransitie is voor veel inwoners een belangrijk aandachtspunt. Energie wordt naar verwachting duurder en de kosten van verschillende warmteoplossingen zijn nog niet volledig voorspelbaar. Hoewel dit warmteprogramma niet alle onzekerheden kan wegnemen, maken we wel duidelijke keuzes.
We geven prioriteit aan warmteoplossingen met zo laag mogelijke eindgebruikerskosten, en houden we rekening met de totale kosten voor de samenleving. De warmtewissel moet voor iedereen haalbaar en betaalbaar zijn, ongeacht het inkomen. Daarom streven we naar oplossingen die ook voor mensen met een laag inkomen binnen bereik liggen. De gemeente zit zich hier actief voor in, onder andere via lobby richting het Rijk om voldoende ondersteuning en middelen beschikbaar te krijgen. 4. Alle inwoners krijgen een duidelijk handelingsperspectief Om inwoners te helpen bij de overstap naar duurzame warmte, biedt de gemeente een helder handelingsperspectief per woningtype en wijk. Zo zien bewoners welke stappen zij kunnen nemen om hun woning voor te bereiden op een toekomst zonder aardgas, van isoleren tot het kiezen van een geschikt alternatief als een warmtepomp of een aansluiting op een kleinschalig warmtenet. We maken daarbij ook
41 inzichtelijk waar je terecht kan voor onafhankelijk advies en technische ondersteuning, en welke subsidies beschikbaar zijn om de kosten te verlagen. Denk aan energieloketten, landelijke regelingen of collectieve inkoopacties. Door deze informatie overzichtelijk en toegankelijk aan te bieden, maken we het makkelijker om goed geïnformeerde keuzes te maken, in uw eigen tempo. 5. Gefaseerde warmtewissel Gemeenten krijgen via de Wet Gemeentelijke Instrumenten Warmte de aanwijsbevoegdheid om gebieden aan te wijzen die voor een bepaalde datum aardgasvrij moeten zijn, en overgaan op duurzame warmte. In dit warmteprogramma kiest de gemeente er bewust voor om de aanwijsbevoegdheid nog niet in te zetten. Omdat het eindbeeld voor het overgrote deel van Steenwijkerland individueel is, vinden we het belangrijk dat iedereen in eigen tempo kan overstappen. Geen enkele wijk wordt op dit moment verplicht om eerder dan 2045 van het aardgas af te gaan. Wel blijft 2045 het einddoel voor de gehele gemeente. We onderzoeken of, hoe en wanneer we de aanwijsbevoegdheid richting 2045 verantwoord toepassen. Denk daarbij aan situaties waarin het overgrote deel van een wijk al is overgestapt naar een duurzame warmteoplossing en slechts een klein deel nog volgt.
In zulke gevallen leidt het blijven faciliteren van dubbele infrastructuur tot hogere maatschappelijke kosten, die uiteindelijk ook op gebruikers drukken. Daarom verkennen we zorgvuldig hoe deze bevoegdheid passend en doelgericht wordt ingezet. Energietransitie De energietransitie vraagt om ingrijpende aanpassingen in zowel de openbare ruimte als de ondergrond. Het huidige energienetwerk in Nederland heeft onvoldoende capaciteit om de groeiende vraag en het wisselende aanbod van energie op termijn goed op te vang en. Verzwaring en uitbreiding van het netwerk zijn noodzakelijk om de capaciteitsknelpunten op te lossen, ook in bestaande wijken. Bij al onze ontwikkelingen reserveren we daarom ruimte voor netversterking en een zorgvuldige inpassing in de omgeving. Tegelijkertijd leidt de stijgende energieprijs tot toenemende druk op huishoudens. Steeds meer mensen hebben moeite om hun energierekening te betalen. De energiearmoede in Steenwijkerland ligt boven het landelijk gemiddelde, met name bij bewoners van slecht geïsoleerde woningen. Verduurzaming van de bestaande woningvoorraad en energiebesparing zijn daarom cruciaal. Ze zorgen voor een lagere energierekening en verkleinen de energievraag : wat niet wordt verbruikt, hoeft ook niet te worden opgewekt.
