CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

I4.1 Raad voor Dierenaangelegenheden - Zienswijze Paardenmarkten in Nederland.pdf

Raadsvergadering 2 mei 2017, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Ingekomen stukken25.899 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Protocol Paardenmarkten Naar mijn mening moet het huidige protocol geactualiseerd worden. De actualisatie zou voldoende waarborgen moeten bieden voor: a. een dusdanige ontkoppeling van paardenmarkten met stressvolle evenementen zodat paardenmarkten geen deel meer uitmaakt van stressvolle evenementen en de paarden hier geen hinder (stress) meer van ondervinden; b. het zoveel mogelijk beperken van risico's op incidenten op paardenmarkten. Uitgangspunt hierbij is de van toepassing zijnde welzijnsregelgeving die ik als bijlage heb bijgesloten. Ik verzoek u uw zienswijze over het protocol en voorstellen tot eventuele aanpassingen zo veel mogelijk in samenwerking met de marktorganisaties van de 5 gemeenten met de grootste paardenmarkten (Hedel, Barneveld, Zuidlaren, Eist, Bemmel), de Sectorraad Paarden, de Dierenbescherming, de KNMvD en Eyes on Animals op te stellen. 2. Implementatie randvoorwaarden door Gemeenten Ik verzoek u vervolgens in overleg te treden met de betrokken gemeenten over de wijze waarop de opgenomen waarborgen (c.q. het beoogde nieuwe protocol) onderdeel gaan varmem van de door de gemeenten af te geven paardenmarktvergunningen waarbij de nadruk eerst ligt op afspraken met de hierboven genoemde 5 gemeenten. Ik verzoek u het onderdeel "Actualisatie protocol" indien mogelijk voor de zomer op te leveren en het voorstel over de afspraken met gemeenten in het najaar.

Vriendelijke groet, Martijn van Dam Staatssecretaris van Economische Zaken Ons kenmerk DGAN·DAD / 16021034 Pagina 2 van 4 RDA.2017.036 Zienswijze ‘Paardenmarkten in Nederland - Man en Paard noemen’ 56

RDA.2017.036 Zienswijze ‘Paardenmarkten in Nederland - Man en Paard noemen’ 57

RDA.2017.036 Zienswijze ‘Paardenmarkten in Nederland - Man en Paard noemen’ 58 Bijlage 2 Vigerende teksten in Wet- en regelgeving gerelateerd aan paardenmarkten incl. transport Transportverordening 1/2005 – beknopte selectie van relevante regels in relatie tot paardenmarkten Overwegende hetgeen volgt: (5) Met het oog op het dierenwelzijn moet het langdurig vervoeren van dieren, met inbegrip van slachtdieren, zoveel mogelijk beperkt worden. (12) Vervoer voor commerciële doeleinden is niet beperkt tot vervoer waarbij een onmiddellijke uitwisseling van geld, goederen of diensten plaatsvindt. Vervoer voor commerciële doeleinden omvat met name vervoer dat rechtstreeks of onrechtstreeks leidt dan wel of strekt tot het maken van winst. (13) Het lossen en daarna opnieuw laden van dieren kan bij hen ook stress veroorzaken, en contact op controleposten, vroeger „halteplaatsen” genaamd, kan in bepaalde gevallen tot verspreiding van besmettelijke ziekten leiden. Daarom m oeten specifieke maatregelen worden getroffen voor de gezondheid en het welzijn van dieren wanneer deze rusten bij een controlepost. (14) Wanneer het welzijn van dieren te wensen overlaat, is dat dikwijls te wijten aan een gebrek aan kennis.

Een adequate opleiding is daarom een eerste vereiste voor iedereen die tijdens het vervoer met dieren omgaat; deze opleiding mag alleen worden verstrekt door instanties die door de bevoegde autoriteiten zijn erkend. (16) Bij het vervoer van dieren zijn niet alleen verv oerders betrokken, maar ook veehouders, handelaars, verzamelcentra, slachthuizen e.d. Bijgevolg moeten sommige verplichtingen met betrekking tot het welzijn van dieren gelden voor iedereen die bij het vervoer van dieren betrokken is. (18) Langdurige transp orten zijn waarschijnlijk schadelijker voor het welzijn van de dieren dan korte transporten. Er moeten dan ook speciale procedures worden ontworpen om een betere handhaving van de normen te garanderen, met name door de traceerbaarheid van de transporten te verbeteren. (21) Geregistreerde eenhoevigen, als gedefinieerd in artikel 2, onder c), van Richtlijn 90/426/EEG, worden vaak voor niet-commerciële doeleinden vervoerd, en dat vervoer moet plaatsvinden overeenkomstig de algemene doelstellingen van deze verordening. Gelet op de aard van dat vervoer, is het dienstig om van bepaalde voorschriften af te wijken wanneer geregistreerde eenhoevigen worden vervoerd voor wedstrijden, races, culturele manifestaties of fokdoeleinden.

Die uitzonderingen mogen evenwel nie t gelden voor eenhoevigen die rechtstreeks, of via een markt of een verzamelcentrum naar een slachthuis worden vervoerd om te worden geslacht, en die overeenkomst artikel 2, onder d), en artikel 8, lid 1, tweede streepje van Richtlijn 90/426/EEG moeten wor den beschouwd als „als slachtdieren gehouden paardachtigen”. (22) Het feit dat overtredingen van de wetgeving inzake dierenwelzijn onvoldoende worden bestraft, nodigt uit tot niet -naleving van die wetgeving en leidt tot concurrentievervalsing. Daarom moete n er in de gehele Gemeenschap uniforme procedures komen om de controles uit te breiden en de straffen op overtredingen van de dierenwelzijnswetgeving aan te scherpen. De lidstaten moeten voorschriften inzake sancties vaststellen die van toepassing zijn op overtredingen van de bepalingen van deze verordening, en ervoor zorgen dat die worden toegepast. Deze sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

(26) De voorschriften en informatieprocedures van Richtlijn 89/608/EEG van de Raad van 21 no vember 1989 betreffende wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de lidstaten en samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie, met het oog op de juiste toepassing van de RDA.2017.036 Zienswijze ‘Paardenmarkten in Nederland - Man en Paard noemen’ 59 veterinaire en zoötechnische wetgeving, moeten ook gel den ten aanzien van het welzijn van dieren tijdens het vervoer, teneinde overeenstemming met deze verordening te waarborgen. HOOFDSTUK I Artikel 1: Toepassingsgebied 1. Deze verordening is van toepassing op het vervoer van levende gewervelde dieren binnen de Gemeenschap, alsmede op de door ambtenaren te verrichten speciale controles op partijen dieren die het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen of verlaten. 5. Deze verordening is niet van toepassing op het vervoer van dieren dat geen verband houdt met een economische bedrijvigheid, en ook niet op het rechtstreekse vervoer van dieren van of naar diergeneeskundige praktijken en klinieken dat door de dierenarts is voorgeschreven. Artikel 3: Algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren Het is verboden dieren te vervoeren of te laten vervoeren op zodanige wijze dat het de dieren waarschijnlijk letsel of onnodig lijden berokkent.

