Kuinre, Overhavendijk Oostzijde_Toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan “Kuinre, Overhavendijk Oostzijde” Status: Concept BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 27 gebied te vergroten. Als ontwikkelingen plaatsvinden in het zeekleilandschap, dan dragen deze bij aan behoud en versterking van bestaande erven, lintdorpen en voormalige Zuiderzeestadjes. Toetsing van het initiatief aan de “Laag van het agrarisch cultuurlandschap” In voorliggend geval wordt het nieuwe woongebied zodanig ingepast dat het aansluit bij de landschappelijke structuren. Er wordt een passende landschappelijke inpassing en groene ‘omzoming’ gerealiseerd. Geconcludeerd wordt dan ook dat de ontwikkeling in overeenstemming is met het gestelde in de “Laag van het agrarisch cultuurlandschap”. 4.3.6 Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid Geconcludeerd wordt dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemmi ng is met de uitgangspunten uit het provinciaal beleid, zoals genoemd in de Omgevingsvisie en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel. Bestemmingsplan “Kuinre, Overhavendijk Oostzijde” Status: Concept BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 28 4.4 Gemeentelijk beleid 4.4.1 Omgevingsvisie Steenwijkerland (2017) De Omgevingsvisie richt zich op de fysieke omgeving: de ruimte waarin bewoners, bezoekers, instellingen en ondernemingen van de gemeente zich bevinden en het leefgebied van mensen, planten en dieren.
De gemeente Steenwijkerland wil met de Omgevingsvisie de omgevingskwaliteit van Steenwijkerland naar een hoger plan tillen. Omgevingskwaliteit wordt gedefinieerd als de integrale kwaliteit van ruimtes; het gaat er niet alleen om hoe deze ruimtes eruitzien, maar ook waartoe en op welke manier ze functioneren, hoe ze gebruikt worden en hoe de (functies van de) ruimtes met elkaar samenhangen en bijdragen aan het beter functioneren van de samenleving. Voorloper van de Omgevingsvisie was de Strategische Toekomstvisie 2030. De strategische toekomstvisie bevatte een integrale (en globale) visie op de ontwikke ling van de hele gemeente tot 2030. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van de Toekomstvisie was dat de kwaliteit van Steenwijkerland leidend zijn voor de toekomstige ontwikkelingen. Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan de versterking van Steenwijkerland. De Toekomstvisie had als uitgangspunt dat ontwikkelingsruimte wordt geboden voor wonen, werken en recreëren. De Strategische Toekomstvisie is geïntegreerd in de Omgevingsvisie 2017. Doel van de Omgevingsvisie is de leefbaarheid en de economische kracht van de gemeente te vergroten door de omgevingskwaliteiten van de gemeente te behouden en te versterken. Deze ambitie is er niet een van verre horizonten, maar juist een van realisme en aansluiten bij de identiteit.
In samenwerking tussen inwoners, ondernemers en overheid willen we de kansen benutten die Steenwijkerland biedt. 4.4.1.1 Toetsing aan de Omgevingsvisie Steenwijkerland (2017) Gezien de huidige marktomstandigheden, de grote behoefte aan passende woningen en het feit dat deze braakliggende locatie in het verleden reeds deels tot woondoeleinden is bestemd, maakt dat deze locatie uitermate geschikt is voor woningbouw. De gemeente Steenwijkerland is dan ook voornemens het perceel dusdanig in te richten dat 12 grondgebonden woningen worden gerea liseerd. Tevens worden bij de woningen behorende tuinen en parkeerplaatsen gerealiseerd. Langs de west- en oostrand komt een brede groensingel. Tevens wordt het oostelijke gedeelte van het plangebied groen ingericht (middels een groenbestemming wordt dit ook dusdanig verankerd). Ook tussen de verschillende woonblokken komen groene afscheidingen. De bestaande, kenmerkende bomenrij aan de westelijke zijde blijft behouden. Geconcludeerd wordt dat de in voorliggend bestemmingsplan besloten ontwikkeling aanslui t bij de Omgevingsvisie Steenwijkerland. 4.4.2 Woonagenda Steenwijkerland 2022-2026 4.4.2.1 Algemeen In de woonagenda staat concreet verwoord waar de gemeente Steenwijkerland in de periode 2022 - 2026 wat betreft wonen als gemeente op in wil zetten.
De woonagenda dient ook als basis voor het maken van nieuwe prestatieafspraken met de woningcorporaties. Deze woonagenda is daarnaast input voor de gemeentelijke omgevingsvisie en het omgevingsplan. De Woonagenda Steenwijkerland 2022-2026 volgt de Woonvisie Steenwijkerland 2017-2021 op. Bestemmingsplan “Kuinre, Overhavendijk Oostzijde” Status: Concept BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 29 4.4.2.2 Wonen in Steenwijkerland 2022-2026 Een passende woning voor iedereen De woningmarkt in Steenwijkerland wordt momenteel gedomineerd door schaarste, vooral op de koopmarkt. Dit is een compleet andere werkelijkheid dan was voorzien in de voorgaande beleidsperiode. In de woonvisie 2017-2021 werd slechts een beperkte groei voorzien en in een aantal kernen zelfs krimp. De huidige schaarste is het gevolg van een combinatie van factoren zoals achterblijvende woningbouw o.a. als gevolg van de crisis in het afgelopen decennium, maar ook door verdunning van huishoudens, o.a. door vergrijzing. Om aan de lokale woningvraag te kunnen voldoen moeten er de komende 10 jaren in Steenwijkerland nog 1.735 woningen worden toegevoegd, waarvan 1.435 koopwoningen. Als gevolg van de keuze voor faciliterend grondbeleid en een toename van de verkopen is de voorraad gemeentelijke kavels in grondexploitaties in de afgelopen vijf jaren gedaald van 450 naar 185 kavels.
