Hoofddocument RES 1.pdf
Tekst van het document
1 West-Overijssel RES 1.0 West-Overijssel Samen naar een opgewekt West-Overijssel 3 Lokaal Eigendom Regionale doelstelling: minimaal 50% lokaal eigendom Afspraken over rollen en verantwoordelijkheden Participatie Maatschappelijke acceptatie Aanpak lokale participatie Aanpak regionale participatie Gebiedsgerichte en grensontkennende participatie Communicatie Samenwerking en sturing naar RES 2.O Samenwerking raden, Staten en algemeen besturen Ervaringen rol en functie van de werkgroep RSAB Suggesties richting de RES 2.0 Randvoorwaarden Begrippenlijst A - Z Inleiding Leeswijzer Uitvoering op drie niveaus Managementsamenvatting Het verhaal van West-Overijssel Het bod van West-Overijssel Voortgang en monitor opwek Verhouding wind-zon Zon-op-dak Risico’s en randvoorwaarden voor het RES-bod De zoekgebieden Ruimtelijke kwaliteit Ontwerpprincipes Ruimtelijke potentie Ruimtelijke procedure: onderzoeksagenda omgevingseffecten Netwerk De knoppen van maatschappelijke kosten Netwerkanalyse Samen Naar Integraal Programmeren Regionale Structuur Warmte Warmtevraag en aanbod (regionaal beeld) Regionale verdeelafspraken Regionaal te benutten warmtebronnen Energiebesparing inzichtelijk maken Regionale samenwerking warmte Inhoudsopgave 9. 9.1 9.2 10. 10.1 10.2 10.3 10.4 11. 12. 13. 13.1 13.2 14. 15. 1. 1.1 1.2 2. 3. 4. 4.1 4.2 4.3 4.4 5. 6. 6.1 6.2 6.3 7. 7.1 7.2 7.3 8.
8.1 8.2 8.3 8.4 8.5 32 33 34 36 38 38 39 41 44 46 48 49 49 50 52 4 5 7 8 10 12 14 15 16 16 17 18 19 21 23 24 24 25 26 28 28 29 29 30 31 RES 1.0 West-Overijssel Dalfsen Deventer Hardenberg Kampen Olst-Wijhe Ommen Raalte Staphorst Steenwijkerland Zwartewaterland Zwolle Overijssel Drents Overijsselse Delta Vechtstromen Vallei en Veluwe Rijn en IJssel Gemeente Provincie Waterschappen 1 juni 2021 5 4 1. Inleiding Duiding betekenis RES 1.0 Voor u ligt de Regionale Energiestrategie (RES) 1.0 van West-Overijssel. Deze is tot stand gekomen na een inten- sief samenwerkingsproces waarbij gemeenten, provincie en waterschappen de bijdrage aan de energietransitie hebben vastgesteld. Hierbij hebben zij zich intensief laten adviseren door de netbedrijven Enexis, Coteq/Cogas en RENDO. In deze RES 1.0 staan met name de doelstellingen en afspraken tussen de bestuurlijke partners in de RES aangegeven. Bijvoorbeeld over hoe en waar we duurzame elektriciteit opwekken, over de ruimtelijke principes die we hierbij hanteren en de noodzakelijke uitbreiding in het elektriciteitsnetwerk. Maar ook over de regionale struc- tuur warmte, de uitgangspunten voor lokaal eigendom en participatie en de samenwerking en sturing die nodig is voor de uitvoering. De RES 1.0 is door de gemeenteraden, Provinciale Staten en algemeen besturen van de waterschappen vastgesteld.
Hiermee geven de bestuurlijke partners in de RES aan wat zij gaan bijdragen aan de energietransitie. En hoe ze in regionaal verband met inwoners en maatschappelijke organisaties willen samenwerken aan de realisatie van de doelstellingen. De RES 1.0 heeft het karakter van een beleidsdocument dat, al dan niet in samenhang met eer- dere vastgestelde beleidsdocumenten, richtinggevend is voor de verdere ontwikkeling van de energiestrategie. De RES 1.0 bouwt voort op de Concept-RES uit juni 2020 maar vervangt tevens het Hoofdlijnenakkoord dat in april 2021 door gemeenteraden, Provinciale Staten en algemeen besturen is vastgesteld. De Startnota van december 2019 geldt daarnaast nog steeds als leidend bij de opzet en governance van de RES West-Overijssel. Hoofddocument en Bouwstenen De RES 1.0 van West-Overijssel is het hoofddocument van de Regionale Energiestrategie (RES). Daarnaast zijn een vijftal zogenoemde bouwstenen als bijlage opgenomen. Het hoofddocument RES 1.0 wordt vastgesteld door de bestuurlijke partners waarbij de bouwstenen primair in- formatie en toelichting geven op de verschillende thema’s, maar niet worden vastgesteld. De bouwstenen kunnen worden gezien als achtergrondinformatie en hulpmiddel bij de verdere uitwerking van de Regionale Energiestrate- gie.
1.1 Leeswijzer De RES 1.0 bestaat in de kern uit een zestal doelstellingen en een zestal afspraken waar de bestuurlijke partners zich aan verbinden. De doelstellingen en afspraken hebben betrekking op: • Het bod voor opwek in hoofdstuk 4. • De zoekgebieden in hoofdstuk 5. • Ruimtelijke kwaliteit in hoofdstuk 6. • (De kosten van) het netwerk in hoofdstuk 7. • Warmte in hoofdstuk 8. • Lokaal eigendom in hoofdstuk 9. • Participatie in hoofdstuk 10. • Communicatie in hoofdstuk 11. • Bestuurlijke samenwerking in hoofdstuk 12. • Samenwerking raden, Staten en algemeen besturen in hoofdstuk 13. • Randvoowaarden in hoofdstuk 14. • Begrippenlijst in hoofdstuk 15. Voor het realiseren van deze doelstellingen en afspraken is een aantal randvoorwaarden van cruciaal belang. Deze voorwaarden moeten door andere overheden en instanties (met name het Rijk) worden gerealiseerd. Het daadwerkelijk kunnen uitvoeren van deze regionale energiestrategie is mede afhankelijk van de mate waarin en het tijdstip waarop deze randvoorwaarden worden gerealiseerd. In hoofdstuk 14 worden deze randvoor- waarden nader toegelicht. Voorafgaand aan de beleidsmatige hoofdstukken hebben we de visie van de regionale energiestrategie weerge- geven in ‘Het verhaal van West-Overijssel’.
Tenslotte hebben we een begrippenlijst toegevoegd die hopelijk behulpzaam kan zijn bij het verklaren van begrippen die in deze tekst worden gebruikt. ‘De kracht van de RES 1.0 is dat iedere partner de verantwoordelijkheid heeft genomen om bij te dragen aan ons gemeen- schappelijke doel. ’ ‘We werken in West- Overijssel hard aan de energietransitie. Er zijn al diverse projecten gerealiseerd, ook door lokale inwoners zelf. Met deze RES 1.0 willen we meer van die projecten mogelijk maken. ’ Marcel Blind Wethouder van Olst-Wijhe en covoorzitter van de RES-regio West-Overijssel Bart Jaspers Faijer Wethouder van Ommen en covoorzitter van de RES-regio West-Overijssel 7 6 Gelijkwaardige samenwerking regionaal lokaal c RSAB maatschappelijke partners MONITORING NAAR RES 2.0 bijdrage aan energietransitie ruimtelijke kwaliteit maatschappelijke acceptatie maatschappelijke kosten effectiviteit I I provincie waterschapgemeente gemeente = bevoegd gezag netbeheerder 50% lokaal eigendom ZONNE- VISIE KADERS WIND OMGEVINGS VISIE H+N+S gemeente- raad provinciale kaders beleids- participatie gemeenten provincie netbeheerder waterschap energiecoöperaties I LTO I NMO I jong RES raadslid I statenlid I waterschapsbestuurder I griffier gebiedsparticipatie provincie ontwikkelfondsen voor energiecoöperaties en werkplaatsen NEO BELEIDSONTWIKKELING VERGUNNINGVERLENING REALISATIE ZONNE- LADDER Wet NATUUR
BESCHERMING Bijdrage energietransitie Ruimtelijke kwaliteit Maatschappelijke acceptatie € €Maatschappelijke kostenefficiëncy In de RES worden alle 4 uitgangspunten integraal afgewogen We doen dit samen! Wij, de elf gemeenten, de provincie en de waterschappen uit de regio West-Overijssel, doen dit samen! Dat is één van de kernwaarden die we in de concept-RES met elkaar afspraken. In onze regio werken we bestuurlijk samen aan de Regionale Energiestrategie. Tegelijkertijd erkennen we ook dat de energietransitie lokaal plaatsvindt. In de lokale gemeenschappen gebeurt het, daar ontstaan initiatie- ven voor zon-op-dak, zonneparken en windmolens. We Hoofdlijnenakkoord In april 2021 hebben de volksvertegenwoordigers van gemeenten, provincie en waterschappen zich uitgespro- ken over het Hoofdlijnenakkoord. Het karakter van dit akkoord was om te toetsen of er op hoofdlijnen bestuur- lijk commitment was en om de gelegenheid te bieden aan de volksvertegenwoordigende organen (gemeenteraden, Provinciale Staten en algemeen besturen) richtinggevende uitspraken te doen over de Regionale Energiestrategie. Daarbij werden de belangrijkste doelstellingen en af- spraken voor de RES 1.0 vastgelegd. De gemeenteraden, Provinciale Staten en algemeen besturen hebben door middel van moties en amendementen aangegeven waar zij nadrukkelijk aandacht voor willen in het vervolgproces.