Bovendien moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan: a) vooraf zijn alle nodige voorzieningen getroffen om de duur van het transport tot een minimum te beperken en tijdens het transport in de behoeften van de dieren te voorzien; b) de dieren zijn geschikt voor het voorgenomen transport; c) het vervoermiddel is zodanig ontworpen en geconstrueerd, en wordt op zodani ge wijze onderhouden en gebruikt dat de dieren letsel en lijden bespaard blijft en dat hun veiligheid is gegarandeerd; d) de laad - en losvoorzieningen zijn zodanig ontworpen en geconstrueerd, en worden op zodanige wijze onderhouden en gebruikt dat de diere n letsel en lijden bespaard blijft en dat hun veiligheid is gegarandeerd; e) het personeel dat met de dieren omgaat, heeft daarvoor de nodige opleiding of bekwaamheid, naar gelang van het geval, en voert zijn werkzaamheden uit zonder gebruikmaking van gewe ld of een methode die de dieren onnodig angstig maakt of onnodig letsel of leed toebrengt; f) het transport wordt zonder oponthoud tot de plaats van bestemming uitgevoerd, en de omstandigheden voor het welzijn van de dieren worden regelmatig gecontroleerd en naar behoren in stand gehouden; g) de dieren beschikken, gelet op hun grootte en op het voorgenomen transport, over voldoende vloeroppervlak en stahoogte; h) de dieren krijgen op gezette tijden water, voeder en rust, in kwaliteit en in kwantiteit

afgestemd op hun soort en grootte. HOOFDSTUK II ORGANISATOREN, VERVOERDERS, HOUDERS EN VERZAMELCENTRA Artikel 4 1. Dieren mogen alleen worden vervoerd wanneer in het voertuig documenten met de volgende gegevens aanwezig zijn: a) de herkomst en de eigenaar; b) de plaats van vertrek; c) datum en uur van vertrek; d) de plaats van bestemming; e) de verwachte duur van het voorgenomen transport. Artikel 5 3. De organisatoren zorgen er voor elk transport voor dat: a) het welzijn van de dieren niet in het gedr ang komt door onvoldoende coördinatie van de verschillende onderdelen van het transport, dat rekening wordt gehouden met de weersomstandigheden, en dat RDA.2017.036 Zienswijze ‘Paardenmarkten in Nederland - Man en Paard noemen’ 60 b) een natuurlijke persoon belast wordt met het op elk gewenst moment verstrekken van informatie aan de bevoegde autoriteit over de planning, uitvoering en voltooiing van het transport. 4. Voor lange transporten tussen de lidstaten en met derde landen van als landbouwhuisdier gehouden eenhoevigen, met uitzondering van geregistreerde eenhoevigen, runderen , schapen, geiten en varkens moeten de vervoerders en organisatoren voldoen aan de in bijlage II opgenomen voorschriften inzake het journaal. Artikel 6 4.

De vervoerders laten alleen personeel met dieren omgaan dat een opleiding heeft ontvangen met betrekking tot de voorschriften van de bijlagen I en II. 5. Een wegvoertuig waarmee als landbouwhuisdier gehouden eenhoevigen, runderen, schapen, geiten of varkens, dan wel pluimvee vervoerd worden, mag alleen bestuurd of indien het een verzorger betreft, begeleid worden door een persoon die in het bezit is van een getuigschrift van vakbekwaamheid overeenkomstig artikel 17, lid 2. 6. De vervoerders zorgen ervoor dat iedere partij dieren vergezeld wordt door een verzorger, behalve in de volgende gevallen: a) de dieren worden vervoerd in afgesloten containers die voldoende worden geventileerd en die, zo nodig, voorzien zijn van voeder - en drinkautomaten die niet kunnen worden omgestoten, en die voldoende voeder en water bevatten voor een transport dat dubbel zo lang duurt als het verwachte transport; b) de chauffeur treedt tevens op als verzorger. 7. De leden 1, 2, 4 en 5 zijn niet van toepassing op personen die dieren vervoeren over een afstand van maximaal 65 km, gerekend vanaf de plaats van vertrek tot de plaats van bestemming. Artikel 8 1. De houders van dieren op de plaats van vertrek, overlading of bestemming zorgen ervoor dat de technische voorschriften van bijlage I, hoofdstuk I, en hoofdstuk III, afdeling 1 met betrekking tot het vervoer van dieren nageleefd worden. 2.

De houders controleren alle dieren bij aankomst op de plaats van doorvoer of op de plaats van bestemming, en gaan na of zij een lang transport tussen de lidstaten of met derde landen ondergaan, dan wel ondergaan hebben. In het geval van lange transporten van als landbouwhuisdier gehouden eenhoevigen — met uitzondering van geregistreerde eenhoevigen — runderen, schapen geiten en varkens moeten de houders voldoen aan de bepalingen inzake het journaal van bijlage II. Artikel 9 1. De exploitanten van verzamelcentra zorgen ervoor dat de dieren behandeld worden overeenkomstig de technische voorschriften van bijlage I, hoofdstuk I, en hoofdstuk III, afdeling 1. 2. De exploitanten van verzamelcentra die overeenkomstig de communautaire veterinaire wetgeving zijn erkend, moeten bovendien voldoen aan de aanvullende voorschriften HOOFDSTUK III TAKEN EN VERPLICHTINGEN VAN DE BEVOEGDE AUTORITEITEN Artikel 17:Opleiding en getuigschrift van vakbekwaamheid 2. Het getuigschrift v an vakbekwaamheid voor bestuurders van wegvoertuigen en verzorgers die als landbouwhuisdier gehouden eenhoevigen, runderen, schapen, geiten of varkens, en pluimvee vervoeren als bedoeld in artikel 6, lid 5, wordt verleend overeenkomstig bijlage IV. Artikel 21: Controles op plaatsen van uitgang en grensinspectieposten 2.

Bij lange transporten van als landbouwhuisdier gehouden eenhoevigen, runderen, schapen, geiten of varkens verrichten de officiële dierenartsen van de plaatsen van uitgang en grensinspect ieposten de in bijlage II, Journaal, afdeling 3 („Plaats van bestemming”) vermelde controles, en tekenen zij de resultaten daarvan op. RDA.2017.036 Zienswijze ‘Paardenmarkten in Nederland - Man en Paard noemen’ 61 3. Indien de bevoegde autoriteit van oordeel is dat de dieren niet in staat zijn om de reis te voltooien, moeten zij uitgeladen, gedrenkt en gevoederd worden, en rust krijgen. BIJLAGE I TECHNISCHE VOORSCHRIFTEN HOOFDSTUK I GESCHIKTHEID VOOR VERVOER 1. Alleen dieren die geschikt zijn voor het voorgenomen transport mogen worden vervoerd, en de vervoersomstandigheden moeten van dien aard zijn dat de dieren geen letsel of onnod ig lijden kan worden berokkend. 2.