Voor enkele grondexploitaties zijn nu g een kavels meer beschikbaar. De vraag naar woningen is er in alle kernen, maar is het grootst in de kernen met dagelijkse en niet - dagelijkse voorzieningen: Steenwijk, Vollenhove en Oldemarkt. In de meeste kernen zijn er onvoldoende woningbouwplannen om in de vraag te voorzien. Alleen voor Steenwijk geldt dat de plannen voor woningbouw, qua aantallen redelijk in lijn zijn met de vraag. Qua type woningen is er vooral vraag naar woningen voor kleine huishoudens: betaalbare woningen voor starters en vooral: grondgebonden woningen met slaap- en badkamer beneden en een kleine tuin (patiowoningen) voor ouderen en andere kleine 1 of 2-persoonshuishoudens. Door woningen voor kleine huishoudens toe te voegen zetten we in op doorstroming van kleinere huishoudens vanuit hun gezinswoning naar een meer compacte woning. Hierdoor komen er gezinswoningen vrij voor gezinnen: de laatste paar jaren neemt het aantal (jonge) gezinnen in Steenwijkerland weer toe. De verwachting is dat deze trend de komende jaren nog doorzet. Loka al zijn er soms behoorlijke verschillen tussen de kernen. Zo wonen er in Blokzijl, Giethoorn en Steenwijkerwold redelijk veel 65 - plussers, terwijl er in een kern als Sint-Jansklooster relatief veel jongeren zijn. Het is belangrijk hier bij de woningprogrammering rekening mee te houden.
Sterke kernen en een vitaal buitengebied Het woningmarktonderzoek toont aan dat in Steenwijkerland de woningvraag het grootst is in kernen met een goede bereikbaarheid en voldoende voorzieningen als supermarkt, basisschool of huisarts. De groei concentreert zich daardoor in de ‘voorzieningenkernen’ Steenwijk (inclusief Tuk), Vollenhove en Oldemarkt en de ‘basiskernen’ Steenwijkerwold, Blokzijl, Sint Jansklooster en Giethoorn. De basiskernen kennen wel voorzieningen, maar minder dan de voorzieningenkernen. De ‘woonkernen’ zijn het kleinst, hebben vaak geen supermarkt en ook weinig andere voorzieningen. Deze kernen zijn in het woningmarktonderzoek ingedeeld in de clusters Noordoost, Noordwest en Zuid en de woningbehoefte voor deze kernen is per cluster aangegeven. Aan de slag met invulling van lokale woonbehoefte De groei wordt in Steenwijkerland vooral voorzien in de koopsector, waar tot 2031 nog 1.435 woningen nodig zijn, verdeeld over de verschillende kernen van de gemeente. Qua woningtype is er vooral behoefte aan patiowoningen voor ouderen en andere kleine huishoudens. Dit zijn grondgebonden woningen met een slaapkamer en badkamer op de begane grond en een kleine tuin. In de meeste kernen is ook behoefte aan goedkope (rij)woningen voor starters. Daarnaast is er nog behoefte aan tweekappers en vrijstaande woningen en in sommige (grotere) kernen aan appartementen.
Er is in de gemeente nauwelijks vraag naar woningen in het duurdere segment, boven de € 450.000,- Naast de vraag naar koopwoningen is er nog een lichte vraag naar sociale huur en vrije sector huur, met name in Steenwijk. Voor de sociale huur geldt dat er tot 2031 nog 140 extra sociale huurwoningen nodig zijn om in de vraag te voorzien. Mocht de asielinstroom de komende jaren echter zo hoog blijven als nu het geval is, dan kan op termijn blijken dat de vraag hoger ligt. De vraag naar vrije sector huur betreft ca. 160 woningen. De vraag naar sociale huur is het grootst in Bestemmingsplan “Kuinre, Overhavendijk Oostzijde” Status: Concept BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 30 kernen met voldoende voorzieningen en richt zich in hoofdzaak op grondgebonden woningen met bad- en slaapkamer beneden die inzetbaar zijn voor ouderen maar ook voor andere kleine huishoudens. Betaalbaarheid is een blijvend aandachtspunt. Er is vooral behoefte aan goedkope en betaalbare woningen tot de eerste aftoppingsgrens, met uitzondering van kernen waar wat meer gezinnen wonen. Wat betreft vrije sector huurwoningen is er vooral een behoefte in Steenwijk en in mindere mate in de overige kernen. De gemeente legt de komende jaren de focus op het versneld realiseren van de bestaande harde plancapaciteit (ca. 500 woningen), een versnelling in de doorontwikkeling van de huidige zachte plancapaciteit (idem ca.