Deze moties en amendementen hebben we in deze RES 1.0 verwerkt. De wijze waarop dit is gebeurd, staat be- schreven in de raads-, Staten- en algemeen bestuursvoor- stellen voor de RES 1.0. Hiermee is uitvoering gegeven aan de wensen van de werkgroep raden, staten en algemene besturen (RSAB) om de volksvertegenwoordigende orga- nen aan de voorkant een belangrijke stem te geven in de totstandkoming van deze RES 1.0. Het Hoofdlijnenakkoord had uitsluitend tot doel om de input aan de voorkant vorm te geven. De vastgestelde RES 1.0 vervangt het Hoofdlijnenakkoord. 1.2 Uitvoering op drie niveaus De uitvoering van de RES vindt primair plaats in de ge- meenten op lokaal niveau. Zij zijn verantwoordelijk voor onder meer het uitwerken van de RES in het omgevings- beleid en de vergunningverlening. Ook de provincie gaat omgevingsbeleid aanpassen en daar waar nodig in lijn brengen met de doelstellingen en afspraken in de RES. De gemeenten zijn het eerste aanspreekpunt voor lokale initiatieven en projecten. Tegelijk is onderkend dat veel vraagstukken vragen om samenwerking tussen gemeen- ten op subregionaal niveau. De zoekgebieden voor de energietransitie vragen om afstemming over de gemeen- tegrenzen heen en in enkele gevallen ook een gezamen- lijke gebiedsontwikkeling.
Vanuit het perspectief van participatie door inwoners is een dergelijke gebiedsge- richte en grensontkennende werkwijze van groot belang. Op regionaal niveau gaat het naast kennisontwikkeling en monitoring van de doelstellingen en afspraken vooral ook om een gezamenlijke inspanning voor het (tijdig) realise- ren van de noodzakelijke netcapaciteit. In deze RES 1.0 hebben we vanuit het afwegingskader op de vier hoekpunten keuzes gemaakt om verder te werken aan de energietransitie. Met deze RES 1.0 leggen we een belangrijk fundament en tegelijk weten we dat er nog veel moet gebeuren. Op lokaal en subregionaal niveau worden met behulp van dit afwegingskader nog verdere afwegin- gen gemaakt per project, per gemeente, per gebied. In de RES 2.0 gaan we opnieuw vanuit dit afwegingskader beoordelen of de doelstellingen voor 2030 nog steeds haalbaar zijn en waar nodig gaan we dit bijsturen. realiseren ons dan ook dat het en/en is: het lokale proces en regionale doelstellingen en afspraken. We werken in West-Overijssel van onderop, vanuit de lokale processen, dat is de kracht van onze Regionale Energiestrategie (RES). Tegelijkertijd werken we samen aan regionale doelen die leidend zijn voor onze lokale processen. 1.
Inleiding 9 8 De RES 1.0 van West-Overijssel is het resultaat van inten- sief overleg tussen elf gemeenteraden, Provinciale Staten, algemeen besturen van vier waterschappen, adviesgroep RES en diverse ontmoetingen met maatschappelijke organisaties. De RES 1.0 is ook het resultaat van bespre- king en besluitvorming over het Hoofdlijnenakkoord. Met de RES 1.0 is een fundament gelegd onder de regionale samenwerking voor de bijdrage aan het Klimaatakkoord. Hiermee geven de bestuurlijke partners in de RES aan wat zij willen bijdragen aan de energietransitie en hoe ze in regionaal verband met inwoners en maatschappelijke organisaties willen samenwerken aan de realisatie van de doelstellingen. Die doelstellingen geven vorm aan de afspraken rond duurzame opwek en regionale warmte- structuur. De RES 1.0 heeft het karakter van een beleidsdocument dat, al dan niet in samenhang met eerder vastgestelde beleidsdocumenten, richtinggevend is voor de verdere ontwikkeling van de energiestrategie. In de kern bestaat de RES 1.0 uit zes doelstellingen en zes afspraken. Deze worden in dit document uitgebreid beschreven in tekstblokken en in de diverse hoofdstukken voorzien van een onderbouwing. Samengevat komt het neer op het volgende: De zes doelstellingen: 1.
Het bod van de RES West-Overijssel voor duurzame opwek van elektriciteit in 2030 bedraagt 1,826TWh waarbij we streven naar een verhouding van 60% opwek door windenergie en 40% door zon. 2. Zoekgebieden en/of uitsluitingsgebieden hebben we vastgelegd of leggen we uiterlijk bestuurlijk vast bij de RES 2.0 zodat we een goede verdeling naar HSMS- stations kunnen creëren. 2. Managementsamenvatting 3. Op lokaal en subregionaal niveau gaan we de ruim- telijke potentie in de regio verder uitwerken op basis van de ontwerpprincipes uit de concept-RES. Bij de RES 2.0 maken we de balans op. 4. De maatschappelijke kosten van het netwerk gaan we beperken door de ‘knoppen’ te hanteren voor meer wind, grotere clusters en redelijke afstanden tot aansluitpunten. 5. Voor de realisatie van windmolens en grootschalige zonneparken streven we naar een gebiedsgerichte en grensontkennende aanpak. 6. We stellen ons ten doel om minimaal 50% lokaal eigendom in de opwek door wind en grootschalig zon-op-veld te realiseren. Om deze doelen te behalen hebben we ook de volgende afspraken gemaakt: 1. We versterken de subregionale samenwerking van gemeenten in de regio. 2. We continueren de regionale participatie met maat- schappelijke organisaties naar de RES 2.0. 3. We gaan aan de slag met groen gas, geothermie, lokale waterstof, aquathermie en de duurzaamheids- ladder in de Regionale Structuur Warmte (RSW).
Hierbij monitoren de gemeenten de stappen die zij zetten op energiebesparing. 4. We formuleren gezamenlijk een onderzoeksagenda die op de schaal van de regio inzicht biedt in (cumula- tieve) milieu- en gezondheidsaspecten. Op basis van de resultaten wordt een besluit genomen over een MER. 5. We gaan onze samenwerking verder vormgeven op basis van het “opgavegericht werken” . 6. We zetten ons gezamenlijk in voor een lobby op betaalbaarheid en governance op basis van het organisatiemodel opgavegericht werken. We werken aan deze doelstellingen en afspraken op basis van de historie van West-Overijssel: we doen het samen, van onderop in een regionale context. De gemeenten spelen een cruciale rol in de uitvoering van deze RES en werken daarbij samen in subregionaal verband. De governance die we afspraken in de Startnota van de RES blijft leidend in de periode naar de RES 2.0. Dat wil zeggen dat iedere gemeente staat voor het eigen aandeel in het bod, samenwerkt in de subregio met buurgemeen- ten, ook al liggen die in andere RES-regio’s. Door middel van een monitor meten we de voortgang van de uitvoering van de RES en sturen bij waar nodig. Door Samen Naar Integrale Planning (SNIP) te werken met de netbedrijven realiseren we tijdig en kosteneffectief de aanpassingen aan het netwerk. Zo kunnen we het bod van de RES voor 2030 daadwerkelijk realiseren.