Gewonde, zwakke en zieke dieren worden niet in staat geacht te worden vervoerd, met name in de volgende gevallen: a) wanneer de dieren niet in staat zijn zich op eigen kracht pijnloos te bewegen of zonder hulp te lopen; b) wanneer zij ernstige open wonden of een prolaps vertonen; c) wanneer het drachtige dieren betreft waarvan de draagtijd reeds voor 90 % of meer gevorderd is, of dieren die in de week ervoor geworpen hebben; d) wanneer het pasgeboren zoogdieren betreft waarvan de navel nog niet volledig geheeld is; e) wanneer het varkens van minder dan drie weken, lammeren van minder dan een week of kalveren van minder dan tien dagen betreft, tenzij zij over minder dan 100 km worden vervoerd; f) wanneer het honden en katten van minder dan acht weken betreft, tenzij zij vergezeld zijn van hun moeder; g) wanneer het herten met een bastgewei betreft. 3.

Zieke of gewonde dieren kunnen echter in staat worden geacht te worden v ervoerd in de volgende gevallen: a) wanneer het licht gewonde of zieke dieren betreft waarvoor het vervoer geen extra lijden veroorzaakt; bij twijfel wordt het advies van de dierenarts ingewonnen; b) wanneer zij vervoerd worden voor de doeleinden van Richtlijn 86/609/EEG van de Raad indien de ziekte of de verwonding deel uitmaakt van het onderzoeksprogramma; c) wanneer zij onder veterinair toezicht vervoerd worden ten behoeve van of ingevolge een veterinaire behandeling of diagnose. Dit vervoer mag echter alleen worden toegestaan als het de dieren geen onnodig leed berokkent en zij niet mishandeld worden; en d) wanneer zij veterinaire procedures hebben ondergaan die verband houden met landbouwpraktijken, zoals onthoorning of castratie, mits de wonden daarvan volledig geheeld zijn. 4. Wanneer dieren tijdens het vervoer ziek worden of gewond raken, moeten zij van de andere dieren worden gescheiden en moeten zij zo spoedig mogelijk eerste hulp krijgen. Zij moeten een passende diergeneeskundige behandeling krijgen en, zo nodig, een noodslachting ondergaan of gedood worden op een wijze die geen onnodig lijden veroorzaakt. 5.

Aan te vervoeren dieren mogen alleen kalmerende middelen worden verstrekt als dat voor het welzijn van de dieren strikt noodzakelijk is; deze middelen mogen alleen worden gebruikt onder toezicht van een dierenarts. 7. De voorschriften van punt 2, c) en d), gelden niet voor geregistreerde eenhoevigen indien het doel van het transport is de gezondheids - en welzijnsomstandigheden rondom de geboorte te verbeteren, of voor pasgeboren veulens met het geregistreerde moederpaard, in beide gevallen op voorwaarde dat de dieren permanent begeleid worden door een verzorger die zich gedurende het transport aan hun verzorging wijdt. RDA.2017.036 Zienswijze ‘Paardenmarkten in Nederland - Man en Paard noemen’ 62 HOOFDSTUK II VERVOERMIDDELEN 1. Bepalingen voor vervoermiddelen in het algemeen 1.1.

De vervoermiddelen, containers en toebehoren moeten zodanig zijn ontworpen en geconstrueerd, en op zodanige wijze worden onderhouden en gebruikt dat: a) letsel en onnodig lijden van de dieren voorkomen wordt en hun veiligheid gegarandeerd is; b) zij de dieren bescherming bieden tegen slechte weersomstandigheden, extreme temperaturen en klimaatveranderingen; c) zij gemakkelijk gereinigd en ontsmet kunnen worden; d) de dieren niet kunnen ontsnappen of eruit kunnen vallen, en zij de bewegingsbelasting kunnen weerstaan; e) steeds een aan de vervoerde diersoort aangepaste luchtkwaliteit en -hoeveelheid gewaarborgd is; f) de dieren toegankelijk zijn zodat ze gecontroleerd en verzorgd kunnen worden; g) zij voorzien zijn van een antislipvloer; h) het weglekken van urine en uitwerpselen tot een minimum beperkt is; i) voldoende verlichting aanwezig is om te dieren tijdens het vervoer te kunnen controleren en verzorgen. 1.2. In het dierencomparti ment en op de verschillende laadvloeren dient voldoende ruimte te zijn om voor adequate ventilatie boven de dieren te zorgen wanneer deze in hun natuurlijke houding rechtop staan, zonder dat zij gehinderd worden in hun natuurlijke bewegingen. 1.3.

Bij wilde dieren en, waar nodig, bij andere diersoorten dan als landbouwhuisdier gehouden eenhoevigen, runderen, schapen, geiten of varkens, vergezellen de volgende documenten de dieren: a) een waarschuwing dat het om wilde, schuwe of gevaarlijke dieren gaat; b) schriftelijke instructies betreffende het voederen, drenken en eventueel vereiste speciale verzorging. 1.4. Tussenschotten moeten sterk genoeg zijn om het gewicht van de dieren te weerstaan. De uitrusting moet zo ontworpen zijn dat zij snel en gemakkelijk kan worden bediend. HOOFDSTUK III VERVOERMETHODEN 1. Laden, lossen en behandeling van de dieren 1.1. Er moet passende aandacht worden besteed aan de behoeften van bepaalde categorieën dieren, zoals wilde dieren, zodat zij vóór het voorgenomen transport aan de wijze van vervoer kunnen wennen. 1.2. Indien het laden of lossen meer dan vier uur duurt, behalve in het geval van pluimvee: a) moeten er passende voorzieningen aanwezig zijn waar de dieren zich, niet aangebonden, buiten het vervoermiddel kunnen ophouden, en kunnen eten en drinken; b) moeten de verrichtingen onder toezicht staan van een bevoegde dierenarts en moeten er bijzondere voorzorgen genomen worden om ervoor te zorgen dat het welzijn van de dieren tijdens deze verrichtingen op de juiste wijze wordt gehandhaafd. Voorzieningen en procedures 1.3.

