Bijlage 5 - Advies bezwaarschrift vestigen voorkeursrecht
Tekst van het document
Dat is niet aan de orde en namens het college heeft de wethouder bij de behandeling in de raad ook aangegeven absoluut niet verder te willen ingrijpen in de eigendomsverhouding. Dat wil zegger. dat het college niet tot onteigening wil overgaan. De raad heeft dat nog eens bevestigd in een aangenomen motie (bijlage D), waarbijwordt overwogen: "Er uan onteigening op dit moment geen sprake is, møør wij wel aøn mening zijn dat het goed is om dit [onwenselijkheid aan onteigeningl op ooorhand te benoemen om eoentuele lastige situaties in de t o ekomst t e z¡ oorkomen. " En is verzocht: "Niet oaer te gøøn tot onteigening oøn gronden uoor het realiseren uøn toekomstige windparken binnen de gemeente S teenwijkerland. 1 De norm die is gepubliceerd op 18 juli 2023 en geldend is vanaf 20 juli2}Z3luidt: "alleen nog mee te werken aan windturbines in trede 1-3 van de windladder" 5 Bij de ontwikkeling aan windpørken de nødruk te leggen op samenwerking (...),, Hieruit blijkt dat het college en de raad oog hebben (gehad) voor de belangen van de grondeigenaren, waaronder de heer de Haan. Tenslotte is in de reactienota toegelicht, waarom het voorkeursrecht op het gehele perceel rust, omdat nog niet duidelijk is wat de exacte locatie moet worden van een eventuele turbine.
Dit is uiteindelijk van vele factoren afhankelijk: de locaties van andere windturbines, ecologie, de ideale plek voor het vangen var. zo veel mogelijk wind en daaraan verbonden de businesscase en uiteraard de afspraken die gemaakt kunnen worden met de grondeigenaren. Het is dan niet verstandig om al vooraf beperkingen te gaan aanbrengen. Hieronder wordt hieraan nog het juridisch kader toegevoegd en wordt nog verder op de bezwaren ingegaan. 6 8. ]uridisch kader Belangrijk voor de vraag of het college en later de raad een voorkeursrechf mocht (be)vestigen is de vraag welke eisen eraan een voorkeursrecht (en de motivering, grondslag en belangenafweging) op grond van artikel 9.1 lid 2 of 9.1lid 1 onder c van de Omgevingswet worden gesteld. Daarop wordt hieronder ingegaan. De (overige) relevante artikelen zijnte vinden in bijlage E. In deze artikelen staat [onderstreping door Amold Vedder]: L. "De gemeenteraad, proainciale støten of Onze Minister aøn Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kunnen bij aoorkeursrechtbeschikking op een onroerende zaak een gemeenteliik, proainciaal of nøtionaal aoorkeursrecht aestigen, aoor zoaer die zaak deel uitmaakt aan een locqtie Tuaaraan: ø. (...) b. (...) c.
in de aoorkeursrechtbeschikking een niet-agrørische functie of moderniseringslocatie wordt toegedacht en waaraan het gebruik of*tikt aan die functie en de functie niet is toegedacht in een gemeentelijke, een proainciale respectieaeliik de nationale omgeaingsaisie of een programma en niet is toegedeeld in een omgeaingsplan. 2. Voorafgaand aan de aestiging aøn een aoorkeursrecht op grond aan het eerste lid kunnen het college aøn burgemeester en wethouders en gedeputeerde staten bij aoorkeursrechtbeschikking op een onroerende zaak een gemeentelijk ofproainciaal aoorkeursrecht aestigen,'ooor zoaer die zqøk deel uitmaakt aan een locatie waørøøn in die beschikking een niet-agrarische functie of moderniseringslocatie wordt toegedacht en u)aaroan het gebruik øfuijkt aøn die functie." 8,7 Toegedøchte locøtie en onderbouwing Voor dit bezwaar is het voldoende om daarbij te kijken naar het onderstreepte gedeelte en dus naar de vraag, welke eisen er gesteld worden om van een "toegedachte" niet-agrarische of modemiseringslocatie te kunnen spreken en aan welke eisen er dan aan de grondslag, motivering en belangenafweging worden gesteld.