In de uitvoering van de RES 1.0 in West-Overijssel zijn de gemeenten aan zet als het gaat om inwonersparticipatie. We werken gezamenlijk aan ondersteunende communi- catiemiddelen, bijvoorbeeld een website, video’s, rubriek feiten & fabels, enz. In samenhang met de doelstelling minimaal 50% lokaal eigendom gaan gemeenten een belangrijke bijdrage leveren aan het vergroten van de maatschappelijke acceptatie van de energietransitie in onze mooie regio. 11 10 3. Het verhaal van West-Overijssel Ons klimaat verandert. Dat heeft grote gevolgen voor onze leefomgeving. De zomers zijn droger en warmer, de winters zijn natter en minder koud. Waar we eeuwenlang werkten om water zo snel mogelijk af te voeren, werken we nu aan het vasthouden van water. We willen voorko- men dat de aarde verder opwarmt. Daarom moeten we in actie komen. Dit doen we door energie te besparen en door over te stappen op duurzame energiebronnen. Dit noemen we de energietransitie. Het opwekken van energie met behulp van zon en wind zijn op dit moment de bewezen technieken. Beide hebben gevolgen voor ons landschap. Dat begrijpen en erkennen we. We moeten leren omgaan met dit veranderende landschap. Dat land- schap heeft zich eerder gevormd naar onze energie- winning en dat zal het nu ook weer doen.
Vanuit het Klimaatakkoord hebben we de opdracht gekre- gen om ons aandeel te nemen in de energietransitie in West-Overijssel. Die opdracht voeren we uit. Dat doen we samen: als samenwerkingspartners en samen met onze lokale gemeenschappen. En we doen dat zoveel mogelijk zelf. Zo houden we regie op onze energievoorziening, houden we de inkomsten in onze eigen gemeenschappen en versterken we deze. Van oudsher Het is niet voor het eerst dat het landschap verandert door de winning van energie. Ook de aanleg van het netwerk voor elektriciteit en de omschakeling van hout en kolen naar aardgas in de vorige eeuw heeft de woon- en leefomgeving veranderd. Van de Kop van Overijssel tot aan het Vechtdal en van de IJsseldelta tot Deventer: het landschap van het grootste deel van West-Overijssel zoals we dat nu kennen, is voor een belangrijk deel het gevolg van de veenontginningen en de winning van turf. Deze vonden sinds de vroege middeleeuwen tot soms ver in de 20ste eeuw plaats. De blokvormige perceelindeling van de Kop van Overijssel en de kaarsrechte percelen in de Mastenbroekerpolder tot de ‘slagen’ van Staphorst en Rouveen: ze zijn te herleiden tot deze inpoldering, veen- ontginningen en de turfwinning. Hele dorpen verplaatsten zich in de loop van de tijd verschillende keren, omdat door de veenontginningen de bodem daalde. Het Vechtdal en Salland kennen deze historie niet.
Hier kenmerkt het landschap zich van oudsher door het coulisselandschap met de landgoederen en havezaten. Dit gebied is, naast de waterrijke natuurgebieden van Nationaal Park Weer- ribben-Wieden, een belangrijke toeristische trekpleister in de regio. We doen het samen! In West-Overijssel werken we op heel veel fronten samen aan de energietransitie en de Regionale Energiestrate- gie (RES). Daarmee sluiten we aan bij de lange en rijke traditie van buurtschappen en noaberschap: we werken al sinds eeuwen samen om onze dorpen, steden en ge- meenschappen te versterken. Stad en platteland staan in West-Overijssel samen aan de lat. Gemeenten, provincie en waterschappen werken als gelijkwaardige partners samen en hebben met elkaar afgesproken: samen uit, samen thuis. Volksvertegenwoordigers werken niet alleen samen met hun bestuurders, maar ook onderling in de werkgroep RSAB en in diverse bijeenkomsten. Zowel op lokaal als regionaal niveau werken we samen met onze energiecoöperaties en de maatschappelijke organisaties denken voortdurend mee via de adviesgroep en bestuur- lijke werkconferenties. Lokaal werken de gemeenten samen met inwoners, het lokale bedrijfsleven en energie- initiatieven aan het maken van plannen en het realiseren van wind- en zonprojecten.
Van onderop in regionale context In West-Overijssel bouwen we de energietransitie van onderop op, waarbij de gemeenten aan zet zijn. De energiestrategie bouwen we op vanuit de lokale ener- gieplannen die door de gemeenteraden zijn of worden vastgesteld. Die lokale energieplannen zijn vaak tot stand gekomen in nauwe samenspraak met inwoners en bedrij- ven. De lokale opbouw van onze energiestrategie geeft een stevig fundament. Vanuit dit fundament benutten we de regionale kansen voor een zo optimaal mogelijke strategie. Die regionale afwegingen, doelstellingen en af- spraken vormen het kader waarin we de lokale processen verder vormgeven. We doen het zelf In West-Overijssel willen we het liefst samen met inwo- ners en lokaal gewortelde bedrijven aan de slag met zon- en windprojecten. We kiezen ervoor om zelf regie te hebben op onze energievoorziening. We willen niet langer afhankelijk zijn van buitenlandse mogendheden en willen niet dat winsten uit de energiewinning naar buitenlandse aandeelhouders verdwijnen. We werken samen aan een beleidskader voor gemeenten dat nodig is om zonnepar- ken en windmolens in West-Overijssel zo veel als mogelijk in lokaal eigendom te kunnen realiseren. Hierdoor kunnen we de opbrengsten gebruiken om onze steden, dorpen en lokale gemeenschappen te versterken. Zo zorgen we op meerdere fronten voor een betere toekomst voor ons en onze kinderen.
We zien kansen We zien zonneparken en windmolens in lokaal eigendom als een kans om lokale voorzieningen te versterken of te behouden. We zien de opwek van duurzame energie als een kans voor lokale bedrijvigheid, zeker voor circulaire en duurzame bedrijven. Bedrijvigheid en werkgelegenheid concentreert zich op plekken met goede voorzieningen. De beschikbaarheid van groene energie wordt in de toekomst een bepalende factor in de brede welvaart van onze regio. Bovendien biedt de uitvoering van de ener- gietransitie de komende jaren werk aan veel mensen en bedrijven in onze regio. We zien de opwek van zon- ne- en windenergie ook als een kans voor andere grote opgaven waar we in West-Overijssel voor staan, zoals de verduurzaming van de landbouw, circulaire economie, het vergroten van de biodiversiteit en natuurontwikkeling en de stikstofproblematiek. 13 12 4. Het bod van West-Overijssel De RES West-Overijssel handhaaft haar bod. Een actualisatie levert een regionaal bod op van 1,826 TWh.
De analyse van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en de eigen analyse van de hoekpunten netwerk en ruimte laten zien dat de verhouding wind-zon uit de concept RES van 40% wind en 60% zon om diverse redenen niet het uitgangspunt kan zijn voor 2030: • De maatschappelijke investeringen in het netwerk (kabels en stations) en de SDE++ laten zien dat er jaarlijks vele tientallen miljoenen extra nodig zijn om de grote hoeveelheid zon in de mix te kunnen realiseren. • De (autonome) ontwikkeling rondom zon-op-dak is groot en claimt hiermee een aanzienlijk aandeel in het onderdeel zon in de mix. • Zonnevelden nemen méér ruimte in dan windturbines om dezelfde hoeveelheid energie op te leveren en zonnevelden hebben hogere maatschappelijke kosten. • In de concept-RES is, onder de ruimtelijke ontwerpprincipes, opgenomen dat meervoudig ruimtege- bruik voor enkelvoudig ruimtegebruik gaat. Zowel bij zonnevelden als bij windturbines zijn er moge- lijkheden voor meervoudig ruimtegebruik. Bij windenergie is meervoudig ruimtegebruik altijd aan de orde en daarom is meer windenergie wenselijk. • De maatschappelijke acceptatie van windmolens is een belangrijk issue. Deze lijkt vanwege de impact op de omgeving lager te liggen dan voor zon-op-land. Het draagvlak voor zon-op-dak is het grootst. In deze afweging is een balans gevonden met 60% wind en 40% zon.