De voorzieningen voor het laden en lossen, met inbegrip van de vloeren, moeten zodanig zijn ontworpen en geconstrueerd, en op zodanige wijze worden onderhouden en gebruikt dat: a) tijdens de verplaatsing van de dieren letsel en lijden worden voorkomen en opwinding en stress tot een minimum worden beperkt, en dat de veiligheid van de dieren wordt gewaarborgd; zo mogen met name de vloeren niet glad zijn en moeten er beschuttende zijkanten aanwezig zijn om ontsnappen van de dieren te voorkomen; b) zij gemakkelijk gereinigd en ontsmet kunnen worden. 1.4. a) Laadbruggen mogen voor paarden niet steiler zijn dan 20 graden, oftewel 36,4 %. Wanneer de hellingsgraad meer dan 10 graden is, oftewel 17,6 %, moet de la adbrug voorzien zijn van een systeem, RDA.2017.036 Zienswijze ‘Paardenmarkten in Nederland - Man en Paard noemen’ 63 bijv. dwarslatten, waardoor de dieren gemakkelijk en zonder risico of problemen het voertuig in en uit kunnen lopen. b) Hefplatforms en verdiepingen moeten voorzien zijn van veiligheidshekken die voorkomen dat dieren e r tijdens het laden of lossen af vallen of ontsnappen. 1.6. Tijdens het laden en lossen moet passende verlichting aanwezig zijn. Behandeling 1.8.

Het is verboden: a) de dieren te slaan of te schoppen; b) op een bijzonder gevoelig deel van het lichaam op zodanige wijze druk uit te oefenen dat het de dieren onnodige pijn of onnodig lijden berokkent; c) de dieren met mechanische middelen in een hangende positie te houden; d) de dieren bij kop, oren, horens, poten, staart of vacht op te tillen of voort te tr ekken, of ze zodanig te behandelen dat het hun onnodige pijn of onnodig lijden berokkent; e) prikstokken of andere puntige voorwerpen te gebruiken; f) opzettelijk dieren te hinderen die gedreven of geleid worden door een gedeelte waar doorstroming nodig is. 1.9. Het gebruik van apparaten waarmee elektrische schokken worden toegediend, moet zoveel mogelijk worden vermeden. Deze instrumenten mogen in elk geval alleen worden gebruikt voor volwassen runderen en volwassen varkens die weigeren zich te verplaatsen… 1.10 Markten of verzamelcentra dienen, zo nodig, voorzieningen te verstrekken voor het aanbinden van de dieren. Dieren die dit niet gewend zijn, mogen niet worden aangebonden. De dieren moeten toegang tot water hebben. 1.11 Dieren mogen in geen geval aa n horens, gewei, neusringen of met samengebonden poten worden aangebonden. Kalveren mogen niet worden gemuilkorfd. Als landbouwhuisdier gehouden eenhoevigen ouder dan acht maanden moeten tijdens het vervoer een halster dragen, niet -afgerichte paarden uitgezonderd.

Wanneer de dieren moeten worden aangebonden, moeten de gebruikte touwen, tuiers of andere middelen worden gebruikt: a) die zo sterk zijn dat ze onder normale vervoersomstandigheden niet breken; b) waarmee de dieren eventueel kunnen gaan liggen, eten en drinken; c) die zo ontworpen zijn dat ieder risico van wurging of verwonding is uitgesloten, en de dieren snel kunnen worden losgemaakt. Scheiding 1.12. De volgende dieren worden gescheiden behandeld en vervoerd: a) dieren van verschillende soorten; b) dieren van beduidend verschillende grootte of leeftijd; c) volwassen fokberen en fokhengsten; d) geslachtsrijpe mannelijke en vrouwelijke dieren; e) dieren met en dieren zonder horens; f) dieren die elkaar vijandig gezind zijn; g) aangebonden en niet-aangebonden dieren. 1.13. Het bepaalde in punt 1.12, onder a), b), c) en e), is niet van toepassing als de dieren in bij elkaar passende groepen zijn opgefokt of aan elkaar gewend zijn, als de scheiding leed veroorzaakt of als vrouwelijke dieren vergezeld gaan van jongen die van hen afhankelijk zijn. RDA.2017.036 Zienswijze ‘Paardenmarkten in Nederland - Man en Paard noemen’ 64 2. Tijdens het vervoer 2.1. De beschikbare ruimte dient ten minste overeen te stemmen met de in hoofdstuk VII voor de desbetreffende dieren en vervoermiddelen vermelde waarden. 2.2.

Als landbouwhuisdier gehouden eenhoevigen, merries met hun veulen uitgezonderd, moeten in individuele standen worden vervoerd wanneer het voertuig op een roroschip wordt geladen. Er kan bij nationale regels een afwijking van deze bepaling worden toegestaan, mits deze regels door de lidstaten ter kennis worden gebracht van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid. 2.3. Eenhoevigen mogen niet in voertuigen met meerdere laadvloeren vervoerd worden, tenzij de dieren op de onderste laadvloer geladen worden terwijl de hogere laadvloeren leeg blijven. De inwendige hoogte van het compartiment dient ten minste 75 cm hoger te zijn dan de schofthoogte van het grootste dier. 2.4. Niet-afgerichte eenhoevigen mogen niet in groepen van meer dan vier dieren worden vervoerd. 2.5. De punten 1.10 tot en met 1.13 zijn van overeenkomstige toepassing op het vervoermiddel. 2.6. Er moet voor voldoende ventilatie gezorgd worden zodat volledig aan de behoeften van de dieren wordt voldaan, met name rekening houdend met het aantal en het soort van de te vervoeren dieren en de verwachte weersomstandigheden tijdens het transport. 2.7. Tijdens het vervoer moeten de dieren met passende tussenpozen, en met name met inachtneming van de voorschriften in hoofdstuk V, gedrenkt en gevoederd worden en de gelegenheid krijgen om te rusten, op een wijze die bij hun soort en leeftijd past.

Tenzij anders bepaald, moeten zoogdieren en vogels ten minste om de 24 uur gevoederd en ten minste om de 12 uur gedrenkt worden. Water en voeder moeten van goede kwali teit zijn, en moeten de dieren op zodanige wijze worden aangeboden dat het risico van besmetting tot een minimum beperkt is. De nodige aandacht moet worden besteed aan het feit dat dieren aan de voeder- en drenkmethoden moeten wennen. HOOFDSTUK V TUSSENPOZEN VOOR HET DRENKEN EN HET VOEDEREN, ALSMEDE TRANSPORT - EN RUSTTIJDEN 1. Als landbouwhuisdier gehouden eenhoevigen, runderen, schapen, geiten en varkens 1.1. De voorschriften van deze afdeling zijn van toepassing op het vervoer van als landbouwhuisdier gehouden eenhoevigen, met uitzondering van geregistreerde eenhoevigen, runderen, schapen, geiten en varkens, met uitzondering van het luchtvervoer. 1.2. De transporttijd van dieren die behoren tot de in punt 1.1 bedoelde soorten, mag niet langer zijn dan 8 uur. 1.3. De in punt 1.2 genoemde maximale transporttijd kan worden verlengd indien aan de aanvullende voorschriften van hoofdstuk VI is voldaan. 1.4.

