I13.1 Hondenbeten aan de Kaak - Zienswijze gesteld Preventie van Ernstige Hondenbeten bij Mens en Dier.pdf
Tekst van het document
Fédération Cynologique Internationale, www.fci.be geraadpleegd in 2016. Gemeente Assen, 2016. Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Assen http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/Assen/91286/9 1286_3.html. Gemeente Rotterdam, 2016. Informatie over bijtincidenten in de gemeente (niet openbaar). Griffin G., Holt D.E., 2000. Bite wounds in Dogs and Cats. Veterinary Clinics of North America: Small Animal Practice, p. 669-679. Hayashi A., Nagaoka M., Yamada K., Ichitani Y., Miake Y., Okado N., 1998. Maternal stress induces synaptic loss and developmental disabilities of offspring. International Journal of Developmental Neuroscience. Vol. 16 (3-4), p. 209-216. Helton, W.S., 2011. Performance constraints in strength events in dogs. Behavioural Processes. Vol. 86(1), p. 149-151. Hondenbescherming, 2016. Gesprek en informatie over hondenrassen (niet openbaar). RDA.2017.031 Preventie van Ernstige Hondenbeten bij Mens en Dier 28 Jagoe, J.A., Serpell, J., 1996. Owner characteristics and interactions and the prevalence of canine behaviour problems. Applied Animal Behaviour Science. Vol. 47(1-2), p. 31-42. Keuster T., Lamoureux J., Kahn A., 2006. Epidemiology of dog bites: A Belgian experience of canine behaviour and public health concerns., The Veterinary Journal, p. 482-487. Keuster T., Overall K.L., 2011.
Preventing dog bite injuries: the need for a collaborative approach. Veterinary Record, p. 341-342. Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde, 2010. Code voor de Dierenarts. Utrecht, 14p. Lafarge, M. Contribution à l’étude du comportement de prédation du chien sur l’homme. Thèse d'exercice, Médecine vétérinaire, Ecole Nationale Vétérinaire de Toulouse - ENVT, 2016, 104 p. Lockwood, R., 2016. Ethology, ecology and epidemiology of canine aggression. Chapter 9 in: Serpell, J. (ed.), 2016. The domestic dog: its evolution, behavior and interactions with people, 2nd edition. Cambridge University Press. 424 p. Neijenhuis, F. en Hopster, H. Reductie van gezondheidsrisico's bij importhonden; actieve communicatie als beleidsinstrument. In press. Pompe, V., Hopster, H., Dieren, M. van. 2013. Liefde maakt blind? Onderzoek naar waardenoriëntaties en waardenafwegingen van kopers/houders van ‘risicovolle’dieren. Hogeschool Van Hall Larenstein, Leeuwarden. Raad van Beheer op Kynologische Gebied in Nederland, 2014. 'Fairfok' projectplan gezonde en sociale hond in Nederland. Amsterdam, 35 p. Raad van Beheer op Kynologische Gebied in Nederland, 2017. Informatie over populatie rashonden in Nederland (niet openbaar). RDA, 2013. Verantwoord honden houden: Paal en perk aan onaanvaardbaar gedrag van honden en hun houders. Raad voor Dierenaangelegenheden, Den Haag. Radstake, C., 2016.
Immigratie van buitenlandse (zwerf)honden & - (zwerf)katten naar Nederland: de cijfers 2015. Animal Medical Care Foundation & Stray Animal Foundation Platform. 20 p. Rezac P., Rezac K., Slama P., 2015. Human behavior preceding dog bites to the face. The Veterinary Journal, p. 284-288. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, 2017. Factsheet aantal geregistreerde bedrijfsmatige houders van honden (niet openbaar). Serpell, J. Duffy, D.L. and Jagoe, J.A., 2016. Becoming a dog: Early experience and the development of behavior. Chapter 6 in: Serpell, J. (ed.), 2016. The domestic dog: its evolution, behavior and interactions with people, 2nd edition. Cambridge University Press. 424 p. RDA.2017.031 Preventie van Ernstige Hondenbeten bij Mens en Dier 29 Shamir M.H., Leisner S., Klement E., Gonen E., Johnston D.E., 2002. Dog Bite Wounds in Dogs and Cats: a Retrospective Study of 196 Cases. Journal of Veterinary medicine, p. 107-112. Shields, L.B., Bernstein M.L., Hunsaker J.C. 3rd, Stewart D.M., 2009. Dog Bite-Related Fatalities, A 15-Year Review of Kentucky Medical Examiner Cases. Nat. Assoc. of Medical Examiners. Vol. 30(3), p. 223-30. Smith, K.P. and Christakis, N.A. 2008. Social networks and health. Annual Review of Sociology 34: 405-429. Werkgroep Feiten & Cijfers, 2015. Feiten & Cijfers Gezelschapsdierensector 2015.
