CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen bestemmingsplan.pdf

Politieke Markt 22 september 2021, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Vaststellen gewijzigd bestemmingsplan Onna, Onnase Doodweg 2 - trafostation Steenwijk - Onna29.777 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Echter, de gegevens die voor deze berekening noodzakelijk zijn, zijn in deze fase van de ontwikkeling nog niet beschikbaar of nog niet concreet. De resultaten van de AERIUS-berekening vormen geen onderdeel van deze natuurtoets en wordt in een aparte notitie uitgewerkt. 3.4 Bescherming van houtopstanden Het omhakken of rooien van bossen is gelet op de Wet natuurbescherming niet zomaar toegestaan. Dit geldt ook bij het rooien of het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben. Hieronder valt ook beschadiging door vee. Onder bos wordt verstaan: • alleen bossen die buiten de ‘bebouwde kom Boswet’ liggen; • alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are (1.000 m2); • bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. De gemeente stelt de grenzen van de ‘bebouwde kom Boswet’ bij besluit vast. Deze grenzen kunnen afwijken van de ‘bebouwde kom Verkeerswet’. Het besluit wordt door de provincie goedgekeurd. De grenzen zijn bij de gemeente na te vragen. De bescherming van houtopstanden kent twee belangrijke instrumenten: meldingsplicht en herplantplicht. Een kapmelding is verplicht bij de kap van bomen buiten de bebouwde kom indien kap plaatsvindt in een houtopstand. Veelal geldt een 1 op 1 herplantplicht. Provincies bepalen welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd.

Voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel is er geen herplantplicht. De voorgenomen kap van een houtopstand hoeft niet gemeld te worden als het gaat o m: • houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom: • houtopstanden op erven of in tuinen; • fruitbomen en windschermen om boomgaarden; • naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet oude r dan twintig jaar; • kweekgoed; • uit populieren of wilgen bestaande: o wegbeplantingen; o beplantingen langs waterwegen, en o eenrijige beplantingen langs landbouwgronden. • het dunnen van een houtopstand; Uitbreiding transformatorstation Onna-Steenwijk | Eelerwoude | 11 • uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplanting en die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: o ten minste eens per tien jaar worden geoogst; o bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en o zijn aangelegd na 1 januari 2013.

• het vellen van houtopstanden ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel; • het vellen van houtopstanden voor de aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen; • het vellen van houtopstanden en herbeplanten op een wijze die is beschreven in een goedgekeurde gedragscode. De provincie kan een kapverbod opleggen. Mag er wel worden gekapt, dan moeten er meestal ook nieuwe bomen worden aangeplant. De provincie kan een ontheffing of vrijstelling verlenen. Dit hangt ervan af of er hiervoor een provinciale verordening is opgesteld. Mogelijk is ook een omgevingsvergunning nodig. Het aanvragen van deze vergunning en het indienen van een kapmelding moet apart van elkaar uitgevoerd worden. Gevolgen plangebied Er worden binnen het plangebied enkele bomen gekapt. Deze bomen bestaan uit rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Daarnaast valt de houtopstand buiten de bebouwde kom van de boswet. Voorafgaand aan de velwerkzaamheden dient men minimaal een maand van te voren de kap te melden bij Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel. Men dient er wel bedacht op te zijn dat afhankelijk van de APV (Algemene Plaatselijke Verordening) van in dit geval gemeente Steenwijkerland een omgevingsvergunning voor de activiteit vellen voorgeschreven kan zijn, ongeacht of de opstand wel of niet onder de Wet natuurbescherming valt.

Het kan zijn dat naast een verplichte melding ook een omgevingsvergunning vellen voorgeschreven is. 3.5 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Provincies hebben hie rvoor soms een andere benaming. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied verbinden. Het Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Wanneer bij een ontwikkeling mogelijke effecten op het NNN denkbaar zijn, is het noodzakelijk een NNN - toetsing uit te voeren. Gevolgen plangebied Het plangebied en de directe omgeving maken geen onderdeel uit van het NNN. Het plangebied ligt op ongeveer 2,3 kilometer (hemelsbreed) van begrensd NNN-gebied. Met de voorgenomen werkzaamheden worden geen negatieve effecten verwacht op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. Van afname van areaal is geen sprake, tevens worden geen effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN significant aantasten.

Daarnaast kent het NNN in Overijssel geen externe werking. Een toetsing aan het NNN-beleid wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Uitbreiding transformatorstation Onna-Steenwijk | Eelerwoude | 12 4 Methode 4.1 Inleiding De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van bestaande inventarisatiegegevens en een verkennend veldbezoek. 4.2 Bureauonderzoek Voor het bureauonderzoek is indien beschikbaar gebruikgemaakt van landelijke, provinciale en regionale verspreidingsinformatie; • de NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna) is daarnaast geraadpleegd. De NDFF heeft meer dan honderd miljoen gevalideerde waarnemingen door heel Nederland. Deze database bevat beschermde, zeldzame tot zeer zeldzame en algemeen voorkomende plant- en diersoorten in Nederland. Voor dit plangebied is een breder gebied getrokken dan het huidige plangebied en zijn er gevalideerde waarnemingen uit het gebied opgeroepen tot 10 jaar terug. • de landelijke verspreidingsinformatie uit atlassen, die deels gedateerd is, is gebruikt om na te gaan of nabij het plangebied in het verleden beschermde soorten zijn aangetroffen. Exacte locaties of data van de waarnemingen waren daarbij veelal niet bekend. Deze gegevens hebben vaak betrekking op atlasblokken (5x5 kilometer) en kunnen daardoor betrekking hebben op waarnemingen buiten het plangebied.

• de flora- en faunadatabase van Eelerwoude is eveneens geraadpleegd. Eelerwoude heeft meerder onderzoeken in de nabije omgeving van Steenwijkerland uitgevoerd. De data van deze onderzoeken zijn opgeslagen in deze database. 4.3 Terreinbezoek Op basis van een eenmalig veldbezoek is de geschiktheid van het onderzoeks gebied voor de verwachte soorten en/of soortgroepen beoordeeld. Het veldbezoek is overdag door R. Kroeskop uitgevoerd, ecologisch adviseur bij Eelerwoude (zie kader). Het veldbezoek is uitgevoerd op vrijdag 8 mei 2020 bij gunstige weersomstandigheden. Het gaat hier om een deskundigenoordeel op basis van de fysieke gesteldheid van het terrein (biotopenonderzoek). Daarnaast zijn de aangetroffen belangwekkende soorten genoteerd. Uitbreiding transformatorstation Onna-Steenwijk | Eelerwoude | 13 Kader – Ecologisch deskundige De veldmedewerkers van Eelerwoude beschikken over een uitgebreide ervaring met de betreffende soortgroepen en voldoen aan de criteria van ‘ecologisch deskundige’. Met een ecologisch deskundige wordt bedoeld een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie.