Wanneer wegvoertuigen worden gebruikt die voldoen aan de voorschriften van punt 1.3, gelden de volgende tussenpozen voor het voederen en drenken, alsmede de volgende transport- en rusttijden: a) Kalveren, lammeren, jonge geiten en niet gespeende veulens op melkvoeding alsmede niet gespeende biggen moeten na een transporttijd van 9 uur een voldoende rusttijd van ten minste 1 uur krijgen, waarin zij met name gedrenkt en zo nodig gevoederd worden. Na deze rusttijd kunnen zij opnieuw gedurende 9 uur worden vervoerd. c) Voor als landbouwhuisdier gehouden eenhoevigen bedraagt de maximale transporttijd 24 uur. Tijde ns het transport moeten zij om de 8 uur worden gedrenkt en zo nodig gevoederd. d) Alle andere dieren van de in punt 1.1 bedoelde soorten moeten na een transporttijd van 14 uur een voldoende rusttijd van ten minste 1 uur krijgen, waarin zij worden gedrenkt en zo nodig gevoederd. Na deze rusttijd kunnen zij opnieuw gedurende 14 uur worden vervoerd. 1.5. Na de vastgestelde transporttijd moeten de dieren worden uitgeladen, gevoederd en gedrenkt, en moeten zij een rusttijd van ten minste 24 uur krijgen. RDA.2017.036 Zienswijze ‘Paardenmarkten in Nederland - Man en Paard noemen’ 65 1.8. In het belang van de dieren kunnen de transporttijden bedoeld in de punten 1.3, 1.4 en 1.7, onder b), met twee uur worden verlengd, met name gelet op de nabijheid van de plaats van bestemming.

1.9. Onverminderd het bepaalde in de punten 1.3 tot en met 1.8 kun nen de lidstaten een niet te verlengen maximale transporttijd van acht uur vaststellen voor het vervoer van voor de slacht bestemde dieren, uitsluitend wanneer dit vervoer plaatsvindt tussen een punt van vertrek en een punt van bestemming die beide gelegen zijn op het eigen grondgebied van een lidstaat. 2. Andere soorten 2.3. Andere dan de in de punten 2.1 en 2.2 genoemde diersoorten moeten vervoerd worden overeenkomstig de schriftelijke instructies omtrent voederen en drenken, en rekening houdend met de eventueel vereiste speciale verzorging. HOOFDSTUK VI AANVULLENDE BEPALINGEN VOOR LANGE TRANSPORTEN VAN ALS LANDBOUWHUISDIER GEHOUDEN EENHOEVIGEN, RUNDEREN, SCHAPEN, GEITEN EN VARKENS 1. Alle lange transporten Dak 1.1. Het vervoermiddel moet uitgerust zijn met een dak in een lichte kleur en moet goed geïsoleerd zijn. Vloer en strooisel 1.2. De dieren moeten beschikken over passend strooisel of gelijkwaardig materiaal dat comfortabel is, en is afgestemd op de vervoerde diersoorten, het aantal vervoerde di eren, de transporttijd en de weersomstandigheden. Dit materiaal moet een adequate absorptie van de urine en de uitwerpselen garanderen. Voeder 1.3. Het vervoermiddel moet een hoeveelheid voeder aan boord hebben die toereikend is om aan de behoeften van de dieren in kwestie tijdens het transport te voldoen.

Het voeder moet tegen weersinvloeden en verontreinigingen als stof, brandstof, uitlaatgassen, urine en mest beschermd zijn. 1.4. Als voor het voederen van de dieren speciale apparatuur wordt gebruikt, moe t die in het vervoermiddel worden meegevoerd. 1.5. Indien in punt 1.4 bedoelde voederapparatuur wordt gebruikt, moet die op zodanige wijze ontworpen zijn dat zij, zo nodig, aan het vervoermiddel kan worden bevestigd om het omstoten of omvallen ervan te voorkomen. Als het vervoermiddel in beweging is en de apparatuur niet in gebruik is, moet deze op een van de dieren gescheiden plaats worden ondergebracht. Tussenschotten 1.6. Eenhoevigen moeten in individuele standen worden vervoerd, met uitzondering van mer ries met hun veulen. 1.7. Het vervoermiddel moet van tussenschotten voorzien zijn zodat er gescheiden compartimenten kunnen worden gecreëerd waarbij alle dieren toch vrije toegang tot water hebben. 1.8. De tussenschotten moeten zodanig zijn geconstrueerd d at zij zo geplaatst kunnen worden dat de afmetingen van het compartiment op de specifieke eisen en op de soort, de grootte en het aantal van de dieren zijn afgestemd. Minimumcriteria voor bepaalde diersoorten 1.9.

Lange transporten van als landbouwhuisdier gehouden eenhoevigen, runderen en varkens zijn, tenzij de dieren van hun moeder vergezeld gaan, uitsluitend onder de volgende voorwaarden toegestaan: — de als landbouwhuisdier gehouden eenhoevigen moeten meer dan vier maanden oud zijn, met uitzondering van geregistreerde eenhoevigen; Niet-afgerichte paarden mogen geen lange transporten ondergaan. 2. Watervoorziening bij vervoer van containers over de weg, per spoor of over zee RDA.2017.036 Zienswijze ‘Paardenmarkten in Nederland - Man en Paard noemen’ 66 2.1. Het vervoermiddel en de zeecont ainer moeten voorzien zijn van een watervoorzieningssysteem dat de verzorger tijdens het transport te allen tijde onmiddellijk kan navullen zodat elk dier toegang heeft tot water. 3. Ventilatie bij wegvervoermiddelen en temperatuurbewaking 3.1. De ventil atiesystemen op wegvervoermiddelen moeten zodanig zijn ontworpen, geconstrueerd en onderhouden dat zij op elk moment tijdens het transport, ongeacht of het vervoermiddel stilstaat of in beweging is, volstaan om de temperatuur in het vervoermiddel voor alle dieren tussen 5 °C en 30 °C te handhaven met een tolerantie van plus of min 5 °C, afhankelijk van de buitentemperatuur. 3.2.

De ventilatiesystemen moeten een gelijkmatige verdeling van de lucht over het gehele voertuig kunnen garanderen, bij een minimumlu chtstroom van nominaal 60 m3/uur/KN laadvermogen. Zij moeten gedurende ten minste 4 uur onafhankelijk van de motor van het voertuig kunnen werken. 3.3. De vervoermiddelen moeten voorzien zijn van een systeem voor de bewaking van de temperatuur, en van een systeem voor de registratie van die gegevens. Er moeten sensoren aangebracht zijn in de delen van de vrachtwagen die, naargelang van het ontwerp, het meest onderhevig zijn aan slechte weersomstandigheden. De geregistreerde temperaturen worden gedagtekend e n desgevraagd aan de bevoegde autoriteit voorgelegd. 3.4. De wegvervoermiddelen moeten voorzien zijn van een alarmsysteem dat de bestuurder waarschuwt wanneer de temperatuur in de compartimenten waarin zich dieren bevinden, de minimum - of de maximumgrens bereikt. HOOFDSTUK VII RUIMTE VOOR DE DIEREN De ruimte waarover de dieren beschikken voldoet ten minste aan de volgende minima: A.

