Ontwerpbestemmingsplan Kallenkote, Gruttoweg 1.pdf
Tekst van het document
08stemgeluid (LAmax)208063,18536116,511,6052---- 07stemgeluid (LAmax)208050,39536101,821,6052---- 03stemgeluid207992,64536170,681,6051---- 06stemgeluid (LAmax)208045,66536097,751,6051---- 01personenauto manouvreren208084,95536135,270,754949-- 05gebouwgebonden installaties208059,73536141,911,30212121 04stemgeluid (bij huisvesting)208045,45536144,021,60--53-- LAmax(hoofdgroep)0,000,000,00696021 Alle getoonde dB-waarden zijn A-gewogen 14-10-2022 13:55:01 Geomilieu V2022.1 Licentiehouder: Sain milieuadvies Bijlage 5 Berekeningsresultaten indirecte hinder Sain milieuadvies Resultaten indirecte hinder 2022-3040 Rapport:Resultatentabel Model:LAr,LT LAeq bij Bron voor toetspunt:03_A - Gruttoweg 1 Groep:indirecte hinder Groepsreductie:Nee Naam BronOmschrijvingXYHoogteDagAvondNachtEtmaalLi 03_AGruttoweg 1208082,71536092,681,503636--4177 200IH - personen-/bestelwagen208127,79536103,970,753536--4169 201IH - vrachtwagen208127,79536103,971,0030----3077 Alle getoonde dB-waarden zijn A-gewogen 14-10-2022 13:20:48 Geomilieu V2022.1 Licentiehouder: Sain milieuadvies Sain milieuadvies Resultaten indirecte hinder 2022-3040 Rapport:Resultatentabel Model:LAr,LT LAeq bij Bron voor toetspunt:03_B - Gruttoweg 1 Groep:indirecte hinder Groepsreductie:Nee Naam BronOmschrijvingXYHoogteDagAvondNachtEtmaalLi 03_BGruttoweg 1208082,71536092,685,003940--4580 200IH -
personen-/bestelwagen208127,79536103,970,753840--4571 201IH - vrachtwagen208127,79536103,971,0033----3379 Alle getoonde dB-waarden zijn A-gewogen 14-10-2022 13:20:48 Geomilieu V2022.1 Licentiehouder: Sain milieuadvies Laarseweg 24-1, 8171 PR Vaassen (T) 0578 – 76 90 60 • KvK 082 04 400 www.sainadvies.nl• info@sainadvies.nl bedrijven • bouw • verkeer • overheid • particulier B ijlage 5 Quickscan natuurwaardenonderzoek Bijlagen 249 Quickscan natuurwaardenonderzoek Gruttoweg 1 - Kallenkote Effectbeoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming, Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000 1 Colofon Quickscan natuurwaardenonderzoek Gruttoweg 1 te Kallenkote Effectbeoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming, Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000 Uitgevoerd door: Natuurbank Overijssel Correspondentieadres: Aladnaweg 18 7122 RR Aalten BTW-ID: NL001388212B56 E: info@natuurbankoverijssel.nl Tel: 0543-451142 / 0614-435700 Opdrachtgever: Rombou Abonnementhouder van de Nationale Databank Flora en Fauna Projectnummer en versie: 4367 versie 1.0 Status: definitief Ligging plangebied: Gruttoweg 1 te Kallenkote Rapportdatum: 31-05-2022, aangepast d.d. 28-11-2022 Auteur: B. Wagener Veldwerk uitgevoerd door: Ing. P. Leemreise De vermelde medewerkers in deze rapportage zijn akkoord met openbaring van zijn of haar persoonsgegevens in het kader van de AVG-privacy wetgeving.
2 Inhoudsopgave Samenvatting ..................................................................................................................................................... 3 Hoofdstuk 1 Inleiding .................................................................................................................................... 5 Hoofdstuk 2 Het plangebied ......................................................................................................................... 6 2.1 Situering ................................................................................................................................................... 6 2.2 Beschrijving van het plangebied............................................................................................................... 6 Hoofdstuk 3 Voorgenomen activiteiten ........................................................................................................ 8 3.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 8 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden ................ 8 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer ...............................................................................................................