Daarvoor moet gekeken worden naar wat gold onder de voorganger van hoofdstuk 9 van de Omgevingswet, de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg) ten aanzien van artikel 5 en of 6Wvg.2 Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling)3, volgt dat de systematiek van de Wvg meebrengt dat het voorkeursrecht kan worden gebruikt als nog onzeker is of een geplande ontwikkeling kan worden gerealiseerd. Onzekerheid hoort er dus bij en dat geldt nog meer in hei geval er sprake is van een "toegedachte" locatie/bestemming en dus nog niet van een visie, programma of plan: "4.3. Zoøls de Afdeling eerder heeft oaerwogen (uitspraak aan L5 december 2010 in zaak nr. 20L004705/11H3) brengt de systematiekaan deWag mee dat op het moment dat het aoorkeursrecht kan en dient te worden aangewend, aeelal onzeker zal zijn of de geplande (her)ontwikkeling feiteliik zal kunnen worden gerealiseerd. Gelet op het doel uqn de wet, het aerschffin aan aoorrang aøn gemeenten bij aankoop aan gronden benodigd uoor het realiseren aøn toekomstige plønologische ontwikkelingen, 2 Zie Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet, Memorie van Toelichting; artikelsgewijze toelichting (Kamerstukken II 2018/19,35 133, nr. 3, p. 71: "In de aoorgestelde regeling is nls uitgøngpunt gehønteerd om de reikwijdte aan het aoorkeursrecht zo min mogelijk te wijzigen." Zie ook p.226-228.
3 ECLI:NL:RVS:2014:37 86, r.o. 4.3 7 staøt de gestelde onzekerheid niet ín de weg aøn het gebruik aøn de bij wet gegeaen beaoegdheid tot het aestigen aøn een t¡oorkeursrecht. Dit geldt temeer bij toepassing ann artikel 5 pan de Wag, welke bepating ertoe strekt døt de raad reeds aoor aanaang aan de procedure tot aaststelling aan een bestemmingsplan, projectbesluit of structuurzsisie een t;oorkeursrecht køn aestigen op gronden Tuaaraan een niet agrarische bestemming wordt toegedacht die of*tßt aan het huidige gebruik, opdøt hij in een aroeg stødíum sløgaøardig køn optreden teneinde te aoorkomen dat de aerwezenlijking aan de toegedachte bestemming wordt belemmerd. lnherent aan de toepøssing aan artikel 5 aan de Wag is dat oøn de toekomstige bestemming nog slechts een globaal beeld bestøat, aldus aoormelde uitspraøk.(. . .) Voor zoaer de raød met het aestigen aan het aoorkeursrecht teaens bepøald ongewenst gebruik znenste tegen te gaøn, leidt dit niet tot het oordeel dat de rechtbank heefi miskend dat de raad het aoorkeursrecht niet op de gronden mocht aestigen. l.lit de uitspraak aan de Afdeling aan 22 noaember 2006 in zaak nr. 200602047/1 aolgt dat de wens de regierol bij ruimtelijke ontwikkelingen in de gemeente te behouden uoldoende is ter motittering aan de aestiging aøn het uoorkeursrecht.
Het aoorkomen aøn ongewenste ontwikkelingen aalt onder de regierol." Daarbij komt dat het instrument van het voorkeursrecht juist door de wetgever is bedacht om de positie van gemeenten te versterken door bij gewenst ruimtelijk beleid hen een mogelijkheid te geven speculatie tegen te gaan en regie te pakken. "5.1. Zoøls de Afdeling eerder heeft oaerwogen (onder meer uitspraak uan 1,1 juli 2018, ËCLI:NL;RZS:2018:2332), bliikt uit de geschiedenis rsan de totstandkoming ann de Wag dat d.e wetgeaer met de inaoering aan deze wet heeft beoogd de positie aan gemeenten bij de gronduerweraing ten behoeae aan de aerwezenlijking aan het ruimtelijke beleid te aersterken door de raad een middel te Seaen wa.armee speculntie kan worden tegengegaan en de regie bij de aerwezenlijking aan de uoor gestane ruimtelijke ontwikkelingen køn worden behouden. "a Hieruit volgt dat voor toepassing van het voorkeursrecht het voor nu voldoende is dat op grond van wettelijke en provinciale regels het voorstelbaar is dat er een aantal windturbines komen op de percelen waarop het voorkeursrecht ziet. Uit het vervolg moet blijken of het daar ook van komt. De aannemelijkheid van de toegedachte ontwikkeling daarvan is in ieder geval geen toetsingsgrond.s En artikel 9,1 van de Omgevingswet of artikel 5 van de Wvg vragen vereisen daarvoor geen nad.ere onderbouwing.