Als landbouwhuisdier gehouden eenhoevigen Wegvervoer Volwassen paarden 1,75 m2 (0,7 × 2,5 m) Jonge paarden (6-24 maanden) (voor transporten tot 48 uur) 1,2 m2 (0,6 × 2 m) Jonge paarden (6-24 maanden) (voor transporten van meer dan 48 uur) 2,4 m2 (1,2 × 2 m) Pony's (kleiner dan 144 cm) 1 m2 (0,6 × 1,8 m) Veulens (0-6 maanden) 1,4 m2 (1 × 1,4 m) NB: Tijdens lange transporten moeten veulens en jonge paarden kunnen gaan liggen. Deze getallen kunnen maximaal 10 % variëren voor volwassen paarden en pony's, en maximaal 20 % voor jonge paarden en veulens, afhankelijk niet alleen van het gewicht en de grootte van de paarden, maar ook van hun fysieke conditie, de weersomstandigheden en de vermoedelijke transporttijd. BIJLAGE IV OPLEIDING 1. Bestuurders van wegvoertuigen en verzorgers als bedoeld in artikel 6, lid 5, en artikel 17, lid 1, moeten de in punt 2 bedoelde opleiding met goed gevolg doorlopen hebben en geslaagd zijn voor een examen dat is erkend door de bevoegde autoriteit, die de onafhankelijkheid van de examinators moet garanderen. 2.

De in punt 1 bedoelde opleiding heeft ten minste betrekking op de technische en administratieve aspecten van de communautaire wetgeving betreffende de bescherming van dieren tijdens het vervoer, met name op de volgende punten: a) de artikelen 3 en 4 en de bijlagen I en II; b) dierfysiologie, in het bijzonder de eet- en drinkbehoeften, diergedrag en het begrip stress; c) praktische aspecten van de omgang met dieren; d) effect van het rijgedrag op het welzijn van de vervoerde dieren en op de vleeskwaliteit; e) eerste hulp voor dieren; f) veiligheid van het personeel dat met de dieren omgaat. RDA.2017.036 Zienswijze ‘Paardenmarkten in Nederland - Man en Paard noemen’ 67 Wet Dieren Artikel1.3 1 De intrinsieke waarde van het dier wordt erkend. 2 Onder erkenning van de intrinsieke waarde als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan erkenning van de eigen waarde van dieren, zijnde wezens met gevoel. Bij het stellen van regels bij of krachtens deze wet, en het nemen van op die regels gebaseerde besluiten, wordt ten volle rekening gehouden met de gevolgen die deze regels of besluiten hebben voor deze intrinsieke waarde van het dier, onverminderd andere gerechtv aardigde belangen.

Daarbij wordt er in elk geval in voorzien dat de inbreuk op de integriteit of het welzijn van dieren, verder dan redelijkerwijs noodzakelijk, wordt voorkomen en dat de zorg die de dieren redelijkerwijs behoeven is verzekerd. 3 Voor de t oepassing van het tweede lid wordt tot de zorg die dieren redelijkerwijs behoeven in elk geval gerekend dat dieren zijn gevrijwaard van: a. dorst, honger en onjuiste voeding; b. fysiek en fysiologisch ongerief; c. pijn, verwonding en ziektes; d. angst en chronische stress; e. beperking van hun natuurlijk gedrag; voor zover zulks redelijkerwijs kan worden verlangd. Artikel 2.1. Dierenmishandeling 1 Het is verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van het dier te benadelen. 2 Tot de in het eerste lid verboden gedragingen worden in ieder geval gerekend: a. een dier arbeid doen verrichten die kennelijk zi jn krachten te boven gaat of waartoe het uit hoofde van zijn toestand ongeschikt is; 5 Van de krachtens het derde lid aangewezen gedragingen kan, al dan niet in daarbij aangewezen gevallen, deel uitmaken het gebruik van voorwerpen die bij dieren pijn of l etsel kunnen veroorzaken, dan wel de gezondheid of het welzijn kunnen benadelen. 6 Een ieder verleent een hulpbehoevend dier de nodige zorg.

Artikel 2.2. Houden van dieren 8 Het is houders van dieren verboden aan deze dieren de nodige verzorging te onthouden. Artikel 2.7. Handel in dieren 3 Het is verboden dieren waarbij een bij artikel 2.8 verboden lichamelijke ingreep is verricht voor de verkoop in voorraad te hebben, voor de verkoop aan te bieden, te verkopen en te kopen. Artikel 2.8. Diergeneeskundige handelingen 1 Het is verboden: a. lichamelijke ingrepen te verrichten; b. diergeneesmiddelen waarvoor geen vergunning als bedoeld in artikel 2.19, eerste lid, is verstrekt, bij dieren toe te passen, of c. diergeneesmiddelen toe te passen in strijd met voorschriften en beperkingen als bedoeld in artikel 2.19, derde lid, onderdeel a, die zi jn verbonden aan de vergunning die ten behoeve van dat diergeneesmiddel is verstrekt. 2 Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing ten aanzien van: a. lichamelijke ingrepen waarvoor een diergeneeskundige noodzaak bestaat; b. bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen lichamelijke ingrepen; RDA.2017.036 Zienswijze ‘Paardenmarkten in Nederland - Man en Paard noemen’ 68 c. overige bij of krachtens enig wettelijk voorschrift verplichte dan wel toegestane lichamelijke ingrepen, en d. het toepassen van diergeneesmiddelen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

Artikel 2.16. Vertoning dieren 1 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over het houden van keuringen, tentoonstellingen en andere gelegenheden of inrichtingen waar dieren worden gehouden en aan het publiek worden getoond wegens recreatieve, sportieve of opvoedkundige doeleinden. 2 De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen onder meer betrekking hebben op: a. een verbod op het met bepaalde dieren deelnemen aan een tentoonstelling; b. een verbod op het toelaten van bepaalde dieren tot een tentoonstelling, een gelegenheid of een inrichting; c. hygiëne, het voorkomen van de verspreiding van dierziekten, zoönosen en ziekteverschij nselen, en het weren van ziekteverwekkers; e. informatie en educatie met betrekking tot de tentoongestelde diersoorten. 3 Het is verboden deel te nemen aan tentoonstellingen of keuringen met dieren waarbij een bij artikel 2.8 verboden lichamelijke ingreep is verricht. 4 Het is verboden dieren waarbij een bij artikel 2.8 verboden lichamelijke ingreep is verricht, tot een tentoonstelling of keuring toe te laten. Besluit houders van dieren Artikel 1.3. Verboden gedragingen ten aanzien van dieren Als gedragingen als bedoeld in artikel 2.1, derde lid, van de wet worden aangewezen: a. het zich ontdoen van een dier; b. het schoppen van een dier; c. het zodanig slaan van een dier dat dit letsel ten gevolge heeft; d.