500 woningen) en het voorsorteren van aanvullende woningbouwlocaties (ca. 700 woningen). Dit zal moeten voldoen aan de uitkomsten van het woningmarktonderzoek (zie ook beschreven in paragraaf 4.3.2 de ‘Ladderonderbouwing’). Daarnaast maakt de gemeente afspraken met corporaties over de mogelijkheden voor het toevoegen van woningen in de sociale huursector. Ook heeft de gemeente bijzondere aandacht voor levensloopbestendige woningen. 4.4.2.3 Toetsing van het initiatief aan de Woonagenda Steenwijkerland 2022-2026 Zoals uit zowel de ladderonderbouwing als deze toetsing aan de woonvisie blijkt dat het plan voldoet aan de ambitie ten aanzien van woningen in Kuinre. Gezien de huidige marktomstandigheden, de grote behoefte aan passende woningen en het feit dat deze locatie in het verleden reeds deels tot woondoeleinden is bestemd, maakt dat deze locatie uitermate geschikt i s voor woningbouw. Concreet gaat het om vier rijwoningen, zes twee-onder-één-kap woningen en twee vrijstaande woningen. Het gaat in dit plan om zowel (sociale) huurwoningen als koopwoningen. De exacte verdeling tussen huur en koop is nog niet bekend. Hiermee wordt kwalitatief ingespeeld op de doelstelling om zowel huur- als koopwoningen, levensloopbestendige woningen en woningen voor starters toe te voegen.
Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling in lijn is met de Woonagenda Steenwijkerlan d 2022-2026. 4.4.3 Welstandsnota Steenwijkerland De gemeente Steenwijkerland heeft haar gemeentelijke welstandsbeleid opgenomen in de Welstandsnota. Deze geeft de gemeente de mogelijkheid om de cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden die in een bepaald gebied aanwezig zijn, te benoemen en een rol te laten spelen bij de ontwikkeling en beoordeling van bouwplannen. Hiertoe zijn onder andere voor het plangebied van dit bestemmingsplan een aantal welstandscriteria opgesteld, waaraan het bouwplan zal moeten voldoen. Het uitgangspunt is dat het bouwplan een definitief positief welstandsadvies krijgt. 4.4.3.1 Toetsing aan Welstandsnota Steenwijkerland De in voorliggend bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van het mogelijk maken van 12 woningen. De vormgeving van de gewenste woningen is momenteel nog niet bekend en dit zal gedurende de bestemmingsplan-fase nader worden uitgewerkt. Wel kan worden gesteld dat de stedenbouwkundige vormgeving van de woningen zal sluiten aan bij de omgeving. De woningen zullen dan ook een eenvoudige hoofdvorm kennen, met een gedekte kleurstelling. Gedurende de aanvraagfase ‘omgevingsvergunning voor bouwen’ zal het ontwerp door ‘welstand’ getoetst worden.
4.4.4 Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het gemeentelijk beleid zoals genoemd in de Omgevingsvisie Steenwijkerland en de Welstandsnota. Bestemmingsplan “Kuinre, Overhavendijk Oostzijde” Status: Concept BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 31 HOOFDSTUK 5 PLANOLOGISCHE RANDVOORWAARDEN Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet - en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van de voor het nieuw op te stellen bestemmingsplan relevante milieuaspecten. De resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid worden beschreven. Het betreffen de thema’s geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en het Besluit milieueffectrapportage.
5.1 Geluid (Wet geluidhinder) 5.1.1 Wettelijk kader De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maa tregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2 Situatie plangebied Voorliggend bestemmingsplan voorziet in het realiseren van 12 (diverse typologieën) woningen in het plangebied. 5.1.2.1 Wegverkeerslawaai Het plangebied is gelegen, binnen de bebouwde kom, en binnen de wettelijke geluidzone van de doorlopende ‘N351’ en de Punterweg (oostelijke zijde). Onderzocht moet worden of ter plaatse van de te realiseren woningen wordt voldaan aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder. Op het aangrenzende Kuinderdiep geldt een snelheidsregime van 30 km/uur.
Wegen met een snelheidsregime van 30 km/uur hebben geen wettelijke geluidzone en daardoor zijn de grenswaarden uit de Wet geluidhinder niet van toepassing. In jurisprudentie is bepaald dat voor derg elijke wegen bij een ruimtelijke procedure wel een akoestische afweging noodzakelijk is. Een nadere toetsing aan de Wgh is in dit geval noodzakelijk. Daarom is in voorliggend geval een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. In bijlage 1 van deze toelichting is de rapportage bijgevoegd. Hieronder wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies, voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar de bijlage 1. Conclusie Uit de resultaten blijkt dat de geluidbelasting als gevolg van de Punterweg met 39 dB Lden voldoet aan de wettelijke voorkeurswaarde van 48 dB Lden. Voor dit wegvak zijn er dan ook geen belemmeringen geconstateerd. Bestemmingsplan “Kuinre, Overhavendijk Oostzijde” Status: Concept BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 32 Op het Kuinderdiep is de Wet geluidhinder, vanwege het snelheidsregime van 30 km/uur, formeel niet van toepassing. Indien aansluiting wordt gezocht bij de grenswaarden uit de Wet geluidhinder dan wordt met ten hoogste 36 dB Lden ruimschoots voldaan aan de voorkeurswaarde. Ook voor dit wegvak zijn er geen belemmeringen geconstateerd.
De geluidbelasting van het wegvak Provinciale weg N351 voldoet op de tweekapper E en de rijwoningen F aan de wettelijke voorkeurswaarde van 48 dB Lden. Op de overige woningen wordt de wettelijke voorkeurswaarde van 48 dB Lden overschreden. Het betreft de tweekappers A en B en de vrijstaande woning C met een geluidbelasting van 53 dB Lden en op de vrijstaande woning D met een geluidbelasting van 50 dB Lden. Redelijkerwijs zijn er geen doelmatige en/of effectieve maatregelen in de vorm van bron en overdracht mogelijk om de geluidbelasting te reduceren tot de wettelijke voorkeurswaarde. Er wordt ruimschoots voldaan aan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB Lden, er is geen sprake van relevante cumulatie en de woningen beschikken over een geluidluwe gevel. Daarmee is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Om de 12 woningen te realiseren wordt daarmee wel een hogere waarde procedure doorlopen. De benodigde hogere waarden zijn in onderstaande tabel opgenomen, waarbij de specifieke woningen zijn opgenomen in afbeelding 4.1 van het akoestische onderzoek. De ontwerp-beschikking hogere waarden en de bijhorende motivatie hierbij zijn opgenomen in bijlage 6 (ontwerp -besluit) en bijlage 7 (motivatie hogere waarden) bij deze toelichting.