9 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied .................................................................................................... 9 Hoofdstuk 4 Toetsingskaders ...................................................................................................................... 10 4.1 Algemeen ............................................................................................................................................... 10 4.2 Wet natuurbescherming; Natura 2000 .................................................................................................. 10 4.3 Wet natuurbescherming; Soortenbescherming ..................................................................................... 10 4.4 Beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland ................................................................... 11 Hoofdstuk 5 Gebiedsbescherming .............................................................................................................. 12 5.1 Algemeen ............................................................................................................................................... 12 5.2 Natuurnetwerk Nederland .....................................................................................................................
12 5.3 Natura 2000 ............................................................................................................................................ 13 5.4 Slotconclusie ........................................................................................................................................... 14 Hoofdstuk 6 Soortenbescherming .............................................................................................................. 16 6.1 Verwachting en bureauonderzoek ......................................................................................................... 16 6.2 Methode ................................................................................................................................................. 16 6.3 Resultaten .............................................................................................................................................. 18 6.4 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep ............................................................................... 21 6.5 Historische gegevens en overige bronnen ............................................................................................. 23 6.6 Volledigheid van het onderzoek .............................................................................................................
23 Hoofdstuk 7 Conclusies ............................................................................................................................... 24 3 SAMENVATTING Er zijn plannen voor de bouw van 12-16 zorgappartementen en een schuur aan de Gruttoweg 1 te Kallenkote, gemeente Steenwijkerland. Ook wordt er een bijgebouw bij de bestaande woning gerealiseerd. Om dit mogelijk te maken wordt bestaande agrarische bebouwing gesloopt en wordt er beplanting gerooid. Nadien wordt het plangebied landschappelijk ingepast met diverse beplanting . Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het plangebied is op 18 mei 2022 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust - en voortplantingslocaties.
Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde gebieden: Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000 -gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000 -gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden. Andere negatieve effecten op Natura 2000 -gebied, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, kunnen wél worden uitgesloten. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren.
Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of verblijfplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied. Het plangebied is geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor h et beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de bebouwing gesloopt wordt en beplanting verwijderd wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield.
Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën, die een vaste rust - en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust - en voortplantingsplaatsen’. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dienen ze weggejaagd te worden of weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien niet voorkomen kan worden dat een beschermd dier gedood wordt, dient een ontheffing aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode. 4 Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen mogelijk af. Deze afname leidt niet tot wettelijke consequenties. Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat: • Werkzaamheden afstemmen op de voortplantingsperiode van vogels; • Geen beschermde zoogdieren en amfibieën doden; • Stikstofberekening uitvoeren; 5 HOOFDSTUK 1 INLEIDING Er zijn plannen voor de bouw van 12-16 zorgappartementen en een schuur aan de Gruttoweg 1 te Kallenkote, gemeente Steenwijkerland. Ook wordt er een bijgebouw bij de bestaande woning gerealiseerd.
Om dit mogelijk te maken wordt bestaande agrarische bebouwing gesloopt en wordt er beplanting gerooid. Nadien wordt het plangebied landschappelijk ingepast met diverse beplanting. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming (soorten en Natura 2000 -gebied) en de Omgevingsverordening Overijssel (Natuurnetwerk Nederland).
Doel van deze rapportage: De Quickscan natuurwaardenonderzoek is uitgevoerd als één van de verschillende (milieu)onderzoeken in het kader van besluitvorming binnen de Ruimtelijke Ordening (doorgaans het wijzigen van het bestemmingsplan) of het aanvragen van een Omgevingsvergunning. Het onderzoek is uitgevoerd om antwoord te kunnen geven op de vraag: is er sprake van een goede ruimtelijke ordening (is de voorgenomen activiteit uitvoerbaar?). Het is nadrukkelijk geen ecologisch werkprotocol dat opgesteld wordt om te voorkomen dat de Wet natuurbescherming ov ertreden wordt als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De Wet natuurbescherming is tijdens de uitvoering van voorgenomen activiteiten altijd van toepassing en het is aan de uitvoerende partijen om de noodzakelijke zorgvuldigheid te betrachten tijdens de uitvoering. Om een goed ecologisch werkprotocol op te kunnen stellen is meer detailinformatie vereist, zoals de planning in uitvoering, in te zetten materieel en informatie over type bebouwing, bouwwijze, materiaalgebruik etc. 6 HOOFDSTUK 2 HET PLANGEBIED 2.1 Situering Het plangebied is gesitueerd aan de Gruttoweg 1 te Kallenkote, gemeente Steenwijkerland. Het ligt in het buitengebied op circa negenhonderd meter afstand ten noorden van de woonkern Kallenkoten en wordt omgeven door landelijk gebie d.
