CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

BP Giethoorn - Uitbreiding Hotel de Harmonie VA02.pdf

Politieke Markt 14 april 2020, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Wijziging bestemmingsplan Giethoorn - Uitbreiding Hotel de Harmonie94.840 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 11

In hoofdstuk 5 is de (verplichte) waterparagraaf opgenomen waarin de watertoets is verwerkt. Het Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDODelta) zal het plan in het kader van het overleg nog- maals beoordelen. Om de waterhuishoudkundige plannen moge- lijk te maken zijn in de horeca- en groenbestemming ook water en waterhuishoudkundige voorzieningen mogelijk gemaakt. === bestemmingsplan Giethoorn - Uitbreiding Hotel de Harmonie BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING (vastgesteld) 61 bestemmingsplan Giethoorn - Uitbreiding Hotel de Harmonie Bijlage 1 Natuurtoets inclusief rapportages stikstofdeposities 62 BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING (vastgesteld) Natuurtoets de Harmonie Giethoorn Gemeente Steenwijkerland Identificatie Planstatus definitief projectnummer: datum: 20 februari 2018 projectleider: opdrachtgever: Gemeente Steenwijkerland auteur(s): ir. H.G. van der Aa 2 3 Inhoud 1. Inleiding 2 1.1. Aanleiding 2 1.2. Leeswijzer 3 2. Toetsingskader 5 2.1. Wet natuurbescherming 5 2.1.1. Gebiedsbescherming 5 Natuurnetwerk Nederland (NNN) 7 2.1.2. Soortenbescherming 7 2.2. Ecologische hoofdstructuur/ Natuurnetwerk 8 2.2.1. Algemeen 8 2.2.2. Externe werking 9 3. Uitgangsituatie 10 3.1. Plangebied 10 3.2. Natura 2000 10 3.3. Natuurnetwerk / EHS 12 3.4. Beschermde soorten 12 4. Het plan 16 5. Effecten 17 5.1. Effecten op Natura 2000 17 5.1.1.

Aanwezige doelsoorten en -habitats 17 5.1.2. Verstoring 17 5.1.3. Vermesting en verzuring 20 5.2. Effecten op het Natuurnetwerk 21 5.3. Effecten op beschermde soorten 21 5.4. Conclusie 22 Bijlage: 1. Bronnen 2. Natuurtoets Ecogroen Advies 3. Quickscan Adviesbureau Mertens 4. AERIUS-berekeningen

2 1. Inleiding 1.1. Aanleiding De beoogde locatie grenst aan het Natura 2000-gebied de Wieden. Dit gebied maakt tevens onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Figuur 1 toont de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000. Ligging plangebied (rood) ten opzichte van Natura 2000 (geel) Ter beoordeling van de kans op de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied zijn in 2012 en 2015 natuurtoetsen op basis van een verkennend veldonderzoek uitgevoerd door Ecogroen Advies respectievelijk Adviesbureau Mertens. Beide natuurtoetsen zijn destijds opgesteld in het licht van de toen vigerende Flora- en faunawet. Per 1 januari 2017 is de soortbescherming geregeld in de Wet natuurbescherming, waarbij de lijst met beschermde soorten enkele wijzigingen heeft ondergaan. Sinds 2017 gelden er per provincie ook verschillende vrijstellingen voor ruimtelijke inrichtingswerkzaamheden. Daarnaast is het thema stikstofdepositie onderhevig aan voortdurende inhoudelijke aanpassingen als gevolg van voortdurende actualisaties van het verplichte rekenprogramma AERIUS Calculator. Een actualisatie van de depositieberekeningen is daarom gewenst.

3 Tenslotte is tegen het bestemmingsplan een zienswijze ingediend waarin onder meer wordt gewezen op bovenstaande punten. Deze zienswijze is mede gebaseerd op het rapport “Second Opinion Natuuronderzoeken t.b.v. bestemmingsplan Giethoorn Uitbreiding Hotel De Harmonie “ van Buiting Advies Natuur en Landschap, december 2017. Concreet benoemen de zienswijze en de second opinion de volgende punten; • Een voortoets Natura-2000 om vast te stellen of en voor welke soorten of habitats een passende beoordeling moet worden uitgevoerd is niet bekend. Het gaat om 9 habitattypen, 12 habitatsoorten en 13 broedvogelsoorten en 12 niet-broedvogelsoorten, waarvoor instandhoudingsdoelen zijn opgesteld. • De AERIUS-calculaties zijn te oud. • M.b.t. de AERIUS -calculatie is in het bestemmingplan het verdwijnen van depositie door gebruik als agrarische grond meegenomen. Was er nog concreet sprake van bemesting de laatste jaren? De actuele werkelijke situatie dient uitgangspunt te zijn bij de berekening." • De soortbescherming is getoetst aan de Flora- en faunawet. Inmiddels is de Wet natuurbescherming in werking getreden met onder andere een wijziging van beschermde soorten. • Indien beschermde vissen aanwezig zijn (b.v.

grote modderkruiper) kan niet op voorhand worden uitgesloten dat bij werkzaamheden aan de watergangen een beschermde voortplantings- of rustplaats (de functionele watergang) wordt beschadigd; • De onderbouwing voor de afwezigheid van geschikt habitat van platte schijfhoren in de watergang ontbreekt. In de voorliggende natuurtoets wordt op alle bovenstaande punten ingegaan en worden de voorgaande ecologische toetsingen uit 2012 en 2015 waar nodig geactualiseerd. Ten aanzien van de effecten op Natura 2000 kan deze natuurtoets worden beschouwd als een voortoets in het kader van de Wet natuurbescherming. 1.2. Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt het toetsingskader voor deze natuurtoets beschreven. Hoofdstuk 3 gaat in op uitgangssituatie en de actuele natuurwaarden op de beoogde locaties. In hoofdstuk 4 wordt de ingreep beschreven waarna in hoofdstuk 5 een inhoudelijke beschrijving van de ecologische effecten plaatsvindt. 4 Foto-impressie locatie

5 2. Toetsingskader 2.1. Wet natuurbescherming Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier - en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. 2.1.1. Gebiedsbescherming In Nederland hebben diverse natuurgebieden een beschermde status onder de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) . Daarbij zijn twee soorten beschermingen te onderscheiden: - Natura 2000-gebieden; - Bijzondere nationale natuurgebieden. Natura 2000-gebieden Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel - en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Voor Nederland gaat het om ruim 160 gebieden. Alle Natura 2000-gebieden liggen binnen het Nationaal Natuurnetwerk. In het aanwijzingsbesluit staat welke doelen Nederland nastreeft voor een bepaald gebied, bijvoorbeeld welke planten en dieren bescherming verdienen. Vervolgens komt er in nauw overleg met betrokken partijen een beheerplan, waarin onder andere staat beschreven welke maatregelen nodig zijn om de doelen te behalen.

Bijzondere nationale natuurgebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) kan buiten de gebieden die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden Natura 2000, ook bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen wanneer deze zijn opgenomen op een lijst als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn of onderwerp zijn van een procedure als bedoeld in artikel 5 van de Habitatrichtlijn. De beschermende werking die geldt voor gebieden die behoren tot Natura 2000, geldt in dat geval ook voor het bijzondere nationaal natuurgebied. Wettelijk kader De Wnb - verankert de Europese gebiedsbescherming van Natura 2000, bestaande uit Speciale Beschermings - zones (SBZ's) op grond van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, in de Nederlandse wetgeving; - vormt de wettelijke basis voor de aanwijzingsbesluiten met instandhoudingsdoelstellingen; - legt de rol van bevoegd gezag voor verlening van vergunningen meestal bij de provincies. Voor Natura 2000-gebieden gelden onder meer de volgende verplichtingen. - De overheid dient ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert. Tevens mag er geen verstoring optre- den voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen.

- Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het ge - bied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan 6 hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het ge- bied. Bevoegde nationale instanties geven slechts toestemming voor het plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast. - Als een plan of project om dwingende reden van groot openbaar belang toch moet worden gereali - seerd, terwijl significant negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, moeten alle nodige compenserende maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Europees ecologisch netwerk (Natura 2000) bewaard blijft. In artikel 2.,7, eerste lid, van de Wnb is de habitattoets voor het vaststellen van een bestemmingsplan neergelegd. Artikel 2.7, eerste lid, van de Wnb luidt als volgt: Een bestuursorgaan stelt een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, uitsluitend vast indien is voldaan aan artikel 2.8, met uitzondering van het negende lid. Artikel 2.8 van de Wnb luidt als volgt: 1.

Voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of een project als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onderdeel a, maakt het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 20 00-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied. 2. In afwijking van het eerste lid hoeft geen passende beoordeling te worden gemaakt, ingeval het plan of het project een herhaling of voortzetting is van een ander plan, onder scheidenlijk project, of deel uitmaakt van een ander plan, voor zover voor dat andere plan of project een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren over de significante gevolgen van dat plan of project. 3. Het bestuursorgaan stelt het plan uitsluitend vast, en gedeputeerde staten verlenen voor het project, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend een vergunning, indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. 4. In afwijking van het derde lid kan, ondanks het feit dat uit de passende beoordeling de vereiste zekerheid niet is verkregen, het plan worden vastgesteld, onderscheidenlijk de vergunning worden verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a.

er zijn geen alternatieve oplossingen; b. het plan, onderscheidenlijk het project, bedoeld in het eerste lid, is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en c. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. 5. Ingeval het plan, onderscheidenlijk het project, bedoeld in het eerste lid, significante gevolgen kan hebben voor een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort in een Natura 2000-gebied, geldt, in afwijking van het vierde lid, onderdeel b, de voorwaarde dat het plan, onderscheidenlijk het project nodig is vanwege: a. argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijk gunstige effecten, of b. andere dwingende redenen van openbaar belang, na advies van de Europese Commissie. 6. Een advies van de Europese Commissie als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel b, wordt door de Minister gevraagd. Het bestuursorgaan, onderscheidenlijk gedeputeerde staten doen daartoe een verzoek aan de Minister. 7. Compenserende maatregelen als bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, maken onderdeel uit van het plan, onderscheidenlijk de verplichting om deze maatregelen te treffen maakt onderdeel uit van de vergunning voor het project, bedoeld in het eerste lid.

Het bestuursorgaan dat het plan vaststelt meldt, onderscheidenlijk gedeputeerde staten melden de 7 compenserende maatregelen aan Onze Minister, die de Europese Commissie van de maatregelen op de hoogte stelt. 8. Ingeval een compenserende maatregel voorziet in de ontwikkeling of verbetering van leefgebieden voor vogels, natuurlijke habitats of habitats voor soorten buiten een Natura 2000 - gebied, draagt Onze Minister ervoor zorg dat deze leefgebieden of habitats een Natura 2000 - gebied, of een onderdeel van een Natura 2000-gebied worden. Een passende beoordeling is verplicht als een plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor de betrokken Natura 2000 -gebieden.1) Voor de in- schatting van de effecten die een plan kan hebben, moet de significantie worden beoordeeld in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied, die voor kwalificerende soorten en habitats zijn geformuleerd. Als niet op grond van objectieve gegevens op voorhand significante gevolgen op een Natura 2000-gebied zijn uitgesloten, moet een passende beoordeling worden gemaakt. 2) In de passende beoordeling worden de effecten op Natura 2000-gebieden nader onderzocht.

Vervolgens kan een bestemmingsplan slechts worden vastgesteld indien is verzekerd dat ook bij een maximale invulling van het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet worden aangetast. Wat is significant? Het begrip significant speelt een sleutelrol bij het beoordelen van de vergunbaarheid van een ingreep in het kader van de Wet natuurbescherming. In de factsheet nr. 25: “‘Significantie’ bij beoordeling van gevolgen voor Natura 2000-gebieden” geeft de Commissie voor de Milieueffectrapportage aan op welke wijze het begrip signifi cantie moet worden geïnterpreteerd bij een dergelijke toetsing. De beoordeling of een effect al dan niet significant is, wordt benaderd vanuit de instandhoudingsdoelstellingen. Deze zijn vastgelegd in de aanwijzingsbesluiten voor de Natura 2000-gebieden. Er zijn instandhoudingsdoelstellin- gen voor habitattypen en voor soorten. - Voor habitattypen gaat het om behoud of uitbreiding van de oppervlakte en/of behoud of verbetering van de kwaliteit. - Voor soorten gaat het om behoud of uitbreiding van de oppervlakte van het leefgebied, behoud of verbete- ring van de kwaliteit van het leefgebied en behoud of uitbreiding van de populatieomvang. Als uit de Passende beoordeling blijkt dat een instandhoudingsdoel door het project of plan (mogelijk) niet gehaald wordt, wordt het effect als significant beschouwd.

Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het ‘nee, tenzij’ principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden (zie ook par 2.2). 2.1.2. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: a. soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; b. soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; en c. de bescherming van overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hie rna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren.

GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. 1) Art. 2.8, tweede lid, van de Wnb. 2) ABRvS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421. 8 Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Voor de Europees beschermde soorten (Vogel - en Habitatrichtlijn) is er overigens geen beleidsruimte en blijft de bescherming onveranderd. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Overijssel In de provincie Overijssel wordt vrijstelling v erleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen.

In het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van een aantal soorten genoemd in bijlage 7.4.I bij de verordening. Het betreft aardmuis, bosmuis, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, her melijn, huisspitsmuis, konijn, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Ten aanzien van bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker geldt dat tevens vrijstelling wordt verleend in het belang van de bescherming van wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats. 2.2. Ecologische hoofdstructuur/ Natuurnetwerk 2.2.1. Algemeen Het Nationaal Natuurnetwerk (NNN), de opvolger van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden.

De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. De rechtstreekse werking van de EHS vindt plaats door de toetsing van bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor het afwijken van bestemmingsplannen aan het EHS-beleid. Hoewel inmiddels wordt gesproken van NNN luidt titel 2.10 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) ‘Ecologische hoofdstructuur’. Het Rijk heeft het algemene EHS -beleid in het Barro vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 Barro moeten provincies bij provinciale verordening (in dit geval een Structuurvisie) de EHS-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de EHS aan. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Op grond van artikel 2.10.4 Barro geldt er een algemeen beschermingsregime voor EHS- gebieden. Dit algemene regime bestaat eruit dat er geen toestemming mag worden verleend aan activiteiten die per saldo leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden of tot een significante vermindering van de oppervlakte van of samenhang tussen die gebieden.

Toestemming voor dergelijke activiteiten kan wel worden gekregen indien (1) er sprake is van een groot openbaar belang, (2) er geen reële alternatieven zijn en (3) de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden, de oppervlakte en de samenhang worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. Of en in welke mate een ingreep van invloed is op het functioneren van de EHS wordt bepaald door het effect op de vastgelegde wezenlijke kenmerken en waarden voor het betreffende deel van de EHS. Een definitie voor wez enlijke kenmerken en waarden is te vinden in de Nota Ruimte (2004, p.114): “de wezenlijke kenmerken en waarden zijn de actuele en potentiële waarden, gebaseerd op de natuurdoelen van het gebied. Het gaat daarbij om: de bij het gebied behorende natuurdoelen en – kwaliteit, geomorfologische en aardkundige waarden en processen, de waterhuishouding, de kwaliteit van bodem, water en lucht, rust, stilte, donkerte en openheid, de landschapsstructuur en de belevingswaarde”. 9 Het Natuurnetwerk aan de oostzijde valt grotendeels samen met Natura 2000 met de toevoeging dat ook de watergang langs de rand (de Dorpsgracht) en enkele sloten die daar haaks op staan ook onderdeel uitmaken van het NNN. Ligging ten opzichte van Natuurnetwerk 2.2.2.

Externe werking De externe werking vindt zijn grondslag in de Habitatrichtlijn en de Wet n atuurbescherming en vloeit onmiddellijk voort uit de verplichting tot het behouden of brengen in een 'gunstige staat van instandhouding' van het habitattype of een soort. Ook indien een ingreep geheel buiten Natura 2000 plaatsvindt moeten de effecten op dit Natura 2000-gebied dus wel worden beoordeeld. De EHS/NNN kent geen externe werking. De Minister van LNV heeft in 2008 in een brief aan de Tweede Kamer geschreven dat ingrepen buit en de EHS niet hoeven te worden beoordeeld op hun effecten voor de wezenlijke kenmerken en waarden binnen de EHS (TK 29576, nummer 12 en 52). Deze brief vloeide voort uit de Nota Ruimte.

10 3. Uitgangsituatie 3.1. Plangebied Hotel de Harmonie ligt in een ruim opgezet bebouwingslint aan de Beulakerweg. Dit bebouwingslint bestaat hoofdzakelijk uit woonhuizen . Daarnaast zijn enkele kleinschalige bedrijven aanwezig. Het hotel staat op een ruime kavel. De bebouwing is geclusterd in de zuidwestelijke hoek. Voor op het perceel ligt het restaurant waarachter de hotelkamers in twee gekoppelde gebouwen zijn ondergebracht. Naast deze bebouwing (zuidelijk) staat een aangebouwde bedrijfswoning. Ten noorden van het bebouwingscluster ligt een parkeerterrein. Hier is ruimte voor 28 parkeerplaatsen. Het hotel is dan ook sterk gericht op het water en op het natuurgebied. De hotelgasten kunnen fietsen en boten huren en er worden rondvaarten verzorgd voor voornamelijk hotelgasten. Aan de achterzi jde van de gebouwen ligt een insteekvaart. Hier is ten behoeve van de bootverhuur een laag boothuis aanwezig. Er zijn 15 boten (sloepen en fluisterboten) voor 4 tot 6 personen aanwezig ten behoeve van de verhuur die hoofdzakelijk aan hotelgasten worden verhuurd. Tevens liggen hier rondvaartboten. Het noordelijke deel bestaat uit grasland met aan de wegzijde enkele eiken en aan de Dorpsgracht enkele essen, zwarte elzen en gewone vlieren. In het noorden grenst het plangebied aan een sloot, die met de Dorpsgracht in verbinding staat.

Het zuidelijke en noordelijke deel van het plangebied worden van elkaar gescheiden door een beukenhaag. 3.2. Natura 2000 De instandhoudingsdoelen voor het nabijgelegen Natura 2000- gebied De Wieden zijn weergegeven in onderstaande tabel: Tabel 3.1 Instandhoudingsdoelen de Wieden Habitattypen SVI Landelijk Doelst. Opp.vl. Doelst. Kwal. Doelst. Pop. Draagkracht aantal ex. H3140 - Kranswierwateren -- > > H3150 - Meren met krabbensch. en fonteinkruiden - > > H4010B - Vochtige heiden (laagveengebied) - > > H6410 - Blauwgraslanden -- > > H6430A - Ruigten en zomen (moerasspirea) + = = H7140A - Overgangs- en trilvenen (trilvenen) -- > = H7140B - Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) - = = H7210 - *Galigaanmoerassen - > > H91D0 - *Hoogveenbossen - = > Habitatsoorten H1016 - Zeggekorfslak -- = = = 11 H1042 - Gevlekte witsnuitlibel -- > > > H1060 - Grote vuurvlinder -- > > > H1082 – Gestr.

waterroofkever -- > > > H1134 - Bittervoorn - = = = H1145 - Grote modderkruiper - = = = H1149 - Kleine modderkruiper + = = = H1163 - Rivierdonderpad - = = = H1318 - Meervleermuis - = = = H1393 - Geel schorpioenmos -- > > > H1903 - Groenknolorchis -- = = = H4056 - Platte schijfhoren - = = = Broedvogels A017 - Aalscholver + = = 1000 A021 - Roerdomp -- = = 30 A029 - Purperreiger -- = = 65 A081 - Bruine Kiekendief + = = 19 A119 - Porseleinhoen -- = = 19 A122 - Kwartelkoning - > > 13 A153 - Watersnip -- = = 150 A197 - Zwarte Stern -- > > 200 A229 - IJsvogel = = 10 A275 - Paapje -- > > 6 A292 - Snor -- = = 300 A295 - Rietzanger - = = 2000 A298 - Grote karekiet -- > > 20 Niet-broedvogels A005 - Fuut - = = 110 A017 - Aalscholver + = = behoud A037 - Kleine Zwaan - = = 8 A041 - Kolgans + = = 3800 A043 - Grauwe Gans + = = 1100 A050 - Smient + = = 500 A051 - Krakeend + = = 150 A059 - Tafeleend -- = = 210 A061 - Kuifeend - = = 430 A068 - Nonnetje - = = 30 A070 - Grote Zaagbek -- = = 20 A094 - Visarend + = = 2 Verklaring symbolen Staat van instandhouding (SVI) Doelstellingen + redelijk - slecht - - zeer slecht = behoud > Verbetering/uitbreiding = (<)achteruitgang ten gunste van ander habitattype of soort toegestaan 12 3.3.

Natuurnetwerk / EHS Het aangrenzende Natuurnetwerk is onderverdeeld in verschillende natuurbeheertypen (zie figuur 4) Ligging ten opzichte van Natuurnetwerk Omdat de ontwikkelingen binnen en op korte afstand van het Natuurdoeltype Zoete plas plaatsvinden, wordt onderstaand een korte beschrijving gegeven van dit Natuurbeheertype. Beschrijving Natuurbeheertype Zoete plas Zoete plassen komen vooral voor in het lage deel van Nederland. Het gaat om grote en kleine wateren met voedselrijk, vrij helder, (vrijwel) stilstaand water, waarin waterplanten groeien en verlanding vanaf de oever plaatsvindt. In de diepste delen komen ondergedoken grote fonteinkruiden voor, wat ondieper staan waterplanten met grote drijvende bladen zoals witte waterlelie en gele plomp. De ondergedoken watervegetaties kunnen bestaan uit kranswieren. In ondiep water komen waterplanten als krabbenscheer en groot blaasjeskruid voor. De oevers bestaat uit drijftillen met grote zeggen of riet- en biezenkragen. Zoete plas is van grote betekenis als leefgebied voor libellen, kokerjuffers en waterplanten (Natuurbeheer.nu 2009). 3.4. Beschermde soorten Ter beoordeling van de kans op de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied zijn in 2012 en 2015 natuurtoetsen op basis van een verkennend veldonderzoek uitgevoerd door Ecogroen Advies respectievelijk Adviesbureau Mertens.

Deze natuurtoetsen zijn opgenomen als bijlage 2 en 3 bij de voorliggende geactualiseerde natuurtoets. Op basis van de beide natuurtoetsen zijn de conclusies per beschermde soortgroep als volgt: Flora 2012 Op het noordelijke perceel kenmerkt de vegetatie zich als grasland van matig tot voedselrijke omstandigheden. In het water van de sloot aan de noordkant van het plangebied en de Dorpsgracht N04.02 Zoete Plas N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland N05.01 Moeras 13 werden soorten als witte waterlelie, gele plomp, drijvend fonteinkruid, pijlkruid en krabbenscheer aangetroffen. Langs de oevers groeien riet, pitrus, gele lis, liesgras en grote egelskop. Mogelijk komt in de oevers ook gewone dotterbloem voor. Andere beschermde of bedreigde zijn niet aangetroffen en worden ook niet verwacht op basis van de aangetroffen vegetatie en groeiplaatsomstandighede n. 2015 Gedurende het verkennend veldonderzoek zijn op het weiland geen beschermde plantensoorten vastgesteld. De oostelijke sloot herbergt geen water- of moerasplanten. In de sloot grenzend aan het noordelijk deel van het plangebied groeit wel krabbenscheer. De ondergroei in deze slootkanten is tevens het pioniersstadium niet ontgroeid, waardoor ook in dit deelgebied beschermde plantensoorten zijn uit te sluiten.

Vogels 2012 Broedbiotoop is aanwezig voor vogels van bos en struweel en bebouwing zoals merel, winterkoning, koolmees, witte kwikstaart en spreeuw. In de watergangen kunnen enkele algemeen voorkomende soorten voorkomen als wilde eend, waterhoen of meerkoet. Het grasland is door de ligging langs de weg en bij opgaande beplanting, bebouwing en parkeerterrein niet geschikt voor weidevogels. Tijdens het veldbezoek is een roepend mannetje huismus waargenomen op de nok aan de achterzijde van het hotel. Dit territorium-indicerend gedrag duidt op de aanwezigheid van een nest in het gebouw. Deze nestlocatie blijft echter behouden, waardoor geen negatieve effecten op de huismus verwacht worden. Op het graslandperceel staat een nestpaal voor ooievaars. Deze nestpaal is nog niet gebruikt als nestplaats. Binnen de beoogde ontwikkeling blijft de nestpaal behouden. In het deel van het plangebied waar de nestpaal staat, zal de rust in de toekomstige situatie gehandhaafd blijven. Overige broedvogels waarvan de nesten onder de Flora- en faunawet jaarrond beschermd waren, worden niet broedend verwacht binnen het plangebied (in de Wet natuurbescherming per 1 januari 2017 worden jaarrond beschermde nesten niet genoemd). 2015 In de haag komen broedvogels voor en langs en in het water kunnen waterhoen en meerkoet broeden.

Geschikte mogelijkheden voor gebouwbewonende vogels zoals huismus en gierzwaluw ontbreken. Gedurende het verkennend onderzoek zijn geen (oude) nesten aangetroffen van vogels met vaste rust - en verblijfplaatsen zoals sperwer. In verband met het voorkomen van deze algemene broedvogels is het noodzakelijk dat wordt gewerkt buiten het broedseizoen of op een manier dat vogels niet tot broeden komen. Grondgebonden zoogdieren 2012 Het onderzoeksgebied vormt alleen het leefgebied van enkele algemeen voorkomende soorten als e gel, veldmuis, bosmuis en rosse woelmuis. Mogelijk wordt het ook incidenteel gebruikt als foerageergebied door haas of steenmarter. Omdat het echter alleen gaat om incidenteel foerageergebied is dit niet wettelijk beschermd. Voor de genoemde soorten (m.u.v. steenmarter) geldt bovendien een vrijstelling van de wet. Nergens vormt het plangebied of de aangrenzende watergangen geschikt leefgebied voor de strikt beschermde waterspitsmuis, waardoor aanwezigheid van deze soort uitgesloten kan worden. Schade aan de algemene en licht beschermde zoogdieren kan – indien de planning van de werkzaamheden dit toelaat - geminimaliseerd worden door werkzaamheden zoveel mogelijk uit te voeren buiten de voortplantingsperiode (maart tot augustus). 2015 14 Het is mogelijk dat mol, bosmuis en huisspitsmuis voorkomen.

Voor deze algemene soorten bestaat een algemene vrijstelling van de Flora- en faunawet. De aanwezigheid van matig of zwaar beschermde soorten wordt, gelet op de aanwezige ecotopen en de ligging uitgesloten. Voor waterspitsmuis is het gebied bijvoorbeeld ongeschikt doordat er onvoldoende dekkende vegetatie is. Vleermuizen 2012 Het plangebied is slechts beperkt geschikt voor vleermuizen en zal alleen incidenteel dienen als foerageergebied. De aangrenzende Dorpsgracht en de opgaande lijnvormige beplanting langs de Dorpsgracht en de Beulakerweg kunnen wel een functie hebben als foerageergebied of vliegroute. Door de soort bomen en de leeftijd wordt niet verwacht dat hier verblijfplaatsen aanwezig zijn. De huidige bebouwing blijft behouden. Op de locatie waar de aanbouw plaats vindt , zijn geen invliegopeningen, waardoor vaste verblijfplaatsen hier kunnen worden uitgesloten. Geconcludeerd wordt dan ook dat geen negatieve effecten zullen optreden op verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermui zen. Wanneer de lichtintensiteit ter hoogte van de Dorpsgracht niet boven de 0,5 Lux uitkomt, zullen negatieve effecten optreden op mogelijk aanwezige vliegroutes of foerageergebieden van vleermuizen. 2015 De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen zoals kolonie-, paar- en overwinteringsplaatsen kan worden uitgesloten.

In het deel van hotel – restaurant Harmonie waar de uitbreiding zal plaats vinden zijn namelijk geen mogelijkheden voor vleermuizen om te verblijven. In de bomen in het oostelijk deel en rond het plangebied (bijvoorbeeld langs de weg) zijn daarnaast geen geschikte openingen voor boombewonende vleermuizen aangetroffen gedurende het verkennend onderzoek op 9 september 2015. Effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen derhalve worden uitgesloten. Gelet op het feit dat er in potentie geen verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen zijn in de bebouwing en bomen, zijn de daaraan gekoppelde vliegroutes eveneens uit te sluiten. Het is daarnaast uitgesloten dat er een vleermuisvliegroute in het gebied aanwezig is doordat binnen het plangebied geen opgaande doorgaande elementen zijn die een route tussen foerageergebied en zomerverblijfplaatsen kunnen vormen. Effecten op vliegroutes kunnen derhalve worden uitgesloten. De aanwezigheid van migratieroutes wordt uitgesloten omdat grootschalige landschapselementen zoals dijken en rivieren niet aansluiten op het plangebied. Met de realisatie van de plannen zal het gebied gedeeltelijk worden omgezet in natuur en water dat een nieuw foerageergebied zal vormen. Negatieve effecten op de foerageermogelijkheden van vleermuizen kunnen derhalve worden uitgesloten.

Amfibieën 2012 Tijdens het veldbezoek zijn in de sloot ten noorden van het plangebied algemene beschermde amfibiesoorten aangetroffen (bastaardkikker en kleine watersalamander). Daarnaast worden ook de laag beschermde Bruine kikker en Gewone pad verwacht. Ondanks intensieve bemonstering van de watergangen zijn geen zwaar beschermde amfibieën als poelkikker en heikikker aangetroffen. Strikt beschermde amfibieën worden op basis van het ontbreken van geschikt leefgebied ook niet verwacht. 2015 Ter plaatse van het plangebied (niet het verharde deel), kunnen licht beschermde soorten voorkomen in lage dichtheid zoals gewone pad. Het voorkomen van zwaar beschermde soorten wordt uitgesloten op basis van aanwezige ecotopen en de verspreiding van zwaar beschermde amfibieën. De natuur - en waterontwikkeling kan hierin wel verandering in brengen. Het gebied wordt hierdoor geschikter voor amfibieën. Negatieve effecten op amfibieën worden derhalve uitgesloten. 15 Vissen 2012 Tijdens het veldbezoek zijn algemene vissoorten snoek, zeelt en kleine modderkruiper aangetroffen. Ondanks intensieve bemonstering van deze sloot zijn geen andere, strikt beschermde soorten als g rote modderkruiper of bittervoorn aangetroffen. Binnen deze sloot kunnen deze soorten dan ook worden uitgesloten. 2015 Met de realisatie van de plannen wordt meer oppervlaktewater gerealiseerd met natuurvriendelijke oevers.

Dit komt ten goede aan (beschermde) vissen. Negatieve effecten op vissen worden derhalve uitgesloten. Reptielen en ongewervelden 2012 Tijdens de inventarisatie zijn geen beschermde soorten uit andere soortgroepen (reptielen en ongewervelden) aangetroffen. Omdat uit het nabij gelegen natuurgebied de beschermde soorten groene glazenmaker, gevlekte witsnuitlibel, noordse winterjuffer en ringslang bekend zijn, kan niet worden uitgesloten dat zwervende exemplaren van deze soorten incidenteel de locatie aandoen. In het plangebied ontbreken voor deze soorten echter geschikte voortplantings- en overwinteringslocaties, waardoor eventuele negatieve effecten op deze soorten niet aan de orde zijn. De gestreepte waterroofkever en platte schijfhoren zijn eveneens bekend uit het nabij gelegen natuurgebied. Gezien het ontbreken van geschikt biotoop en het intensieve veldonderzoek - waarbij beide soorten niet zijn aangetroffen - worden gestreepte waterroofkever en platte schijfhoren niet in het plangebied verwacht. 2015 Gezien de huidige inrichting ten opzichte van de verspreiding van reptielen, de ligging en de aanwezige ecotopen (weiland) kan de aanwezigheid van reptielen worden uitgesloten Gezien de huidige aanwezige ecotopen kan de aanwezigheid van beschermde geleedpotigen en mollusken (o.a. brede geelgerande waterroofkever en zeggekorfslak) eveneens worden uitgesloten.

Conclusies in het licht van de Wet natuurbescherming Beide vorige natuurtoetsen zijn destijds opgesteld in het licht van de toen vigerende Flora- en faunawet. Per 1 januari 2017 is de soortbescherming geregeld in de Wet natuurbescherming, waar bij de lijst met beschermde soorten belangrijke wijzigingen heeft ondergaan. Vele soorten planten, vissen en dagvlinders zijn per 2017 niet meer beschermd. Enkele nieuwe soorten planten, dagvlinders libellen zijn per 2017 aan de lijst met beschermde soorten toegevoegd. Het betreft echter zonder uitzondering (zeer) zeldzame soorten met bijzondere biotoopeisen waaraan het plangebied niet voldoet. De aanwezigheid van deze bijzondere soorten zou bij eerdere ecologische onderzoeken in 2012 en 2015 ongetwijfeld zijn vermeld door de onderzoekers, ongeacht de al dan niet beschermde status. De aanwezigheid van deze nieuw beschermde soorten in het plangebied wordt daarom geheel uitgesloten. 16 4. Het plan De ontwikkeling betreft het uitbreiden van het hotel ter plaatse van het agrarisch grasland ten noorden van de huidige bebouwing. Het plan gaat uit van de realisatie van een vrijstaand gebouw dat middels een corridor wordt aangesloten op het bestaande hotel. Hierin worden maximaal 27 hotelkamers ondergebracht, waarmee het totale aantal hotelkamers op 43 komt.

Van een uitbreiding van bijbehorende faciliteiten, zoals extra botenverhuur en dergelijke, is geen sprake. Aan de noordzijde worden verder 69 parkeerplaatsen gerealiseerd. Op het overloopterrein wordt r uimte geboden aan nog eens 30 parkeerplaatsen. Grenzend aan de achterzijde van het hotel vindt (dag)recreatief medegebruik plaats dat aansluit op het groene en waterrijke karakter van de omgeving (o.a. aanleggelegenheid). De oostelijke rand van het terrein wordt ingericht als een brede groene strook, zonder bouwwerken, als een geleidelijke overgang naar het achterliggende natuurgebied. Vanaf de Dorpsgracht wordt een nieuwe sloot met natuurvriendelijke oevers gegraven. De oeverbescherming langs de Dorpsgra cht zal worden verwijderd, waarna de oevers van de dorpsgracht natuurvriendelijk worden ingericht. Ten behoeve van de plannen worden enkele groenstructuren verwijderd. Bebouwing wordt niet gesloopt Langs de noordzijde wordt een nieuwe groenstrook gerealise erd. Figuur 5 toont de beoogde inrichting van het plangebied. Beoogde inrichting

17 5. Effecten 5.1. Effecten op Natura 2000 Op basis van de verspreiding van habitats en soorten, de effectenindicator (Broekmeyer 2005, 2010; ministerie van LNV 2008a; ministerie van EL&I 2011) en de aard en omvang van het voorliggende project, is beoordeeld welke mogelijke effecten op het Natura 2000-gebied De Wieden kunnen optreden. De beoogde ontwikkeling vindt buiten Natura 2000 plaats. Op voorhand kan daarom worden geconcludeerd dat het plan niet zal leiden tot areaalverlies of versnippering binnen beschermde gebieden. Ook aanpassing van de waterhuishouding binnen Natura 2000 is niet aan de orde. Verstoring in de aanlegfase zal mogelijk optreden als gevolg van bouwwerkzaamheden. Daarnaast is vermesting en verzuring als gevolg van extra stikstofdepositie door extra verkeersemissies in de gebruiksfase niet op voorhand uitgesloten. Verstoring door verlichting, geluid, beweging of recreatiedruk is eveneens mogelijk. Deze potentiële effecten worden daarom hieronder nader uitgewerkt. 5.1.1. Aanwezige doelsoorten en -habitats In de directe omgeving van het plangebied zijn geen kwalificerende habitattypen bekend (Provincie Overijssel 2012). Ook uit de veldinventarisatie blijkt dat geen habitattypen binnen het plangebied of aangrenzende percelen aanwezig zijn.

Het meest nabijgelegen habitattype betreft H6430A Ruigten en zomen (moerasspirea) op een afstand van 160 meter van het plangebied. In de sloot ten noorden van het plangebied komt de kleine modderkruiper voor . Daarnaast is in de Dorpsgracht de aanwezigheid van b ittervoorn en mogelijk p latte schijfhoren en gestreepte waterroofkever te verwachten. Mogelijk fungeert de Dorpsgracht als foerageergebied of migratieroute voor de meervleermuis. Voor overige soorten geldt dat binnen het plangebied of in de directe omgeving geen geschikt leefgebied of groeiplaats aanwezig is. Binnen het plangebied ontbreekt geschikt biotoop voor de aangewezen broedvogels. Aan de overzijde van de Dorpsgracht broeden mogelijk rietzanger en snor (Van der Valk et al. 2009). Overige kwalificerende broedvogelsoorten worden op basis van het ontbreken van geschikt biotoop en bekende verspreidingsgegevens (Van der Valk et al. 2009) binnen de invloedsfeer van het plan uitgesloten. Ook voor kwalificerende niet-broedvogels geldt dat zowel het plangebied als het omliggend gebied niet geldt als belangrijk leef- en/of foerageergebied (Van der Valk et al. 2009). 5.1.2. Verstoring Aanlegfase Voor vogels van open landschappen geldt een verstoringsdrempel van 47 dB(A) (bron: Reijnen, 1992). In tabel 5.1 is de ligging van deze 47 dB(A)-contour aangegeven voor verschillende bouwwerkzaamheden.

18 Tabel 5.1 Ligging 47 dB(A)-contour bouwwerkzaamheden Activiteit Afstand 47 dB(A)- contour (m) Geluidarm aggregaat 70 Geluidarme pomp (elektrisch) 48 Compressor 128 Ontgraven met 1 graafmachine 171 12 vrachtwagens. per uur (24 bewegingen) 14 30 vrachtwagens. per uur (60 bewegingen) 35 bron: www.AV-consulting.nl Maatgevend voor de mate van verstoring is het graven van de nieuwe watergangen . De maximale 47 dB(A)-contour die hiermee samenhangt is weergegeven in figuur 6. Maximale 47 dB(A)-verstoringscontour vogels a.g.v. graafwerkzaamheden (rode cirkel) Uit bovenstaande figuur blijkt dat de 47 dB( A)-contour deels overlapt met Natura 2000 (circa 4,5 ha). Op het totale areaal van dit Natura 2000-gebied (9018 ha) is dit verstoorde areaal zeer gering (0,05%). Binnen het verstoorde areaal broeden mogelijk de kwalificerende vogelsoorten snor en rietzanger. Door de werkzaamheden buit en het broedseizoen uit te voeren wordt verstoring van broedende vogels op voorhand voorkomen. V oor kwalificerende niet -broedvogels geldt dat zowel het plangebied als het omliggende gebied niet geldt als belangrijk leef- en/of foerageergebied (Van der Valk et al. 2009). In de aangrenzende watergang komen verder enkele kwalificerende vissoorten en mogelijk platte schijfhoren en gestreepte waterroofkever voor.

Volgens de effectenindicator (ministerie van EZ) zijn alleen de vissoorten gevoelig voor geluid. Het geluid van de graafwerkzaamheden beïnvloedt de vissen alleen voor zover deze werkzaamheden direct de bestaande watergang raken. Door bij het graafwerk pas als laatste de doorsteek te maken naar de bestaande watergang blijft de verstoring van vissen beperkt tot slechts enkele uren. Mede gezien het

19 relatief zeer geringe verstoorde areaal en de ruime mogelijkheden voor de vissen om tijdelijk uit te wijken is het verstoringseffect verwaarloosbaar klein. De aanlegwerkzaamheden zullen verder bij daglicht pla atsvinden, zodat de kwalificerende soort meervleermuis niet wordt beïnvloedt. Bij uitvoering in de wintermaanden zal mogelijk in de schemering bij kunstlicht moeten worden gewerkt. Vleermuizen zijn dan echter ver buiten het plangebied in winterslaap. Gebruiksfase In tabel 5.2 en figuur 7 is de verkeerstoename als gevolg van de beoogde ontwikkeling per wegvak weergegeven op basis van CROW -kencijfers (‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, 2012). De totale verkeerstoename bedraagt 74 mvt/etm. De Beulakerweg-noord ligt als enige wegvak direct naast Natura 2000. Tabel 5.2 Verkeersgegevens huidige situatie en toekomstige situatie (intensiteiten in mvt/etmaal) Wegvak Huidige intensiteit Intensiteit 2027 excl.

ontwikkeling Toename door ontwikkeling Toename % Beulakerweg noord 634 (2011) 743 4 0,5% Beulakerweg zuid 801 (2013) 921 7 0,8% Beulakerweg west-oost* 200 (2015) 225 63 28,0% N334 noord 3.960 (2014) 4.507 33 0,7% N334 zuid 3.960 (2014) 4.507 30 0,7% * tussen N334 en Beulakerweg Toekomstige verkeersafwikkeling vanuit plangebied Uit de praktijk van vele akoestische berekeningen blijkt dat een verkeerstoename van 25% niet leidt tot een toename van 1,5 dB of hoger, onafhankelijk van de hoogte van de verkeers intensiteit (bron: Rho Adviseurs). Een toename kleiner dan 1,5 dB is niet hoorbaar voor het menselijk oor en evenmin voor het gehoor van vogels dat aanzienlijk slechter is dan dat van men sen (bron: Alterra -rapport 1482). De verkeerstoename naast Natura 2000 van circa 0,5% op de Beulakerweg -noord leidt dus tot een geluidstoename van (veel) minder dan 1 dB(A) en is derhalve verwaarloosbaar (onhoorbaar) klein. Alleen voor het wegvak Beulakerweg west -oost is er een verkeerstoename groter dan 25%. Dit wegvak ligt op 100 tot 300 meter van Natura 2000 en kent in de toekomstige situatie een verkeersintensiteit van 288 mvt/etm. Bij verkeersintensiteiten lager dan 2000 mvt/etm is er volgens Reijnen 1992 geen sprake van verstoring van vogels in open landschappen. Ter indicatie; de effe ctafstand bij 2000 mvt/etm bij 80 km/uur is volgens deze bron slechts 60 meter.

Verstoring als gevolg van extra verkeerslawaai kan derhalve geheel worden uitgesloten.

20 Hetzelfde geldt voor verstoring door licht; het bestaande verkeer en wegverlichting langs de Beulakerweg noord zorgen reeds voor lichtverstoring. De extra auto’s als gevolg van het plan voegt daar niets aan toe. Extra verlichting aan en rond het gebouw kan in de zomer leiden tot verstoring van de kwalificerende soort meervleermuis die langs de Dorpsgracht foerageert. De grenswaarde van de meervleermuis ligt bij de 0,5 lux. Ten aanzien van de verlichting van het plangebied in de toekomstige situatie zal een lichtplan moeten worden opgesteld, waaruit blijkt dat de lichtintensiteit ter hoogte van de Dorpsgracht kleiner is dan 0,5 lux. Wanneer hier aan voldaan wordt, zullen effecten op de meervleermuis geheel achterwege blijven. Van verhoging van de reeds vrij hoge recreatiedruk rond het plangebied is geen sprake. Het plan maakt immers geen uitbreiding van bijbehorende faciliteiten mogelijk, zoals extra botenverhuur en dergelijke. De meervleermuis, enkele vissoorten en waarschijnlijk ook de kwalificerende soorten libellen zullen blijvend profiteren van het nieuwe moerasareaal en de meer natuurvriendelijke oevers langs de randen van het plangebied. 5.1.3. Vermesting en verzuring Op basis van de verkeersverdeling in tabel 5.2 is de stikstofdepositie op Natura 2000- bepaald in AERIUS Calculator. Op de N334 gaat dit extra verkeer op in het heersende verkeersbeeld.

Op grond van jurisprudentie worden de gevolgen voor het milieu van het af- en aanrijdend verkeer niet meer aan het in werking zijn van 33n inrichting toegerekend wanneer dit verkeer kan worden geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval op het moment dat het aan - en afrijdende verkeer zich door zijn snelheid en rij - en stopgedrag nog niet, dan wel niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt. Berekening in AERIUS Calculator geeft aan dat op geen enkel stikstofgevoelig Natura 2000 -gebied er sprake is van stikstofdepositie hoger dan de drempelwaarde (0,05 mol/ha/jr; zie bijlage 4 AERIUS- berekeningen). Derhalve is er geen enkel depositie-effect en is er geen sprake van een vergunning - of meldingsplicht in het kader van het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Doordat het agrarisch grondgebruik (inclusief bemesting) aan de noordzijde van het plangebied wordt beëindigd zal de depositie op Natura 2000 per saldo zelfs dalen. AERIUS calculator berekent op basis van de maximaal toegestane hoeveelheid toegediende mest een daling van d e depositie van 0,75 mol/ha/jr op het zeer stikstofgevoelige habitat H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden). In onderstaande tabel zijn de effecten op de kwalificerende habitats en soorten van het aangrenzende Natura 2000-gebied samengevat.

Tabel 5.3 Effecten op Instandhoudingsdoelen Natura 2000-gebied De Wieden Instandhoudings- doelen Effecten Habitattypen Het meest nabijgelegen habitattype betreft H6430A Ruigten en zomen (moerasspirea) op een afstand van 160 meter van het plangebied. Verstoring door geluid en extra stikstofdepositie op dit habitat zijn verwaarloosbaar klein. Doordat het agrarisch grondgebruik (inclusief bemesting) aan de noordzijde van het plangebied wordt beëindigd, zal de depositie op dit (zeer) stikstofgevoelige Natura 2000-gebied per saldo zelfs dalen. Habitatsoorten In de aangrenzende watergang komt de kleine modderkruiper voor en mogelijk ook bittervoorn, platte schijfhoren en gestreepte waterroofkever. Mogelijk fungeert de Dorpsgracht als foerageergebied of migratieroute voor de meervleermuis. Verstoring van waterorganismen tijdens aanlegwerkzaamheden kan door maatregelen geminimaliseerd worden. Door te werken tijdens daglicht of in de 21 winterperiode blijven effecten op de meervleermuis geheel achterwege. In de gebruiksfase zal de lichtintensiteit ter hoogte van de Dorpsgracht kleiner dan 0,5 lux moeten blijven om verstoring van de meervleermuis te voorkomen. Enkele genoemde kwalificerende soorten (en enkele andere) profiteren blijvend van het nieuwe natuurareaal langs de oostrand van het plangebied Broedvogels Aan de overzijde van de Dorpsgracht broeden mogelijk rietzanger en snor.

Door de aanlegwerkzaamheden buiten het broedseizoen op te starten blijven verstoringseffecten geheel achterwege. Het plan leidt niet tot extra recreatiedruk op het Natura 2000-gebied. Niet-broedvogels Voor kwalificerende niet-broedvogels geldt dat zowel het plangebied als het omliggend gebied geen belangrijk leef- en/of foerageergebied vormt. 5.2. Effecten op het Natuurnetwerk Zowel de Dorpsgracht als het haventje kennen een steile beschoeiing van stalen platen. Verlanding, karakteristiek voor het natuurbeheertype Zoete plas, kan zodoende niet plaatsvinden. Daarnaast is de Dorpsgracht een intensief gebruikte watergang en in het haventje meren dagelijks bootjes aan. Hierdo or zijn de huidige natuurwaarden binnen dit water beperkt en kan gesteld worden dat de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurbeheertype Zoete plas grotendeels ontbreken. Een onderdeel van de beoogde ontwikkeling is het verwijderen van de oeverbeschoeiing langs de Dorpsgracht en deze vervolgens natuurlijk in te richten. Daarnaast wordt een nieuwe sloot gegraven die in verbinding komt te staan met de Dorpsgracht. Ook deze nieuwe sloot zal natuurlijk worden ingericht.

Hoewel deze werkzaamheden mogelijk tijdelijk tot extra vertroebeling van het water leiden en verstoring van het waterleven kunnen veroorzaken (voor zover niet reeds aan de orde vanwege het vaarverkeer) , zullen ze uiteindelijk leiden tot een positieve impuls op het Natuurbeheertype. Op de oevers kunnen zich in de toekomst bijvoorbeeld zeggen of riet - en biezenkragen gaan vormen, geschikt als leefgebied voor libellen en kokerjuffers worden. De overige effecten op het Natuurnetwerk ten oosten van de Dorpsgracht komen qua aard en omvang overeen met die op Natura 2000, zoals beschreven in de vorige paragraaf. Conclusie: tegenover een tijdelijke geringe verstoring staat een blijvende versterking van de wezenlijke kenmerken en waarden van dit deel van het Natuurnetwerk. 5.3. Effecten op beschermde soorten De effecten op beschermde soorten zijn samengevat in onderstaande tabel. Onderstaande conclusies wijzigen niet in het licht van de nieuwe Wet natuurbescherming die sinds 1 januari 2017 van kracht is. Tabel 5.4 Effecten op beschermde soorten Soortgroep Effecten Flora Beschermde soorten ontbreken. Vogels Vaste nestplaatsen (huismus) worden ontzien. Voor de overige soorten dienen aanlegwerkzaamheden buiten het broedseizoen te worden opgestart zodat vestiging van broedende vogels wordt voorkomen. In de gebruiksfase is er geen verschil ten opzichte van de bestaande verstoring.

Grondgebonden zoogdieren Voor de eventueel aanwezige soorten geldt een provinciale vrijstelling voor ruimtelijke inrichting. Vleermuizen De aanwezigheid van verblijfplaatsen zoals kolonie-, paar- en overwinterings- plaatsen kan worden uitgesloten.. Wanneer de lichtintensiteit ter hoogte van de Dorpsgracht niet boven de 0,5 Lux uitkomt, zijn negatieve effecten op 22 mogelijk aanwezige vliegroutes of foerageergebied van vleermuizen niet aan de orde. Het nieuwe moerasgebied aan de oostrand van het plangebied zal gaan fungeren als nieuw foerageergebied voor vleermuizen. Amfibieen Voor de aanwezige beschermde soorten geldt een provinciale vrijstelling voor ruimtelijke inrichting. Zwaar beschermde soorten ontbreken. Het nieuwe moerasgebied aan de oostrand van het plangebied zal gaan fungeren als nieuw leefgebied. Vissen Beschermde soorten ontbreken binnen het plangebied. Tijdelijke verstoring van vissen buiten het plangebied tijdens de aanlegwerkzaamheden kan door maatregelen worden voorkomen. De vervanging van steile beschoeiingen door natuurvriendelijke oevers is een blijvende biotoopverbetering voor alle soorten. Reptielen en ongewervelden Binnen het plangebied zijn deze afwezig. Het nieuwe moerasgebied en vervanging van steile beschoeiingen door natuurvriendelijke oevers is een blijvende biotoopverbetering voor alle soorten. 5.4.

Conclusie De Wet natuurbescherming en het provinciaal beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk staan de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg indien de volgende maatregelen in acht worden genomen: - Aanlegwerkzaamheden opstarten buiten het broedseizoen; - Lichtsterkte langs de Dorpsgracht beperken tot max, 0,5 lux; - Nieuwe watergangen pas op het laatst aansluiten op de Dorpsgracht. Vanwege het nieuwe moerasareaal, het vervangen van steile beschoeiingen door natuurlijke oevers en het opheffen van het agrarisch grondgebruik aan de noordzijde heeft het plan per saldo een licht positief effect. 23 Bijlage 1 Bronnen - Alterra, Dobben, H.F. van (2012): 'Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000' Alterra-rapport 2397; - Krijgsveld, K.L., R.R. Smits & J. van der Winden (2008): 'Verstoringsgevoeligheid van vogels - Update literatuurstudie naar de reacties van vogels op recreatie'. Bureau Waar denburg bv, Culemborg. - Broekmeyer, M.E.A (2005): ‘ Effectenindicator Natura 2000 -gebieden; achtergronden en verantwoording ecologische randvoorwaarden en storende factoren’ Wageningen, Alterra - rapport 1375. - Broekmeyer, M.E.A. (2010); ‘Update effectenindicator’ Alterra-rapport 1976. - Provincie Overijssel (2017): ‘Definitief Natura 2000 beheerplan De Wieden en Weerribben’ - Reijnen, M.

et al (1992): ‘ Het voorspellen van het effect van snelverkeer op broedvogelpopulaties’, Rijkswaterstaat/DLO - Valk, M Van der., T.J. Boudewijn, G.J. van Geest, R. Lensink & W.M. Liefveld (2008): ‘Achtergronddocument 1:Ecologie, voortoets en maatregelen. Achtergronddocument bij het Natura 2000 - beheerplan voor De Wieden en De Weerribben’ Bureau Waardenburg i.s.m. Witteveen + Bos i.o.v. Provincie Overijssel. - http://gisopenbaar.overijssel.nl/viewer/app/atlasvanoverijssel_basis/v1 - www.AV-consulting.nl - www.calculator.aerius.nl/calculator - www.sovon.nl - www.synbiosys.alterra.nl/natura2000 - www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/effectenindicator - www.waarneming.nl 24 Bijlage 2 Natuurtoets Ecogroen Advies

Natuurtoets hotel De Harmonie Giethoorn Inventarisatie en beoordeling van natuurwaarden in het kader van natuurwet‐ en regelgeving Colofon Titel: Natuurtoets hotel De Harmonie Subtitel: Inventarisatie en beoordeling van natuurwaarden in het kader van natuurwet‐ en regelgeving Projectcode: 12‐264 Status: Definitief Datum: 29 oktober 2012 Auteur: Ir. D. J. (David) Sietses Veldonderzoek: Ir. D. J. (David) Sietses Eindredactie: Ir. A.B. (Arjen) Goutbeek Opdrachtgever: Buro Vijn Contactpersoon: Dhr. E. Venema ................................................................................................ EcoGroen Advies BV Postbus 625 8000 AP Zwolle T: 038 423 64 64 I: www.ecogroen.nl © EcoGroen Advies (2012) Alles uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt mits onder vermelding van de bron: Sietses, D.J. (2012). Natuurtoets hotel De Harmonie Giethoorn; Inventarisatie en beoordeling van natuurwaarden in het kader van natuurwet‐ en regelgeving. Rapport 12‐264. EcoGroen Advies, Zwolle. 

Inhoud 1  Inleiding ........................................................................................................................................................... 4 1.1  Aanleiding en doelstelling ...........................................................................................................................  4 1.2  Plangebied ...................................................................................................................................................  4 1.3  Algemene opzet ...........................................................................................................................................  6 2  Flora‐ en faunawet ........................................................................................................................................... 7 2.1  Juridisch kader .............................................................................................................................................  7 2.2  Methode ......................................................................................................................................................  7 2.3  Flora .............................................................................................................................................................

 7 2.4  Zoogdieren..................................................................................................................... .............................. 8 2.5  Vogels ..........................................................................................................................................................  9 2.6  Amfibieën ..................................................................................................................................................  10 2.7  Vissen ........................................................................................................................................................  10 2.8  Overige soorten .........................................................................................................................................  11 2.9  Conclusie Flora‐ en faunawet ....................................................................................................................

 11 3  Natuurbeschermingswet ................................................................................................................................ 12 3.1  Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Natura 2000 en de Natuurbeschermingswet ........................................... 12 3.2  Natura 2000‐gebied De Wieden ................................................................................................................  12 3.3  Effectanalyse en –beoordeling ..................................................................................................................  14 3.4  Conclusie Natuurbeschermingswet ...........................................................................................................  15 4  Ecologische Hoofdstructuur ........................................................................................................................... 16 4.1  Beleidskader ..............................................................................................................................................  16 4.2  Toetsing EHS‐beleid ...................................................................................................................................  16 4.3  Conclusie EHS ............................................................................................................................................

 18 4.4  Waardevolle natuur buiten de EHS ...........................................................................................................  18 Geraadpleegde bronnen ...................................................................................................................................... 19 Bijlagen 1   ....................................................................................................  Inrichtingsschets uitbreiding hotel De Harmonie 2   .........................................................................................................................  Wettelijk kader Flora‐ en faunawet 3   .........................................................................................................................  Verspreiding Kleine modderkruiper 4   ........................................................................................

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/f450f866-78ee-42d7-872a-b0c75fae3506?agendaItemId=a0accd42-e821-4518-aac3-b8082aefba3e