5.1.2.2 Industrielawaai In de omgeving van het plangebied is geen gezoneerd bedrijventerrein, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, aanwezig. Het aspect industrielawaai is niet van toepassing. Wat betreft de invloed van individuele bedrijven op de woning wordt verwezen naar paragraaf 5.5 (milieuzonering). 5.1.2.3 Railverkeerslawaai Railverkeerslawaai wordt in dit geval buiten beschouwing gelaten omdat de dichtstbijzijnde spoorlijn op zeer ruime afstand van het plangebied is gelegen. 5.1.3 Conclusie De Wet geluidhinder vormt, mits een hogere waarde wordt verleend, geen belemmering voor het planvoornemen. 5.2 Bodemkwaliteit 5.2.1 Algemeen Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op
Bestemmingsplan “Kuinre, Overhavendijk Oostzijde” Status: Concept BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 33 elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. In voorliggend geval is door Mann (Milieu Advies Noord-Nederland) een verkennend bodemonderzoek ter plaatse van het plangebied uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport is opgenomen in bijlage 2 bij deze toelichting, hierna wordt ingegaan op de bevindingen. 5.2.2 Situatie plangebied Door middel van het uitgevoerde bodemonderzoek is inzicht verkregen in de milieuhyg iënische kwaliteit van de bodem en het grondwater binnen het onderzoeksgebied aan het Kuinderdiep. Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de voor de onderzoekslocatie opgestelde hypothese “onverdachte locatie”, enkel voor wat betreft de onderzochte bodem in mengmonsters MM-A1 en MM-B3 en het grondwater binnen peilbuis PB1, formeel juist is. Echter gezien de hooguit licht verhoogde gehalten in de overige mengmonsters is er geen aanleiding tot het verrichten van vervolgonderzoek. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek behoeven er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen beperkingen te worden gesteld aan de voorgenomen nieuwbouwplannen binnen het onderzoeksgebied.
In de ondergrond binnen deellocatie B is ter plaatse van de boringen 14 en 15 sprake van laagjes slib tot een zwak slibhoudende bijmenging. Deze bijzonderheden zijn vanwege het verkennende karakter van het onderzoek en de ligging in de ondergrond (respectievelijke van 1,80 tot 2,00 meter beneden maaiveld ter plaatse van boring 14 en van 1,20 tot 1,80 meter beneden maaiveld ter plaatse van boring 15), vooralsnog niet onderzocht. Mocht ter plaatse van deze boringen sprake zijn van graafwerkzaamheden in de ondergrond of mocht grond vrijkomen uit deze betreffende lagen dan wordt aanbevolen voorafgaand hieraan aanvullend onderzoek te verrichten om uit te sluiten of sprake is van afwijkingen in de milieuhygiënische kwaliteit. Dit aanvullende onderzoek is op het moment van het ter inzage gaan van het ontwerp bestemmingsplan nog niet afgerond. Het nader onderzoek wordt voor de vaststelling van dit bestemmingsplan uitgevoerd. Eventuele vervolgacties zijn dan ook in beeld. 5.2.3 Conclusie Het aspect ‘bodemkwaliteit’ vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. 5.3 Luchtkwaliteit 5.3.1 Beoordelingskader Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer.
Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet Luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); • Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); Bestemmingsplan “Kuinre, Overhavendijk Oostzijde” Status: Concept BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 34 5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtverontreiniging van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip ‘niet in betekenende mate’ is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO 2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor - en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: • woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; • woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; • kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO 2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings -, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2 Situatie plangebied Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot de categorieën van gevallen zoals beschreven in 5.3.1.1 kan worden gesteld dat het voorliggend project ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging.
Verder is in voorliggend geval geen sprake van een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 5.3.3 Conclusie Het aspect ‘luchtkwaliteit’ vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 5.4 Externe veiligheid 5.4.1 Algemeen Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet - en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer Bestemmingsplan “Kuinre, Overhavendijk Oostzijde” Status: Concept BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 35 gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisle idingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); • de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); • het Registratiebesluit externe veiligheid; • het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); • het Vuurwerkbesluit; • het Activiteitenbesluit.
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); • de Regeling basisnet; • de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). De regelgeving omtrent buisleidingen is opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2 Gemeentelijk beleid externe veiligheid De gemeente Steenwijkerland wil haar burgers een veilige leefomgeving bieden. Om de verantwoordelijkheid in te vullen heeft de gemeente Steenwijkerland externe veiligheidsbeleid geformuleerd in haar ‘Externe veiligheidsbeleid 2015 – 2018’. Bij externe veiligheid gaat het om de risico's op de omgeving die samenhangen met het produceren, verwerken, opslaan en vervoeren van gevaarlijke stoffen.
Doel van het externe veiligheidsbeleid is om een toetsingskader te hebben dat duidelijk maakt welke externe veiligheidsrisico’s in de gemeente aanwezig zijn en hoe er met deze en toekomstige risico's dient te worden omgegaan. De gemeente neemt bij besluiten in het kader van vergunningverlening en ruimtelijke ordening het externe veiligheidsbeleid in acht, zoals dat in de rapportage is beschreven. 5.4.3 Situatie in en bij het plangebied Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico’s, zoals ongeva llen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (rode ster) en omgeving weergegeven.