De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige: - op HBO - dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of - op MBO -niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of - als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of - zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaan de organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied; en/of - zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming. Uitbreiding transformatorstation Onna-Steenwijk | Eelerwoude | 14 5 Beschermde soorten Dit hoofdstuk beschrijft de tijdens het veldbezoek waargenomen soorten, al dan niet aangevuld met gegevens uit de literatuur en andere informatiebronnen. Vervolgens worden eventuele effecten beschreven als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.

5.1 Planten Voorkomen en functie Er zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Wel zijn er een aantal algemeen voorkomende plantsoorten aangetroffen zoals klein vogelpootje, akkerviooltje, madelief, gewoon biggenkruid, gewone paardenbloem, en de in het verleden beschermde plantsoort gewone vogelmelk (flora en faunawet). Er is een deskundigenbeoordeling van de potentiële aanwezigheid van beschermde planten in het plangebied uitgevoerd op basis van een biotoopanalyse. Gelet op de aanwezige terreintypen, het behe er en de functie van het plangebied is het niet waarschijnlijk dat binnen het plangebied beschermde plantensoorten voorkomen. Ook vanuit recente verspreidingsgegevens afkomstig uit de NDFF zijn ook geen waarnemingen bekend van beschermde plantensoorten (NDFF, 2020). Veel van de nieuw beschermde soorten komen nagenoeg uitsluitend voor in natuurgebieden. De gewone vogelmelk was in de oude flora en faunawet beschermd, in de nieuwe Wet natuurbescherming 2017 is de soort komen te vervallen. Effecten en ontheffing In het plangebied zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Deze kunnen worden uitgesloten, waardoor geen sprake is van negatieve effecten op beschermde planten. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is niet aan de orde.

Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde flora niet noodzakelijk. 5.2 Zoogdieren 5.2.1 Vleermuizen Voorkomen en functie In het plangebied is tijdens het dagbezoek beoordeeld of de locatie geschikt is voor vleermuizen. Hierbij is onderscheid gemaakt in: verblijfplaats, vliegroute en foerageergebied. In het plangebied kunnen de volgende vleermuissoorten voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieg er en watervleermuis. Verblijfplaats Vleermuizen maken gedurende het jaar gebruik van een netwerk van vaste rust - en verblijfplaatsen (zie kader - Vleermuisverblijfplaatsen). Deze verblijfplaatsen kunnen de volgende functies hebben: • kraamverblijfplaats; • zomerverblijfplaats; • paar- en/of baltsverblijfplaats; • winterverblijfplaats. Uitbreiding transformatorstation Onna-Steenwijk | Eelerwoude | 15 Verblijfplaatsen In het plangebied (uitbreidingslocatie) zijn geen gebouwen aanwezig. Er is enkel een gebouw aanwezig op de huidige locatie van het transformatorstation. In het plangebied zijn geen verblijfplaatsen van gebouw bewonende vleermuizen aanwezig. Wel komt binnen het gebied beplanting voor, het betreft voornamelijk de hooggaande bomen in de groensingel. Deze bomen zijn qua leeftijd (ongeveer 15 tot 20 jaar) ongeschikt voor vleermuizen.

De bomen bevatten geen holten of spleten waar boombewonende vleermuizen achter kunnen verblijven. Foerageergebied en vliegroutes Het plangebied is redelijk geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Ook de omgeving is eveneens geschikt als foerageergebied. Vleermuizen gebruiken lijnvormige elementen om zich langs te verplaatsen, zoals houtsingels, welke als vliegroute kan dienen. De groensingel rondom het plangebied is geschikt als vliegroute voor vleermuizen, maar staat niet in verbinding met geschikte gebouwen. Vliegroutes worden door vleermuizen gebruikt om zich te verplaatsen naar belangrijke foerageergebieden en verblijfplaatsen. De groensingel kan een functie hebben als foerageergebied om in de luwte van de boomkronen voedsel te zoeken. Rondvliegende insecten (muggen, vliegen, kevers etc.) die op de beplanting afkomen vormen voor vleermuizen een belangrijke voedselbron. Effecten en ontheffing Alle vleermuissoorten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming met beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Het opzettelijk verstoren, vangen en doden van individuen van beschermde soorten, alsmede het beschadigen of vernielen van vaste verblijfplaatsen, inclusief de functionele leefomgeving, is verboden vanuit de Wet natuurbescherming.

De functionaliteit van de verblijfplaatsen van vleermuizen die nt te allen tijde gegarandeerd te blijven (zie ook kader - Foerageergebieden en vliegroutes). Verblijfplaatsen Negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen worden uitgesloten. Er zijn binnen het plangebied geen geschikte verblijfplaatsen voor zowel boom- als gebouwbewonende vleermuizen aanwezig. Foerageergebied en vliegroutes Met betrekking tot het foerageergebied en de vliegroutes van de vleermuizen zal de ontwikkeling geen effect hebben op de functionaliteit van het gebied. Ook na de ontwikkeling van het transformatorstation blijft het plangebied nog steeds voor vleermuizen beschikbaar. De beplanting, die mogelijk een functie heeft als vliegroute kan als zodanig blijven functioneren mits geen gaten groter dan 50 meter ontstaan. Mogelijk Kader - Vleermuisverblijfplaatsen Onder de vleermuizen zijn gebouw bewonende en/of boom bewonende soorten aanwezig. Gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn hoofdzakelijk gebouw bewonend. Rosse vleermuis en watervleermuis zijn voornamelijk boom bewonende en gewone grootoorvleermuis, franjestaart en ruige dwergvleermuis bewonen zowel bomen als gebouwen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering.