De partners in de RES gaan zich inspannen om in de periode naar de RES 2.0 bij de plannen en projecten te sturen op een verhouding van 60% wind en 40% zon op regionaal niveau voor het bod van 1,826 TWh. Deze doelstelling vertalen we niet een-op-een naar elke gemeente, maar is een gezamenlijke doelstelling op regioniveau waar elke gemeente haar bijdrage aan levert. In subregionale samenwerking vullen we deze doelstelling in. We zien nu al dat de samenstelling in zon en wind in het bod regelmatig verschuift. Bij enkele gemeenten zien we veranderingen naar meer wind en soms ook naar meer zon-op-dak. Vaak gaan windprojecten ook gepaard met combinatiemogelijkheden voor zon-op-veld. Dit soort combinatie- projecten en initiatieven van bedrijven voor zon-op-dak leiden in onze doelstelling niet automatisch tot meer opwek door wind. We verwachten van elke gemeente dat zij in de (sub-)regio zichtbaar maakt wat de bijdrage is aan deze doelstelling. Doelstelling: het bod van de concept-RES handhaven, actualiseren en streven naar 60% wind – 40% zon De RES-regio West-Overijssel heeft zich ten doel gesteld om een bijdrage te leveren aan de opwek van duurzame elektriciteit in het kader van het Klimaatakkoord. In dit hoofdstuk gaan we in op het aanbod van West-Overijssel en geven we een toelichting op de verhouding zon-wind en de risico’s en randvoorwaarden van het aanbod.
Dit leidt tot de volgende doelstelling: Het bod van West-Overijssel De RES-regio West-Overijssel doet het aanbod om vanaf 2030 jaarlijks 1,826 TWh aan duurzame elektriciteit op te wekken. Dit bod bestaat uit al gerealiseerde projecten, concrete initiatieven die nog niet gerealiseerd zijn en ambitie (doelstelling nog niet gekoppeld aan concrete projecten). In figuur 1 is het bod per gemeente te zien. Figuur 1: het bod RES 1.0 van West-Overijssel. Wind * Totaal *Pm: In Olst-Wijhe zijn het ruimtelijk beleid en de onderzoeksgebieden voor Wind vastgesteld. Na afronding van de lopende (subregionale) gebiedsprocessen, in 2023 / voor RES 2.0, zal de pm-post worden geconcretiseerd.
* De huidige verdeling zon/wind is indicatief * De bijdrage van de Waterschappen zijn in het bod opgenomen Zon op veld* Zon op dak* Gemeente Dalfsen Deventer Hardenberg Kampen Olst-Wijhe Ommen Raalte Staphorst Steen- wijkerland Zwarte- waterland Zwolle REGIO (GWh) 25 49 39 55 64 50 41 10 112 22 100 567 (GWh) 18 100 32 33 10 20 52 50 59 33 201 608 (GWh) 57 63 166 156 pm 34 7 60 0 50 58 651 (GWh) 100 212 237 244 74 104 100 120 171 105 359 1826 Zon (%) 43% 70% 30% 36% 100% 67% 93% 50% 100% 52% 84% 64% Wind (%) 57% 30% 70% 64% 0% 33% 7% 50% 0% 48% 16% 36% Relatieve aandeel per type technologie 15 14 4.1 Voortgang en monitor opwek Om de voortgang van het West-Overijsselse bod te volgen, is er een monitor in het leven geroepen. In de monitor houden we voor verschillende fases van projecten, per techniek, de voortgang van de opwek van duurzame ener- gie bij. Van de 1,8 TWh die West-Overijssel in 2030 zelf wil opwekken, wekken we nu 20% duurzaam op en voor nog eens 20% bestaan concrete plannen. Dat betekent dat tot 2030 voor de resterende 60% plannen gemaakt en/of gerealiseerd worden (zie figuur 2). In de bouwsteen Elektriciteit is deze monitor uitgewerkt. 4.
Het bod van West-Overijssel Totaal Bod RES West Overijssel Figuur 2: Voortgangsmonitor RES-West Overijssel maart 2021 651; 36% 608; 33% 567; 31% Zon op veld (GWh) Zon op dak (GWh) Wind (GWh) Totaal Bod RES West Overijssel Gerealiseerd Pijplijn Ambitie 1110 395 321 4.2 Verhouding wind-zon De mix van wind, zon-op-dak en zon-op-veld in de RES 1.0 blijkt vanuit de verschillende hoekpunten geen optimale verhouding. Het gaat hier dan specifiek om de aspecten ruimtelijke impact, maatschappelijke kostenefficiency, maatschappelijke acceptatie en tijdig beschikbare net- werkruimte. De partners in deze RES-regio hebben zich dan ook ten doel gesteld om in de periode naar RES 2.0 te streven naar een regionale verhouding van 60% wind en 40% zon voor het RES-bod. Deze doelstelling vertalen we niet een-op-een naar elke gemeente, maar is een gezamenlijke doelstelling op regioniveau waar elke gemeente haar bij- drage aan levert. In subregionale samenwerking verken- nen we de mogelijkheden om deze doelstelling regionaal in te vullen. Van elke gemeente verwachten we dat zij in de (sub)regio zichtbaar maakt wat de bijdrage is aan deze doelstelling. Hiervoor hanteren wij de volgende elementen bij het invullen van de lokale ambitie: 1. Vergroten van het aandeel wind. 2. Faciliteren autonome ontwikkeling zon-op-dak. 3. Invullen resterende ambitie met zon-op-veld.
wind zon 60% wind 35% 40% zon 65% energiemix in het bod RES 1.0 energiemix in het bod RES 2.0 567651 17 16 4.3 Zon-op-dak Ruimte is schaars. Dubbelgebruik van ruimte is daarom een uitgangspunt waar veel draagvlak voor is. Zon-op-dak weegt mee in het RES-bod wanneer het project meer dan 15 kWp vermogen heeft (vanaf +/- 50 panelen). Regionaal wordt op verschillende manieren ingezet op het stimu- leren en faciliteren van dit dubbele ruimtegebruik. Dit gebeurt onder andere door de ‘taskforce zon-op-dak’ vanuit het uitvoeringsprogramma Nieuwe Energie Over- ijssel (NEO) Binnen deze taskforce wordt onder andere gekeken naar de mogelijkheid van een gebiedsgerichte aanpak, waarbij we vraag en aanbod van elektriciteit samenbrengen. Op deze wijze geven we samen invulling aan de ambitie om op de daken in West-Overijssel mini- maal 649 GWh op te wekken. Meer informatie hierover treft u aan in de Bouwsteen Elektriciteit 4. Het bod van West-Overijssel Figuur 3: Overzicht Risico's en randvoorwaarden voor ons bod Randvoorwaarde 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Goede uitwisseling informatie Creëren handelingsperspectief (reële kansen op locaties en binnen termijnen) Samen invullen en benutten van schaarse netwerkruimte Ruimtelijke mogelijkheden voor zowel projecten als benodigde infrastructuur kennen Uitvoeringstempo aanpassingen netwerk Financieel perspectief vanuit het Rijk onderkennen Nieuwe ontwikkelingen en impact op het netwerk meenemen richting RES 2.0 Risico voor realisatie bod Onvoldoende info voor besluitvorming en realisatie Initiatieven stagneren door ontbreken handelingsperspectief Schaarse netwerkruimte niet optimaal benut; Onvoldoende mogelijkheid om te sturen Te hoge maatschappelijke kosten voor realisatie door desinvestering Onvoldoende netwerkruimte kan leiden tot een niet (tijdig) te realiseren bod Ongewenste sturing vanuit het Rijk op steeds grotere opwekschaal leidt tot weerstand Gevolgen nieuwe extra invloeden zijn in combinatie met bod moeilijk in te schatten 4.4 Risico’s en randvoorwaarden voor het RES-bod Ons bod vullen we in door veel verschillende soorten opwekprojecten, van enkele tientallen zonnepanelen op een dak, tot een cluster van meerdere grote windturbi- nes. Deze projecten kennen verschillende doorlooptijden en afhankelijkheden. Voor allemaal geldt dat wanneer het project ‘af’ is, aansluiting op het elektriciteitsnetwerk noodzakelijk is.
