CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

g Bestemmingsplan Jan van Nassauweg 16 Giethoorn.pdf

Politieke Markt 25 september 2018, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Jan van Nassauweg 16 Giethoorn24.149 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

bestemmingsplan "Jan van Nassauweg 16 Giethoorn" (ontwerp) 57 Bijlage 5 Aanmeldnotitie MER bestemmingsplan "Jan van Nassauweg 16 Giethoorn" (ontwerp) 58 Hoeve Advies BV Oude Rijksweg 561 7954 GM Rouveen Tel: 0522-291635 Fax: 0522-291094 info@hoeve-advies.nl www.hoeve-advies.nl Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling t.b.v. aanvraag omgevingsvergunning milieu en wijzigen bestemmingsplan Agro Giethoorn Jan van Nassauweg 16 8355 VA GIETHOORN Tel. 0521-371206 29 september 2017 Samengesteld door: ing. W. (Wim) Hoeve Hoeve Advies 2 Inhoud 1. INLEIDING ..................................................................................................................... 3 1.1 BESLUIT MILIEUEFFECTRAPPORTAGE ..................................................................................................... 3 2. ALGEMENE GEGEVENS ................................................................................................... 5 2.1 INITIATIEFNEMER ................................................................................................................................... 5 2.3 ACTIVITEIT ............................................................................................................................................. 5 2.4 BESTEMMINGSPLAN ............................................................................................................................... 6 3.

MOTIVERING ACTIVITEIT ............................................................................................. 9 3.1 AANLEIDING ........................................................................................................................................... 9 3.3.1 Planvorming 2009-2016 ............................................................................................................. 9 3.3.2 Transitie vleeskuikens .............................................................................................................. 10 3.3.3 Digestaatopslag vergister ........................................................................................................ 11 3.3.4 Verlengen drooghal .................................................................................................................. 13 3.2 MILIEUVERGUNNING PLUIMVEE ........................................................................................................... 13 3.3 MILIEUVERGUNNING VERGISTER .......................................................................................................... 14 3.4 WNB-VERGUNNING ..............................................................................................................................

15 3.5 BEOOGDE SITUATIE .............................................................................................................................. 16 4. KENMERKEN VAN DE ACTIVITEIT ............................................................................... 17 4.1 AARD EN OMVANG VAN DE ACTIVITEIT ................................................................................................ 17 4.2 PRODUCTIEPROCES ............................................................................................................................... 17 4.3 EFFECTEN OP HET MILIEU ..................................................................................................................... 17 4.3.1 Ammoniak ................................................................................................................................. 18 4.3.2 Geur ........................................................................................................................................... 19 4.3.3 Fijnstof ...................................................................................................................................... 20 4.3.4 Geluid ........................................................................................................................................

21 4.3.5 Energie ...................................................................................................................................... 21 4.3.6 Water ........................................................................................................................................ 22 4.3.7 Licht ........................................................................................................................................... 22 4.3.8 Verkeer ..................................................................................................................................... 22 4.3.9 Mest ........................................................................................................................................... 23 4.3.10 Afvalstoffen .............................................................................................................................. 24 4.3.11 Bodem ....................................................................................................................................... 24 4.3.12 Flora en Fauna ......................................................................................................................... 25 4.3.13 Natura 2000 .............................................................................................................................

25 4.3.14 Archeologische waarden......................................................................................................... 26 4.3.15 Landschappelijk inpassing ...................................................................................................... 27 4.4 RISICO’S T.A.V. VOLKSGEZONDHEID ..................................................................................................... 27 4.4.1 GGD-advies .............................................................................................................................. 27 4.4.2 Maatregelen Agro Giethoorn .................................................................................................. 28 4.5 ONGEVALLENRISICO EN ABNORMALE BEDRIJFSOMSTANDIGHEDEN ...................................................... 29 4.5.1 Stroomuitval ............................................................................................................................. 29 4.5.2 Brand ......................................................................................................................................... 29 4.5.3 Vervoersverboden bij veewetziekten .................................................................................... 29 5. CONCLUSIE ..................................................................................................................

31 BIJLAGEN ............................................................................................................................ 34 Hoeve Advies 3 1. Inleiding Agro Giethoorn is een modern agrarisch bedrijf aan de Jan van Nassauweg 16 in de Giethoornse Polder. De onderneming kent vier pijlers: akkerbouw, vleeskuikens, biovergisting en het drogen van agrarische produkten. De activiteiten zijn met elkaar vervlochten en versterken elkaar. Er is een weegbrug die ook door derden wordt gebruikt. Ook is er een kleiduivenvereniging actief op het terrein. Met ongeveer 475 ha in gebruik, gemiddeld 15 medewerkers en een omzet van 12 miljoen euro behoort Agro Giethoorn tot de grote jongens in de sector. Agro Giethoorn wenst de pluimveetak te extensiveren. Tot voor kort werden er plofkippen gehouden. Inmiddels is er ervaring opgedaan met de Goed Nest Kip van Albert Heijn. Het plan is uit te breiden en het aantal kuikenstallen te verdubbelen. Na uitbreiding zal Agro Giethoorn uitsluitend welzijnsvriendelijke Goed Nest Kippen houden. Dit betekent van 23 kippen terug naar 15 kippen/m2 met traaggroeiende kuikens. Na uitbreiding met 3 stallen zullen er op jaarbasis ongeveer evenveel dieren worden afgeleverd. De capaciteit neemt toe tot 234.000 st. vleeskuikens per ronde, 85.000 st. meer dan vergund.

Door het gebruik van laagwaardige producten zoals berm- en natuurgras als input voor de vergister, is extra opslag nodig. Om voldoende opslag voor het digestaat te krijgen wordt het foliebassin vergroot met 5.000 m3. Met het oog op duurzaamheid is gekozen voor het gebruik van laagwaardige producten, grondstoffen die anders naar de afvalverwerker of composteerder gaan. Daardoor ontstaat er meer digestaat. De input gaat van ca. 50.000 ton naar 60.000 ton en uiteindelijk naar max. 72.000 ton product. Het aandeel mest is 55%. Er is geen uibreiding van vergisters. De energieproductie blijft gelijk - elektrisch vermogen 1,9 MW (thermisch vermogen 2,5 MW). Het huidige bouwblok inclusief foliebassin en singel is ca. 5,5 hectare. Het gewenste bouwblok inclusief foliebassin en singel is ca. 8 hectare. 1.1 Besluit milieueffectrapportage De regeling voor de milieu-effectrapportage heeft als doel het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over projecten en plannen met ‘belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu’. Het opvoeren van de input in de vergister is voor de m.e.r.-beoordeling niet relevant omdat vergisten of mestverwerken geen activiteit is die in het Besluit milieueffectrapportage 1994 is genoemd als een te toetsen activiteit. Tot 2010 was dat nog wel het geval.

Toen was een inrichting waar (co-)vergisting van mest plaats gaat vinden, m.e.r.-beoordelingsplichtig als het gaat om een vergistingsinstallatie met een capaciteit van 100 ton (mest) per dag of meer. Op 16 juni 2010 is een Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit milieueffectrapportage gepubliceerd, waarin de m.e.r.-beoordelingsplicht voor vergistingsinstallaties is komen te vervallen. Hoeve Advies 4 Het oprichten, wijzigen of uitbreiden van een installatie voor het fokken, mesten of houden van pluimvee of varkens is daarentegen wel relevant. De voorgenomen uitbreiding van het aantal stuks pluimvee overschrijdt de drempelwaarde van onderdeel C niet (dus geen m.e.r.-plicht) maar wel de drempel van onderdeel D (m.e.r.-aanmeldingsplicht). De aangevraagde activiteit is niet m.e.r.-plichtig, maar wel m.e.r.-beoordelingsplichtig. Omdat het een uitbreiding/wijziging en fysieke verandering van meer dan 40.000 st. pluimvee betreft, valt het initiatief in de categorie ‘aanmeldingsplicht’ vanwege de m.e.r.-beoordeling. Het bevoegd gezag dient in geval van pluimvee bij een uitbreiding of verandering van de installatie binnen de inrichting van meer dan 40.000 vleeskuikens een afweging te maken of er wel of geen milieueffectrapportage moet worden gemaakt. Dit op grond van kenmerken als activiteit, plaats, samenhang met andere activiteiten, en de milieueffecten die zich voordoen.

Vanaf een uitbreiding of verandering van een installatie met meer dan 85.000 vleeskuikens is een m.e.r. verplicht. Dat is hier niet het geval. De aanmeldnotitie wordt ingediend in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning milieu, maar ook vanwege de bouwblokvergroting en bestemmingsplanwijziging om het effect te duiden op milieu, natuur en ruimtelijke kwaliteit en volksgezondheid. Het college van B&W dient op grond van de Aanmeldnotitie een besluit te nemen of er al dan geen zwaarwegende redenen zijn een m.e.r. te doorlopen. In deze aanmeldingsnotitie passeren de voor de m.e.r. kritieke punten de revue. Daarbij wordt aangegeven hoe het plan zich verhoudt tot de vigerende wet- en regelgeving en de feitelijke en milieuvergunde situatie. Dit met als doel een zuivere afweging te kunnen maken: in hoeverre komt het milieu als gevolg van de uitbreiding in het gedrang? Zijn er belangrijke nadelige effecten te verwachten? Als er aanwijzingen zijn dat er onvoldoende voorzorg wordt genomen of dat het milieu ernstig risico loopt, dan zijn met een m.e.r. de mogelijk milieuvriendelijker alternatieven in kaart te brengen. Is er afdoende voorzorg en hoegenaamd geen milieueffect te verwachten, dan is een nadere m.e.r.-analyse c.q. -rapportage niet nodig. Hoeve Advies 5 2. Algemene gegevens 2.1 Initiatiefnemer Naam : Agro Giethoorn Contactpersoon : Dhr. P.H.

(Pieter) Winter Adres : Jan van Nassauweg 16 Woonplaats : 8355 VA Giethoorn Telefoon : 0521-371206 E-mail : info@agrogiethoorn.nl Kadastrale aanduiding: Gemeente : Giethoorn (Steenwijkerland) Sectie en nummers : G 638/2470/2471/2472/2473/2503/2504 Luchtfoto planlocatie Jan van Nassauweg 16 De locatie ligt in de Giethoornse Polder in het buitengebied van de gemeente Steenwijkerland, een agrarisch gebied met moderne landbouw. De dichtstbijzijnde (bedrijfs)woning van derden bevindt zich op 100 m van de inrichting; de afstand tot de vergisters is ca. 150 m en de afstand tot de pluimveestallen ca. 225 m. 2.3 Activiteit De onderneming kent vier pijlers: akkerbouw, vleeskuikens, biovergisting en het drogen van agrarische produkten. De akkerbouw is ingericht op de teelt van aardappelen voor frites en chips. Dat gebeurt op eigen grond – 135 ha eigendom en 40 ha reguliere pacht – en deels op grond die gehuurd wordt. In een straal van 20 km rondom het bedrijf werkt Agro Giethoorn samen met een Mts. Duinkerken- Haanstra Hoeve Advies 6 dertigtal veehouders en grondeigenaren bij wie men land huurt of ruilt. Om een betere prijs te krijgen wast Agro Giethoorn de aardappelen zelf, worden ze gelezen en op maat gesorteerd en voor een deel gedurende een aantal maanden opgeslagen op het bedrijf. Verder worden snijmaïs, zomertarwe en zomergerst geteeld.

Het graan wordt op het bedrijf opgeslagen en o.a. gevoerd aan de kuikens. Er wordt gebruik gemaakt van eigengeproduceerde stroom in het akkerbouwbedrijf. Er zijn 149.000 st. vleeskuikens vergund. Tot vorig jaar werden er ca. 174.000 st. reguliere vleeskuikens gehouden, wat binnen de milieuruimte kon omdat de stallen inmiddels emissiearmer zijn dan vergund. Sinds vorig jaar worden er ca. 114.000 kuikens op de diervriendelijke ‘Goed Nest Kip’ wijze gehouden in grondstallen met volledig strooiselvloer. Ze krijgen deels graan van eigen land en de strooiselmest wordt aangewend in de biovergister. De stallen worden verwarmd met thermische energie uit de WKK van de biogasinstallatie (warmwaterheaters). De derde tak van het bedrijf is biovergisting en mestverwerking. De biovergister (2 MW) is sinds oktober 2012 in gebruik. Hierin wordt een mix van fruitafval, tulpenbollen, bermgras, uienvellen en 30.000 kuub mest vergist. Het biogas dat daarbij ontstaat wordt omgezet in elektriciteit. De warmte wordt gebruikt om de kuikenstallen van thermische energie te voorzien. Een ander deel van de thermische energie wordt gebruikt om het digestaat - het product dat na de vergisting in de tanks overblijft – te verhitten tot 58 graden en daarmee mogelijke ziektekiemen en onkruid te doden. Een kiemvrij product is een belangrijke voorwaarde voor export.

De overige warmte gaat naar een droger waar agrarische producten worden gedroogd. In 2014 is een foliebassin opgericht om het vochtrijke product na de mestscheider, die het digestaat scheidt in een dikke en dunne fractie, op te vangen. De dikke fractie wordt geëxporteerd, de dunne fractie op eigen land aangewend. De weegbrug wordt gebruik voor het wegen van de aan- en afgevoerde producten en wordt ook door derden gebruikt. Voor de voorgenomen ontwikkeling en verduurzaming van de vleeskuikentak zijn 3 nieuwe stallen nodig, die achter de huidige stallen dienen te worden opgericht. Met het oprichten van deze stallen is ‘de cirkel rond’ en het bedrijf compleet. De kringloop van akkerbouw – pluimvee – vergisting is dan goed op elkaar afgestemd en elk voor zich is van voldoende omvang om voldoende efficiency te waarborgen. Met drie stallen erbij en 15 kuikens per m2 neemt de opzetcapaciteit toe tot 234.000 vleeskuikens per ronde. Het aantal dieren neemt met 85.000 st. toe. Het college dient daarom een besluit te nemen of er al dan geen aanleiding is een m.e.r. te doorlopen. 2.4 Bestemmingsplan Het bouwblok op de plankaart van de Beheersverordening Steenwijkerland zoals deze is vastgesteld op 18 juni 2013 is ca. 3,8 ha. Dit bouwblok is ook uitgangspunt in het onlangs gepubliceerde Ontwerp Omgevingsplan Buitengebied (23 juni 2017). Van de 3,8 ha wordt ca.

1 ha niet gebruikt voor agrarische activiteiten maar voor tuin en een bedrijfswoning, welke is gesitueerd voor de agrarische bebouwing, omdat die schuin t.o.v. de weg staat opgesteld (in lijn met het landschap). Hoeve Advies 7 Alle gebouwen en stallen staan op dit bouwblok. Aansluitend zijn er 2 sleufsilo’s (achter het bouwblok) en met binnenplanse afwijking op het bestemmingsplan is in 2016 overschrijding van het bouwvlak verleend t.b.v. het oprichten van een foliebassin voor de opslag van digestaat achter de vergisters. Ruimtelijk gezien is op dit moment 5,5 ha in gebruik ten dienste van het agrarisch bedrijf. Om de nieuwe stallen achter de bestaande te kunnen plaatsen en het bouwblok weer ‘compact’ en ‘rechthoekig’ te maken, dient een rechthoek van ca. 90 x 150 m is ca. 1,35 ha aan het bouwblok te worden toegevoegd. Het ruimtebeslag wordt ca. 8 ha, inclusief tuin en woning en de erfbeplanting rondom. Plankaart Jan van Nassauweg 16, bron: Ontwerp Omgevingsplan Buitengebied d.d. 23 juni 2017 Voor het plan is op 1 september 2014 een conceptaanvraag bij de gemeente ingediend. Na gemeentelijke vaststelling van het afwegingskader voor de intensieve veehouderijbedrijven is een voorstel t.b.v. de landschappelijke inpassing gepresenteerd.

Op 13 juni 2016 gaf de gemeente aan dat het initiatief weliswaar niet past in de beheersverordening maar dat ze wil onderzoeken welke mogelijkheden dit initiatief haalbaar Hoeve Advies 8 maken. Nader overleg over de invulling van thema’s als duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en draagvlak leidde op 3 oktober 2016 tot het standpunt dat er voldoende aanknopingspunten zijn om het plan verder uit te werken. Vanwege de toename in ruimtebeslag zijn er gesprekken gevoerd in het kader van de kwaliteitsimpuls groene omgeving (KGO) waarin een balans is gezocht tussen de ontwikkeling en de investering. Het college heeft, evenals een afvaardiging van de Provincie Overijssel, een bezoek gebracht aan het bedrijf, waarin de plannen zijn besproken en toegelicht. Ook is het plan besproken in de gemeenteraad, die met het voornemen om een bestemmingsplanwijziging te doorlopen heeft ingestemd. Binnenkort wordt de ruimtelijke onderbouwing t.b.v. de bestemmingplanwijziging bij de gemeente aangeleverd. Met het oog hierop is niet alleen een m.e.r.-besluit van het college nodig voor het aspect milieu maar ook voor het aspect planologie (plan-m.e.r). Onderstaand de functies en het ruimtebeslag van het plan.

Situatieschets toekomstige situatie Met de drie nieuwe stallen erbij krijgt het bouwvlak weer een ‘rechthoek’-vorm en een zekere mate van compactheid, overeenkomstig andere bouwblokken in de Gieterse Polder, maar dan op iets grotere schaal dan gemiddeld (ca. 8 ha). Het geheel wordt landschappelijk goed ingepast. Zo wordt het bouwblok omkaderd door een singel en een sloot. Het bedrijf ligt enigszins van de (Jan van Nassau)weg af en de nieuwe stallen liggen achter op het perceel. Ze zijn vanaf de weg amper te zien. 3 bestaande stallen Graanopslag Weegbrug Biogasinstallatie Foliebassins Drooghal Sleufsilo’s Aardappelopslag WKK’s Mestscheider 3 nieuwe stallen Kleiduiven nieuwe in-uitrit-uitweg Werkplaats Aard.verwerking Hoeve Advies 9 3. Motivering activiteit 3.1 Aanleiding Agro Giethoorn heeft de ambitie de meest duurzame agrarische onderneming van Nederland te worden in 2020. Dit vertaalt zich in de volgende keuzes:  Circulaire economie  Opwekken en gebruik van groene stroom  Benutten en optimaal verwaarden van ‘afval-‘ en reststromen  Geen verspilling van grondstoffen  Oog voor de Carbon Footprint  Van plofkip naar Goed Nest Kip  Regionaal produceren en regionale afzet  Verbinding met dorp en maatschappij De combinatie van akkerbouw, biovergisting en pluimvee is complementair en een schoolvoorbeeld van circulaire economie.

Dit wordt verder uitgebouwd met afgeleide activiteiten die de onderneming verbreden en versterken. 3.3.1 Planvorming 2009-2016 In de voorbereidingen van het plan om uit te breiden zijn door de jaren heen verschillende scenario’s boven komen drijven en uitgewerkt. Het begon in 2009 met het idee om het bedrijf uit te breiden met 3 stallen en uit te breiden van 149.000 naar 273.525 vleeskuikens; een toename van 124.525 stuks. Daar is een startnotitie voor ingediend. De m.e.r.-commissie heeft in januari 2010 een advies voor richtlijnen voor het milieueffectrapport opgesteld met hoofdpunten voor het m.e.r. (rapport 2351-16 d.d. 8 januari 2010). Deze is echter niet doorgezet omdat er aanvankelijk geen zicht was op een te verlenen Nb-wetvergunning; de provincie Overijssel had nog geen toetsings- en beleidskader. In 2011 is Nb-wetvergunning aangevraagd welke uiteindelijk in 2012 is verleend voor het houden van 283.050 vleeskuikens, waarvan 159.750 vleeskuikens met diercode E 5.11 en 123.300 vleeskuikens met diercode E 5.10, met een gezamenlijke ammoniakemissie van 7.670,25 kg NH3. De vergunning is voor onbepaalde tijd. Ook dit plan had nog betrekking op een uitbreiding met reguliere vleeskuikens. In 2014 is een principeverzoek ingediend t.b.v. het wijzigen van het bouwblok om de bouw van 3 nieuwe stallen mogelijk te maken.

Echter niet meer voor plofkippen, maar voor langzaamgroeiende kuikens. De markontwikkelingen waren dusdanig perspectiefvol dat Agro Giethoorn afzag van het investeren in plofkippen, ook omdat langzaamgroeiende kuikens beter passen bij het duurzame en groene karakter van het bedrijf. Nader overleg met de gemeente heeft geleid tot een update in 2016, waarin op verzoek van de gemeente voorzover mogelijk een ‘eindplaatje’ is uitgewerkt. ‘Waar zou het bedrijf uiteindelijk naar toe willen aan de Jan van Nassauweg 16, is dat landschappelijk inpasbaar en past het qua bestemming?’ was de vraag. Ook om te bepalen wat de kwaliteitsimpuls zou moeten zijn als genoegdoening voor het ruimtebeslag (KGO). Hoeve Advies 10 In het ‘Uitbreidingsplan Agro Giethoorn’ van 29 augustus 2016 is de keuze voor de Goed Nest Kip en het gebruik van laagwaardige grondstoffen voor de vergister nader uitgewerkt. Naast de keuze voor de Goed Nest Kip zijn nog enkele opties vermeld: de eventuele toepassing van het ‘Optimum Vita’ concept en de eventuele keuze voor de aanbouw van wintergartens (overdekte uitloop) om in plaats van Goed Nest Kip scharrelvleeskuikens, Beter Leven 1 ster te kunnen houden.

De keuze voor Optimum Vita, waarbij met broedkasten broedeieren op het eigen bedrijf kunnen worden uitgebroed en eendagskuikens kunnen worden opgefokt, om vervolgens doorgeschoven te kunnen worden naar een afmeststal en waarbij op die manier meerdere rondes naast elkaar op het bedrijf kunnen worden gehuisvest, valt af. De aanbouw van wintergartens (overdekt uitloop) om scharrelvleeskuikens te kunnen houden is niet aan de orde omdat de markt niet om meer scharrelvleeskuikens vraagt. De uiteindelijke concrete keuze voor de uitbreiding spitst zich daarom toe op het uitbreiden met 3 stallen t.b.v. de definitieve overstap naar de Goed Nest Kip en het vergroten van het foliebassin t.b.v. digestaatopslag voor de vergister om gebruik te kunnen maken van zoveel mogelijk laagwaardige grondstoffen. De aanleiding voor de aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling is dan ook het plan om:  met het oog op dierwelzijn en maatschappelijke acceptatie over te stappen van zgn. ‘plofkippen’ naar traaggroeiende Goed Nest Kippen, waartoe 3 stallen worden gebouwd en de capaciteit groeit van 149.000 st. naar 234.000 st. vleeskuikens per ronde.  vanwege de keuze van laagwaardige grondstoffen in de vergister het foliebassin te vergroten met 5.000 m3.

Door met het oog op duurzaamheid te kiezen voor het gebruik van laagwaardige producten om verspilling tegen te gaan en grondstoffen te gebruiken die anders naar de afvalverwerker of composteerder gaan. Daardoor ontstaat er meer digestaat.  de input voor de vergister gaat van 50.000 ton naar max. 72.000 ton product terwijl formeel niet meer dan 36.000 ton is vergund. De vergunning dient hierop te worden aangepast om de huidige input te legaliseren en ruimte te scheppen voor de maximaal beoogde 72.000 ton. De vergisters breiden niet uit, de energie-opbrengst blijft gelijk - elektrisch vermogen 1,9 MW (thermisch vermogen 2,5 MW). 3.3.2 Transitie vleeskuikens Agro Giethoorn heeft vergunning voor 149.000 st. vleeskuikens in 3 stallen van 22,40 x 115 m. In de afgelopen jaren zijn ca. 174.000 st. vleeskuikens per ronde ingezet wat binnen de milieuruimte kon omdat de stallen inmiddels emissiearmer zijn dan vergund. Dit zijn 23 kuikens per m2, wat een doorsnee bezetting is voor reguliere kuikens. De aanhoudingsduur is 37 dagen. Sinds enige tijd worden ‘Goed Nest Kip’ kuikens ingezet met een bezettting van ca. 15 dieren per m2 en een aanhoudingsduur van 49 dagen. Per ronde worden ca. 114.000 dieren ingezet. De ondernemer wil definitief overschakelen naar de Goed Nest Kip. De Goed Nest Kip is een langzaamgroeiende kip.

Binnen het concept is extra aandacht voor antibioticareductie, verantwoord voer en de leefomgeving van de kippen. Deze kip mag maximaal 50 gram per dag groeien. Op een leeftijd van circa 7 weken is de kip slachtrijp. De kippen hebben beschikking over extra afleidingsmateriaal (1 stro-, hooi- of Hoeve Advies 11 luzernebaal per 1.000 dieren). Een lichtschema met een minimaal 6 uur durende donkerperiode moet zorgen voor voldoende rust en een natuurlijk dag- en nachtritme. De Goed Nest Kip wordt gevoed met verantwoord voer. De soja in het voer moet geproduceerd zijn volgens de duurzaamheidscriteria van de RTRS (de Ronde Tafel voor Verantwoorde Soja). Om de Goed Nest Kip te mogen leveren, is voor het gehele proces een IKB-eis (Integrale Keten Beheersing) verplicht: van de fokkerij, de broederij, de pluimveehouder, de slachterij tot en met de verpakker. Het plan is uit te breiden en het aantal kuikenstallen te verdubbelen. Bij investeringen in welzijn is meer staloppervlak nodig om het te laten renderen. Na uitbreiding zal Agro Giethoorn uitsluitend welzijnsvriendelijke Goed Nest Kippen houden. Dit betekent van 23 kippen terug naar 15 kippen/m2 met traaggroeiende kuikens. Op jaarbasis wordt met de huidige stallen nog de helft van het aantal dieren afgeleverd. De capaciteit neemt toe van 149.000 st. naar 234.000 st. vleeskuikens per ronde.

“In drie jaar tijd is het aanbod van kip bij supermarkten revolutionair veranderd. Aan het eind van dit jaar zal er bijna geen supermarkt meer zijn waar nog gangbaar geproduceerd kippenvlees te koop is. De omslag naar de Kip van Morgen in het supermarktschap zou fasegewijs uiterlijk in 2020 gerealiseerd moeten zijn. Daarbij ging het om eisen op het gebied van dierenwelzijn (trager groeiend ras, meer stalruimte, natuurlijk dag-/nachtritme en afleidingsmateriaal), volksgezondheid (minder antibiotica) en milieu (verantwoorde soja in het voer, uitstoot van ammoniak en fijn stof, en gesloten mineralenkringlopen). Inmiddels zijn we vier jaar verder en is er veel veranderd. In bijna alle supermarkten is geen vlees van gangbare vleeskuikens meer te koop, of zal dat in de loop van dit jaar het geval zijn. De afgelopen drie jaar zijn supermarkten massaal overgestapt naar nieuwe basiskipconcepten. Daarvoor gebruiken ze namen als Goed Nest Kip, Nieuwe Standaard Kip, Langzaam Groeiende Kip, Kip met Pluimgarantie, Nieuwe Plus Kip, Gildehoen en Comfortkip. Daarnaast wordt de scharrelkip (Beter Leven 1 ster) en biologische kip (Beter Leven 3 sterren) in het hogere segment aan de consument aangeboden.” Bron: ‘De Kip van Morgen is bijna overal’, vakblad Pluimveehouderij 17 maart 2017 De kuikens vormen een perfecte match met de akkerbouwtak en de biovergister.

Zo wordt (deels) eigen geteeld graan (tarwe) verstrekt (bijgemengd in het voer) en wordt het strooisel uit eigen teelt weer aangewend in de biovergister. De warmte van de WKK van de vergister wordt (via warmwater-heaters) gebruikt voor de kippenstallen. 3.3.3 Digestaatopslag vergister De omzetting van biogas in duurzame energie levert een elektrisch vermogen van 1,9 MW (thermisch vermogen 2,5 MW). Met de opgewekte energie krijgen zo’n 4.000 huishoudens in Steenwijkerland (groene) stroom. Met de warmte die bij het energie opwekken vrijkomt (WKK op biogas) worden de pluimveestallen verwamd en wordt de droger in de drooghal bediend. De totale mestverwerking die op dit moment vergund is, is 36.000 ton per jaar, inclusief co-producten. ‘De helft wordt van buiten het bedrijf aangevoerd, de andere helft wordt geproduceerd binnen het eigen bedrijf’, aldus de vergunning. Maar omdat Agro Giethoorn enkel gebruik maakt van natuurlijke grondstoffen van de ‘witte lijst’ blijkt voor eenzelfde efficiency veel meer basismateriaal/grondstof nodig. De biogas- opbrengst van bermgras en natuurmaaisel is beduidend lager dan van andere grondstoffen.

Hoeve Advies 12 Om eenzelfde hoeveelheid elektriciteit op te wekken is een hogere input nodig, ook al is er gekozen voor een langere verblijftijd om ook de moeilijker afbreekbare organische stof te kunnen vergisten met een voldoende hoge biogasopbrengst per ton organische stof. Reden om af te zien van het in 2006 omschreven proces wat uitging van 36.000 ton te verwerken product:  Geen energiegewassen meer telen die de plek van voedergewassen innemen (dit is niet duurzaam)  Voordeliger grondstoffen aanvoeren om rendement te halen  Verwerken natuurgras en aanverwante grondstoffen De input van de huidige installatie lag het afgelopen jaar op ca. 51.000 ton. Doordat laagwaardige grondstoffen worden gebruikt kan er veel regionale mest in de vergister worden verwerkt; het afgelopen jaar ca. 22.500 m3 drijfmest en 5.500 m3 vaste mest. De belangrijkste kenmerken van de installatie:  In totaal is er meer dan 28.000 ton mest verwerkt en 23.000 ton aan co-producten.  Het aandeel mest is ca. 55% mest en het aandeel co-product ca. 45%.  Naast de eigen pluimveemest wordt drijfmest aangevoerd van o.a. rosé- en witvleeskalveren, rundvee en varkens, en ook gescheiden mest van rundvee.  Het aandeel eigen mest was de 1.762 ton kippenmest.  Het overgrote deel van de mest komt van veehouders uit de buurt, die hier hun mestoverschot afzetten.

Hun drijfmest past goed in de biovergister, die voor een groot deel draait op (berm- en natuur)gras en bloembollen (ca. 30% van de co-producten). Bij dit menu is juist veel van dit soort drijfmest gewenst.  Aan bedrijfseigen co-producten wordt de vergister gevoed met aardappelproducten, digestaat en vloeibaar digestaat, in 2015 ging het om 1.870 ton product. Het is de bedoeling in deze verhoudingen door te gaan. De biovergister is een essentieel onderdeel en schakel in het ‘circulaire bedrijf’ Agro Giethoorn (in de combinatie akkerbouw – pluimvee – biovergister – drogen). Ze is van cruciale betekenis vanwege de onderlinge functionaliteit. Zowel droger als pluimveestallen zijn afhankelijk van het functioneren van de vergister (en WKK). Daarnaast: álle pluimveemest van het bedrijf gaat naar de vergister. Dus ook qua mestafzet is de vergister voor de agrarische bedrijfsvoering van wezenlijk belang en maakt ze daar onderdeel van uit. De biovergister voldoet aan het gestelde karakter, dat 50% van de input bestaat uit mest, ook al is het aandeel eigen mest en eigen co-producten lager dan 10%. Met de kennis van nu weet Agro Giethoorn dat er minimaal ca. 55.000 ton per jaar aan input nodig is. Men wil gebruik willen maken van meer laagwaardiger grondstoffen. De input moet toenemen tot ca.

60.000 ton per jaar (schatting) wil de installatie met dit soort grondstoffen efficiënt genoeg zijn. Zekerheidshalve wordt vergunning gevraagd voor een aanvoer van 72.000 ton product. Die verwerkingscapaciteit is mogelijk met de huidige installatie. Om de totale input legaal aan te kunnen voeren is het wenselijk deze tonnages te vergunnen. De output blijft gelijk - elektrisch vermogen 1,9 MW (thermisch vermogen 2,5 MW). Het afgelopen jaar is ca. 51.000 ton product gebruikt als input voor de biovergister. Hiervan verdwijnt 25% a.g.v. het omzetten van organische stof in energie. Hoeve Advies 13 Van de overgebleven 38.000 ton digestaat is 10.000 ton direct afgevoerd als dikke fractie voor export (27%). De dunne fractie, 28.000 ton, wordt eerst opgevangen in het foliebassin, en van daaruit op eigen land aangewend of afgevoerd naar akkerbouwers in de regio. Nu de input toeneemt als gevolg van meer laagwaardiger producten, dient het foliebassin te worden vergroot met 5.000 m3. 3.3.4 Verlengen drooghal In het voorjaar van 2014 is een drooghal in gebruik genomen, waarin de voorheen buiten opgestelde digestaatdroger is neergezet. De droger, die oorspronkelijk gepland was voor het nadrogen van de dikke fractie digestaat, wordt op dit moment voor een lucratiever doel gebruikt: het drogen van aardappelproducten.

Die kans deed zich gaandeweg voor en een experiment wees uit dat de droger hier uitermate geschikt voor is. De dikke fractie digestaat is ook zonder nadroging goed af te zetten. De droger blijft in gebruik om de vierkantwaardering van de akkerbouw (aardappelteelt) te versterken. De drooghal bevat ook enkele compartimenten voor de opslag van stuifgevoelige restproducten/grondstoffen en substraat voor de vergister. De hal zal met ca. 7 m worden verlengd om de overdekte opslagcapaciteit te vergroten. 3.2 Milieuvergunning pluimvee De vigerende milieuvergunning voor het akkerbouw- en vleeskuikenhouderijbedrijf en de biovergister is van 14 maart 2006. Op 9 maart 2007 is de melding art. 8.19 lid 2.b Wet milieubeheer geaccepteerd met betrekking tot het aanpassen van de biogasinstallatie. Op 21 januari 2008 is een veranderingsvergunning verleend. De wijziging had betrekking op de mestvergisting. In 2009 is opnieuw vergunning verleend voor de mestvergistingsinstallatie (omdat deze anders vanwege de Wm van rechtswege zou vervallen omdat ze niet binnen 3 jaar was opgericht), het vergroten van de machineberging en een proefkeuken. De vergister is in 2012 in gebruik genomen. In 2013 is de bouw van de droger en de substraatopslag vergund, gevolgd door een vergunning in 2014 voor het plaatsen van een foliebassin t.b.v. digestaatopslag.

De actuele en laatstverleende milieuvergunning voor de vleeskuikens is de beschikking Wet milieubeheer van 14 maart 2006. Middels deze beschikking is vergunning verleend voor het houden van 149.000 st. vleeskuikens, waarvan 99.332 st. traditioneel E 5.100 en 49.668 st. in een emissiearme stal E 5.5 met vloerverwarming en vloerkoeling (kombideksysteem). Milieuvergunde situatie 14 maart 2006: Stal Rav cat. Diersoort Aantal dieren Totaal geur Totaal kg ammoniak Totaal kg fijnstof 1 E.5.100 Vleeskuikens trad. 49.666 16.389,78 3.973,28 1.092,65 2 E.5.100 Vleeskuikens trad. 49.666 16.389,78 3.973,28 1.092,65 3 E.5.5 Vleeskuikens kombidek 49.668 16.390,44 2.235,06 1.092,70 Totaal 149.000 49.170,00 10.181,62 3.278,00 Bij het oprichten van de derde stal is vanwege voortschrijdend inzicht gekozen voor een handzamer emissiearme techniek: Rav E 5.10, warmteheaters en ventilatoren. In de afgelopen jaren zijn in geval van reguliere kuikens tot wel 174.000 st. vleeskuikens per ronde ingezet. De ammoniakemissie van dit aantal dieren op basis van E 5.10 met een emissie van 0,035 kg NH3 past binnen de milieuvergunde ruimte. Hoeve Advies 14 Ook de bestaande stallen die nog niet als emissiearm zijn vergund, zijn vanwege het Besluit huisvesting al wel voorzien van emissiearme techniek E 5.10 BWL2009.15.V5 om te voldoen aan de maximale emissiewaarde van 0,045 kg NH3 voor bestaande stallen.

Sinds vorig jaar (2016) is aanvankelijk als proef, en nu structureel, gekozen voor de inzet van Goed Nest Kip kuikens. Van deze traaggroeiende kuikens worden er 38.000 st. per stal ingezet. De feitelijke situatie is daarmee als volgt: Stal Rav cat. Diersoort Aantal dieren Totaal geur Totaal kg ammoniak Totaal kg fijnstof 1 E.5.10 Vleeskuikens BWL2009.14.V5 38.000 12.540,00 1.330,00 836,00 2 E.5.10 Vleeskuikens BWL2009.14.V5 38.000 12.540,00 1.330,00 836,00 3 E.5.10 Vleeskuikens BWL2009.14.V5 38.000 12.540,00 1.330,00 836,00 Totaal 114.000 37.620,00 3.990,00 2.508,00 De feitelijke emissie en milieubelasting is op dit moment lager dan vergund. 3.3 Milieuvergunning vergister In 2009 is opnieuw vergunning verleend voor de mestvergistingsinstallatie omdat deze anders vanwege de Wm van rechtswege zou vervallen omdat ze niet binnen 3 jaar was opgericht na de oorspronkelijke vergunning in 2006. De vergister is in 2012 in gebruik genomen. In de considerans bij het besluit Wm d.d. 20 mei 2009 staat dat in de op 14 maart 2006 vergunde situatie ‘De totale mestverwerking zal 36.000 ton mest per jaar bedragen inclusief co-producten. Hiervan zal de helft van de benodigde hoeveelheid worden aangevoerd. Het overige gedeelte wordt geproduceerd binnen het eigen bedrijf.’ De benodigde input werd destijds door toeleveranciers nog uitgerekend op basis van luxe grondstoffen zoals snijmaïs enz.

Dat is al lang niet meer aan de orde. Snijmaïs is niet alleen te duur, maar dient ethisch gezien voor diervoeding te worden geteeld en niet als grondstof voor mestvergisters te worden gebruikt. Doordat de grondstofkeuze is veranderd en gekozen is voor het gebruik van ‘plantaardige afvalstoffen’ en ‘laagwaardige producten’ wordt er meer co-product aangevoerd dan destijds voorzien. De input van de installatie lag het afgelopen jaar op ca. 51.000 ton. Juist doordat er veel laagwaardige grondstoffen worden gebruikt kan er veel regionale mest in de vergister worden verwerkt; het afgelopen jaar ca. 22.500 m3 drijfmest en 5.500 m3 vaste mest (55% mest). Het is de bedoeling in deze verhoudingen door te gaan. Het aandeel laagwaardiger grondstoffen zal toenemen waardoor de input groeit naar max. ca. 72.000 ton per jaar. Om deze hoeveelheid aan te kunnen voeren is het wenselijk deze tonnages te vergunnen. De vergister breidt niet uit, de energie-opbrengst blijft gelijk - elektrisch vermogen 1,9 MW (thermisch vermogen 2,5 MW). Om voor het digestaat het predikaat ‘dierlijke mest’ te behouden dient het aandeel mest minimaal 50% te zijn. Anders wordt het binnen de kaders van de Meststoffenwet gezien als ‘afvalstof’ en mag het niet als 'dierlijke mest' vervoerd, verhandeld of gebruikt worden.

Met de huidige verhouding van 55% mest en 45% co-producten neemt de maximale hoeveelheid te verwerken mest toe tot 40.000 ton mest per jaar. Agro Giethoorn lost hiermee een groot deel van het lokale mestoverschot op. Hoeve Advies 15 3.4 Wnb-vergunning De Provincie Overijssel heeft op 3 december 2012 een vergunning Natuurbeschermingswet 1998 afgegeven (kenmerk 2012/0280001, zaaknummer 19228/NBW/V2/V). Er is vergunning voor het houden van 283.050 vleeskuikens, waarvan 159.750 vleeskuikens met diercode E 5.11 en 123.300 vleeskuikens met diercode E 5.10, met een gezamenlijke ammoniakemissie van 7.670,25 kg NH3. De vergunning is voor onbepaalde tijd. Het plan uit 2010 had nog betrekking op een uitbreiding met reguliere vleeskuikens. Nb-wetvergunde situatie 3 december 2012: Stal Rav cat. Diersoort Aantal dieren emissie kg NH3/dier Totaal kg ammoniak 1 E.5.11 Vleeskuikens BWL2010.13.V5 53.250 0,021 1.118,25 2 E.5.11 Vleeskuikens BWL2010.13.V5 53.250 0,021 1.118,25 3 E.5.11 Vleeskuikens BWL2010.13.V5 53.250 0,021 1.118,25 4 E.5.10 Vleeskuikens BWL2009.14.V5 41.100 0,035 1.438,50 5 E.5.10 Vleeskuikens BWL2009.14.V5 41.100 0,035 1.438,50 6 E.5.10 Vleeskuikens BWL2009.14.V5 41.100 0,035 1.438,50 Totaal 283.050 7.670,25 Per 1 juli 2015 is het PAS geïntroduceerd.

Voor het vastleggen van de bestaande situatie van de vergistingsinstallatie met WKK’s is in augustus 2015 de PAS-procedure doorlopen. Uit de Wegwijzer PAS bleek dat er geen melding nodig was en ook geen vergunning hoefde te worden aangevraagd, omdat de bijdrage van de bestaande situatie onder de grenswaarde lag. De vergunningsvrije berekening is bewaard. De NOx uitstoot van deze situatie betrof 15.320,80 kg NOx. De feitelijke depositie die de veehouderij bij de introductie van de PAS veroorzaakte ligt opgesloten in de passende beoordeling die ten grondslag ligt aan het PAS. Het feitelijk gebruik, voorzover milieuvergund, is de hoogste emissie c.q. stikstofdepositie die tussen 1 januari 2012 en 31 december 2014 heeft plaatsgevonden. Uit de gecombineerde opgave van 2013 blijkt dat er in 2013 149.000 dieren zijn gehouden. Referentiewaarde voor het PAS 1 januari 2015: Stal Rav cat. Diersoort Aantal dieren emissie kg NH3/dier Totaal kg ammoniak 1 E.5.100 Vleeskuikens 49.666 0,080 3.973,28 2 E.5.100 Vleeskuikens 49.666 0,080 3.973,28 3 E 5.5 Vleeskuikens BWL2001.11.V2 49.668 0,045 2.235,06 Totaal 149.000 10.181,62 Grondslag voor het PAS is de stikstofdepositie op basis van het feitelijk gebruik op 1-1-2015. Het bevoegd gezag stelt dat de feitelijke emissie (depositie) van 1-1-2015 moet worden vastgesteld en als uitgangspunt dient te worden genomen.

Een voormalige Nb-wetvergunning is alleen maatgevend als deze meer ammoniak (depositie) vergund had. Hoeve Advies 16 De referentiewaarde voor Agro Giethoorn is dus 10.181,62 kg NH3 vanuit het pluimvee en 15.320,80 kg NOx vanuit de WKK’s. Dit is de referentiewaarde en vormt het vertrekpunt bij de komende Wnb-aanvraag voor het wijzigen van de Natuurbeschermingswetvergunning. 3.5 Beoogde situatie In de beoogde situatie worden 234.000 vleeskuikens gehouden waarvan 117.000 vleeskuikens E 5.10 BWL2009.14.V5 en 117.000 vleeskuikens E 5.11 BWL2010.13.V5 met een gezamenlijke ammoniakemissie van 6.552,00 kg NH3. Beoogde situatie: Stal Rav cat. Diersoort Aantal dieren Totaal geur Totaal kg ammoniak Totaal kg fijnstof 1 E.5.10 Vleeskuikens BWL2009.14.V5 39.000 12.870,00 1.365,00 858,00 2 E.5.10 Vleeskuikens BWL2009.14.V5 39.000 12.870,00 1.365,00 858,00 3 E.5.10 Vleeskuikens BWL2009.14.V5 39.000 12.870,00 1.365,00 858,00 4 E.5.11 & E 7.6 Vleeskuikens BWL2010.13.V5 en BWL2011.02.V2* 39.000 12.870,00 819,00 592,02 5 E.5.11 & E 7.6 Vleeskuikens BWL2010.13.V5 en BWL2011.02.V2* 39.000 12.870,00 819,00 592,02 6 E.5.11 & E 7.6 Vleeskuikens BWL2010.13.V5 en BWL2011.02.V2* 39.000 12.870,00 819,00 592,02 Totaal 234.000 77.220,00 6.552,00 4.350,06 De biovergistingsinstallatie blijft in gebruik overeenkomstig de milieuvergunde situatie.

Wel vindt er in de toekomst een wijziging plaats ten aanzien van de input/aanvoer van andere (laagwaardige) grondstoffen. Hierdoor wordt de input groter en is er meer aanvoer. De activiteiten t.a.v. de akkerbouw, het drogen en de weegbrug wijzigen hoegenaamd niet. Hoeve Advies 17 4. Kenmerken van de activiteit 4.1 Aard en omvang van de activiteit Het bedrijf huisvest straks 234.000 traaggroeiende vleeskuikens en is daarmee qua dieraantallen een volwaardig en toekomstbestendig bedrijf. 4.2 Productieproces De langzaamgroeiende kuikens worden als eendagskuikens op het bedrijf aangevoerd. Na een groeiperiode van zeven tot acht weken worden ze als slachtrijp kuiken afgeleverd. Er worden ca. zes ronden per jaar opgezet. Gedurende de ronde wordt er voer aangeleverd en na afloop van elke ronde worden de stallen schoongemaakt. Na elke ronde wordt de (strooisel)mest als grondstof in de eigen biovergister gebruikt. De huisvesting voldoet aan het Vleeskuikenbesluit. De bezetting is ca. 15 kuikens per m2 stalvloeroppervlak. De veevoeders vormen de belangrijkste grondstof. Het voer wordt aangeleverd in bulkauto’s en is GMP-waardig. Het jaarlijks verbruik aan vleeskuikenvoeders wordt geschat op 2,4 kg kuiken/ronde x 2,07 kg voer per kg vlees x 6 ronden per jaar is circa 7.000 ton voer per jaar. De 234.000 vleeskuikens produceren circa 2.575 ton strooiselmest per jaar (ca.

10 à 11 kg p.d.p.j.). 4.3 Effecten op het milieu Overzicht Aspect Milieuvergund 2006 Beoogd Verschil beoogd vs. Nbw-vergund Aantal st. pluimvee 149.000 st. 234.000 st. + 85.000 st. Geureenheden 49.170 OUE 77.220 OUE + 28.050 OUE Ammoniakemissie 10.181,62 kg NH3 6.552,00 kg NH3 -/- 3.629,62 kg NH3 Fijnstofemissie 3.278,00 kg PM10 4.350,06 kg PM10 + 1,072,06 kg PM10 Milieuvergunde situatie:  de emissie van ammoniak neemt af  de emissie van geur en fijnstof neem toe Wnb-vergunning 2012 Beoogd Verschil Aantal st. pluimvee 283.050 st. 234.000 stuks -/- 49.050 st. Ammoniakemissie 7.670,25 kg NH3 6.552,00 kg NH3 -/- 1.418,25 kg NH3 PAS referentie 2015 Beoogd Verschil Aantal st. pluimvee 149.000 st. 234.000 stuks + 85.000 st. Ammoniakemissie 10.181,62 kg NH3 6.552,00 kg NH3 -/- 3.629,62 kg NH3 Wnb-vergunde situatie en Referentiewaarde PAS:  de ammoniakemissie neemt af Hoeve Advies 18 4.3.1 Ammoniak Ammoniak kan directe schade opleveren aan specifieke planten in de nabije omgeving van het bedrijf (bijvoorbeeld coniferen), maar kan door middel van depositie ook bijdragen aan indirecte schade op een verder weg gelegen kwetsbaar gebied. Wet ammoniak en veehouderij Het dichtstbijzijnde Wav-gebied ligt ten zuidoosten van de locatie op een afstand van meer dan 4 km. Bedrijven die zich binnen 250 meter van een kwetsbaar gebied bevinden hebben te maken met een gecorrigeerd emissieplafond.

Dat is hier niet het geval. Bron: Kaart Wav-gebieden Atlas van Overijssel Besluit emissiearme huisvesting Het Besluit emissiearme huisvesting hanteert voor nieuw te bouwen vleeskuikenstallen (sinds 1 juli 2015) een max. e.w. (emissiewaarde) van 0,035 kg NH3 p.d.p.j. en 16 gram PM10 p.d.p.j. In de beoogde situatie worden de vleeskuikens gehouden in stalsysteem E 5.11 BWL2010.13.V5 i.c.m. E 7.6 BWL2011.02.V2. De ammoniakemissie is 0,021 kg NH3 p.d.p.j. en de fijnstofuitstoot 15,18 gram p.d.p.j (31% reductie). Voor bestaande stallen gebouwd voor 1 juli 2015 (met een overgangstermijn tot 1 oktober 2016) geldt geen max. e.w. voor fijnstof en een max. e.w. van 0,045 kg NH3 voor ammoniak. De emissie met E 5.10 BWL2009.14.V5 is 0,035 kg NH3 per dierplaats per jaar. De huisvesting voldoet aan de voorwaarden van het Besluit emissiearme huisvesting. Richtlijn Industriële Emissies ( IPPC richtlijn) De Richtlijn Industriële Emissies (2010/75/EU, RIE, of Industrial Emissions Directive, IED) is per 1 januari 2013 geïmplementeerd in de Nederlandse wet- en regelgeving. Deze richtlijn omvat een integratie van de IPPC-richtlijn met de Richtlijn grote stookinstallaties, de Jan van Nassauweg 16 dichtstbijgelegen Wav- gebied afstand 4,3 km De Leien Hoeve Advies 19 Afvalverbrandingsrichtlijn, de Oplosmiddelenrichtlijn en drie Richtlijnen voor de titaandioxide- industrie.

De RIE staat voor een geïntegreerde preventie en beperking van verontreiniging door industriële activiteiten. Grotere agrarische bedrijven vallen hier ook onder. De grens voor een pluimveebedrijf ligt hierbij op een bedrijfsomvang van meer dan 40.000 dierplaatsen en voor een varkensbedrijf op meer 2.000 dierplaatsen voor vleesvarkens of 750 dierplaatsen voor fokzeugen. De RIE eist dat de best beschikbare technieken (BBT) worden gebruikt – zoals omschreven in de BREF - en dat er geen belangrijke verontreiniging mag worden veroorzaakt. De inrichting kenmerkt zich als IPPC-installatie vanwege het aantal vleeskuikens en voldoet aan de BREF en aan de zorgvuldigheidseisen t.a.v. stallenbouw, energieverbruik, mestafzet, voerverbruik en management voor de vleeskuikens. Oplegnotitie In Nederland is de BREF aangescherpt omdat het ammoniakprobleem hier meer speelt dan elders in Europa. Alle systemen die onder de maximale emissiewaarde van het Besluit huisvesting zitten, zijn BBT. Daarbij mag binnen de inrichting gesaldeerd worden, dat wil zeggen dat een stal met veel emissie gecompenseerd mag worden door een stal met weinig emissie, als de gemiddelde emissiewaarde uiteindelijk maar lager is dan de maximale waarde van het Besluit huisvesting. Het plan voldoet aan het Besluit huisvesting en daarmee ook aan de uitwerking van de Oplegnotitie.

IPPC-beleidslijn De IPPC-beleidslijn van het Ministerie van VROM is per 25 mei 2007 geïntroduceerd en is bedoeld om gemeenten een meer eenduidige richtlijn te verstrekken bij de individuele toets die in het kader van RIE (voorheen IPPC) per bedrijf uitgevoerd dient te worden. Ingeval de activiteiten op het bedrijf van invloed zijn op kwetsbare Wav- en natuurgebieden én er een uitbreiding in dieren plaatsvindt geeft de beleidslijn ruimte om strengere eisen aan een IPPC-installatie te stellen voor ammoniak. Dit om de eventuele negatieve invloed op de kwetsbare gebieden zoveel mogelijk teniet te doen. Het dichtstbijzijnde Wav-gebied ligt op iets meer dan 4 km, het dichtstbijzijnde Natura 2000- gebied de Wieden op ca. 1,8 km en het daaropvolgende gebied de Weerribben op 3,2 km. De IPPC-beleidslijn hanteert voor vleeskuikens de volgende staffel:  Tot 5.000 kg NH3 geldt de maximale emissiewaarde van 0,045 kg NH3  Van 5.000 tot 10.000 kg NH3 geldt een aangescherpte norm van 0,037 kg NH3  Boven de 10.000 kg NH3 geldt een norm van 0,012 kg NH3 p.d.p.j.

De IPPC beleidslijn zou in deze situatie leiden tot:  111.111 vleeskuikens à 0,045 kg NH3 is 5.000,00 kg NH3  122.889 vleeskuikens à 0,037 kg NH3 is 4.546,89 kg NH3  Maximale emissie voor 234.000 kuikens is 9.546,89 kg NH3 De feitelijke emissie in de aanvraag is 6.552,00 kg NH3 en voldoet aan de streefwaarde van de IPPC beleidslijn. 4.3.2 Geur De Wet geurhinder veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen en geeft maximale normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag Hoeve Advies 20 veroorzaken op een geurgevoelig object (woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks. Steenwijkerland hanteert de normen zoals die in de Wet geurhinder en veehouderij zijn vastgelegd voor niet-concentratiegebieden:  8 OUE/m3/s lucht t.o.v. de geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom;  2 OUE/m3/s lucht t.o.v. de geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom. De geurbelasting in de beoogde situatie is ten hoogste 7,4 OUE/m3 op geurgevoelige objecten in het buitengebied en 0,8 OUE/m3 op de lintbebouwing bebouwde kom van Giethoorn. In de vergunde situatie is dat resp. 6,8 OUE/m3 en 0,5 OUE/m3. Het dichtstbijzijnde geurgevoelige object is Jan van Nassauweg 13 en ligt op ca.

220 m gevel tot gevel afstand, waarmee voldaan wordt aan de minimum afstand van 25 m. Tabel: geurbelasting t.o.v. GGO (= geurgevoelige objecten) GGLID X coordinaat Y coordinaat Geur norm Geurbelasting Milieuvergund 2006 Geurbelasting Beoogd plan Verschil toename JvNassaulaan 13 199 897 530 359 8,0 5,4 6,1 0,7 JvNassaulaan 14 199 963 530 309 8,0 6,8 7,4 0,6 Hesselingendijk 7 199 914 531 191 8,0 4,0 5,6 1,6 St.wk.diep zuid 8-8a 199 208 531 214 8,0 1,4 2,2 0,8 BB Giethoorn Noord 201 949 529 918 2,0 0,5 0,8 0,3 BB Scheerwolde 197 528 530 173 2,0 0,4 0,6 0,2 BB Zuidveen 203 447 532 347 2,0 0,1 0,2 0,1 De geurbelasting neemt als gevolg van de verandering toe maar blijft binnen de daarvoor geldende norm voor geurgevoelige objecten in het buitengebied en bebouwde kom. De boerderijcamping ten noorden van de inrichting van Hoeve Duvenvoorde aan de Jan van Nassauweg 18, ligt op ca. 210 m van de inrichting en op ca. 325 m afstand tot de stallen. Er is diverse uiteenlopende jurisprudentie over de vraag of verblijfsrecreatieve inrichtingen geurgevoelige objecten zijn. De definitie van een 'geurgevoelig object' luidt: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.

Gezien de definitie en bijbehorende jurisprudentie worden kampeerplaatsen niet beschouwd als geurgevoelige objecten. Het kampeerterrein zelf maakt trouwens onderdeel uit van de veehouderij Jan van Nassauweg 18. Gezien de grote afstand (325 meter) tot aan de stallen is het te verwachten dat op het kampeerterrein geen hinder wordt ondervonden. 4.3.3 Fijnstof Voor fijnstof (PM10) gelden sinds 1 januari 2005 een maximale jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m3 en een daggemiddelde van maximaal 50 µg/m3 wat ten hoogste 35 dagen per jaar overschreden mag worden. De Europese richtlijn t.a.v. luchtkwaliteit stelt dat op terreinen die niet publiekelijk toegankelijk zijn geen fijnstof gemeten hoeft te worden. Voor de fijnere fractie van fijn stof (PM2.5), meestal omschreven als de ‘deeltjes met een diameter van 2,5 µm of minder’, geldt sinds 1 januari 2015 een maximale jaargemiddelde grenswaarde van 25 µg/m3 (richtwaarde bijlage 2 Wet milieubeheer). Hoeve Advies 21 Middels de ISL3a-berekening is de fijnstofconcentratie (PM10) vanuit de achtergrond en vanuit bronnen afkomstig van de inrichting bepaald t.o.v. de omwonenden. De achtergrondconcentratie in het kilometervlak rondom is ca. 17,39 µg/m3. De bijdrage vanuit het bedrijf t.o.v. de omwonenden varieert afhankelijk van de afstand tot het bedrijf. De hoogste fijnstofconcentratie bij de omliggende woningen is 18,30 µg/m3.

Na aftrek van de 2 µg/m3 aan zeezoutcorrectie geeft dit een netto concentratie van 16,30 µg/m3. Dit is lager dan het maximale jaargemiddelde van 40 µg/m3 wat is toegestaan. Zonder rekening te houden met de zeezoutcorrectie blijkt het aantal dagen overschrijding van 50 µg/m3 ten opzichte van de omliggende woningen maximaal 6,91 dagen te zijn. Na aftrek van de 2 correctiedagen is de netto overschrijding 4,91 dag t.o.v. het meest gevoelig te beschermen object. Dat is lager dan de maximale 35 dagen die zijn toegestaan. Uit de fijnstofconcentratie berekening PM10 komt een jaargemiddelde concentratie van 16,30 µg/m3. In het fijnstof PM10 ligt PM2.5 opgesloten. Het totaal aan PM10 bestaat voor een beperkt deel uit PM2.5. De fijnstofconcentratie van PM2.5 is dus een fractie van 16,30 µg/m3 en kan dus nooit groter zijn dan deze waarde zelf. Hieruit volgt dat de PM2.5 concentratie onder de maximale concentratie van 25,0 µg/m3 blijft, waarmee voldaan wordt aan de randvoorwaarden van de Wet luchtkwaliteit. 4.3.4 Geluid Bij de beoordeling van de geluidsbelasting van omliggende geluidsgevoelige objecten kan onderscheid gemaakt worden in de geluidsemissie ten gevolge van activiteiten binnen de inrichting en in de geluidsemissie ten gevolge van verkeer van en naar de inrichting, voor zover dit niet is opgenomen in het heersende verkeersbeeld.

De locatie ligt in een landelijk gebied met veel agrarische activiteiten. In de handreiking wordt voor dit type omgeving 40, 35 en 30 dB(A) aanbevolen als richtwaarde voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Een overschrijding van deze richtwaarde en/of dit referentieniveau dient te worden voorkomen. De belangrijkste geluidsbronnen op het bedrijf: het ventileren van de pluimveestallen, de aan- en afvoerbewegingen t.b.v. het voer, de kuikens, het vullen van de voersilo’s, en interne werkzaamheden binnen de inrichting (met tractor en/of shovel) bij het transporteren van de (strooisel)mest naar de sleufsilo’s t.b.v. de biovergister. Bij de milieuaanvraag zal door middel van een akoestisch onderzoek de geluidsbelasting inzichtelijk worden gemaakt. 4.3.5 Energie Bij het inrichten van de stal wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van ‘energiezuinige technieken’ waaronder:   Gebruik van LED-/TL-verlichting  Goed geïsoleerde stal  Computergestuurde klimaatregeling (ventilatie en verwarming)  Gebruik van warmtewisselaar  Recirculatie warme lucht t.b.v. egale temperatuursverdeling om minder te stoken Hoeve Advies 22 We verwachten voor de vleeskuikens een elektraverbruik overeenkomstig het landelijk gemiddelde van ca. 1,1 kWh dierplaats per jaar, dat is ca. 257.500 kWh per jaar. Het aardgasverbruik t.b.v. het verwarmen van de stallen is normaal ca. 0,7 m3/dier/jaar.

Doordat Agro Giethoorn de stallen middels warmte van de WKK verwarmd (warm water verwarmingssystemen) bespaart men zich ca. 165.000 m3 aardgas per jaar. 4.3.6 Water Het waterverbruik in de pluimveestal is ca. 6,5 l per dier per ronde inclusief reiniging. In de beoogde situatie is dit ca. 9.500 m3 per jaar. Voor dierlijke consumptie is een waterbron aanwezig. Het reinigingswater voor de stallen (schoonmaak) komt ook uit deze bron. De BREF: “In de varkens- en pluimveehouderij wordt water gebruikt voor schoonmaak- activiteiten en voor het drinken van de dieren. Reductie van het drinkwaterverbruik wordt niet realistisch geacht. Het verbruik varieert naargelang het dieet van de dieren en over het algemeen wordt het als noodzaak beschouwd dat er permanent water beschikbaar is, hoewel er productiestrategieën zijn met een beperkte toegang tot water”. In de pluimveestal worden drinknippels gebruikt. Hiermee vermorsen de dieren minder water dan met drinkgoten of ronde drinkbakken. Met het oog op BBT wordt het waterverbruik verminderd door:  Zoveel mogelijk “droog” schoonmaken van stallen en materieel na iedere ronde  Het meten en bijhouden van het watergebruik  Waterslot bij stroomuitval  Het tijdig opsporen en repareren van lekken 4.3.7 Licht De pluimveestallen worden kunstmatig verlicht (LED/TL-verlichting). Er is geen uitstraling van licht naar buiten.

Er zijn voor wat licht betreft geen schadelijke gevolgen voor de omgeving te verwachten. 4.3.8 Verkeer Het diertransport van en naar het bedrijf vindt plaats met vrachtwagens. De eendagskuikens worden één keer per acht à negen weken gebracht en de slachtrijpe kuikens één keer per zeven of acht weken afgeleverd. Elke week wordt er twee keer voer geleverd. De strooiselmest gaat naar de eigen vergister. Uit onderstaande tabel blijkt dat er in de huidige setting ca. 5.362 vrachtwagens op het erf komen, dat zijn er iets meer dan 100 per week. In de beoogde situatie neemt het aantal vervoersbewegingen toe tot ca. 6.779 vrachtwagens, ca. 130 per week.

Hoeve Advies 23 Aantal vrachtwagens per jaar: Bedrijfsonderdeel Kenmerken Aantal vrachtwagens Agro Giethoorn Akkerbouw Teelt 475 ha geeft 18.000 ton product is 515 vrachtwagens 515 Agro Giethoorn Pluimvee huidig Per ronde 2 vrachtwagens eendags- kuikens, 17 vrachtwagens voer, 24 vrachtwagens slachtrijpe kuikens, 8 vrachtwagens vangen schoonmaken 447 Agro Giethoorn Energie Input (grondstoffen) 60.000 m3 is 2.308 vrachtwagens Output 15.000 m3 is 417 vrachtwagens 2.800 Agro Giethoorn Duurzaam Drogen Input (aardappels) 9.600 ton is 320 vrachtwagens, Output 80 vrachtwagens 400 Agro Giethoorn Weegbrug Extern verkeer rijdt rondje over het erf vanaf Jan van Nassauweg naar weegbrug voor aan de weg 1.200 Totaal 5.362 In de nieuwe situatie met Goed Nest Kippen in 6 stallen (dus na verdubbeling van het staloppervlak) zijn er 499 vrachtwagens nodig, 52 voertuigen meer. Daarentegen worden er 6,5 ronde per jaar afgeleverd tegen 8,7 voorheen. De biovergister wordt nu nog gevoed met ca. 51.000 ton product per jaar. Bij een toename tot 72.000 ton product komen er ca. 1.153 st. vrachtwagens per jaar meer het erf op. Het aantal voertuigbewegingen is groot, meer dan 100 vrachtwagens per week die het erf min of meer aandoen. Reden te meer om de verkeersstructuur op het erf en de Jan van Nassauweg zo goed mogelijk te regelen.  De weegbrug wordt separaat aangereden voor aan de weg.

 De inrichting beschikt over een ruim en verhard erf. Dit biedt de mogelijkheid voor het manoeuvreren en parkeren van de vrachtwagens zonder het verkeer op de openbare wegen te belemmeren.  Het erf is zo ingedeeld dat er geen problemen ontstaan betreffende de afhandeling van het bedrijfsverkeer. De vrachtwagens kunnen rondrijden en het transport voor de akkerbouw en die voor het pluimvee kruisen elkaar niet.  Voor het pluimvee wordt vanuit veterinaire overwegingen aan de zuidzijde van de kavel een nieuwe inrit/uitweg aangelegd. Het vrachtverkeer krijgt hiermee een aparte toegang waarmee de hygiënestatus van het bedrijf is gewaarborgd. Tegelijk geeft het meer spreiding in aan- en afvoerbewegingen op de Jan van Nassauweg. 4.3.9 Mest De kuikens mesten gedurende de ronde op de volledig strooiselvloer in de stal. De stallen hebben een mestdichte betonvloer. Na elke ronde wordt de mest met een trekker uit de stal verzameld op de mestdichte erfverharding voor de stal en naar de sleufsilo’s gebracht. De mest gaat naar de eigen vergister. De mestproductie is circa 10 à 11 kg per dierplaats per jaar, ongeveer 2.575 ton per jaar. Hoeve Advies 24 Als de stal nat wordt gereinigd wordt het spoelwater opgevangen in de spoelwaterkelder en periodiek door een loonwerker over het land uitgereden. 4.3.10 Afvalstoffen De hoeveelheid kadavers is max. ca. 20 ton per jaar.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/b6270ceb-1c29-4e06-b3f4-a77e1ea67369?agendaItemId=420a2738-0286-4102-9439-523abe99d28d