Bestemmingsplan “Kuinre, Overhavendijk Oostzijde” Status: Concept BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 36 Afbeelding 5.1 Uitsnede Risicokaart (Bron: Atlas Leefomgeving) Uit de inventarisatie blijkt verder dat het plangebied: - zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); - zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; - niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; - niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. 5.4.4 Conclusie Een en ander brengt met zich mee dat de ontwikkeling in overeenstemming is met wet - en regelgeving ter zake van ‘externe veiligheid’. 5.5 Milieuzonering 5.5.1 Algemeen Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies.
Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.
Bestemmingsplan “Kuinre, Overhavendijk Oostzijde” Status: Concept BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 37 Milieuzonering heeft twee doelen: - het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; - het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de rui mtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden.
De afstanden wor den gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis worden gezien door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2 Gebiedstypen Volgens de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’. - Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot een met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. - Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naa st woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.
Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Het plangebied ligt in een omgeving waar sprake is van menging van functies, te weten woningbouw, sportvelden, water(voorzieningen) en een provinciale weg en bijhorende rotonde. Daarom wordt in dit geval uitgegaan van het omgevingstype ‘Gemengd gebied’. Milieucategorie Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 1 10 m 0 m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Bestemmingsplan “Kuinre, Overhavendijk Oostzijde” Status: Concept BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 38 5.5.3 Situatie plangebied 5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG - uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies ge keken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. In dit geval worden 12 woningen gerealiseerd, in diverse typologieën. De functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving. Van enige vorm van aantasting van het woon - en leefklimaat van omwonenden is dan ook geenszins sprake. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantast. In de omgeving van het plangebied zijn een aantal milieubelastende functies aanwezig waarmee rekening moet worden gehouden. In de onderstaande tabel zijn de bestemmingen benoemd welke eventueel van invloed kunnen zijn op het plangebied. Tevens is aangegeven onder welke categorie de functies in de bestemming valt, welke richtafstand geadviseerd wordt en wat de afstand van deze bestemmingen tot de woningen in het plangebied is.
Functies zoals aanwezig Categorie Richtafstand in meters (in gemengd gebied) Daadwerkelijke meters van de sportvelden tot de woningen (circa) Sportvelden Vv Kuinre Havendijk 1, 8374 ES Kuinre 3.1 30 m 15 m Tankshop 't Kuunders Kwartiertje Burchtstraat 11, 8374 KC Kuinre 2 30 m 70 m Jachthaven/Jachtstalling Havendijk 1, 8374 ES Kuinre 3.1 30 m 125 m Bestemmingsplan “Kuinre, Overhavendijk Oostzijde” Status: Concept BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 39 Sportvelden Opgemerkt wordt dat het sportcomplex aansluitend ten westen van het plangebied is gelegen. Wel is een forse groenstrook (van circa 10 meter breed) tussen de sportvelden en de woonbestemmingen gelegen. In voorliggend geval wordt echter niet aan de grootse richtafstand (30 meter ten aanzien van het geluid van het sportveldcomplex) van Vv Kuinre voldaan. De daadwerkelijke afstand (gemeten vanaf het bouwvlak van de dichtstbijzijnde noordelijkste woningen in het pl angebied tot aan het bestemmingsvlak sportveld) betreft namelijk circa 15 meter. De richtafstand in gemengd gebied betreft echter minimaal 30 meter. In onderhavig geval is het sportveld (het voetbalveld met de ‘doeltjes’) zelf op circa 15 meter afstand gelegen. Bijbehorende gebouwen liggen op meer dan 75 meter afstand.
Voor het overige wordt opgemerkt dat het bijbehorende parkeerterrein van het sportveld ten noorden van het sportveld op meer dan 100 meter afstand van het plangebied is gesitueerd. In dit geval wordt niet aan de geldende richtafstand voldaan, maar is het te verantwoorden een kleinere richtafstand toe te passen, te meer aangezien per saldo slechts 12 woningen worden toegevoegd en de bestaande woningen in het zuidwesten aan de Kuinderdiep op nog kortere afstand vanaf het sportveld zijn gelegen. Daarbij gaat het in dit geval om Vv Kuinre, een kleinschalige voetbalvereniging zonder meerdere grote parkeerterreinen of grote tribunes. Het plangebied grenst aan dat deel van het sportpark dat in de huidige situatie wordt gebruikt als sport-/speelveld, met ‘doeltjes’. Gelet op de logische bestaande indeling van het sportpark is het niet aannemelijk dat in de nabije toekomst de indeling van dit sportpark zal veranderen. Gezien de kleinschaligheid van het sportveld, gezien de bestaande situatie, is er geen overlast te verwachten inzake geluidhinder van het parkeerterrein vanwege slaande deuren, het optrekken en starten van auto’s, auto-alarmen of draaiende motoren, aangezien het parkeerterrein niet nabij het plangebied is gelegen maar juist in het noorden van de sportclub en daarmee aantakt op de Slijkenburgerdijk.