het onderwerpen van een dier aan een explosieve, bijtende of brandende stof; e. het weiden van een dier op niet beweidbaar land of, anders dan voor korte duur, weiden op slecht beweidbaar land; f. het zich vervoeren of verplaatsen, het zich laten vervoeren of laten verplaatsen of een ander doen vervoeren of doen verplaatsen op een dier of in of op een vervoermiddel dat wordt voortbewogen door een dier, indien dat vervoeren of verplaatsen de krachten van dat dier kennelijk te boven gaat, of indien het dier daartoe kennelijk niet geschikt is. Artikel 1.6. Houden van dieren 1 De bewegingsvrijheid van een dier wordt niet op zodanige wijze beperkt dat het dier daardoor onnodig lijden of letsel wordt toegebracht. 2 Een dier wordt voldoende ruimte gelaten voor zijn fysiologische en ethologische behoeften. 3 Een dier wordt, indien het niet in een gebouw wordt gehouden, bescherming geboden tegen slechte weersomstandigheden, gezondheidsrisico’s en zo nodig roofdieren. 4 De houder van een dier dat in een gebouw of kooi wordt gehouden, draagt er zor g voor dat het dier daaruit niet kan ontsnappen. Artikel 1.7. Verzorgen van dieren Degene die een dier houdt, draagt er zorg voor dat een dier: a. wordt verzorgd door een persoon die beschikt over de voor die verzorging nodige kennis en vaardigheden; b.

slechts onder de hoede wordt gesteld van een persoon die kennelijk tot de verzorging in staat is; RDA.2017.036 Zienswijze ‘Paardenmarkten in Nederland - Man en Paard noemen’ 69 c. dat ziek of gewond lijkt onmiddellijk op passende wijze wordt verzorgd; d. een toereikende behuizing heeft onder voldoende hygiënische omstandigheden; e. een voor dat dier toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voer krijgt toegediend op een wijze die past bij het ontwikkelingsstadium van het dier; f. toegang heeft tot een toereikende hoeveelheid water van passende kwalite it of op een andere wijze aan zijn behoefte aan water kan voldoen; g. voldoende verse lucht of zuurstof krijgt. Artikel 1.8. Behuizing 1 Een ruimte waarin een dier wordt gehouden, wordt voldoende verlicht en verduisterd om aan de ethologische en fysiologische behoeften van het dier te voldoen. 2 Behuizingen, waaronder begrepen de vloer, waarin een dier verblijft en inrichtingen voor de beschutting voor een dier zijn op zodanige wijze ontworpen, gebouwd en onderhouden dat bij de dieren geen letsel of pijn wordt veroorzaakt en bevatten geen scherpe randen of uitsteeksels waaraan het dier zich kan verwonden. 3 In de ruimte waarin een dier wordt gehouden, worden geen materialen en, in voorkomend geval, bodemdekking gebruikt die ongeschikt of schadelijk zijn voor het dier.

4 De materialen, bedoeld in het derde lid, kunnen eenvoudig worden gereinigd en ontsmet. RDA.2017.036 Zienswijze ‘Paardenmarkten in Nederland - Man en Paard noemen’ 70 Bijlage 3 Afwegingskader “One Health” toegepast op paardenmarkten Het forum heeft in de voorbereiding op de Zienswijze Paardenmarkten in Nederland het framework van het afwegingskader, zoals opgesteld in de RDA Zienswijze ‘One Health’, beknopt opgesteld en doorlopen voor paardenmarkten. Morele vraag: Is een paardenmarkt acceptabel? Moreel dilemma: In hoeverre mag het welzijn en de gezondheid van een paard (potentieel) aangetast worden ten behoeve van het houden van een paardenmarkt? Waarden betrokken bij de afweging Welzijn - Het houden van een paardenmarkt kan gevolgen hebben voor welzijn (inclusief gezondheid) van paarden die op de paardenmarkt staan. - Hoe groot de aantasting van het welzijn is, wordt bediscussieerd door het forum op basis van risicofactoren. Instrumentele waarde - Een paard heeft voor de verkoper een instrumentele waarde. Op een paardenmarkt is de verkoper in de gelegenheid om zijn/haar paard te ruilen tegen geld. Voor de koper van het dier heeft het paard tevens een instrumentele waarde bijvoorbeeld als gezelschapsdier of het geld dat het dier opbrengt bij doorverkoop of slacht. - Een indirecte instrumentele waarde is het “evenement paardenmarkt”.

Een paardenmarkt is vaak een evenement waarbij aanvullende activiteiten en evenementen (braderie, kermis, sport en spel) georganiseerd worden. Dit brengt geld op voor o.a. lokale ondernemers. Economische waarde - De paardenmarkt vertegenwoordigt enige economische waarde door het handelsaspect. De economische waarde is echter relatief gering: er wordt weinig geld verdiend en voor het grootste gedeelte van de paardenhandelaren is de handel in paarden niet bedoeld als hoofdinkomen. - Een klein gedeelte van de handel in paarden vindt plaats op een paardenmarkt. Een veel groter deel van de paarden wordt verhandeld via andere kanalen. Het type paarden wat er staat zit niet aan de bovenkant van de markt, maar aan de onderkant, bijvoorbeeld paarden die naar de slacht gaan. RDA.2017.036 Zienswijze ‘Paardenmarkten in Nederland - Man en Paard noemen’ 71 Wettelijk kader - Het wettelijk kader geeft de kaders weer waarbinnen een paardenmarkt kan plaatsvinden. Er is geen specifieke wetgeving rond paardenmarkten. Er is wel wetgeving zijdelings op van toepassing: de Wet Dieren, het Besluit houders van dieren en de Transportverordening. - Het wettelijk kader is gedurende de tijd aan verandering onderhevig. Het wettelijk kader zou aangepast kunnen worden op paardenmarkten (bijvoorbeeld in het Besluit houders van dieren). De vraag is of dit middel proportioneel is.