Naar de toekomst toe moeten er steeds meer projecten aangesloten worden op het regionale en landelijke elektriciteitsnetwerk. Dit zijn complexe ontwik- kelingen. Hiervoor is samenspel nodig tussen netbeheer- der, gemeente en energieproject. Dit complexe samenspel vraagt om het formuleren van randvoorwaarden en bijbe- horende risico’s in de realisatie van het RES-bod (zie figuur 3). Ons bod is alleen geldig wanneer opwekprojecten kunnen worden aangesloten op het netwerk. Om de risico’s te verkleinen, is sturing van gemeenten en netbeheerders nodig. Ook is het nodig dat de gemeenten en netbeheerders voldoende toegerust zijn voor deze taak. In de Bouwsteen Elektriciteit zijn deze randvoor- waarden en risico’s verder toegelicht. Zoekgebieden op de kaart De kaart is een weerspiegeling van dit proces. In de RES 1.0 staan alle, door de betreffende gemeenteraad vastgestelde, zoekgebieden op de kaart. Het betreft een momentopname van de situatie in april 2021. In de ontwikkeling naar de RES 2.0 gaan we alle zoekgebieden vaststellen en is het mogelijk dat zoekgebieden en/ of uitsluitingsgebieden worden bijgesteld op basis van subregionale samenwerking. Over resultaten van subre- gionale samenwerking besluiten de gemeenteraden. Per gemeente verschilt de wijze waarop met zoekgebieden wordt omgegaan. Zo zijn er gemeenten die kozen voor uitsluitingsgebieden.
Andere gemeenten hebben ingezet op specifieke zoekgebieden. In de kaartviewer hebben we deze allen op een vergelijkbare manier weergegeven: als zoekgebieden voor zon en wind. Zoekgebieden in relatie tot het bod Zoekgebieden geven een betekenis aan de kaart van West-Overijssel en laten zien waar we grootschalige opwek voorzien. Hoeveel windturbines of hoeveel zonne- panelen staat nog niet vast, evenmin als de exacte locatie binnen het zoekgebied. Daarnaast kan het zo zijn dat een gemeente meerdere zoekgebieden heeft, maar niet in alle gebieden wordt wind ontwikkeld in de periode tot 2030. Ontwikkeling is mede afhankelijk van bijvoorbeeld gebiedsprocessen. Mogelijkheden binnen en buiten de zoekgebieden Ons doel is om binnen de zoekgebieden de energiepro- jecten te realiseren. Veel gemeenten hebben buiten deze zoekgebieden ook ruimte voor energieprojecten. Het gaat in veel gevallen om kleinschalige ontwikkelingen zoals een erfmolen of een kleine veldopstelling van zonnepanelen. Zoekgebieden laten zien waar we in West-Overijssel kansen voor grootschalige opwek zien.
De mate waarin daadwerkelijke projecten door initiatiefnemers gerealiseerd kunnen worden, is nog onderwerp van het proces van participatie met inwoners, onderzoek naar mogelijkheden en beperkingen qua ruimtelijke, financiële en milieutechnische aspecten, lokaal eigendom en het succesvol doorlopen van vergunnings- trajecten. Wij stellen vast dat een fors deel van onze ambities nog niet in zoekgebieden of projecten zijn vastgelegd en stellen ons ten doel dat in de RES 2.0: A. Alle zoekgebieden van West-Overijssel met bestuurlijke besluiten zijn bekrachtigd, zodat in elk geval van alle windprojecten bekend is waar ontwikkelmogelijkheden zijn voorzien. B. Voor het merendeel van de projecten zon-op-veld wordt het zoekgebied zo bepaald dat een goede verdeling naar Hoogspannings-/Middenspanningsstation (HSMS) kan worden vastgesteld en de netbeheerder de investeringsplannen hierop aan kan sluiten. Doelstelling: Zoekgebieden voor zon en/of wind op de kaart 5. De zoekgebieden We bouwen de RES op vanuit lokale ambities en respecteren elkaars tempoverschillen. Waar sommige gemeenten al zoekgebieden hebben vastgesteld, werken andere gemeenten met uitsluitingsgebieden. Weer andere gemeenten zitten nog volop in het proces van het toewijzen van zoekgebieden. We spreken af dat we in de RES 2.0 of zoveel eerder als mogelijk, zoekgebieden vaststellen. 19 18 5.
De zoekgebieden Regio West-Overijssel 6. Ruimtelijke kwaliteit We hebben afgesproken dat we de RES lokaal opbouwen en dat we tegelijkertijd de regionale potentie benutten. Voor het onderdeel ruimtelijke kwaliteit hebben we hiervoor drie ontwerpprincipes gedefinieerd in de concept-RES. Nu een deel van de zoekgebieden op kaart staan, zien we dat de ontwerpprincipes op veel plekken zijn toegepast. Ruimtelijke kwaliteit beschouwen we in de RES vanuit een regionale blik. Daarmee sluiten we lokale en klein- schalige projecten niet uit. Binnen de bebouwde omgeving benutten we kansen, we stimuleren zon-op-dak, klein- schalige opwek en lokale opslag. Door de opwek niet te zien als een extra opgave maar als kans en katalysator, neemt het multifunctioneel gebruik toe en benutten we meekoppelkansen. 6.1 Ontwerpprincipes In de concept-RES hebben we afgesproken dat we de energieopgave in West-Overijssel vormgeven volgens drie ontwerpprincipes: • Efficiënt koppelen van vraag en aanbod. • Het combineren van opgaven (meekoppelkansen) en meervoudig ruimtegebruik. • Aansluiten bij gebiedsspecifieke kenmerken. De ontwerpprincipes baseerden we op leidende principes in de ruimtelijke ordening.
Ze zijn te herleiden naar de Nationale Omgevingsvisie, waarin vergelijkbare principes leidend zijn (combinaties van functies gaan voor enkel- voudige functies, kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal en afwentelen van negatieve effecten wordt voorkomen). Het toepassen van deze principes heeft tot doel om ruimte vragende energieopwekking zorgvuldig ruimtelijk in te passen. De principes geven richting aan de locaties waar energieprojecten het best passen. Daarnaast geven de principes invulling aan de wijze waarop in verschillende landschappen de projecten worden ingepast. Principe-uitwerkingen en voorbeelden zijn opgenomen in de bouwsteen ruimtelijke kwaliteit: het inspiratiedocu- ment. Vanuit de analyse van de zoekgebieden op de ontwerpprincipes, definiëren we de belangrijkste ruimtelijke potentie op schaal van de regio in: • Benutten van kansen binnen de bebouwde omgeving. • Koppeling van energievraag en aanbod. • De ruimtelijke meekoppelkansen. • Energieopwekking langs hoofdinfrastructuur. • Het ontzien van waardevolle gebieden. • Clustering in de daarvoor geschikte landschappen. Op lokaal en subregionaal niveau werken we dit verder uit in de totstandkoming en invulling van zoekgebieden. In de RES 2.0 maken we de balans op. Doelstelling: Optimaliseren ruimtelijke kwaliteit bij opwek
21 20 Achtergronden bij de ontwerpprincipes Efficiënt koppelen van vraag en aanbod Dit principe komt voort uit het voorkomen van het afwentelen van negatieve effecten. Ingrepen in een gebied mogen niet leiden tot negatieve effecten op andere gebieden. Dit leidt ertoe dat daar waar energie gevraagd wordt, deze ook wordt opgewekt. Het ruimtelijk combineren van opwek, opslag en afzet maakt een efficiënt en compact distributie- en infrastructuurnetwerk van energie mogelijk. We onderzoeken in welke gebieden dat kansrijk is. Daarbij houden we rekening met de verstedelijkingsopgave van wonen en bedrijvigheid. Het combineren van opgaven en meervoudig ruimtegebruik Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik is het uitgangspunt bij iedere ruimtelijke opgave. Waar mogelijk kiezen we voor meervoudig ruimtegebruik. Hieronder verstaan we bijvoorbeeld: zonnepanelen op daken, parkeerplaatsen of op wa- terberging en windmolens langs infrastructuur. Dit betekent dat meervoudig ruimtegebruik voorgaat op enkelvoudig ruimtegebruik. In de provinciale omgevingsverordening is dit principe voor zonprojecten vertaald in de zonneladder. Naast het meervoudige ruimtegebruik zoeken we naar koppelingen met andere opgaven. We gebruiken de energie- opwekking als hefboom voor andere opgaven zoals extensivering van de landbouw, klimaatadaptatie en natuuront- wikkeling, waarbij ook biodiversiteit bevorderd wordt.