Het vergroenen van de openbare ruimte, vooral in de oude binnenstad, draagt bij aan meerdere doelen: het tegengaan van hittestress en wateroverlast, het verhogen van de ruimtelijke kwaliteit en het bevorderen van biodiversiteit. Natuurinclusief bouwen spee lt hierin een belangrijke rol. Deze aanpak, vastgelegd in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), is inmiddels wettelijk verankerd. Ook het zuinig omgaan met grondstoffen is verplicht. In lijn met het Klimaatakkoord en het Nationaal Programma Circulaire Economie werken we toe naar een volledig circulaire economie in 2050, waarbij het verbruik van primaire grondstoffen is gehalveerd. Onze succesvolle ontwikkelings- & vestigingsfactoren voor bedrijvigheid: duurzaamheid… Om onze bedrijventerreinen in Steenwijkerland vitaal en aantrekkelijk te houden, investeren we fors in hernieuwbare energie, de circulaire economie en een natuurinclusieve omgeving. We faciliteren ondernemers bij het toepassen van efficiëntere productiewijzen en -processen, waar mogelijk binnen de kaders van een duurzame en klimaatadaptieve leefomgeving. Zo vangen we structurele tekorten op de arbeidsmarkt op. In 2050 zijn onze bedrijventerreinen duurzaam en gezond, en sluiten ze goed aan bij de vestigingseisen van bedrijven.
We stimuleren ondernemers en eigenaren van bedrij venterreinen om duurzaamheid tot een onderscheidend kenmerk van bedrijventerreinen in Steenwijkerland te maken. Een mooi voorbeeld hiervan is de bedrijvigheid in de zone langs de A32 tussen Steenwijk en Meppel: hier fungeren bedrijven als producent, buffer en leverancier van energie. We zetten in op een vitale en toekomstbestendige binnenstad van Steenwijk, waarin retail, horeca en andere functies elkaar versterken. Door leegstand tegen te gaan, de beleving te verbeteren en samenwerking tussen ondernemers te stimuleren, creëren we een levendig centrum dat bijdraagt aan de economische veerkracht en sociale samenhang van de gemeente.
42 …en goede bereikbaarheid Goede bereikbaarheid is een belangrijke vestigingsvoorwaarde. Het zorgt voor economische dynamiek en welvaart. Dit is een van de redenen dat we inzetten op de ontwikkeling van bedrijvigheid in de zone langs de A32. Door werkgelegenheid te creëren aan een bestaande corridor voor autoverkeer en openbaar vervoer brengen we balans in de werknemerspendel vanuit Steenwijk. Daarnaast zetten we in op het doortrekken van de snelfietsroute van Zwolle en Meppel naar Steenwijk en Heerenveen om mensen te bewegen ook voor woon-werkverkeer vaker op de fiets te stappen en de auto te laten staan. Dit levert een belangrijke bijdrage aan een schoner leefmilieu en een verbeterde gezondheid. Wonen en werken robuust verbonden met het landelijk gebied en de natuur ‘om de hoek’ Uitbreiding van wonen en werken gaat in Steenwijkerland samen met uitbreiding van water en groen. Hiermee bieden we ruimte aan sport, spel, beweging, ontmoeting, cultuur en ontspanning. We creëren ruimte om effecten van klimaatverandering als wateroverlast en hittestress te beperken. De toegankelijkheid van onze buitenruimte krijgt daarbij in het bijzonder een impuls: iedereen kan naar wens en vermogen meedoen. Met het to evoegen van ontbrekende schakels werken we toe naar een continu, samenhangend groenblauw raamwerk en brengen we de natuur tot aan de voordeur.