Wat betreft dit aspect ‘geluidhinder’ is in dit kader aansluiting gezocht bij de handreiking "Bedrijven en Milieuzonering", daarin is een richtafstand voor dergelijke sportvelden opgenomen van 10 meter. Daarom is in het kader van de korte ligging van het plangebied ten opzichte van het sportveld uitgegaan van een indicatieve richtafstand van 10 meter. Omdat de afstand tussen de dichtstbijzijnde woning en het sportveld circa 15 meter is, wordt aan deze richtafstand voldaan. Daarom kan in redelijkheid worden gesteld dat de geluidsituatie vanwege het sportveld aanvaardbaar is. Tenslotte wordt opgemerkt dat in de VNG-uitgave standaard wordt uitgegaan van een sportpark met verlichting. Op een deel van de gronden van de sportclub Vv Kuinre zijn zover zichtbaar géén lichtmasten aanwezig. Verder wordt nog opgemerkt, ondanks dat er geen lichtmasten aanwezig zijn, dat in het Activiteitenbesluit voorschriften zijn opgenomen om lichthinder van sportterreinen tegen te gaan. De verlichting ten behoeve van sportbeoefening dient te zijn uitgeschakeld tussen 23.00 uur en 07.00 uur en indien geen sport wordt beoefend of onderhoud plaatsvindt. Voorts is in het Activiteitenbesluit opgenomen dat de lichtinstallatie zodanig wordt uitgevoerd dat directe lichtinstraling op lichtdoorlatende openingen in gevels en daken van nabijgelegen woningen moet worden voorkomen.
Door de grote afstand tot lichtmasten en aanwezigheid van een afschermende groenstrook is er geen sprake van lichthinder Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat voor wat betreft de sportbestemming ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Vanwege bestaande woningen op kortere afstand zullen de sportvelden ook niet verder belemmerd worden. Bestemmingsplan “Kuinre, Overhavendijk Oostzijde” Status: Concept BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 40 Tankstation en Jachthaven Tevens wordt ruimschoots (70 meter) voldaan aan de onderlinge richtafstand voor het tankstation (30 meter), alsook de richtafstand ten opzichte van de jachthaven in het noorden wordt ruimschoots gehaald. Conclusie Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van het plangebied er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 5.5.4 Conclusie milieuzonering Het aspect ‘milieuzonering’ vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 5.6 Geur 5.6.1 Wet geurhinder en veehouderij & Activiteitenbesluit De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën.
Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en • ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. 5.6.2 Situatie plangebied Met dit plan worden 12 extra geurgevoelige objecten toegestaan, namelijk de nieuwe woningen. De dichtstbijzijnde agrarische bedrijven liggen echter ruimschoots buiten het plangebied. Uitgaande van de Wgv (voor dieren met vaste afstanden zoals paarden of koeien), dient de afstand tussen een veehouderij en een nieuwe woning minimaal 100 meter te zijn. Dit geldt niet voor varkenshouderijen, waarvoor per situatie bekeken moet worden of aan de richtafstanden wordt voldaan.
Er zijn in de directe omgeving geen agrarische bedrijven gesitueerd. Aan de genoemde richtafstanden kan dan ook ruimschoots worden voldaan, omdat de agrarische bedrijven met dieren waarvoor vaste afstanden gelden allemaal ruimschoots buiten de kern liggen en het plangebied onderdeel uit maakt van de bebouwde kom van Kuinre. Andere agrarische bedrijven (zonder vaste richtafstand) liggen ook op fors grotere afstanden vanaf het plangebied, zodat daar geen onderzoek naar noodzakelijk is. Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van het plangebied een aanvaardbaar woon - en leefklimaat is te verwachten. Gelet op de afstanden en de bestaande situatie wordt de bedrijfsvoering en Bestemmingsplan “Kuinre, Overhavendijk Oostzijde” Status: Concept BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 41 ontwikkelingsmogelijkheden van de nabijgelegen (potentiële) veehouderij en niet onevenredig belemmerd. 5.6.3 Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor dit plan. 5.7 Ecologie Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier - en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds - en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming.
5.7.1 Gebiedsbescherming 5.7.1.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet Natuurbescherming beschermd. Kern van de Natura 2000 zijn de instandhoudingsdoelstellingen die per Natura 2000 -gebied zijn geformuleerd. Een project of plan mag er niet toe leiden dat de instandhoudingsdoelstellingen niet meer gehaald (kunnen) worden. Dan is sprake van significante gevolgen. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstof-depositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets, waarin wordt getoetst of significante gevolgen voor Natura 2000 -gebied op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een vergunning noodzakelijk op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming.
Woningbouwplannen of vergelijkbare projecten kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen in een Natura 2000 -gebied. Deze toename van de stikstofdepositie kan het gevolg zijn van zowel de aanleg als ook de gebruiksfase. De meest nabijgelegen Natura 2000 gebieden (Wieden en Weerribben) zijn stikstofgevoelige natuurgebieden, welke overbelast zijn. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Weerribben’ ligt op 3,3 kilometer afstand van het plangebied. Ten behoeve van het plan zijn daarom Aerius – berekeningen uitgevoerd voor zowel de aanleg- als ook de gebruiksfase van het plan. De berekeningen en de bijbehorende toelichting zijn als bijlage 3 bij het bestemmingsplan gevoegd. Hierna volgt het resultaat van het uitgevoerde onderzoek. Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000 - gebieden. 5.7.1.2 Natuur Netwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt.
In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij' Bestemmingsplan “Kuinre, Overhavendijk Oostzijde” Status: Concept BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 42 - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. In afbeelding 5.2 is de ligging van het plangebied (rode kader) weergegeven ten opzichte van het NNN. Ligging van het plangebied is weergegeven in rood ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland, dit is de groene arcering. De provinciegrens is aangegeven in het blauw met Overijssel in het noorden en Flevoland in het zuiden. Afbeelding 5.2 Ligging van Natuurnetwerk Nederland ten opzichte van het plangebied (Bron: EcoGroen, bewerkt door BJZ.nu) NNN Overijssel Het plangebied grenst in het noorden aan een uitloper van het bevaarbare kanaal dat door Kuinre loopt. Dit kanaal is onderdeel van het NNN (Provincie Overijssel, 2022) en aangeduid als bestaande natuur (water). De provinciale regels van Overijssel over het NNN gelden alleen voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen het NNN, waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan. Daarvan is hier geen sprake. Het plangebied ligt immers niet binnen het NNN, maar deze uitloper is expliciet buiten de plancontour gelegen. In dit water vinden dan ook geen werkzaamheden plaats.
