CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

BP Sint Jansklooster - Halleweg 16 .pdf

Politieke Markt 11 juni 2019, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Halleweg 16 Sint Jansklooster19.429 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Rho adviseurs voor leefruimte 20181203 35 B ijlagen bij de toelichting Rho adviseurs voor leefruimte 20181203 36 R ho adviseurs voor leefruimte 20181203 37 B ijlage 1 Quickscan flora en fauna Rho adviseurs voor leefruimte 20181203 QUICK SCAN BESCHERMDE PLANTEN- EN DIERSOORTEN HALLEWEG 16 TE SINT JANSKLOOSTER Eindrapport QUICK SCAN BESCHERMDE PLANTEN- EN DIERSOORTEN HALLEWEG 16 TE SINT JANSKLOOSTER rapportnummer 2018.3192 februari 2019 In opdracht van: Rho adviseurs voor leefruimte Postbus 150 3000 AD ROTTERDAM Adviesbureau Mertens B.V. Bureau voor natuur, ruimtelijke ordening en natuurwetgeving Utrechtseweg 120, 6871 DV Renkum 06-29458456 info@adviesbureau-mertens.nl www.adviesbureau-mertens.nl © Adviesbureau Mertens BV, Wageningen, 2019. Deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming vrij worden vermenigvuldigd. De verzamelde data zijn alleen te gebruiken voor het hier geschetste onderzoek en mogen niet voor andere doeleinden worden gebruikt. Quick scan beschermde planten- en diersoorten Halleweg 16 te Sint Jansklooster. Eindrapport februari 2019 Adviesbureau Mertens 1 Wageningen INHOUDSOPGAVE 1. INLEIDING .......................................................................................................................................................

2 1.1 INLEIDING ................................................................................................................................................. 2 1.2 HET PLANGEBIED EN DE PLANNEN ............................................................................................................. 2 1.3 DOELSTELLING VAN HET ONDERZOEK ........................................................................................................ 5 1.4 OPBOUW RAPPORT ................................................................................................................................... 5 2. BESCHERMDE PLANTEN- EN DIERSOORTEN ........................................................................................... 6 2.1 WET NATUURBESCHERMING ..................................................................................................................... 6 2.2 RODE LIJST .............................................................................................................................................. 6 3. METHODE ....................................................................................................................................................... 8 4. RESULTAAT INVENTARISATIE EN BEOORDELING ...................................................................................

9 4.1 FLORA ..................................................................................................................................................... 9 4.2 VLEERMUIZEN .......................................................................................................................................... 9 4.3 OVERIGE ZOOGDIEREN ............................................................................................................................. 9 4.4 BROEDVOGELS....................................................................................................................................... 10 4.5 AMFIBIEËN ............................................................................................................................................. 10 4.6 VISSEN .................................................................................................................................................. 10 4.7 REPTIELEN ............................................................................................................................................. 10 4.8 OVERIGE................................................................................................................................................ 10 5.

SAMENVATTENDE CONCLUSIE ................................................................................................................. 11 GERAADPLEEGDE LITERATUUR ................................................................................................................... 12 BIJLAGEN ......................................................................................................................................................... 13 1. PLANGEBIED ........................................................................................................................................ 14 2. BEGRIPPEN........................................................................................................................................... 15 Quick scan beschermde planten- en diersoorten Halleweg 16 te Sint Jansklooster. Eindrapport februari 2019 Adviesbureau Mertens 2 Wageningen 1. INLEIDING 1.1 Inleiding Er is het voornemen voor realisatie van een nieuwe woning aan de Halleweg 16 te Sint Jansklooster dat zal samen gaan met de sloop van een schuur en het versterken van landschapselementen. De aanwezigheid van beschermde planten- en diersoorten vormt een te onderzoeken aspect omdat met de plannen effecten kunnen ontstaan op soorten die beschermd zijn via de Wet natuurbescherming. Op grond hiervan is aan Adviesbureau Mertens B.V.

uit Wageningen gevraagd om een verkennend veldonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van wettelijk beschermde soorten en indien aanwezig, aan te geven hoe hiermee dient te worden omgegaan. In dit rapport worden de resultaten van deze verkenning gepresenteerd. 1.2 Het plangebied en de plannen Het plangebied van de woning is gelegen aan de Halleweg 16 te Sint Jansklooster (zie figuur 1 en bijlage 1 voor de exacte ligging en begrenzing). Dit gebied bestaat uit een schuur met rondom een kruidachtige vegetatie met boomgroei en verhardingen. Het voornemen is om de schuur te slopen, het gebied bouwrijp te maken, eventueel te saneren en een woning met bijbehorende voorzieningen te realiseren. Tevens omvat het plan het versterken van landschapselementen (de bestaande houtwal (die deels grenst aan het perceel Halleweg 16) wordt hersteld, de laanbeplanting langs de Halleweg wordt, daar waar nu enkele bomen ontbreken, aangevuld (concreet gaat het hier om de aanplant van vier eiken), er wordt een financiële bijdrage geleverd voor versterking van het nabijgelegen landgoed de Oldenhof). Met de realisatie van de plannen wordt geen oppervlaktewater beïnvloed. In figuur 2 wordt een beeld gegeven van het plangebied op donderdag 25 oktober 2018. Figuur 1. Globale ligging van het plangebied aan de Halleweg 16 te Sint Jansklooster.

N ▲ - Quick scan beschermde planten- en diersoorten Halleweg 16 te Sint Jansklooster. Eindrapport februari 2019 Adviesbureau Mertens 3 Wageningen Figuur 2. Foto-impressie het plangebied aan de Halleweg 16 te Sint Jansklooster. Quick scan beschermde planten- en diersoorten Halleweg 16 te Sint Jansklooster. Eindrapport februari 2019 Adviesbureau Mertens 4 Wageningen Vervolg figuur 2. Foto-impressie het plangebied aan de Halleweg 16 te Sint Jansklooster. Figuur 2. Foto-impressie het plangebied aan de Halleweg 16 te Sint Jansklooster. Quick scan beschermde planten- en diersoorten Halleweg 16 te Sint Jansklooster. Eindrapport februari 2019 Adviesbureau Mertens 5 Wageningen 1.3 Doelstelling van het onderzoek De doelstelling van het onderzoek is tweeledig. Enerzijds wordt inzichtelijk gemaakt welke wettelijk beschermde natuurwaarden in het kader van de soortbescherming van planten- en diersoorten te verwachten zijn. Anderzijds worden de consequenties van deze aanwezigheid voor de planontwikkeling weergegeven. Gelet op de opdracht genoemd in de inleiding en de doelstelling, is het van belang dat de volgende vragen worden beantwoord: 1. Welke wettelijk beschermde planten- en diersoorten komen mogelijk voor ter plaatse van en in de directe omgeving van het plangebied? 2. Welke verwachte wettelijk beschermde planten- en diersoorten ondervinden nadelen van de plansituatie? 3.