Met de opbrengsten van wind- en zonneprojecten kunnen we maatschappelijke voorzieningen betalen en in stand houden. Op deze manier kan de energieopgave bijdragen aan de leefbaarheid. Aansluiten bij gebiedsspecifieke kenmerken De identiteit en kenmerken van een gebied staan centraal bij ruimtelijke opgaven. ‘Bij de inpassing van nieuwe functies moeten we rekening houden met de kwaliteit van bodem, water, lucht, cultureel erfgoed en natuur. De aanwezige en door bewoners en gebruikers beleefde kwaliteiten en ontwikkelingsmogelijkheden zijn overal anders. Dit moet doorwerken in de aanpak van opgaven in ieder specifiek gebied’ (Nationale Omgevingsvisie). De energieopgave moet aansluiten bij de kenmerken van een gebied. Het gaat daarbij om landschapstypologie, leefbaarheid, belevingswaarde, natuurontwikkeling, erfgoed en milieu. In de concept-RES hebben we afgesproken dat we de ruimtelijke ontwerpprincipes op (sub)regionale en lokale schaal toepassen. Deze ontwerpprincipes zijn uitgewerkt in de doelstellingen in de paragraaf 6.2 Ruimtelijke poten- tie en in het inspiratiedocument in de Bouwsteen Ruimte. Analyse De zoekgebieden die we in de RES 1.0 als vastgestelde gebieden op de kaart hebben gezet, zijn op basis van de ontwerpprincipes nader beschouwd. Zoekgebieden liggen voor een belangrijk deel in jonge ontginningslandschap- pen.
Dit zijn de jongst ontgonnen landschappen (op de provinciaal vastgestelde kaart met landschapstypen zijn dit de veenkoloniale landschappen en de jonge heide- en broekontginningslandschappen), met als belangrijkste kenmerken openheid en de grote schaal. De energieopgave brengt ook lasten met zich mee. Nieu- we energieopwekking maakt dat de leefomgeving verder onder druk kan komen te staan. Bijvoorbeeld door nega- tieve effecten zoals (laagfrequent) geluid en slagschaduw bij windturbines. Ook de afname van biodiversiteit door aaneengesloten vlakken met zonnepanelen en vogel- sterfte door windturbines, zijn hier voorbeelden van. Dit onderstreept de noodzaak tot zorgvuldige uitwerking van de energieopgave. 6. Ruimtelijke kwaliteit Zonneladder De zonneladder is onderdeel van de provinciale verorde- ning voor zonnevelden en geeft een voorkeursvolgorde aan. Deze is niet volgtijdelijk. ‘De intentie van de zonnelad- der is om zowel op daken als in het vrije veld zonnepane- len mogelijk te maken. Waarbij de voorkeur en stimulans ligt op het zoveel mogelijk benutten van daken, bouw- vlakken, bedrijfsterreinen, infrastructurele voorzieningen, erven en lokale initiatieven met kleine velden in stads- en dorpsranden. Ook met een stevige inzet op deze locaties worden de klimaatdoelen niet gehaald en zijn velden in het agrarisch gebied onvermijdelijk.
Bij deze velden in het agrarisch gebied gaat de voorkeur en inzet uit naar projecten met meerwaarde. Meerwaarde die ontstaat door het gelijktijdig realiseren van andere opgaven: met functiecombinaties (lees: meervoudig ruimtegebruik, bijvoorbeeld waterberging onder zonnepanelen) en met gebiedsontwikkeling. In laatste instantie zijn mono- functionele velden op agrarische grond acceptabel, als sluitstuk voor het realiseren van de energiedoelen en goede landbouwgrond wordt daarbij ontzien.’ Om overzicht te houden op de toepassing van de zon- neladder en de werking hiervan in de praktijk zal in de monitor van de RES een overzicht van de zonneprojecten worden bijgehouden waarin door middel van verwij- zing naar documenten en besluiten van de gemeenten inzichtelijk wordt gemaakt hoe in specifieke gevallen de afweging is gemaakt. Bij de RES 2.0 kan dan op basis van deze informatie in de monitor gerapporteerd worden welk effect de toepassing van de zonneladder heeft gehad op aantal en aard van de zonnevelden in de regio. 6.2 Ruimtelijke potentie Op basis van de drie ontwerpprincipes hebben we na een gezamenlijke analyse en uitwerking de volgende ruimtelijke doelen geformuleerd: • Benutten van kansen binnen de bebouwde omgeving. • Koppeling van energievraag en aanbod (ofwel opwek). • De ruimtelijke meekoppelkansen. • Energieopwekking langs hoofdinfrastructuur (weg, water en spoor).
• Het ontzien van waardevolle gebieden. • Clustering in de daarvoor geschikte landschappen. Benutten van kansen binnen de bebouwde omgeving Binnen de bebouwde omgeving benutten we kansen, we stimuleren zon-op-dak, kleinschalige opwek en lokale opslag. Dit vraagt om integratie in het stedenbouwkundig ontwerp bij verstedelijkingsopgaven en een goede inpas- sing in bestaand bebouwd gebied. Voor meervoudig ruim- tegebruik en de koppeling van vraag en aanbod liggen in de bebouwde omgeving grote kansen. Door verder in te zetten op besparing en het vergroten van de opwekmoge- lijkheden, is er op de lange termijn minder ruimte nodig in het landelijk gebied. Koppeling van energievraag en aanbod (ofwel opwek) Het opwekken van energie op en nabij industrie- en bedrijventerreinen, biedt kansen. We zien kansen in het beter benutten van ruimte door het koppelen van de stedelijke dynamiek aan energieprojecten. Gemeenten betrekken dit in het aanwijzen van de zoekgebieden en in gesprekken met initiatiefnemers over mogelijke project- locaties. De ruimtelijke meekoppelkansen We koppelen zoveel mogelijk gebiedsspecifieke ontwik- kelingen aan de energieopgave. Het gaat daarbij bijvoor- beeld over klimaattransitie (als veenweide, verdroging, etc.), natuuropgave (bossenstrategie, biodiversiteit), land- bouwontwikkeling (kavelruil, kringlooplandbouw) en ver- stedelijkingsopgaven.
Per gebied verschillen deze opgaven en vragen om gebiedsspecifieke uitwerking. De energieop- gave zelf kan ook aanleiding vormen om andere kansen in een gebied tot ontwikkeling te brengen en verder vorm te geven. Dit doen we in samenhang met de omgevingsvisies (nationaal, provinciaal, gemeentelijk en waterschap). 23 22 Door het uitwerken van meekoppelkansen gelijk te doen met het uitwerken van de energieopgave, kan dit de leef- baarheid versterken en maatschappelijke weerstand doen verminderen. Verschillende voorbeelden van de koppe- lingen tussen energieopwekking en andere gebieds- kansen zijn opgenomen in het inspiratiedocument ruimte- lijke kwaliteit. De kansen worden op gebiedsniveau ge- definieerd en uitgewerkt per zoekgebied in de RES 2.0. Energieopwekking langs hoofdinfrastructuur Het koppelen van de energieopgave in of langs de hoofdinfrastructuur versterkt de ruimtelijke kwaliteit op regionaal niveau. Het doel is om samen tot een ontwerp te komen dat eenduidigheid uitstraalt vanuit de weg én vanuit het landschap. Daarbij is het noodzakelijk om grensontkennend (ook buiten de RES-regio) te werken. Een goed voorbeeld is de toepassing van windenergie langs de A28. In West-Overijssel liggen kansen om dit verder te benut- ten. De kansrijke projecten worden vastgelegd in de RES 2.0. Daarbij vindt er bovenregionale afstemming plaats.
Hierbij houden we rekening met lokale keuzes en kenmer- ken. Het ontzien van waardevolle gebieden Ons uitgangspunt is om waardevolle gebieden (Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden en Natuurnetwerk Nederland) zoveel mogelijk te ontzien van energieprojec- ten. De mogelijkheden in deze gebieden en in de invloeds- 6. Ruimtelijke kwaliteit Energieopwekking een bedreiging én kans voor biodiversiteit Energieprojecten kunnen nadelig uitpakken voor eco- logie en biodiversiteit. Het is echter goed mogelijk om deze negatieve effecten met een goed ontwerp op te vangen. Zonneparken kunnen we ruimtelijk zo inrich- ten dat met het afwisselen van panelen met kruiden- rijke stroken, juist een verrijking voor de biodiversiteit vormen. Een ander voorbeeld: de ontwikkeling van een windbos (waar turbines in nieuw bos staan) biedt kansen voor toenemende biodiversiteit en voor vast- legging van CO2. sfeer ervan onderzoeken we (sub)regionaal en werken we uit in de RES 2.0. Hiervoor organiseren we een (sub)regio- naal gesprek over gedeelde waarden; wat zijn de waarden per gebied en hoe definiëren we de invloedssfeer van deze gebieden.