Jurisprudentie dicteert dat dan wél moet worden getoetst in het kader van de goede ruimtelijke ordening. Dat betekent dat naastgelegen functies elkaar niet mogen hinderen. In deze situatie dient daarom getoetst te worden of de functie ‘woningen’ van het plangebied de functie ‘natuur’ van het aangrenzende kanaal hindert. Bij voorliggend plan blijven het kanaal en de hiernaast gelegen oeverzone onaangetast. De functies woningbouw een natuur hinderen elkaar hier niet. Zo is er geen sprake van aantasting van de samenhang, robuustheid en aaneengeslotenheid van het NNN. Hierom is het nemen van vervolgstappen niet aan de orde. NNN Flevoland De ontwikkeling bevindt zich tevens nabij een deel van het Kuinderbos rond de Hopweg. Het Kuinderbos valt onder het NNN in Flevoland. De provinciale regels van Flevoland dicteren dat er geen externe werking mag optreden als gevolg van de uitvoering van het plan (in tegenstelling tot in Overijssel). Het plan mag zodoende geen significante effecten hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van dit gebied.
Bestemmingsplan “Kuinre, Overhavendijk Oostzijde” Status: Concept BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 43 Van ruimtebeslag of fysieke effecten op het bosgebied is bij voorliggend plan geen sprake. Effecten op de variatie in bodemtypen en vegetaties zijn zodoende niet aan de orde. Externe effecten van woningbouw kunnen worden veroorzaakt door verstorende effecten van licht, geluid en menselijke aanwezigheid. Bepaalde zoogdieren en vogels zijn hiervoor gevoelig. Soorten als ringslang, libell en en vlinders zijn hiervoor niet of nauwelijks gevoelig. Gezien de ligging van de plangebied en de bestaande inrichting en gebruik van de directe omgeving (wonen, infrastructuur en sportvelden) heeft de beoogde woningbouw geen wezenlijke (extra) verstorende effecten op het bosgebied tot gevolg. De aanwezige bosrand voorkomt daarbij dat visuele effecten van licht en beweging het bos binnen dringen. Effecten op de waarde van het boscomplex als kerngebied voor bos- en struweelvogels, boszoogdieren en vleermuizen en als leefgebied voor ringslang, vlinders en (laagveen)libellen zijn niet aan de orde. Van significatie effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Kuinderbos is bij voorliggend plan geen sprake. Hierom is het nemen van vervolgstappen niet aan de orde. 5.7.2 Soortenbescherming 5.7.2.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht.
Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. In voorliggend geval is een quickscan natuurwaarden uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten van dit onderzoek opgenomen. In bijlage 4 bij deze toelichting is de volledige onderzoeksr apportage opgenomen. 5.7.2.2 Situatie plangebied Soortenbescherming • In het plangebied zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. Daarnaast treedt er door de werkzaamheden geen effecten op essentiële vliegroutes of foerageergebieden op. Wel kan er verstoring optreden van (potentiële) verblijfplaatsen buiten het plangebied als gevolg van de werkzaamheden. • In het plangebied zijn geen nestlocaties of (essentieel) leefgebied van jaarrond beschermde vogelsoorten aangetroffen. Wel is broedbiotoop van algemene vogelsoo rten zoals houtduif, merel, kauw, ekster en Turkse tortel te verwachten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden.
• In het plangebied zijn geen beschermde groeiplaatsen van planten of verblijfplaatsen van amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden aangetroffen of te verwachten, uitgezonderd soorten waarvoor vrijstelling geldt in de provincie Overijssel. Advies en aanbeveling • Verstoring van (potentiële) verblijfplaatsen van vleermuizen is te voorkomen door de werkzaamheden enkel tijdens daglicht uit te voeren en geen uitstralende lichtbronnen op potentiële verblijfplaatsen te richten, enkel lichtbronnen naar beneden te richten, of meer groen aan te planten tussen het bos en de woningen. Bestemmingsplan “Kuinre, Overhavendijk Oostzijde” Status: Concept BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 44 • Er wordt geadviseerd om de werkzaamheden zoveel mogelijk buiten het broedseizoen uit te voeren. Voor de meeste te verwachten vogelsoorten kan de periode tussen 1 maart en 15 juli worden aangehouden als broedseizoen. Indien werkzaamheden in de periode half februari tot half november worden opgestart, wordt geadviseerd om voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcontrole door een ter zake deskundige uit te laten voeren. Tijdens de broedvogelcontrole wordt bepaald of zich broedende vogels ophouden binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden.