Op onderstaande afbeelding wordt de globale ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart. Globale ligging van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid (bron: ruimtelijkeplannen.nl). 2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied vormt een agrarisch erf en bestaat uit bebouwing, beplanting, grasland en erfverharding. De bebouwing bestaat uit een woning, een veestal en twee kapschuren. De woning beschikt over gemetselde buitengevels met luchtspouw en over een dakpannen gedekt zadeldak met dakisolatie. De veestal bestaat hoofdzakelijk uit hout maar besc hikt deels over gemetselde buitengevels met luchtspouw. De kapschuren zijn volledig van hout. De veestal en de kapschuren zijn gedekt met golfplaten, zonder dakisolatie. In het noordoostelijke deel van het plangebied ligt een houtwal en rondom de woning ligt een eenvoudige siertuin met scheerhagen, heesters, sierplanten en gazon. Centraal in het plangebied staan enkele loofbomen met heesters. Het aanwezige grasland bestaat uit een soortenarme vegetatie en wordt intensief beheerd (bemesten, maaien en afvoeren maaisel). In het noordelijke deel van het plangebied ligt een mestbassin en enkele sleufsilo’s en in het zuidwestelijke deel ligt en paardenbak. In de buitenruimte en in de kapschuren liggen materialen/spullen verspreid (o.a.
oud ijzer, hooibalen, hout, plastic, zeil en opslag kooien). Op onderstaande luchtfoto is de begrenzing van het plangebied aangegeven. Voor een verbeelding van de huidige situatie wordt verwezen naar de fotobijlage.
7 Begrenzing van het plangebied wordt met de rode aangeduid (bron luchtfoto: ruimtelijkeplannen.nl).
8 HOOFDSTUK 3 VOORGENOMEN ACTIVITEITEN 3.1 Algemeen Het voornemen bestaat om 12-16 zorgappartementen, een schuur en een bijgebouw voor bij de bestaande woning te bouwen. Om dit mogelijk te maken wordt de bestaande agrarische bebouwing gesloopt, beplanting gerooid en worden kuilvoerplaten en erfverharding verwijderd. Nadien wordt het plangebied landschappelijk ingepast met diverse beplanting en e en poel. De woning, in het zuidelijke deel van het plangebied, evenals de houtopstanden die langs de noordoostelijke - en zuidwestelijke rand van het plangebied staan blijven behouden. Op onderstaande afbeelding wordt een plattegrond van het wenselijke eindbeeld weergegeven. Plattegrond van het wenselijke eindbeeld (bron: projectontwikkelaar). De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Wet natuurbescherming: • Slopen agrarische bebouwing; • Verwijderen beplanting; • Verwijderen erfverharding en kuilvoerplaten; • Bouwen zorgappartementen, schuur en bijgebouw; • Aanleggen beplanting, poel en erfverharding; 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied.
We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: • Verstoren rust - en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden; Mogelijke permanente invloeden: • Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of voortplantingsplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten; • Vernielen/verdwijnen van beschermde soorten;
9 • Aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten; 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. In deze studie wordt alleen gekeken naar de uitvoering van de fysieke werkzaamheden, zoals sloop-, bouw- en rooiwerkzaamheden. Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: Om de effecten van een voorgenomen activiteiten goed in beeld te kunnen brengen, is het soms van belang ook buiten het plangebied te kijken. In voorliggend geval grenst het plangebied aan agrarisch grasland en verharde openbare ruimte. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat beschermde soorten en/of -waarden buiten het plangebied op een dusdanige wijze aangetast worden, dat dit leidt tot wettelijke consequenties. 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied wordt gelijk gesteld aan het plangebied.