Hoe dient te worden omgegaan met eventuele negatieve effecten van de plansituatie op wettelijk beschermde planten- en diersoorten? 1.4 Opbouw rapport Na een korte uitleg over de soortbescherming van de Wet natuurbescherming (hoofdstuk 2) komen achtereenvolgens aan de orde: - De onderzoeksmethode (hoofdstuk 3). - Een beschrijving van de aanwezigheid van beschermde soorten (hoofdstuk 4). - Een beoordeling van de effecten op beschermde soorten (hoofdstuk 5). In bijlage 2 wordt een overzicht gegeven van de gebruikte definities en afkortingen. Quick scan beschermde planten- en diersoorten Halleweg 16 te Sint Jansklooster. Eindrapport februari 2019 Adviesbureau Mertens 6 Wageningen 2. BESCHERMDE PLANTEN- EN DIERSOORTEN 2.1 Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht geworden. Deze wet implementeert de Vogel- en Habitatrichtlijn en andere verdragen in het nationaal natuurbeschermingsrecht. Het bevoegd gezag is Gedeputeerde Staten van de Provincie(s) waar een project wordt gerealiseerd. Gedeputeerde Staten kunnen deze bevoegdheid ook overdragen conform lid 7 van deze wet. Doorgaans zijn dit Omgevingsdiensten. De soortbescherming richt zich dan ook primair op de bescherming van plant- en diersoorten die genoemd zijn in deze richtlijnen. Daarnaast is een deel van de soorten van de Rode Lijst (zie paragraaf 2.2) beschermd via de Wet natuurbescherming.

Voor alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten is de algemene zorgplicht van toepassing; handelen of nalaten die gevolgen kunnen hebben dienen achterwege gelaten te worden of er dienen maatregelen getroffen te worden om effecten te voorkomen, of zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Indien een plan resulteert in negatieve beïnvloeding van een soort of soorten kan ontheffing worden verleend conform artikel 3.3 van de Wet natuurbescherming voor soorten van artikel 3.1 en 3.2 (Vogelrichtlijnsoorten). Ontheffing kan worden verleend conform artikel 3.8 van de Wet natuurbescherming voor soorten van artikel 3.4 en 3.6 (Habitatrichtlijnsoorten). De criteria voor ontheffingsverlening voor deze soorten zijn identiek aan die Vogel- en Habitatrichtlijn omdat deze richtlijnen zijn geïmplementeerd in het nationaal recht. Het nationaal recht staat het niet toe om hiervan af te wijken. De criteria zijn:  in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid;  in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;  ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren;  ter bescherming van flora en fauna.

Om in aanmerking te komen voor een ontheffing dienen mitigerende en eventueel compenserende maatregelen genomen te worden die tot gevolg hebben dat soorten niet nadelig worden beïnvloed in het voorkomen en gedurende de uitvoering van een project. Provincies kunnen voor de nationaal beschermde soorten een algemene vrijstelling verlenen. In de Provincie Overijssel wordt voor een aantal soorten generieke vrijstelling verleend in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Het betreft o.a. aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos en woelrat. 2.2 Rode lijst De Rode lijst met bedreigde soorten is eind 2004 gepubliceerd in de Staatscourant en voor een deel in 2009 en 2017 herzien. Aan de op deze lijst genoemde soorten komt bescherming toe voor zover zij vallen onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming. Tussen de Wet natuurbescherming en de Rode lijsten bestaat geen formele relatie. Alleen op basis van “gunstige staat van instandhouding” kunnen bij beschermde Rode lijstsoorten "zwaardere" randvoorwaarden gelden ten aanzien van mitigerende en compenserende maatregelen dan voor algemene soorten.

Zo zal het bij zeer algemeen voorkomende soorten die gering afnemen in aantal (Rode lijstsoort met het criterium gevoelig) relatief eenvoudig zijn om aan te tonen dat de "gunstige staat van instandhouding" niet in het geding komt. Voor soorten met een beperkt verspreidingsbeeld en die afnemen in aantal (soorten van de Rode lijst met het criterium bedreigd of ernstig bedreigd) is een uitgebreide Quick scan beschermde planten- en diersoorten Halleweg 16 te Sint Jansklooster. Eindrapport februari 2019 Adviesbureau Mertens 7 Wageningen effectenstudie wenselijk. Voor deze soorten geldt namelijk de zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild levende dieren, inclusief hun leefomgeving en voor alle planten en hun groeiplaats. Dit artikel is derhalve ook gericht op het voorkomen van doden en verwonden van algemene soorten. Op deze manier wordt nader invulling gegeven aan de bescherming van soorten die in aantal en/of verspreiding afnemen. Quick scan beschermde planten- en diersoorten Halleweg 16 te Sint Jansklooster. Eindrapport februari 2019 Adviesbureau Mertens 8 Wageningen 3. METHODE Op donderdag 25 oktober 2018 is een bezoek gebracht aan het plangebied en de directe omgeving. Gedurende dit bezoek is dit gebied en de directe omgeving beoordeeld op het mogelijk voorkomen van beschermde planten- en diersoorten.

Dit vond plaats aan de hand van aanwezige ecotopen en sporen. Er is beperkt gebruik gemaakt van bestaande verspreidingsgegevens om het (potentieel) voorkomen van beschermde soorten te bepalen omdat deze via o.a. Waarneming.nl worden beheerd voor een veel groter gebied. Overige waarnemingen worden tevens bewaard voor een groot gebied, namelijk op kilometerniveau zoals weergegeven op www.telmee.nl. en op een nog groter schaalniveau in verspreidingsatlassen. Quick scan beschermde planten- en diersoorten Halleweg 16 te Sint Jansklooster. Eindrapport februari 2019 Adviesbureau Mertens 9 Wageningen 4. RESULTAAT INVENTARISATIE EN BEOORDELING 4.1 Flora Het plangebied is volledig in cultuur gebracht en is voor een groot deel verhard. De kruidachtige vegetaties met boomgroei zijn het pioniersstadium niet ontgroeid. De aanwezigheid van beschermde planten wordt derhalve uitgesloten. Gedurende het verkennend veldonderzoek op donderdag 25 oktober 2018 zijn geen beschermde plantensoorten of resten van beschermde plantensoorten vastgesteld. Op grond hiervan wordt de aanwezigheid van beschermde plantensoorten uitgesloten. 4.2 Vleermuizen Getoetst is op de verschillende functies die het plangebied kan hebben voor vleermuizen.

Dit betreft plaatsen waar vleermuizen kunnen verblijven (verblijfplaatsen zoals kolonie-, paar- en winterverblijfplaatsen), vaste routen tussen verblijfplaatsen in de zomer en winter; respectievelijk vlieg- en migratierouten en plaatsen en gebieden waar vleermuizen foerageren. De aanwezigheid van verblijfplaatsen zoals kolonie-, paar- en overwinteringsplaatsen van vleermuizen kan worden uitgesloten. In de te slopen schuur en in de kruidachtige vegetaties met boomgroei zijn geheel geen geschikte openingen aangetroffen waarin vleermuizen kunnen verblijven. Het ontbreekt aan geschikte daklijsten en geschikte beluchtingsgaten om achter of in te kruipen. De muren zijn enkelwandig. Gedurende het verkennend veldonderzoek zijn ook geen sporen van vleermuizen vastgesteld zoals keutels en afgebeten vleugels van vlinders. De schuur is geen onderdeel in een lijnvormig landschapselement waarop vleermuizen zich kunnen oriënteren. De beplanting rondom is wel een landschapselement. Deze beplanting wordt versterkt. De schuur wordt na de sloop vervangen door een woning en in de omgeving zijn ook voldoende alternatieve landschapselementen. Effecten op vliegroutes worden derhalve uitgesloten. De aanwezigheid van migratieroutes wordt uitgesloten omdat grootschalige landschapselementen zoals dijken en rivieren niet voorkomen in of aansluiten op het plangebied.

Met de realisatie van de plannen zal het gebied niet wezenlijk van vorm veranderen, gelet op de foerageermogelijkheden van vleermuizen. Mogelijk foerageert er sporadisch gewone dwergvleermuis als gevolg van de aanwezige ecotopen (verhardingen, pioniervegetatie). Het plangebied en directe omgeving is nu niet van waarde als essentieel foerageergebied en in de toekomst zal deze functie niet negatief verminderen doordat er geen essentiële zaken veranderen. Effecten op de foerageermogelijkheden van vleermuizen worden derhalve uitgesloten. 4.3 Overige zoogdieren Gelet op de aanwezige ecotopen in het plangebied en de geografische ligging (zie Broekhuizen e.a., 2016) wordt het de aanwezigheid van internationaal beschermde overige zoogdieren uitgesloten. Quick scan beschermde planten- en diersoorten Halleweg 16 te Sint Jansklooster. Eindrapport februari 2019 Adviesbureau Mertens 10 Wageningen Mogelijk komen in het plangebied wel bosmuis en huisspitsmuis voor. Voor deze algemeen voorkomende soorten bestaat een algemene provinciale vrijstelling in de Provincie Overijssel. 4.4 Broedvogels Gedurende het verkennend veldonderzoek op donderdag 25 oktober 2018 zijn geen geschikte (potentiële) nestlocaties aangetroffen voor vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen.

Huismus en gierzwaluw zijn ook niet vastgesteld op basis van bestaande gegevens en gedurende het verkennend veldonderzoek is huismus ook niet aangetroffen. In het gebied kunnen algemene broedvogels broeden zoals kool- en pimpelmees. Gedurende het veldonderzoek op maandag 29 oktober 2018 is merel vastgesteld. In verband met de mogelijke aanwezigheid van algemene broedvogels is het noodzakelijk om de werkzaamheden buiten het broedseizoen te starten of op een manier te werken dat de vogels niet tot broeden komen (vogelverschrikkers gebruiken). Op deze manier kan worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden. 4.5 Amfibieën Gelet op de aanwezige ecotopen van het plangebied en de geografische ligging (zie Ravon.nl, Creemers & Delft, 2009) wordt de aanwezigheid van internationaal beschermde amfibieën uitgesloten. Rugstreeppad is de afgelopen 5 jaar niet vastgesteld in en in de ruime omgeving van het plangebied. Het voorkomen van de rugstreeppad kan derhalve worden uitgesloten. Mogelijk komen aan de randen wel gewone pad, grote groene kikker en bruine kikker voor. Voor de algemene soorten amfibieën bestaat een algemene provinciale vrijstelling in de Provincie Overijssel. 4.6 Vissen Door het ontbreken van constant oppervlaktewater in en direct rond het plangebied, wordt de aanwezigheid van vissen uitgesloten.

4.7 Reptielen Gezien de huidige aanwezige ecotopen van de opstallen en directe omgeving ten opzichte van de verspreiding van reptielen (zie Ravon.nl, Creemers & Delft, 2009), kan de aanwezigheid van reptielen worden uitgesloten. 4.8 Overige Gezien de huidige aanwezige ecotopen kan de aanwezigheid van beschermde ongewervelden (o.a. diverse soorten dagvlinders en libellen) worden uitgesloten. Nationaal beschermde dagvlinders en libellen komen alleen voor in specifieke ecotopen. Quick scan beschermde planten- en diersoorten Halleweg 16 te Sint Jansklooster. Eindrapport februari 2019 Adviesbureau Mertens 11 Wageningen 5. SAMENVATTENDE CONCLUSIE Er is het voornemen voor realisatie van een nieuwe woning aan de Halleweg 16 te Sint Jansklooster dat zal samen gaan met de sloop van een schuur en het versterken van landschapselementen. Deze activiteit zou kunnen samen gaan met effecten op beschermde planten- en diersoorten. Op grond hiervan is een verkennend veldonderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van beschermde soorten. In het plangebied ontbreekt het aan mogelijkheden voor vleermuizen en vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen om er te verblijven. Aanwijzingen voor de aanwezigheid van vleermuizen en vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen zijn ook niet vastgesteld.

In verband met de aanwezigheid van algemene broedvogels is het noodzakelijk om de werkzaamheden buiten het broedseizoen te starten of op een manier te werken dat de vogels niet tot broeden komen (vogelverschrikkers gebruiken). Op deze manier kan worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden. Mogelijk vliegen en foerageren er vleermuizen. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren. Er zijn daarnaast mogelijk algemene nationaal beschermde zoogdieren en amfibieën aanwezig. Voor deze algemene soorten bestaat een algemene vrijstelling in Provincie Overijssel. Het voorkomen van overige beschermde soorten wordt uitgesloten. Op grond van bovenstaande analyse worden effecten op beschermde planten- en diersoorten uitgesloten; de plannen aan de Halleweg 16 te Sint Jansklooster zijn niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming. Quick scan beschermde planten- en diersoorten Halleweg 16 te Sint Jansklooster. Eindrapport februari 2019 Adviesbureau Mertens 12 Wageningen GERAADPLEEGDE LITERATUUR Literatuur  Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J.B.M., 2016. Atlas van de Nederlandse Zoogdieren. Nationaal Natuurhistorisch Museum Leiden, VZZ, Nijmegen, 1-348.  Creemers, C.M., Delft, J., 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nijmegen, 1-476.  EEG, 1979.

Richtlijn 79/43/EEG inzake het behoud van de Vogelstand. Publicatieblad den Europese Gemeenschap, nummer L. 103.  EEG, 1992. Richtlijn 92/43/EEG inzake de instandhouding van wilde flora en fauna. Publicatieblad van den van de Europese Gemeenschap, nummer L. 206/7.  Gerstmeier, R., Romig, T., 1997. Zoetwatervissen van Europa, Tirion, Baarn, 1-368.  Hustings, F., Vergeer, J.W., Eekelder, P., 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nationaal Natuurhistorisch Museum Leiden, SOVON, Beek-Upbergen, 1-584.  Limpens, H., Mostert, K., Bongers, W., 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. KNNV, Utrecht, 1- 260.  Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Dienst Regelingen, 2009a. Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep. Ministerie van ELI (Dienst Regelingen), Den Haag.  Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Dienst Regelingen, 2009b. Uitleg aangepaste beoordeling ontheffing ruimtelijke ingrepen Flora- en faunawet. Ministerie van ELI (Dienst Regelingen), Den Haag.  Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, 2004. Rode lijsten diverse soortgroepen.  Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, 2009. Rode lijsten diverse soortgroepen.  Ministerie van Economische Zaken, 2016.

Wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming). Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden 34 (2016), 1-84.  SOVON, 1987. Atlas van de Nederlandse broedvogels.  Nie, H.W. de, 1996. Atlas van de Nederlandse Zoetwatervissen. Media Publishing, Doetinchem, 1-151.  Spikmans, F, Jong, T. de, 2006. Het waarnemen van zoetwatervissen, Nijmegen, 1-55. Website  www.ravon.nl  www.waarneming.nl  www.sovon.nl  www.telmee.nl  www.zoogdiervereniging.nl BIJLAGEN 1. PLANGEBIED N ▲ 2. BEGRIPPEN Baltsplaats Plaats waar een vleermuis al roepend rondvliegt in de herfst en die doorgaans wordt verdedigd tegen andere mannetjes. Foerageergebied Een gebied waar een vleermuis of een groep van vleermuizen foerageert. Dat gebied wordt regelmatig bezocht door vleermuizen om in te foerageren en dat doorgaans meerdere foerageerplaatsen kent die langere tijd worden gebruikt. Foerageerplaats Plek (jachtplek) waar wordt gejaagd door vleermuizen. De plek kan in de directe omgeving van de kolonieplaats liggen maar ook kilometers verderop. Kolonie Groep vleermuizen (kleine groep mannetjes of meestal grotere groep vrouwtjes, soms gemengd (soorten, geslacht)) die in het voorjaar tot de herfst bijeen blijven. De groep kan zich vestigen in gebouwen (in spouwmuren of onder daklijsten e.d.) of bomen (spechtengaten, scheuren).

Een groep vrouwelijke vleermuizen wordt ook wel aangeduid als een kraamkolonie. In zo'n groep worden jongen geboren en grootgebracht. Een kolonie maakt vaak gebruik van meerdere verblijfplaatsen die soms gelijktijdig worden gebruikt. Migratieroute Een vaste route van zomerverblijfplaats naar winterverblijfplaats en visa versa (zie ook vliegroute) of een route in een andere tijd; bijvoorbeeld tussen foerageerplaatsen. Paarplaats Territorium van territoriale mannetjes. Voor de ruige dwergvleermuis en de rosse vleermuis is dit doorgaans te vinden in boomholten. Voor de laatvlieger en de dwergvleermuis is dit te vinden in gebouwen. Voor de watervleermuis is dit te vinden in bomen en later, tegen de winter, zijn ze te vinden in overwinteringverblijven. Het mannetje vormt een harem met meerdere vrouwtjes. De paartijd valt in de herfst (uitgezonderd de grootoorvleermuis waarbij het in april valt (vroege voorjaar). De hier geschetste situatie van de paring wordt in dit rapport omschreven als “herfst situatie”. Verblijfplaats Een object (huis, boom, bunker, grot, kast en dergelijke) waarin een of meerdere vleermuizen verblijven (overdag of ’s winters permanent). Vliegroute Route die door vleermuizen elke avond wordt gebruikt om van de kolonieplaats naar foerageergebied te vliegen en visa vers (zie ook migratieroute).

Vrouwtjes met jongen keren soms midden in de nacht terug om de jongen te zogen en gebruiken dan de route. Vliegroutes liggen over het algemeen langs lijnvormige (landschaps)elementen als bomenlanen, huizenrijen e.d. De functies zijn beschutting bij winderig en koud weer, oriëntatie in verband met de echolokatie-geluiden en het vinden van voedsel. Voorbijvliegend Vleermuizen die voorbijvliegen, niet via een vaste route. Het betreft meestal zwervers of trekkers. Zwermen Direct na het uitvliegen, naar vooral voor het invliegen bij een kolonie zwermt een deel van de kolonie rond de kolonieplaats. Zwermgedrag is derhalve een indicatie voor een eventuele kolonieplaats. Winterverblijfplaats Een verblijfplaats waar in de winter een of meerdere vleermuizen in winterslaap (hybernation) gaan. Deze ruimte is doorgaans donker, heeft een hoge luchtvochtigheid en temperatuurwisselingen zijn nihil. Zomerverblijfplaats Een verblijfplaats die gebruikt wordt door vleermuizen die niet in winterslaap zijn waarvan niet aangetoond is dat het een kraamverblijfplaats dan wel een paarverblijfplaats is. In sommige gevallen vormen bijvoorbeeld mannetjes kleine groepjes. 59 B ijlage 2 Waterparagraaf korte procedure Rho adviseurs voor leefruimte 20181203 datum 9-10-2018 dossiercode    20181009-59-18952 Geachte E. Venema, U heeft een watertoets uitgevoerd op de website www.dewatertoets.nl.

Op basis van deze digitale toets kunt u de korte procedure volgen. Het waterschap gaat akkoord met uw plan, mits u voldoet aan de uitgangspunten uit de standaard waterparagraaf, zoals hieronder is beschreven. Binnen de procedure voor het bestemmingsplan, projectbesluit of omgevingsvergunning kunt u deze standaard waterparagraaf toevoegen aan de toelichting van het bestemmingsplan. Wij verzoeken u op de punten waar dat wordt gevraagd de tekst te specificeren voor uw plan. STANDAARD WATERPARAGRAAF KORTE PROCEDURE In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het verplicht ruimtelijke plannen te toetsen op water , de zogenaamde watertoets. De watertoets is een waarborg voor water in ruimtelijke plannen en besluiten. Deze waterparagraaf heeft betrekking op Sint Jansklooster - Halleweg 16. Relevant beleid Het beleid van het waterschap Drents Overijsselse Delta staat beschreven in het waterbeheerplan 2016-2021. Specifiek voor het stedelijke gebied heeft het waterschap het beleid geformuleerd in Water Raakt! . Daarnaast is de Keur een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. U kunt de genoemde documenten raadplegen op onze site www.wdodelta.nl. Invloed op de waterhuishouding Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie.

Binnen het bestemmingsplan worden niet meer dan tien wooneenheden gerealiseerd en de toename van het verharde oppervlak bedraagt niet meer dan 1500 m2. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Voor de aanleghoogte wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter. Dit is de afstand tussen de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en onderzijde bouwvloer. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een kleinere ontwateringsdiepte. Om wateroverlast binnen woningen en bedrijven te voorkomen adviseren wij om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren (as van de weg). Voor lager gelegen ruimtes, zoals kelders en parkeergarages, wordt aandacht besteed aan het voorkomen van wateroverlast door bijvoorbeeld instromend hemelwater. Voorkeursbeleid hemelwater (Onderstaande tekst graag specificeren wat van toepassing is voor uw plan. Daarbij vragen wij u om het verbreed gemeentelijke rioleringsplan (vGRP) van de gemeente te raadplegen en rekening te houden met het hemelwaterbeleid van de gemeente. Wij vragen u om dit te beschrijven in deze waterparagraaf.) Bij de afvoer van overtollig hemelwater moet het afstromend hemelwater ter plaatse in de bodem dan wel op het oppervlaktewater worden teruggebracht. Het waterschap heeft de voorkeur om het hemelwater, daar waar mogelijk, te infiltreren in de bodem.

Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi s heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool (IT-riool) of infiltratiekratten een mogelijkheid. Als infiltratie niet mogelijk is dan kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. De afvoer van overtollig hemelwater uit het plangebied mag, ongeacht de toegepaste methode, niet tot wateroverlast leiden op aangrenzende percelen of het omliggende watersysteem. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Grondwaterbeschermingsgebied (Onderstaande tekst graag specificeren voor uw plan. De provincie is bevoegd gezag voor het diepe grondwater. U kunt bij de provincie navragen of er aanvullende voorwaarden zijn voor uw plan.) Het plangebied of een gedeelte daarvan ligt in een grondwaterbeschermingsgebied of intrekgebied van een drinkwaterwinning. In deze gebieden is het beleid gericht op het verminderen van de risico s op de verontreiniging van het grondwater. Watervergunning (of melding) op grond van de Keur Het wateradvies dat is afgegeven in het kader van de watertoets is geen watervergunning of melding.

Gaat u werkzaamheden verrichten in de beschermingszone van een waterstaatswerk (dus: een dijk of een watergang)? Wordt hemelwater afgevoerd op oppervlaktewater of wordt er grondwater onttrokken? Dan moet u een watervergunning aanvragen op de website: www.omgevingsloket.nl. Op basis van de door u ingevulde gegevens ziet u hieronder welke watervergunning u nodig heeft. Indien hieronder geen specificatie staat, hoeft u geen watervergunning aan te vragen. B watergangen (schouwsloten) In het plan bevindt zich een B-watergang. B-watergangen (of schouwsloten) hebben een belangrijke functie voor de waterafvoer- en berging. Deze watergangen staan op de legger van het waterschap en de Keur is van toepassing. Volgens de Keur zijn alle activiteiten die plaatsvinden in, op of langs watergangen van het waterschap vergunningsplichtig. Voor minder ingrijpende activiteiten hebben zijn algemene regels vastgesteld. Hierdoor kan er sprake zijn van vrijstelling of hoeven deze activiteiten alleen te worden gemeld. Er is in het plan rekening gehouden met de Keur van het waterschap. Er wordt tijdig melding gemaakt of een vergunning aangevraagd. Watertoetsproces De initiatiefnemer heeft het Waterschap Drents Overijsselse Delta geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets.

De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de korte procedure van de watertoets is toegepast. De bestemming en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding in ruimtelijke zin. Deze conclusie is automatisch getrokken op basis van de ingevoerde gegevens op www.dewatertoets.nl. Het proces van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Drents Overijsselse Delta gaat akkoord met het plan. Verklaring Dit document is een automatisch gegenereerd bestand op basis van de door u ingevulde gegevens. U bent akkoord gegaan met de door u ingevulde gegevens en heeft verklaard dat alles naar waarheid is ingevuld. De WaterToets 2017 62 R ho adviseurs voor leefruimte 20181203 63 B ijlage 3 Invoergegevens akoestische berekening Rho adviseurs voor leefruimte 20181203 Bijlage: invoergegevens geluidmodel (wegen)Halleweg 16 Model: Situatie 2030 Rients Groep: Halleweg/Bergkampen Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2012 Naam Omschr.

X-1 Y-1 H-1 H-n M-1 M-n Hbron Bergkampen Bergkampen 195943,72 521522,28 0,00 0,00 5,35 7,00 0,75 Bergkampen Bergkampen 196183,30 521211,25 0,00 0,00 7,00 7,00 0,75 Halleweg Halleweg 196183,30 521211,25 0,00 0,00 7,00 0,00 0,75 Bergkampen Bergkampen 196224,91 521168,38 0,00 0,00 7,00 3,51 0,75 4-10-2018 13:44:04Geomilieu V4.41 Bijlage: invoergegevens geluidmodel (wegen)Halleweg 16 Model: Situatie 2030 Rients Groep: Halleweg/Bergkampen Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2012 Naam Wegdek V(MR(D)) V(LV(D)) V(MV(D)) V(ZV(D)) Totaal aantal %Int(D) %Int(A) %Int(N) Bergkampen Referentiewegdek 60 60 60 60 320,12 7,00 3,00 0,50 Bergkampen Referentiewegdek 60 60 60 60 420,04 7,00 3,00 0,50 Halleweg Referentiewegdek 60 60 60 60 259,80 7,00 3,00 0,50 Bergkampen Referentiewegdek 60 60 60 60 630,00 7,00 3,00 0,50 4-10-2018 13:44:04Geomilieu V4.41 Bijlage: invoergegevens geluidmodel (wegen)Halleweg 16 Model: Situatie 2030 Rients Groep: Halleweg/Bergkampen Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2012 Naam %Int(P4) %MR(D) %MR(A) %MR(N) %MR(P4) %LV(D) %LV(A) %LV(N) %LV(P4) %MV(D) %MV(A) %MV(N) %MV(P4) Bergkampen -- -- -- -- -- 97,01 96,98 97,52 -- 2,01 1,98 1,24 -- Bergkampen -- -- -- -- -- 97,01 96,99 98,10 -- 2,01 1,98 0,95 -- Halleweg -- -- -- -- -- 97,03 97,05 98,45 -- 1,98 1,92 0,78 -- Bergkampen -- -- -- -- -- 97,01 97,04 98,10 -- 2,00 1,96 0,95

-- 4-10-2018 13:44:04Geomilieu V4.41 Bijlage: invoergegevens geluidmodel (wegen)Halleweg 16 Model: Situatie 2030 Rients Groep: Halleweg/Bergkampen Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2012 Naam %ZV(D) %ZV(A) %ZV(N) %ZV(P4) MR(D) MR(A) MR(N) MR(P4) LV(D) LV(A) LV(N) LV(P4) Bergkampen 0,98 1,04 1,24 -- -- -- -- -- 21,73 9,32 1,57 -- Bergkampen 0,99 1,03 0,95 -- -- -- -- -- 28,52 12,23 2,06 -- Halleweg 0,99 1,03 0,78 -- -- -- -- -- 17,65 7,57 1,27 -- Bergkampen 1,00 1,01 0,95 -- -- -- -- -- 42,78 18,34 3,09 -- 4-10-2018 13:44:04Geomilieu V4.41 Bijlage: invoergegevens geluidmodel (wegen)Halleweg 16 Model: Situatie 2030 Rients Groep: Halleweg/Bergkampen Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMW-2012 Naam MV(D) MV(A) MV(N) MV(P4) ZV(D) ZV(A) ZV(N) ZV(P4) Wegdek Bergkampen 0,45 0,19 0,02 -- 0,22 0,10 0,02 -- W0 Bergkampen 0,59 0,25 0,02 -- 0,29 0,13 0,02 -- W0 Halleweg 0,36 0,15 0,01 -- 0,18 0,08 0,01 -- W0 Bergkampen 0,88 0,37 0,03 -- 0,44 0,19 0,03 -- W0 4-10-2018 13:44:04Geomilieu V4.41 69 B ijlage 4 Verkennend bodemonderzoek Rho adviseurs voor leefruimte 20181203

13 4 Rho adviseurs voor leefruimte 20181203 13 5 Regels Rho adviseurs voor leefruimte 20181203 13 6 Rho adviseurs voor leefruimte 20181203 13 7 Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen 1.1 plan: het bestemmingsplan Sint Jansklooster - Halleweg 16 met identificatienummer NL.IMRO.1708.STJHallewegBP-VA01 van de gemeente Steenwijkerland; 1.2 bestemmingsplan: de geometrische bepaalde planobjecten met bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3 aan-huis-verbonden beroep: een dienstverlenend beroep, dat in of bij een woonhuis wordt uitgeoefend, waarbij het woonhuis in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is; 1.4 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.5 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.6 agrarisch bedrijf: een bedrijf dat gericht is op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, waaronder tevens wordt verstaan een productiegerichte paardenhouderij, niet zijnde een agrarische nevenactiviteit; 1.7 agrarisch hobbymatig gebruik: het telen van gewassen en/of het houden van dieren, niet gericht op het voortbrengen

van producten ten behoeve van een agrarisch bedrijf; 1.8 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.9 bedrijfs- c.q. beroepsvloeroppervlakte: de totale vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een aan-huis-verbonden beroep c.q. een (dienstverlenend) bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke; 1.10 bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak; Rho adviseurs voor leefruimte 20181203 13 8 1.11 bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.12 bijgebouw: een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.13 bouwen: plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 1.14 bouwgrens: de grens van een bouwvlak; 1.15 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.16 bouwperceelgrens: een grens van een bouwperceel; 1.17 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.18 bouwwerk: elke

constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.19 cultuurgrond: grasland, akkerbouw- en tuinbouwgrond; 1.20 dak: iedere bovenbeëindiging van een gebouw; 1.21 detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.22 erf: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk en ruimtelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw; 1.23 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.24 hoofdgebouw: een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmetingen of functie als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken en waarin de hoofdfunctie ingevolge de bestemming is of wordt ondergebracht; Rho adviseurs voor leefruimte 20181203 13 9 1.25 kampeermiddel: een tent, een tentwagen, een kampeerauto, een caravan of een stacaravan, dan wel enig ander daarmee vergelijkbaar voertuig of onderkomen, dat geheel of ten dele is bestemd of opgericht dan wel wordt

of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf; 1.26 logiesverstrekking: een bedrijfsactiviteit, die enkel of in hoofdzaak is gericht op het tegen vergoeding verstrekken van logies en waarbij de logieseenheden zijn ingericht als nachtverblijf; 1.27 peil: a. voor bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van die bouw; c. indien in of op het water wordt gebouwd: het Normaal Amsterdams Peil of het ter plaatse geldende waterpeil; 1.28 prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; 1.29 recreatie: activiteiten en mogelijkheden voor ontspanning c.q. vrijetijdsbesteding; 1.30 recreatief medegebruik: het medegebruik van gronden voor recreatieve activiteiten, zoals wandelen, fietsen, ruitersport en kanovaren, sportvisserijen, alsmede route-ondersteunende voorzieningen, zoals picknick-, uitzicht-, rust- en informatieplaatsen, voor zover de overige functies van de gronden dit toelaten; 1.31 ruimtelijke kwaliteit: de kwaliteit van de ruimte als bepaald door de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van die ruimte.

1.32 seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische-massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.33 verblijfsrecreatie: het totaal van mogelijkheden en voorzieningen om te recreëren op een bepaalde plaats waarbij recreatief nachtgebruik centraal staat; 1.34 woning: een gebouw met een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden, waaronder begrepen eventueel gemeenschappelijk gebruik van bepaalde ruimten; Rho adviseurs voor leefruimte 20181203 14 0 1.35 woonhuis: een gebouw, dat één woning omvat, dan wel twee of meer naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden.

Rho adviseurs voor leefruimte 20181203 14 1 Artikel 2 Wijze van meten Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.2 de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.3 de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.4 de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.5 de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. Rho adviseurs voor leefruimte 20181203 14 2 Rho adviseurs voor leefruimte 20181203 14 3 Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Groen 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. structurele beplantingen; b.

water en waterhuishoudkundige voorzieningen; 3.2 Bouwregels 3.2.1 Algemeen er mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouw zijnde worden gebouwd, met inachtneming van de volgende regels. 3.2.2 bouwwerken, geen gebouw zijnde voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde gelden de volgende regels: de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde bedraagt maximaal 5,00 meter, met dien verstande dat de bouwhoogte van erfafscheidingen maximaal 1,00 meter bedraagt. 3.3 Specifieke gebruiksregels 3.3.1 Strijdig gebruik Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden voor en/of als: a. de aanleg van terrassen. b. het plaatsen van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen en van wagens van derden; c. buitenopslag; d. het plaatsen van kampeermiddelen; e. recreatief nachtverblijf. Rho adviseurs voor leefruimte 20181203 14 4 Artikel 4 Tuin 4.1 Bestemmingsomschrijving 4.1.1 Algemeen De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. tuinen behorende bij op de aangrenzende gronden gelegen gebouwen; b. parkeren, ontsluiting en inritten; c. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; met de daarbij behorende voorzieningen.

4.1.2 Dubbelbestemmingen Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 13 lid 13.1. 4.2 Bouwregels Op de voor 'Tuin' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd: er fafscheidingen, waarvan de bouwhoogte maximaal 1,00 meter bedraagt. 4.3 Specifieke gebruiksregels Tot een gebruik strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend: a. het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen, al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen en van wagens; b. buitenopslag, behalve als dit noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte tijdelijke gebruik; c. het gebruik van gronden en bouwwerken voor een paardenbak. Rho adviseurs voor leefruimte 20181203 14 5 Artikel 5 Wonen - Buitengebied 5.1 Bestemmingsomschrijving 5.1.1 Algemeen De voor 'Wonen - Buitengebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen; met daaraan ondergeschikt: b. tuinen, erven en groenvoorzieningen; c. ontsluitings- en parkeervoorzieningen; d. water en waterhuishoudkundige voorzieningen. 5.1.2 Dubbelbestemmingen Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 13 lid 13.1.1.

5.2 Bouwregels 5.2.1 Algemeen Op de voor 'Wonen - Buitengebied' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd: a. woningen, uitsluitend binnen de aanduiding 'bouwvlak'; b. de daarbij behorende bijgebouwen, uitsluitend binnen de aanduiding 'bouwvlak' en de aanduiding 'bijgebouwen'; c. bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten behoeve van de in artikel 5.1 genoemde bestemming, zowel binnen als buiten de aanduidingen 'bouwvlak' en 'bijgebouwen'. 5.2.2 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van het wonen gelden de volgende regels: a. per bouwvlak is maximaal 1 woning toegestaan; b. de voorgevel van de woning wordt geplaatst in of evenwijdig aan de naar de weg gekeerde bouwgrens; c. de grenzen van het bouwvlak mogen worden overschreden door erkers, luifels, balkons en dergelijke, mits: 1. de diepte gemeten vanaf de bouwvlakgrens niet meer dan 1,00 meter bedraagt; 2. de breedte niet meer bedraagt dan 50% van de breedte van de woning; 3. de goothoogte maximaal gelijk is aan de hoogte van de eerste verdiepingsvloer + 0,30 meter; d. de goothoogte bedraagt minimaal 2,50 meter en maximaal 3,50 meter; e. de bouwhoogte bedraagt minimaal 6,50 meter en maximaal 8,00 meter; f. gebouwen zullen met een kap van minimaal 30° en maximaal 60° worden afgedekt; g. de inhoud van een woning bedraagt maximaal 750 m³.

5.2.3 Bijgebouwen behorende bij de woning Voor het bouwen van bijgebouwen behorende bij de woning gelden de volgende regels: a. de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen, met uitzondering van carports, mag maximaal 70 m2 bedragen: b. de grond ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' wordt voor maximaal 60% bebouwd; c. bijgebouwen worden met een kap van minimaal 30° en maximaal 60° afgedekt; d. de goothoogte bedraagt maximaal 3,50 meter; e. de bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt maximaal 80% van de bouwhoogte van het hoofdgebouw; f. in afwijking van het bepaalde onder e. mag voor één bijgebouw een bouwhoogte van maximaal 6,50 meter worden toegepast. Rho adviseurs voor leefruimte 20181203 14 6 5.2.4 Bouwwerken, geen gebouw zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. een carport wordt op een afstand van minimaal 3,00 meter achter de voorgevelrooilijn gebouwd, met dien verstande dat de bouwhoogte van carports maximaal 3,00 meter bedraagt en de oppervlakte van carports maximaal 20 m² bedraagt; b. bouwwerken, geen gebouw zijnde, mogen uitsluitend achter de naar de weg gekeerde bouwgrens worden gebouwd, met uitzondering van erfafscheidingen en vlaggenmasten; c.

de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde mag maximaal 6,00 meter bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de naar de weg gekeerde bouwgrens maximaal 1,00 meter en achter de naar de weg gekeerde bouwgrens maximaal 2,00 meter mag bedragen. 5.3 Specifieke gebruiksregels 5.3.1 Strijdig gebruik Onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als: a. het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte wagens en/of voer- en vaartuigen van derden, en anders dan bedoeld in lid 5.1; b. buitenopslag, behalve als dit noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte tijdelijke gebruik en anders dan bedoeld in lid 5.1; c. een aan huis verbonden beroep of bedrijf in de woning en/of in de vrijstaande bijgebouwen, anders dan bedoeld in 5.3.2; d. woningsplitsing; e. mantelzorg in de woning en/of in de vrijstaande bijgebouwen; f. vrijstaande bijgebouwen als logiesruimte; g. gebouwen voor recreatieve bewoning; h. detailhandel en horeca. 5.3.2 Aan huis verbonden beroepen Een aan huis verbonden beroep is toegestaan onder de volgende voorwaarden: a. een aan huis verbonden beroep uitsluitend wordt uitgeoefend in de woning of in de bijgebouwen; b.

maximaal 35% van de toegestane bebouwde oppervlakte van de woning en de bijgebouwen wordt gebruikt voor een aan huis verbonden beroep; c. de woonfunctie in overwegende mate wordt gehandhaafd en de verschijningsvorm als woning niet wezenlijk wordt aangetast; d. er mogen maximaal 2 personen werkzaam zijn, waarbij minstens één persoon tevens de bewoner van de woning is; e. er is slechts één reclame-uiting toegestaan met een maximale afmeting van 20 x 30 cm; f. het gebruik mag geen (ernstige of onevenredige) hinder opleveren voor het woonmilieu en geen afbreuk doen aan het woonkarakter van de omgeving; g. in de parkeerbehoefte wordt in voldoende mate voorzien op eigen terrein, waarbij als uitgangspunt geldt dat de bestaande parkeervoorzieningen niet onevenredig mogen worden belast; h. er vindt geen detailhandel plaats, met uitzondering van detailhandel in aan het betreffende beroep gerelateerde producten, waarvoor maximaal 10% van de voor het aan huis verbonden beroep gebruikte oppervlakte mag worden gebruikt; i. buitenopslag en buitenactiviteiten zijn niet toegestaan; j. er mag geen sprake zijn van een onevenredig verkeersaantrekkende werking.

Rho adviseurs voor leefruimte 20181203 14 7 5.4 Afwijken van de gebruiksregels 5.4.1 Afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van aan huis verbonden bedrijven Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 5.3.1 ten behoeve van een aan huis verbonden bedrijf als opgenomen in het overzicht aan huis gebonden beroepen/bedrijven (Bijlage 1 bij deze regels), met dien verstande dat: a. een aan huis verbonden bedrijf uitsluitend wordt uitgeoefend in de woning of in de bijgebouwen; b. de bestaande bouwmogelijkheden mogen niet worden verruimd; c. maximaal in totaal 35% van de toegestane bebouwde oppervlakte wordt gebruikt voor een aan huis verbonden bedrijf, tot een maximum van 25 m², met dien verstande dat niet meer dan 35% van de toegestane bebouwde oppervlakte wordt gebruikt ten behoeve van de in het onderhavige lid genoemde nevenactiviteiten; d. de woonfunctie in overwegende mate wordt gehandhaafd en de verschijningsvorm als woning niet wezenlijk wordt aangetast; e. er mogen maximaal 2 personen werkzaam zijn, waarbij minstens één persoon tevens de bewoner van de woning is; f. het onbebouwde gedeelte van het perceel mag niet worden gebruikt voor beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten, met uitzondering van parkeren; g. er is slechts één reclame-uiting toegestaan met een maximale afmeting van 20 x 30 cm; h.

in de parkeerbehoefte wordt in voldoende mate voorzien op eigen terrein, waarbij als uitgangspunt geldt dat de bestaande parkeervoorzieningen niet onevenredig mogen worden belast; i. er vindt geen detailhandel plaats, met uitzondering van detailhandel in aan het betreffende bedrijf gerelateerde producten, waarvoor maximaal 10% van de voor het aan huis verbonden bedrijf gebruikte oppervlakte mag worden gebruikt; j. bij een aan huis verbonden bedrijf mag geen buitenopslag en mogen geen buitenactiviteiten plaatsvinden. 5.4.2 Afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van detailhandel, kunstnijverheid en/of atelier Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in lid 5.3 ten behoeve van het gebruik van gronden en bouwwerken voor detailhandel, kunstnijverheid en/of atelier als ondergeschikte activiteit, met dien verstande dat: a. de ondergeschikte detailhandel uitsluitend wordt uitgeoefend in de woning of in de bijgebouwen; b. maximaal 35% van de toegestane bebouwde oppervlakte mag worden gebruikt als verkoopruimte en productieruimte, met dien verstande dat niet meer dan 35% van de toegestane bebouwde oppervlakte wordt gebruikt ten behoeve van de in het onderhavige lid en de overige leden onder 5.4 genoemde nevenactiviteiten tezamen; c.

de woonfunctie in overwegende mate wordt gehandhaafd en de verschijningsvorm als woning niet wezenlijk wordt aangetast; d. er maximaal 2 personen werkzaam mogen zijn, waarbij minstens één persoon tevens de bewoner van de woning is; e. de oppervlakte van productiegebonden detailhandel maximaal 10% van het brutovloeroppervlak, tot een maximum van 150 m² mag bedragen; f. etalages niet zijn toegestaan; g. verkoopruimten zijn enkel toegestaan op de begane grond; h. er ten hoogste één gevelreclame-uiting is toegestaan tot een maximum van 20 x 30 centimeter; i. verkoop van producten met veiligheidsrisico's niet zijn toegestaan; j. vrachtverkeer ten behoeve van bevoorrading niet is toegestaan; k. de parkeerbehoefte in voldoende mate wordt voorzien op eigen terrein, waarbij als uitgangspunt geldt dat de bestaande parkeervoorzieningen niet onevenredig mogen worden belast; l. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: 1. de verkeersveiligheid; 2. het woon- en leefklimaat; 3. de milieusituatie; Rho adviseurs voor leefruimte 20181203 14 8 4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. 5.4.3 Afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van verblijfsrecreatie Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in lid 5.3 ten behoeve van verblijfsrecreatie, zoals in de vorm van logiesverstrekking of bed en breakfast, met dien verstande dat: a.

er maximaal 10 slaapplaatsen per bouwperceel worden toegestaan, ten behoeve van een gelijktijdig nachtverblijf van maximaal 10 personen; b. de slaapplaatsen worden gerealiseerd in het hoofdgebouw (de woning); c. de woning waarin de verblijfsrecreatieve voorzieningen worden gerealiseerd, is bewoond door de hoofdbewoner, op het moment dat nachtverblijf wordt verstrekt; d. maximaal 35% van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw voor bed- en breakfastactiviteiten mag worden gebruikt, met dien verstande dat niet meer dan 35% van de toegestane bebouwde oppervlakte wordt gebruikt ten behoeve de in het onderhavige lid en de overige leden onder 5.4 genoemde nevenactiviteiten tezamen; e. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: 1. de verkeersveiligheid; 2. het woon- en leefklimaat; 3. de milieusituatie; 4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; f. uit de noodzakelijke (milieu)onderzoeken blijkt dat de gronden geschikt zijn voor het beoogde gebruik; g. de effecten op de waterhuishouding in beeld zijn gebracht (watertoets), waarbij geldt dat de bestaande waterhuishouding niet mag verslechteren als gevolg van de ontwikkeling; h. in voldoende mate wordt voorzien in de parkeerbehoefte; i. omliggende functies niet worden gehinderd.

Rho adviseurs voor leefruimte 20181203 14 9 Artikel 6 Waarde - Archeologie 2 6.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van archeologische waarden. 6.2 Bouwregels 6.2.1 Omgevingsvergunning voor het bouwen Voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte van meer dan 2.500 m² dient door de aanvrager een aanvullend en/of definitief archeologisch rapport te worden overgelegd waarin naar het oordeel van het bevoegd gezag: a. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgelegd, en; b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd, dan wel: c. in voldoende mate is aangegeven dat de archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, dan wel niet (meer) aanwezig zijn. 6.2.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen Indien uit het in artikel 6.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: a.

de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. 6.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 6.3.1 Vergunningplichtige werken en werkzaamheden Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op de gronden van toepassing zijnde bestemmingen een omgevingsvergunning vereist: a. het ophogen, afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage; b. het verwijderen en/of aanbrengen van bomen en diepwortelende beplanting; c. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; voorzover de ingreep dieper gaat dan 50 cm beneden het maaiveld en een grotere oppervlakte dan 2.500 m² beslaat.

6.3.2 Uitzondering Het bepaalde in 6.3.1 is niet van toepassing, indien: a. door middel van een aanvullend en/of definitief archeologisch onderzoek naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is aangegeven dat de archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, dan wel niet (meer) aanwezig zijn; b. het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; c. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip verleende (omgevings)vergunning/ontheffing mogen worden uitgevoerd; Rho adviseurs voor leefruimte 20181203 15 0 d. de werken en werkzaamheden worden verricht in het kader van een aanvullend of definitief archeologisch onderzoek. 6.3.3 Toetsingscriteria De in 6.3.1 genoemde omgevingsvergunning wordt slechts verleend, mits: a. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgelegd, en; b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd, dan wel: c.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/ec1559a6-4a02-4793-b6a7-681ea1e17f2b?agendaItemId=effba421-4784-416d-b5bf-18720ff5dc10