HAS Hogeschool, HAS Kennistransfer & Bedrijfsopleidingen, Den Bosch, Faculteit Diergeneeskunde, Utrecht. Wet- en regelgeving, 2016. http://wetten.overheid.nl. RDA.2017.031 Preventie van Ernstige Hondenbeten bij Mens en Dier 30 Bijlage 1 Adviesvraag
RDA.2017.031 Preventie van Ernstige Hondenbeten bij Mens en Dier 31
RDA.2017.031 Preventie van Ernstige Hondenbeten bij Mens en Dier 32 Bijlage 2 Hoog Risico rassen Onderstaande 21 rassen zijn oorspronkelijk gefokt voor vechtdoeleinden; - Akita - Amerikaanse buldog - Amerikaanse pitbullterriër - Amerikaanse staffordshireterriër - Boerboel - Bullmastiff - Bulterriër - Cane corso - Dogo argentino - Dogo canario - Rottweiler - Staffordshire-bulterriër - Tosa - Fila brasileiro - Boxer - Dobermann - Bordeauxdog - Engelse buldog - Mastiff - Shar-pei - Mastino napoletano Bron: Hondenbescherming (december 2016) Op basis van rasspecifieke wetgeving in diverse landen kunnen de volgende rassen en kruisingen hiermee aan de lijst worden toegevoegd: Duitse herder, s taffordshireterriër, Mechelse herder, chowchow, Anatolische herder, mastín español, Rhodesian ridgeback, alano español en Kaukasische owcharka. RDA.2017.031 Preventie van Ernstige Hondenbeten bij Mens en Dier 33 Bijlage 3 Wetten WETBOEK VAN STRAFRECHT Artikel 425 Wetboek van Strafrecht Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft: 1°. hij die een dier op een mens aanhitst of een onder zijn hoede staand dier, wanneer het een mens aanvalt, niet terughoudt; 2°. hij die geen voldoende zorg draagt voor het onschadelijk houden van een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier. Artikel 300 Wetboek van Strafrecht e.v. 1.
Mishandeling wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie. 2. Indien het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie. 3. Indien het feit de dood ten gevolge heeft, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie. 4. Met mishandeling wordt gelijkgesteld opzettelijke benadeling van de gezondheid. 5. Poging tot dit misdrijf is niet strafbaar. WET DIEREN Artikel 2.6 Fokken van dieren 1. [Red: Dit lid is nog niet in werking getreden.] 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor het onderwerp, bedoeld in het eerste lid, regels worden gesteld voor bij deze maatregel aangewezen diersoorten of diercategorieën die betrekking hebben op onder meer: a. een verbod op het fokken of het voor de fok gebruiken van: 1°.dieren die beschikken over een bepaalde aandoening die, of een uiterlijk kenmerk dat, de gezondheid of het welzijn van het dier of de nakomelingen van het dier kan aantasten; 2°.dieren die een gevaar kunnen opleveren voor de veiligheid van mens of dier, en 3°.andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen dieren, diersoorten of diercategorieën; b.
de methode van fokken, waaronder een verbod op bepaalde methoden van fokken; c. het voorafgaand aan het fokken door de fokker te verrichten of te doen verrichten onderzoek bij dieren waarmee wordt gefokt naar de aanwezigheid van aandoeningen die de gezondheid of het welzijn van de dieren of de nakomelingen van die dieren kunnen aantasten; d. hygiëne, het voorkomen van de verspreiding van dierziekten, zoönosen en ziekteverschijnselen, en het weren van ziekteverwekkers; e. het aantal nesten dat dieren gedurende een bepaalde periode krijgen, en f. de bij te houden en over te leggen gegevens. Artikel 5.13 Bevoegdheden burgemeester 1. De burgemeester van de gemeente waar zich een dier bevindt dat in strijd met het bepaalde krachtens artikel 2.6, tweede lid, onderdeel a, onder 2°, is gefokt, of dat in strijd met het bepaalde bij en krachtens artikel 2.2, zesde lid, eerste volzin, wordt gehouden, kan besluiten dat dit dier: a. naar een door hem aangewezen plaats wordt vervoerd, en b. aldaar wordt gedood. 2. De burgemeester voert de handeling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, niet uit indien de houder binnen zes weken nadat het besluit, bedoeld in het eerste lid, aan hem is bekendgemaakt, een verzoek als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht heeft ingediend en op dat verzoek niet afwijzend is beslist. Artikel 2.14 Verbod op dierengevechten 1.