10 HOOFDSTUK 4 TOETSINGSKADERS 4.1 Algemeen In dit Hoofdstuk worden de diverse toetsingskaders toegelicht waaraan het initiatief getoetst wordt. 4.2 Wet natuurbescherming; Natura 2000 Het gebiedsbeschermingsdeel van de Wet natuurbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogel richtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben , zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een vergunning noodzakelijk op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming. 4.3 Wet natuurbescherming; Soortenbescherming In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten.
In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.): • lid 1) Het is ve rboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; • lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben; • lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; • lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.); • lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren; • lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; • lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaa tsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen; • lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.) lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: • onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; • onderdeel b.
de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of 11 • onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B , bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit ontheffingsplicht artikel 3.10 uit de Wet natuurbescherming. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld dient bij overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wn een ontheffing te worden aangevraagd. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werke n volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Wet natuurbescherming. Er is dan geen ontheffing nodig. 4.4 Beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland In de Wet ruimtelijke ordening (Wro ) is het ruimtelijk beleid op rijks -, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN)/Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is verankerd.
De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuu rbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij' -principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel 12 HOOFDSTUK 5 GEBIEDSBESCHERMING 5.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteit en op Natura 2000- gebied en het Natuurnetwerk Nederland. 5.2 Natuurnetwerk Nederland Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (verder NNN genoemd).
De beoordeling of de voorgenomen activiteit past in het NNN, dient met name uitgevoerd te worden in de afweging van een ‘goede ruimtelijke ordening’ als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing. De aanwezigheid van beschermde planten en dieren is daarbij niet direct van belang. Vanwege het grote belang voor de biodiversiteit en de betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving en regionale economie geldt een beschermingsregime voor het gehele NNN. Voor het NNN geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het "nee, tenzij"-regime vastgelegd. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Er kan echter aanleiding zijn om toch ontwikkelingen toe te staan. De mogelijkheid om een uitzondering te maken op de algemene lijn van behoud en duurzame ontwikkeling van wezenlijke kenmerken en waarden, is aan strikte voorwaarden gebonden.
Uiteraard geldt ook hier dat de generieke regeling van toepassing blijft (zoals de toepassing van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken) Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN’ waarbij tevens zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor grootschalige ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: her-begrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel. Het ‘nee, tenzij’-principe en de overige spelregels hebben is opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening van Overijssel . Er is door toepassing van de spelregels ruimte voor het aanpassen van de begrenzing als daarmee de doelen op een betere manier kunnen worden bereikt. Ligging t.o.v. het Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt op minimaal 2,86 kilometer afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren.
Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven. 13 Ligging van Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode marker aangeduid. Gronden die tot Natuurnetwerk Nederland behoren worden met de groene kleur op de kaart aangedui d (bron: geo.overijssel.nl). Beschermingsregime De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking. Toetsing aan provinciaal beleid Omdat het plangebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland. 5.3 Natura 2000 De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifiek e (leefgebieden van) (vogel -)soorten.
De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000 -netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. Beschermingsregime De Wet natuurbescherming regelt in hoofdstuk 2 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: • de leefgebieden van vogels; • de natuurlijke habitats of habitats van soorten (art. 2.1 Wet natuurbescherming); De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op (art. 2.3 Wet natuurbescherming). In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000 -gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000 -gebieden mogen geen significante schade ondervinden.
Dit houdt in da t bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief 2,86 kilometer afstand tussen het plangebied en de gronden die tot NNN behoren 14 mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een ‘voortoets’. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. Ligging van het plangebied t.o.v. Natura-2000 Het plangebied ligt op minimaal 2,72 kilometer afstand van Natura 2000 -gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, is het Holtingerveld. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natura 2000- gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven. Ligging van Natura 2000 -gebied in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode stip aangeduid. Gronden die tot Natura 2000 behoren worden met de okergele kleur aangeduid (bron: geo.overijssel.nl).