Of er turbines komen is onder andere afhankelijk van of er met bezwaarmaker en andere grondeigenaren afspraken kunnen worden gemaakt of er bijvoorbeeld ecologische belemmeringen zijn die niet met aanpassingen (mitigatie) kunnen worden opgelost en of de raad op een later moment besluit dat er windturbines mogen komen op de percelen waarop het voorkeursrecht ziet of de voorkeur heeft voor een andere locatie, Dat De Haan zich, ondanks herhaaldelijk bezoek van ontwikkelaars, geen windturbines kan voorstellen op de betrokken percelen en het toedenken van windturbines niet aannemelijk acht of voldoende onderbouwd vindt, maakt dus niet dat er geen sprake kan zijn van een toegedachte bestemming. Ook de aanwezigheid van weidevogels maakt dat niet anders. Voor dit stadium in de besluitvorming is voldoende dat er op grond van wettelijke en provinciale criteria een opstelling mogelijk is. Later moet blijken of het hier ook van komt. a ECLI:NL:RVS:2020:1.156, r.o. 5.1. s Rechtbank Gelderland van26 apríl2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:2469, r.o. S.3. 8 8.2 Beløngen Dan de vraag of de belangen van De Haan voldoende zijn betrokken dan wel of hun belangen onevenredig worden geschaad. Daarbij is van belang dat het voorkeursrecht een zogenaamde discretionaire bevoegdheid is.
Dat betekent dat het college of de raad met een zekere vrijheid mag beslissen en dat de vraag of het college of de raad dit iuist heeft gedaan terughoudend moet worden behandeld.r Daarbij is van belang dat de wetgever en de Afdeling vinden dat bij toepassing van een voorkeursrecht er wel sprake is van een inbreuk op het eigendomsrecht, maar slechts van een beperkte inbreuk.T De inbreuk is bovendien in het algemeen belang en onder voorwaarden en de eigenaar merkt er alleen iets van als hij zijn grond zou willen verkopen. Wil de eigenaar dat niet, dan heeft het voorkeursrecht geen betekenis. Wil de grondeigenaar wel iets, dan geldt o.a. als voorwaarde dat de gemeente dan ten minste marktconform moet handelen. Het een en ander is ook met allerlei juridisch waarborgen omgeven. Er is dan ook niet snel sprake van onevenredige gevolgen voor een grondeigenaar door een voorkeursrecht te vestigen. Die gevolgen zijn ook niet aangetoond of onderbouwd. Er zijn in ieder geval geen aanwijzingen dat het bedrijf op slot zit of dat financiering (is) (ge)stopt. Het is bedrijfseconomisch ook lastig voor te stellen dat dit het geval is, omdat grond waarop een windturbine wordt ontwikkeld namelijk juist meer waard is en zelfs aantrekkelijk is voor speculatie. Dat komt omdat een grondeigenaar een grondvergoeding krijgt als hij instemt met de plaatsing van een turbine (en het tot realisatie komt).
Doorgaans is dit een aanzienlijke vergoeding per jaar en bovendien voor de duur van zo'n 25 jaar. Die kans of ontwikkelmogelijkheid maakt een perceel of bedrijf eerder aantrekkelijker en bedrijfseconomisch beter financierbaar dan daarvoor. Eventuele kopers zullen dit ook betrekken bij een waardering, Op een normaal stuk agrarische grond van zo'n 0,5 ha kan met agrarische activiteiten geen vergelijkbare opbrengst worden behaald. Ook het feit dat het perceel bebouwing bevat, waarop helemaal geen windturbines kunnen worden ontwikkeld, maakt niet dat het besluit onevenredige gevolgen heeft of De Haan onevenredig schaadt inzijn belangen. De Haan merkt hier namelijk niets van en in geen geval zullen er windturbines worden ontwikkeld ten koste van de huidige bebouwing. Dat zou in strijd zijn met de wet. Omdat tegelijkertijd nog onduidelijk is, waar een eventuele windturbine wel moet komen en wat een gunstige opstelling is, is ervoor gekozen om het voorkeursrecht op het gehele perceel te vestigen en geen risicovolle beperking op te leggen die achteraf nadelig zou kunnen zijn voor de toegedachte ruimtelijke ontwikkeling. 8.3 Grondsløg Ten slotte wordt wel aangegeven dat er geen grondslag is voor de genomen beslissing, maar blijkt juist uit de wetsgeschiedenis, rechtspraak en wetgeving dat de juiste grondslag (toegedachte bestemming/locatie) is gebruikt.
En dat deze grondslag juist is bedoeld om regie te verkrijgen en speculatie te voorkomen, terwijl nog niet zeker is of de toegedachte bestemming ooit kan worden gerealiseerd. 6 ECLI:NL:RVS;201,4I3786, r.o. 4.5 7 ECLI:NL : RVS:2jL2:BW 387 1, r.o. 2.3.1. 9 9. Conclusie Op grond van het bovenstaande en alle bij de genomen besluiten betrokken argumenten is er geen grond voor (partiële) vemietiging van het bestreden besluit. Daarom wordt verzocht het raadsbesluit in stand te laten en het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een vergoeding van de kosten van juridische bijstand af te wijzen. Behandeld door: Amold Vedder 10