Het is verboden dierengevechten te organiseren of dieren aan dierengevechten te doen deelnemen. 2. Het is verboden bij dierengevechten aanwezig te zijn. WET WAPENS EN MUNITIE Artikel 2 Wet wapens en munitie 1. Wapens in de zin van deze wet zijn de hieronder vermelde of overeenkomstig dit artikellid aangewezen voorwerpen, onderverdeeld in de volgende categorieën. Categorie IV 1°. blanke wapens waarvan het lemmet meer dan een snijkant heeft, voor zover zij niet vallen onder categorie I; 2°. degens, zwaarden, sabels en bajonetten; 3°. wapenstokken; 4°. lucht-, gas- en veerdrukwapens, behoudens zulke door Onze Minister overeenkomstig categorie I, sub 7°, aangewezen die zodanig gelijken op een vuurwapen dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn; 5°. kruisbogen en harpoenen; 6°. bij regeling van Onze Minister aangewezen voorwerpen die geschikt zijn om daarmee personen ernstig lichamelijk letsel toe te brengen; RDA.2017.031 Preventie van Ernstige Hondenbeten bij Mens en Dier 34 7°. Voorwerpen waarvan, gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder zij worden aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij zijn bestemd om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen en die niet onder een van de andere categorieën vallen. Artikel 46 Wetboek van Strafrecht 1.
Voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld is strafbaar, wanneer de dader opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen bestemd tot het begaan van dat misdrijf verwerft, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of voorhanden heeft. 2. Het maximum van de hoofdstraffen op het misdrijf gesteld wordt bij voorbereiding met de helft verminderd. 3. Geldt het een misdrijf waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld, dan wordt gevangenisstraf opgelegd van ten hoogste vijftien jaren. 4. De bijkomende straffen zijn voor voorbereiding dezelfde als voor het voltooide misdrijf. 5. Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten. GEMEENTEWET Artikel 172 3. De burgemeester is bevoegd bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de bevelen te geven die noodzakelijk te achten zijn voor de handhaving van de openbare orde. ALGEMEEN PLAATSELIJKE VERORDENING Artikel 2.59 Gevaarlijke honden 1. Indien de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. 2.
Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. 3. Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die: a. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; b. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. 4. Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
Artikel 2.59a Bescherming tegen gevaarlijke honden op eigen erven Het is de eigenaar, houder of verzorger van een hond en hem, die een hond onder zijn toezicht heeft, verboden deze hond op zijn erf zonder muilkorf te laten loslopen, indien het college van burgemeester en wethouders heeft meegedeeld, dat hij het dier gevaarlijk acht, dan wel indien de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk, tenzij: a. op een vanaf de weg zichtbare plaats een – ter beoordeling van het college van burgemeester en wethouders – duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht; b. de gelegenheid bestaat een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder dat men het erf hoeft te betreden; c. het erf voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond zonder menselijke tussenkomst niet buiten het erf kan komen. Artikel 2.60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: a. aanwezig te hebben, of b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels, of c. aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven.
RDA.2017.031 Preventie van Ernstige Hondenbeten bij Mens en Dier 35 Bijlage 3a Protocol bijtincidenten gemeente Assen Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Assen, art. 2:59 Gemeentewet, artikel 172 Artikel 1. Weging ernst bijtincidenten 1. Bij weging van de ernst van bijtincidenten wordt onderscheid gemaakt tussen honden die betrokken zijn bij (zeer) ernstige bijtincidenten en overige honden die zijn betrokken bij een licht bijtincident. 2. Bij (zeer) ernstige bijtincidenten bijt een hond een persoon of brengt de hond ernstig letsel toe aan een ander dier, veelal een hond. 3. Bij een licht bijtincident bijt een hond een ander dier, veelal een hond, maar is geen sprake van ernstig letsel, of is sprake van een bijtincident zonder ernstige gevolgen dat gezien de context verklaarbaar is. Artikel 2. Optreden tegen ernstige bijtincidenten 1. De houder van een hond die een (zeer) ernstig bijtincident heeft begaan wordt gevraagd om afstand te doen van zijn hond. 2. De burgemeester geeft bevel tot het onvrijwillig in beslag nemen van de hond indien de houder niet vrijwillig afstand doet van de hond en de burgemeester vreest dat de kans op bijtrecidive aanwezig is, of als de hond al eerder een bijtincident heeft veroorzaakt. 3.