Holten en spleten in bomen en ruimtes achter loszittend schors zijn voorbeelden van verblijfplaatsen in bomen. Vanuit de verschillende functies van de verblijfplaats worden weer andere eisen gesteld aan bijvoorbeeld het klimaat, de toegankelijkheid en de expositie van het verblijf ten opzichte van de zon. Als kraamverblijfplaats worden meestal gebouwen en/of bomen uitgekozen waarbinnen een constant klimaat heerst. Bij gebouwen zijn dit voornamelijk woningen met een spouwmuur of een geïsoleerd dak. Sommige vleermuizen hebben aan een opening van 1-2 cm voldoende om naar binnen te kruipen. Bij bomen gaat het meestal om dikke, oude bomen met een dikke restwand. Uitbreiding transformatorstation Onna-Steenwijk | Eelerwoude | 16 ontstaat er een positief effect op de bestaande vliegroute doordat het transformatorstation landschappelijk wordt ingepast met streekeigen beplanting. Door met verschillende (bloeiende) boom en struweelsoorten te werken neemt het voedselaanbod van insecten toe. Hetgeen een positief effect zal hebben op het leefgebied van vleermuizen. Door werkzaamheden zoveel mogelijk overdag uit te voeren vindt er geen verstoring plaats van vleermuizen. Vleermuizen zijn nachtactief en veel soorten zijn gevoelig voor lichtverstoring. Men dient rekening te houden met iedere vorm van verlichting.

In deze effectenbeoordeling zijn wij ervan uitgegaan dat de verlichting in het plangebied niet zal toenemen, met uitzondering van enkele noodlichtvoorzieningen aan of rondom het nieuw te realiseren gebouw. Indien blijkt dat aan één of meer van de genoemde voorwaarden niet voldaan kan worden, is nader onderzoek naar het gebruik van het plangebied door vleermuizen noodzakelijk. Aan de hand van dit nader onderzoek kan dan bepaald worden of een ontheffing in het kader van de bescherming van soorten in de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. Conclusie: mits men voorkomt dat er te grote gaten ontstaan in de mogelijk aanwezige vliegroute en als men terughoudend is met het toepassen van verlichting is nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming voor vleermuizen niet noodzakelijk. 5.2.2 Overige zoogdieren Voorkomen en functie Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Op basis van het aanwezige biotoop, sporen, literatuurgegevens en expertise zijn onder andere de volgende algemeen voorkomende zoogdieren binnen het plangebied aanwezig of te verwachten: ree, haas, konijn en diverse algemene muizen. Deze soorten kunnen het plangebied gebruiken als (onderdeel van hun) leef- en foerageergebied. Daarnaast maken een aantal van het plangebied gebruik als migratieroute.

Kader - Foerageergebieden en vliegroutes Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd indien bij het verdwijnen ook een verblijfplaats ongeschikt wordt. Bijvoorbeeld door het onderbreken van een vliegroute wordt een foerageergebied onbereikbaar, waardoor de vleermuizen onvoldoende voedsel kunnen vinden. Bij het verdwijnen van foerageergebieden of vliegroutes wordt derhalve onderzocht of er voldoende bereikbare alternatieven zijn. Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige landschapselementen zoals bomenrijen en singels om zich langs te verplaatsen. Een aaneengesloten kronendak heeft hierbij de voorkeur. Van vleermuizen is bekend dat onderbrekingen in de lijnstructuur maximaal 100 tot 200 meter mogen bedragen (kleinere en langzaam vliegende soorten 50 meter). Wanneer de onderbrekingen groter zijn dan deze afstand kunnen sommige soorten deze afstand niet overbruggen en zullen ze uitwijken naar alternatieve vliegroutes en foerageergebieden. Uitbreiding transformatorstation Onna-Steenwijk | Eelerwoude | 17 Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Kleine marterachtigen Het plangebied is beoordeeld op de niet meer vrijgestelde groep kleine marterachtigen. Onder deze groep worden de soorten bunzing, hermelijn en wezel verstaan. Voor het overgrote deel van dit onderzoek is gebruik gemaakt van recente literatuur en verspreidingsgegevens.

Hermelijn en bunzing hebben als voorkeurshabitat gevarieerde natte terreinen met oppervlaktewater. De wezel heeft als leefgebied met name drogere en kleinschalige agrarische habitats. Hierbij hebben kleine marterachtigen meerdere jachtgebieden nodig in de directe omgeving van hun verblijfplaats. Waar wezel en bunzing ook in buitenwijken en groene delen van dorpen en steden voor komen, komt hermelijn maar incidenteel voor bij randen van de bebouwde kom. Hierbij geldt wel dat kleine marterachtigen drukke omgevingen met aanwezigheid van drukke wegen, paden, recreanten en bedrijvigheid mijden. Het plangebied ligt in een relatief rustige omgeving met enkel wat verkeer op de Onnaweg en Bedelaarspad. Op deze 60 kilometer weg komt af en toe wat (landbouw)verkeer langs. De groensingel is mogelijk geschikt voor kleine marterachtigen om zich te verplaatsen tussen jachtgebieden in de weide omgeving. Het paardenweitje in combinatie met het schuurtje en rommelige hoekjes maakt dat een soort als hermelijn of wezel niet kan worden uitgesloten van het plangebied. Verblijfplaatsen van deze soorten zijn overigens moeilijk vast te stellen en zijn dan ook niet tijdens het veldbezoek aangetroffen. Uit de NDFF- gegevens zijn geen verblijfplaatsen of individuen kleine marterachtigen bekend (NDFF, 2020). Egel Egel is een algemeen voorkomende soort in de directe omgeving.

Tuinen, bosranden, struweel en loofbos, liefst met ondergroei, zijn goede leefgebieden voor deze soort. Het plangebied ligt ver uit de bebouwde kom en heeft een vrij open karakter. De openheid in het landschap zonder voldoende dekking en voedsel is ongeschikt voor egel. Uit verspreidingsgegevens afkomstig uit de NDFF zijn geen i ndividuen of verblijfplaatsen van egel binnen het plangebied bekend (NDFF, 2020). De wegen langs het plangebied (Onnaweg en Bedelaarspad) vormen voor egel daarnaast een behoorlijke barrière. Aanrijdingen met verkeer vormen de grootste oorzaak van de afname van egels in Overijssel. Steenmarter Een andere algemenere en strikter beschermde soort betreft de steenmarter. Hiervan zijn geen (prooi)sporen of latrines binnen of rondom het plangebied waargenomen. Ook zijn verblijfplaatsen, of aanwijzingen hiervan niet gevonden. Het plangebied maakt mogelijk wel onderdeel uit van het leefgebied van steenmarter, deze soort is algemeen in deze regio. Andere zoogdieren Andere beschermde soorten worden niet in het plangebied verwacht, zoals das en eekhoorn. Verblijfplaatsen ontbreken van deze soorten, er is geen geschikt en essentieel leefgebied voorhanden en het plangebied valt buiten het bekende verspreidingsgebied.

Mogelijk dat voor eekhoorn het plangebied wel onderdeel uitmaakt als leefgebied, zoals foerageergebied, maar dit betreft echter geen essentieel leefgebied gezien de ligging en de positie van het plangebied. Effecten en ontheffing Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ingreep zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van de genoemde (algemeen) voorkomende zoogdieren met het beschermingsregime “andere soorten”. Voor deze beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Overijssel een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Uitbreiding transformatorstation Onna-Steenwijk | Eelerwoude | 18 Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Kleine marterachtigen Kleine marterachtigen bunzing, wezel en hermelijn zijn binnen het plangebied niet uit te sluiten. Doordat de groensingel zoveel mogelijk wordt behouden en uitgebreid met nieuwe landschappelijke inpassingen worden negatieve effecten op deze soorten uitgesloten. Ook na de ontwikkeling van het plangebied blijft het gebied geschikt en beschikbaar om te foerageren. Wezel en hermelijn zijn in staat om door kleine openingen te kruipen. Een omheining in de vorm van gaashekken zoals het bestaande transformatorstation vormt geen belemmering voor deze soorten. Verblijfplaatsen zijn niet aangetroffen en zijn zoals benoemd moeilijk vast te stellen.

Het plangebied en de groenstructuren blijven behouden en met de landschappelijke inpassing versterkt. Bij graafwerkzaamheden in de groensingel kunnen negatieve effecten op voorhand niet worden uitgesloten. Indien men voor een deel in de groensingel zal graven, is een veldinspectie door een ter zake kundige ecoloog verplicht. De ecologisch ter zake kundige beoordeelt of men kan starten met de eventuele graafwerkzaamheden. Mits men zich houdt aan de genoemde voorwaarden is nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing voor kleine marterachtigen niet noodzakelijk. Egel Essentieel leefgebied of verblijfplaatsen van egel zijn niet aangetroffen en worden ook gezien terrein en biotoop ook niet verwacht. Daarnaast vormen de omringende parallelwegen een behoorlij ke barrière. Derhalve blijft het plangebied ook na de ontwikkelingen beschikbaar, waardoor negatieve effecten zijn uit te sluiten. Nader onderzoek naar egel of het aanvragen van een ontheffing wordt niet noodzakelijk geacht. Steenmarter Steenmarter kan het plangebied gebruiken om te migreren naar omringende percelen, de soort is algemeen. Dit betreft echter geen essentieel leefgebied, daarnaast zijn verblijfplaatsen van steenmarter tijdens het veldbezoek niet aangetroffen en ook niet vanuit de NDFF-gegevens bekend.

Ook na de ontwikkelingen blijft het plangebied voor steenmarter voorhanden, waardoor negatieve effecten op leefgebied uitgesloten k unnen worden. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing voor steenmarter wordt niet noo dzakelijk geacht. Overige soorten Andere beschermde soorten, zoals eekhoorn en das worden niet binnen het plangebied verwacht . Verblijfplaatsen en essentieel leefgebied zijn ter plaatse van de voorgenomen ontwikkelingen niet aangetroffen en worden op basis van biotoop niet verwacht. Er zijn ook geen verspreidingsgegevens van eekhoorn of das bekend in de directe omgeving van het plangebied (NDFF. 2020). De groensingel blijft zoveel mogelijk behouden en met de landschappelijke inpassing versterkt. Een negatief effect op beschermde grondgebonden zoogdieren is daarom uitgesloten. Conclusie: mits men rekening houdt met de aanwezigheid van kleine marters door voorafgaand aan de eventuele graafwerkzaamheden een veldinspectie uit te voeren is nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming voor grondgebonden zoogdieren niet noodzakelijk. Uitbreiding transformatorstation Onna-Steenwijk | Eelerwoude | 19 5.3 Vogels Voorkomen en functie Alle vogels zijn als soort beschermd in de Wet natuurbescherming.

Onderscheid wordt gemaakt tussen vogels met jaarrond beschermde nesten, vogels met jaarrond beschermde functionele leefomgeving en overige (broed)vogels. Onder de vogels met jaarrond beschermde nesten vallen onder andere soorten die hun nesten ook buiten het broedseizoen gebruiken, soorten die elk jaar op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn en soorten die steeds van hetzelfde nest gebruik maken en niet of nauwelijks zelf een nest kunnen bouwen. Onder de vogels met jaarrond beschermde leefomgeving vallen soorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats die zij het jaar daarvoor hebben gebruikt of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Jaarrond beschermde nesten Verblijfplaatsen van vogelsoorten, of aanwijzingen (braakballen of uitwerpselen) hiertoe, die jaarrond van vaste rust- en verblijfplaatsen gebruikmaken zijn niet aangetroffen binnen het plangebied. Ook in de mogelijk te kappen beschoeiing (bomen) zijn geen nestplaatsen (horsten) van jaarrondsoorten aangetroffen. Buiten het plangebied, aan de noordkant en overzijde van de Onnaweg, is een torenvalkkast aanwezig. Tijdens het veldbezoek zijn vanaf de weg bedelende jongen gehoord in de nestkast. Torenvalk is sinds dit jaar een nieuw beschermde jaarrondsoort in Overijssel.

Aangenomen kan worden dat torenvalk het plangebied gebruikt om voedsel te zoeken (kleine zoogdieren voornamelijk). Mogelijk dat enkele soorten jaarrond beschermde nesten wel het plangebied gebruiken als onderdeel van hun leefgebied, zoals buizerd, ooievaar en havik. Jaarrond beschermde functionele leefomgeving In deze situatie zijn enkele vogelsoorten aangetroffen dan wel te verwachten waarvan de functionele leefomgeving jaarrond beschermd is. Het gaat om soorten als zwarte roodstaart, koolmees etc. Overige (broed)vogels De aangetroffen vogels binnen en direct rondom het plangebied vallen onder de algemene broedvogels van bossen, struwelen en het kleinschalig landschap. Tijdens het veldbezoek zijn zingende zangvogels waargenomen. Deze soorten betroffen zwartkop, grasmus, kneu, groenling en tuinfluiter. Binnen het plangebied zijn in de groensingel verschillende nesten aangetroffen van algemeen voorkomende broedvogels. Effecten en ontheffing Vogels met jaarrond beschermde nesten Van een aantal vogelsoorten zijn de nesten het hele jaar door beschermd. Ook de functionele leefomgeving is daarbij beschermd. Bij de aantasting van de nestlocatie en/of de functionele leefomgeving is een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk. Buizerd, ooievaar, steenuil, kerkuil, havik en torenvalk vallen onder deze bescherming.