Effectbeoordeling Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000 -gebied geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar. Met uitzondering van het aspect stikstof, kunnen negatieve effecten op Natura 2000-gebied uitgesloten worden. Beoordeling stikstof (ontwikkel- en gebruiksfase) Ten behoeve van de totale ontwikkeling van de sloop - en bouwlocatie, wordt materieel met een verbrandingsmotor ingezet en vindt er een tijdelijke toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van de aan- en afvoer van sloop- en/of bouwmaterialen en personeel. Daarnaast nemen, door de bewoning van de nieuwe zorgappartementen, het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied tijdens de gebruiksfase vermoedelijk toe. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, de toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied en de afstand tot Natura 2000 -gebied, kan een negatief effect op Natura 2000 -gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, niet op voorhand uitgesloten worden.
Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden. 5.4 Slotconclusie Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000 -gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Een negatief effect op 2,72 kilometer afstand tussen het plangebied en de gronden die tot Natura 2000 behoren 15 Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000 -gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden. Andere negatieve effecten op Natura 2000 -gebied, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, kunnen wél worden uitgesloten. 16 HOOFDSTUK 6 SOORTENBESCHERMING 6.1 Verwachting en bureauonderzoek Uit de bureaustudie (bronnenonderzoek & NDFF) zijn geen veldbiologische gegevens naar voren gekomen die bruikbaar zijn voor deze studie.
Het plangebied bestaat uit agrarische bebouwing, beplanting, opgeslagen goederen, grasveld, kuilvoerplaten, erfverharding en een kleine vijver. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een potentieel geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde diersoorten. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, behoort het plangebied mogelijk tot functioneel leefgebied van sommige algemene en weinig kritische diersoorten uit onderstaande soortgroepen: • vogels; • vleermuizen; • grondgebonden zoogdieren; • amfibieën; Overige soorten Het onderzoeksgebied is niet onderzocht op het voorkomen van beschermde faunasoorten als reptielen, libellen, vissen, dag - en nachtvlinders, bladmossen, sporenplanten, haften en kreeftachtigen omdat het onderzoeksgebied geen geschikte habitat vormt voor deze s oorten of omdat het plangebied buiten het normale verspreidingsgebied van deze soortgroepen ligt. Het is niet aannemelijk dat soorten, of soortgroepen, die (soms) moeilijk nieuwe leefgebieden koloniseren, zich spontaan buiten het normale verspreidingsgebied vestigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor sommige kleine grondgebonden zoogdieren, reptielen en voor planten. 6.2 Methode In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 18 mei 2022 tijdens de daglichtperiode (ochtend) bezocht.
Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x50) en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. De onderzoeker beschikte tevens over een warmtebeeldcamera (Helion Pulsar xq28). Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: • veldbezoek door ervaren ecoloog; • aanvullend bronnenonderzoek (o.a. internet); • NDFF; Specifieke relevante literatuurbronnen zijn o.a. • Atlas van de amfibieën en reptielen van Nederland; • Atlas van de zoogdieren van Nederland; • Nieuwe atlas van de Nederlandse flora; 17 Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels. De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar (broed)vogels. Vrijwel alle zomergasten zijn reeds teruggekeerd en de meeste vogelsoorten bezetten een territorium in deze tijd van het jaar en vertonen territorium -indicerend gedrag (zingen/balts). Veel vogelsoorten bezetten een nestplaats of hebben al uitgevlogen jongen.
In het plangebied is gekeken naar vogels, oude nesten en sporen die op de aanwezigheid van nes ten in het plangebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal. Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden v an de functie van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels. Grondgebonden zoogdieren Het onderzoeksgebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek en onderzoek naar voortplantingslocaties. Verschillende grondgebonden zoogdieren kunnen zogende jongen hebben in deze tijd van het jaar. Veel grondgebonden z oogdieren benutten de voortplantingsplaats als vaste rustplaats buiten de voortplantingsperiode. Er is in het plangebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het plangebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. De bebouwing is specifiek beoordeeld als potentiële verblijfplaats voor steenmarter.