Welke ontwikkelingen, in schaal, type en vorm zijn passend en hoe kunnen we dit (sub)regionaal verder vormgeven? Clustering in de daarvoor geschikte landschappen Clustering betekent dat we een belangrijk deel van de opgave voor wind in een beperkt aantal gebieden rea- liseren. Hiermee voorkomen we versnippering van de opgave en behouden we diversiteit tussen landschappen. Clustering leidt bovendien tot lagere maatschappelijke kosten. De wijze waarop en de mate waarin energiepro- jecten worden geclusterd gaan we op subregionaal niveau verder vormgeven. Een voorbeeld van een subregionale samenwerking is de samenwerking tussen Zwolle, Dalf- sen, Zwartewaterland, Staphorst en de provincie. Hier is gestart met verkenningen tot het ontwikkelen van geclus- terde projecten. In de energieclusters ontstaan kansen voor combinaties van verschillende vormen van opwek en opslag. De kan- sen hiertoe verschillen per gebied. Clustering vraagt om zorgvuldige gebiedsprocessen, waarbij we investeren in de meekoppelkansen: • We geven uitwerking aan de potenties voor clustering van de opgave voor wind in de daarvoor geschikte landschappen in de RES 2.0.
• We onderzoeken in subregionale samenwerking de mogelijkheden van energielandschappen (het opti- maal benutten van deze gebieden met verschillende opwek- en opslagtechnieken met de ontwerpopgave voor de energieprojecten en andere opgaven op ge- biedsniveau) en nemen deze op in de RES 2.0. • Gemeenten die op basis van deze uitwerking beslui- ten om tot een wijziging van hun zoekgebieden over te gaan, nemen hierover een besluit dat we opnemen in de RES 2.0. • In de fase tussen de RES 1.0 en de RES 2.0 worden, waar relevant, afspraken gemaakt over de verdeling van lusten en lasten tussen betreffende partner. In het kader van Nieuwe Energie Overijssel is geld beschik- baar gesteld voor de ondersteuning van de ontwikkeling van energiegebieden. Clustering van energieopwekking, -opslag en -benutting kan ruimtelijke, infrastructurele en economische voordelen bieden. We verkennen deze mogelijkheden in subregionaal verband. 6.3 Ruimtelijke procedure: onderzoeksagenda omgevingseffecten Energieopwekking kan effecten hebben op gezondheid en milieu. We spreken af dat we in West-Overijssel samen een onderzoeksagenda formuleren. Hierin nemen we onderzoeken op die op schaal van de regio inzicht geven in (cumulatieve) milieu- en gezondheidseffecten. Het gaat daarbij onder andere om ecologie en biodiversiteit en geluid.
Onderzoeksresultaten van eerdere milieueffect- rapportages, gemeentelijke onderzoeken en verkennin- gen worden hierin betrokken. Deze onderzoeksagenda wordt in het najaar van 2021 vastgesteld en vervolgens uitgevoerd. Op basis van de resultaten die in het voorjaar van 2022 bekend zijn, wordt een besluit genomen over een MER. Daarbij liggen er op dat moment drie mogelijk- heden: A. Het uitvoeren van een planMER voor de regio. B. PlanMER’s per subregionale samenwerking. C. Geen planMER voor energieopwekking. De financiële consequenties worden per stap in beeld gebracht. 25 24 In dit hoofdstuk worden de uitdagingen die de energietransitie heeft voor het elektriciteitsnetwerk besproken. We gaan in op de factoren die van invloed zijn op (de kosten van) de infrastructuur ‘knoppen van maatschappelijke kosten’, de netwerkimpactanalyse en systeemstudie lichten we kort toe. Dit leidt tot twee doelstellingen met be- trekking tot het netwerk. 7. Netwerk Verandering van het energiesysteem De veranderingen in onze energiesystemen als gevolg van de energietransitie zijn enorm. Ging ons huidige systeem uit van centrale opwek in de vorm van grote centrales, nu gaan we naar een systeem van decentrale opwek waarbij op veel verschillende manieren in het netwerk elektriciteit moet worden ingevoerd. Hierbij komt dat er steeds meer partijen een rol spelen in de energievoorziening.
Bovendien wil iedereen vanwege onder andere de complexe planningsprocessen vroeg- tijdig helderheid hebben over de haalbaarheid van een initiatief. Kortom de aanpassingen aan het netwerk zijn een complexe en belangrijke opgave waar we samen voor staan. 7.1 De knoppen van maatschappelijke kosten Het grootschalig opwekken van duurzame energie vraagt om nieuwe infrastructuur zoals kabels en verdeel- stations. De mate waarin nieuwe infrastructuur nodig is voor de aansluiting van duurzame opwek is afhanke- lijk van een aantal factoren, oftewel ‘knoppen’ waaraan gedraaid kan worden. De impact van elke knop verschilt en samen hebben ze veel invloed op de kosten die voor de aanpassing van het netwerk gemaakt moeten worden. In de figuur rechtsboven zijn deze schematisch weergege- ven. In West-Overijssel hebben we als doel ons in te spannen om de mechanismen ‘knoppen van maatschappelijke kos- ten’ in en tussen te ontwikkelen zoekgebieden en project- gebieden toe te passen. In de Bouwsteen Netwerk is een nadere onderbouwing van de knoppen gegeven. A. Voor een succesvolle uitvoering van de projecten voor opwek van duurzame energie is het belangrijk dat we de afstemming tussen gemeenten en netbeheerder over de planning, zowel op korte als lange termijn, verbeteren. In de afgelopen maanden is gestart met de ontwikkeling hiervoor.
We spreken af dat we dit in de uitvoeringsstrategie verder uitwerken. Op Overijsselse schaal is hier al op initiatief van provincie en netbeheerders een overlegstructuur georganiseerd waarbij provincie, TenneT, regionale netbeheerders, NEO en de beide RES-regio’s Samen Naar Integraal Programmeren gaan (SNIP). B. Wij spannen ons in om de mechanismen ‘knoppen van maatschappelijke kosten’ in en tussen te ontwik- kelen zoekgebieden en projectgebieden toe te passen. We kijken dus naar de mogelijkheden voor meer wind, grotere clusters en redelijke afstanden tot aansluitpunten. Natuurlijk wegen we daarbij alle hoekpunten mee. Doelstelling: beperken maatschappelijke kosten 7.2 Netwerkanalyse De lokale ambities, onder andere weergegeven in de zoek- gebieden, geven een beeld op wat we waar op weg naar 2030 kunnen realiseren. Omdat een grote hoeveelheid projecten op termijn duurzame energie gaan invoeren op het netwerk vraagt dit om aanpassingen. Om hier een goed beeld van te krijgen, zodat het netwerk ook tijdig ge- reed is om deze projecten aan te sluiten, is een netwerk- impactanalyse gemaakt door de gezamenlijke netbeheerders. Voor een gedeelte van het bod in de RES West-Overijssel weten we al concreet waar én wanneer projecten voor de opwek van duurzame energie zijn of komen.
Maar het bod bestaat ook voor een gedeelte uit gemeentelijke ambities die nog concreter moeten worden uitgewerkt om de impact op het netwerk goed in te schatten. Hierbij nemen we ook andere ontwikkelingen mee die nodig zijn voor een juiste netberekening, zoals elektrificatie van de industrie (CES), elektrificatie van de mobiliteit (NAL) en de warmtetransitie (TVW). Echter, ook die prognoses zijn, net als prognoses binnen de RES, nog volop in ontwikkeling of worden nog opgestart. De regionale netbeheerders en TenneT hebben op basis van de nu beschikbare RES een voorlopige analyse gemaakt van de gevolgen voor het elektriciteitsnet. Dat dient als input voor hun investerings- prognoses. Zie voor meer informatie de Netimpactrappor- tage RES 1.0. die in de Bouwsteen Netwerk is opgenomen. Relatie tussen zoekgebieden en elektriciteitsnetwerk De duurzame elektriciteit die we opwekken moet worden getransporteerd via het elektriciteitsnet- werk. De locatiekeuze voor een wind- of zonnepark of een grootschalige opstelling van zonnepane- len op daken, heeft een relatie met de ligging en capaciteit van dit elektriciteitsnetwerk. De afstand ten opzichte van het elektriciteitsnet bepaalt of het mogelijk is het park zonder veel extra kosten aan te sluiten op het net.
De knoppen maatschappelijke kosten naar omvang en impact: LocatieEnergiemix Hoe meer wind hoe beter Kijk naar de combinatie van zon en wind Zorg voor voldoende grootte clusters van minimaal 10 MW Het bij elkaar brengen van vraag en aanbod vraagt om een lokale verdieping Realiseer de opwek (zoekgebieden) nabij een HSMS-station Clustering Bundeling Vraag en aanbod 27 26 7. Netwerk Aansluiten van het bod De conclusie van de analyse is dat het mogelijk is om het RES-bod aan te sluiten voor West-Overijssel. Maar ook dat we in de komende jaren nog veel moeten aanpassen en uitbreiden op alle lagen van het netwerk. In de rapportage ligt de focus op de aanpassingen in het hoog- en midden- spanningsnetwerk (HSMS). Voor de lagere netwerken (MS en LS) op een meer lokaal niveau hebben we ook gecon- stateerd dat veel aanpassingen noodzakelijk zijn. Om alle aanpassingen efficiënt en effectief uit te voeren is een nauwe afstemming met alle stakeholders een voorwaar- de. Verdere uitwerking We spreken af dat we dit proces van afstemming en sturing verder voortzetten. Deze afstemming is gestart in de voorbereiding op de RES 1.0 met de zogenaamde koersgesprekken tussen gemeenten en de netbeheerders. We gaan waar nodig de gesprekken intensiveren om tot een goede invulling van de benodigde aanpassingen en benutting van het bestaande netwerk te komen.
Hiernaast zal de regionale netbeheerder bij netwerkschaarste congestiemanagement inzetten zodat er maximale aan- sluitcapaciteit beschikbaar is om het bod te faciliteren. Verder spreken netbeheerder en lokale overheden af dat het benodigde vergunningsproces actief door lokale overheden zal worden ondersteund om tot een voorspoe- dige uitvoering in West-Overijssel te komen, zoals extra kabeltracé of transformator. Zo werken de partners in de RES West-Overijssel samen in de realisatie van het bod. 7.3 Samen Naar Integraal Programmeren Voor een succesvolle uitvoering van de projecten voor opwek van duurzame energie en andere opgaven, is het belangrijk dat de afstemming tussen de gemeenten en netbeheerder over inhoud en planning verbetert. Dit geldt voor projecten, zowel op korte als lange termijn, die een verband houden met het netwerk (zoals bijvoorbeeld nieuwe woonwijken of bedrijvenlocaties). In de afgelopen maanden startte de ontwikkeling hiervoor. Op Overijssel- se schaal organiseerden we hier al een overlegstructuur voor waarbij provincie, TenneT, regionale netbeheerders, Uitvoeringsprogramma NEO en de beide RES-regio’s Samen Naar Integraal Programmeren (SNIP) gaan. Deze overlegstructuur wordt in de fase na de RES 1.0 voortgezet.
SNIP houdt daarnaast ook rekening met de suggesties die gedaan worden op nationale schaal, zowel vanuit het Nationaal Programma Regionale Energiestrategie (NP RES) als Netbeheer Nederland. De bijdragen uit de betreffende werkgroepen zijn in de Bouwsteen Netwerk als bijlage opgenomen. Systeemstudie 2050: vier scenario’s voor Overijssel binnen een Klimaatneutraal Nederland Naast de netwerkimpactanalyse zijn er in opdracht van provincie Overijssel, de RES-regio’s West-Overijssel en Twente en Enexis Netbeheer vier mogelijke (extreme) toekomstscenario’s in kaart gebracht. Deze scenario’s houden rekening met de mogelijke ontwikkelingen in de energiehuishouding op de langere termijn. De scenario’s laten vier verschillende beelden zien van Nederland in 2050. Ze geven meer inzicht in de ontwikkelingen op het gebied van duurzame energieproductie en het toekom- stige energieverbruik. Met daarbij de mogelijke gevolgen voor het energiesysteem op basis van de nationaal ont- wikkelde klimaatneutrale scenario’s. Knelpunten op het netwerk Alle scenario’s laten zien dat we verwachten dat richting 2050 de vraag naar elektriciteit en de lokale duurzame productie hiervan sterk groeit. De huidige infrastructuur kan deze groei niet aan, waarbij de studie laat zien dat de lokale opwek op termijn de grootste netverzwaringen vereist.
Naast netverzwaring zijn flexibele oplossingen, die lokaal de benodigde verzwaring kunnen beperken of voorkomen, van groot belang. De systeemstudie beschrijft een aantal van deze oplossingen en de daarbij behorende handelingsperspectieven. Dit bevestigt dat ook op de lange termijn goede sturing op de netaanpassingen aan de hand van de knoppen voor maatschappelijke kostenefficiency van belang is. 27 29 28 8. Regionale Structuur Warmte Dit hoofdstuk bevat de samenvatting van de Regionale Structuur Warmte (RSW). In de bijlage is de bouwsteen RSW met aanvullende informatie opgenomen. Strekking en doel van de RSW De RSW gaat over warmtebronnen waarvoor we bovenge- meentelijk afstemmen om tot een goed gebruik te komen. We overleggen in mindere mate over lokale warmtebron- nen (zoals omgevingswarmte, aquathermie en kleinscha- lige restwarmtebronnen) die niet bovengemeentelijke afstemming vragen. Het doel van een gezamenlijke strategie op warmte is om op regionaal niveau af te stemmen over een efficiënte inzet en verdeling van de bovengemeentelijke warmte- bronnen. Deze afstemming vindt plaats op basis van een regionale inventarisatie van de warmtevraag, de beschik- bare bovengemeentelijke warmtebronnen en een ’(mis) match’ tussen vraag en aanbod. Dit geeft inzicht in de specifieke kansen en belemmeringen voor regionale ver- deling van bovengemeentelijke bronnen.
We hebben als doel om te komen tot een aantal regionale afspraken over het gebruik en de verdeling van regionale warmtebronnen en afspraken over regionale samenwerking. Totstandkoming RSW Als basis voor onze afspraken hebben we gebruikgemaakt van de concept-RSW (en de achterliggende rapportage met data/detailinformatie). Voor de versie RSW 1.0 is uitgegaan van gelijke basisinformatie; waar we duidelijk nieuwe inzichten verkregen is dit verwerkt in de bijlage: bouwsteen RSW 1.0. Wanneer dit aan de orde is, verwijzen we naar specifieke bronnen, zodat herleidbaar is waar eventuele verschillen tussen de concept-RSW en de RSW 1.0 op gebaseerd zijn. 8.1 Warmtevraag en aanbod (regionaal beeld) Aan de hand van de inventarisaties kunnen we samen- vattend de volgende conclusie trekken over het regionale warmtebeeld: • De warmtevraag in onze regio is het hoogst in de stedelijke gemeenten. De ontwikkeling van de warmtevraag in de toekomst lijkt redelijk stabiel. We verwachten een lichte daling van de vraag door een combinatie van vraagreductie (isolatie) en voorspelde bevolkingstoename. • Er is een mismatch tussen de warmtevraag en het warmteaanbod, zowel op lokaal alsook op regionaal niveau.
• Zoals uit de inventarisatie blijkt, kan er op dit moment een groot gedeelte van de warmtevraag in de regio niet worden gedekt door niet-versleepbare boven- gemeentelijke (hoogtemperatuur) warmtebronnen, omdat: A. Restwarmte niet grootschalig beschikbaar is, en B. Geothermie op dit moment met name mogelijk- heden in Zwolle, Kampen en Zwartewaterland biedt en nog niet in andere gemeenten. • Wel zien we veel potentie in de regio voor warmte uit versleepbare bronnen (biomassa, biogas en groen gas2). Deze potentie wordt nog niet vaak benut. Om deze potentie in de toekomst wel te benutten, is het van belang dat we inzetten op mogelijkheden om de productie van groen gas substantieel te verhogen. • Overige (lokale) duurzame warmtebronnen betref- fen lagetemperatuurbronnen uit bodemenergie en aquathermie. Deze bronnen kennen een grote theoretische winbare potentie en beschikbaarheid. Met uitzonderingen van bodemenergie in grondwa- terbeschermingsgebieden zijn deze lagetemperatuur- bronnen op lokale schaal bijna overal beschikbaar. Deze bronnen zijn vanwege de lage temperatuur niet overal inzetbaar en/of te kostbaar om te benutten. • De elektrificatie van de warmtevraag zal naar ver- wachting grote gevolgen hebben voor de huidige elek- triciteitsvraag in de regio West-Overijssel.