Nestplaatsen zijn in de te verwijderen beschoeiing niet aangetroffen en worden ook niet verwacht, waardoor negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Ook na de ontwikkelingen blijft het plangebied voor de genoemde jaarrondsoorten beschikbaar, waardoor er ook geen negatief effect ontstaat op het functionele leefgebied van deze soort. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming is voor beschermde jaarrondsoorten niet noodzakelijk. Vogels met jaarrond beschermde functionele leefomgeving Uitbreiding transformatorstation Onna-Steenwijk | Eelerwoude | 20 Genoemde soorten zijn bovendien goed in staat alternatieve nestplaatsen te vinden. Daarnaast wordt het plangebied voor veel struweel-broedende soorten versterkt door de landschappelijke inpassing en de toepassing van inheems plantgoed. Compenserende maatregelen of het aanvragen van een ontheffing is om deze redenen dan ook niet aan de orde. Overige (broed)vogels Alle vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, of nesten van vogels wegnemen.

Daarnaast is het ve rboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren kan in veel situaties worden voorkomen dat gehandeld wordt in strijd met deze verbodsbepaling. De periode van 1 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen 1. De meest optimale periode voor het verwijderen van groen is vanaf oktober tot en met eind februari. Voor de Wet natuurbescherming zijn echter alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en ongeacht de zeldzaamheid van de soort. Conclusie: bij de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met (in gebruik zijnde) nesten van vogels. Werkzaamheden aan de groensingel kunnen alleen plaatsvinden in de periode oktober tot en met eind februari. 5.4 Reptielen Voorkomen en functie Beschermde reptielen, zoals ringslang, gladde slang, levendbarende hagedis en hazelworm, zijn gebonden aan specifieke terreinen. In het plangebied ontbreekt dergelijk geschikt biotoop zoals heideterreinen, goed ontwikkelde waterlopen en venranden. Er zijn ook geen verspreidingsgegevens bekend van reptielen in en rondom het plangebied (NDFF, 2020). Effecten en ontheffing Op basis van biotoop kunnen beschermde reptielen worden uitgesloten.

Negatieve effecten op reptielen zijn dan ook niet aanwezig. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor reptielen niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor reptielen niet noodzakelijk. 5.5 Amfibieën Voorkomen en functie Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Een aantal soorten zoals bruine kikker en gewone pad kunnen een deel van het plangebied gebruiken als landbiotoop. Het gaat met name om de groensingel, het paardenweitje is voor deze soorten ongeschikt als landbiotoop. In het plangebied zelf zijn daarnaast geen waterelementen aanwezig. 1 In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 1 maart tot 15 juli. Uitbreiding transformatorstation Onna-Steenwijk | Eelerwoude | 21 Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Beschermde soorten amfibieën waarvoor geen vrijstelling geldt, zoals kamsalamander of rugstreeppad, worden niet verwacht in het plangebied vanwege het ongeschikte habitat voor deze soorten. Zo ontbreken waterelementen en geschikt landbiotoop in het plangebied. Er zijn ook geen verspreidingsgegevens bekend van beschermde amfibieën rondom het plangebied (NDFF, 2020).

Effecten en ontheffing Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Het paardenweitje waarbinnen het plangebied valt is geen geschikt landbiotoop voor soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. Door een toename van struweel en meer verruiging wordt het plangebied geschikter biotoop voor deze soorten. Er is geen sprake van verlies van leefgebied voor vrijgestelde amfibiesoorten. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Beschermde amfibieën waarvoor geen vrijstelling geldt, kunnen op basis van het afwezige land- en waterbiotoop worden uitgesloten, waardoor er geen sprake is van negatieve effecten. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor amfibieën niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor amfibieën niet noodzakelijk. 5.6 Vissen Voorkomen en functie Binnen het plangebied zijn geen watervoerende elementen (sloten, poelen, enzovoort) aanwezig. Derhalve ontbreekt geschikt leefgebied voor vissen en zijn deze dan ook niet aanwezig. Effecten en ontheffing Beschermde vissen zijn niet in het plangebied aanwezig. Er worden dan ook geen effecten op beschermde vissen verwacht. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming voor vissen is niet aan de orde.

Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde vissen niet noodzakelijk. 5.7 Ongewervelden Voorkomen en functie Van de groep ongewervelden (dagvlinders, libellen, kevers, kreeftachtigen en weekdieren) worden beschermde soorten als gevlekte witsnuitlibel en platte schijfhoorn niet verwacht. Dit door het ontbreken van geschikt habitat dat onder andere bestaat uit heideterreinen en venranden. Tijdens het veldbezoek is wel een vrij algemene libelsoort waargenomen, het ging om een smaragdlibel, deze soort komt in veelvoud voor in deze regio. De beschermde soort Noordse winterjuffer komt in de directe omg eving van het plangebied voor. Deze soort overwintert in tuinen waarbij er hoog opgaande kruidachtige vegetatie aanwezig moet zijn die voor Noordse winterjuffer gebruikt kan worden als dekking. Uitbreiding transformatorstation Onna-Steenwijk | Eelerwoude | 22 Effecten en ontheffing In het plangebied zijn geen beschermde ongewervelden aanwezig. Er is geen sprake van negatieve effecten op beschermde ongewervelden. In de directe omgeving van het plangebied komt Noordse winterjuffer voor . Door het ontbreken van opgaande kruidachtige vegetatie wordt de soort hier niet verwach t, waardoor negatieve effecten op Noordse winterjuffer zijn uit te sluiten.

Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor ongewervelden niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde ongewervelden niet noodzakelijk. Uitbreiding transformatorstation Onna-Steenwijk | Eelerwoude | 23 6 Conclusie 6.1 Beschermde soorten 6.1.1 Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ontwikkeling zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van een aantal beschermde soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. Het betreft soorten als ree, haas, konijn en diverse algemene muizensoorten. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat er sprake is van een tijdelijke, en plaatselijke verstoring, er voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft. 6.1.2 Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Met de volgende soorten en/of soortgroepen dient rekening te worden gehouden. Vleermuizen De vliegroute van de vleermuizen (groensingel) dient zoveel mogelijk intact te blijven. In principe kunnen vleermuizen 40 tot 50 meter onderbroken vliegroutes overbruggen. Door werkzaamheden zoveel mogelijk overdag uit te voeren vindt er geen verstoring plaats van vleermuizen.

Kleine marterachtigen Indien men voor een deel in de groensingel zal graven, is een veldinspectie op aanwezigheid van kleine marterachtigen door een ter zake kundige ecoloog verplicht. De ecologisch ter zake kundige beoordeeld of men kan starten met de eventuele graafwerkzaamheden. Mits men zich houd t aan de genoemde voorwaarden in het kader van de graafwerkzaamheden is nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing voor kleine marterachtigen niet noodzakelijk. Broedvogels Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, alsmede op het wegnemen van nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. In veel si tuaties kan dit voorkomen worden door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen2 uit te voeren. 6.1.3 Algemene zorgplicht Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 een omschrijving opgenomen over de algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht neemt voor alle in het wild levende dieren en planten, dus ook niet-beschermde soorten, en hun directe leefomgeving. Dit is een algemene verantwoordelijkheid die voor iedereen geldt.

Het betekent bijvoorbeeld dat er niet onnodig dieren en planten worden gedood, wanneer er redelijkerwijs een andere oplossing voor is, bijvoorbeeld de dieren verplaatsen naar een ander gebied. 2 In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 1 maart tot 15 juli. Uitbreiding transformatorstation Onna-Steenwijk | Eelerwoude | 24 6.2 Bescherming gebieden In de directe omgeving van het plangebied liggen diverse Natura 2000-gebieden. De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maakt dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Een AERIUS-berekening is noodzakelijk om de uitstoot en depositie van stikstof, en de gevolgen daarvan op Natura 2000-gebieden te bepalen. Echter, de gegevens die voor deze berekening noodzakelijk zijn, zijn in deze fase van de ontwikkeling nog niet beschikbaar of nog niet concreet. De AERIUS-berekening wordt in een separate notitie uitgewerkt. 6.3 Bescherming houtopstanden Er worden binnen het plangebied enkele bomen gekapt. Deze bomen bestaan uit rijbeplanting met meer dan 20 bomen.

Daarnaast valt de houtopstand buiten de bebouwde kom van de boswet. Voorafgaand aan de velwerkzaamheden dient men minimaal een maand van te voren de kap te melden bij Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel. Men dient er wel bedacht op te zijn dat afhankelijk van de APV (Algemene Plaatselijke Verordening) van in dit geval gemeente Steenwijkerland een omgevingsvergunning voor de activiteit vellen voorgeschreven kan zijn, ongeacht of de opstand wel of n iet onder de Wet natuurbescherming valt. Het kan zijn dat naast een verplichte melding ook een omgevingsvergunning vellen voorgeschreven is. 6.4 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied en omliggende gebied maakt geen onderdeel uit van het NNN. Met de voorgenom en werkzaamheden worden geen negatieve effecten verwacht op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. Van afname van areaal of externe werking is geen sprake. Tevens worden geen effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN significant aantasten. Een toetsing aan het NNN-beleid wordt daarom niet noodzakelijk geacht. 6.5 Uitvoerbaarheid van de plannen Mits rekening gehouden wordt met de voorgenoemde maatregelen en werkwijze is geen overtreding van de natuurwetten en natuurbeleid aan de orde. Vanuit de eisen van de natuurbescherming is het plan derhalve uitvoerbaar.

6.6 Geldigheid rapportage Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 2.2. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten leiden. Literatuurlijst • AERIUS Calculator (2020). Datum van raadplegen: 01-05-2020. https://calculator.aerius.nl/calculator/?locale=nl# • ESRI Nederland (2020, maart 24). ESRI. • Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van Economische Zaken, versie 1.3. • NDFF (2020, januari 23). Nationale Databank Flora en Fauna. Opgehaald van NDFF- ecogrid: https://ndff- ecogrid.nl/ • Van Aalst, J. (2020, maart 24). Imeris. Opgehaald van www.imeris.nl Bijlage 1 Wettelijk kader natuurwetgeving Bescherming van soorten Zorgplicht De Wet natuurbescherming erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende planten - en diersoorten, of de soort nu beschermd is of niet (= zorgplicht). Deze zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wilde levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld, maar kan door toepassing van bestuursdwang wel worden gehandhaafd. Beschermingsregimes Op het onderdeel soortbescherming deelt de Wet natuurbescherming soorten in drie beschermingsregimes in: 1.

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Alle vogels cf. artikel Vogelrichtlijn 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Soorten uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd 3. 3. Beschermingsregime “andere soorten” Soorten die uit nationaal oogpunt bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes heeft zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Verbodsbepalingen De Wet natuurbescherming gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. In de wet worden ten aanzien van de beschermde soorten een aantal verbodsbepalingen genoemd (figuur 1). De verbodsbepalingen zijn gekoppeld aan het beschermingsregime van de soort (resp. Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de groep ‘Overige soorten’). Dat betekent dat deze verbodsbepalingen niet overtreden mogen worden, tenzij voor de soort(en): • Een vrijstelling geldt; • Er gewerkt wordt met een goedgekeurde Gedragscode (feitelijk een collectie ve ontheffing); • Een ontheffing is verkregen. 3 De brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016 impliceert dat de bescherming uit de Vogelrichtlijn prevaleert boven de bescherming van vogels uit de verdragen van Bonn en Bern Figuur 1.