Vleermuizen De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen omdat vleermuizen in deze tijd van het jaar de zomerverblijfplaats bezetten. Er is in het plangebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rust - verblijfplaatsen van vleermuizen. Het plangebied is bezocht op een moment op de dag dat vleermuizen niet foerageren en geen lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute. De mogelijke betekenis van het plangebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beo ordeling van de landschappelijke karakteristieken van het plangebied. Amfibieën De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën. Sommige amfibieën bezetten de voortplantingswateren in deze tijd van het jaar, terwijl sommig e andere amfibieënsoorten de voortplantingswateren alweer ingeruild hebben voor landbiotoop. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten.
18 6.3 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd. Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken. Vogels Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het plangebied als foerageergebied en vermoedelijk nestelen er jaarlijks vogels in het plangebied. Vogels kunnen een nestlocatie bezetten in de bebouwing en in beplanting. Vogelsoorten die mogelijk in het plangebied nestelen zijn merel, houtduif, holenduif, winterkoning, zwartkop en tjiftjaf. Er zijn tijdens het veldbezoek geen huismussen in het plangebied aangetroffen en er zijn geen geschikte potentiële nestlocaties voor deze soort onder in de bebouwing aangetroffen. Ook zijn er tijdens het veldbezoek geen boerenzwaluwen aangetroffen en zijn er geen sporen van oude nesten van deze soort aangetroffen in de ligboxenstal. Vermoedelijk nestelen er ook vogels in de houtopstanden langs de noordoostelijke- en zuidwestelijke rand van het plangebied. Deze potentiële nestlocatie wordt niet negatief beïnvloed bij uitvoering van de voorgenomen activiteiten.
Er zijn geen oude of potentiële nesten van roofvogels of uilen in of rondom het plangebied waargenomen. Deze nesten zijn doorgaans gemakkelijk te vinden aan de hand van schijtsporen en braakballen. Potentiële nestlocatie van vogels in de beplanting en in de bebouwing. Door het verwijderen van beplanting en het slopen van bebouwing tijdens de voortplantingsperiode, wordt mogelijk een vogel gedood en een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. De betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vogels neemt door de voorgenomen activiteiten niet af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Slopen bebouwing tijdens de voortplantingsperiode; - Verwijderen beplanting tijdens de voortplantingsperiode; Grondgebonden zoogdieren Er zijn in het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen, maar het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende algemene - en weini g kritische grondgebonden zoogdiersoorten als huisspitsmuis , bosmuis, veldmuis en steenmarter. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten huisspitsmuizen en bosmuizen er ook een vaste rust - en voortplantingsplaats. Deze soort en kunnen een rust - en voortplantingsplaats bezetten tussen opgeslagen goederen in toegankelijke gebouwen en in holen en gaten in de grond .
Een geschikte plek voor steenmarter en egel om een vaste rust - of voortplantingsplaats te bezetten, ontbreekt in het plangebied.
19 . Door het verwijderen van opgeslagen goederen en het uitvoeren van grondverzet wordt mogelijk een grondgebonden zoogdieren gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en/of voortplantingsplaats beschadigd en vernield. De betekenis van het plangebied als foerageergebied voor grondgebon den zoogdieren neemt niet af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Uitvoeren grondverzet; - Verwijderen opgeslagen goederen; Vleermuizen • Verblijfplaatsen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een rust - of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten. Er zijn in het plangebied geen potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen waargenomen. De te slopen bebouwing beschikt niet over een (holle) spouwmuur die vleermuizen de kans biedt een verblijfplaats te bezetten. Verder zijn er geen andere potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen, zoals een holle ruimte achter een boe iboord, windveer, loodslab, vensterluik, zonnewering of gevelbetimmering. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats verstoord, beschadigd of vernield.
Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; • Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Vermoedelijk foerageren verschillende vleermuissoorten rond de bebouwing en beplanting, en rond beplanting net buiten het plangebied . Gelet op de inrichting en het gevoerde behee r, wordt het plangebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Door het slopen van bebouwing en het rooien van beplanting neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen mogelijk af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Rooien beplanting; - Slopen bebouwing; • Vliegroute Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij gevels van woningen. Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen.
Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; 20 Amfibieën Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën waargenomen, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als functioneel leefgebied voor sommige algemene en weinig kritische amfibieënsoorten beschouwd. Amfibieën als kleine watersalamander , bruine kikker en gewone pad benutten het plangebied als foerageergebied en mogelijk bezet ten deze soorten er ook een (winter)rustplaats. Deze soorten kunnen een (winter)rustplaats bezetten tussen opgeslagen goederen in toegankelijke gebouwen e n in holen en gaten in de grond . De woning is niet vrij toegankelijk voor amfibieën. Het plangebied wordt niet als functioneel leefgebied van zeldzame amfibieënsoorte n als kamsalamander, rugstreeppad of poelkikker beschouwd. Geschikt voortplantingsbiotoop ontbreekt in het plangebied; de vijver beschikt over hoge verticale oevers. Door het verwijderen van opgeslagen goederen en het uitvoeren van grondverzet wordt mogelijk een amfibie gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rustplaats beschadigd en/of vernield. De betekenis van het plangebied als foerageergebied voor amfibieën neemt niet af.
Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Uitvoeren grondverzet; - Verwijderen opgeslagen goederen; Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het plangebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten. 21 6.4 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep Vogels Als gevolg van het slopen van bebouwing en het verwijderen van beplanting tijdens de voortplantingsperiode wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord, beschadigd en vernield. Van de in het plangebied nestelende soorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen/vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. De betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vogels neemt mogelijk af, maar is voor de voorkomende soorten niet beschermd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari.
Voorgenomen werkzaamheden mogen juridische beschouwd wel plaats vinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Beplanting verwijderen buiten de voortplantingsperiode (of broedvogelscan uitvoeren); - Bebouwing slopen buiten de voortplantingsperiode (of broedvogelscan uitvoeren); Vleermuizen • Verblijfplaatsen Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; • Essentieel foerageergebied Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen mogelijk af.
Het plangebied betreft echter geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; • Essentiële Vliegroute Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op (essentiële) vliegroutes 1 van vleermuizen. 1 Vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd wanneer deze essentieel zijn voor het kunnen functioneren van de verblijfplaats van een vleermuis. Niet ieder lijnvormig element waar langs vleermuizen vliegen is een essentiële vliegroute. 22 Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Grondgebonden zoogdieren Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt een vaste rust - of voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten.
Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `beschadigen/vernielen van vaste rust - en voorplantingsplaatsen’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt geen vrijstelling. De betekenis van het plangebied als foerageergebied voor grondgebonden zoogdieren neemt door uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet af. Mits geen grondgebonden zoogdieren (opzettelijk) gedood worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Indie n niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren gedood worden, dient een ontheffing van de verbodsbepalingen (doden) aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een toepasbare en goedgekeurde gedragscode. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen, mits er geen beschermde zoogdieren gedood worden; Amfibieën Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een beschermd amfibie gedood en wordt mogelijk een (winter)rustplaats beschadigd of vernield.
Voor de beschermde amfibieën, die een (winter)rustplaats in he t plangebied bezetten geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `beschadigen/vernielen van vaste rust - en voorplantingsplaats’. Voor het doden van beschermde amfibiesoorten geldt geen vrijstelling. De betekenis van het plangebied als foerageergebied voor amfibieën neemt niet af. Mits er geen amfibieën (opzettelijk) gedood worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren gedood worden, dient een ontheffing van de verb odsbepalingen (doden) aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een toepasbare en goedgekeurde gedragscode. Er hoeft geen nadegr onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen, mits er geen beschermde amfibieën gedood worden; 23 Overige soorten Het plangebied behoort niet tot functioneel leefgebied van andere beschermde flora - of faunasoorten. Vanwege de lokale invloedsfeer heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op andere beschermde soorten. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk. In onderstaande tabel worden de wettelijke consequenties samengevat weergegeven.
Soortgroep Functie Beschermde soorten planlocatie Verbodsbepalingen (Wet natuurbescherming) Aandachtspunt Grondgebonden zoogdieren Foerageergebied Diverse soorten Niet van toepassing; functie wordt niet aangetast Geen Grondgebonden zoogdieren Vaste rust- en voortplantingsplaats Diverse soorten Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling Geen Grondgebonden zoogdieren Doden van dieren Diverse soorten Art. 3.10 lid 1a Geen dieren doden of ontheffing aanvragen Vogels Foerageergebied Diverse soorten Niet van toepassing; functie is niet beschermd Geen Vogels Bezette nesten (niet jaarrond beschermd) Diverse soorten Art. 3.1 lid 2 Geen bezette nesten negatief beïnvloeden Vogels Jaarrond beschermde nest- en rustplaats Niet aanwezig Niet van toepassing Geen Vogels Doden van dieren Diverse soorten Art. 3.1 lid 1 Geen vogels doden Vleermuizen Rust- of voortplantingsplaats Niet aanwezig Niet van toepassing Geen Vleermuizen Foerageergebied Diverse soorten Niet van toepassing; er wordt geen essentieel foerageergebied aangetast Geen Vleermuizen Vliegroute Niet aanwezig Niet van toepassing Geen Vleermuizen Doden van dieren Niet van toepassing Niet van toepassing Geen Amfibieën Foerageergebied Diverse soorten Niet van toepassing; functie wordt niet aangetast Geen Amfibieën Vaste rustplaats Diverse soorten Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m.
ruimtelijke ontwikkeling Geen Amfibieën Voortplantingsplaats Niet aanwezig Niet van toepassing Geen Amfibieën Doden van dieren Diverse soorten Art. 3.10 lid 1a Geen dieren doden of ontheffing aanvragen Overige soorten Dieren en overige functies Niet aanwezig Niet van toepassing Geen Samenvatting van de wettelijke consequenties. Soortgroep Vaste rust- plaats Voortplan- tingsplaats Vliegroute (vleermuizen) Essentieel foerageer- gebied Wettelijke consequenties Nader onderzoek vereist Ontheffing vereist Grondgebonden zoogdieren Ja Ja n.v.t. Nee Ja Nee Nee, tenzij dieren gedood worden Vogels Nee Ja n.v.t. Nee Ja Nee Nee, tenzij vogels gedood, bezette nesten verstoord, beschadigd of vernield worden Vleermuizen Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Amfibieën Ja Nee n.v.t. Nee Ja Nee Nee, tenzij dieren gedood worden Vereenvoudigde samenvatting van de wettelijke consequenties per diergroep. 6.5 Historische gegevens en overige bronnen Er zijn geen historische gegevens van het plangebied bekend. 6.6 Volledigheid van het onderzoek Het onderzoek is volledig uitgevoerd met geschikte weersomstandigheden. 24 HOOFDSTUK 7 CONCLUSIES De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’.
Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd2. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist of er dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode om ze te mogen verstoren en om opzettelijk de vaste rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Voor het doden van beschermde diersoorten geldt geen vrijstelling van de verbodsbepalingen. Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de Minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, gedragsco de. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000 -gebied.
Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenom en activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000 -gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden. Andere negatieve effecten op Natura 2000 -gebied, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, kunnen wél worden uitgesloten. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of verblijfplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied. Het plangebied is geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen.
Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de bebouwing gesloopt wordt en beplanting verwijderd wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën, die een vaste rust - en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust - en voortplantingsplaatsen’. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dienen ze weggejaagd te worden of weggevangen te worden (en elders losgelaten).
Indien niet voorkomen kan worden dat een beschermd dier gedood wordt, dient een ontheffing aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen mogelijk af. Deze afname leidt niet tot wettelijke consequenties. 2De lijst met soorten waarvoor een vrijstelling geldt in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling, is per 1-12-2019 aangepast. Egel en kleine marterachtigen vallen vanaf die datum niet meer onder de vrijstellingsregeling van de provincie Overijssel. 25 Bijlagen Bijlage 1. De natuurkalender (indicatie voor het uitvoeren van werkzaamheden het kader van de zorgplicht) Bijlage 2. Toelichting Wet natuurbescherming Bijlage 3. Fotobijlage Bijlage 4. Geraadpleegde bronnen:
26 Bijlage 2 Toelichting Wet Natuurbescherming Drie beschermingsregimes De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Alle vogels (ruim 700 soorte n), zijn beschermd. Daarnaast worden ongeveer 230 overige Europese en nationale soorten beschermd. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: - Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is. - Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. - Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort. Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend.