BP Buitengebied, partiele herziening Muggenbeet 3.pdf
Tekst van het document
5.2.2.2 Onderzoeksresultaten Op basis van het geactualiseerde onderzoek (bijlage 5) wordt geconstateerd dat h et onderzoeksgebied een potentieel habitat biedt voor een aantal beschermde soorten. Hoewel er geen gerichte veldinventarisatie heeft plaatsgevonden, is op basis van de beschikbare literatuurgegevens en een veldbezoek vastgesteld dat het terrein mogelijk van belang is voor enkele algemeen beschermde soorten met een landelijke vrijstelling en voor enkele soorten zonder deze vrijstelling. Voor veel soorten maakt het plangebied onderdeel uit van het leefgebied van de betreffende soort. Dit betreft echter geen essentieel onderdeel en is ook na de ontwikkeling nog steeds voorhanden als leefgebied. Verblijfplaatsen van deze soorten zijn echter niet te verwachten door het ongeschikte aanwezige NL.IMRO.1708.BZLMuggenbeet3BP-VA01 Bestemmingsplan “Blokzijl – Muggenbeet 3” 29 biotoop, zoals voor boommarter en waterspitsmuis. Negatieve effecten op deze soorten zijn niet aanwezig. Dit is echter niet van toepassing op broedvogels, heikikker, poelkikker en ringslang. Voor deze soorten geldt het onderstaande. Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die nesten beschadigen of verstoren. Werkzaamheden dienen plaats te vinden buiten de broedperiode van vogels.
Binnen het plangebied is potentieel leefgebied voorhanden voor heikikker en poelkikker. De huidige parkeerplaats wordt beoordeeld als potentieel geschikt landbiotoop en de ruigten, zomen en overhoekjes als verblijfplaats en foerageergebied. De uitbreidingslocatie kan een functie hebben als voortplantingsbiotoop. Om uitsluitsel hierover te geven wordt geadviseerd nader onderzoek uit te laten voeren of bij de terreinbeherende instanties extra verspreidingsgegevens op te vragen zodat de aan- of afwezigheid aangetoond kan worden. De ringslang komt binnen het plangebied voor. Ter plaatse zijn eieren van de soort gevonden. Het gebied wordt gebruikt ter voortplanting en maakt onderdeel uit van zijn leefgebied. Het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste (voortplantings-) verblijfplaatsen is verboden en een ontheffing is noodzakelijk. Indien men de ruigte, en composterende hopen, de broeihopen, in kan passen in de toekomstige situatie is een ontheffing niet noodzakelijk. Deze locatie wordt in figuur 11 van het rapport weergegeven. Notitie nader onderzoek amfibieën Eerlerwoude heeft in voorliggend geval nader onderzoek uitgevoerd naar de a anwezigheid van amfibieën. Hierna zijn de resultaten uit het onderzoek opgenomen. Voor de volledige notitie wordt verwezen naar bijlage 6 bij deze toelichting.
Op basis van de twee veldbezoeken wordt geconcludeerd dat het plangebied voor een aantal algemene amfibieënsoorten van belang is. Het betreft de bastaardkikker en meerkikker. De beschermde poel- en heikikker zijn in geen van de geschikte biotopen aangetroffen. Uit literatuurbronnen zijn geen waarnemingen van deze soorten op deze locatie bekend. Poelkikker De poelkikker komt in de zomerperiode voor in graslanden en bossen tot 500 meter afstand van het water. Hij foerageert op ruime afstand van het water (bron: soortinventarisatieprotocol NGB, versie 1.1., juli 2017). Zijn overwinteringsbiotoop bevindt zich op het land op vorstvrije plaatsen gegraven in de grond in bossen en struwelen, dijkhellingen en hoge gelegen wegbermen. Tijdens het veldbezoek is de soort niet aangetroffen. De poel aan de westzijde van het gebied is in principe wel geschikt voor de soort, net zoals het rietland ten noorden gelegen van de parkeerplaats. Er zijn tijdens echter de bezoeken geen ‘plonzen’ gehoord of kooractiviteit waargenomen. Tevens zijn er geen juvenielen aangetroffen. Op basis van het ontbreken van waarnemingen tijdens het gerichte veldonderzoek wordt geconcludeerd dat op deze locatie geen poelkikkers voorkomen. Een negatief effect op de poelkikker is daarom niet te verwachten.
Heikikker In de zomerperiode is de heikikker alleen nog te vinden binnen zijn landbiotoop die bestaat uit vochtige, hoge dichte vegetaties zoals vochtige heide, pijpenstrootjesvegetatie, vochtig grasland en soms in bossen(bron: soortinventarisatieprotocol NGB, versie 1.1., juli 2017). In agrarische gebieden verblijft de soort veel langs slootoevers die in de loop van de zomer dichtgroeien. Het landbiotoop bevindt zich in de directe omgeving van het voortplantingswater. In de rietlanden achter de parkeerplaats is volop water aanwezig dat in potentie geschikt is als voortplantingswater voor de heikikker. De parkeerplaats is grotendeels halfverhard en bruikbaar als NL.IMRO.1708.BZLMuggenbeet3BP-VA01 Bestemmingsplan “Blokzijl – Muggenbeet 3” 30 landbiotoop voor de soort. Tijdens de veldbezoeken is ondanks de gerichte inventarisatie binnen de potentiele geschikte zomer- en winterbiotopen, geen activiteit waargenomen van de heikikker. Er zijn geen plonsen of zichtwaarnemingen geconstateerd in de noordelijk gelegen rietlanden, de poel of zuidelijk gelegen watergang. Aanwezigheid van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de heikikker wordt daarom op basis van dit onderzoek uitgesloten. Een negatief effect op de soort is niet te verwachten. Conclusies en advies Tijdens een soortgerichte inventarisatie van het waterelement zijn de beschermde poel- en heikikker niet aangetroffen.
Gelet op de voorgenomen plannen om het waterelement aan de noordzijde deels te dempen in verband met uitbreiding van het aangrenzende horecabedrijf, is het aanvragen van een ontheffing op basis van het nader onderzoek niet noodzakelijk. 5.2.3 Conclusie Met de voorgenomen ontwikkeling zijn geen negatieve effecten op aanwezige beschermde gebieden en te verwachten beschermde soorten. Geconcludeerd wordt dat dit bestemmingsplan doorgang vinden in het kader van de Wet natuurbescherming. 5.3 Archeologie & Cultuurhistorie 5.3.1 Archeologie 5.3.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord , verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindpla atsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
5.3.1.2 Onderzoeksresultaten archeologie De gemeente Steenwijkerland heeft een gemeentelijke archeologische waarden- en beleidskaart. Hierin staat aangegeven welke archeologische verwachting de gronden hebben en wanneer een archeologisch onderzoek verplicht is. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de kaart opgenomen. NL.IMRO.1708.BZLMuggenbeet3BP-VA01 Bestemmingsplan “Blokzijl – Muggenbeet 3” 31 Afbeelding 5.1 Archeologische verwachtingskaart (Bron: Gemeente Steenwijkerland) Het plangebied valt op basis van de archeologische verwachtings- en beleidskaart binnen een gebied met een hoge archeologische verwachting. In deze gebieden geldt in het buitengebied een archeologische onderzoeksplicht indien er sprake is van bodemingrepen met een grotere oppervlakte dan 2.500 m2. Het nieuwe gebouw heeft een oppervlakte aanzienlijk kleiner dan 2.500 m2. Met betrekking tot het parkeerterrein worden geen diepe bodemingrepen verricht. Archeologisch onderzoek wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. 5.3.2 Cultuurhistorie 5.3.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, ele menten en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen.
Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2021 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. 5.3.2.2 Onderzoeksresultaten cultuurhistorie Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Atlas Overijssel, in het plangebied en directe omgeving geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor onderliggend plan. 5.3.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden. NL.IMRO.1708.BZLMuggenbeet3BP-VA01 Bestemmingsplan “Blokzijl – Muggenbeet 3” 32 HOOFDSTUK 6 WATERPARAGRAAF 6.1 Inleiding Het is verplicht om in de toelichting bij een bestemmingsplan te verantwoorden op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Dit is bepaald in artikel 3.1.6, eerste lid, sub b van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Deze verantwoording wordt ook wel de waterparagraaf genoemd. Dit hoofdstuk kan als zodanig beschouwd worden.
6.2 Beleid ten aanzien van de waterhuishouding 6.2.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwate r. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.2.2 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016 - 2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimte lijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit.
Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema’s als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 6.2.3 Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 6.2.4 Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDO) Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Drents Overijsselse Delta (voorheen Reest en Wieden & Groot Salland), Vechtstromen en Rijn en IJssel. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen de afgelopen jaren intensief samengewerkt met elkaar en met andere partners. Het nieuwe Waterbeheerplan is één van de NL.IMRO.1708.BZLMuggenbeet3BP-VA01 Bestemmingsplan “Blokzijl – Muggenbeet 3” 33 resultaten van deze samenwerking.
De opzet en grote delen van dit Waterbeheerplan zijn inhoudelijk hetzelfde als dat van de andere waterschappen in Rijn-Oost. Waterschap Drents Overijsselse Delta heeft de taken vastgelegd in het Waterbeheerplan 2016 -2021. Hieronder volgt een toelichting op de doelen in het waterbeheerplan. Overstromingen, wateroverlast of droogte te voorkomen of beperken. Inwoners kunn en hierdoor op een goede manier wonen en werken. Boeren en natuurbeheerders kunnen goed gebruik maken van de grond. Beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het water in de volle breedte. Een goede ecologische en chemische kwaliteit van het (oppervlakte)water is belangrijk. Het water is schoon en gezond en inwoners kunnen hiervan genieten. Ook de doelen voor waterkwaliteit die voortvloeien uit Europese wetgeving; de Kaderrichtlijn Water (KRW) maken onderdeel uit van het plan. Afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties effectief en efficiënt behandelen. We proberen niet alleen schadelijke stoffen uit het water te halen. Ook willen we van deze stoffen nieuwe producten maken en nieuwe toepassingen zoeken. 6.2.5 Gemeentelijk waterplan Met het waterplan beogen de gemeente en de waterschappen het water op een goede manier af te stemmen en te benadrukken in de ruimtelijke ordening en het beheer en onderhoud.
Het doel van het plan is het realiseren van een duurzaam watersysteem, waar een ieder op zijn of haar eigen manier gebruik van kan maken en genieten. Voorop staat “Het watersysteem samen integraal duurzaam inrichten, beheren en onderhouden, zodanig dat veiligheid en functies zo optimaal mogelijk gebiedspecifiek worden gerealiseerd, nu en in de toekomst". In het waterplan staan een viertal thema’s centraal. Per thema zijn vervolgens een aantal doelstellingen geformuleerd: 1. Watersysteem a. water verankeren in ruimtelijke plannen b. realiseren stedelijke wateropgave c. bestrijding van verdroging 2. Waterketen a. verbeteren waterkwaliteit 3. Waterbeleving/recreatie en toerisme a. vergroten en specificeren functionaliteit van het water b. vergroten van de belevingswaarde van het water 4. Waterorganisatie a. structuren samenwerking b. duidelijkheid over verantwoordelijkheden c. maatschappelijk draagvlak voor duurzaam omgaan met bouwen 6.3 Watertoets 6.3.1 Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met mini male risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd.
In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te NL.IMRO.1708.BZLMuggenbeet3BP-VA01 Bestemmingsplan “Blokzijl – Muggenbeet 3” 34 worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.3.2 Watertoets Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDO) (voorheen Reest en Wieden) is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde “korte procedure” van toepassing is. Dit houdt in dat de ontwikkeling een beperkte invloed heeft op de waterhuishouding. De standaard waterparagraaf behorend bij de korte procedure is opgenomen in bijlage 7 van deze toelichting. Waterhuishoudkundige aspecten In de ontwikkeling is rekening gehouden met hemelwater door, voor wat betreft het parkeerterrein, gebruik te maken van halfverharding en verharding (klinkers) waarbij infiltratie van hemelwater mogelijk is.
Het overtollige water vanaf de verharding gaat worden verzameld in de rietbanen. Overstromingsrisicoparagraaf Door klimaatveranderingen moeten we meer rekening houden met de gevolgen van een overstroming. Inzet is het voorkomen van slachtoffers (rampenbeheersing) en van economische schade (gevolgenbeperking). Het plangebied is gelegen binnen dijkring 9 ‘Vollenhove’. Vanwege deze ligging dient er een nadere motivering plaats te vinden. Voor de keringen van dijkring 9 geldt een veiligheidsnorm van 1/1250e per jaar. De overschrijdingskans is 1/1250e per jaar. De kans voor een overstroming in deze dijkring is klein en het plangebied is gelegen in een gebied die minder snel en ondiep onderloopt. Binnen deze dijkr ing kunnen nieuwe grootschalige ontwikkelingen alleen plaatsvinden indien de veiligheid ook op lange termijn voldoende is gewaarborgd. In voorliggend geval is van een grootschalige ontwikkeling geen sprake. Echter zal bij de ontwikkeling van het plangebied wel rekening worden gehouden met mogelijke overstroming(en). Het betreft een stuk bewustwording dat bouwen in risicovolle gebieden bepaalde risico's met zich meebrengt en dat hier adequaat mee omgesprongen dient te worden. Bij het bouwen van nieuwe bebouwing zal een voldoende hoog vloerpeil worden aangebracht.
Daarnaast zal de aansluiting van het plangebied op de dichtstbijzijnde weg gehandhaafd en geoptimaliseerd worden waardoor de bereikbaarheid naar de toekomst toe gewaarborgd blijft. NL.IMRO.1708.BZLMuggenbeet3BP-VA01 Bestemmingsplan “Blokzijl – Muggenbeet 3” 35 HOOFDSTUK 7 MILIEUPARAGRAAF 7.1 Milieu Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting o p het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet - en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. 7.2 Geluidhinder 7.2.1 Algemeen De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai.
De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Een gebouw met vergader- en opslagruimten wordt niet aangemerkt als geluidsgevoelige functie/object. Voor wat betreft de invloed van het gebouw op de omgeving wordt verwezen naar paragraaf 7.7, waar nader in wordt gegaan op het aspect milieuzonering. 7.2.2 Conclusie Het gebouw wordt niet aangemerkt als een geluidsgevoelige functie. Nadere toetsing in het kader van de Wet geluidhinder is niet noodzakelijk. 7.3 Bodemkwaliteit 7.3.1 Algemeen Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740.
Kruse Milieu heeft ter plaatse van het nieuwe gebouw de bodemkwaliteit onderzocht. Een samenvatting van de resultaten en de conclusies uit dit onderzoek zijn hierna opgenomen. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar het onderzoeksrapport welke is opgenomen in bijlage 8 bij deze toelichting. NL.IMRO.1708.BZLMuggenbeet3BP-VA01 Bestemmingsplan “Blokzijl – Muggenbeet 3” 36 7.3.2 Onderzoeksresultaten verkennend bodemonderzoek Op basis van de resultaten van de chemische analyses kan het volgende worden geconcludeerd: de bovengrond is zeer licht verontreinigd met kwik en lood; de ondergrond is zeer licht verontreinigd met kwik; het grondwater is zeer licht verontreinigd met barium. De hypothese "onverdachte locatie" dient te worden verworpen, aangezien enkele zeer lichte overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarden zijn aangetoond. In de boven- en ondergrond en in het grondwater zijn enkele zeer lichte verontreinigingen aangetoond. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is er geen reden om een nader onderzoek uit te voeren. Door de veldwerker zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen waargenomen.
7.3.3 Conclusie Uit milieukundig oogpunt is er, vanuit het oogpunt van bodemkwaliteit, geen bezwaar tegen de bestemmingsplanwijziging en de voorgenomen nieuwbouwplannen, aangezien de vastgestelde zeer lichte verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik. 7.4 Luchtkwaliteit en het besluit NIBM 7.4.1 Beoordelingskader Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); 7.4.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer.
Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO 2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor - en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. NL.IMRO.1708.BZLMuggenbeet3BP-VA01 Bestemmingsplan “Blokzijl – Muggenbeet 3” 37 Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 7.4.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings -, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast.
Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 7.4.2 Onderzoeksresultaten luchtkwaliteit De ontwikkeling heeft een zodanig beperkte omvang dat het is aan te merken als een project dat “ niet in betekenende mate bijdraagt” aan luchtverontreiniging. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Tevens wordt deze ontwikkeling niet aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 7.4.3 Conclusie Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. 7.5 Geurhinder 7.5.1 Normen en beleid Van belang is dat door ontwikkelingen in het voorliggende plan geen belemmeringen ontstaan voor de omliggende agrarische bedrijven en de bedrijfsontwikkeling van deze bedrijven. Dit zijn mogelijke bronnen voor geurhinder en daarom gelden voor veehouderijen regels met betrekking t ot aan te houden afstanden tot voor geurhinder gevoelige objecten zoals woningen of bedrijfsgebouwen waar mensen verblijven.
Omgekeerd hebben deze regels ook gevolgen voor de mogelijkheden om nieuwe voor geurhinder gevoelige objecten, zoals nieuwe woningen of nieuwe bedrijfsgebouwen (voor zover deze als voor geurhinder gevoelig kunnen worden aangemerkt) te realiseren. Dit wordt ook wel de omgekeerde werking genoemd. 7.5.2 Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor het verlenen van een milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij, zoals varkens en NL.IMRO.1708.BZLMuggenbeet3BP-VA01 Bestemmingsplan “Blokzijl – Muggenbeet 3” 38 pluimvee. Voor dieren zonder geuremissiefactor, zoals melkkoeien en paarden, gelden minimaal aan te houden afstanden. 7.5.3 Omgekeerde werking De normen, die voortvloeien uit wetgeving op het gebied van geurhinder van veehouderijen, dienen in de eerste plaats voor de vaststelling van de vraag of voor een veehouderij een milieuvergunning kon worden verleend.
Deze eisen ten aanzien van de maximale geurbelasting of minimaal aan te houden afstanden zijn ook van belang bij de beoordeling van de vraag of een bepaalde geurgev oelige bestemming kan worden gerealiseerd nabij een veehouderij. Deze zogenaamde 'omgekeerde werking' heeft dus betrekking op ruimtelijke ordeningsbesluiten. Vaste rechtspraak bij dit soort besluiten is: dat er geen sprake mag zijn van een aantasting van de bestaande rechten van de (blijvende) veehouderijen; dat er sprake moet zijn van aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 7.5.4 Aanvaardbaar woon-, werk- en leefklimaat Een toets alleen aan de hand van de norm die ter plaatse geldt op grond van de Wgv is in het kader van de omgekeerde werking onvoldoende. Bij de ontwikkeling van ruimtelijke plannen moeten deze plannen ook worden getoetst aan het criterium' aanvaardbaar woon -, leef en/of werkklimaat' m.b.t. de geurhinder door veehouderijen. De geurhinder wordt bepaald op basis van de achtergrondbelasting en de voorgrondbelasting. Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting bedoeld van die veehouderij welke de meeste geurbelasting op een voor geurhinder gevoelig object veroorzaakt. De achtergrondbelasting wordt veroorzaakt door alle veehouderijen die rondom een geurgevoelig object zijn gelegen.
De achtergrondbelasting is een goede maat om de effecten van geurhinder op het woon- en leefmilieu te kunnen beoordelen. 7.5.5 Onderzoeksresultaten Binnen een straal van 500 meter zijn geen agrarische bedrijven aanwezig. De ontwikkeling ondervindt geen belemmering van agrarische bedrijvigheid. Omgekeerd worden agrarische bedrijven door de ontwikkeling niet belemmerd. Dit vanwege het feit dat woningen van derden op kor tere afstand zijn gelegen. 7.5.6 Conclusie Er hoeft geen nader onderzoek plaats te vinden inzake het aspect geur. De ontwikkeling is in overeenstemming met het de Wet geurhinder en veehouderij. 7.6 Externe veiligheid 7.6.1 Algemeen Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelinge n moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing.
Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); NL.IMRO.1708.BZLMuggenbeet3BP-VA01 Bestemmingsplan “Blokzijl – Muggenbeet 3” 39 de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Het transporteren van gevaarlijke stoffen per buisleiding is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtin gen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 7.6.2 Situatie in en bij het plangebied Aan hand van de Risicokaart Overijssel is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied.
Op de Risicokaart Overijssel staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In de onderstaande afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven. Afbeelding 7.1 Uitsnede Risicokaart Overijssel (Bron: Risicokaart Overijssel) Het bestaande horecabedrijf is als gevoelig object opgenomen op de risicokaart. Uit de inventarisatie blijkt dan ook dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; NL.IMRO.1708.BZLMuggenbeet3BP-VA01 Bestemmingsplan “Blokzijl – Muggenbeet 3” 40 niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. 7.6.3 Conclusie Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet - en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
7.7 Milieuhindercontourenonderzoek 7.7.1 Algemeen Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor d e indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel de richtafstanden in 'Bedrijven en milieuzonering' indicatief zijn, worden deze afstanden wel als harde eis gezien door de Raad van State bij de beoordeling of bedrijven op een passende afstand van woningen worden gesitueerd.
7.7.1.1 Gebiedstypen In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Hierna zijn de richtafstanden per milieucategorie en omgevingstype weergegeven. In voorliggend geval is het plangebied gelegen in een ‘rustig woongebied’.
Milieucategorie Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 1 10 m 0 m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m NL.IMRO.1708.BZLMuggenbeet3BP-VA01 Bestemmingsplan “Blokzijl – Muggenbeet 3” 41 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m 7.7.2 Onderzoeksresultaten milieuzonering 7.7.2.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De feitelijke situatie betreft de realisatie van een gebouw ten behoeve van vergader - en opslagruimten alsmede de herinrichting en uitbreiding van het bestaande parkeerterrein . De VNG uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen g ekeken naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 7.7.2.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling.
Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Een gebouw met vergader- en opslagruimten kan op basis van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ qua milieubelasting het meest worden vergeleken met inrichtingen behorende tot milieucategorie 1. Ten opzichte van milieugevoelige objecten geldt, uitgaande van het omgevingstype ‘rustig gebied’, een minimale afstand van 10 meter. De afstand tussen het nieuwe gebouw en het dichtstbijzijnde milieugevoelige object (Muggenbeet 4a) bedraagt minimaal 20 meter. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de grootste richtafstand. 7.7.2.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. Een gebouw met vergader- en opslagruimten wordt in principe niet aangemerkt als milieugevoelig object. Van hinder van omliggende bedrijven is dan ook geen sprake en omgekeerd worden deze bedrijven niet belemmerd in hun bedrijfsvoering. 7.7.3 Conclusie milieuzonering Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. NL.IMRO.1708.BZLMuggenbeet3BP-VA01 Bestemmingsplan “Blokzijl – Muggenbeet 3” 42 HOOFDSTUK 8 JURIDISCHE OPZET 8.1 Inleiding In een bestemmingsplan zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor een bepaald gebied opgenomen.
Het onderhavige bestemmingsplan regelt de inrichting van he t bewuste plangebied door voor de gronden een bestemming aan te wijzen. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding (plankaart) in samenhang met de regels. In deze paragraaf wordt het juridische deel van het bestemmingsplan nader toegelicht. 8.2 Uitgangspunten In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke O rdening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Voor alle plannen die vanaf 1 juli 2013 in procedure gaan, is de RO Standaarden 2012 verplicht. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven.
Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels (begripsbepalingen en wijze van meten); 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels (o.a. afwijkingsregels); 4. Overgangs- en slotregels. De opzet en invulling van de regels worden hieronder nader toegelicht. 8.3 Toelichting op de planregels 8.3.1 Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: • Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. • Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. NL.IMRO.1708.BZLMuggenbeet3BP-VA01 Bestemmingsplan “Blokzijl – Muggenbeet 3” 43 8.3.2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen.
De regels zijn onderverdeeld in o.a.: • Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; • Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingsho ogte, bebouwingspercentage, etc.); • Specifieke gebruiksregels: welk gebruik van gronden en opstallen in ieder geval strijdig zijn; • Afwijken van de gebruiksregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bestemming. In paragraaf 8.4 wordt de bestemming nader toegelicht. 8.3.3 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: • Anti-dubbeltelregel (Artikel 6) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. Algemene bouwregels (Artikel 7) In dit artikel worden regels gesteld omtrent ondergronds bouwen. Algemene gebruiksregels (Artikel 8) In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Dit brengt met zich mee dat de bestemmingsomschrijving van de te onderscheiden bestemming helder en duidelijk moet zijn.
• Algemene afwijkingsregels (Artikel 9) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Overige regels (Artikel 10) In dit artikel wordt aangegeven dat de wettelijke regelingen waar in de regels wordt naar verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment vaststelling van dit plan. 8.3.4 Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregels wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd . 8.4 Verantwoording van de bestemmingen Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw - en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. NL.IMRO.1708.BZLMuggenbeet3BP-VA01 Bestemmingsplan “Blokzijl – Muggenbeet 3” 44 Horeca (Artikel 3) Op basis van het geldende bestemmingsplan heeft het plangebied grotendeels de bestemming “Horeca”.
Deze bestemming maakt het mogelijk dat op de locatie een hotel, café en restaurant mag worden geëxploiteerd. Gekozen is om deze bestemming te handhaven en te uitbreiden met de nieuwe gronden waar het parkeerterrein ten behoeve van het horecabedrijf wordt gesitueerd. De gronden ten behoeve van gebouwen hebben een bouwvlak en ter plaatse van het parkeerterrein is een aanduiding aanwezig. De regels zijn overeenkomstig het gemeentelijk handboek gehanteerd. Variabelen die in de standaardregels waren opgenomen (hoogtes, dakhelling etc.) zijn ingevuld op basis van de huidige situatie. Wel is er een bepaling opgenomen dat in geval van afwijkende maatvoering bebouwing dit mag worden gehandhaafd en op basis van deze afwijkende maatvoering mag worden herbouwd. Aangezien het nieuwe gebouw niet mag worden gebruikt als hotel of dergelijke is er een aanduiding opgenomen. Op basis van deze aanduiding mag het gebouw uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van vergaderruimtes en statische opslag (bijv. boten). Natuur (Artikel 4) Het handboek gaat uit van het bestemmen van gebieden met natuurwaarden middels de bestemming ‘Natuur’. Deze bestemming richt zich hoofdzakelijk op de instandhouding, versterking en ontwikkeling van natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden.
Ter plaatse van de aanduiding ‘parkeerterrein’ zijn tevens verkeer- en parkeervoorzieningen toegestaan. Gebouwen zijn in deze bestemming niet toegestaan bij recht. Middels afwijking van het bestemmingsplan kan onder voorwaarden een observatiehut of soortgelijke voorziening worden gebouwd. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn wel toegestaan, met inachtneming van de aangegeven maatvoeringseisen. Water (Artikel 5) Het handboek gaat uit van het bestemmen van watergangen middels de bestemming “Water’. Bruggen, bermen en taluds zijn tevens toegestaan. Daarnaast mag de watergang worden gebruikt ten behoeve van watersportvoorzieningen. Gebouwen zijn in deze bestemming niet toegestaan. Als bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen uitsluitend verkeerstekens worden gebouwd. NL.IMRO.1708.BZLMuggenbeet3BP-VA01 Bestemmingsplan “Blokzijl – Muggenbeet 3” 45 HOOFDSTUK 9 FINANCIËLE PARAGRAAF Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijk tijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen.
Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval wordt een anterieure overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente Steenwijkerland. Hierin wordt tevens het risico van planschade opgenomen zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee d at vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven. NL.IMRO.1708.BZLMuggenbeet3BP-VA01 Bestemmingsplan “Blokzijl – Muggenbeet 3” 46 HOOFDSTUK 10 INSPRAAK, VOOROVERLEG EN ZIENSWIJZEN 9.1 Vooroverleg 9.1.1 Het Rijk In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 9.1.2 Provincie Overijssel In eerste instantie is er voor gekozen geen formeel overleg te voeren met de provincie. Later is vastgesteld dat dit wel noodzakelijk was en is het plan alsnog voorgelegd aan de provincie.
Door de provincie is aangegeven in dit concrete geval af te kunnen zien van het doorlopen van de formele overlegprocedure. De reden daarvoor is dat de provincie vooraf nauw betrokken was bij de planvorming voor deze ontwikkeling. 9.1.3 Waterschap Drentsch Overijsselse Delta In het kader van de watertoets heeft er een digitale watertoets plaatsgevonden via de website www.dewatertoets.nl. Het waterschap Drentsch Overijsselse Delta heeft aangegeven dat zij geen bezwaar heeft tegen de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. 9.2 Inspraak Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. Er is een voorontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd voor een periode van zes weken. Tijdens deze termijn zijn geen inspraakreacties binnengekomen. 9.3 Zienswijzen Het plan heeft in augustus-september en een tweede keer in oktober-december ter inzage gelegen als ontwerp. Er is gedurende de tweede periode één zienswijze ingediend. Die is gericht op inh oudelijke verbetervoorstellen. Deze voorstellen zijn door ons beoordeeld en van een reactie voorzien.
NL.IMRO.1708.BZLMuggenbeet3BP-VA01 Bestemmingsplan “Blokzijl – Muggenbeet 3” 47 BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING NL.IMRO.1708.BZLMuggenbeet3BP-VA01 Bestemmingsplan “Blokzijl – Muggenbeet 3” 48 Bijlage 1 Ontwikkelingsplan Geertien NL.IMRO.1708.BZLMuggenbeet3BP-VA01 Bestemmingsplan “Blokzijl – Muggenbeet 3” 49 Bijlage 2 Besluit Nbw NL.IMRO.1708.BZLMuggenbeet3BP-VA01 Bestemmingsplan “Blokzijl – Muggenbeet 3” 50 Bijlage 3 Onderzoek natuurwetgeving NL.IMRO.1708.BZLMuggenbeet3BP-VA01 Bestemmingsplan “Blokzijl – Muggenbeet 3” 51 Bijlage 4 Motivering besluit Nbw NL.IMRO.1708.BZLMuggenbeet3BP-VA01 Bestemmingsplan “Blokzijl – Muggenbeet 3” 52 Bijlage 5 Actualisatie quickscan NL.IMRO.1708.BZLMuggenbeet3BP-VA01 Bestemmingsplan “Blokzijl – Muggenbeet 3” 53 Bijlage 6 Notitie nader onderzoek amfibieën NL.IMRO.1708.BZLMuggenbeet3BP-VA01 Bestemmingsplan “Blokzijl – Muggenbeet 3” 54 Bijlage 7 Standaardwaterparagraaf NL.IMRO.1708.BZLMuggenbeet3BP-VA01 Bestemmingsplan “Blokzijl – Muggenbeet 3” 55 Bijlage 8 Verkennend bodemonderzoek