Overzicht verbodsbepalingen Wet Natuurbescherming (bron: brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016). Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen (en deze toch te mogen overtreden) via een ontheffing of een vrijstelling moet aan drie criteria worden voldaan: 1. Er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling (=alternatievenafweging); 2. De afwijking is gebaseerd op een in de wet genoemd belang (b.v. openbare veiligheid of volksgezondheid); 3. De ingreep of handeling mag geen afbreuk doen aan en/of verslechtering betekenen voor de staat van instandhouding van de soort. Als aan (alle) drie deze vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk in de vorm van een provinciale verordening of een (goedgekeurde) gedragscode. Voorgaand figuur geeft een overzicht van de verbodsbepalingen per beschermingsregime. De verbodsbepalingen voor de groep van overige, ‘nationale’ soorten zijn geïnspireerd op de Habitatrichtlijn en op een aantal punten versoepeld. Zo is het opzettelijk verstoren van beschermde soorten (en hun verblijfplaatsen) uit deze groep van overige soorten niet langer verboden. Wel is het nog steeds verboden om vaste verblijfplaatsen van dieren onder dit beschermingsregime opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

Voor vogels geldt dat verstoren niet verboden is als de verstoring maar niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort (artikel 3.1, lid 4 en lid 5). Het beschadigen van in gebruik zijnde vogelnesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren dus niet meer, tenzij er sprake is van een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de specifieke soort(en). Het is aan de initiatiefnemer om zich op de hoogte te (laten) stellen, en waar nodig aan te tonen, dat de op zich verstorende activiteit geen bedreiging vormt voor de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort.

Tot slot geldt het opzettelijk doden of vangen en het verbod om vaste verblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of beschadigen, niet voor bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis in of op gebouwen of de daarbij behorende erven of roerende zaken (artikel 3.10 lid 3). Zie kader – Opzettelijkheid. Andere bevredigende oplossing(en) De initiatiefnemer moet aantonen en beargumenteren dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn waardoor overtreding van de verbodsbepaling(en) kan worden voorkomen, bijvoorbeeld door planaanpassing of het aanpassen van de uitvoeringsperiode. Het is aan het bevoegd gezag (doorgaans dus de provincie) om de alternatieve oplossingen te beoordelen en hierover te besluiten. De onderbouwing moet gebaseerd zijn op objectieve en controleerbare gegevens. Belangen Voor de soorten die beschermd zijn onder de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de in deze richtlijnen genoemde belangen. Voor de groep van overige, nationaal beschermde soorten wordt uitgegaan van de in de Habitatrichtlijn genoemde belangen, plus een aantal aanvullende belangen. In het Kader - Wettelijk Belang wordt een overzicht gegeven van deze belangen. Staat van instandhouding van de soort Tot slot moeten de effecten van de voorgenomen handeling(en) worden beoordeeld aan de staat van instandhouding (SvI) van de soort.

Zie ook kader – Staat van instandhouding. De SvI varieert per soort en per handeling, en is niet vastgelegd in de wet. Een handeling op een zeldzame beschermde soort zal eerder leiden tot een negatief effect op de SvI dan bij een algemene soort. Belangrijk is ook de trend (aantalsontwikkeling) en de ruimtelijke verspreiding van de soort. Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden m et cumulatieve (versterkende) effecten, bijvoorbeeld door andere handelingen of ontwikkelingen in de omgeving en met reeds verleende ontheffingen voor dezelfde populaties van deze soort(en). Bij de beoordeling mogen compenserende en mitigerende (verzachtende) maatregelen worden betrokken. Het ecologische toetsingscriterium verschilt per beschermingsregime. Om te beoordelen of aan deze criteria wordt voldaan, moeten inzicht worden gegeven in: 1. De SvI (van de populatie) van de soort (in zijn natuurlijke versp reidingsgebied). 2. Het effect van de handeling of ontwikkeling op de soort. Kader - Opzettelijkheid In de Wet natuurbescherming is bij meer verbodsbepalingen dan onder de Flora en faunawet het opzetvereiste toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. In de Flora en faunawet was alleen sprake van het opzetvereiste bij verontrusting (artikel 10). Hierdoor was de Flora en faunawet strenger dan de verbodsbepalingen van de Habitatrichtlijn.

Niet-opzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn nu niet langer verboden. Daar is van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant….”. Voorkomen van overtreding verbodsbepalingen In sommige situaties kunnen maatregelen worden getroffen waardoor negatieve effecten en overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kunnen worden voorkomen. Bijvoorbeeld door de kap van bomen met broedende vogels uit te stellen tot na de broedtijd. Al kan de boom ook een nest bevatten van een vogelsoort waarbij het nest jaarrond beschermd is, waardoor overtreding niet kan worden voorkomen. Het plannen van werkzaamheden buiten de kwetsbare periode(n) van beschermde soorten is een veel toegepaste maatregel. Andere mogelijkheden om overtreding te voorkomen zijn wellicht het aanpassen van de werkvolgorde, gebruik te maken van andere apparatuur of de werkzaamheden te faseren in ruimte en tijd (zoals in het voorbeeld). Vrijstellingen Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen die leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen in de wet.

Dit zijn bijvoorbeeld de provinciale vrijstellingen en de gedragscodes. Ook kan er sprake zijn van een vrijstelling als de handeling is opgenomen in een beheerplan voor een Natura 2000 - gebied of programma in het kader van een programmatische aanpak. Tot slot kan het Rijk voor handelingen en activiteiten waarvoor zij bevoegd gezag is een vrijstelling geven in de vorm van een Ministeriele Regeling. Vrijstellingen kunnen alleen gelden voor de verbodsbepalingen en de voorwaarden zoals genoemd bij de verschillende beschermingsregimes. Provinciale verordening Provinciale Staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Zo zijn met een provinciale verordening een aantal vooral algemeen voorkomende en beschermde zoogdieren als egel en rosse woelmuis vrijgesteld van de ontheffingsplicht. Door deze mogelijkheid ontstaan echter wel verschillen in de bescherming van soorten tussen de verschillende provincies. Kader - Staat van instandhouding • Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn: “De maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de betreffende soort”. • Beschermingsregime soort Habitatrichtlijn: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.

• Beschermingsregime Overige soorten: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”. Kader - Wettelijk Belang Voor vogels beschermd onder de Vogelrichtlijn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: • in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; • in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; • ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; • ter bescherming van flora en fauna; • voor onderzoek en onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt; • om het vangen, onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.

Voor soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: • in het belang van de bescherming van wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; • ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen eigendom; • in het belang van volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten; • voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van kunstmatige vermeerdering van planten, of • om onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen, onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.

Voor andere ‘nationaal’ beschermde soorten kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: • de belangen die gelden voor soorten van de Habitatrichtlijn zoals hierboven genoemd; • in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daaropvolgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; • ter voorkoming van schade en overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen; • ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; • ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; • in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; • in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; • in het kader van bestendig beheer of onderhoud van landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied; • in het algemeen belang van de betreffende soort. Programmatische aanpak De Wet natuurbescherming biedt de mogelijkheid om een programmatische aanpak toe te passen.

Een dergelijk programma kan zowel door het Rijk als door provincies worden opgesteld. Onder de Flora en faunawet is reeds ervaring opgedaan onder de ‘Generieke’ of ‘Gebiedsgerichte aanpak’. Tevens is voor een aantal grootschalige ontwikkelingen en plangebieden een Generieke ontheffing verleend zoals voor de gemeente Tilburg, het Havengebied Rotterdam en Vliegveld Twente. Het biedt de mogelijkheid om door middel van een actieve leefgebiedenbenadering te streven naar een betere verbinding tussen economie en ecologie. Beheerplan Natura 2000-gebied Tot slot zijn handelingen die onderdeel uitmaken van een beheerplan voor een Natura 2000 -gebied of een programmatische aanpak (zoals stikstof) vrijgesteld, mits de handelingen zijn getoetst aan de criteria voor afwijking van de soortenbeschermingsregimes. www.eelerwoude.nl Stikstofberekening Uitbreiding transformatorstation, Steenwijk

Opdrachtnemer: Eelerwoude Onze vestigingen 088-1471100 info@eelerwoude.nl www.eelerwoude.nl Projectgegevens: Projectnummer: 10680 Datum: 2-11-2020 Status: Definitief Versie: 1 © 2020 Eelerwoude Dit rapport is enkelzijdig opgemaakt. www.eelerwoude.nl Inhoudsopgave 1 Inleiding ..................................................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding ............................................................................................................................................... 4 1.2 Doel van deze rapportage ...................................................................................................................... 5 2 Methodiek .................................................................................................................................................. 6 3 Uitkomsten................................................................................................................................................. 7 4 Conclusie .................................................................................................................................................... 8 Bijlage 1: AERIUS-berekening ..................................................................................................................................

9 www.eelerwoude.nl 1 Inleiding 1.1 Aanleiding De opdrachtgever is voornemens een trans formatorstation uit te breiden tussen de Onnaweg en het Bedelaarspad te Steenwijk in de gemeente Steenwijkerland. Ten behoeve van de uitbreiding wordt een houtwal grotendeels gekapt om het station te verbinden met het naastg elegen agrarische perceel. Het transformatorstation zal ook landschappelijk worden ingepast waarbij verschillende boomsoorten en heesters worden aangepla nt. Ten behoeve van de ontwikkeling verlangt het bevoegd gezag een analyse waarmee aangetoond wordt of er significante depositie van stikstof op aangewezen habitattypen en leefgebieden plaatsvindt. In deze rapportage wordt een analyse uitgevoerd door middel van een stikstofberekening. Afbeelding 1. Ligging plangebied ten opzichte van omliggende Natura 2000-gebieden (blauw, geel & groen).

www.eelerwoude.nl 1.2 Doel van deze rapportage Voor de uitbreiding van het transformatorstation worden mobiele werktuigen ingezet, hierdoor ontstaan tijdens de aanlegfase extra vervoersbewegingen naar de locatie. Deze mobiele werktuigen en verkeer stoten stikstof uit. Het gaat hierbij om nieuwe stikstofbronnen en extra vervoersbewegingen. De stikstofdepositie die ontstaat door de aanlegfase, kan negatieve effecten hebben op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000- gebieden. Deze locatie ligt op circa 2,7 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied De Wieden. Dit gebied kent enkele stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. www.eelerwoude.nl 2 Methodiek Om de hoeveelheid stikstofdepositie op de aangewezen habitattypen en leefgebieden van aangewezen soorten (de instandhoudingsdoelen) te berekenen, wordt gebruik gemaakt van AERIUS-Calculator 2020 (versie oktober 2020). De in te voeren parameters zijn bepaald aan de hand van het ingeschatte aantal benodigde vrachtwagens voor de aan- en afvoer van materiaal en een schatting van het soort mobiele werktuig en haar geschatte draaiuren (zie tabel 1). De aantallen zijn op basis van aangeleverde gegevens en ervaring met projecten elders ingeschat. Voor het bouwjaar van de machines is 2015 en jonger aangehouden.

Tabel 1: Inzet van verkeer en mobiele werktuigen voor de uitbreiding van het transformatorstation Voor de aan- en afvoerroute van materiaal moet rekening gehouden worden met de plaats waar de transportstromen opgaan in het heersende verkeersbeeld. Hiervoor is dit geval de route aangehouden richting de A32 waarbij het verkeer via het Bedelaarspad in noordelijke richting opgaat in het heersende verkeer van de Meppelerweg. Het aantal rijbewegingen wordt vervolgens in AERIUS ingevuld als het aantal voertuigen per jaar.

www.eelerwoude.nl 3 Uitkomsten Met AERIUS-Calculator, versie 2019A is de stikstofdepositie berekend voor de werkzaamheden welke benodigd zijn voor het uitbreiden en landschappelijk inrichten van het transformatorstation in het buitengebied van Steenwijk. Het resultaat van de berekening is: “Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/hectare/jaar” (afbeelding 2). Het rekenmodel rekent tot 0,0049 mol uit: 0,0049 mol en minder geeft het rekenmodel aan als niet hoger dan 0,00 mol. De stikstofdepositie is in dit geval minder dan 0,005 mol/hectare/jaar. Men kan hierdoor spreken over een niet significante stikstofdepositie. Dit betekent dat het gebruik van machines en inzet van vrachtwagens geen invloed heeft op de instandhoudingsdoelen van N2000-gebieden. Afbeelding 2: Uitkomst AERIUS-berekening, 20-07-2020. Zie hiervoor ook de rapportage AERIUS in bijlage 1.

www.eelerwoude.nl 4 Conclusie Aan de hand van de berekening worden de volgende conclusies getrokken: • De werkzaamheden ten behoeve van de uitbreiding van het transformatorstation hebben een niet significante stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar tot gevolg. • Een vergunning Wet natuurbescherming, onderdeel stikstof is niet aan de orde voor de desbetreffende werkzaamheden. www.eelerwoude.nl Bijlage 1: AERIUS-berekening Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl. Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: https://www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/77728803-152d-4478-9d52-ad6ad1dcf881?agendaItemId=322d23b4-ecdf-4706-9b26-c0ea05d7b141