Culturele waarde - De paardenmarkt heeft op lokaal en regionaal niveau culturele waarde. Groepen mensen hechten aan het vasthouden aan een traditie die vaak al honderden jaren oud is. Dit komt onder meer tot uiting in het benoemen van een aantal paardenmarkten als immaterieel cultureel erfgoed. Gezondheid dierpopulatie en volksgezondheid - Waar dieren bij elkaar komen, is er een hoger risico op het uitwisselen van besmettelijke dierziekten. Hiervan zijn geen kwantitatieve gegevens beschikbaar. Daarbij reizen de meeste paarden sowieso al veel (wedstrijden, recreatie). Publieke opinie - Er zijn diverse groepen die vinden dat paardenmarkten afgeschaft moeten worden (Dierenbescherming) of dat het wettelijk kader niet strak genoeg wordt gehandhaafd (Eyes on Animals). Zij stellen de paardenmarkt aan de kaak. - Onder andere op basis daarvan worden er in het parlement vragen gesteld aan de staatssecretaris van Economische Zaken en worden er moties ingediend. - Daarnaast wordt door een deel van de samenleving juist veel waarde gehecht en plezier beleefd aan het bezoeken van de jaarlijkse paardenmarkten. Autonomie en inherente waardigheid - Een besluit om paardenmarkten te verbieden, raakt direct aan de autonomie van de paardenhandelaar/paardeneigenaar. Hij kan dan immers niet meer zelfstandig besluiten of hij zijn paard naar de paardenmarkt wil brengen.

- (Wettelijke) voorschriften met betrekking tot paardenmarkten perken de autonomie van de paardenhandelaar/paardeneigenaar in. Hij kan dan immers niet meer zelf besluiten op welke manier hij met zijn paard om wil gaan. Maatschappelijke impact - Een verbod of het inperken van handelingsmogelijkheden op paardenmarkten zal nationaal weinig impact hebben. Het gaat om een kleine sector, met een geringe economische waarde waar door veel partijen niet direct belang aan wordt gehecht. RDA.2017.036 Zienswijze ‘Paardenmarkten in Nederland - Man en Paard noemen’ 72 - Op regionaal/lokaal niveau kan een verbod of inperking wel veel impact hebben, met name door de component culturele waarde. Er wordt waarde gehecht aan de traditie die gepaard gaat met paardenmarkten. - Een paardenmarkt waar ook andere activiteiten plaatsvinden kan de functie hebben van het samenbrengen van mensen uit de (wijde) omgeving. Het wordt dan gezien als een ontmoetingsplaats voor vrienden en bekenden die elkaar zo jaarlijks treffen. Dit staat in feite los van de daadwerkelijke paardenhandel maar biedt wel een maatschappelijke meerwaarde. Intrinsieke waarde - Intrinsieke waarde van het paard wordt erkend. Dit is de reden waarom er een afweging plaats dient te vinden of de aantasting van welzijn en gezondheid opweegt tegen het doel (handel van paarden op de paardenmarkt).

Relationele waarde - Paarden worden door mensen gehouden als landbouwhuisdier, voor de sport en als gezelschaps- en hobbydier. Het aandeel paarden dat als landbouwhuisdier bedrijfsmatig gehouden wordt is beperkt in omvang. De sport-, gezelschaps- en hobbypaarden hebben de overhand en er wordt aan deze dieren ook een relationele waarde toegekend. - Het is niet zozeer de paardenhandelaar die een relationele waarde toekent aan het paard als wel het ‘publiek’. Biodiversiteit - Het is stand houden van rassen. Om een ras in stand te houden moet een voldoende aantal merries worden geboren. Naast deze merrieveulens wordt een vergelijkbare hoeveelheid hengstveulens geboren. Hiernaar is in Nederland vaak minder vraag. Verontreiniging ecosysteem / Landschapsinrichting: - Deze waarden zijn beperkt tot niet van toepassing. RDA.2017.036 Zienswijze ‘Paardenmarkten in Nederland - Man en Paard noemen’ 73 Afwegingskader Paardenmarkten Hoe ver mag je gaan in het aanpassen van dieren aan onze behoeften en belangen? Fundamentele morele vraag Fundamentele vooronderstelling: Paarden mogen gehouden worden. Consequentie daarvan is dat er handel in paarden zal plaatsvinden Verzamelde kennis: - Deskstudie - Notitie m.b.t.

welzijn en gezondheid van paarden op paardenmarkten - Gesprekken stakeholders Maatschappelijke moraal Breed gedragen en gebaseerd op: - Intuïties - Principes - Feiten Om handelingsalternatieven te beoordelen aan de hand van maatschappelijke en ethische opvattingen. Potentieel moreel dilemma Hoe bepaal je het evenwicht tussen het doel en opbrengsten van paardenmarkten en de (mogelijke) schade aan gezondheid en welzijn van het dier? Relevante waarden Relevante waarden uit de drie domeinen die in de eindafweging moeten worden meegenomen Is een paardenmarkt acceptabel

RDA.2017.036 Zienswijze ‘Paardenmarkten in Nederland - Man en Paard noemen’ 74 Colofon De Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) is een onafhankelijke raad van deskundigen die de staatssecretaris van Economische Zaken gevraagd en ongevraagd adviseert over multidisciplinaire vraagstukken op het gebied van dierenwelzijn en diergezondheid. De RDA bestaat uit wetenschappelijke experts en praktijkdeskundigen die op persoonlijke titel, zonder last of ruggespraak, zitting hebben in de Raad. De concept zienswijze is ter beoordeling voorgelegd aan de gehele Raad. Deze zienswijze is daarmee een product van de hele Raad. De Raad voor Dierenaangelegenheden: prof.dr. J.J.M. van Alphen prof.dr. F. van Knapen dr.ir. G.B.C. Backus prof.dr.ir. B. Kemp dr. H.M.G. van Beers-Schreurs prof.dr. P.A. Koolmees W.T.A.A.G.M. van den Bergh prof.dr. M.P.G. Koopmans mr. A.G. Dijkhuis P.C. Krikke prof.mr. A.A. Freriks dr. F.L.B. Meijboom prof.dr. S. Haring ir. F.C. v.d. Schans prof.dr.ir. L.A. den Hartog dr. M.C.Th. Scholten A.L. ten Have-Mellema prof.dr. Y.H. Schukken MBA prof.dr.ir. J.A.P. Heesterbeek prof.dr. M.M. Sloet van Oldruitenborgh- prof.dr. L.J. Hellebrekers Oosterbaan dr. S.A. Hertzberger ir. M.H.A. Steverink J.E. Hesterman H.W.A. Swinkels A.J.M. van Hoof dr.ir. J.W.G.M. Swinkels dr.ing. H. Hopster prof.dr.ir. C.J.A.M. Termeer prof.dr.ir. A. van Huis prof.dr.ir. J.C.M. van Trijp ir. M.

de Jong-Timmerman drs. R.A. Tombrock J.Th. de Jongh drs. H.M. van Veen drs. J. Kaandorp Meer informatie over de Raad vo or D ierenaangelegenheden vindt u op onze website: www.RDA.nl. Daar kunt u ook alle eerder uitgebrachte adviezen downloaden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/3129e073-fd6c-445e-a018-f9449502dba2?agendaItemId=d83f72c3-f7dc-473f-ade9-5f189efc1e02