Bij het onvrijwillig in beslag nemen kan in opdracht van de houder de hond aan een risico-assessment worden onderworpen die de burgemeester betrouwbaar acht. De test zal moeten uitwijzen of de hond resocialiseerbaar of elders herplaatsbaar is, of dat het risico bij terugplaatsing bij de houder als te groot moet worden ingeschat. 4. De kosten van vervoer, verblijf, test en eventueel laten doden van de hond komen voor rekening van de houder van de hond. 5. Bij bijt recidive of bij (zeer) ernstige bijtincidenten informeert de gemeente het Openbaar Ministerie, zodat dit kan overwegen of het instellen van strafvervolging tegen de houder van de hond, terzake van mishandeling, vernieling, geen voldoende zorg dragen voor onschadelijk houden van een gevaarlijk dier, of overtreding van de APV aan de orde is. 6. Indien de burgemeester bij de situatie uit het tweede lid niet vreest dat bijtrecidive zal plaatsvinden, dan kan het college de hond aanwijzen als gevaarlijke hond. Artikel 3. Optreden tegen overige honden 1. Bij vrees voor het ontstaan van ernstige bijtincidenten, of bij een licht bijtincident kan het college besluiten tot aanwijzing van de hond als gevaarlijke hond in de zin van artikel 2:59 APV. 2. Het college kan in bepaalde situaties aangeven dat het noodzakelijk is dat de hond een risico-assessment ondergaat. 3.
Bij zeer ernstige vrees voor het ontstaan van een (zeer) ernstig bijtincident kan het college besluiten dat de houder onvrijwillig afstand moet doen van de hond. 4. Als de houder van een hond die als gevaarlijke hond is aangewezen in strijd met artikel 2:59 APV de hond houdt en de hond een nieuw bijtincident veroorzaakt dan geeft het college toepassing aan het vorige lid en gaat het na of er aanleiding is dat naast de bestuursrechtelijke maatregel een strafrechtelijke sanctie op zijn plaats is wegens overtreding van de APV. Artikel 4. Inwerkingtreding Dit Protocol bijtincidenten honden treedt in werking op de dag na die van bekendmaking. Assen, 23 maart 2010 Burgemeester en wethouders van Assen, RDA.2017.031 Preventie van Ernstige Hondenbeten bij Mens en Dier 36 Bijlage 3b Artikelen uit APV Rotterdam over honden Artikel 2:57 Loslopende honden 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; b. binnen de bebouwde kom op de weg indien de hond niet is aangelijnd; c. buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats indien de hond niet is aangelijnd; of d.
op de weg indien die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 3. Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond: a. die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of b. die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond. Artikel 2:59 Gevaarlijke honden 1. Indien de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. 2. Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. 3. Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die: a. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; b. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en c.
zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. 4. Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is. Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren 1. Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: a. aanwezig te hebben; b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels; c. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven; of d. te voeren. 2. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een plaats die krachtens het eerste lid is aangewezen, ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het eerste lid.
RDA.2017.031 Preventie van Ernstige Hondenbeten bij Mens en Dier 37 Colofon De Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) is een onafhankelijke raad van deskundigen die de staatssecretaris van Economische Zaken gevraagd en ongevraagd adviseert over multidisciplinaire vraagstukken op het gebied van dierenwelzijn en diergezondheid. De RDA bestaat uit wetenschappelijke experts en praktijkdeskundigen die op persoonlijke titel, zonder last of ruggespraak, zitting hebben in de Raad. De concept zienswijze is ter beoordeling voorgelegd aan de gehele Raad . Deze zienswijze is daarmee een product van de hele Raad. De Raad voor Dierenaangelegenheden: prof.dr. J.J.M. van Alphen dr.ir. G.B.C. Backus dr. H.M.G. van Beers-Schreurs W.T.A.A.G.M. van den Bergh mr. A.G. Dijkhuis prof.mr. A.A. Freriks prof.dr. S. Haring prof.dr.ir. L.A. den Hartog A.L. ten Have-Mellema prof.dr.ir. J.A.P. Heesterbeek prof.dr. L.J. Hellebrekers dr. S.A. Hertzberger J.E. Hesterman A.J.M. van Hoof dr.ing. H. Hopster prof.dr.ir. A. van Huis ir. M. de Jong-Timmerman J.Th. de Jongh drs. J. Kaandorp prof.dr.ir. B. Kemp prof.dr. F. van Knapen prof.dr. P.A. Koolmees prof.dr. M.P.G. Koopmans P.C. Krikke dr. F.L.B. Meijboom ir. F.C. v.d. Schans dr. M.C.Th. Scholten prof.dr. Y.H. Schukken MBA prof.dr. M.M. Sloet van Oldruitenborgh- Oosterbaan ir. M.H.A. Steverink H.W.A. Swinkels dr.ir. J.W.G.M. Swinkels prof.dr.ir. C.J.A.M.
Termeer prof.dr.ir. J.C.M. van Trijp drs. R.A. Tombrock drs. H.M. van Veen Meer informatie over de Raad voor Dierenaangelegenheden vindt u op onze website: www.RDA.nl. Daar kunt u ook alle eerder uitgebrachte adviezen downloaden