Bij het aantreffen van nesten van vogels wordt in overleg met een ecologisch deskundige bepaald hoe de werkzaamheden op een zorgvuldige wijze binnen de kaders van de Wet natuurbescherming kunnen worden uitgevoerd. Indien deze voorzorgsmaatregelen in acht worden genomen zijn geen vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming voor algemeen voorkomende broedvogels aan de orde en vormt de aanwezigheid van broedende vogels geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan. Vervolgstappen voor vogels zijn niet aan de orde, mits rekening gehouden wordt met het broedseizoen. Zodoende vormt het onderdeel broedvogels geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan. Tot slot wordt benadrukt dat te allen tijde rekening dient te worden gehouden met de zorgpli cht zoals opgenomen in de Wet natuurbescherming. De zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. 5.7.3 Conclusie Er worden geen negatieve effecten op het NNN en Natura 2000-gebieden verwacht. Daarnaast worden geen negatieve effecten op beschermde soorten in het plangebied verwacht en wordt nader onderzoek niet noodzakelijk geacht.
5.8 Archeologie & Cultuurhistorie 5.8.1 Archeologie 5.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeol ogische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Situatie plangebied Advies Het uitvoeren van archeologisch onderzoek in plangebied is niet noodzakelijk. Het plangebied kan, op archeologische gronden, worden vrijgegeven. Argumentatie De gemeente Steenwijkerland is voornemens om in het plangebied een nieuwe woonwijk met 12 woningen te realiseren. De eerste plannen tot ontwikkeling van dit plangebied stammen uit de periode rond het jaar 2000. Omdat uit het plangebied meerdere vondstmeldingen en waarnemingen bekend zijn, is in het kader van deze plannen in 2000 al besloten tot het uitvoeren van een archeologisch onderzoek.
Allereerst is een uitgebreid bureauonderzoek uitgevoerd (fase 1) op basis Bestemmingsplan “Kuinre, Overhavendijk Oostzijde” Status: Concept BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 45 waarvan een karterend booronderzoek en een geofysisch haalbaarheidsonderzoek zijn uitgevoer d (fase 2). De derde fase bestond uit een aanvullend booronderzoek 1. Hieruit is gebleken dat het fort en een deel van het noordelijk aangrenzende land vanaf de 18 e eeuw door de zee zijn weggeslagen. In het begin van de 19e eeuw lag de kustlijn ter hoogte van het plangebied. Deze resultaten waren reden om een nader archeologisch onderzoek uit te voeren in de vorm van proefsleuven2. De hoge archeologische waarde van het plangebied is bevestigd door het proefsleuvenonderzoek. Er zijn in het noordelijk deel sporen uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd aangetroffen. Ook de noordelijke gracht die rond de schans lag is aangetoond. De aangetroffen archeologische waarden bleken goed geconserveerd. Vervolgens is besloten tot het uitvoeren van een definitief archeolo gisch onderzoek (een opgraving)3. Hierbij wordt een zo groot mogelijk deel van het plangebied vlakdekkend onderzocht. Van de Kuinderschans zijn het noordwest bastion, de aangrenzende courtine en de flank van het noordoostbastion aangetroffen. Er zijn geen sporen van binnenbebouwing aangetroffen.
Ook uit dit onderzoek blijkt dat de schans in de eerste helft van de 18 e eeuw is verdwenen in de zee, net als het zuidelijke uiteinde van de nederzetting. De stenen bebouwing is deels gesloopt en deels weggeslagen door de zee. Het huidige deel van het grotere plangebied Overhavendijk, dat nu ontwikkeld gaat worden, is niet onderzocht, maar toen vrijgegeven. Uit de uitgevoerde onderzoeken bleek dat in het oostelijk deel de Kuinder liep en in latere tijden de kustlijn lag. Dit is mede bevestigd door het aantreffen van beschoeiingen. Op basis van de uitkomsten van het uitgevoerde archeologisch onderzoek is dan ook gebleken dat het uitvoeren van archeologisch onderzoek in het huidige plangebied niet noodzakelijk is. Mocht onverwachts toch wat aangetroffen worden geldt, volgens de Erfgoedwet, art. 5.10 en 5.11, een meldingsplicht bij de minister (www.cultureelerfgoed.nl). 5.8.2 Cultuurhistorie 5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, eleme nten en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet.
Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2023 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. 1 D.A. Bente, 2000: Plangebied Overhavendijk; Gemeente IJsselham; Een archeologisch onderzoek. RAAP- Rapport 623. 2 R.M. Jayasena, 2004: Kuinre, Overhavendijk. Een nederzetting en schans langs de Zuiderzee; Aanvullend Archeologisch Onderzoek. BAAC rapport 04.040. 3 R.M. Jayasena, 2005: Kuinre, een verdronken Zuiderzee nederzetting en schans boven water. BAAC rapport 04.138. Bestemmingsplan “Kuinre, Overhavendijk Oostzijde” Status: Concept BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 46 5.8.2.2 Onderzoeksresultaten cultuurhistorie Er bevinden zich momenteel in het plangebied zelf geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor onderliggend plan. 5.8.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
5.9 Besluit milieueffectrapportage 5.9.1 Kader De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een v olwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: • Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.
Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of bestemmingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden g egeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. 5.9.2 Situatie plangebied 5.9.2.1 Artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming Het plangebied ligt op ruime afstand van de dichtstbijzijnde Natura 2000 -gebieden (ten minste 3,3 kilometer). Gezien de aard en omvang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in relatie tot de ruime afstand tot Natura 2000-gebieden worden geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied.
Een passende Bestemmingsplan “Kuinre, Overhavendijk Oostzijde” Status: Concept BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies 47 beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van het voornemen dan ook niet noodzakelijk. Daarom is geen sprake van een m.er. -plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 5.9.2.3 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor het voldoet aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten mogelijk worden gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en daarmee geen sprake van een directe m.e.r.-plicht. In onderdeel D 11.2 van het besluit wordt de “aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen” genoemd. Indien geoordeeld wordt dat sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' is mogelijk een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk.