Eeserwold Werken_Toelichting.pdf
Tekst van het document
Het onderzoeksrapport is als Bijlage 4 bij de toelichting opgenomen. Uit het onderzoek komt naar voren dat voor het vernietigen van verblijfplaatsen en onmisbaar leefgebied van wezel een ontheffing Wet natuurbescherming is vereist. In een separaat 24 Toelichting (ontwerp) bestemmingsplan Eeserwold Werken traject is deze procedure reeds in gang gezet. De verwachting is dat deze ontheffing wordt verleend. Omdat er uitzicht is op een ontheffing Wet na-tuurbescherming vormt de aanwezigheid van wezel geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmings-plan. Voor otter, grote modderkruiper en noordse winterjuffer geldt dat bij de uitvoering van het plan moet worden gewerkt volgens de voorschriften van de ontheffing tijdelijke natuur. Verder komt uit het onderzoek naar voren dat rekening moet worden gehouden met het broedseizoen van vogels en dat tijdens de aanleg- en gebruiksfase geen verlichting moet worden gebruikt die lichtuitstraling veroorzaakt op de houtsingel ten noorden van het plangebied. Het vast te stellen bestemmingsplan (een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid Wet natuurbescherming (Wnb)), kan ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken die significante effecten kan hebben op de waarden waarvoor een Natura 2000-gebied is aangewezen c.q. de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied.
Gelet hierop is een onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) uitgevoerd naar de effecten op de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten. De resultaten van dit onderzoek zijn in 5.2.1 weergegeven. Een nadere analyse in het kader van het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid is niet noodzakelijk. Het plan heeft geen negatieve effecten op het NNN en is ook op het punt van provinciaal natuurbeleid niet in strijd met de Provinciale Omgevingsverordening. 5.2.1 Voortoets gebiedsbescherming Door Cauberg Huygen B.V. is onderzoek verricht naar de effecten vanwege de beoogde activiteiten binnen bestemmingsplan Eeserwold op natuurgebieden. Hieronder is een samenvatting van het onderzoek weergegeven. De volledige rapportage is als Bijlage 5 bij de toelichting opgenomen. Het vaststellen van een bestemmingsplan is een bevoegdheid, die de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een natuurgebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. In de voortoets zijn die effecten in beeld gebracht. Uit de effectenanalyse is gebleken dat stikstofdepositie mogelijk kan leiden tot verslechtering of een significant verstorend effect kan hebben.
Hiertoe is een berekening van de stikstofdepositie gemaakt, waarin de stikstofdepositie vanwege de maximale planologische mogelijkheden van het nieuwe plan (1) wordt vergeleken met de effecten vanwege de bestaande, planologisch legale situatie (2) direct voorafgaande aan de vaststelling van het bestemmingsplan was (ABRvS 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1515 (Weststellingswerf)). Uit de berekening blijkt dat de stikstofdepositie in de toekomstige situatie (1) niet toeneemt ten opzichte van de referentiesituatie (2). Daardoor zijn vanwege de vaststelling van het bestemmingsplan significante effecten op de instandhoudingsdoelstelling in Natura 2000-gebieden op voorhand uit te sluiten. Artikel 2.7 Wnb staat derhalve niet in de weg om het bestemmingsplan vast te stellen. In het kader van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is ten aanzien van het aspect stikstofdepositie van belang of voor het (a) aanleggen van en daarna het (b) in gebruik hebben van de gronden binnen het bestemmingsplan een vergunning benodigd is en verleend kan worden in het kader van de Wnb. Uit de berekeningen en aanvullende analyse is gebleken dat zowel voor de aanlegfase als voor de gebruiksfase naar verwachting geen vergunning benodigd is ingevolge 2.8 Wnb. Daarmee is in voldoende mate aangetoond dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is.
5.3 Cultuurhistorie Cultuurhistorie gaat over de geschiedenis van de gebouwde omgeving, de landschappen, tradities en de verhalen die erbij horen. Sinds 1 januari 2012 is de gemeente wettelijk verplicht om cultuurhistorische belangen mee te wegen in ruimtelijke vraagstukken. Toelichting (ontwerp) 25 bestemmingsplan Eeserwold Werken Occupatie van het plangebied De occupatie van het plangebied heeft waarschijnlijk vanaf de 12e tot en met de 15e eeuw plaatsgevonden. Ooit waren de gronden in het beekdal veelal zo nat dat ze allen als hooiland werden benut (vandaar de oorspronkelijke naam "Eesveense Hooilanden"). De hogere drogere gronden, met name aan de westrand van het plangebied werden veelal voor landbouwdoeleinden gebruikt. Verkaveling en percelen Het verkavelingpatroon dichtbij de beek is soms wat kleinschaliger dan bij verder afgelegen gebieden. Oorzaak hiervan is dat diverse natuurlijke geultjes vroeger vaak als perceelsgrens werden aangehouden. De uitvoering van landinrichtingsplannen om de bereikbaarheid, ontwatering en gelijke samenstelling van de kavels te vergroten, heeft het landschap daarnaast erg vereenvoudigd en heeft geleid tot een strokenverkaveling die veelal loodrecht op de beek staat. In het verleden zijn ten behoeve van perceel-afbakening randbegroeiingen aangebracht.
De restanten hiervan zijn in de vorm van bosjes en struwelen nog op enkele plekken in het huidige landschap herkenbaar. Grootschalige ingrepen Rondom en in het plangebied hebben de afgelopen eeuw een aantal grootschalige ingrepen plaatsgevonden. Voorbeelden zijn veenwinning, de kanalisatie van de Steenwijker Aa, de aanleg van de Rijksweg A32 en de aanleg van de in exploitatie zijnde zandwinning en de vestiging van een aantal agrarische bedrijven in de polder. 5.4 Archeologie Door ondertekening van het verdrag van Malta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet zichtbare deel van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. De Monumentenwet en haar opvolger, de Erfgoedwet, regelen hoe met archeologische vindplaatsen en zichtbare monumenten moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij de planvorming te betrekken. Het streven is om deze belangen tijdig bij de planvorming te betrekken. De gemeente Steenwijkerland beschikt over een archeologische waarden- en verwachtingenkaart. Op deze kaart (zie de hieronder weergegeven uitsnede) zijn de gronden binnen het plangebied aangeduid als 'Geen archeologische verwachting'. Aan de archeologische waarden- en verwachtingenkaart is archeologisch beleid gekoppeld. Afbeelding 6.
uitsnede archeologische waarden- en verwachtingenkaart 26 Toelichting (ontwerp) bestemmingsplan Eeserwold Werken Het beleid binnen het gebied of terrein zonder archeologische verwachting (wit) is als volgt: Het gaat hierbij om gebieden waar het bodemprofiel als gevolg van saneringen, ontgrondingen, onderkelderingen en zware funderingen zodanig verstoord is, dat eventuele archeologische resten als verloren beschouwd mogen worden, of in ieder geval zodanig zijn aangetast dat zij niet meer voor onderzoek of bescherming in aanmerking komen. Het gaat hier om gebieden waar al door middel van archeologisch onderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn. Verder geldt een algemene meldingsplicht op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet. Elke archeologische vondst dient gemeld te worden bij de gemeente door middel van het officiële vondstmeldingsformulier. Een vondstmelding kan veel informatie verschaffen over de archeologische waarden en verwachtingen in een gebied. Het maakt het verhaal van het verleden completer. Om die reden is het volgens de Erfgoedwet wettelijk verplicht gesteld archeologische vondsten te melden. Toelichting (ontwerp) 27 bestemmingsplan Eeserwold Werken Hoofdstuk 6 Milieuhygiënische aspecten 6.1 Milieu Milieubeleid wordt steeds meer geïncorporeerd in andere beleidsvelden.
Verbreding van milieubeleid naar andere beleidsterreinen is dan ook een belangrijk uitgangspunt. Ook in de ruimtelijke planvorming is structureel aandacht voor milieudoelstellingen nodig. De milieudoelstellingen worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces meegewogen. Een duurzame ontwikkeling van de gemeente is een belangrijk beleidsuitgangspunt dat zijn doorwerking heeft in meerdere beleidsterreinen. 6.2 Bodem 6.2.1 Geomorfologie De geomorfologie vormt de oerbasis van de vestiging in en de verstedelijking van Steenwijk. Steenwijk is gesitueerd tussen de uitlopers van verschillende stuwwallen. De oude stad ligt op de uitloper van de stuwwal Havelterberg. De nieuwere delen van de stad liggen in het tussen de stuwwallen gelegen beekdal. Ook de locatie Eeserwold is gelegen in dit beekdal. Het terrein bestaat grotendeels uit veengebied dat voor het grootste gedeelte is afgegraven. Ter plaatse komt aan het maaiveld een dunne veenlaag voor met daaronder een dik pakket fijn tot grof zand. Het terrein is op maaiveldniveau nagenoeg vlak en kent weinig tot geen reliëf. De grond is momenteel op verschillende wijzen in gebruik, zowel akkerbouw als grasland. Er bevindt zich een in exploitatie zijnde zandwinput.
6.2.2 Bodemverontreiniging In 2018 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Eco Reest, oktober 2018) ter plaatse van onder andere het plangebied. Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 6 bij deze toelichting. Doel van het onderzoek is een indruk te verkrijgen omtrent de eventuele aanwezigheid van verontreinigingen in de grond en in het grondwater van het onderzoeksterrein. Dit gebeurt teneinde te bepalen of er vanuit milieuhygienisch oogpunt belemmeringen bestaan voor het toekomstige gebruik van de locatie. Vooronderzoek De locatie bestaat uit een stuk onbebouwd terrein in het plangebied Eeserwold en heeft een oppervlakte van circa 800.000 m2. Enkele delen zijn bebouwd, deze vallen echter buiten de onderhavige onderzoekslocatie. Veldwerkzaamheden Uit de veldwerkzaamheden blijkt dat de bovengrond van de onderzochte locatie opgebouwd is uit matig fijn, zwak siltig, niet tot matig humeus zand en plaatselijk veen. Tijdens het veldwerk zijn geen voor het onderzoek van belang zijnde waarnemingen naar voren gekomen. Bij de beoordeling van het terrein en het opgeboorde materiaal is ook speciaal gelet op asbest(houdende) materialen. Deze zijn zintuiglijk niet op de bodem en in het opgeboorde materiaal ter plaatse van het onderzoeksterrein waargenomen.
Uit de chemische analyses is het volgende naar voren gekomen: In de bovengrond zijn plaatselijk licht verhoogde gehalten gemeten aan kobalt, kwik en minerale olie. 28 Toelichting (ontwerp) bestemmingsplan Eeserwold Werken Afbeelding 7. begrenzing onderzochte locaties Conclusies en aanbevelingen Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat er in de bovengrond plaatselijk overschrijdingen van de achtergrondwaarden uit de Wet bodembescherming zijn aangetoond. Onderzoek van de ondergrond en het grondwater vallen buiten de scope van het onderzoek. De onderzoekshypothese, zijnde een onverdachte locatie, is hiermee derhalve verworpen. Gezien de aard en de concentraties van de aangetoonde parameters in relatie tot de bestemming van het terrein, concludeert Eco Reest dat verhoogde risico's voor de volksgezondheid en/of het milieu op basis van de aangetoonde milieuhygienische bodemkwaliteit, niet te verwachten zijn. De resultaten van het onderzoek vormen dan ook geen aanleiding tot nader onderzoek en zijn geen milieuhygienische belemmering in relatie tot de bestemming van het terrein. Toepassing van eventueel vrijkomende de grond op het terrein zelf achten wij milieuhygienisch verantwoord. Toepassing van eventueel vrijkomende grond elders kan eventueel plaats vinden binnen een gemeentelijke bodemkwaliteitskaart of met een aanvullend grondonderzoek conform het Besluit Bodemkwaliteit.
De gemeente waar de grond eventueel wordt toegepast is hierbij het bevoegd gezag. PFAS In 2020 is een indicatief grondonderzoek naar PFAS uitgevoerd (Eco Reest, november 2020) ter plaatse van onder andere het plangebied. Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 7 bij deze toelichting. Doel van het onderzoek is de kwaliteit van de grond indicatief vast te stellen met betrekking tot PFAS. Uit het indicatief grondonderzoek naar PFAS ter plaatse van het plangebied blijkt dat er Toelichting (ontwerp) 29 bestemmingsplan Eeserwold Werken plaatselijk sprake is van gehalten aan som PFOS en som PFOA boven de maximale samenstellingswaarden voor de klasse Industrie. De herkomst van deze verhoogde PFAS gehalten is niet bekend. De grond is hiermee indicatief Niet Toepasbaar bij toetsing aan de normen de 'Aanpassingen beleid PFAS' d.d. 1 juli 2020 van de Minister voor Milieu en Wonen. Voor som PFOS en som PFOA zijn echter geen interventiewaarden vastgesteld. Hierdoor is niet duidelijk of er sprake is van een saneringsplicht of plicht tot vervolg onderzoek. 6.3 Milieuzonering Milieuaspecten worden in principe geregeld via de daartoe geëigende wetgeving. Daar waar het de ruimtelijke ordening raakt, dient met deze aspecten echter ook rekening te worden gehouden. Het gaat dan met name om de situering van milieugevoelige functies ten opzichte van milieuhinderlijke inrichtingen.
Om te bepalen welke afstanden dienen te worden aangehouden, wordt de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' gehanteerd. In deze handreiking zijn richtafstanden van bedrijven tot bebouwing aangegeven. Deze richtafstanden hebben betrekking op de aspecten geluid, stof, geur en gevaar. De gegeven afstanden zijn richtafstanden en geen harde eisen. Dit betekent dat afwijken van de afstanden, mits goed gemotiveerd, is toegestaan. De afstand wordt gerekend van de grens van de bestemming die milieubelastende functies toelaat tot de gevel van de milieugevoelige functies. Naast het omgevingstype 'rustige woonwijk of buitengebied' wordt het omgevingstype 'gemengd gebied' onderscheiden. Het lint langs de Eesveenseweg wordt beschouwd als gemengd gebied. Bedrijven Belangrijk aandachtspunt voor de toelaatbaarheid van bedrijven is de mate van milieuhinder die het bedrijf veroorzaakt. De maximale milieuhindercategorie die binnen het plangebied zal worden toegestaan is categorie 3.2. Deze categorie komt overeen met een minimale afstand tussen bedrijven en gemengd gebied van 50 meter. Voor categorie 3.1 wordt een afstand van 30 meter gehanteerd. Om aan deze voorwaarden te voldoen is in het plangebied interne milieuzonering toegepast, zoals weergegeven op de verbeelding.
Aangezien de vestiging van geluidzoneringsplichtige inrichtingen is uitgesloten, bestaat er geen zoneringsplicht op basis van de Wet Geluidhinder. 6.4 Geluid In 2015 is door Royal HaskoningDHV een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor wegverkeerslawaai, industrielawaai en laagfrequent geluid in het gehele plangebied (Bijlage 8). 6.4.1 Industrielawaai Het bestemmingsplan laat bedrijvigheid tot en met maximaal categorie 3.2 toe. De geluidbelasting van woningen vanwege activiteiten van deze bedrijven dient te voldoen aan grenswaarden. De te vestigen bedrijven (inrichtingen) vallen onder het Activiteitenbesluit. Uit het onderzoek van Royal HaskoningDHV komt naar voren dat de te projecteren woonbestemmingen (gelegen buiten onderhavig plangebied) buiten de 50 dB(A)-contour van het bedrijventerrein liggen, zodat er vanwege de voorgenomen bedrijvigheid geen overschrijding van de voorschriften uit het Activiteitenbesluit te verwachten is. De zandwinning, welke in grote lijnen bestaat uit een zuigerinstallatie, een classificeerinstallatie en een depot, beschikt over een vergunning op grond van de Wet milieubeheer. Bij het opstellen van de huidige vergunning van de inrichting is al rekening gehouden met de in 2005 bestemde en deels gerealiseerde woonbebouwing.
In de vergunning zijn de rechten en plichten van het bedrijf vastgelegd in de vorm van doelvoorschriften (waaronder een beperkt ruimtebeslag van een dieselaangedreven zandzuiger in de avond- en nachtperiode) en ten hoogste toelaatbare 30 Toelichting (ontwerp) bestemmingsplan Eeserwold Werken geluidsniveaus, onder andere ter plaatse van genoemde bebouwing. De nog te realiseren woningen zijn in hoofdzaak verder van de zandwinningslocatie gelegen dan de bestaande woningen die in de vergunning worden genoemd. Een aantal in de vergunning opgenomen woningen zijn nog niet gerealiseerd. Daarom zal de geluidsuitstraling van de inrichting voor de toekomstige woningen niet méér hinder opleveren dan voor de, in de vergunning opgenomen, woningen. Anderzijds zal de zandwinning niet in zijn bedrijfsvoering worden beperkt wanneer de betreffende woningen worden gerealiseerd. Er kan dan ook worden geconcludeerd dat de huidige vergunning van het bedrijf voldoende ruimte biedt voor het bestemmen van woningen in de plandelen Eeser Landgoed en Eeser Buiten. De zandwinning behoort volgens de richtlijnen, zoals geformuleerd door de VNG in 'Bedrijven en milieuzonering', tot de milieucategorie 4. Dit betekent dat uitgegaan dient te worden van een afstand tussen de zandwinning en een rustig woonmilieu van 300 meter.
De conclusies van het akoestisch onderzoek dat is verricht op basis van de gegevens, zoals verstrekt door Roelofs Zandwinning BV, wijst echter uit dat bij deze zandwinning in noordelijke richting t.o.v. de meest noordelijke positie van de zandzuiger uitgegaan zou kunnen worden van een afstand van 100 meter. Om een goede ruimtelijke scheiding tussen de zandwinning en de woningen te bewerkstelligen dient een fasering te worden aangebracht. Deze afstand kan gehaald worden, indien de fasering van de zandwinning zodanig plaatsvindt, dat de noordzijde van de zandwinning als eerste geëxploiteerd wordt. De exploitatie ten noorden van de aanwezige ballenlijn is afgerond en afgewerkt. Woningen kunnen binnen de zone van 100 m worden gerealiseerd indien de geluidsbelasting vanwege industrielawaai niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde of een verleende hogere grenswaarde. Laagfrequent geluid De classificeerinstallatie op het terrein van de zandwinning kan hinder opleveren voor de woonomgeving als gevolg van laagfrequent geluid. De afstand van de installatie tot de dichtstbijzijnde woning in het bestemmingsplan Eeserwold bedraagt circa 660 m (in noordelijke richting). Op basis van berekeningen concludeert Royal HaskoningDHV dat op de locatie Eeserwold met betrekking tot laagfrequent geluid geen hinder te verwachten is.
6.4.2 Wegverkeerslawaai De Wet geluidhinder beschouwt een woning als een zogenaamd geluidsgevoelig gebouw. Onderzocht dient te worden of toetsing aan de Wet geluidhinder dient plaats te vinden. In artikel 74 van de Wet geluidhinder is bepaald dat zich langs alle wegen een geluidszone bevindt, uitgezonderd: de wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; de wegen waarop een maximumsnelheid geldt van 30 km/uur. Bij het realiseren van geluidsgevoelige bebouwing binnen de zone van een weg dient akoestisch onderzoek plaats te vinden. Binnen de zone van de Eesveenseweg en de Rijksweg A32 worden drie bedrijfswoningen gerealiseerd. Door BugelHajema is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar geluidsbelasting op deze bedrijfswoningen. Het akoestisch onderzoek is als Bijlage 9 bij de toelichting opgenomen. Uit het onderzoek blijkt dat de woningen niet voldoen aan de wettelijke eisen wat betreft het wegverkeerslawaai. Omdat de exacte locatie van de woningen nog niet bekend is (er is sprake van een bouwvlak) wordt voorgesteld om 53 dB voor het hele gebied als hogere waarde vast te stellen. Toelichting (ontwerp) 31 bestemmingsplan Eeserwold Werken 6.5 Milieueffectrapportage In de Wet Milieubeheer, Besluit-milieueffectrapportage, onderdeel D, is aangegeven bij welke activiteiten of besluiten in een bepaald gebied het verplicht is een milieueffectrapport op te stellen.
In het plangebied komen twee functies voor waarvoor eventueel een milieueffectrapport (mer) opgesteld zou moeten worden: bedrijfsterrein en winplaats van oppervlaktedelfstoffen. In onderstaande tabel is voor deze drie functies aangegeven of het opstellen van een mer daadwerkelijk verplicht is. Artikel Mer-plichtige activiteit/besluit Situatie plangebied 11.3 De aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein. In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer. Er is nog circa 28 ha industrieterrein uitgeefbaar. In voorliggend bestemmingsplan gaat het zuiver om het vastleggen van bestaand planologisch gebruik. Het bedrijventerrein (en de mogelijkheden daarvoor) wordt in het bestemmingsplan niet gewijzigd of uitgebreid. Er bestaat voor dit onderdeel geen mer-plicht. 16.1 De ontginning dan wel wijziging of uitbreiding van de ontginning van steengroeven of dagbouwmijnen, met inbegrip van de winning van oppervlaktedelfstoffen uit de landbodem, anders dan bedoeld onder D 16.2 (turfwinning). In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een terreinoppervlakte van 12,5 hectare of meer. De zandwinplas heeft een oppervlakte van 55 ha. In voorliggend bestemmingsplan gaat het zuiver om het vastleggen van de huidige bestaande zandwinactiviteiten.
De zandwinning (en de mogelijkheden daarvoor) wordt in het bestemmingsplan niet gewijzigd of uitgebreid. Er bestaat voor dit onderdeel geen mer-plicht. Uit bovenstaande gegevens blijkt dat voor geen van de functies geldt dat hiervoor milieueffectrapportages opgesteld dienen te worden. Wel dient met een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden aangegeven of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. In dit kader kan worden aangegeven dat de milieueffecten van de voorgenomen ontwikkeling in de hoofdstukken 5, 6 en 7 reeds zijn onderzocht. Op basis hiervan mag worden aangenomen dat de toekomstige activiteiten in het plangebied geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zullen hebben. Naar alle Europese criteria voor de afweging hieromtrent is gekeken. 32 Toelichting (ontwerp) bestemmingsplan Eeserwold Werken 6.6 Risicoparagraaf Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s voor de omgeving vanwege het gebruik, de productie, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden.
Dit is verankerd in diverse wet- en regelgeving, zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Besluit externe veiligheid transportroutes en het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit). In het kader van een ruimtelijk plan (waaronder een bestemmingsplan) dient vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening de externe veiligheidssituatie te worden onderzocht. Hierbij dienen risicobronnen in en in de omgeving van het plangebied in kaart gebracht te worden en moet getoetst worden aan de risicomaten plaatsgebonden risico en groepsrisico. Voor de actualisatie van het bestemmingsplan Eeserwold is door Royal HaskoningDHV Onderzoek externe veiligheid uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Risicobronnen In de omgeving van het plangebied zijn de volgende risicobronnen aanwezig: 1. Transport van gevaarlijke stoffen over de rijksweg A32 2. Transport van gevaarlijke stoffen over de Eesveenseweg 3. Propaantank Gruttoweg 3 4. LPG tankstation 'Selfservice station S. Hellinga B.V. (Texaco)' In het onderzoek externe veiligheid is nagegaan in hoeverre deze risicobronnen relevant zijn voor het plangebied: 1. Rijksweg A32 Tegen het plangebied aan ligt de rijksweg A32.
Uit de Regeling Basisnet blijkt dat over de A32 gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het invloedsgebied van de A32 wordt bepaald door het vervoer van zeer licht toxische vloeistoffen en bedraagt 730 m. Het plangebied bevindt zich hier binnen. Het vervoer van gevaarlijke stoffen over de A32 is daarom relevant vanuit het oogpunt van externe veiligheid voor het plangebied. 2. Eesveenseweg Wat betreft de transportroute gevaarlijke stoffen (Eesveeneweg) gaat het om het bevoorraden van slechts 3 propaantanks bij een camping en een woning in het buitengebied. Uitgaande van een gemiddeld bedrijventerrein met 40 personen per hectare zijn er meer dan 3000 vervoersbewegingen nodig om de oriënterende waarde van het groepsrisico met 10% te overschrijden. Het bevoorraden van 3 propaantanks brengt slechts enkele vervoersbewegingen teweeg. Derhalve zijn er geen gevolgen voor de hoogte van het groepsrisico. Daarnaast heeft de Eesveenseweg (N855) geen plaatsgebonden risicocontour. 3. Propaantank 'MTS Luitjes' Op ongeveer 600 m van het plangebied bevindt zich een propaantank met een opslag van 5 m3. Propaantanks met een inhoud van meer dan 13 m3 vallen onder het Bevi. Aangezien de propaantank een inhoud heeft van minder dan 13m3, valt deze inrichting niet onder het Bevi. In het Activiteitenbesluit zijn voor deze tanks echter veiligheidsafstanden opgenomen.
Voor een propaantank met een inhoud van 5 m3 geldt een maximale veiligheidsafstand van 25 m. Het plangebied valt hier buiten. De propaantank is daarom niet relevant vanuit het oogpunt van externe veiligheid voor het plangebied. 4. LPG tankstation 'Selfservice station S. Hellinga B.V. (Texaco)' Op ongeveer 400 m van het plangebied bevindt zich het LPG 'Selfservice station S. Hellinga B.V. (Texaco)' Op basis van de REVI (Regeling externe veiligheid inrichtingen) geldt voor LPG-tankstations een invloedsgebied van 150 m rondom de LPG-installaties. Het plangebied valt hier buiten. Het LPG tankstation is daarom niet relevant vanuit het oogpunt van externe veiligheid voor het plangebied. Toelichting (ontwerp) 33 bestemmingsplan Eeserwold Werken Naast onderzoek naar risicobronnen in en in de omgeving van het plangebied, dient te worden nagegaan of het plangebied een risico vormt voor de omgeving. Hiervoor dient bepaald te worden of het plangebied risicobronnen toelaat die onder het Bevi, de Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik of het Vuurwerkbesluit valt.
In het onderzoek is hierover het volgende opgenomen: Aangezien het bestemmingsplan geen industriële activiteiten mogelijk maakt en de gemeente geen voornemens heeft om inrichtingen met opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik of vuurwerkinrichtingen te realiseren kan worden opgemaakt dat het plangebied geen risico vormt voor de omgeving. Dit betekent dat voor het plangebied enkel de rijksweg A32 relevant vanuit het oogpunt van externe veiligheid. Op basis van het Bevt dient het plaatsgebonden risico en het groepsrisico van de A32 bepaald te worden voor het plangebied. Het onderzoek naar beide risico's is maakt deel uit van het Onderzoek externe veiligheid van Royal HaskoningDHV, Bijlage 10. Op grond van dit onderzoek worden de volgende conclusies getrokken: Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico van de A32 vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan Eeserwold. Groepsrisico Het groepsrisico van de A32 neemt ten gevolge van het plan toe van 0,009 tot 0,052 keer de oriëntatiewaarde. Deze toename wordt veroorzaakt door een toename van de personendichtheid nabij de A32. Conform het Bevt dient voor de A32 enkel ingegaan te worden op de mogelijkheden voor de rampenbestrijding en zelfredzaamheid. Advies regionale brandweer In verband met de actualisatie van het bestemmingsplan, is het plan voorgelegd aan de Veiligheidsregio IJsselland.
De Brandweer IJsselland geeft aan dat de A32 de belangrijkste risicobron is vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen. Geadviseerd wordt om bij de verdere invulling van het plangebied de locatie van wegen en bluswatervoorziening af te stemmen met de Brandweer IJsselland. Daarnaast dient in overleg met de brandweer voldoende bluswater langs de A32 gerealiseerd te worden. In de huidige situatie is geen tot onvoldoende bluswater aanwezig hetgeen de bestrijding van een incident bemoeilijkt. Daarnaast wordt aanbevolen om gebouwen waar mensen in verblijven te voorzien van afsluitbare mechanische ventilatie. Bij een incident met een toxische stof op de A32 kunnen aanwezigen zo veilig binnen schuilen. De gemeente neemt bovenstaande adviezen over bij de verdere invulling van het plangebied. Op 9 oktober 2014 is het externe veiligheidsbeleid 2015-2018 voor de gemeente Steenwijkerland vastgesteld. Het voorgenomen plan is getoetst aan dit beleid waaruit kan worden geconcludeerd dat het plan voldoet aan de ambities uit het externe veiligheidsbeleid. Zandwinning Voor de zandwinning is een stabiliteitsonderzoek uitgevoerd (Wiertsema en Partners, Geotechnisch advies t.b.v. uitbreiding zandwinput Eesveensche Hooilanden, d.d. 24-09-2004) in het kader van de ontgrondingsvergunning.
Voor de windiepte geldt, dat het uitgevoerde stabiliteitsonderzoek onder meer bepalend is geweest voor de aan te brengen taludhellingen, de bankets en de in acht te nemen afstanden ten opzichte van het woongebied, het bedrijventerrein en de Steenwijker Aa (veiligheidszones). Daarbij is een onderscheid gemaakt tussen een veiligheidszone van 20 meter rond de zandwinning, waar geen openbare voorzieningen zijn opgenomen en een aanvullende zone met 34 Toelichting (ontwerp) bestemmingsplan Eeserwold Werken een breedte van 30 meter waar geen bouwwerken opgericht mogen worden. In de ontgrondingsvergunning zijn voorwaarden opgenomen die de stabiliteit en daarmee veiligheid waarborgen. 6.7 Wet luchtkwaliteit Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit.
De ministerraad heeft op voorstel van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. Het aspect luchtkwaliteit is bezien in de notitie onderzoek luchtkwaliteit wegverkeer (bijlage X). Uit het onderzoek komt naar voren dat de normen zoals die in de Wet milieubeheer zijn weergegeven, als gevolg van voorliggend bestemmingsplan niet worden overschreden. Toelichting (ontwerp) 35 bestemmingsplan Eeserwold Werken Hoofdstuk 7 Water 7.1 Inleiding Het is verplicht om in de toelichting bij een bestemmingsplan te verantwoorden op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Dit is bepaald in artikel 3.1.6, eerste lid, sub b van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Deze verantwoording wordt ook wel de waterparagraaf genoemd.
Dit hoofdstuk kan als zodanig beschouwd worden. 7.2 Waterbeleid 7.2.1 Waterwet De Waterwet regelt in hoofdzaak het beheer van watersystemen, waaronder waterkeringen, oppervlaktewater- en grondwaterlichamen. De wet is gericht op het voorkomen dan wel beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, de bescherming en verbetering van kwaliteit van watersystemen en de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. In hoofdstuk 6 van de Waterwet wordt genoemd wanneer een waterwetvergunning nodig is. Deze is nodig wanneer sprake is van het lozen of storten van stoffen in oppervlaktewater of de zee of het onttrekken van grondwater of infiltreren van water. Dit is hier niet aan de orde. Een waterwetvergunning is daarom niet nodig. 7.2.2 Watertakenplan 2016-2021 De gemeente Steenwijkerland heeft samen met de gemeenten Hoogeveen, Meppel, De Wolden, Midden-Drenthe, Westerveld en het waterschap Drents Overijsselse Delta het Watertakenplan Fluvius vastgesteld. In Fluvius werken de gemeenten en het waterschap samen aan stedelijk (afval)waterbeheer. Het Watertakenplan bevat een gezamenlijke visie en een uitvoeringsprogramma. Doel is om de kwaliteit van de dienstverlening te verhogen en kostenstijgingen voor inwoners en bedrijven te beperken. Het Watertakenplan geldt voor de periode 2016-2021.
Een goed functionerende keten van riolering en afvalwaterzuivering (afvalwaterketen) draagt bij aan een goede volksgezondheid, een goede kwaliteit van het oppervlaktewater én het tegengaan van wateroverlast. Binnen de regio Fluvius beheren de gemeenten de riolering en het waterschap zeven afvalwaterzuiveringen.Een goed watersysteem beperkt wateroverlast en draagt bij aan een goed leefklimaat. Daar is goed onderhoud voor nodig. Zowel gemeente als waterschap hebben hierin een taak, zoals het maaien van oevers en baggeren van watergangen. 7.3 Watersysteem Het plangebied ligt aan de benedenstroomse kant van het stroomgebied Vledder- en Wapserveense AA. Dit stroomgebied is in beheer bij het waterschap Drents Overijsselse Delta. De westzijde van het plangebied maakt overigens deel uit de Boezem Noordwest Overijssel. De Vledder- en Wapserveense AA wateren af op de Boezem. Het watersysteem van de Vledder- en Wapserveense Aa is een vrij afwaterend systeem dat met een stelsel van watergangen en stuwen afstroomt richting Steenwijk. De Vledder en Wapserveense Aa zijn langzaam stromende beken op zand- en moerige bodem met gezamenlijk een lengte van 23 kilometer, inclusief bovenloop. Het afwaterend oppervlak van het stroomgebied is ongeveer 18.000 hectare. Het watersysteem is geheel ingericht om te voldoen aan de landbouwfunctie rondom de beek.
De beek heeft echter ook een ecologische functie en ten aanzien van deze functie voldoet het systeem nog niet aan een (half)natuurlijke beeksysteem. 36 Toelichting (ontwerp) bestemmingsplan Eeserwold Werken Eeserwold is gelegen in een kwelgebied, waarin het water van de stuwwallen en hogere gronden uitstroomt in het beekdal van de Steenwijker Aa, welke wordt gevoed vanuit de Vledder- en Wapserveense Aa. Ten behoeve van het waterbeheer van de Vledder- en Wapserveense Aa, is de Steenwijker Aa gestuwd vanaf het punt in de noordoost-hoek van het plangebied. Ten zuiden daarvan, dus langs het gehele plangebied, behoort de Steenwijker Aa tot de boezemwateren van het waterschap, met een streefpeil van 0,73 m - NAP in de zomer en 0,83 m - NAP in de winter. De peilen in de landbouwgebieden rond de zandwinning liggen onder het boezempeil. De zandwinning zelf heeft in het algemeen een waterstand die iets hoger ligt dan de waterstand op de boezem. Dit duidt op een continue aanvoer van water naar de zandwinput. Dit wordt veroorzaakt door het optreden van kwel naar de zandwinput. De afwatering van de zandwinning vindt plaats door middel van een duiker die, onder de parallelle sloot langs de Steenwijker Aa, op de Steenwijker Aa afwatert. De binnen-onderkant van de duiker ligt op NAP -0,74 m.
De duiker is voorzien van een terugslagklep die voorkomt dat water vanuit de Steenwijker Aa naar de zandwinput stroomt. 7.4 Waterveiligheid Het plangebied is gelegen aan dijkring 9, zoals opgenomen in bijlage I van de Waterwet. Deze dijkring kent een veiligheid met een overschrijdingskans 1/1250 jaar. Bij een eventuele dijkdoorbraak kent het gebied, als gevolg van zijn hoge ligging, geen overstromingsdiepte. In het Watertakenplan heeft de gemeenteraad vastgesteld, dat bij een zeer intensieve regenbui (1x per 2 jaar) water op straat mag ontstaan. Water op straat mag niet leiden tot water in woningen of panden behalve bij zeer extreme neerslaggebeurtenissen (mnder dan 1 x per 100 jaar). In het stroomgebied Vledder- en Wapserveense AA zijn de regionale keringen op orde. Er worden in de planperiode geen maatregelen uitgevoerd ten behoeve van de waterwaterveiligheid. 7.5 Grondwater In het Watertakenplan heeft de raad besloten geen grootschalig onderzoek op te zetten naar grondwateroverlast. Er zijn in de gemeente weinig klachten over grondwater. Om die reden is ook geen grondwaterbeheerplan opgesteld. Bij grondwaterproblemen is de burger eerst zelf aan zet voor mogelijke oplossingen.
Het is de verantwoordelijkheid van de gemeente om, voor zover doelmatig, maatregelen in de openbare ruimte te treffen die structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand zoveel mogelijk voorkomen of beperken. Daarnaast is de gemeente aanspreekpunt voor de burger en behandelt grondwaterklachten. Indien meerdere meldingen of klachten komen in een bepaald gebied, dan wordt er onderzoek verricht en eventueel een plan gemaakt om de situatie te verbeteren. Bij ontwikkelingen en projecten wordt het grondwater standaard meegenomen in het onderzoek. Indien noodzakelijk worden maatregelen opgenomen om overlast te voorkomen of eventueel op te lossen. 7.6 Waterkwaliteit Het waterschap Drents Overijsselse Delta is verantwoordelijk voor het waterkwaliteitsbeheer in de betreffende regio. In het waterkwaliteitsplan van het waterschap wordt aan de Steenwijker Aa en Eesveense Wetering de functie van viswater toegekend. Ten aanzien van de oppervlaktewaterkwaliteit van de zandwinplas geldt, dat deze in sterke mate wordt bepaald door de aanvoer van het kwalitatief goede diepe kwelwater. Er is geen verbinding tussen het schone kwelwater in de zandwinplas, inclusief de kreken, en het Toelichting (ontwerp) 37 bestemmingsplan Eeserwold Werken ijzerhoudende water van de Eesveense Wetering. 7.7 Consequenties planontwikkeling De zandwinplas heeft een oppervlakte van circa 55 ha.
De aansluitende kreken, die overigens buiten het plangebied zijn gelegen, hebben een oppervlak van circa 8 ha. Dit geeft een totaal van ca. 63 ha. Daarmee is circa 25% van het oppervlak van het gehele ontwikkelingsgebied Eeserwold ingericht als oppervlaktewater. Van het plangebied is ruim 60% oppervlaktewater. Als compensatie voor de oorspronkelijke ontwikkeling van Eeserwold is met het waterschap overeengekomen dat in dit oppervlaktewater 200.000 m3 extra water geborgen kan worden. Deze waterberging wordt ingezet in het geval van extreme neerslag en om boezem van noordwest Overijssel te ontlasten. Deze waterberging kan leiden tot een (tijdelijke) peilverhoging van ongeveer 27 cm. Onderhavig bestemmingsplan gaat ten opzichte van het bestemmingsplan Eeserwold (zoals vastgesteld in 2005) uit van een bebouwingspercentage (75% in plaats van 60%). Ten behoeve van realisatie van het oorspronkelijke bestemmingsplan is een rioleringsplan opgesteld dat uitgaat van een bruto verhardingspercentage van 80% ter plaatse van Eeser Gaard en 60% ter plaatse van Eeser Campus. Vergroting van het bebouwingspercentage heeft gevolgen voor de afvoer van riolering. In overleg met het waterschap zal onderzocht worden welke aanvullende maatregelen getroffen dienen te worden zodat geen verslechtering van de waterhuishouding optreedt.
7.8 Watertoets De watertoets vormt een waarborg voor de inbreng van water in de ruimtelijke ordening. Dit procesinstrument is vanaf het moment van ondertekening van de startovereenkomst van toepassing op alle ruimtelijke plannen en besluiten met waterhuishoudkundige aspecten (voorbeelden van aspecten zijn veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit en verdroging). In verband met de actualisatie van het bestemmingsplan, is het plan op 12 juli 2021 opnieuw voorgelegd aan het waterschap. Met dit bestemmingsplan is 37500m² extra verharding mogelijk. Doel is om dit binnen het plangebied te compenseren. Eind september vindt er overleg plaats met het waterschap.Het waterschap zal een uitgangspuntennotitie/ advies opstellen, deze wordt verwerkt in het bestemmingsplan. 38 Toelichting (ontwerp) bestemmingsplan Eeserwold Werken Hoofdstuk 8 Juridische opzet 8.1 Inleiding In dit hoofdstuk worden - voor zover dit nodig en wenselijk wordt geacht - de van het bestemmingsplan deel uitmakende regels van een nadere toelichting voorzien. Het juridische gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels geven inhoud aan de op de verbeelding aangegeven bestemmingen. Ze geven aan waarvoor de gronden en opstallen al dan niet gebruikt mogen worden en wat en in welke vorm er gebouwd mag worden.
8.2 Planvorm Bij het opstellen van het bestemmingsplan is gekozen voor een meer globale en flexibele regeling. Uitgangspunt voor dit bestemmingsplan is dat het een zodanig flexibel en globaal karakter moet hebben dat de ontwikkelingen die in het gebied zullen plaatsvinden en de mogelijke veranderingen tijdens het ontwikkelingsproces mogelijk zijn zonder dat dit leidt tot extra en/of nieuwe procedures. De beeldbepalende en structurerende elementen met een betekenis op gebiedsniveau, zoals hoofdwegen, groenstructuren en waterlopen worden vastgelegd en daarmee gewaarborgd. Ook de functies en het karakter van de deelgebieden gelden als uitgangspunt. De keuze voor een meer globale opzet is gemaakt om: ruimtelijk en functioneel beleid te kunnen voeren op hoofdzaken; ontwikkelingen in de fasen van invulling van het gebied zonder bijzondere of extra procedures mogelijk te maken. 8.3 Bestemmingsregeling Het bestemmingsplan ‘Eeserwold is opgezet volgens de Wet ruimtelijke ordening die vanaf' 1 juli 2008 van kracht is. De opbouw van het bestemmingsplan is conform de SVBP2012 (Standaard voor Vergelijkbare Bestemmingsplannen). De planregels bij het bestemmingsplan zijn opgebouwd uit vier hoofdstukken. In hoofdstuk 1 komen de Inleidende regels aan bod. Het betreft hier de Begrippen (artikel 1) en de Wijze van meten (artikel 2).
In hoofdstuk 2, Bestemmingen zijn de planregels, behorende bij de verschillende bestemmingen zoals opgenomen op de verbeelding weergegeven (artikel 3 tot en met 8). Hoofdstuk 3, Algemene regels, bevat verschillende algemene bepalingen die van toepassing zijn (artikel 9 tot en met 15). Tot slot zijn de Overgangs- en slotregel opgenomen in hoofdstuk 4 (artikel 16 en 17). Daarnaast is in bijlage 1 de Staat van Bedrijfsactiviteiten toegevoegd, in bijlage 2 het overzicht van beroepen- en bedrijven aan huis, in bijlage 3 de notitie parkeernormen Steenwijkerland en in bijlage 4 het Beeldkwaliteitsplan. 8.4 Toelichting op de planregels 8.4.1 Inleidende regels In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsbepalingen zijn opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Ook over de bepaling van afstanden, hoogtes en oppervlaktes kunnen interpretatieverschillen ontstaan. Om op een eenduidige manier afstanden, hoogtes en oppervlakten te bepalen, wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Toelichting (ontwerp) 39 bestemmingsplan Eeserwold Werken 8.4.2 Bestemmingen Bedrijf Deze bestemming ziet op de woon-werkkavels nabij de Eesveenseweg.
Bedrijf-Zandwinning De huidige zandwinningsactiviteiten zijn ingepast met bestemming 'Bedrijf-Zandwinning'. De tijdelijke opslag van zand en grond en werkterrein ten behoeve van zandwinning en verwerking is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'opslag'. Voorts mag binnen de aanduiding 'veiligheidszone' geen zandwinning plaatsvinden. De bestemming kent een wijzigingsbevoegdheid om de zandwinningslocatie na de beeindiging van de zandwinning de bestemming 'Water' te geven en deels de bestemming 'Horeca' (ten behoeve van een waterpaviljoen). Daarbij de opmerking dat hoewel de aanduiding op twee plaatsen is opgenomen er niet meer dan één horecavoorziening is toegestaan. Dat betekent dat als in een van de wijzigingszones al een horecavoorziening is aangelegd, het niet meer mogelijk is ter plaatse van de andere wijzigingszone. Bedrijventerrein Voor het bedrijventerrein van Eeserwold is de bestemming ‘Bedrijventerrein’ opgenomen. Deze gronden zijn bestemd voor de vestiging van bedrijven met de daarbij behorende voorzieningen, bouwwerken en terreininrichtingen. Er worden mogelijkheden geboden voor bedrijven tot maximaal categorie 3.2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten. Deze lijst bevat een indeling van bedrijfstypes in categorieën.
Naast een omschrijving van de soort/aard van de toelaatbaar te achten bedrijven bevat de lijst indicaties voor de in acht te nemen afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk. Deze afstanden hebben betrekking op dan wel vloeien voort uit bepaalde activiteiten van het gemiddelde bedrijf in die sector. In verband met de aanwezigheid van woningen aan de rand van het bedrijventerrein is een interne zonering aangehouden. De specifiek aangeduide zones geven aan waar de bedrijven met de daarbij behorende milieucategorie rechtstreeks zijn toegestaan. Omdat de in de Staat van bedrijfsactiviteiten opgenomen indeling voortvloeit uit activiteiten van het gemiddelde bedrijf in de betreffende sector, moge duidelijk zijn dat (aanzienlijke) afwijkingen ten opzichte van het gemiddelde bedrijf mogelijk zijn. Ter ondervanging van eventuele onvolkomenheden van de gekozen systematiek en om op eenvoudige wijze te kunnen inspelen op nieuwe ontwikkelingen, is hieromtrent een afwijkingsbevoegdheid voor burgemeester en wethouders opgekomen. Hierdoor kunnen bedrijven worden toegelaten die naar de aard van de bedrijvigheid alsmede qua bedrijfsomvang vergelijkbaar zijn met de bedrijven, die in de betreffende categorieën zijn genoemd. Voorwaarde is wel dat deze bedrijven qua hinder en/of gevaar geen onevenredige afbreuk doen aan het woon-/leefmilieu.
Ten aanzien van bedrijven als genoemd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen is een verbod opgenomen. Op het bedrijventerrein mogen geen bedrijfswoningen worden gerealiseerd. Deze terughoudendheid bestaat vanwege de belemmerende werking die hiervan uit kan gaan richting omringende bedrijven. Op het bedrijventerrein zijn zelfstandige kantoren en ondergeschikte kantoorruimten die deel uitmalen van de bedrijfsvoering, toegestaan. In de bestemming is voorts volumineuze detailhandel toegestaan. Overige zelfstandige detailhandelsactiviteiten zijn niet toegestaan. Detailhandel in ter plaatse vervaardigde of bewerkte goederen is als nevenactiviteit toegestaan met een omgevingsvergunning. In de regels zijn nadere bebouwingsregels gegeven, zoals een maximum bebouwingspercentage en maximale goot- en bouwhoogte. 40 Toelichting (ontwerp) bestemmingsplan Eeserwold Werken Groen De diverse groenvoorzieningen en -stroken in het plangebied hebben onder meer een functie ten behoeve van de landschappelijke inpassing en afscherming van het bedrijventerrein en de zandwinning. Deze groenstructuren zijn als 'Groen' bestemd.
Binnen de bestemming ‘Groen’ zijn groenvoorzieningen, zoals bermen en oevers toegestaan, en de daarbij behorende voet- en fietspaden en andere voorzieningen, structurele beplantingen, recreatief medegebruik, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en openbare nutsvoorzieningen. Aan de oostkant van het plangebied is langs de Steenwijker Aa een ecologische zone met water aanwezig. Deze zone is bedoeld voor groenvoorzieningen met ecologische waarden en waterlopen. Binnen de bestemming 'Groen' is deze zone aangeduid als 'ecologische waarde'. Ter bescherming van deze ecologische waarden is voor het uitvoeren van diverse werken en werkzaamheden een omgevingsvergunning verplicht. Ter plaatse van de aanduiding 'sluis' kan een sluis worden gerealiseerd ten behoeve van een vaarverbinding. Verkeer De belangrijkste wegen van het bedrijventerrein hebben de bestemming Verkeer gekregen. Wonen - 2 De gronden bestemd met 'Wonen - 2' zijn voor wonen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, tuinen, erven en terreinen. Met de daarbij behorende parkeerplaatsen, wegen, voet- en fietspaden, groenvoorzieningen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Er zijn bouwregels, nadere eisen, specifieke gebruiksregels en afwijkingsmogelijkheden van de gebruiksregels beschreven. 8.4.3 Algemene regels Anti-dubbeltelregel Overeenkomstig het Besluit ruimtelijke ordening is de anti-dubbeltelregel opgenomen.
Deze regel wordt opgenomen om bijvoorbeeld te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel of een bepaalde oppervlakte van een bouwperceel mogen beslaan, het resterende onbebouwde terrein ook nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels Voor het hele plangebied, en dus alle bestemmingen, gelden een aantal algemene bouwregels, namelijk ten aanzien van ondergronds bouwen en parkeren. Als gevolg van een wijziging van de Woningwet (De Reparatiewet BZK 2014) verliezen de stedenbouwkundige bepalingen van de bouwverordening, waaronder de regeling betreffende het parkeren, hun werking. Dat betekent dat gemeenten deze parkeerregels voortaan in de bestemmingsplannen of beheersverordening moeten opnemen. Om te voorkomen dat in elk bestemmingsplan de parkeernormen worden beschreven heeft het college van burgemeester en wethouder de Nota Parkeernormen vastgesteld. In deze nota wordt het volledige parkeerbeleid binnen de gemeente beschreven. Vanuit het bestemmingsplan kan naar de nota worden verwezen. De Nota Parkeernormen is daarom als bijlage bij de regels gevoegd.
Omgekeerd dient deze nota ook als een toetsingskader voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor een nieuwe bestemmingsplan wordt opgesteld of waarvoor een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan wordt verleend. Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksregels is een algemeen gebruiksverbod voor gebruik van gronden en bouwwerken in strijd met de gegeven bestemmingen opgenomen, alsmede specifieke vormen van Toelichting (ontwerp) 41 bestemmingsplan Eeserwold Werken strijdig gebruik. Algemene aanduidingsregels Conform de SVBP2012 worden gebiedsaanduidingen ondergebracht in hoofdgroepen, te weten ‘geluidzone’, ‘luchtvaartverkeerzone’, ‘vrijwaringszone’, ‘veiligheidszone‘, ‘milieuzone’, ‘wetgevingszone’ en ‘reconstructiewetzone’. Om nieuwe, niet genoemde gebiedsaanduidingen, die niet onder te brengen zijn onder de bestaande groepen mogelijk te maken, is aan de lijst een groep ‘overige zone’ toegevoegd. De naam van de gebiedsaanduiding kan dan de gewenste naam krijgen. In de gevallen dat wordt gebruikgemaakt van de groep overig dient dit in de plantoelichting te worden gemotiveerd. Algemene afwijkingsregels In deze regels wordt aangegeven in welke gevallen burgemeester en wethouders bevoegd zijn om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen.
Hierbij gaat het, tenzij anders vermeld, om afwijkingsregels die gelden voor alle bestemmingen in het plan. Algemene procedureregels In deze bepaling wordt aangegeven welke procedure moeten worden doorlopen bij het stellen van nadere eisen. De procedure voor het wijzigen of het afwijken van het bestemmingsplan is al bij wet geregeld. 8.4.4 Overgangs- en slotregels Overgangsrecht In deze regels wordt het overgangsrecht, zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening, overgenomen. Slotregel Als laatste wordt de slotregel opgenomen, ook zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening. Deze regel schrijft voor hoe het plan kan worden aangehaald. 42 Toelichting (ontwerp) bestemmingsplan Eeserwold Werken Hoofdstuk 9 Economische uitvoerbaarheid 9.1 Economische haalbaarheid/Grex Het plan Eeserwold is een private ontwikkeling. De gemeente Steenwijkerland participeert niet in de grondexploitatie. De wijze waarop de private partijen en de gemeente samenwerken is vastgelegd in een drietal contracten, te weten een coördinatiecontract tussen private partijen en gemeente en twee contracten, die de beide partijen afzonderlijk hebben gesloten met de gemeente Steenwijkerland. De gronden binnen het plangebied zijn geheel in eigendom bij de private partijen.
In de exploitatieovereenkomst is vastgelegd dat de met de daadwerkelijke realisering gepaard gaande kosten gedragen worden door de private partijen. Bijkomende kosten, zoals voor de aansluiting op de nutsvoorzieningen en riolering, komen eveneens voor rekening van de private partijen. Ten tijde van het bestemmingsplan Eeserwold (2005) zijn afspraken gemaakt met de private partijen over planschade. Deze afspraken zijn overeenkomstig van toepassing op voorliggend bestemmingsplan. Eventuele planschade wordt hiermee afgewenteld op de initiatiefnemer. Voorgaande overziend zijn er voor de gemeente geen kosten aan de realisering van het plan verbonden. 9.2 Exploitatieplan Het exploitatieplan biedt de grondslag voor het publiekrechtelijk kostenverhaal. In artikel 6.12, eerste en tweede lid, Wro is bepaald in welke situatie een exploitatieplan gemaakt moet worden. In artikel 6.2.1 Bro worden de bouwplannen aangewezen waarvoor de gemeenteraad een exploitatieplan moet vaststellen. Een exploitatieplan wordt gelijktijdig vastgesteld met het ruimtelijk plan of besluit waarop het betrekking heeft. Dat kan zijn: een bestemmingsplan, een wijzigingsplan of een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° of 3°, van de Wabo van het bestemmingsplan of beheersverordening wordt afgeweken. Een exploitatieplan is echter niet aan de orde.
Er zijn grondexploitatieovereenkomsten met de private partijen aangegaan. Toelichting (ontwerp) 43 bestemmingsplan Eeserwold Werken Hoofdstuk 10 Inspraak en overleg 10.1 Te volgen procedure Het bestemmingsplan doorloopt als (voor)ontwerp respectievelijk vastgesteld en onherroepelijk bestemmingsplan de volgende procedure, te weten: a. Voorbereiding: -Vooroverleg met instanties -Watertoets -Inspraak (niet verplicht) b. Ontwerp: -Publicatie en terinzagelegging ontwerpbesluit -Een ieder kan gedurende deze terinzagelegging een zienswijze indienen c. Vaststelling: -Vaststelling door bevoegd gezag -Publicatie en terinzagelegging vastgestelde bestemmingsplan gedurende de beroepstermijn d. Inwerkingtreding: Na afloop van de beroepstermijn (tenzij beroep is aangetekend) e. Beroep: Beroep bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. 10.2 Inspraak en vooroverleg Het ontwerpbestemmingsplan ‘Eeserwold’ zal in het kader van de inspraak ter inzage worden gelegd. Tevens zal vooroverleg gevoerd worden met o.a. de provincie, het Waterschap Drents Overijsselse Delta en de Veiligheidsregio. Over de Nota van uitgangspunten bestemmingsplanherziening Eeserwold is in 2014 inspraak verleend. 44 Toelichting (ontwerp) bestemmingsplan Eeserwold Werken Hoofdstuk 11 Zienswijzen Dit hoofdstuk wordt uitgewerkt wanneer het ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen. Toelichting (ontwerp) 45